|
Copyright © 2026 / 2569 Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.
|
Inhoud
I.De diverse aspecten van geest en bewustzijn.
Gevoel, waarneming en bewustzijn
II. De onreinheden, smetten van de geest
De gelijkenis van het koperen vat
Halteplaatsen en etappes op weg naar reiniging van de geest
De bron van alle goed en kwaad
Begeerte, haat en onwetendheid, de wortels van het onheilzame
Het verlangen naar bestaan (bestaansdorst)
Voedende voorwaarden voor vrijheid van het weten
Verschil tussen begeerte, haat en onwetendheid
Ontstaan en groei van begeerte
Ontstaan en groei van onwetendheid
Niet tot ontstaan komen en verdwijnen van begeerte
Niet tot ontstaan komen en verdwijnen van haat, vijandigheid, ontevredenheid en tegenzin
Niet tot ontstaan komen en verdwijnen van onwetendheid
Slechte gevolgen van begeerte, haat en onwetendheid
Verwaarlozing en energie, achteloosheid en wilskracht
Onheilzame en heilzame eigenschappen van de geest naar gedrag, neigingen, gewoonten en gedachten
Onheilzaam gedrag wat de geest betreft en onheilzame geestelijke neigingen
Heilzaam gedrag wat de geest betreft en heilzame neigingen
Donkere en heldere eigenschappen
Het beschouwen van geestelijke objecten van de vijf hindernissen
Wel of niet afgeleid en verstrooid bewustzijn
De geest innerlijk klem zittend
Geest niet innerlijk klem zittend
Opgewondenheid op grond van vasthechten
Niet-opgewondenheid op grond van niet-vasthechten
De edele reiniging van de geest
Verkeerd en juist levensonderhoud
Verkeerde en juiste opmerkzaamheid
Verkeerde en juiste concentratie
Verkeerde en juiste bevrijding
De middelen om de neigingen te laten uitdrogen
De juiste procedure voor zuivering van de bevlekte geest van de edele volgeling
De onbedwongen en de bedwongen geest
III. De hogere krachten van de geest
Bevrijding van de geest door meditatie
Het overwinnen van de vijf lagere boeien
De hogere oefening van de geest
Wedergeboorte volgens het Theravada
Hoe komt het tot wedergeboorte?
Geen verhuizing van bewustzijn
De negen sferen van bewustzijn
Volmaakte ontwikkeling van de geest
V. Het heldere, bevrijde, niet gevestigde, enkelvoudige, niet-indicatieve bewustzijn
In het geziene is enkel het geziene
Het gedrag en de eigenschappen van de ware wijze
Het niet-indicatieve bewustzijn
Bestaat iemand met een niet- indicatief bewustzijn na de dood?
Genot en ellende en de ontsnapping eraan
Waar gaat het geestelijke en het lichamelijke te niet?
De grens van het uitlegbare; Nibbana
Volgens de leer van de Boeddha Gotama bestaat de mens uit lichamelijke elementen en het geest-element.[1] De lichamelijke elementen zijn: het aarde-element of het vaste element, het water-element of het vloeibare element, het vuur-element of het hitte-element, het wind-element en het ruimte-element.
Wat is het water-element? Het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.
Wat is het vuur-element? Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuur-element
Wat is het wind-element? Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke wind-element.
Wat is het ruimte-element? Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk en object van hechten is: dat noemt men het innerlijke ruimte-element.
Verder is er nog het geest-element, ook bewustzijn-element genoemd.[2]
Over de begrippen ‘geest’ en ‘bewustzijn’ in het Theravada Boeddhisme handelt deze compilatie.
Eerst worden de diverse aspecten van geest en bewustzijn besproken, wat er mee wordt bedoeld. De geest is van nature rein, zuiver. Maar er zijn onreinheden op gekomen. Die onreinheden en hoe ze verwijderd kunnen worden, is het volgende thema. Bewustzijn speelt niet alleen een rol in het dagelijkse leven, maar ook bij wedergeboorte. Dit wordt eveneens behandeld. Door hoge oefening van de geest kunnen bovennatuurlijke krachten ontwikkeld worden, en ook de bevrijding van de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, bestaat er geest die niet beïnvloed is door begeerte, niet door haat en niet door onwetendheid. Dat is het enkelvoudige bewustzijn. En dat moet ontdekt en ontplooid worden. Het is het einde van dukkha. De geest is dan zuiver en schijnt in alle richtingen.
< In het algemeen wordt onder 'geest' als eigenschap van de mens verstaan het denkend, voelend en willend deel van de mens; het verstand, de gevoelens en wil van een persoon. Soms wordt eronder ook verstaan de ziel, het levensbeginsel in de mens.
Velen zijn van mening dat de geest na de dood eeuwig blijft bestaan als een op zichzelf staande entiteit zonder het lichaam.>[3]
< Onder bewustzijn wordt in het algemeen verstaan: het geestesvermogen dat het individu in staat stelt de buitenwereld waar te nemen en te verwerken.>[4]
Ten tijde van de Boeddha was de algemene opvatting van de brahmanen dat de menselijke geest identiek is met het zelf, het levensbeginsel, in het Pali atta genaamd. Het wordt beschreven als een klein wezen in de vorm van een man. Dat wezentje zou in gewone tijden in het hart wonen. Bij de dood ontsnapt het uit het lichaam en blijft dan een eigen eeuwig leven leiden. Dat blijvende onveranderlijke zelf werd beschouwd als iemands eigen persoonlijkheid die niet aan verandering onderhevig is, die eeuwig blijft bestaan.[5]
Het Theravada Boeddhisme ontkent dat er een zelf bestaat. Er is noch een extern zelf, noch een intern zelf; dat is de leerstelling van anatta, niet-zelf.[6] Er is geen bestaan in de betekenis van “er zijn", “daadwerkelijk voorkomen in de werkelijkheid.” De Boeddha leert ontstaan en vergaan.
‘Het lichaam’ is een verzamelnaam voor een groepje van beenderen, ingewanden, spieren, pezen en zenuwen, bloed enz., omgeven door de huid. Het is geen zelfstandig op zich bestaand iets.
Evenzo is ‘de geest’ een verzamelnaam voor bewustzijn, mentaliteit, gedachten, gevoelens, gewaarwording, wil, impressie, geestelijke opmerkzaamheid, gemoed, wijsheid. Er zit geen zelfstandig op zich bestaand iets bij.
In het Pāli wordt de begrippen 'geest' (het geestelijke) en ‘bewustzijn’ aangeduid met de woorden: sañña, nāma, mano, viññana, en citta. Onder deze woorden wordt verstaan: bewustzijn, mentaliteit, gedachten, gemoed.
Het Pali woord saññā betekent: bewustzijn, waarneming, gedachte, naam, aanduiding. Saññā, 'waarneming', is een van de vijf groepen van bestaan (khandha) en een van de zeven mentale factoren die onlosmakelijk verbonden zijn met het bewustzijn. (Saññā is een zintuiglijk en mentaal proces dat registreert, herkent en labelt (bijvoorbeeld de vorm van een boom, de kleur groen, de emotie van angst). Saññā is zesvoudig, als waarneming van de vijf fysieke zintuiglijke objecten en van mentale objecten. Het is het bewustzijn van de kenmerkende eigenschappen van een object. Saññā functioneert ook als 'geheugen'. Soms staat saññā voor het bewustzijn in zijn geheel.[7]
Nāma betekent naam. Het woord nāma wordt ook vertaald met ‘het geestelijke’ of met ‘mentale verschijnselen'. Nāma verwijst naar de vier mentale groepen van bestaan die de persoonlijkheid (nãmakhandha) vormen. Die groepen van bestaan zijn: gevoel (vedanā), waarneming (saññā), mentale formaties (sankhāra), bewustzijn (viññāna).[8]
In de leer van het Theravada Boeddhisme wordt gezegd: "Gevoel, waarneming, gewaarwording, gedachte, aanraking, oplettendheid, wil, impressie, geestelijke opmerkzaamheid, - dit heet geest (nāma).”[9]
Mano, manas, betekent geest, gedachte. Mano vertegenwoordigt de intellectuele functie van bewustzijn.[10]
Het woord viññana wordt soms met ‘geest’ vertaald.[11] Een betere vertaling van viññana is ‘bewustzijn’. Het is de mentale bevestiging van binnenkomende zintuiglijke indrukken. Bewustzijn is een van de mentale aggregaten van de persoonlijkheid (khandha).
Viññāna is een stroom van bewustzijn. Er is geen blijvende geest-substantie. Bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oorzaken, namelijk in afhankelijkheid van zintuig en bijbehorend object.[12] Bewustzijn kan dus niet op zichzelf bestaan. Er is een stroom van bewustzijnsmomenten en zo ontstaat de indruk van een blijvend bewustzijn.
Viññana is een noodzakelijke voorwaarde van nama-rupa, geestlichamelijkheid. Het vormt een factor van wedergeboorte.[13]
Het woord citta wordt vertaald met ‘gemoed’ of ‘hart’, d.w.z. het centrum van de emotionele aard van de mens.
De betekenis van citta wordt het best begrepen door middel van de uitdrukkingen: met heel mijn hart; hart en ziel; rein van hart; eenvoud van hart, met gebroken hart. Citta kan daarom worden weergegeven met: intentie, impuls, stemming, gemoedstoestand, reactie op indrukken.
Citta komt bijna altijd voor in het enkelvoud (= hart); van de 150 gevallen in de Nikāyas komt het slechts drie keer voor in het meervoud (= gedachten).[14]
Citta wordt meestal met hart of gemoed of geest vertaald. De eerwaarde Thaise Arahant Maha Bua Nyanasampanno omschrijft citta als volgt: "Het is meer precies het wezen van de geest, de essentie die ten grondslag ligt aan de geest, die zich door de invloed van fundamentele onwetendheid (avijjã) ook manifesteert als gevoel (vedanã), geheugen en herinnering (saññã), gedachten (sankhãra) en bewustzijn (viññana). Het citta staat centraal omdat al deze manifestaties randverschijnselen zijn. De eigen ware natuur van het citta is dat het “weet”. Het is de heldere kennis (het helder weten) of duidelijke herkenning (helder inzien) in het hart.
De wetende natuur van het bewustzijn is in het hart en niet in de hersenen. Er bestaat een sterke neiging om te denken dat bewustzijn puur voortkomt uit complexe interacties binnen de menselijke hersenen, en dat bewustzijn ophoudt wanneer de hersenen afsterven. Deze visie is volkomen onjuist. De hersenen produceren geen bewustzijn. Het brein is een complex verwerkingsorgaan. Het ontvangt en verwerkt binnenkomende data-impulsen die informatie geven over gevoelens, geheugen, gedachten en bewustzijn, maar het produceert deze mentale functies niet; evenmin produceert het bewustzijn. Dat is volledig het domein van het citta. Het is daarom aan te raden de strekking te vermijden om de geest te zien als iets dat in de hersenen kan worden gelokaliseerd. De ware zetel van bewustzijn is in het hart.” Aldus de visie van wijlen de Arahant Maha Bua Nyanasampanno.[15]
Samenvattend heeft de geest meerdere aspecten: de mentale en rationele kant: gevoel, waarneming, bewustzijn; de intellectuele functie: denken, wil, gedachten, geheugen, herinnering; de emotionele kant: de gesteldheid van het gemoed, het hart; en de ware natuur ervan: het weten.
Bewustzijn is onzichtbaar. Het is daarom moeilijk zich een voorstelling ervan te maken. Wat leert het Theravada Boeddhisme hierover?
Bewustzijn is geen blijvend iets, maar het ontstaat en vergaat weer. “Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat.[16] Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als oog-bewustzijn of zien-bewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als oor-bewustzijn of hoor-bewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als neus-bewustzijn of ruik-bewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als tong-bewustzijn of smaak-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als lichaam-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geest-bewustzijn.”[17]
Al die soorten van bewustzijn zijn niet onvergankelijk, maar vergankelijk. Ze zijn niet-zelf. Ze behoren ons niet toe.[18]
Het ontstaan van bewustzijn is afhankelijk van voedsel. Het ontstane bewustzijn is onderworpen aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt.[19]
Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda).[20]
Wanneer innerlijk de zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam, geest) intact zijn en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.
Maar wanneer innerlijk de zintuigen, inclusief de geest, intact zijn, en er geen uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.[21]
Door een oorzaak komt een gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een oorzaak wordt een gewaarwording beëindigd.[22]
De zintuigen om te zien, te horen, te ruiken, te proeven en aan te raken, die vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze ervaren niet het veld van een ander zintuig. Ze vinden hulp in de geest, en de geest ondervindt hun velden en gebieden.[23]
Bewustzijn is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, is geen geluk maar leed. Wat vergankelijk is, smartelijk en aan verandering onderworpen, dat kan niet als volgt beschouwd worden: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’
Door dit inzicht wordt een goed onderwezen edele discipel ontnuchterd tegenover het bewustzijn. Wanneer hij ontnuchterd wordt, wordt hij begeerteloos. Door begeerteloosheid is zijn geest bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, komt het weten dat hij bevrijd is.[24]
Het gevoel (vedana) voelt; het voelt iets aangenaams, het voelt iets pijnlijks, het voelt iets dat noch aangenaam noch pijnlijk is.[25]
Gevoel, gewaarwording, waarneming zijn afhankelijk van aanraking, contact. Er is het gevoel ontstaan door het zien, gewaarwording geboren uit contact met het oog, waarneming van vorm. Er is het gevoel ontstaan door het horen, gewaarwording geboren uit contact met het oor, waarneming van geluid. Er is het gevoel ontstaan door het ruiken, gewaarwording geboren uit contact met de neus, waarneming van geur. Er is het gevoel ontstaan door het proeven, gewaarwording geboren uit contact met de tong, waarneming van smaak. Er is het gevoel ontstaan door aanraking, gewaarwording geboren uit contact met het lichaam, waarneming van aanrakingen. Er is het gevoel ontstaan door denken, gewaarwording geboren uit contact met de geest, waarneming van ideeën en gedachten. Kortom, er is het gevoel dat ontstaat door contact van een zinsorgaan met een object.[26]
Waarneming neemt waar; het neemt blauw waar, en geel, en rood, en wit, de vorm van een boom, de emotie van vreugde. Het neemt waar.
Gevoel, waarneming en bewustzijn, deze toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden. Het is niet mogelijk de ene van de andere toestand te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men voelt, dat neemt men waar, en wat men waarneemt dat ervaart men, daar is men zich van bewust.[27]
Het bewustzijn ervaart; het ervaart 'aangenaam', het ervaart 'pijnlijk', het ervaart 'noch pijnlijk noch aangenaam'.
Wijsheid en bewustzijn, deze twee toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden, ze zijn niet gescheiden, en het is onmogelijk ze van elkaar te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men begrijpt, dat ervaart men, en wat men ervaart, dat begrijpt men.
Het verschil tussen wijsheid en bewustzijn is dat wijsheid ontplooid moet worden en dat bewustzijn volledig doorschouwd moet worden.[28]
“Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat alles is niet-blijvend. Niets ervan zal steeds hetzelfde blijven, zonder aan verandering onderhevig te zijn. Indien er zo'n kern, zo'n ego bestond, - blijvend en onveranderlijk, - dan zou een heilig leven dat naar de volledige uitdoving van lijden leidt, niet mogelijk zijn.”[29]
Juist inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda), zo werd voorheen genoteerd. In het kort volgt hier de keten van oorzakelijk ontstaan.
Vóór zijn Verlichting overdacht de Bodhisatta[30] Gotama de keten van oorzakelijkheid, en hij kwam tot de gevolgtrekking: “Uit het niet weten als oorzaak ontstaan de formaties; uit de formaties als oorzaak ontstaat bewustzijn; uit het bewustzijn als oorzaak ontstaat naam en vorm; uit naam en vorm als oorzaak ontstaan de zes bereiken van de zintuigen; uit de zes bereiken van de zintuigen ontstaat aanraking; uit aanraking als oorzaak ontstaat gevoel; uit gevoel als oorzaak ontstaat dorst, verlangen; uit dorst als oorzaak ontstaat grijpen, hechten, inbezitname; uit grijpen als oorzaak ontstaat worden; uit worden als oorzaak ontstaat geboorte; uit geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood.”
Toen ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Wat moet niet aanwezig zijn, dat ouderdom en dood niet ontstaan; uit de opheffing waarvan verschijnt de opheffing van ouderdom en dood?”
En na rijp overwegen kreeg hij toen het inzicht: “Uit de opheffing van het niet weten ontstaat opheffing van de geestelijke formaties; uit de opheffing van de geestelijke formaties ontstaat opheffing van het bewustzijn; uit de opheffing van het bewustzijn ontstaat opheffing van naam en vorm; uit de opheffing van naam en vorm ontstaat opheffing van de zes bereiken van de zintuigen; uit de opheffing van de zes bereiken van de zintuigen ontstaat opheffing van aanraking; uit de opheffing van aanraking ontstaat opheffing van gevoel; uit de opheffing van gevoel ontstaat opheffing van de dorst; uit de opheffing van de dorst ontstaat opheffing van het grijpen; uit de opheffing van het grijpen ontstaat opheffing van het worden; uit de opheffing van het worden ontstaat opheffing van geboorte; uit de opheffing van geboorte ontstaat opheffing van ouderdom en dood.
Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.”[31]
Als er geen lichaam is met de zintuigen, inclusief de geest, kan er geen bewustzijn ontstaan. En als er geen bewustzijn is, kan er geen lichaam met geest ontstaan. (Zie verder bij hoofdstuk III. Wedergeboorte).
Alle veroorzaakte dingen wortelen in de wil (bedoeling, intentie); door opmerkzaamheid worden ze geschapen;[32] ze ontstaan, veroorzaakt door de zintuiglijke indruk; het gevoel houdt ze samen. De concentratie is de leider ervan;[33] door de oplettendheid worden ze beheerst. De wijsheid is het hoogste ervan; de bevrijding is het ware doel ervan; ze monden uit in het doodloze, en ze eindigen in Nibbana.”[34]
De schat van wijsheid bestaat hierin: De edele jongeling bezit wijsheid, hij is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele wijsheid, de doordringende, die leidt naar volledige vernietiging van het lijden.[35]
De geest is van nature rein, smetteloos. Maar er zijn vlekken, troebelingen, smetten op gekomen. Die smetten worden onheilzame eigenschappen van de geest, hindernissen, nivarana, van de geest genoemd. Deze hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart, maken de wijsheid zwak.[36]
Hoe ontstaan die onheilzame eigenschappen? Ze ontstaan in de geest, uit begeerte en egoïsme, uit afkeer, zelfbevestiging en eigenwaan, of uit combinaties van meerdere ervan.[37]
Door de Volmaakt Verlichte is het als volgt gezegd: “Deze geest is stralend, maar wordt bevuild door van buiten komende smetten. Door de geest te reinigen kan men ze stralender maken. En de inspanning daarvoor is niet tevergeefs.”
Over het reinigen van de geest sprak de eerwaarde Sariputta de gelijkenis van het koperen vat.
“Als een koperen vat in een vuile kamer wordt geplaatst en niet wordt schoongemaakt, dan wordt het vat vuiler. En zo is ook de geest. Als de geest niet rein is en als de geest zich in een ‘vuile’ omgeving bevindt (met de smetten), dan zal de geest niet schijnen. Maar als het koperen vat wordt schoongemaakt en in een schone kamer wordt geplaatst, dan zal het schijnen. En op dezelfde manier, als de geest vrij is van de smetten, als de geest rein is, dan zal hij schijnen.
Dat is het pad en het doel: de geest te reinigen van de verontreinigingen; een zuivere geest te hebben die in alle richtingen schijnt. Er is geen hoger doel, want als de geest gereinigd is, is er niets anders meer te doen. Dan is de taak gedaan. Schoner dan schoon kan niet zijn.”
Zo sprak de eerwaarde Sariputta.
Veel troebelingen en vlekken op de geest moeten verwijderd worden voordat de geest heel zuiver is. Maar dat verwijderen ervan gaat niet ineens. Het gebeurt in etappes. En als de smetten verwijderd zijn op het pad van heiligheid, komen ze niet meer terug. Dat is het voordeel van dat pad: het gaat maar in één richting en wel naar de volledige reiniging en bevrijding van de geest.
