Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.3.2. De vier niveaus van heiligheid

2. de niveaus van heiligheid
   2.01. Doel van het heilige leven   2.02. De vier soorten van edelen   2.03. De gelijkenis van de wagenbouwer     2.1. sotapanna, de in de stroom getredene     2.1.1. schakels en kenmerken van stroomintrede     2.1.2. De zes overwegingen van iemand die in de stroom is getreden     2.1.3. de vijf krachten     2.1.4. voordelen van stroomintrede     2.1.5. de melaatse Suppabuddha en de zegeningen van een sotapanna     2.1.6. De waarheid-toegewijde en de vertrouwen-toegewijde     2.1.7. drie soorten van in de stroom getredenen     2.2. sakadagami, de eenmaal wederkerende     2.3. anagami, de niet meer wederkerende     2.3.1. vijf soorten van niet meer wederkerenden     2.4. arahant, de volmaakte heilige     2.4.1. hoe alle boeien opgeheven worden     2.4.1a. Bevrijd van lijden     2.4.2. de krachten van een arahant     2.4.3. onmogelijkheden voor een heilige     2.4.4. eigenschappen van een arahant     2.4.5.  Resultaat van onthechting   2.4.6. Heiligheid hangt niet af van geleerdheid    2.4.7. Zuiverheid   2.4.8. Hoe een zieke leek aan te manen   2.4.9. Volleerd   2.4.10. Naderen    2.4.11. Bekendmaking van volmaakte heiligheid    2.4.12. Chabbisodhana sutta



2. De niveaus van heiligheid


Het Boeddhisme kent vier niveaus van heiligheid. Die niveaus zijn zowel door monniken en nonnen als door leken te bereiken. Het verwezenlijken ervan heeft niets te maken met intelligentie, maar wel met wijsheid. Intelligentie kan zelfs een hindernis worden.


De volgende hindernissen zijn al overwonnen vóórdat het pad van de edelen betreden wordt, voordat men in de stroom kan treden. Die hindernissen zijn: toorn, woede, kleineren, verachten, tirannie, overheersen, afgunst, jaloersheid, nijd, gierigheid en bedriegen.


Volgens het commentaar bij M.7. is elk ‘opgeven’ van de smetten van tijdelijke aard voordat de edele paden bereikt worden.


Wat betreft het bereiken van de niveaus van heiligheid moeten vier eigenschappen ontplooid en geoefend worden. Ze voeren naar verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer, en van volmaakte heiligheid. Ze voeren naar het verkrijgen, groei en rijpheid van wijsheid. Die vier eigenschappen zijn: 1) omgang met juiste mensen; 2) luisten naar de juiste leer; 3) gedegen oplettendheid; 4) het navolgen van de leer. (S.LV.55-74)


Wie met de volgende zes dingen is voorzien, die is, wanneer hij de goede leer verneemt, in staat om het pad van zekerheid te verkrijgen, de volmaaktheid in het goede. Die zes dingen zijn: wanneer de door de Volmaakte verkondigde leer verkondigd wordt, dan luistert hij graag ernaar. Hij leent gewillig gehoor. Hij wendt zijn geest naar het begrijpen ervan. Het heilzame neemt hij op. Het onheilzame vermijdt hij. En hij heeft overtuiging (vertrouwen) overeenkomstig de leer. (A.VI.88; vgl. A.V.151-153)

Via zes stappen kan men bevrijding verkrijgen: beheersing van de zintuigen is de basis van deugdzaamheid. Deugdzaamheid is het fundament voor juiste concentratie. Juiste concentratie is de basis van inzicht, van begrijpen van de ware aard van lichamelijke en geestelijke verschijnselen. Juist inzicht, begrip van de ware natuur van lichamelijke en geestelijke verschijnselen is de basis van afkeer en niet-hechten. Wanneer afkeer en niet-hechten er zijn, dan is er de basis voor juist inzicht, kennis en visie van bevrijding.(A.VI.50)


Wanneer iemand een formatie als blijvend of als geluk brengend of als een zelf, een ik beschouwt, dan is het niet mogelijk dat hij overtuiging van de leer bezit.

En wanneer hij geen overtuiging van de leer bezit, dan is het niet mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden.