Er zijn zeven halteplaatsen: zuivering van gedrag, zuivering van de geest, zuivering van visie, zuivering van het overwinnen van twijfel, zuivering door weten en zien van pad en niet-pad, zuivering van weten en het zien van de weg van oefening, en zuivering door weten en zien. Die plaatsen moet men één voor één oversteken totdat men het doel bereikt, nibbāna.[38]
En er zijn vier etappes, en wel stroomintrede, eenmaal wederkeer, niet meer wederkeer, en volmaakte heiligheid.[39] Op elke etappe worden meerdere smetten van de geest verwijderd, totdat er tenslotte geen enkele smet meer overblijft. De geest is dan helder stralend.
“Veelvuldige wegen weliswaar heeft de Asceet gewezen, maar ze gaan niet tweemaal naar hetzelfde doel.[40] En het wordt ook niet in één keer ervaren.”[41]
De geest is de voorloper van alle onheilzame dingen. Want de geest, het geestelijke (mano) stijgt eerst op, en dan volgen de onheilzame dingen.
De geest is de voorloper van alle heilzame dingen. Want het geestelijke, de geest stijgt eerst op, en dan volgen de heilzame dingen.[42]
Er zijn drie wortels van het onheilzame, namelijk begeerte, haat en onwetendheid.[43] Het zijn innerlijke vlekken. Ze brengen onheil. Geef ze op.[44]
Wat er aan begeerte bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de begerende verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een begerende, overweldigd door begeerte, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door begeerte geproduceerd, door begeerte als voorwaarde, uit begeerte ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen.[45]
Er zijn drie soorten van verlangens. Welke drie? Het verlangen naar zinnelijke genietingen, het verlangen naar bestaan, het verlangen naar niet-bestaan. Dit zijn de drie verlangens.[46]
“Het begin van bestaansdorst (bhava-tanhā) is niet te kennen. Men kan niet zeggen dat er vóór een bepaald moment geen bestaansdorst was en daarna wel. Maar het moet aldus ingezien worden, namelijk dat bestaansdorst veroorzaakt is. Want bestaansdorst moet voedsel hebben, kan zonder voedsel niet bestaan. En wat is het voedsel van bestaansdorst? Het is onwetendheid. Onwetendheid moet voedsel hebben,[47] kan zonder voedsel niet bestaan. En dat voedsel bestaat uit de vijf hindernissen. Die vijf hindernissen hebben als voorwaarde het voedsel van drievoudig slecht gedrag (in daden woorden en gedachten). Het drievoudige slechte gedrag heeft als voorwaarde het voedsel dat bestaat in het onbeteugeld zijn van de zintuigen. Het onbeteugeld zijn van de zintuigen heeft als voorwaarde het voedsel van onoplettendheid en onbezonnenheid. Onoplettendheid en onbezonnenheid hebben als voorwaarde het voedsel van onwijs nadenken. Onwijs nadenken heeft als voorwaarde het zijn zonder vertrouwen. Het zijn zonder vertrouwen heeft als voorwaarde het voedsel van luisteren naar verkeerde leringen. Het luisteren naar verkeerde leer heeft als voorwaarde het voedsel van omgang met slechte mensen. Omgang met slechte mensen leidt naar het luisteren naar verkeerde leer. Het luisteren naar verkeerde leer leidt naar het zijn zonder vertrouwen. Het zijn zonder vertrouwen leidt naar onwijs nadenken. Onwijs nadenken leidt naar onachtzaamheid en onbezonnenheid. Onachtzaamheid en onbezonnenheid leiden naar het onbeteugeld zijn van de zintuigen. Het onbeteugeld zijn van de zintuigen leidt naar drievoudig slecht gedrag. Het drievoudige slechte gedrag leidt naar het optreden van de vijf hindernissen. De vijf hindernissen leiden naar onwetendheid. De onwetendheid leidt naar bestaansdorst. Dat is dus de voedende voorwaarde van de bestaansdorst. Zo komt die tot stand.[48]
Wat er aan haat bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de hatende verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een hatende, overweldigd door haat, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door haat geproduceerd, door haat als voorwaarde, uit haat ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen.
Wat er aan onwetendheid bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de onwetende verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een onwetende, overweldigd door onwetendheid, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door onwetendheid geproduceerd, door onwetendheid als voorwaarde, uit onwetendheid ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen.
Van een dergelijk mens zegt men dat hij op de onjuiste tijd spreekt, onwaar en zonder redenen, dat hij tegen recht en orde spreekt. Want hij brengt immers de ander ten onrechte lijden. Wanneer men hem feiten voorhoudt, dan antwoordt hij verachtelijk en geeft niets toe. Wanneer men hem iets dat niet van toepassing is, voorhoudt, dan neemt hij niet de moeite duidelijk te maken dat dit verkeerd en niet waar is. Zo’n mens, overweldigd door de uit begeerte, haat en onwetendheid ontsprongen onheilzame dingen, leeft hier al in ellende, vol frustratie, wanhoop en kwalen. En na de dood kan hij een pad van lijden verwachten.
Dat zijn de drie wortels van het onheilzame.[49]
“Het begin van onwetendheid is niet te kennen. Men kan niet zeggen dat er vóór een bepaald moment geen onwetendheid was en daarna wel. Maar het moet ingezien worden dat onwetendheid veroorzaakt is. Want onwetendheid moet voedsel hebben,[50] kan zonder voedsel niet bestaan. En wat is het voedsel van onwetendheid? Het zijn begeerte, haat, traagheid, slecht gedrag, onbezonnenheid, niets opmerken en om niets iets geven. Hierbij is steeds het ene het voedsel voor het andere.
Als laatste voedingsbodem is er slecht gezelschap. Zo wordt onwetendheid gevoed en grootgebracht.[51]
Onwetendheid gaat vooraf aan en leidt naar onheilzame dingen, en ze wordt gevolgd door gebrek aan schaamte en gebrek aan morele vrees, gebrek aan angst om iets verkeerds te doen.
Alle slechte bestemmingen die er zijn, hier in deze wereld en hierna, hebben allemaal hun wortel in onwetendheid, geconstrueerd door verlangen en hebzucht. Omdat iemand met kwade verlangens schaamteloos is en zonder respect, stroomt van hem iets kwaads uit, en gaat hij naar een sfeer van ellende.[52]
Drie wortels van het heilzame zijn er, namelijk begeerteloosheid, haatloosheid, het zijn zonder onwetendheid.[53]
Wat er aan begeerteloosheid bestaat, dat is een wortel van het heilzame. Wat de begeerteloze verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is heilzaam. Dat iemand die zonder begeerte is, niet door begeerte overweldigd, niet met verstrikte geest, iemand anders niet ten onrechte lijden toevoegt, ook dat is heilzaam. Zo ontstaan in hem, door begeerteloosheid geproduceerd, door begeerteloosheid als voorwaarde, uit begeerteloosheid ontsprongen, deze veelvoudige heilzame dingen.[54]
Wat er aan haatloosheid bestaat, dat is een wortel van het heilzame. Wat de haatloze verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is heilzaam. Dat iemand die zonder haat is, niet door haat overweldigd, niet met verstrikte geest, iemand anders niet ten onrechte lijden toevoegt, ook dat is heilzaam. Zo ontstaan in hem, door haatloosheid geproduceerd, door haatloosheid als voorwaarde, uit haatloosheid ontsprongen, deze veelvoudige heilzame dingen.[55]
Wat er aan niet-onwetendheid bestaat, dat is een wortel van het heilzame. Wat de niet-onwetende verricht in daden, woorden of gedachten, ook dat is heilzaam. Dat iemand die niet onwetend is, niet door onwetendheid overweldigd, niet met verstrikte geest, iemand anders niet ten onrechte lijden toevoegt, ook dat is heilzaam. Zo ontstaan in hem, door niet-onwetendheid geproduceerd, door niet-onwetendheid als voorwaarde, uit niet-onwetendheid ontsprongen, deze veelvoudige heilzame dingen.[56]
Het weten gaat vooraf aan en leidt naar heilzame dingen, en het wordt gevolgd door schaamte en morele vrees, angst om iets verkeerds te doen.[57]
Laat men het weten opwekken, door het verwijderen van verlangen en hebzucht, samen met onwetendheid, en laat men alle slechte bestemmingen opgeven.[58]
Door schaamte en morele vrees, angst om iets verkeerds te doen,[59] wordt de wereld beschermd. Als deze twee heldere dingen de wereld niet zouden beschermen, dan zou men geen respect waarnemen voor moeder of voor de tante van moeders kant, of voor de vrouw van een broer van moeders kant, of voor de echtgenote van een leraar, of voor de vrouwen van andere personen die verering waard zijn.
De wereld zou zich dan vermengen zoals geiten, schapen, kippen, varkens, honden en jakhalzen. Maar omdat deze twee heldere dingen de wereld beschermen, daarom kan men respect waarnemen voor moeder of voor de tante van moeders kant, of voor de vrouw van een broer van moeders kant, of voor de echtgenote van een leraar, of voor de vrouwen van andere personen die verering waard zijn.[60]
Degenen in wie schaamte en angst om iets verkeerds te doen voortdurend aanwezig zijn, die vol vrede zijn, volgroeid in het heilige leven, zij maken een einde aan hernieuwd bestaan.[61]
Van iemand die wetend is, zegt men dat hij te juister tijd spreekt, waar en gegrond, overeenkomstig recht en orde. Want hij brengt iemand anders geen lijden toe. Wanneer men hem feiten voorhoudt, bekent hij ze, toont geen minachting. Wanneer men hem iets dat niet van toepassing is, voorhoudt, dan doet hij moeite uit te leggen dat dit verkeerd en onwaar is. In zo’n mens zijn de uit begeerte, haat en onwetendheid ontsprongen slechte onheilzame dingen verdwenen, met de wortel verwoest. Al in dit leven leeft hij gelukkig, zonder leed, wanhoop en kwalen. Al in dit leven bereikt hij de bevrijding.
Dat zijn de drie wortels van het heilzame.[62]
Alleen door voedsel kan de vrijheid van het weten tot stand komen: die vrijheid kan zich niet zonder voedsel ontwikkelen. De bevrijding door weten heeft de zeven factoren van Verlichting als voedende voorwaarde. De zeven factoren van Verlichting hebben de vier grondslagen van oplettendheid als voedende voorwaarde. De vier grondslagen van oplettendheid hebben het drievoudige goede gedrag (in daden woorden en gedachten) als voedende voorwaarde. Het drievoudige goede gedrag heeft de beteugeling van de zintuigen als voedende voorwaarde. De beteugeling van de zintuigen heeft oplettendheid en bezonnenheid als voedende voorwaarden. Oplettendheid en bezonnenheid hebben wijs nadenken als voedende voorwaarde. Wijs nadenken heeft het vertrouwen als voedende voorwaarde. Het vertrouwen heeft het luisteren naar de goede leer als voedende voorwaarde. Het luisteren naar de goede leer heeft omgang met edele mensen als voedende voorwaarde. Omgang met edele mensen leidt naar het luisteren naar de goede leer. Het luisteren naar de goede leer leidt naar vertrouwen. Het vertrouwen leidt naar wijs nadenken. Wijs nadenken leidt naar oplettendheid en bezonnenheid. Oplettendheid en bezonnenheid leiden naar beteugeling van de zintuigen. Beteugeling van de zintuigen leidt naar drievoudig goed gedrag. Het drievoudige goede gedrag leidt naar de vier grondslagen van oplettendheid. De vier grondslagen van oplettendheid leiden naar de zeven factoren van Verlichting. De zeven factoren van Verlichting leiden naar bevrijding door weten. Dat is dus de voedende voorwaarde van de bevrijding door weten, zo komt ze tot stand.[63]
Wat is het verschil tussen begeerte, haat en onwetendheid?
Begeerte is een klein kwaad, maar moeilijk te overwinnen. Haat is een groot kwaad maar gemakkelijk te overwinnen. Onwetendheid is een groot kwaad en moeilijk te overwinnen.
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane begeerte tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte steeds groter en sterker wordt, is een aantrekkelijk object. Want wie over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte wordt steeds groter en sterker.
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane haat tot ontstaan komt en dat de ontstane haat steeds groter en sterker wordt, is een afstotend object. Want wie over een afstotend object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat tot ontstaan en de ontstane haat wordt steeds groter en sterker.
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane onwetendheid tot ontstaan komt en dat de ontstane onwetendheid steeds groter en sterker wordt, is onwijs nadenken. Want wie onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane onwetendheid tot ontstaan en de ontstane onwetendheid wordt steeds groter en sterker.
Volgens het commentaar is begeerte een klein kwaad met betrekking tot het oordeel van de wereld en het kamma-resultaat. Dit geldt in het bijzonder voor die vormen van begeerte die binnen de vijf regels van deugdzaamheid blijven. Maar volgens het commentaar is begeerte moeilijk te verwijderen. Ze volgt iemand gedurende lange tijd. Zelfs na twee of drie wedergeboorten kan een bepaalde uitingsvorm van de begeerte nog bestaan.
Haat en onwetendheid zijn een groot kwaad volgens het oordeel van de wereld en met betrekking tot de kamma-werking ervan. Haat is op zich een onaangename geestestoestand, maar kan wanneer men het kwaad en het gevaar daarbij ziet, gemakkelijker overwonnen worden.
Onwetendheid echter kan, net zoals de begeerte, zeer diepe wortels in de mens hebben en kan slechts moeilijk verwijderd worden.
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte verdwijnt, is een walgelijk object. Want wie over een walgelijk object wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt.[64]
Het is niet mogelijk dat de geest door begeerte geboeid is bij iemand die de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, Want in het ontkomen aan begeerte bestaat de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid.[65]
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane haat niet tot ontstaan komt en dat de ontstane haat verdwijnt, is de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart.[66] Want wie over de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat niet tot ontstaan en de ontstane haat verdwijnt.[67] Want metta, liefdevolle vriendelijkheid is de bevrijding van de geest. Wie metta heeft jegens alle levende wezens, heeft voor niemand vijandschap.[68]
Het is niet mogelijk dat de geest geboeid wordt door vijandigheid bij iemand die het gemoed bevrijdende mededogen heeft ontplooid, het vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, het uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht. Want in het ontkomen aan vijandigheid bestaat het gemoed bevrijdende mededogen.[69]
Het is niet mogelijk dat de geest door ontevredenheid of tegenzin[70] geboeid is bij iemand die de gemoed bevrijdende medevreugde heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, Want uit het ontkomen aan ontevredenheid en tegenzin bestaat de gemoed bevrijdende medevreugde.[71]
De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane onwetendheid niet tot ontstaan komt en dat de ontstane onwetendheid verdwijnt, is wijs nadenken. Want wie wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane onwetendheid niet tot ontstaan en de ontstane onwetendheid verdwijnt.[72]
Het is niet mogelijk dat bij iemand in wie de ik-gedachte verdwenen is en die niet meer de mening heeft ‘dit ben ik’, toch nog de geest geboeid wordt gehouden door de borende twijfel en onzekerheid. Want in het ontkomen aan borende twijfel en onzekerheid bestaat immers de vernietiging van de ik-waan.[73]
Eens legde de eerwaarde Ananda uit welke slechte gevolgen begeerte, haat en onwetendheid hebben.
“Uit begeerte, haat en onwetendheid, daardoor overweldigd, met verstrikte geest, brengt men zichzelf schade toe, brengt men anderen schade toe, brengt men beiden schade toe, lijdt men geestelijke pijn en smart.
Men leidt dan een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. Men kent niet overeenkomstig de werkelijkheid het eigen heil, het heil van de ander, noch beider heil.
Maar als begeerte, haat en onwetendheid zijn opgeheven, dan brengt men zichzelf geen schade toe, noch brengt men anderen schade toe, noch brengt men beiden schade toe, dan lijdt men geen geestelijke pijn en smart.
En dan leidt men geen slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. En men kent overeenkomstig de werkelijkheid het eigen heil, het heil van de ander en beider heil.
Begeerte, haat en onwetendheid maken blind, maken ogenloos, maken onwetend, verwoesten de wijsheid, zijn met kwalen verbonden en leiden niet naar Nibbana.[74]
Vanwege deze slechte gevolgen wordt de overwinning van begeerte, haat en onwetendheid onderwezen.
En het pad dat naar de overwinning van begeerte, haat en onwetendheid leidt, is het edele achtvoudige pad: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.”[75]
“Geef begeerte op, en ook haat, kwaadwil, afkeer, verblinding, toorn, woede, huichelarij, verachting, eigendunk, verwaandheid, onwetendheid. Geef ze op.[76] En geef ook op de drie soorten van verlangen: verlangen naar zinnelijke genietingen, verlangen naar bestaan, verlangen naar niet-bestaan.”[77]
Wanneer de geest onbewaakt is, dan zijn ook de verrichtingen in daden, woorden en gedachten onbewaakt. Ze staan dan open voor het slechte.[78] Dan zullen iemands verrichtingen in daden, woorden en gedachten verdorven zijn. En dan heeft men geen goede dood, geen gelukkig stervensuur.
Maar wanneer de geest bewaakt is, dan zijn ook de verrichtingen in daden, woorden en gedachten bewaakt. Ze staan dan gesloten voor het slechte. Dan kunnen ze niet verdorven worden. En men heeft een goede dood, een gelukkig stervensuur.[79]
Geluk wordt verkregen door de verdienstelijke daden van edelmoedigheid, een leven in evenwicht, en liefdevolle vriendelijkheid.[80]
Niets anders is er dat tot grote tegenspoed leidt dan de verwaarlozing en achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.
Door deze eigenschappen komen de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane heilzame dingen.
Niets anders is er dat tot zo'n hoge zegen leidt dan energie, ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid, - tevredenheid, – wijs nadenken, – edele omgang, – het uitoefenen van heilzame dingen, - en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.
Door deze eigenschappen komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane onheilzame dingen.[81]
De eigenschappen van de geest worden ook ingedeeld naar gedrag, neigingen, gewoonten en gedachten. Er is onheilzaam gedrag wat de geest betreft, er zijn onheilzame geestelijke neigingen, er zijn onheilzame gewoonten en er zijn onheilzame gedachten. Heilzaam is het tegendeel ervan. Ook zijn er donkere en heldere eigenschappen van de geest.
Het volgende gedrag en de volgende soort van neiging wat de geest betreft is onheilzaam: hebzuchtig zijn, de rijkdom en het bezit van anderen begeren; of gedachten hebben vol kwaadwil, vol haat en vol wreedheid. - Een dergelijk gedrag en dergelijke neigingen wat de geest betreft veroorzaken de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. Zo’n gedrag moet niet uitgeoefend worden.[82]
Het volgende gedrag en de volgende soort van neiging wat de geest betreft is heilzaam: niet hebzuchtig zijn, niet de rijkdom en het bezit van anderen begeren; vrij zijn van gedachten vol kwaadwil; geen gemoed vol haat en wreedheid hebben; metta beoefenen door te denken: “Mogen de wezens vrij zijn van vijandschap, leed en angst. Mogen zij hun geluk behouden.“ - Een dergelijk gedrag en dergelijke neigingen wat de geest betreft veroorzaken de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet.[83] Zo’n gedrag moet onderhouden worden.[84]
Men overweegt dat slechte acties in daden, woorden en gedachten in dit leven en in het toekomstige leven een slecht resultaat hebben. Ten gevolge van deze overweging verwerpt men slechte acties in daden, woorden en gedachten. Men leidt een goede levenswandel en houdt zijn hart in reinheid.[85]
Er zijn twee donkere eigenschappen, namelijk: schaamteloosheid en gewetenloosheid.
Twee heldere eigenschappen zijn er, namelijk: gevoel van schaamte en morele vrees.[86]
Verder zijn er onheilzame en heilzame gewoonten.
Onheilzame gewoonten zijn: onheilzame lichamelijke daden, onheilzame daden in taal, en slechte levenswijze. Die onheilzame gewoonten ontspringen in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, is er geest die beïnvloed is door begeerte, door haat en door onwetendheid. Onheilzame gewoonten ontstaan daarin.[87]
Onheilzame gewoonten worden volledig opgeheven door het volgende. Men overwint verkeerd lichamelijk gedrag en men ontplooit goed lichamelijk gedrag. Men overwint verkeerd gedrag wat het taalgebruik betreft, en men ontplooit goed gedrag wat het taalgebruik betreft. Men overwint verkeerd geestelijk gedrag en men ontplooit goed geestelijk gedrag. Men overwint verkeerde levenswijze en verwerft zijn levensonderhoud door juiste levenswijze. Op die manier worden onheilzame gewoonten volledig opgeheven.[88]
En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van onheilzame gewoonten? Door de vier juiste inspanningen:
Iemand die zo oefent, oefent zich op de weg naar de opheffing van onheilzame gewoonten.[90]
Heilzame gewoonten zijn heilzame daden in lichaam en taalgebruik, en de zuivering van de levenswijze. Heilzame gewoonten ontstaan in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, bestaat er geest die niet beïnvloed is door begeerte, niet beïnvloed door haat en niet beïnvloed door onwetendheid.[91]
Waar worden de heilzame gewoonten volledig opgeheven? – Men is deugdzaam, maar men identificeert zich niet met die deugdzaamheid.[92] Overeenkomstig de werkelijkheid begrijpt men de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid,[93] waarin die heilzame gewoonten volledig worden opgeheven.[94]
En hoe oefent men zich in de weg naar de opheffing van heilzame gewoonten? - Door bovengenoemde vier juiste inspanningen.
Iemand die op deze manier oefent, oefent zich in de weg naar het opheffen van heilzame gewoonten.[95]
Wat zijn onheilzame gedachten? Het zijn de gedachten van zinsverlangen, van kwaadwil en van geweld en wreedheid. Die onheilzame gedachten ontstaan in de geest. Er is waarneming van zinsverlangen, waarneming van kwaadwil en waarneming van wreedheid. Daaruit ontstaan onheilzame gedachten.[96]
Deze drie soorten van onheilzame gedachten veroorzaken blindheid, gebrek aan visie en afwezigheid van weten; zij belemmeren wijsheid, leiden naar ergernis en zijn niet bevorderlijk voor Nibbana.[97]
Waar worden die onheilzame gedachten volledig opgeheven? - Men treedt, afgescheiden van zinsverlangen, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden, binnen in het eerste jhana.[98]
Hoe oefent men zich in de weg naar opheffing van onheilzame gedachten? – Door bovengenoemde vier juiste inspanningen.[99]
Wat zijn heilzame gedachten? - Het zijn de gedachten van ontzegging, verzaking, gedachten van liefdevolle vriendelijkheid, niet-kwaadwil en gedachten van geweldloosheid, niet-wreedheid.[100]
Die gedachten ontstaan in de waarneming. Waarneming is veelvuldig, van verschillende aard en met verschillende aspecten. Maar er is waarneming van ontzegging, van niet-kwaadwil en van niet-wreedheid. Daaruit ontstaan heilzame gedachten.[101]
Deze drie soorten van heilzame gedachten maken niet blind en produceren visie, weten en de toename van wijsheid; zij leiden niet naar ergernis en zijn bevorderlijk voor Nibbana.[102]
Waar worden die heilzame gedachten volledig opgeheven? – Men treedt binnen en vertoeft in het tweede jhana.[103]
En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van heilzame gedachten? - Door bovengenoemde vier juiste inspanningen.
Welke tien eigenschappen moet men bezitten om als verwerkelijkt in het heilzame te gelden, als volmaakt in het heilzame, als iemand die het hoogste heeft bereikt, als iemand die onoverwinnelijk is?
Men bezit juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest, en juiste bevrijding. En dat alles op het niveau van iemand die de training ten einde heeft gebracht.
Als men die tien eigenschappen heeft, is men volmaakt in het heilzame, onoverwinnelijk. Men heeft dan het hoogste bereikt."[104]
“Er zijn drie soorten van falen, namelijk: het falen in daden, het falen in levenswijze en het falen in inzicht.
Wat nu is het falen in daden? Iemand is een moordenaar, een dief, een echtbreker, een leugenaar, een lasteraar, een beschimper, of een kletser. Dat geldt als falen in daden.
Wat geldt als falen in levenswijze? Iemand leidt een slechte levenswijze, en door een slechte levenswijze verwerft hij zijn levensonderhoud. Dat geldt als falen in de levenswijze.
Wat nu is het falen in inzicht? Het falen in inzicht bestaat hierin: iemand heeft de verkeerde mening dat het geven van gaven, aalmoezen en offergaven doelloos is; dat er in een toekomstig bestaan geen resultaat is van goede en slechte handelingen; dat deze wereld en de volgende wereld slechts woorden zijn;[105] dat er geen resultaat is voor goed of slecht gedrag jegens vader en moeder; dat er geen geestgeboren wezens zijn;[106] dat er in de wereld geen asceten en brahmanen zijn met een goede, volmaakte levenswijze, die deze en de volgende wereld uit eigen inzicht en ervaring kunnen uitleggen.
Deze drie soorten van meesterschap zijn er, namelijk meesterschap in daden, meesterschap in levenswijze en meesterschap in inzicht.
Wat nu is meesterschap in daden? Iemand ziet af van doden, stelen, echtbreuk, liegen, lasteren, beschimpen en kletsen. Dat geldt als meesterschap in daden, als reinheid in daden en als stil zijn in daden.
Wat nu is reinheid in woorden? Iemand ziet af van liegen, lasteren, beschimpen en kletsen. Dat geldt als reinheid in woorden, als stil zijn in woorden.
Wat nu is meesterschap in levenswijze? Iemand leidt een goede levenswijze, en door een goede levenswijze verwerft hij zijn levensonderhoud. Dat geldt als meesterschap in levenswijze.
Wat nu is meesterschap in inzicht? Iemand heeft juist inzicht dat het geven van gaven, aalmoezen en offergaven niet doelloos is; dat er in een toekomstig bestaan wel een resultaat is van goede en slechte handelingen; dat deze wereld een feit is en dat de volgende een feit is; dat er resultaat is voor goed of slecht gedrag jegens vader en moeder; dat er geestgeboren wezens zijn; dat er in de wereld asceten en brahmanen zijn met een goede, volmaakte levenswijze, die deze en de volgende wereld uit eigen inzicht en ervaring kunnen uitleggen.
Wat nu is reinheid in de geest? Iemand is zonder hebzucht, heeft een haatloze gezindheid en heeft juist inzicht. Dat noemt men reinheid in de geest. Het geldt ook als stil zijn in de geest.[107]
Deze soorten van meesterschap en van reinheid van geest zijn er.[108]
Een wijze die een dergelijk stil zijn bezit, wordt genoemd iemand die gezuiverd is van het kwaad.[109]
Het begin van de heilzame dingen is gezuiverde deugdzaamheid[110] en rechtlijnige visie. Wanneer de deugdzaamheid goed gezuiverd is en de visie rechtlijnig is, dan kan men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.
Dat doet men onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.
Wanneer men de vier grondslagen van oplettendheid aldus ontplooit, dan is een toename van heilzame dingen te verwachten, geen terugval.[111]
In de leerrede over oplettendheid handelt een gedeelte over het beschouwen van de geest. De geest kan bevlekt zijn met begeerte, afkeer en/of onwetendheid. De geest kan bekrompen, verstrooid, ontwikkeld of niet ontwikkeld zijn. De geest kan overtrefbaar of niet overtrefbaar, geconcentreerd of niet geconcentreerd, bevrijd of niet bevrijd zijn.
“Bij het beschouwen van de geest is men zich ervan bewust dat er begeerte is of afkeer of onwetendheid. Hoe is de gemoedsgesteldheid? Is men vol verlangen naar iets? Of vol afkeer van iets? Is men geconcentreerd of verstrooid? Zich dit bewust te zijn is het beschouwen van de geest.
“Er zijn drie [soorten van] neigingen, namelijk de neiging van de zintuigen, de neiging tot bestaan, en de neiging tot onwetendheid. Om die neigingen te overwinnen, moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.”[112]
De verkeerd gerichte geest kan de onwetendheid niet doorbreken, kan weten niet opwekken en kan Nibbana niet verwerkelijken. Maar de juist gerichte geest kan de onwetendheid doorbreken, kan weten opwekken en kan Nibbana verwerkelijken.[113]
Op de volgende manier beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten van de vijf hindernissen:
Welnu, als zinnelijkheid of als kwaadwil, afkeer of als traagheid en starheid of als rusteloosheid en gewetenswroeging of als twijfel aanwezig is, weet men met begrip dat die hindernissen aanwezig zijn. Of, als ze afwezig zijn, weet men met begrip dat men die hindernissen niet heeft. Men begrijpt hoe ze ontstaan en men begrijpt hoe men ze kan opgeven. En men begrijpt hoe ze in de toekomst niet meer kunnen ontstaan.
Zo beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten van de hindernissen.
En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.
Bij het beschouwen van de geestelijke objecten gaat het niet alleen om een passief beschouwen, maar ook om het afnemen van onheilzame toestanden en het bevorderen van heilzame toestanden.
Men weet wanneer de vijf hindernissen aanwezig zijn en wanneer ze afwezig zijn. Men weet ook hoe ze ontstaan, hoe men ze opgeeft en hoe men kan voorkomen dat ze weer ontstaan.
“Niet heilzaam zijn de vijf hindernissen, namelijk de hindernis door wensen, willen, de hindernis door haat, de hindernis door luiheid, de hindernis door opwinding en onrust, en de hindernis door twijfel.
Maar heilzaam zijn de vier grondslagen van oplettendheid.”[114]
Wanneer men iets ziet, hoort, ruikt, proeft, aanraakt of denkt, kan men dat mooi, lekker, aangenaam vinden of het tegendeel ervan. Dan is het bewustzijn nog geboeid, afgeleid en naar buiten verstrooid.
Maar als men gelijkmoedig blijft, is het bewustzijn niet geboeid, niet afgewend en niet naar buiten verstrooid.[116]
Hoe wordt de geest[117] ‘innerlijk klem zittend’ genoemd? - Men treedt, geheel afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, binnen in de eerste meditatieve verdieping (jhana), die met begin- en aanhoudende toewending van de geest samengaat, en men vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de afzondering. Indien het bewustzijn vervuld is van de vervoering en zaligheid die uit de afzondering zijn ontstaan, dan wordt de geest ‘inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest treedt men binnen in het tweede jhana dat samengaat met innerlijke kalmte en eenheid van het hart, zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest, en men vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de concentratie. Indien het bewustzijn vervuld is van de vervoering en zaligheid die uit de concentratie zijn ontstaan, dan wordt de geest ‘inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, door het tot bedaren brengen van vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid, treedt men binnen in het derde jhana waarvan de edelen zeggen: ‘Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,’ en men vertoeft erin. Indien het bewustzijn vervuld is van de gelijkmoedigheid, erdoor gebonden en geremd is, dan wordt de geest ‘inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, met het overwinnen van geluk en pijn en het eerder al verdwijnen van vreugde en droefheid, treedt men binnen in het vierde jhana dat op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich heeft, en samengaat met zuiverheid van oplettendheid, en men vertoeft erin. Indien het bewustzijn vervuld is van het niets pijnlijks noch iets aangenaams, erdoor gebonden en geremd is, dan wordt de geest ‘inwendig klem zittend’ genoemd.
En hoe wordt de geest ‘niet innerlijk klem zittend’ genoemd? - Men treedt, geheel afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, binnen in het eerste jhana, dat met begin- en aanhoudende toewending van de geest samengaat, en men vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de afzondering. Indien het bewustzijn niet vervuld is van de vervoering en zaligheid die uit de afzondering zijn ontstaan, dan wordt de geest ‘niet inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest treedt men binnen in het tweede jhana, dat samengaat met innerlijke kalmte en eenheid van het hart, zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest, en men vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de concentratie. Indien het bewustzijn niet vervuld is van de vervoering en zaligheid die uit de concentratie zijn ontstaan, dan wordt de geest ‘niet inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, door het tot bedaren brengen van vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid, treedt men binnen in het derde jhana waarvan de edelen zeggen: ‘Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,’ en men vertoeft erin. Indien het bewustzijn niet vervuld is van de gelijkmoedigheid, niet erdoor gebonden en geremd is, dan wordt de geest ‘niet inwendig klem zittend’ genoemd.
Verder, met het overwinnen van geluk en pijn en het eerder al verdwijnen van vreugde en droefheid, treedt men binnen in het vierde jhana, dat op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich heeft, en samengaat met zuiverheid van oplettendheid, en men vertoeft erin. Indien het bewustzijn niet vervuld is van het niets pijnlijks noch iets aangenaams, niet erdoor gebonden en geremd is, dan wordt de geest ‘niet inwendig klem zittend’ genoemd.[118]
M.a.w. als men vol is van de toestanden in de jhanas, er door wordt geboeid, dan zit de geest nog inwendig klem.
Maar als men niet vol is van die toestanden en er niet door wordt geboeid, dan zit de geest niet inwendig klem.
Hoe is er opgewondenheid op grond van vasthechten?[119] - Een niet onderwezen wereldling, die geen acht slaat op de edelen en in hun Dhamma niet bedreven en geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en in hun Dhamma niet bedreven en geschoold is, die beschouwt vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in het zelf ingesloten, of zelf als in vorm ingesloten. Elke vorm van hem verandert. Terwijl die vorm verandert, houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van de vorm. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezighouden met de verandering van de vorm, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.
Hij beschouwt gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in het zelf ingesloten, of zelf als in gevoel ingesloten. Elk gevoel van hem verandert. Terwijl dat gevoel verandert, houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van het gevoel. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van het gevoel, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.
Hij beschouwt waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in het zelf ingesloten, of zelf als in waarneming ingesloten. Elke waarneming van hem verandert. Terwijl die waarneming verandert, houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van de waarneming. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van de waarneming, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.
Hij beschouwt formaties als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in het zelf ingesloten, of zelf als in formaties ingesloten. Alle formaties van hem veranderen. Terwijl die formaties veranderen, houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van de formaties. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezighouden met de verandering van de formaties, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.
Hij beschouwt bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in het zelf ingesloten, of zelf als in bewustzijn ingesloten. Elk bewustzijn van hem verandert. Terwijl dat bewustzijn verandert, houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van het bewustzijn. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van het bewustzijn, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.
En hoe is er niet-opgewondenheid op grond van niet-vasthechten? - Een goed onderwezen edele leerling die acht slaat op de edelen en in hun Dhamma bedreven en geschoold is, die acht slaat op oprechte mensen en in hun Dhamma bedreven en geschoold is, die beschouwt niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in het zelf ingesloten, of zelf als in vorm ingesloten. Elke vorm van hem verandert. Terwijl die vorm verandert, houdt zijn bewustzijn zich niet bezig met de verandering van de vorm. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van de vorm, stijgen niet op en nemen zijn geest niet in bezit. Omdat zijn geest niet in bezit is genomen, is hij niet angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van niet-vasthechten wordt hij niet opgewonden.
Hij beschouwt niet gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in het zelf ingesloten, of zelf als in gevoel ingesloten. Elk gevoel van hem verandert. Terwijl dat gevoel verandert, houdt zijn bewustzijn zich niet bezig met de verandering van het gevoel. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van het gevoel, stijgen niet op en nemen zijn geest niet in bezit. Omdat zijn geest niet in bezit is genomen, is hij niet angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van niet-vasthechten wordt hij niet opgewonden.
Hij beschouwt niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in het zelf ingesloten, of zelf als in waarneming ingesloten. Elke waarneming van hem verandert. Terwijl die waarneming verandert, houdt zijn bewustzijn zich niet bezig met de verandering van de waarneming. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van de waarneming, stijgen niet op en nemen zijn geest niet in bezit. Omdat zijn geest niet in bezit is genomen, is hij niet angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van niet-vasthechten wordt hij niet opgewonden.
Hij beschouwt niet formaties als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in het zelf ingesloten, of zelf als in formaties ingesloten. Alle formaties van hem veranderen. Terwijl die formaties veranderen, houdt zijn bewustzijn zich niet bezig met de verandering van de formaties. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van de formaties, stijgen niet op en nemen zijn geest niet in bezit. Omdat zijn geest niet in bezit is genomen, is hij niet angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van niet-vasthechten wordt hij niet opgewonden.
Hij beschouwt niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in het zelf ingesloten, of zelf als in bewustzijn ingesloten. Elk bewustzijn van hem verandert. Terwijl dat bewustzijn verandert, houdt zijn bewustzijn zich niet bezig met de verandering van het bewustzijn. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezig houden met de verandering van het bewustzijn, stijgen niet op en nemen zijn geest niet in bezit. Omdat zijn geest niet in bezit is genomen, is hij niet angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van niet-vasthechten wordt hij niet opgewonden.
Zo is er niet-opgewondenheid op grond van niet-vasthechten.”[120]
De brahmanen en andere asceten waren van mening dat de geest gereinigd kan worden door water. De Boeddha onderwees het verschil van reiniging bij de brahmanen en de edele soort van reiniging, die tot volledige afkeer, onthechting en uitdoving leidt, tot vrede, tot inzicht, tot Verlichting, tot Nibbāna. Ten gevolge van die reiniging vinden de stervelingen bevrijding van verdriet, geweeklaag, pijn, droefenis en wanhoop.
En waaruit bestaat deze edele reiniging?[121]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: 'Een verkeerde visie zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerde zienswijze op en reinigt hij zich van een verkeerde zienswijze.[122]
Van degene met juist inzicht is verkeerd inzicht afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van een verkeerd inzicht ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van een juist inzicht komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[123]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: een verkeerde houding zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerde houding op en reinigt hij zich van een verkeerde houding.[124]
Van degene met juiste houding is de verkeerde houding afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerde houding ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van een juiste houding komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[125]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerd taalgebruik zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerd taalgebruik op en reinigt hij zich van een verkeerd taalgebruik.[126]
Van degene met juist taalgebruik is verkeerd taalgebruik afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van een verkeerd taalgebruik ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van een juist taalgebruik komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[127]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerd handelen zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.'[128] Zo overwegend geeft hij een verkeerd handelen op en reinigt hij zich van een verkeerd handelen.[129]
Van degene die juist handelt is de verkeerde manier van handelen afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerd handelen ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juist handelen komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[130]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerd levensonderhoud zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerd levensonderhoud op en reinigt hij zich van een verkeerd levensonderhoud.[131]
Van degene met een juist levensonderhoud is het verkeerde levensonderhoud afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van een verkeerd levensonderhoud ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van een juist levensonderhoud komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[132]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerd streven zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerd streven op en reinigt hij zich van een verkeerd streven.[133]
Van degene die juist streeft, is het verkeerde streven afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerd streven ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juist streven komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[134]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerde opmerkzaamheid zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerde opmerkzaamheid op en reinigt hij zich van een verkeerde opmerkzaamheid.[135]
Van degene met juiste opmerkzaamheid is de verkeerde opmerkzaamheid afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerde opmerkzaamheid ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juiste opmerkzaamheid komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[136]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerde concentratie zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerde concentratie op en reinigt hij zich van een verkeerde concentratie.[137]
Van degene met juiste concentratie is de verkeerde concentratie afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerde concentratie ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juiste concentratie komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[138]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerd weten zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan.' Zo overwegend geeft hij een verkeerd weten op en reinigt hij zich van een verkeerd weten.[139]
Van degene met juist weten is het verkeerde weten afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerd weten ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juist weten komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[140]
De edele discipel overweegt bij zichzelf: verkeerde bevrijding zal een slecht resultaat krijgen, in het tegenwoordige en in het toekomstige bestaan. Zo overwegend geeft hij een verkeerde bevrijding op en reinigt hij zich van een verkeerde bevrijding. Zo vindt de reiniging plaats in de discipline van de edele.”[141]
Van degene die juist bevrijd is, is de verkeerde bevrijding afgewassen. En de vele slechte, onheilzame dingen die ten gevolge van verkeerde bevrijding ontstaan, ook die zijn van hem afgewassen; en op basis van juiste bevrijding komen veel heilzame dingen tot volle ontplooiing.[142]
Dat is de edele reiniging, die tot volledige afkeer, onthechting en uitdoving leidt, tot vrede, tot inzicht, tot verlichting, tot Nibbāna.[143]
Wanneer men met de volgende drie vaardigheden is uitgerust, gaat men op het absoluut zekere pad[144] en bezit men de deugdelijke middelen tot uitdroging van de neigingen. Men houdt de deuren van de zintuigen bewaakt en oefent vlijtig de oplettendheid.