Zonder evenwel het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben is het niet mogelijk dat hij de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer of van volmaakte heiligheid kan verwerkelijken.1


Maar wanneer iemand elke formatie als vergankelijk of als lijden brengend of als niet-zelf, niet ik beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij overtuiging van de leer zal bezitten. Wanneer hij overtuiging van de leer bezit, dan is het mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En wanneer hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het mogelijk dat hij de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer of van volmaakte heiligheid zal verwerkelijken. (A.VI.98-100)


Wanneer iemand Nibbana als lijden, als onbevredigend beschouwt, dan is het niet mogelijk dat hij overtuiging van de leer bezit.

En wanneer hij geen overtuiging van de leer bezit, dan is het niet mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden.

Zonder evenwel het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben is het niet mogelijk dat hij de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer of van volmaakte heiligheid kan verwerkelijken.



Maar wanneer iemand Nibbana als het geluk beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij overtuiging van de leer zal bezitten. Wanneer hij overtuiging van de leer bezit, dan is het mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En wanneer hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het mogelijk dat hij de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer of van volmaakte heiligheid zal verwerkelijken. (A.VI.101)




2.01. Doel van het heilige leven



De Eerwaarde Ananda werd te Kosambi bezocht door de brahmaan Unnabho. De brahmaan vroeg tot welk doel het heilige leven gevoerd wordt bij de Boeddha. Het antwoord van Ananda luidde: “Tot overwinning van de wil. En er is een pad om de wil te overwinnen. Men ontplooit de kracht van concentratie, de kracht van volharding en vaste wil, de kracht van energie, de kracht van het hart, het gemoed, en de kracht van onderzoek."

De brahmaan: “Dat kan niet, de wil kan niet overwonnen worden door de wil.”

Ananda: “U had eerst de energie om hierheen te komen. Die energie is nu gekalmeerd. In uw gemoed kwam eerst het plan op om hierheen te komen. Dat gemoed is nu gekalmeerd. Eerst had u het onderzoeken gericht op het hierheen gaan en nu is dat onderzoeken voorbij.

Evenzo, wanneer iemand een volmaakte heilige geworden is, dan is bij hem datgene wat eerst de wil was om heilig te worden, na het bereiken van heiligheid gekalmeerd. Wat eerst de energie was om heilig te worden, is bij hem na het bereiken van heiligheid als energie gekalmeerd. Wat eerst het plan in zijn gemoed was om heilig te worden, is na het bereiken van de heiligheid in zijn gemoed gekalmeerd. Wat eerst als onderzoek gericht was op de heiligheid, is beëindigd na het bereiken van heiligheid." (S.LI.15)



2.02. Vier soorten van edele personen



Over de acht soorten heiligen, de vier soorten van edele personen sprak de Boeddha o.a. in het Culasihanada sutta. (M.11)



"Alleen hier [in de leer van de Boeddha] bestaan de vier soorten van edele personen [namelijk stroomingetredenen, eenmaal wederkerenden, niet meer wederkerenden en Arahants]. Andere leerstellingen zijn leeg van ware edele mensen.

Waarom alleen hier? – Wel, zij hebben de volgende vier dingen: 1. vertrouwen in de leraar; 2. vertrouwen wat betreft de Dhamma; 3. vervulling van de oefening van deugdzaamheid; 4. de medevolgelingen in de Dhamma, hetzij leken hetzij monniken en nonnen, zijn hen lief en aangenaam.

Het doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van begeerte, vrij van haat, en vrij van onwetendheid. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan begeerte, aan haat, en aan onwetendheid.

Het doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van verlangen, die vrij is van hechten. Het is bereikbaar voor iemand met inzicht. Het is bereikbaar voor iemand die geen voorkeur en geen afkeer heeft.

De volmaaktheid is uniek en niet algemeen. En die volmaaktheid is het bezit van de begeerteloze, van de haatloze, van de waanloze. Wie zonder dorst is, en wie niet meer ergens aan hecht, en wie weet, wie inzicht heeft, die heeft de volmaaktheid. Degene die niet verheugd noch ontstemd is, heeft deze volmaaktheid.

Er zijn twee soorten van meningen, de mening van bestaan en de mening van niet-bestaan. Degenen die het begin en het einde van deze twee meningen juist begrijpen, lust en lijden, en de overwinning overeenkomstig de waarheid, die geen dorst meer hebben, die niet meer ergens aan hechten, zij die weten, die niet blij noch ontstemd zijn, die geen bijzonderheid behaagt, zij worden verlost van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, verdriet en pijn, wanhoop en verdriet. Zij worden verlost van lijden.