Hoe houdt men de deuren van de zintuigen bewaakt? Wanneer men met het oog een vorm ziet, dan hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij het onbewaakte oog begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite dat te verhinderen. Men waakt over het oog en beteugelt het.
Wanneer men met het oor een geluid verneemt – wanneer men met de neus een geur ruikt – wanneer men met de tong een smaak proeft – wanneer men met het lichaam iets tastbaars voelt – wanneer men zich in de geest bewust is van een gedachte, dan hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij de onbewaakte zintuigen begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite om dat te verhinderen. Men waakt over de zintuigen en beteugelt ze. Zo waakt men over de deuren van de zintuigen.[145]
Eens sprak de Verhevene tot de vrome Visakha over de juiste procedure voor zuivering van de bevlekte geest van de edele volgeling.
“Wanneer een edele volgeling als volgt overweegt, dan is het zeer vruchtbaar, brengt veel voordeel, is van een grote pracht, van grote draagwijdte:
‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’
Denkend aan de Volmaakte verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat, en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
De edele volgeling denkt aan de leer:
‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt iedereen uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, iedereen voor zichzelf.’
Denkend aan de leer verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
De edele volgeling denkt aan de Orde:
‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen[146] – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’
Denkend aan de Ariyasangha verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
De edele volgeling denkt aan eigen deugdzaamheid, die ongebroken is, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed,[147] die geestelijke concentratie bevordert.
‘Goed heb ik het getroffen dat ik te midden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid, thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'[148]
Denkend aan eigen deugdzaamheid verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
De edele volgeling denkt aan de goden:
‘Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden (de Yama goden). Er zijn de tevreden goden (in de Tusita hemel). Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook bij mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.’
Bij de herinnering aan deze eigenschappen van zichzelf en van die goden verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Zo komt door de juiste procedure de zuivering van de bevlekte geest tot stand.”
Wanneer de edele volgeling aan de Volmaakte denkt, aan de leer en aan de Orde, wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Volmaakte, van de leer en van de Orde, is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de Verlichte, over de leer en over de Orde.[149]
“Er is geen ander ding dat zo gedwee is
als de bedwongen geest;
de bedwongen geest is inderdaad
een gedwee ding.”
Er is geen ander ding
dat zozeer leidt naar groot voordeel
dan de bedwongen geest;
de bedwongen geest leidt inderdaad
naar groot voordeel.”
Er is geen ander ding
dat zoveel geluk brengt
dan de geest die bedwongen is,
beheerst, bewaakt
en die weerhouden wordt;
zo’n geest brengt inderdaad een groot geluk.”[150]
Kortom, de onbedwongen geest is weerspannig. Ze leidt tot groot verlies en brengt veel ellende. De bedwongen geest is gedwee. Ze leidt tot groot voordeel en brengt veel geluk.
Eens zei de Verhevene aan Anathapindika die met veel lekenvolgelingen naar hem toe was gekomen: "Huisbewoners, jullie bedienen daar de gemeenschap van de monniken met gewaden, aalmoezen-voedsel, slaapplaats en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Maar huisbewoners, jullie moeten daarmee niet tevreden zijn. Jullie moeten veeleer ernaar streven: 'Van tijd tot tijd willen wij de afgezonderde vervoering[151] met inspanning bereiken.' Daar moeten jullie naar streven, huisbewoners."
Na deze woorden wendde de eerwaarde Sāriputta zich tot de Verhevene en zei: "Het is wonderbaarlijk, Heer, het is verbazingwekkend, Heer, hoe de Verhevene zo treffend heeft gesproken. Op een tijd namelijk, Heer, wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van de volgende vijf mogelijkheden. Pijn en somberheid verbonden met zintuiglijke dingen[152] - die bestaan er niet op een dergelijke tijd. Vreugde en blijdschap verbonden met zintuiglijke dingen - die bestaan er niet op een dergelijke tijd. Pijn en somberheid verbonden met het onheilzame - die bestaan er niet op een dergelijke tijd. Vreugde en blijdschap verbonden met het onheilzame - die bestaan er niet op een dergelijke tijd. Pijn en somberheid verbonden met het heilzame - die bestaan er niet op een dergelijke tijd. Heer, op een dergelijke tijd wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van deze vijf mogelijkheden.”[153]
De Verhevene: ”Precies, Sāriputta. Wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van deze vijf mogelijkheden.”[154]
In bovenstaande leerrede gaf de Boeddha aan leken het advies om af en toe de jhanas te beoefenen. Niet alleen kan men zo in tijdelijke afgezonderde vervoering vertoeven, maar ook kan zo de geest bevrijd worden.
De onbevrijde geest van iemand kan bevrijd worden als die persoon ijverig en vastbesloten vertoeft in de meditatieve verdiepingen. Daardoor worden de niet vernietigde neigingen vernietigd en verkrijgt iemand de hoogste zekerheid dat hij niet meer geboeid is, een zekerheid die hij voordien niet had.[155]
Er worden negen meditatieve toestanden genoemd, vier in de sfeer van vorm (de fijnstoffelijke meditatieve verdiepingen of de jhanas) en vijf in de vormloze sfeer, de onstoffelijke meditatieve verdiepingen.[156]
Voor leken werd, zoals we zagen, het regelmatig beoefenen van de vier jhanas door de Boeddha aanbevolen.
Het bereiken van deze toestanden is trapsgewijs, achtereenvolgend. Net zoals men bij het lopen de ene stap na de ander zet, - men kan de tweede stap niet zetten voordat de eerste stap gezet is[157] - evenzo moet de eerste meditatieve toestand beheerst worden voordat men aan de tweede toestand begint.
De weg van de meditatieve verdiepingen is een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Zonder die weg te begaan kan men de lagere boeien niet kennen of zien of overwinnen. Maar door die weg te begaan is het mogelijk de vijf lagere boeien te kennen, te zien en te overwinnen.[158]
De vijf lagere boeien zijn: zinnelijke lust, haat, starheid en traagheid, opwinding en gewetensonrust en twijfel. Die boeien moet men opgegeven.[159]
Er zijn deze vijf strengen van zinnelijke genoegens. En welke? Er zijn vormen die met het oog waarneembaar zijn, er zijn geluiden die met het oor waarneembaar zijn, er zijn geuren die met de neus waarneembaar zijn, er zijn smaken die met de tong waarneembaar zijn, er zijn aanrakingsobjecten die met het lichaam waarneembaar zijn. Deze vijf strengen van zinnelijke genoegens zijn gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke hebzucht en wekken begeerte op. Het geluk en de vreugde die ontstaan in afhankelijkheid van deze vijf strengen van zintuiglijke genoegens worden geluk van de zintuiglijke genoegens genoemd - een onrein geluk, een gewoon, onedel geluk. Deze soort van geluk moet niet onderhouden worden, moet niet ontplooid en uitgeoefend worden.[160]
Wanneer men zichzelf vrij ziet van de vijf hindernissen, ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat verrukking. Bij degene wiens geest vol verrukking is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie.[161]
Geheel afgescheiden van zintuiglijke genoegens, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in het eerste jhana, dat samengaat met begin- en aanhoudende toewending van de geest, en hij vertoeft erin, met vervoering en geluk die uit de afzondering zijn ontstaan.
Door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest treedt hij binnen in het tweede jhana, dat samengaat met innerlijke kalmte en eenheid van het hart, zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest, en hij vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de concentratie.
Door het tot bedaren brengen van vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid, treedt hij binnen in het derde jhana waarvan de edelen zeggen: ‘Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,’ en hij vertoeft erin.
Met het overwinnen van geluk en pijn en het eerder al verdwijnen van vreugde en droefheid, treedt hij binnen in het vierde jhana, dat op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich heeft en dat samengaat met zuiverheid van oplettendheid, en hij vertoeft erin.
Dit wordt zaligheid van ontzegging genoemd, zaligheid van afzondering, zaligheid van de vrede, zaligheid van de Verlichting. Dit soort van geluk moet onderhouden worden, moet ontplooid worden, moet uitgeoefend worden en hoeft niet gevreesd te worden.[162]
Het verkrijgen van het eerste, tweede, derde en vierde jhana wordt de hoge oefening van de geest genoemd.[163]
Er zijn meerdere soorten van welbevinden, namelijk: het verkrijgen van het eerste jhana, het tweede, het derde en het vierde jhana.[164]
Het vertoeven in het eerste, tweede, derde en vierde jhana wordt genoemd vertoeven als hemels wezen.[165]
Het is niet tevergeefs wanneer men ook maar voor een ogenblik het eerste, tweede, derde of vierde jhana ontplooit. Men volgt de regels van de Meester, handelt in overeenkomst met de instructies. Hoeveel te meer geldt dit voor degenen die de jhanas vaak oefenen.[166] Men heeft dan de kracht van ontplooiing.[167] En als men binnentreedt in en verblijft in het eerste, het tweede, het derde en het vierde jhana, dan heeft men ook de kracht van concentratie.[168] Of men ontplooit de vaardigheden en krachten die met het eerste, tweede, derde of vierde jhana verbonden zijn. Die vaardigheden en krachten zijn: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.[169]
Als de vier jhanas (de fijnstoffelijke meditatieve verdiepingen in de sfeer van vorm) goed zijn geoefend en ontplooid, kan men de hogere geestelijke toestanden verwerkelijken, als aan de voorwaarden voldaan wordt.[170] Na het bereiken van en vertoeven in het vierde jhana kan men zijn gemoed richten op de bovennatuurlijke krachten. Naar believen kan men genieten van de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten.
De bovennatuurlijke krachten worden verdeeld in vijf bovennatuurlijke wereldlijke krachten, en één bovennatuurlijke bovenwereldlijke kracht. De vijf bovennatuurlijke wereldlijke krachten kunnen verkregen worden door uiterste perfectie in geestelijke concentratie. Die krachten zijn: (1) magische krachten; (2) goddelijk oor (helderhorendheid); (3) het doordringen van de geest van anderen (gedachten lezen); (4) goddelijk oog (helderziendheid); (5) herinnering aan voorgaande levens.
Voor het bereiken van de vijf bovennatuurlijke wereldlijke krachten is het verkrijgen van de vierde meditatieve verdieping een randvoorwaarde.
De bovennatuurlijke bovenwereldlijke kracht bestaat erin dat men kennis heeft van de volmaakte bevrijding. Ze wordt verkregen door volledig inzicht, d.w.z. uitdoving van alle smetten. Dit is het verwerkelijken van arahantschap, volmaakte heiligheid.[171]
Niet alle Arahants hebben de magische krachten. Degenen die door inzicht bevrijd zijn,[172] hebben die krachten niet.
Eerst komt het weten van de wetmatigheid,[173] daarna komt het weten van Nibbana.[174]
Bovennatuurlijke krachten kunnen schadelijk zijn tenzij iemand de hogere niveaus van de paden van heiligheid heeft bereikt.[175]
Wie zo die vier grondslagen van geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, die kan op veelvuldige manier de ontplooiing van die krachten ondervinden.
Wanneer men de vier geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, kan men de neigingen laten uitdrogen en de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid, al in dit leven verwerkelijken en bemachtigen.[176]
Men heeft de kracht om uit één veelvuldig te worden, en uit veelvuldig weer één.[177] Vanuit dit lichaam schept men een ander lichaam dat vorm bezit, dat uit de geest is geschapen, met alle ledematen, waaraan geen vaardigheid ontbreekt.[178] De kracht om zich zichtbaar te maken en onzichtbaar. De kracht om ongehinderd door wanden, muren, bergen te gaan als door de lucht. De kracht om in de aarde op- en onder te duiken als in water. De kracht om op het water te lopen zonder te zinken alsof men op vaste grond loopt. De kracht om zich in zittende houding in de lucht te bewegen als een vogel. De kracht om met de hand de maan en de zon aan te raken. De kracht om lichamelijk invloed uit te oefenen tot in de Brahmā-wereld (zijn lichaam te beheersen tot in de Brahma-wereld).[179]
Men kan met het hemelse oor dat zuiver is en dat boven menselijke grenzen reikt, beide soorten van geluiden horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden veraf en nabij.[180]
Men kan met zijn geest de geest van anderen doordringen; men kan het gemoed van anderen begrijpen nadat men het met eigen hart heeft omvat.
Men begrijpt het gemoed met verlangen; men weet wie begerig is en wie niet. Men begrijpt het gemoed met afkeer; men weet wie haat heeft en wie niet. Men begrijpt het gemoed met waan; men weet wie onwetend is en wie wetend. Men begrijpt het standvastige gemoed en het verstrooide; men weet wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Men begrijpt het edelmoedige en het niet edelmoedige gemoed; men weet wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Men begrijpt het overtrefbare en het niet overtrefbare gemoed; men weet wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Men weet wie edel is en wie onedel. Men begrijpt het niet geconcentreerde en het geconcentreerde gemoed; men weet wie rustig is en wie rusteloos. Men begrijpt het niet bevrijde en het bevrijde gemoed; men weet wie bevrijd is en wie niet bevrijd is.[181]
Men kan zich aan veel vroegere levens, aan veel verschillende vormen van bestaan herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens. Men kan zich herinneren aan talrijke perioden van wereldvergaan en aan talrijke perioden van wereldontstaan en aan talrijke perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. Men herinnert zich welke naam men er had, tot welke familie men behoorde, tot welke kaste; men herinnert zich welk beroep men uitoefende, hoe men eruit zag, welk voedsel men kreeg, wat men er ondervond aan wel en wee, aan lust en leed; men herinnert zich hoe oud men werd; men herinnert zich hoe het levenseinde was, waar men na de dood wedergeboren werd. Men herinnert zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de bijzondere gebeurtenissen en details ervan.[182]
Verder kan men met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. Men begrijpt hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich met daden, woorden en gedachten slecht heeft gedragen, wie de edelen heeft beschimpt, wie onjuiste visies had, komt na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, ja zelfs in de hel. Maar degenen die zich goed hebben gedragen in daden, woorden en gedachten, die de edelen niet hebben beschimpt, die juiste visies hadden en die visies in hun daden tot uiting lieten komen, zijn na de dood wedergeboren op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld." Zo ziet men met het hemelse oog.[183]
De bovennatuurlijke bovenwereldlijke kracht wordt verkregen door volledig inzicht, d.w.z. uitdoving van alle smetten.[184] Dit is het verwerkelijken van arahantschap, volmaakte heiligheid.[185]
Er zijn vijf onreinheden van de geest waardoor de geest troebel wordt. Ze is dan niet soepel, niet vormbaar, is zonder helderheid, en ze concentreert zich niet juist om de neigingen tot uitdroging te brengen. Die vijf onreinheden of belemmeringen zijn:
Genot der zintuigen, zintuiglijk genot; boosheid, kwaadwil; starheid en matheid, traagheid en luiheid; opgewondenheid en onrustig geweten; rusteloosheid, zich zorgen maken; en twijfel.
Maar wanneer de geest vrij is van deze onreinheden, dan is ze soepel en vormbaar, is stralend en concentreert zich goed tot uitdroging van de neigingen. Als men dan de geest richt op een toestand die gerealiseerd kan worden door de hogere geestelijke vermogens, dan kan die toestand verwerkelijkt worden indien aan de andere voorwaarden voldaan wordt.[186]
Met meer woorden heeft de Boeddha dat uitgelegd in de volgende leerrede:
“Er zijn ruwe onreinheden van het goud zoals met aarde vermengd zand en en steenachtige kiezel. De goudwasser of diens hulp schudt het goud in een kuip, zuivert het, reinigt het grondig, wast het. Wanneer dan die onreinheden minder zijn geworden en verwijderd zijn, blijven nog middelmatige onreinheden over, zoals fijne kiezel en grof zand. En de goudwasser of diens hulp zuivert dat goud, reinigt het grondig, wast het. Wanneer dan die onreinheden minder zijn geworden en verwijderd zijn, blijven nog kleine onzuiverheden over, zoals fijn zand en zwart stof. En de goudwasser of diens hulp zuivert dat goud, reinigt het grondig, wast het. Wanneer dan die onreinheden minder zijn geworden en verwijderd zijn, blijft alleen nog het goudstof over. Dat schudt de goudsmid of diens hulp in een smeltkroes, smelt het daarin, smelt het samen maar versmelt het nog niet grondig. Dat goud is weliswaar gesmolten, maar het is nog niet grondig versmolten, de tekortkomingen ervan zijn nog niet helemaal verwijderd, de slakken zijn nog niet helemaal eruit gehaald; het goud is nog niet soepel en vormbaar, is zonder glans, broos en is nog niet correct geschikt om verwerkt te worden.
Maar er komt de tijd dat de goudsmid of diens hulp dat goud [nog een keer] smelt, grondig samensmelt. Dan is dat goud gesmolten, samengesmolten, grondig versmolten; de tekortkomingen ervan en de slakken zijn verwijderd; het goud is soepel en vormbaar, glanzend, niet broos en goed geschikt om ermee te werken. Wat voor sieraden men ook daarmee wil maken, hetzij hoofdband, oorringen, halssieraden of een gouden ketting, dat doel zal het vervullen.
Evenzo zijn er voor iemand die de hogere geestesgesteldheid onderhoudt, ruwe onzuiverheden zoals het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten. Deze onzuiverheden geeft de edele oplettende persoon op, verwijdert ze geheel en al.
Wanneer ze verwijderd zijn, blijven voor hem nog de middelmatige onzuiverheden over, zoals zinnelijke gedachten, boze gedachten en wrede gedachten. Deze geeft de edele persoon op, verwijdert ze.
Dan blijven voor hem nog de kleine onzuiverheden over, zoals gedachten over zijn verwanten, over zijn land, en de gedachte niet veracht te worden. Deze gedachten verwijdert hij geheel en al.
Dan blijven nog over gedachten over geestelijke processen,[187] [die tijdens de meditatie optreden]. De concentratie van de geest is dan niet vredig noch verheven, noch heeft ze kalmte en geestelijke uniformiteit bereikt, maar is een oefening die door moeizame onderdrukking gehandhaafd wordt.[188]
Maar er komt de tijd dat het bewustzijn[189] zich innerlijk vestigt, helemaal tot rust komt, één wordt en zich concentreert. Deze concentratie van de geest is vredig, verheven, vol kalmte en harmonie, is geen oefening die door moeizame onderdrukking gehandhaafd wordt. Op welke toestand, die door hogere krachten van de geest[190] bereikt kan worden, iemand dan zijn geest richt om die door die hogere krachten van de geest te verwerkelijken, zo bereikt hij daarbij steeds de vaardigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.[191]
Wanneer hij wenst zich over de magische krachten te verheugen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.
Wanneer hij wenst met het hemelse oor beide soorten van geluiden te horen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.
Wanneer hij wenst de geest van anderen te doordringen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.
Wanneer hij wenst zich aan veel vroegere vormen van bestaan te herinneren, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.
Wanneer hij wenst met het hemelse oog te zien hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.
Wanneer hij wenst nog in dit leven de bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid te bereiken, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.”[192]
Tot de voorwaarden die hierboven bedoeld zijn, behoort - zoals boven vermeld - het verkrijgen van de vier fijnstoffelijke meditatieve verdiepingen in de sfeer van vorm.[193]
In sommige godsdiensten wordt onder wedergeboorte verstaan het lichamelijk opnieuw geboren worden na de dood. Anderen duiden het aan met reïncarnatie of met zielsverhuizing.[194]
In de leer van de Boeddha is wedergeboorte niet gelijk aan reïncarnatie. Reïncarnatie betekent het weer belichaamd worden, gaat uit van een vaste, blijvende kern. Het Boeddhisme kent zoiets niet. Wedergeboorte gaat uit van een levensstroom die na de dood weer nieuw leven voortbrengt. Het verlangen, de wil is de aandrijfkracht. De nieuwe vorm van leven hangt voornamelijk af van de goede en slechte daden die in dit leven en in het verleden verricht zijn.
Omdat sommigen zich kunnen herinneren aan vroegere geboorten, geloven zij dat er een blijvend zelf is, dat er een eeuwig bestaan is, dat de wereld eeuwig is. Maar dat is niet zo; ook zij worden wedergeboren. Er is geen blijvend zelf, geen eeuwig bestaan en geen eeuwig niet meer bestaan. De Verhevene vermijdt deze twee uitersten; hij verkondigt de leer van het midden, met ontstaan en weer vergaan.[195]
Door niet juist verstaan van de leer van de Boeddha zijn wezens niet in staat om te ontsnappen aan wedergeboorte. Een hindernis hierbij is als zij vasthouden aan een idee van atta (zelf).”[196]
Hoe komt het tot een toekomstige wedergeboorte? Het antwoord hierop luidt: "Omdat zij de vier edele waarheden niet hebben ingezien, zijn de wezens door onwetendheid geremd en door begeerte (tanha) geboeid. Doordat zij hier en daar steeds weer genot vinden, omdat zij vergezeld gaan van het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan, daarom komt het tot toekomstige wedergeboorte, daarom gaat men van deze wereld naar de andere wereld en omgekeerd.”[197]
In afhankelijkheid van wilsformaties, vormingen ontstaat bewustzijn dat tot wedergeboorte leidt.[198] Wanneer er geen wilsactie (kamma) was die in de een of andere sfeer[199] vruchten draagt, zou er geen bestaan in die sfeer zijn. Door de wilsactie (kamma) die in een bepaalde sfeer vruchten draagt, komt het tot bestaan in een bepaalde sfeer.
De wilsactie (kamma) is het veld,[200] het bewustzijn is het zaad,[201] het verlangen is de vochtigheid. En de wil, het bewustzijn, het verlangen van de door onwetendheid pgeremde en door begeerte verstrikte wezens gaat vastzitten in een bepaalde sfeer. Zo komt het tot ontstaan van een toekomstige wedergeboorte.[202]
Het bewustzijnsmoment op het einde van het leven wordt het wedergeboorte-bewustzijn genoemd. Het veroorzaakt de volgende geboorte.
Het is een verkeerd inzicht dat na de dood het bewustzijn van iemand uit het lichaam komt en verhuist naar een ander lichaam waar die persoon dan geboren wordt. De Boeddha legde uit dat geen enkele factor verhuist van het ene naar het andere lichaam. Het bewustzijn ontstaat door oorzaken en vergaat dan weer. Zonder oorzaken kan bewustzijn niet ontstaan.[203]
Bewustzijn is weliswaar de verbindende schakel, maar er gaat geen bewustzijn van dit leven over naar een ander leven. Bewustzijn wordt veroorzaakt door contact van een zintuig met een zintuiglijk waarneembaar object. Er is echter geen sprake van een “ik”, een “zelf” dat ziet of hoort of ruikt of voelt of proeft of denkt. Er ontstaat alleen bewustzijn, niet “mijn bewustzijn”.
Maar door een verkeerde visie ontstaat het zogenaamde "ik"-bewustzijn. Dat ik-bewustzijn, de wil naar een nieuw bestaan, veroorzaakt na de dood een ander ik-bewustzijnsmoment. Ten gevolge van de verzamelde resultaten van de vele wilsacties vat dat andere bewustzijnsmoment - als men overeenkomstig zijn wilsacties bestemd is voor geboorte in de menselijke sfeer - post in de schoot van een vrouwelijk wezen. Dan begint het proces van worden, het proces van conceptie. Door onwetendheid en begeerte komt het tot wedergeboorte. Het geestelijke (nama) en het lichamelijke (rupa) ontstaan weer. Ten gevolge van de zintuigen is er contact. Lust en lijden worden ondervonden en het ik-bewustzijn krijgt een sterke basis.
“Is degene die wedergeboren wordt, dezelfde als de gestorvene, of is hij een andere?"
“Er wordt niet dezelfde persoon wedergeboren, noch wordt iemand anders wedergeboren. Maar men moet weten: zo is vorm, zo is de oorsprong van vorm, zo is het verdwijnen van vorm. Zo is gevoel, zo is de oorsprong ervan, zo is het verdwijnen ervan. Zo zijn de vormingen, zo is de oorsprong ervan, zo is het verdwijnen ervan. Zo is bewustzijn, zo is het ontstaan ervan, zo is het verdwijnen ervan.”[204]
De Verhevene leert dat de waarheid in het midden ligt. Als men aanneemt dat dezelfde persoon wordt wedergeboren, dan volgt daaruit dat men meent dat een blijvend zelf van bestaan tot bestaan voortduurt. Maar zo’n zelf bestaat niet. Als men aanneemt dat iemand anders wordt wedergeboren, dan is men van mening dat er geen samenhang is tussen de afzonderlijke soorten van bestaan. Maar zo’n samenhang bestaat wel. Hij wordt geproduceerd niet door een blijvend atta, maar door de schakels die in de keten van oorzakelijk ontstaan worden vermeld.
“Het is onmogelijk het verdwijnen uit het ene bestaan en het intreden in een nieuw bestaan uit te leggen, of de groei, toename en ontwikkeling van bewustzijn uit te leggen onafhankelijk van lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording en geestelijke formaties.”[205]
“Bewustzijn wordt veroorzaakt door geestlichamelijkheid en geestlichamelijkheid door bewustzijn. Dit bewustzijn keert terug naar geestlichamelijkheid. Het gaat niet verder.”[206]
“Als geestlichamelijkheid aanwezig is, is bewustzijn aanwezig.[207] In afhankelijkheid van wilsformaties (kamma) ontstaat bewustzijn dat tot wedergeboorte leidt.[208] Als bewustzijn in geestlichamelijkheid geen basis gevonden had,[209] zou er verder geen ontstaan en oorsprong zijn van geboorte, ouderdom en sterven. Daarom is geestlichamelijkheid de voorwaarde voor bewustzijn.”[210]
Er zijn vier soorten voedsel die dienen tot onderhoud van de wezens die al geboren zijn. En zij dienen de wezens die naar wedergeboorte zoeken, tot steun.
Die vier soorten voedsel zijn: eetbare spijzen, grof of fijn; aanraking, contact; het denkproces van de geest; het bewustzijn.[211]
Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan. Wanneer die geworden zijn, ontstaan de zes bereiken van de zintuigen. Uit de zes bereiken van de zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat de gewaarwording, het gevoel. Uit de gewaarwording, het gevoel als oorzaak ontstaat het verlangen, de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat de inbezitname, het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Zo komt de hele massa van dukkha, lijden tot stand.[212]
Behalve een gezond zintuig en zintuiglijk waarneembare dingen is ook nodig contact tussen die twee. Dat contact tussen die twee wordt genoemd: toevoer van voedsel. De oorzaak, de oorsprong van die toevoer van voedsel is de dorst, het verlangen.[213]
Wanneer begeerte naar voedsel aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm, geest en lichaam. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan.[214]
Wanneer men met een zintuig een object waarneemt, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid opgewekt worden.[215] En zolang als er de mening is van een atta, een zelf, een blijvende kern, vindt bewustzijn een steunpunt.
Begeerte en afkeer en onwetendheid zijn een steunpunt voor het ik-bewustzijn: dat wil ik - dat wil ik niet. Door verkeerde visie ontstaat de mening dat er een blijvende kern, een zelf, een ego, een persoonlijkheid is. Het bewustzijn krijgt een stevige basis.
Behalve wedergeboorte in de menselijke sfeer, zijn er nog andere sferen waarin het bewustzijn een basis kan krijgen, afhankelijk van het resultaat van de verrichte wilsacties.
“Er zijn negen vormen van bestaan, ook de negen sferen van bewustzijn genoemd,[216] en wel:
Deze negen vormen van bestaan of sferen van bewustzijn zijn er.”[231]
In deze verschillende werelden van bestaan worden wezens wedergeboren al naargelang hun wilsacties vóór het sterven.
Wanneer iemand zijn geest in wijsheid volledig heeft ontwikkeld, dan kan hij terecht van zichzelf zeggen: "De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, wat gedaan moest worden, is gedaan; niets meer hierna.” Maar hoe heeft iemand zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld?
Wanneer hij beseft: "Mijn geest is vrij van hebzucht", dan heeft hij op deze manier zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld. Als hij beseft: 'Mijn geest is vrij van haat, vrij van begoocheling; niet meer onderworpen aan hebzucht, haat, begoocheling; mijn geest is niet meer in staat om terug te leiden naar het zinnelijke bestaan, om terug te leiden naar het fijnstoffelijke of onstoffelijke bestaan”, dan heeft hij op deze manier zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld.[232]
De kringloop van steeds weer sterven en geboren worden kan worden beëindigd door het opheffen van verlangen en van onwetendheid.
Het beteugelen en verwijderen van verlangen is het einde van de kringloop van steeds weer sterven en geboren worden.[233]
Wanneer de geest vrij is van hebzucht, vrij van haat, vrij van begoocheling, dan is de geest in wijsheid volledig ontwikkeld. Dan is wedergeboorte opgedroogd.[234]
Wanneer naar eetbare spijs, naar aanraking, naar denken van de geest en naar bewustzijn geen begeerte aanwezig is, wanneer geen vreugde eraan aanwezig is, wanneer geen dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn geen steunpunt gevonden en is het niet tot groei gekomen. Waar het bewustzijn geen steunpunt heeft gevonden en niet tot groei is gekomen, daar verschijnt geen naam en vorm. Waar naam en vorm niet verschijnt, daar vindt geen vermeerdering van de formaties plaats. Waar geen vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt geen wedergeboorte en nieuw ontstaan. Waar geen wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar komen geen geboorte, ouderdom en dood.[235]
Met het verdwijnen van begeerte verdwijnt het steunpunt voor het ik-bewustzijn. Geestlichamelijkheid wordt niet meer als eigendom beschouwd, niet meer als "dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf". Wedergeboorte wordt opgeheven door het opheffen van de mening "ik ben" en door het inzien dat naam en vorm (geestlichamelijkheid) onbestendig zijn.
Als er geen bewustzijn is, ontstaat er geen geestlichamelijkheid. Bewustzijn kan niet ontstaan als er geen geestelijke formaties zijn.
Er zijn drie formaties, namelijk de formatie van het lichaam, de vorming van lichamelijke acties; de formatie van de taal, de vorming van praten; en de formatie van de geest, de vorming van denken.
De formatie van het lichaam is het in- en uitademen. De formatie van de taal bestaat in het vormen van gedachten en discursief denken. De formatie van de geest bestaat in waarneming en gevoel.[236]
Formaties, vormingen, wilsformaties hebben onwetendheid als oorzaak, onwetendheid als oorsprong. In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties, vormingen. - Met het geheel en al verdwijnen van onwetendheid verdwijnen wilsformaties (vormingen). Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn.
“Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, bestaat er geest die niet beïnvloed is door begeerte, die niet beïnvloed is door haat en die niet beïnvloed is door onwetendheid.”[237]
Het bewustzijn is helder, maar het wordt verontreinigd door erbij komende smetten.[238] Voor de wereldling[239] die dit niet begrijpt, is er geen ontplooiing van de geest.
Helder is dit bewustzijn en het is vrij van erbij komende smetten.[240] De bekwame, edele volgeling begrijpt dit overeenkomstig de werkelijkheid. Daarom kan hij de geest ontplooien.[241]
Het wezenlijke van de leer van de Boeddha is de wet van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda). Wat ontstaat, zal ook weer vergaan. Het is niet blijvend (anicca). Wat niet blijvend is, kan niet als “zelf” beschouwd worden; het is niet-zelf, anatta.
Door de smetten van onwetendheid, het niet weten (niet inzien) van de kenmerken van vergankelijkheid en niet-zelf, is de geest (het bewustzijn) nog onrein en wordt misleid. Het bewustzijn neemt de elementen die het waarneemt, in bezit. Daarom de opvatting van een “ik”: “ik zie, ik hoor, ik ruik, ik proef, ik raak aan, ik denk.”
In feite is er alleen door contact van oog en voorwerp een gewaarwording van dat voorwerp ontstaan. Of er is door oor en geluid een gewaarwording van geluid ontstaan. Of er is door neus en geur een gewaarwording van geur ontstaan. Of er is door tong en smaak een gewaarwording van smaak ontstaan. Of er is door lichaam en aanraking een gewaarwording van aanraking ontstaan. Of er is door geest en gedachten een gewaarwording van gedachten ontstaan.
Juist is dan ook: Zó is het oogbewustzijn ontstaan, zó is het oorbewustzijn ontstaan, zó is het neusbewustzijn ontstaan, zó is het tongbewustzijn ontstaan, zó is het lichaambewustzijn ontstaan, zó is het geestbewustzijn ontstaan, zonder “ik”.
Het doel van de leer van de Boeddha is om de geest en het bewustzijn vrij te maken. Bij niet onderwezen mensen is het bewustzijn nog behept met inbezitname, grijpen, hechten. “Dat is van mij, dat behoort mij toe, dat ben ik", zo denkt men. Of bij de zintuiglijke gewaarwording voegt zich voorkeur of afkeer of onwetendheid. “Dat is leuk,” of "Dat vind ik niet mooi.” En het bewustzijn is niet vrij. Het bewustzijn is dan als een aanwijsstok met pek of lijm eraan, of als een stok met grijphaken eraan. De aangewezen voorwerpen blijven eraan hechten.
Maar de goed onderwezen mens ziet dat alles oorzakelijk ontstaan is, het lichamelijke (de vijf elementen) en het geestelijke. “Dat alles is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat ben ik niet,” zo weet hij. En hij leeft vrij. Het bewustzijn is dan als een schijnwerper die in alle richtingen kan schijnen, nabij en veraf. Het licht ervan hecht zich niet aan de voorwerpen die verlicht worden.
“Als er geen verlangen meer is naar iets in de wereld, dan is door dat opgeven van verlangen de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, omdat het niet groeit en niet samenstelt. Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan.’[242] Hij is volledig bevrijd.”[243]
“Door de vernietiging van genot komt de vernietiging van verlangen. Door de vernietiging van verlangen komt de vernietiging van genot. En door de vernietiging van genot en verlangen wordt de geest ‘wel-bevrijd’ genoemd.”[244]
Dat vrije bewustzijn wordt ook het ‘enkelvoudige bewustzijn’ genoemd. Het is een bewustzijn zonder de metgezellen voorkeur en afkeer. Het vertoeft alleen. Dat enkelvoudige bewustzijn eigent zich niets meer toe, vestigt zich nergens meer. En het bewustzijn dat zich nergens vestigt, dat zich nergens aan hecht, is bevrijd omdat het niet groeit en niet samenstelt. Bewustzijn dat niet samenstelt en niet is samengesteld, is vrij.
"Iemand met een enkelvoudig bewustzijn beschouwt het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn niet als het zelf, als een “ik”. Hij is niet geboeid door de banden van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn; hij is inwendig en uitwendig ongeboeid. Hij vindt de andere oever, is volledig bevrijd van lijden.”[245]
Over het vrije, enkelvoudige bewustzijn gaat ook de vraag van de eerwaarde Migajala. Hij vroeg aan de Verhevene in hoeverre men vertoeft met een tweede, en in hoeverre men alleen vertoeft. Het antwoord van de Boeddha luidde:
“Er zijn vormen die door het oog in het bewustzijn komen, geluiden die door het oor in het bewustzijn komen, geuren die door de neus in het bewustzijn komen, smaken die door de tong in het bewustzijn komen, tastbare objecten die door het lichaam in het bewustzijn komen, gedachten die door de geest in het bewustzijn komen: de verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename, overeenkomende met de begeerte, prikkelende. Wanneer men zich daarbij verheugt, ze verwelkomt, erop leunt, dan ontstaat voldoening bij hem die zich zo verheugt, die ze zo verwelkomt, die zo erop leunt. Als voldoening ontstaat, ontstaat dukkha, lijden. En ook: waar voldoening is, is prikkeling. Als er prikkeling bij is, is men gebonden. Gebonden met de keten van voldoening vertoeft men met een tweede.
Iemand die zo vertoeft, zoekt nu in het bos afgelegen gebieden en zitplaatsen op, ver van lawaai vandaan, vrij van lawaai, door de mensen gemeden, waar mensen heel alleen kunnen zitten en die geschikt zijn voor afzondering. Ook daar vertoeft hij met een tweede. En waarom? Zijn tweede is de dorst, die niet overwonnen is. Daarom vertoeft hij met een tweede.
Er zijn vormen die door het oog in het bewustzijn komen, geluiden die door het oor in het bewustzijn komen, geuren die door de neus in het bewustzijn komen, smaken die door de tong in het bewustzijn komen, tastbare objecten die door het lichaam in het bewustzijn komen, gedachten die door de geest in het bewustzijn komen: de verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename, overeenkomend met de begeerte, prikkelende. Wanneer men zich daarbij niet verheugt, ze niet verwelkomt, niet erop leunt, wordt voldoening verwijderd bij hem die zich niet zo verheugt, ze niet verwelkomt, niet erop leunt. Als voldoening verwijderd is, wordt dukkha, lijden verwijderd. En ook: als er geen voldoening is, dan is er geen prikkeling bij. Als er geen prikkeling bij is, is men niet gebonden. Bevrijd van de keten van voldoening vertoeft men alleen.
Of men nu vertoeft in het gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen of koninklijke ambtenaren, met pelgrims van een andere religie of met hun discipelen: wanneer men zo vertoeft, vertoeft men alleen. En wel omdat zijn tweede, de dorst (het verlangen), door hem is overwonnen. Daarom vertoeft men alleen."
Nadat hij deze leerrede had vernomen, ging de eerwaarde Migajala alleen leven en overdacht wat hij had geleerd. En na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.[246]
Deze leerrede komt overeen met wat onderwezen is aan de eerwaarde Bahia.
“Bāhiya, hierin moet jij je oefenen en wel zo: ‘In het geziene zal enkel zijn wat gezien is; in het gehoorde zal enkel zijn wat gehoord is; in het gevoelde zal enkel zijn wat gevoeld is; in het waargenomene zal enkel zijn wat waargenomen is.’ Bāhiya, op die manier moet jij je oefenen.”[247]
Het commentaar legt dit ongeveer als volgt uit:
‘In het geziene is enkel wat gezien is’ zonder eigen visies, meningen en concepten, persoonlijke sympathieën en antipathieën toe te voegen. Dit betekent alleen zien wat er is en zoals het werkelijk is.
Vergelijk ook de hier in het kort volgende verzen uit Sutta Nipata deel IV, het Atthaka-vagga, het boek van acht.
[804] Waarlijk, dit leven is kort. En ook als men langer blijft leven, dan sterft men toch aan ouderdom.
[805] Mensen treuren om ‘hun’ geliefde dingen, maar geen enkel bezit is blijvend. Verandering en het gescheiden worden is het daadwerkelijk bestaan.[248]
[806] Wat iemand als ‘mijn’ beschouwt, ook dat verdwijnt met de dood. Wanneer men dit heeft ingezien, neigt men niet meer naar de ‘mijn’-gedachte.
[807] Juist zoals iemand die ontwaakt is, niet ziet wat hij in een droom zag, juist zo ziet men geen geliefde mensen wanneer zij dood zijn en heengegaan.
[808] Na hun dood zal van hen alleen hun naam overblijven om uitgesproken te worden.
[809] Verdriet, geweeklaag en hebzucht wijken niet van hen die begerig zijn naar geliefde dingen. Daarom geeft de wijze elk bezit op. Want hij ziet de enige veiligheid.
[811] Nergens van afhankelijk houdt een wijze niets als aangenaam of onaangenaam. Geweeklaag en hebzucht hechten niet aan hem vast, net zomin als water aan een lotusblad hecht.
[812] Juist zo hecht een wijze niet vast aan steeds nieuw bestaan, hetzij hier hetzij ginder, en hij is ook niet gehecht aan wat gezien, gehoord of op een andere manier vernomen is.[249]
[813] Hij koestert geen meningen bij alwat gezien, gehoord of op een andere manier is vernomen. Hij zoekt geen andere zuivering dan het edele pad. Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets.[250]
[802] Bij de volmaakte heilige wordt hier zelfs geen kleine mening gevormd met betrekking tot wat is gezien, gehoord of wat op een andere manier is waargenomen. Hij neemt geen visies aan.
[803] Hij vormt geen visies, hij heeft geen voorkeur. Noch hecht hij aan leerstellingen.[251] Wanneer hij naar de andere oever is gegaan, komt zo iemand niet meer terug.[252]
[848] De vragende: “Welke visie en welk deugdzaam gedrag moet men hebben om ‘gekalmeerd’ (in vrede) genoemd te worden? Vertel mij dit, Gotama, wanneer u gevraagd wordt over de hoogste man.”