Er zijn vier soorten van hechten: hechten aan lust, aan meningen, aan deugdzame werken, aan zelfbehoud.



De Volmaakte is in staat alle hechten vanaf de basis uit te leggen. Het viervoudige hechten heeft zijn oorsprong in dorst. De dorst heeft zijn oorsprong in het gevoel. Het gevoel heeft zijn oorsprong in de aanraking. De aanraking heeft zijn oorsprong in het zesvoudige bereik. Dit ontspringt uit naam en vorm. Dit ontspringt uit bewustzijn. Dit heeft als oorsprong de onderscheidingen. Die ontspringen uit niet-weten.

Wanneer onwetendheid overwonnen wordt en echt weten bij iemand ontstaat, dan hecht hij niet meer aan genot van de zintuigen, dan hecht hij niet meer aan meningen, niet meer aan regels en rituelen, hecht niet meer aan de leer van een zelf. Wanneer hij niet meer aan iets hecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt dan dat geboorte ten einde is gebracht, dat het heilige leven is geleefd, dat gedaan is wat gedaan moest worden. Er is verder niets meer te doen." (M.11)



2.03. De gelijkenis van de wagenbouwer



Eens vertoefde de Verhevene nabij Varanasi, in het gazellenpark. Daar sprak hij de monniken als volgt toe.

"Eens was er een koning met naam Pacétana. Hij zei tot zijn wagenmaker dat hij over zes maanden ten strijde wilde trekken."Kun je een paar nieuwe wielen voor me maken?" - 'Jawel, heer,' gaf de wagenbouwer ten antwoord.

En de wagenmaker werd in zes maanden min zes dagen klaar met één wiel. Toen sprak koning Pacetana tot zijn wagenmaker: 'Vandaag over zes dagen, beste wagenmaker, zal ik ten strijde trekken. Is het paar nieuwe wielen nu klaar?' - 'Heer, in deze zes maanden min zes dagen is één wiel klaar gekomen.' - "Beste wagenmaker, kun jij dan in die zes dagen het tweede wiel klaar maken?'- 'Jawel, heer, dat kan,' gaf de wagenmaker aan koning Pacétana ten antwoord.

En in zes dagen maakte de wagenbouwer het tweede wiel klaar en ging met de twee nieuwe wielen naar koning Pacétana. Daar aangekomen zei hij tegen de koning: 'Heer, het paar nieuwe wielen is klaar.' -

'Maar wat, beste wagenmaker, is het verschil tussen deze twee, namelijk het wiel dat je in zes maanden min zes dagen hebt voltooid, en het wiel dat je in zes dagen hebt voltooid? Ik merk geen verschil tussen beide.'- 'Heer, er bestaat echter tussen die twee een verschil. U zult het verschil zien.'

Monniken, daarna nu bracht de wagenmaker het wiel dat in zes dagen klaar was gekomen, aan het rollen. Aan het rollen gebracht, liep het zover als de uitwerking van de aandrijfkracht reikte, rolde toen in het rond en viel op de grond. Nu echter bracht hij het wiel dat in zes maanden minus zes dagen klaar was gekomen, aan het rollen. Aan het rollen gebracht, liep het zover als de uitwerking van de aandrijfkracht reikte en bleef toen staan, alsof het aan de as was bevestigd.

'Wat is, beste wagenmaker, de oorzaak, wat is de reden dat het wiel, dat in zes dagen klaar was, nadat het aan het rollen was gebracht, en voor zover de uitwerking van de aandrijfkracht reikte, in het rond tolde en op de grond viel? En wat is de oorzaak, wat is de reden dat het wiel dat in zes maanden min zes dagen klaar was, nadat het aan het rollen was gebracht, en voor zover de uitwerking van de aandrijfkracht reikte, liep en dan bleef staan alsof het aan de as was vastgemaakt?'

Wat betreft dat wiel dat in zes dagen klaar was, tonen de velgen, de spaken en de naaf ervan oneffenheden, fouten en gebreken. En daaraan is het te wijten dat het wiel, nadat het aan het rollen was gebracht en, zover de uitwerking van de aandrijfkracht reikte, liep, in het rond tolde en op de grond viel.