[849] De Gezegende: “Wanneer begeerte is verdwenen, zelfs voor het verval van het lichaam, wie niet hecht aan het verleden, wie niets tot het heden rekent, voor hem is er niets in de toekomst dat de voorkeur heeft.[253]
[850] Wie zonder boosheid is en zonder angst, niet opscheppend, zonder spijt, bescheiden sprekend, niet arrogant,[254] hij is inderdaad een wijze met bedwongen taalgebruik.
[851] Hij heeft geen gehechtheid naar de toekomst en hij treurt niet over het verleden. Hij ziet in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan, en laat zich door visie niet meer verleiden.[255]
[852] Hij is teruggetrokken, zonder bedrog, niet hebzuchtig, niet afgunstig, bescheiden; hij veroorzaakt geen aanstoot en is niet geneigd naar lasterpraat.
[853] Hij is zonder verlangen naar aangename dingen,[256] en is niet geneigd naar arrogantie. Vriendelijk is hij met een scherp inzicht, en hij heeft geen voorkeur noch afkeer.[257]
[854] De reden van zijn oefenen is niet dat hij gaven wenst, en hij wordt niet boos wanneer hij niets ontvangt. Hij is ongehinderd door begeerte, en naar smaken komt bij hem geen verlangen.
[855] Hij is gelijkmoedig, steeds oplettend. Hij denkt niet aan zichzelf als gelijk in de wereld. Hij is niet beter noch minder. Hij heeft geen hoogmoed.
[856] Voor hem is er geen staat van afhankelijkheid,[258] hij kent de leer,[259] en is niet afhankelijk. Voor hem bestaat er geen verlangen naar bestaan of niet-bestaan.
[857] Hem, die niet meer verlangt naar zintuiglijke genoegens, noem ik ‘gekalmeerd’ (in vrede). Bij hem zijn geen banden; hij heeft gehechtheid overwonnen.
[858] Voor hem zijn er geen zonen of vee, velden of bezittingen. Voor hem is er geen vastgrijpen en geen loslaten.
[859] Door hem wordt niet de voorkeur gegeven aan datgene op grond waarvan het gewone volk en asceten en brahmanen hem zouden kunnen beschuldigen. Daarom wordt hij niet opgewonden te midden van hun beschuldigingen.
[860] Vrij van ambitie, zonder jaloersheid, praat een wijze niet over zichzelf als zijnde hoger of gelijk of lager. Hij die niet meer grijpbaar is, gaat niet meer binnen in de begrijpelijkheid.
[861] Voor hem is er niets dat zijn eigen genoemd kan worden in de wereld; en wie niet klaagt vanwege datgene wat er niet is, en niet de weg kwijt raakt bij mentale verschijnselen, hij wordt waarlijk genoemd ‘gekalmeerd’ (in vrede).”[260]
Op een andere manier is te Savatthi door de Verhevene het verkrijgen en ontplooien van een enkelvoudig bewustzijn onderwezen in de volgende samenvatting en uiteenzetting van de ideale liefhebber van eenzaamheid.[261]
“Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is, wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt men waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en zijn machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en 's nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze[262] genoemd:
‘de ideale liefhebber van eenzaamheid’.”
“En hoe spoort men het verleden nog eens op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ en men denkt er met genoegen[263] aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Zo spoort men het verleden nog eens op.”[264]
“Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, wordt het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo spoort men het verleden nog eens op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest (d.w.z. denken, wilsacties e.d.) en ideeën. Men denkt aan het verleden en verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan het verleden.”[265]
“En hoe spoort men het verleden niet meer op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Zo spoort men het verleden niet meer op.”[266]
“Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, zonder dat het bewustzijn eraan gebonden is door verlangen, daardoor schept men er geen behagen in. En zo spoort men het verleden niet meer op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan het verleden maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan het verleden.”[267]
“En hoe smacht men naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Zo smacht men naar de toekomst.”[268]
“Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, verlangt men vurig naar iets wat nog niet verkregen is. Door dit verlangen schept men er behagen in en zo smacht men naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt dan aan wat in de toekomst kan zijn en men verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan de toekomst.”[269]
“En hoe smacht men niet naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Zo smacht men niet naar de toekomst.”[270]
“Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, zonder te verlangen naar wat nog niet verkregen is, daardoor schept men er geen behagen in. En zo smacht men niet naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan de toekomst maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan de toekomst.”[271]
“En hoe is men gericht naar het heden? Een niet-onderricht gewoon mens die geen rekening houdt met de edelen, is onbekwaam in de leer van de edelen, is ongeoefend in de leer van de edelen. Hij houdt geen rekening met de goede lieden, hij is onbekwaam in de leer van de goede lieden, is ongeoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men gericht naar het heden.”[272]
“Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, is het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden met verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gehecht aan het heden.”[273]
“En hoe is men niet gericht naar het heden? Een onderricht edele volgeling die rekening houdt met de edelen, is bedreven in de leer van de edelen, geoefend in de leer van de edelen. Hij houdt rekening met de goede lieden, hij is bedreven in de leer van de goede lieden, is geoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet niet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet niet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men niet gericht naar het heden.”[274]
“Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, zonder verlangen ernaar, is het bewustzijn er niet aan gebonden. Daardoor schept men er geen behagen in en zo is men niet gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden zonder verlangen. Men schept er geen behagen in en zo is men niet gehecht aan het heden.”[275]
“Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt hij waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en z'n machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en ‘s nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze genoemd:
'de ideale liefhebber van eenzaamheid’.
Dit is de samenvatting en de uiteenzetting van de ideale liefhebber van eenzaamheid.”[276]
○ ○ ○
De vrijheid van de geest is een geestelijke eenzaamheid, een vertoeven zonder de metgezellen begeerte, afkeer en onwetendheid. Men denkt niet met genoegen of afkeer aan het verleden; men verlangt niet naar de toekomst. Men ziet het veranderlijke, vergankelijke van alles in, ziet ook dat er geen “zelf” is. Wat thans is, neemt men waar, met inzicht, zoals het komt en wanneer het komt.[277]
Men voegt er niets meer aan toe. Wat men waarneemt neemt men niet in bezit, men hecht er niet aan. De volmaakte bevrijding van de geest is dan bereikt.
Bewandel geen verkeerde wegen. Verdwaal niet. Wat zijn verkeerde wegen? – Het zijn de vijf genietingen van de zintuigen, namelijk de vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen die in het bewustzijn treden door oog, oor, neus, tong, lichaam. Ze zijn dierbaar, geliefd, aangenaam. Dat is vreemd gebied.
De juiste weg bestaat in de vier grondslagen van oplettendheid.[278]
Alles wat lief en dierbaar is, zal vergaan, zal veranderen, zal vernietigd worden. Het is niet mogelijk dat iets wat geboren, samengesteld is, niet aan verval onderhevig is. Wees daarom een toevlucht voor jezelf. Heb de leer als toevlucht, en wel: Waak bij het lichaam over het lichaam, waak bij de gevoelens over de gevoelens, waak bij het bewustzijn over het bewustzijn, waak bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.[279]
"Men is helder bewust als men ziet dat gevoelens ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat gedachten ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat waarnemingen ontstaan, even duren en weer vergaan."[280]
“Als het bewustzijn bevrijd is, dan is men een groot mens. En het bewustzijn is bevrijd als men bij het lichaam waakt over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties. En men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.
Terwijl men zo waakt, wordt het bewustzijn zonder prikkels, wordt het zonder hechten bevrijd van de neigingen. Zo is het bewustzijn bevrijd. En dan is men een groot mens.[281]
Het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. Dat heet het niet-indicatieve bewustzijn van een Arahant. Dat niet-indicatieve bewustzijn stelt niets vast als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar.[282]
Als de geest vrij is, niet meer beperkt, dan is aan dukkha, het lijden een einde gekomen. En die vrijheid van de niet beïnvloede geest is zichtbaar. Immers, “in zoverre men de volledige uitdoving van de begeerte ondervindt, in zoverre men de volledige uitdoving van de afkeer ondervindt, in zoverre men de volledige uitdoving van de onwetendheid ondervindt, in zoverre is Nibbāna zichtbaar hier en nu.”[283]
Men hecht dan nergens meer aan. De vuren van de passies, van begeerte, afkeer en illusie zijn dan definitief uitgedoofd.[284]
Wie de volmaakte heiligheid bereikt heeft, heeft niets meer te maken met het wereldse bestaan. De Eerwaarde Sariputta zei eens dat hij op grond van de bevrijding van de eigen persoon door vernietiging van alle grijpen (hechten) leefde in zo'n zelfbezinning dat hij daardoor niet overstroomd werd door wereldse invloeden. Hij was steeds oplettend.[285] Hij had geen enkele gedachte meer van “ik” of “mijn”. Hij was als volmaakte heilige volledig bevrijd van de mening “ik ben”.[286] Voor hem was er geen maat meer waarmee hij aangeduid kon worden.
Wie het ‘alles’ volledig heeft begrepen, en nergens meer aan gehecht is, heeft alle lijden overwonnen.[287]
Met ‘het alles’ worden bedoeld de factoren van persoonlijkheid: vorm, gevoel, waarneming, geestelijke activiteiten en bewustzijn. Ze ontstaan en vergaan, zijn niet blijvend.[288]
De volmaakte heilige, degene met een vrij bewustzijn, hecht niet meer aan iets, noemt niets zijn eigen. Hij is vol zelfbeheersing. Hij heeft alle boeien verbroken, is bedwongen, vrij, onverstoorbaar en wensloos. Hij heeft begeerte en haat opgegeven en ook onwetendheid en meningen. Hij is onzelfzuchtig, zonder wens. Hij koestert geen verlangen naar wat dan ook in de wereld, naar meervoudig[289] bestaan hier of elders. Hij is stil, ontkomen aan de hartstochten, zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan.[290]
Wanneer alle begeerten en alle onwetendheid zijn vernietigd, is er volledige kalmte. De verlangens zijn uitgedoofd; men hecht niet meer aan iets, noemt niets meer zijn of haar eigen. De strijd is dan gestreden; hij of zij heeft alle vormen van bestaan overschreden.[291] Men is boven goed en kwaad uitgegaan, hoger dan een god.[292]
Ten tijde van de Boeddha beweerde de monnik Yamaka dat de volmaakte heilige na de dood niet meer bestaat, dat hij vernietigd is. De Eerwaarde Sariputta weerlegde dit. Men moet zich niets meer toe-eigenen. Men moet zonder begeerte naar iets zijn. Daardoor wordt men bevrijd. En men weet dat geboorte opgedroogd is, dat er verder niets meer te doen is.[293]
Men moet zich niet identificeren met het lichaam, noch met de zes zintuigen, noch met de soorten van bewustzijn die ontstaan door contact van die zintuigen met de bijbehorende objecten. Dat alles is vergankelijk, veranderlijk, is oorzakelijk ontstaan en zal ook weer vergaan, het is zonder een zelf. Van dat alles kan men niet zeggen dat ze mij toebehoren, noch dat "ik" lichaam, zintuigen of bewustzijn ben. Er zijn alleen oorzaken en gevolgen.[294]
Bij degene die dit volledig inziet, verdwijnt de mening "ik ben" helemaal. Hij ziet alleen nog hoe alles ontstaat. Het ik-bewustzijn maakt plaats voor een zo-bewustzijn. Zo is het ontstaan; zo is het vergaan. Er is overeenkomstig de werkelijkheid geen enkele betrekking meer tot (de verkeerde mening van) een ik.[295]
Boven is gezegd: "Iemand met een enkelvoudig bewustzijn vindt de andere oever." Wat met ‘deze oever en de andere oever’ wordt bedoeld, heeft de Boeddha aan de brahmaan Sangārava uitgelegd. Deze brahmaan vroeg eens aan de Verhevene:
"Heer Gotama, wat is de oever aan deze kant en wat is de oever aan de andere kant?"
Het antwoord van de Boeddha luidde:
"Brahmaan, verkeerde visie is de oever aan deze kant, juist inzicht is de oever aan de andere kant. Verkeerde gezindheid, verkeerd denken is de oever aan deze kant, juiste gezindheid, juist denken is de oever aan de andere kant. Verkeerd taalgebruik is de oever aan deze kant, juist taalgebruik is de oever aan de andere kant. Verkeerde manier van handelen is de oever aan deze kant, juiste manier van handelen is de oever aan de andere kant. Verkeerd levensonderhoud is de oever aan deze kant, juist levensonderhoud is de oever aan de andere kant. Verkeerd streven is de oever aan deze kant, juist streven is de oever aan de andere kant. Verkeerde oplettendheid is de oever aan deze kant, juiste oplettendheid is de oever aan de andere kant. Verkeerde concentratie is de oever aan deze kant, juiste concentratie is de oever aan de andere kant. Verkeerde kennis is de oever aan deze kant, juiste kennis is de oever aan de andere kant. Verkeerde bevrijding is de oever aan deze kant, juiste bevrijding is de oever aan de andere kant. Brahmaan, dat is de oever aan deze kant, en dat is de oever aan de andere kant.
Zij die bij de correct onderwezen leer in harmonie met de leer leven, zullen de andere oever bereiken wanneer zij het rijk van de dood, dat men moeilijk overwint, overgestoken zijn.”
“Slechts een kleine menigte
bereikt de andere oever;
de anderen evenwel gaan allen
langs de oever heen en weer.
Zij die bij de correct onderwezen leer
in harmonie met de leer leven,
zij zullen de andere oever bereiken,
wanneer zij het rijk van de dood oversteken,
dat men moeilijk overwint.
Zonder wens en eigendom
moge de verstandige zijn hart zuiveren
van verontreiniging van de geest.
Zij die in de factoren van de Verlichting[296]
hun geest hebben ontwikkeld,
die door bevrijding van de drang tot bestaan
gelukkig zijn zonder enige gehechtheid -
degenen in wie de neigingen uitgedroogd zijn,
de stralenden zijn aan alle waan van de wereld ontkomen.”[297]
Met andere woorden heeft de Verhevene hierover gesproken in het land van de Kuru, bij de stad Kammāsadamma. Daar sprak hij over de oorden van de edelen met de woorden:
“Er zijn tien oorden van de edelen, namelijk: De edele heeft vijf dingen opgegeven, is met vijf dingen uitgerust, is in één bewaakt, is op vier gesteund, is van alle dogma’s vrij, is van elk verlangen volledig bevrijd, is van een smetteloze gemoedsstemming, is in zijn lichaamsfuncties gekalmeerd, volledig bevrijd van gemoed, volledig bevrijd door weten.
Hoe evenwel heeft de edele vijf dingen opgegeven? Hij heeft zinnelijke lust, haat, starheid en traagheid, opwinding en gewetensonrust en twijfel opgegeven.
Hoe nu is de edele met vijf eigenschappen uitgerust? Als hij met het oog een vorm ziet, dan is hij noch blij gestemd, noch ontstemd. Hij blijft gelijkmoedig, opmerkzaam, helder bewust. Als hij met het oor een geluid hoort - als hij met de neus een geur ruikt - als hij met de tong een smaak proeft - als hij met het lichaam een lichamelijke indruk voelt, - dan is hij noch blij gestemd, noch ontstemd. Hij blijft gelijkmoedig, opmerkzaam, helder bewust.
Hoe nu is de edele in één ding bewaakt? Hij heeft een geest die door opmerkzaamheid wordt bewaakt.
Hoe nu is de edele op vier dingen gesteund[298]? Hij maakt bezonnen gebruik van bepaalde dingen, tolereert bezonnen andere dingen, bezonnen vermijdt hij andere dingen, bezonnen verdrijft hij andere dingen.
Hoe nu is de edele vrij van alle dogma's? Er zijn veel dogma's onder de talrijke asceten en brahmanen, zoals: 'de wereld is eeuwig' of 'de wereld is tijdelijk', 'de wereld is eindig' of 'de wereld is oneindig', 'de ziel is identiek aan het lichaam' ' of 'de ziel is anders dan het lichaam', 'de Volmaakte bestaat na de dood' of 'de Volmaakte bestaat niet na de dood' of 'de Volmaakte bestaat en bestaat niet na de dood' of 'de Volmaakte bestaat niet na de dood noch bestaat hij niet na de dood', - van al deze dogma's heeft hij zich vrij gemaakt, zich ervan ontdaan, heeft ze ontzegd, heeft ze verworpen, terzijde geschoven, opgegeven, zich ervan ontdaan. Zo is een edele vrij van alle dogma's.
Hoe nu is de edele volledig bevrijd van elk verlangen? In hem is het zinnelijke verlangen uitgedoofd, is het verlangen naar bestaan uitgedoofd, is het verlangen naar heiligheid tot kalmte gekomen. Zo is de edele van elke wens volledig bevrijd.
Hoe nu is de edele van een smetteloze gemoedsstemming? Bij hem is de hebzuchtige houding verdwenen, is de haatdragende houding verdwenen, is de houding van kwaadwilligheid verdwenen. Zo is de edele van een smetteloze gemoedsstemming.
Hoe nu is de edele kalm in de lichaamsfuncties? Na het verdwijnen van aangenaam gevoel en pijn en het al eerdere uitdoven van blijheid en somberheid, verkrijgt hij de vierde meditatieve verdieping, die zonder lijden en zonder vreugde is, die bestaat in de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en opmerkzaamheid. Zo is de edele kalm in zijn lichaamsfuncties.
Hoe nu is de edele volledig in de geest bevrijd? De geest van hem is bevrijd van hebzucht, bevrijd van haat, bevrijd van illusie. Zo is de edele volledig in de geest bevrijd.
Hoe nu is de edele volledig bevrijd door weten? Hij weet: 'In mij zijn hebzucht, haat en illusie uitgedoofd, uitgeroeid, als een waaierpalm ontworteld, vernietigd en niet meer in staat om in de toekomst weer te ontstaan. Zo is de edele volledig bevrijd door weten.
Al die edelen, die in het verleden in de oorden van de edelen hebben vertoefd, zij allen vertoefden in juist deze tien oorden van de edelen. Al die edelen, die in de toekomst in de oorden van de edelen zullen vertoeven, zij allen zullen in juist deze tien oorden van de edelen vertoeven. En al die edelen, die tegenwoordig in de oorden van de edelen vertoeven, zij allen vertoeven juist in deze tien oorden van de edelen.
Dit zijn de tien oorden van de edelen, waarin de edelen vertoefd hebben, vertoeven en zullen vertoeven."[299]
Als er in de wereld geen genot was, zouden de wezens niet naar de wereld verlangen. Maar omdat in de wereld genot bestaat, juist daarom verlangen de wezens naar de wereld. Als er in de wereld geen ellende was, zouden de wezens de wereld niet moe worden. Maar omdat er ellende in de wereld is, juist daarom worden de wezens de wereld moe. Als er in de wereld geen ontkomen was, konden de wezens niet aan de wereld ontkomen. Maar omdat er in de wereld een ontkomen is, juist daarom ontkomen de wezens aan de wereld.
En zo lang als de wezens niet wat betreft de wereld het genot als genot, de ellende als ellende en het ontkomen als ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid hebben ingezien, zolang zijn de wezens nog niet ontkomen uit de wereld met haar goede en kwade geesten en haar Brahma-goden, met haar schare van asceten en brahmanen, goden en mensen, zo lang hebben zij zich nog niet van de wereld losgemaakt en bevrijd, en zolang verblijven ze in de wereld met een bevangen gemoed.
Maar zodra de wezens wat betreft de wereld het genot als genot, de ellende als ellende en het ontkomen eraan als ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid hebben ingezien, dan zijn ze ontkomen aan de wereld met haar goede en kwade geesten en haar Brahma-goden, met haar schare van asceten en brahmanen, goden en mensen, dan hebben ze zich van de wereld losgemaakt en bevrijd en verblijven in de wereld met een gemoed dat niet bevangen is.[300]
Nog vóór de volledige Ontwaking kwam de volgende gedachte bij de Bodhisatta op: 'Wat is wel met betrekking tot de wereld het genot, wat is de ellende en wat is de ontsnapping?' En het volgende werd hem duidelijk: 'Datgene waardoor in de wereld geluk en vreugde ontstaat, dat is het genot van de wereld; maar dat de wereld vergankelijk is, vol lijden en onderhevig aan verandering, dat is de ellende van de wereld. Wat evenwel met betrekking tot de wereld de beteugeling en opheffing van de begeerte van de wil is, dat is de ontsnapping aan de wereld.'[301]
En elders zei de Boeddha: “Het verwijderen van het verlangen en de begeerte naar de zes elementen, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.”[302]
“En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen aan de elementen.”[303]
Het lichamelijke wordt meestal geanalyseerd in de zintuigen oog, oor, neus, tong en het lichaam. Maar het lichamelijke kan ook geanalyseerd worden in de grote elementen. Vier van die elementen zijn: aarde, water, vuur en lucht.