Maar wat het wiel betreft, dat in zes maanden min zes dagen klaar was, zo zijn aan de velgen, spaken en naaf ervan geen oneffenheden, fouten en gebreken te zien. En daarom komt het dat het wiel, nadat het aan het rollen werd gebracht, liep zover als de uitwerking van de aandrijfkracht reikte, en bleef staan alsof het op de as was bevestigd.'

Monniken, jullie kunnen nu menen dat die wagenmaker van toen een vreemde was. Maar dat is niet het geval, want die wagenmaker van toen was ik. In die tijd had ik verstand van de oneffenheden, fouten en gebreken van het hout. Maar nu, als een heilige, een volledig Verlichte, heb ik ook verstand van de oneffenheden, fouten en gebreken in daden, woorden en gedachten.

Monniken, alwie van de monniken of nonnen niet de oneffenheden, fouten en gebreken in daden, woorden en gedachten heeft uitgewist, die geldt als gevallen in deze leer en discipline, juist zoals dat wiel dat in zes dagen klaar was. Maar wie van de monniken en nonnen de oneffenheden, fouten en gebreken in daden, woorden en gedachten heeft uitgewist, die geldt als gevestigd in deze leer en discipline, juist zoals dat wiel dat in zes maanden min zes dagen klaar was.

Monniken, daarom moeten jullie ernaar streven: 'Wij willen onze oneffenheden, fouten en gebreken in daden, woorden en gedachten uitwissen.' Dit moet jullie streven zijn." (A.III.15 (A.III.2.5)





2.1. Sotapanna, de in de stroom getredene


Met stroomingetredene wordt bedoeld degene die in de stroom [naar Nibbana] is getreden, en degene die op weg is om het doel van stroomintrede te verwerkelijken. (A.IX.9) Het is degene die het pad van de edelen heeft betreden, en degene die de vervulling of de vrucht van stroomintrede heeft verwerkelijkt.

Beiden zijn geschenken waard, gastvrijheid waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden; zij zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. (A.IX.10; A.X.16; A.VIII.59)


Degenen die met de vernietiging van drie boeien in de stroom getredenen zijn geworden, zij zijn niet langer aan het verderf onderhevig. Zij zijn ontkomen aan het dwaalspoor, niet meer onderhevig aan wedergeboorte in lagere sferen van bestaan. Zij gaan niet meer naar de hel, naar de dierenwereld, naar het rijk van de ongelukkige geesten, gaan niet meer op een verkeerde weg, gaan niet naar ondergang. Zij zijn goed gevestigd, bestemd voor volledige Verlichting. Doelbewust gaan zij dan voort naar volledige Ontwaking. Veilig zullen zij aan de andere oever aankomen. (A.V.179; M.34, M.6, M.22, S.LV.24-25, 52)


De in de stroom getredene, de Sotapanna heeft geen enkele twijfel meer wat betreft de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Hij heeft een onwankelbaar vertrouwen.

Verder is hij vrij van de smet van bijgeloof, en van gehechtheid aan regels en rituelen.

Ook is hij gedeeltelijk vrij van geloof in persoonlijkheid, de verkeerde opvatting dat geestlichamelijkheid iets zelfstandigs is, gebaseerd op de idee van een "ik". (Deze smet wordt pas bij volmaakte heiligheid helemaal verwijderd)

Ook heeft hij de begeerte, haat en onwetendheid die naar lagere werelden van bestaan voeren, [ten dele] opgeheven. (A.III.95; A.VI.89-91)


Volgens het commentaar bij M.7 zijn door het pad van in de stroom treden (sotapatti-magga) de smetten lasteren, kleineren, verachten, tirannie, overheersen, afgunst, nijd, jaloersheid, huichelarij, misleiding en bedriegen opgeheven.


Het commentaar bij M.7 benadrukt herhaaldelijk dat steeds waar in de tekst ‘opgeven’ wordt vermeld, verwezen wordt naar iemand die een niet-wederkerende is (anagami). Want ook als de smetten opgegeven zijn bij het in-de-stroom-treden, worden de staten van de geest welke die smetten veroorzaken, alleen vernietigd door het pad van niet-wederkeer.


Als iemand weet dat die smetten aanwezig zijn, geeft hij ze op. Als hij dan die smetten heeft opgegeven, verkrijgt hij onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, in de leer en in de gemeenschap van de heiligen. En als hij de smetten gedeeltelijk2 heeft opgegeven, er afstand van heeft gedaan, ze heeft losgelaten, dan weet hij: ‘Ik ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de leer, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de gemeenschap van de Ariyasangha.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer. Als hij verblijd is, ontstaat vreugde in hem; vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.3 (M.7)


Wie met de volgende zes dingen is voorzien, die is, wanneer hij de goede leer verneemt, in staat om het pad van zekerheid te verkrijgen, de volmaaktheid in het goede. Die zes dingen zijn: wanneer de door de Volmaakte verkondigde leer verkondigd wordt, dan luistert hij graag ernaar. Hij leent gewillig gehoor. Hij wendt zijn geest naar het begrijpen ervan. Het heilzame neemt hij op. Het onheilzame vermijdt hij. En hij heeft overtuiging (vertrouwen) overeenkomstig de leer. (A.VI.88)

Het geloof in persoonlijkheid is bij de stroomingetredene niet volledig verdwenen. Er is nog een rest van ik-bewustzijn bij hem of haar aanwezig.



2.1.1. Schakels en kenmerken van stroomintrede


Er zijn vier schakels naar stroomintrede, en wel: omgang met goede mensen; het luisteren naar de goede leer; grondige oplettendheid; het navolgen van de leer. De stroom is het achtvoudige pad. Iemand is een in de stroom getredene wanneer hij het edele achtvoudige pad navolgt. (S.LV.5, 50, 55-74)


Aan drie omstandigheden kan men de persoon herkennen die vervuld is van vertrouwen en toewijding [d.w.z. de in de stroom getredene]:

Hij ziet graag deugdzame personen; hij luistert graag naar de goede leer [of leest ze graag]; hij leeft zijn huiselijk leven met een van gierigheid onbevlekt hart; hij is vrijgevig, met open handen; hij vindt vreugde aan het schenken, is de behoeftigen toegedaan; hij vindt vreugde aan het uitdelen van gaven.

"Wie graag de deugdzamen ziet, de goede leer graag hoort, en ook de vlek van gierigheid heeft verwijderd, die geldt als persoon vol vertrouwen." (A.III.42; zie ook A.XI.15)

"Wanneer iemand elke bestaansvorm als niet blijvend, als vergankelijk beschouwt, of als hij elke bestaansvorm als niet-ik beschouwt, dan is het mogelijk dat hij overtuiging overeenkomstig de leer zal hebben. En dan kan hij het volmaakte pad van zekerheid betreden. Dan is het mogelijk dat hij de vrucht van stroomintrede, zal verwerkelijken." (A.VI.98, 100)


De asceet Kondañña begreep na de eerste leerpreek van de Boeddha dat alles wat ontstaan is, ook zal vergaan. Hij begreep de leer van vergankelijkheid uit eigen ervaring. Hij werd toen een in de stroom getredene. En de eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Maha Moggallana vernamen: “Van alle dingen die oorzakelijk zijn ontstaan, heeft de Volmaakte de oorzaak uitgelegd. En ook hoe die tot uitdoving komen.” Dat was genoeg voor beiden om de waarheid in te zien: “Alles wat aan ontstaan onderhevig is, is ook onderhevig aan vergaan.” Door dit inzicht bereikten zij het eerste niveau van heiligheid. Anderen zien in dat er geen zelf is, zoals de eerwaarde Rahula.


Vier kenmerken heeft iemand die in de stroom is getreden. Die vier kenmerken zijn: onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, in de Dhamma en in de Ariyasangha; en het navolgen van de deugden die door de edelen geprezen worden, d.w.z. de vijf regels van goed gedrag navolgen, volmaakt moreel gedrag, volmaakte zedelijkheid. (A.V.179; S.LV.53, 3, 26-27, 30, 44-45; S.XII.41; A.IX.12-13, D.33)

Verder richt men zijn aandacht op het oorzakelijke ontstaan. Als dit is, volgt dat; als dit niet is, volgt dat niet.4 (S.LV.28, 31-33, 41-43; S.XII.41)

Ook is men dan vrij van gierigheid, geeft met open hand, is vrijgevig. (S.LV.1, 4, 6-20, 22-23, 53).