“Waar vinden de vier grote elementen volledig hun einde?”
“Deze vraag is verkeerd gesteld. Ze moet zo worden gesteld: ‘Waar kunnen water, aarde, vuur en lucht geen basis meer vinden? Waar bestaat geen lang en kort, geen grof en fijn; waar bestaat niets lelijks en niets moois? Waar gaat het geestelijke en ook het lichamelijke volledig te niet?’
Het antwoord daarop luidt: “Bewustzijn, het onzichtbare, het grenzenvrije,[304] alom licht, dáár kunnen water, aarde, vuur en lucht geen post meer vatten. Daar bestaat geen lang en kort meer, geen grof en fijn; daar bestaat niets lelijks en niets moois. Daar gaat het geestelijke en ook het lichamelijke volledig te niet. Door het ophouden van het bewustzijn verdwijnt dit alles.”[305]
‘Door het ophouden van het bewustzijn,’ wil zeggen: wanneer het samengestelde (ik-)bewustzijn vrij is van de metgezellen begeerte, haat en onwetendheid, blijft alleen het grenzenvrije, enkelvoudige bewustzijn over.
‘Alles verdwijnt’ betekent niet dat Nibbana een verdwijnen in een niets is. Maar wanneer Nibbana verwerkelijkt is, kunnen de elementen niet meer postvatten in het bewustzijn. De elementen hebben in de geest geen houvast meer als men inziet dat er geen zelf is, geen ik. Het ik-bewustzijn verdwijnt, maakt plaats voor een zo-bewustzijn: zo is het ontstaan; zo is het vergaan, en men eigent zich niets meer toe.[306]
Men moet niet vergeten dat de leer van de Boeddha een middel is om de geest te bevrijden, als een bootje om de andere oever van de rivier te bereiken. Dat bootje van de leer is geen veerboot die heen en weer vaart, maar men laat het bootje achter als men aan de overkant is aangekomen. Men gaat dan onbezwaard verder. De last van het ‘ik’, het juk van de verkeerde mening dat men een onveranderlijk wezen is, is afgelegd. De geest is volledig bevrijd van de bezoedelingen en vlekken die erop waren gekomen. Het bewustzijn is dan helder en stralend, het gemoed is in vrede. Men gaat moeiteloos en vrij van zorgen. Men noemt niets meer zijn eigen. Een groter geluk dan dit bestaat er niet.
“Sommigen worden geboren[307] in een moederschoot. Mensen die kwaad doen worden geboren in staten van ellende.[308] Degenen met goed gedrag gaan naar gelukzalige staten.[309] Degenen zonder smetten[310] gaan heen in Nibbana.”[311]
Zoals een rots uit één stuk
door de storm niet wordt bewogen,
zo kunnen noch vorm noch geluid,
noch geur, noch smaak, noch aanraking,
noch iets lieflijks, noch iets walgelijks
ooit de heilige in beroering brengen.
Gevestigd is zijn geest, bevrijd.[312]
“Van alle veroorzaakte dingen is de bevrijding het ware doel; ze monden uit in het doodloze, en ze eindigen in Nibbana,” zo werd in de inleiding genoteerd.
Over de methode hoe de geest bevrijd kan worden van de smetten, konden meerdere teksten worden aangehaald. Maar Nibbana zelf kan niet onder woorden worden gevat. Duidelijk heeft de Boeddha gesproken over Nibbana en ook dat wij ons geen voorstelling ervan moeten maken. Want elke voorstelling ervan is verkeerd. Nibbana kan niet worden uitgelegd.
Eens vroeg de eerwaarde Mahā-Kotthita aan de eerwaarde Sāriputta of er na de volledige opheffing en uitdoving van de zes grondslagen van de zintuiglijke indruk[313] nog iets overblijft of niet. - De eerwaarde Sariputta zei dat hij niet zoiets moest vragen.
“Waarom niet?”[314] - “Dat uit te leggen zou betekenen een onverklaarbaar iets uit te leggen.[315] Broeder, zo ver als de zes grondslagen van de zintuiglijke indruk reiken, zo ver nu reikt de [verklaarbare] wereld van de veelvuldigheid;[316] en zo ver als de [verklaarbare] wereld van de veelvuldigheid reikt, zo ver reiken de zes grondslagen van de zintuiglijke indruk. Met de volledige opheffing en uitdoving van de zes grondslagen van de zintuiglijke indruk dooft de wereld van de veelvuldigheid uit, komt de wereld van de veelvuldigheid tot rust.[317]
“Iemand die gehechtheid heeft vernietigd
samen met haat en onwetendheid,
hij heeft deze oceaan overgestoken”
“Hij is elke boei te boven gekomen,
heeft de dood achter zich gelaten,
hij is vrij geworden van zich vasthechten,
heeft het lijden en de vernieuwing van bestaan opgegeven.
Verdwenen, hij kan niet omschreven worden, zeg ik,
hij heeft de koning van de dood in de war gebracht.”[318]
“Het geborene, geschapene, geproduceerde,
het gemaakte, samengestelde, het niet blijvende,
verbonden met verval en dood,
een nest van ziekte, aan bederf onderhevig,
voortgekomen uit voedingsstoffen en het snoer van verlangen,[319] -
dat is niet geschikt om er behagen in te scheppen.
Het ontkomen eraan is het vredige,
boven redeneren uitgaande, altijd blijvende,
het niet geborene, het niet geproduceerde,
de leedvrije sfeer die leeg is van smetten,
het beëindigen van staten verbonden met lijden,
het tot stilstand komen van het geconditioneerde - gelukzaligheid.”[320]
De mens is samengesteld uit elementen die veranderlijk en vergankelijk zijn. Het ontstaan ervan is afhankelijk van oorzaken. Er is geen onvergankelijke, blijvende kern, geen eeuwigdurend levensbeginsel.
Een van die elementen is het geest-element, ook geest of bewustzijn genaamd. Onder ‘geest’ wordt verstaan: gevoel, waarneming, gewaarwording, bewustzijn; denken, wil, gedachten, geheugen, herinnering; de gesteldheid van het gemoed, het hart; het weten. - Er zit geen zelfstandig op zich bestaand iets bij.
Het bewustzijn wordt ingedeeld naar de zintuigen en zintuiglijk waarneembare objecten in afhankelijkheid waarvan het ontstaat. Wat ontstaat, zal ook weer vergaan, het is niet blijvend. Het behoort ons niet toe. Zo is het ook gesteld met het bewustzijn.
De geest is van nature rein en stralend. Maar er zijn vlekken op gekomen. Die vlekken, onreinheden kunnen echter verwijderd worden, de geest kan weer gereinigd, schoongemaakt worden. Dan komt er weer een zuivere geest die in alle richtingen schijnt. Dat reinigen van de geest gaat niet ineens, maar in etappes.
Uit begeerte, haat en onwetendheid, in alle gradaties, ontspringen alle onheilzame dingen die de smetten op de geest veroorzaken.
Maar als begeerte, haat en onwetendheid volledig vernietigd en verdwenen zijn, dan verdwijnen ook de slechte onheilzame dingen die de geest verontreinigen. Al in dit leven leeft men gelukkig, zonder leed en kwalen. Hier al bereikt men dan de bevrijding.
Aanbevolen is om af en toe de jhanas, meditatieve toestanden, te beoefenen. Zo kunnen de vijf lagere boeien van de geest overwonnen worden. Men kan zelfs magische krachten krijgen.
Bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van het lichaam. Als er geen lichaam is met de zintuigen, inclusief de geest, kan er geen bewustzijn ontstaan. Maar het is ook zo dat er geen lichaam met geest kan ontstaan als er geen bewustzijn is.
Door verlangen naar zinnelijke begeerten, verlangen naar bestaan of verlangen naar niet-bestaan, komt het tot toekomstige wedergeboorte. Bewustzijn is daarbij de verbindende schakel. De wil naar een nieuw bestaan veroorzaakt na de dood een ander bewustzijnsmoment dat - als menselijke geboorte het gevolg is van de wilsacties - post vat, een basis vindt in de schoot van een vrouwelijk wezen. Dan begint het proces van worden, het proces van conceptie. Zo komt het tot wedergeboorte.
Maar door het beteugelen en verwijderen van verlangen komt er een einde van de kringloop van steeds weer sterven en geboren worden. De geest vindt dan geen steunpunt meer.
Door de bevrijding van hebzucht, haat en begoocheling wordt de geest in wijsheid volledig ontwikkeld. De geest wordt dan niet meer beïnvloed door begeerte, haat en onwetendheid. Het bevrijde bewustzijn is dan oneindig, helder stralend, het vestigt zich nergens meer, eigent zich niets meer toe. Het is onvindbaar. Men is tevreden, ongestoord. Men heeft geen voorkeur en geen afkeer. Men is gekalmeerd, in vrede. Men heeft alle vormen van bestaan overschreden; men is boven goed en kwaad uitgegaan.
-=○O○=-
De ware leer van het midden. Het middenpad en de vier edele waarheden
Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden
Wedergeboorte volgens de leer van de Boeddha Gotama
De vier Brahma viharas of goddelijke verblijven: metta, karuna, mudita en upekkha
De kenmerken van het leven: oorzakelijk ontstaan, dukkha, anicca, anatta
De vier grondslagen van oplettendheid, satipatthana.
nl.wikipedia.org/wiki/Bewustzijn
Online Van Dale woordenboek.
Pali-english dictionary, 2007
Wikipedia.org.com
www.encyclo.nl/begrip/wedergeboorte#
Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London 1961.
Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ), by Dhammapâla. Transl. from the Pâli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford : PTS, 1995.
Der Mahāvagga des Vinayapitaka, aus dem Pāli übersetzt von Maitrimurti / Trätow, Hamburg, 1996. (online versie).
Ñanasampanno, Mahā Bua (1999-2002). Ein Leben innerer Werte. Ein umfassender Leitfaden zur buddhistischen Praxis. Udorn Tani, Baan Taad, Wat Pa Baan Taad, 1999-2002. Übersetzt in deutsch von Martin Bhikkhu, 2002.
https://www.facettenvanhetboeddhisme.nl/
http://www.palikanon.com/index.html
http://www.palikanon.com/khuddaka/dhp/dhp.html
http://www.palikanon.com/khuddaka/it/it_idx.html
http://www.palikanon.com/khuddaka/khuddaka.htm
http://www.palikanon.com/khuddaka/udana.html
www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html; übers. von Kay Zumwinkel
https://www.palikanon.com/majjhima/m_index_lang.htm
http://www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html
www.palikanon.com/majjhima/zumwinkel/m000a.html
www.palikanon.com/majjhima/zumwinkel/m000b.html
www.palikanon.com/pali-deutch = Pali-Deutch Wörterbuch von Klaus Mylius.
www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html; übers. von Wilhelm Geiger; fortgeführt von Nyanaponika.
http://www.palikanon.com/digha1/dn.html
www.palikanon.com/digha/d.htm; übers. von Karl Eugen Neumann
https://www.palikanon.com/wtb/nama.html
A = Anguttara Nikaya
BPS = Buddhist Publication Society
D = Digha Nikaya
Dhp = Dhammapada
M = Majjhima Nikaya
PTS = Pali Text Society
S = Samyutta Nikaya
Sn = Sutta Nipata
Ud. = Udana
Vin. = Vinaya Pitaka
[1] A.III.62. - Ze worden uitgelegd in M.140.
[2] M.140; A.iii.62.
[3] Wikipedia.org.com; Online Van Dale woordenboek.
[4] nl.wikipedia.org/wiki/Bewustzijn
[5] Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London 1961. Zie ook: M.79.
[6] Meer over anatta, zie: 9.2. De kenmerken van het leven -> anatta.
[7] www.palikanon.de/a few english books/Manual of Buddhist Terms and Doctrines (Pali Dictionary); Pali-Duits woordenboek van Klaus Mylius; www.palikanon.com/Buddhist Dictionary by Nyanatiloka.
[8] https://www.palikanon.com/wtb/nama.html
[9] M.9; D.15; S.12.2.
[10] Pali-English Dictionary, 2007, p. 520-522.
[11] Pali-English Dictionary p. 520-522.
[12] M.38; vgl. S.12.1; S.22.57; M.9; M.137; M.140.
[13] Pali-English Dictionary p. 618-619.
[14] Pali-English Dictionary
[16] Een wereldling kan niet direct inzien dat bewustzijn vergankelijk is. In het volgende legt de Boeddha het tegenmiddel uit: inzien dat bewustzijn van zijn essentie uit negatief is – het is altijd bewustzijn van iets – en dus oorzakelijk ontstaan, afhankelijk van vergankelijke factoren, en daarmee zelf vergankelijk en niet-zelf.
[17] M.38. - Ze worden ook de zes inwendige en uitwendige grondslagen genoemd. Zie M.137 en M.140.
[18] M.146.
[19] M.38.
[20] M.38.
[21] M.28.
[22] M.146.
[23] M.43.
[24] M.109.
[25] M.43. Zie ook M.140.
[26] M.43; zie ook M.137 en M.140.
[27] M.43.
[28] M.43.
[29] S.22.96.
[30] Een Bodhisatta is een wezen dat bestemd is voor volledige verlichting (bodhi), voor Boeddhaschap (satta).
[31] S.12.10.
[32] De wereld van de objecten komt alleen door oplettendheid bewust tot bestaan.
[33] In de concentratie bereikt de geest haar grootste intensiteit van kracht, en in zoverre is concentratie het hoogste van alle veroorzaakte verschijnselen.
[34] A.X.58.
[35] A.v.47.
[36] M.107.
[37] Zie M.7.
[38] M.24.
[40] Norman 1984: ‘Voor hoog en laag zijn de paden verkondigd door de Asceet. Zij gaan niet twee keer naar de andere oever.’
[41] Sn.714. - Dit is een verwijzing naar de vier manieren van vooruitgang. Degenen die de hoge en lage paden volgen gaan niet twee keer naar nibbana, omdat de smetten zijn vernietigd door het pad dat zij zijn gegaan; die smetten kunnen niet opnieuw verwijderd worden. Als een soort van paradox, nibbana wordt niet alleen één keer ervaren, maar mogelijk vier keer, door de beoefenaar als stroom-intreder (sotapanna), eenmaal wederkerende (sakidagamin), niet meer wederkerende (anagamin) en volmaakte heilige (arahat). Maar omdat de respectievelijke smetten niet meer verwijderd hoeven te worden [omdat zij al verwijderd zijn], hoeft hij hetzelfde deel van het pad niet nog eens te gaan. Hij gaat in etappes zodat elke keer wanneer hij nibbana verkrijgt, het hem een ervaring geeft die niet herhaald wordt. Hij gaat dus niet twee keer naar de andere oever. (Norman 1992, p. 285)
[42] A.i.13; vgl. Dhp. I.1-2.
[43] A.iii.70; ook in It.50 en It.93.
[44] It.88.
[45] A.iii.70.
[46] It.58.
[47] Eventueel weer te geven met: [het vuur van] onwetendheid moet brandstof hebben.
[48] A.X.62.
[49] A.iii.70.
[50] Eventueel weer te geven met: [het vuur van] onwetendheid moet brandstof hebben.
[51] A.X.61, zie ook A.x.62.
[52] It.40.
[53] A.iii.70.
[54] A.iii.70.
[55] A.iii.70.
[56] A.iii.70.
[57] Over schaamte en angst om iets verkeerds te doen (morele vrees), zie Itivuttaka 42. {Ireland 1991}
[58] It.40.
[59] sukka betekent helder, zuiver, goed, en verwijst naar die eigenschappen die deugdzaam en heilzaam zijn, waardoor de geest gereinigd en gezuiverd is en stralend wordt gemaakt. ‘Schaamte’ (hiri) is innerlijk ontstane walging tegen kwaad, de stem van het geweten die iemand belet om verkeerd te doen. ‘Angst om iets verkeerds te doen’ (ottappa), morele vrees is de uiterlijk gerichte angst voor de pijnlijke gevolgen van kwaad en angst om door anderen berispt te worden. Deze twee noemt men de basis van zedelijk gedrag. {Ireland 1991}
[61] It.42.
[62] A.iii.70.
[63] A.X.61-62.
[64] Deze vier gemoed-bevrijdende eigenschappen worden ook de goddelijke toestanden of verheven verblijven (brahma-vihāra) genoemd.
[65] A.vi.13.
[66] Zie hierover: De vier Brahma viharas -> metta.
[67] A.III.72
[69] A.vi.13.
[70] ontevredenheid, mismoedigheid, neerslachtigheid; arati, 'lusteloosheid, tegenzin'.
[71] A.vi.13.
[72] A.III.69.
[73] A.vi.13.
[74] Vgl It.87.
[75] A.III.72. - Het edele achtvoudige pad, zie: 9.1. De ware leer van het midden.
[76] It. 1.tm 6, 8 tm 15.
[77] It.58.
[78] Letterlijk: ze hebben een lek, zijn doorlatend.
[79] A.III.110.
[80] It.22.
[81] appamāda. Zie Dhammapada hoofdstuk 2, het Appamāda-Vagga.
[82] M.114; It.87.
[83] De derde soort van geestelijk gedrag, namelijk juiste of verkeerde visie, wordt hier later en afzonderlijk besproken.
[84] M.114; It.87.
[85] A.ii.11-12.
[86] A.ii.7-8.
[87] M.78.
[88] M.78.
[89] A.V.2; A.I.35; M.77-78; A.IV.13-14; S.48.8; A.V.15.
[90] M.78.
[91] M.78.
[92] De Arahant heeft deugdzaam gedrag, maar hij identificeert zich niet ermee, het is niet 'zijn' deugdzaamheid. Omdat dit gedrag geen karmische vrucht meer veroorzaakt, kan het ook niet als 'heilzaam' aangeduid worden.
[93] ‘Bevrijding van het hart en bevrijding door wijsheid’, zie: De zeven soorten bevrijdingen -> bevrijding van het hart e.v.
[94] M.78.
[95] M.78.
[96] M.78.
[97] It.87.
[98] M.78. - Commentaar: het eerste jhana in verbinding met het bereiken van niet meer wederkeer. Bij het bereiken van niet meer wederkeer wordt zinsbegeerte en kwaadwil vernietigd, zodat genoemde onheilzame gedachten niet meer kunnen ontstaan.
[99] M.78.
[100] M.78; ook It.87.
[101] M.78.
[102] It.87.
[103] Commentaar: het tweede jhana in verbinding met het bereiken van arahantschap.
[104] M.78.
[105] letterlijk: er is noch deze wereld noch de volgende wereld. Commentaar: "Voor iemand die in een andere wereld leeft, bestaat deze wereld niet; en voor iemand die in deze wereld leeft, bestaat er geen andere. Volgens deze (materialistische) mening worden de wezens in hun respectievelijke wereld met de dood vernietigd."
[106] opapātikā; spontaan, d.w.z. zonder ouders geboren wezens, namelijk de hemelse wezens, en de wezens in de hellen of de ongelukkige geesten. - In deze samenhang kan de uitleg van het commentaar van toepassing zijn dat het hier gaat om de materialistische loochening van de wedergeboorte, volgens welke er geen wezens zijn die na het heengaan uit een vroeger bestaan hier weer verschijnen. - Subcommentaar: "het ontstaan (uppādo) van de wezens is (volgens deze materialistische visie) dat van waterbellen; er gaat geen afscheiden uit een vroeger bestaan aan vooraf."
[107] A.iii.121; A.iii.123.
[108] A.III.120.
[109] It.66-67.
[110] Over deugdzaamheid, zie: De lekenvolgeling -> deugdzaamheid.
[111] S.47.3.
[112] S.47.50.
[113] A.i.5.
[114] S.47.5.
[115] M.138.
[116] Zie M.138 en ook It.94.