"Oefen u in het luisteren naar (of het lezen van) leerreden van de Boeddha. Oefen u aldus in de vier schakels van stroomintrede: "Met onwankelbare helderheid zullen wij de Boeddha, Dhamma en Sangha navolgen; en ook de deugden die aan edelen dierbaar zijn." (S.LV.53)


De vier schakels van stroomintrede zijn de vier paden naar de goden. De edele volgeling overweegt verder: “Vrijheid van last is het hoogste bij de goden. Als ik niemand belast, dan volg ik verder het pad naar de goden.” (S.LV.34-35)


Als de edele volgeling die vier eigenschappen opvolgt, is hij een in de stroom getredene. Wie deze vier eigenschappen opgevolgd heeft, die is begiftigd met hemelse of menselijke levensenergie, met hemelse of menselijke schoonheid, met hemels of menselijk heil, met hemelse of menselijke roem, met hemelse of menselijke macht. (S.LV.30)


Wanneer een edele volgeling de vijf regels van goed gedrag navolgt, en wanneer hij met de vier kenmerken van stroomintrede is voorzien, en wanneer hij deze edele methode met het verstand goed heeft gezien en volledig heeft doordrongen, dan kan hij, wanneer hij dat wenst, van zichzelf beweren: "Verwijderd is voor mij de hel, verwijderd is voor mij wedergeboorte als dier, verwijderd is voor mij de sfeer van de ongelukkige geesten, verwijderd is voor mij een lage vorm van bestaan, een smartelijk bestaan en verdoemenis. Ik ben iemand die in de stroom is getreden. Het is onmogelijk voor mij om terug te vallen in de verdoemenis. Ik ben veilig; de volmaakte Verlichting is mijn doel." (S.XII.41; zie ook A.III.76)


Wie onwankelbaar vertrouwen heeft in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, en wiens deugdzaamheid goed is, door de edelen geprezen, die is niet arm. Zijn leven is niet tevergeefs. En hij heeft geen angst voor de dood. (S.LV.26-27, 44-45)




2.1.2. De zes overwegingen van iemand die in de stroom is getreden


Er zijn zes onderwerpen van overweging, namelijk:

1. De overweging over de Verlichte,

2. De overweging over de leer,

3. De overweging over de gemeenschap van de monniken,

4. De overweging over deugdzaamheid,

5. De overweging over vrijgevigheid,

6. De overweging over de godheden. (A.VI.9)

Een edele volgeling heeft het op ervaring gebaseerde onwankelbare vertrouwen in de Boeddha, in de Dhamma en in de (Ariya)Sangha.


(1) Hij denkt aan de Volmaakte aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’


Wanneer de edele volgeling aan de Volmaakte denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Volmaakte is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de Verlichte.


(2) Verder denkt een edele volgeling aan de leer: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’


Wanneer de edele volgeling aan de leer denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de leer is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de leer.


(3) Verder denkt een edele volgeling aan de gemeenschap van de Orde: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’


Wanneer de edele volgeling aan de Orde denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Orde is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de Orde.


(4) Verder denkt de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid: 'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed;5 ze bevordert geestelijke concentratie.'


Wanneer de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de deugdzaamheid is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over eigen deugdzaamheid.


(5) Verder denkt de edele volgeling aan eigen vrijgevigheid: ‘Goed heb ik het getroffen dat ik temidden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'


Wanneer de edele volgeling aan de vrijgevigheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de vrijgevigheid is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de vrijgevigheid.


(6) Verder denkt de edele volgeling aan de godheden: ‘Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen, er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig, er zijn de gelukzalige goden (de Yama-goden), er zijn de tevreden goden (in de Tusita-hemel), er zijn de goden die graag scheppen, er zijn de goden die heersen over de scheppingen van anderen, er zijn de goden in de wereld van Brahmâ, en er zijn goden in sferen hoger dan deze.

Die goden hadden zo’n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zo’n vertrouwen is ook in mij aanwezig.

Die goden waren deugdzaam, edelmoedig en vrijgevig, zij waren leergierig en zij hadden begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.'



Wanneer de edele volgeling deze eigenschappen, die de goden hebben en die ook hijzelf heeft, zich te binnen roept, op die tijd is zijn geest niet omhuld door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. Met het oog op de goden is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over goden.