[117] De eerwaarde Maha Kaccana stelt hier ‘bewustzijn’ gelijk met ‘geest’ (toestand van de geest).
[118] M. 138.
[119] Bhikkhu Bodhi wees erop dat alle bekende Pali-versies van deze tekst "anupādā paritassanā", "opgewondenheid op grond van niet-vasthechten" hebben. Hij is van mening dat, in overeenstemming met de leer van de Boeddha, het "upādā paritassanā", opgewondenheid op grond van vasthechten" moet zijn en dat het hier een vroege overleveringsfout betreft. Hij vertaalt daarom "agitation due to clinging", "opgewondenheid op grond van vasthechten". De vertaling van Bhikkhu Bodhi wordt hier gevolgd.
[120] M.138.
[121] A.x.107.
[122] A.x.119.
[123] A.x.107.
[124] A.x.119.
[125] A.x.107.
[126] A.x.119
[127] A.x.107.
[128] Slecht gedrag en verkeerde opvattingen leiden iemand naar de hel. Goed gedrag en goede opvattingen leiden iemand naar de hemel. (It.32-33)
[129] A.x.119.
[130] A.x.107.
[131] A.x.119.
[132] A.x.107
[133] A.x.119
[134] A.x.107
[135] A.x.119.
[136] A.x.107.
[137] A.x.119.
[138] A.x.107.
[139] A.x.119.
[140] A.x.107.
[141] A.x.119.
[142] A.x.107.
[143] A.x.107; vgl A.x.108, A.x.109 en A.x.110 en A.x.116-117.
[144] apannaka-patipadā; vgl. M. 60
[145] A.iii.16.
[146] De vier paren van personen, d.w.z. de personen die het eerste, tweede, derde of vierde niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen kunnen zowel monniken en nonnen, als ook mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen behoren.
[147] Onbeïnvloed, d.w.z. zijn deugdzaamheid is niet beïnvloed door begeerte (tanhā) naar winst, eer of wedergeboorte in een hemel, noch door verkeerde meningen (ditthi).
[148] zie A.IV.61; A.III.54.
[149] A.III.71; vgl. A.v.179.
[150] A.I.IV.
[151] pavivekam pītim. Pīti, 'vervoering', is een verdiepings-schakel (jhānanga) van de eerste en tweede verdieping.
[152] kām'upasamhitam; Volgens het commentaar verwijst kāma hier zowel naar het vijfvoudige zintuiglijke verlangen als naar de vijf zintuiglijke objecten.
[153] In deze staat van verdieping bestaat dus een vreugde die verbonden is met heilzame dingen zoals begeerteloosheid, haatloosheid, onverblinding, enz.
[154] A.V.176.
[155] M.52; A.IX.36.
[156] A.IX.31-33. - zie ook: 10.15. De negen trapsgewijze meditatieve toestanden.
[157] zie de gelijkenis van de koe in de bergen en de onverstandige monnik. (A.IX.35)
[158] M.64.
[159] A.X.20.
[160] M.139.
[161] D.2.
[162] M.139; vgl. D.2.
[163] A.III.90-91.
[164] A.V.94.
[165] A.IV.190.
[166] A.I.35.
[167] A.II.13.
[168] A.V.14.
[169] A.I.35.
[170] A.V.28.
[171] Voetnoot bij S.16.12.
[172] paññāvimuttā kho mayam. De sukkhavipassaka heeft arahantschap verkregen, heeft volmaakte heiligheid bereikt door het inzien van de lichamelijke en geestelijke verschijnselen. In tegenstelling tot de samathayānika heeft hij nog niet de bovennatuurlijke krachten. Maar zijn neigingen zijn opgedroogd (sukkha ‘droog’).
[173] dhammatthitiñāna. Het begrip is nagenoeg synoniem met 'weten van het oorzakelijk ontstaan.'
[174] S.12.70.
[175] M.68.
[176] S.51.11.
[177] M.107; S.51.11.
[178] M.77.
[179] S.51.9 en 11; M.77; M.107; M.12; M.II.2; A.III.102; S.16.9.
[180] M.77; S.51.11; M.12; A.III.102; S.16.9.
[181] M.77; S.51.11; M.12; M.107; A.III.102; S.16.9.
[182] M.77; S.51.11; M.4; M.107; A.III.59; A.III.102; M.12; A.VIII.11; S.16.9.
[183] M.77; S.51.11; M.4; M.107; A.III.59; A.III.102; M.12; A.VIII.11; S.16.9.
[184] āsavā. Deze smetten zijn: de neiging tot zinnelijkheid (kām'āsava), de neiging tot bestaan (bhav'āsava), de neiging tot onwetendheid (avijj'āsava). In veel teksten wordt ook nog als smet genoemd de neiging tot meningen (ditth'āsava). Hier zijn met het woord 'neiging' bedoeld alle onheilzame neigingen, driften.
[185] S.16.12 voetnoot.
[186] A.V.23.
[187] dhamma-vitakkā. Hiermee zijn volgens het commentaar de tien vertroebelingen van inzicht (dasa vipassan'ūpakkilesa) bedoeld.
[188] Dit wil zeggen dat de geestelijke smetten of vertroebelingen nog niet geheel en al door de nog niet toegankelijke kracht van de inzicht-meditatie zijn uitgeschakeld. Maar ze verschijnen nog in de vorm van de tien vertroebelingen van inzicht, bijvoorbeeld trots zijn op datgene wat al bereikt is. Ze moeten dan bewust en herhaald afgeweerd worden.
[189] Commentaar: het versterkte inzicht-bewustzijn (vipassanā-citta).
[190] abhiññā. De zes hogere krachten van de geest zijn de vijf bovennatuurlijke wereldlijke krachten en als zesde de bovenwereldlijke kracht van de opdroging van de neigingen.
[191] sti-sati āyatane; commentaar: pubba-hetu-sankhāta-kārane, d.w.z. in de zin van randvoorwaarden. Voor het bereiken van de vijf bovennatuurlijke wereldlijke krachten is bijvoorbeeld het verkrijgen van de vierde meditatieve verdieping een randvoorwaarde.
[192] A.III.102.
[193] A.iii.102; zie A.III.59 en A.III.103.
[194] bron: www.encyclo.nl/begrip/wedergeboorte#
[195] D.1; vgl. S.12.15. - Zie 9.5. Oorzakelijk ontstaan
[196] Zie D.15. - Over atta en anatta, zie: 9.2. -> Anatta.
[197] M.43; S.56.33; It.15; Vin.Mv.Kh.1; M.9; A.VI.61.
[198] Ud.I.1 en Ud.1.3.
[199] zinnelijke sfeer, fijnstoffelijke sfeer, onstoffelijke sfeer.
[200] namelijk de sferen van bestaan.
[201] Als 'kiem' (bīja) duidt het commentaar het producerende, d.w.z. wedergeboorte scheppende bewustzijn aan. (Vgl. Sn. II.1, vers 235)
[202] A.III.77-78.
[203] M.38.
[204] Dit wordt uitvoerig behandeld in 9.5. Oorzakelijk ontstaan.
[205] S.XII.53.
[206] S.12.34. Zie ook M.109.
[207] Ud.1.3, ook in M.109.
[208] Ud.I.1; Ud.1.3; S.12.10-11.
[209] Het wedergeboorte scheppende bewustzijn is de ‘kiem’ voor nieuw bestaan.
[210] Ud.1.3; zie ook S.12.10-11.
[211] S.12.11-12; vgl. M.38.
[212] S.12.12.
[213] zie S.12.11; M.38; vgl. M.140; M.137.
[214] S.12.64.
[215] M.140.
[216] viññānatthitiyo
[217] Dit heeft betrekking op hun bewustzijns-consistentie. Commentaar: De waarneming verbonden met het wedergeboorte-bewustzijn ervan.
[218] De zes hemelse wezens die tot de zinnelijke sfeer (kāmāvacara) behoren.
[219] A.vii.41; A.ix.24.
[220] pathamābhinibbattā; dat wil zeggen, het kamma dat hun wedergeboorte veroorzaakt, is dat van de eerste meditatieve verdieping. Tot de goden van de Brahma-wereld behoren de volgende hemelse wezens: het 'gevolg van Brahmā' (brahma-pārisajja), de 'ministers van Brahmā' (brahma-purohita) en de 'grote Brahmas' (mahā-brahmāno). Van de mate van de intensiteit van de door hen bereikte eerste verdieping hangt hun verscheidenheid in grootte, gestalte en levenstijd van hun etherische lichamelijkheid af. Hun aard van waarneming echter, die overeenkomt met de eerste verdieping, is bij hen identiek. - Een andere weergave is “eerstgeboren goden van de Brahma-wereld”; d.w.z. degenen die als eerste geborenen werden bij het begin van elke nieuwe wereldformatie.
[221] A.vii.41; A.ix.24.
[222] ābhassarā devā. Hun bewustzijnsniveau kan de tweede of derde verdieping zijn, en wel volgens de indeling in vijf van de Abhidhamma. Volgens deze indeling is in de tweede verdieping nog het verdiepings-element 'superieur' (vicāra) aanwezig, dat pas verdwijnt in de derde verdieping; dit resulteert in een verscheidenheid van de waarneming.
[223] A.vii.41; A.ix.24.
[224] subhakinhā. Hun bewustzijnsniveau is de vierde verdieping, waarin hun uniforme waarneming bestaat.
[225] asañña-satta. Dezen verschijnen natuurlijk niet onder de zeven 'oorden van bewustzijn' (A.VII.41); evenzo ontbreekt daar de negende schakel van onze indeling, d.w.z. de wezens van de vierde onstoffelijke verdieping, aangezien dezen op de "grens van het bewustzijn" staan.
[226] A.ix.24.
[227] A.vii.41; A.ix.24.
[228] A.vii.41; A.ix.24.
[229] A.vii.41; A.ix.24. - De vijfde, zesde en zevende sfeer van bewustzijn bestaat in de eerste drie van de vier onstoffelijke werelden (arūpa-loka), die overeenkomen met de betreffende niveaus van meditatieve verdieping. De vierde, het 'gebied van noch waarneming noch niet waarneming', wordt niet gerekend tot de 'sferen van bewustzijn', aangezien daar het bewustzijn, en daarmee ook de waarneming, bijna tot niet-bestaan gereduceerd is.
[230] A.ix.24.
[231] A.vii.41; A.ix.24.
[232] A.IX.26.
[233] S.12.11; It.58.
[234] A.IX.25.
[236] M.44
[237] M.78.
[238] 'Helder', letterlijk ‘stralend’; commentaar: rein, helder (pabhassara). Door de snelle wissel van het bewustzijn wordt duidelijk dat met heldere geest niet een eeuwige heldere ziel bedoeld is.
De geest (citta) wordt in het commentaar met 'onderbewustzijn' (bhavanga-citta) uitgelegd, het met de wedergeboorte-bewustzijn beginnende onderbewust verlopende proces van de geest dat aan de individuele levensloop zijn continuïteit geeft.
De vertaling van bhavanga-citta met onderbewustzijn is nu ingeburgerd. Maar er is niet het onderbewustzijn mee bedoeld van de moderne dieptepsychologie.
[239] puthujjana; letterlijk gewone mens. Hieronder wordt begrepen degene die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt, hetzij monnik, non, mannelijke of vrouwelijke lekenvolgeling.
[240] A.I.9-10.
[241] A.I.11.
[242] Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.
[243] S.XXII.53.
[244] S.III.51.
[245] S.XXII.117; zie ook S.XXII.115.
[246] S.35.63.
[247] Ud. 1.10.
[248] Nyanaponika vertaalde: ‘In de verandering slechts heeft deze wereld bestand.’ - Het Maha Niddesa: "Door verandering en wijziging van de respectievelijke vroegere groepen van bestaan (khandha), elementen (dhātu) en grondslagen van de zintuigen (āyatana) bestaan de latere groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen."
[249] Norman 1984 vertaalde: ‘Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan wat is gezien of gehoord of gedacht.’
[250] Verkorte weergave van Sn.IV.6. verzen 804- 813.
[251] verkeerde) leerstellingen; Maha Niddesa: de 62 verkeerde visies. [Zie Digha Nikaya 1].
[252] Sn.IV.5, verzen 796-803, Paramatthaka Sutta). - ‘komt niet meer terug’ (na pacceti), d.w.z. hij keert niet meer terug naar de overwonnen hartstochten en zwakheden en ook niet naar piekeren, meningen, enz.
Nyanaponika vertaalde: ‘Zij denken niets uit, en volgen geen idolen, noch nemen zij zulke verkeerde leerstellingen aan. En ook aan regels, rituelen en geloften kan men de ware priester niet herkennen. Als hij bevrijd is, valt de heilige nooit meer terug.’
[253] Uitleg van het Maha Niddesa: ‘hij heeft geen verwachtingen en wensen wat betreft de toekomst en wedergeboorte.’
[254] Nyanaponika: ‘met een rustig geweten, bezonnen sprekend, onbewogen’,
[255] ‘in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan ziende’ (vivekadassī phassesu). Het Maha Niddesa: "De indrukken van de zintuigen zijn ‘afgescheiden’ (in de zin van suññā, 'leeg') van een ik en van een tot een ik behorend iets, van iets blijvends, iets eeuwigs, iets onveranderlijks. De vroegere indrukken zijn ‘afgescheiden’ van de tegenwoordige en toekomstige enz. De zintuiglijke indrukken van de heilige zijn ‘afgescheiden’ (vrij) van begeerte, haat en waan."
Norman 1984 heeft als vertaling van de laatste regels van vers 451: ‘Hij ziet onthechting wat betreft zintuiglijke contacten, en hij is niet geleid in verkeerde visies.’
[256] aangename dingen’, d.w.z. de gewenste vijf objecten van de zintuigen.
[257] Uitleg van het Maha Niddesa: "In de leer die door hem zelf is ingezien en persoonlijk is ervaren, vertrouwt hij niemand, noch een andere asceet of brahmaan, noch een godheid, Māra of Brahma."
‘Afkeer.’ Het commentaar: “Vanwege de vernietiging van de begeerte bestond er afkeer, maar nu (als heilige) voelt hij geen afkeer meer.”
[258] 'staat van afhankelijkheid’ (nissayatā); het Maha Niddesa: afhankelijkheid van begeerte en visies.
[259] alternatieve vertaling: ‘de natuur der dingen kennende’
[260] Sn.IV.10, verzen 848-861, Purābheda Sutta.
[261] M.131.
[262] d.w.z. de Boeddha.
[263] of met afkeer
[264] M.131.
[265] M.132.
[266] M.131.
[267] M.132..
[268] M.131.
[269] M.132.
[270] M.131.
[271] M.132..
[272] M.131. - ‘gericht naar het heden’. Letterlijk staat er: geleid naar tegenwoordige dingen.
[273] M.132.
[274] M.131.
[275] M.132.
[276] M.131.
[277] Zie A.I.4. Zie ook Sn.I.3, verzen 35-75, de neushoorn.
[278] S.47.6-7.
[279] S.47.13.
[280] S.47.35.
[281] S.47.11.
[282] M.49.
[283] A.III.56; S.45.7; zie ook S.45.34.
[284] Zie S.35.28.
[285] S.12.32.
[286] S.28.1-9. - Vgl de getuigenissen van heilige nonnen, S.5.1-10, vooral van bhikkhuni Soma (S.5.2) en van bhikkhuni Vajira (S.5.10).
[287] It.17.
[288] Zie S.35.23.
[289] ‘meervoudig’: het bewustzijn dat samengaat met iets anders. Het enkelvoudige bewustzijn, dat zich nergens aan hecht en dat geen begeerte als ‘metgezel’ heeft, is vrij.
[290] Sn.490-499.
[291] Zie Ud.3.10 en Ud.3.4.
[292] zie S.6.3.
[293] S.22.85.
[294] S.XXII.57.
[295] Met dank aan de eerwaarde Nyanaponika voor zijn heldere uitleg.
[297] A..X.117.
[299] A.X.20. - Deze tekst werd door keizer Asoka in het tweede 'Rots Edict' te Bhairāt (Bhābra) aanbevolen.
[300] A.III.106.
[301] A.III.104. - Vgl. A.iv.10, de vier soorten juk, last -> het afleggen van de last, de bevrijding van het juk.
[302] S.14.30
[303] Zie M.1.
[304] Het grenzenvrije bewustzijn is het bewustzijn dat zich niets meer toeëigent.
[305] D.11.
[306] Met zeer veel dank aan de eerwaarde Nyanaponika voor zijn verhelderende uitleg.
[307] Volgens het Boeddhisme zijn er vier soorten van geboorte - namelijk, ei-geboren (andaja), baarmoeder-geboren (jalabuja), vocht-geboren (samsedaja), en spontane geboorte (opapatika).
[308] Niraya = ni + aya = verstoken van geluk. Er zijn vier soorten van niraya - namelijk: jammerlijke staat (apaya), het dierenrijk (tiracchanayoni), de sfeer van petas (petayoni) en de sfeer van Asura - demonen (asurayoni). Geen van deze staten is eeuwig. Overeenkomstig hun slechte wilsacties kunnen wezens in zulke ellendige staten geboren worden. Als zij uit die staten heengaan, kunnen zij geboren worden in gelukzalige staten overeenkomstig hun goede wilsacties in het verleden.
[309] Sagga = su + agga = vol geluk. In de zintuiglijke sfeer (kamaloka) worden de menselijke wereld en de zes hemelse werelden beschouwd als zalige staten. Zij zijn evenmin eeuwig.
[310] Arahants worden na de dood niet meer geboren, maar bereiken Parinibbana.
[311] Dhp. 126.
[312] A.VI.55.
[313] phassāyatanāni; d.w.z. zichtbare objecten, geluiden, geuren, smaken, wat aangeraakt kan worden en objecten van de geest.
[314] De drie eerste van deze beweringen hebben volgens het commentaar betrekking op 1) het spiritualistische standpunt of geloof in eeuwig bestaan (sassata-ditthi), 2) het materialistische standpunt of geloof in vernietiging (uccheda-ditthi), 3) het semi-spiritualistische standpunt of 'gedeeltelijk eeuwigheids-geloof' (ekacca-sassataditthi). Alle drie gaan uit van de verkeerde veronderstelling van een werkelijk bestaande “ikheid”. Het vierde standpunt geldt als amarā-vikkhepa, d.w.z. het zich eruit kronkelen zoals de gladde Amarā-vis uit de hand glijdt. Dit is een ontwijkende houding, zoals ze bijvoorbeeld door de sekte-leraar Sañjaya Belatthiputta werd ingenomen.
[315] appapañcam papañceti. De basis-betekenis van papañca is: veelvuldigheid, uitbreiding; het werkwoord papañceti betekent hier: zich over iets verspreiden, d.w.z. uitleggen.
[316] tāvatā papañcassa gati. Het woord papañca sluit hier wellicht eerst aan bij het onmiddellijk voorafgaande gebruik van het woord, en in zoverre heeft deze zin de betekenis dat de zesvoudige ervaring van de zintuigen de grens is van wat kan worden verklaard. Behalve dat moet echter zeker ook aan de filosofische betekenis van papañca worden gedacht: werelduitbreiding, wereld van de verscheidenheid, van de variatie, wereld van verschijnselen. Dit kan ook worden geconcludeerd door de volgende zin.
[317] A.IV.174a. Zie ook Sn. IV.14, vers 916.
[318] It.69. - De koning van de dood (maccuraja) is een naam voor Mara. De Arahant wordt niet wedergeboren en verdwijnt zo uit het zicht van Mara, hij stapt uit Mara’s domein zodat de boze noch zijn plaats kan bepalen noch hem kan definiëren (afbakenen, meten). {Ireland 1991} - zie ook Sn.vers 1076 (geen maat voor de uitgedoofde).
[319] Voedsel is viervoudig: materieel voedsel, contact, mentaal willen en bewustzijn. Zij zijn allemaal wezenlijk om het leven te ondersteunen. Zo is volgens de Boeddha ‘mentaal voedsel’ even belangrijk voor de geest als materieel voedsel is voor het in stand houden van het lichaam. {Ireland 1991}
‘Het snoer van verlangen’ (netti) is begeerte naar bestaan. Die begeerte wordt zo genoemd omdat ze levende wezens vastgehecht houdt aan de ronde van bestaan. {Ireland}