Wie als edele volgeling succes heeft en de leer heeft begrepen, die vertoeft vaak in deze toestand. (A.VI.10; zie ook: A.III.71; A.V.179; A.IX.12-14)




2.1.3. De vijf krachten



Degenen die zich oefenen om hogere kennis te verkrijgen, bezitten vijf krachten: vertrouwen, schaamte,6 morele vrees,7 energie en inzicht.

1. De kracht van vertrouwen bestaat hierin:

De edele volgelingen bezitten vertrouwen; zij geloven in de Verlichting van de Volmaakte, op deze manier: "Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene."

2. Zij voelen schaamte over verkeerd gedrag in daden, woorden en gedachten. Zij schamen zich bij het verrichten van slechte daden.

3. Zij hebben morele vrees, morele afkeer van alles wat verkeerd en onheilzaam is; zij hebben morele afkeer van alle slechte daden.

4. De kracht van energie bestaat hierin: de edele volgelingen spannen hun wil in om de onheilzame dingen te overwinnen en om de heilzame dingen te verkrijgen. Zij zijn standvastig, met stalen kracht; zij vergeten hun plicht niet om heilzame dingen te doen.

5. De kracht van wijsheid bestaat hierin: de edele volgelingen begrijpen het oorzakelijke ontstaan en vergaan en dat inzicht zal hen uiteindelijk leiden naar Nibbāna, de vernietiging van lijden. (A.V.2)


Elders worden nog twee andere krachten vermeld, namelijk oplettendheid en concentratie.

De kracht van oplettendheid bestaat hierin: Een edele volgeling bezit oplettendheid, is begiftigd met hoogste oplettendheid en bezonnenheid. Zelfs wat lang geleden gedaan of gezegd werd, dat herinnert hij zich. - De kracht van oplettendheid is te zien in de vier grondslagen van oplettendheid.

De kracht van concentratie bestaat hierin. Een edele volgeling verkrijgt, afgezonderd van de zinnendingen, de eerste meditatieve verdieping (jhana), dan de tweede, de derde en de vierde jhana. (A.V.14-15)




2.1.4. Voordelen van stroomintrede


De in de stroom getredene kan er zeker van zijn Nibbâna te bereiken. (S.LV.22) Hij ziet de vier edele waarheden in en zal hoogstens nog zeven keer herboren worden. (S.LVI.52-60; S.XIII.1-11)


Het verwerven van de vrucht van in de stroom treden heeft zes voordelen: 1) Men heeft vast vertrouwen in de leer. 2) Het is onmogelijk om terug te vallen. 3) Er is een grens aan het lijden in de kringkoop van bestaan (hoogstens nog 7x wordt men dan herboren). 4) Men is begiftigd met bovennatuurlijke kennis die niet door de gewone wereldling gedeeld wordt. 5) Men heeft helder begrip van oorzaken, en 6) van de verschijnselen die daaruit ontstaan. (A.VI.97)


Iemand die helemaal niets bezit van de vier schakels van stroomintrede, die wordt een buitenstaander genoemd, iemand die aan de kant van de gewone mensen is blijven staan. – Onverschillig, nonchalant, slordig, nalatig vertoeft degene die de Boeddha, Dhamma en Sangha navolgt en de deugden die dierbaar zijn aan de edelen. Maar hij is daarmee tevreden, hij streeft niet verder, noch overdag noch 's nachts. Door die slordigheid verkrijgt hij geen vreugde. Zonder vreugde geen vervoering. Zonder vervoering geen tot rust komen. Hij vertoeft in wee, krijgt geen concentratie. De dingen worden hem niet duidelijk. Zo is degene die slordig is.

Maar serieus vertoeft de edele volgeling die de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha navolgt en de edele deugden. Hij is daarmee niet tevreden maar streeft verder, overdag en 's nachts. Vreugde ontstaat, vervoering ontstaat. Het lichaam komt tot rust. Hij voelt zich goed. Het gemoed concentreert zich. De dingen worden hem duidelijk. Zo is hij iemand die serieus vertoeft. (S.LV.40)


Iemand met de vier stromen van verdienste is welvarend, heeft grote rijkdom, grote roem. (S.LV.44-45)


Over degene die in de stroom is getreden, spreken de goden graag op hun bijeenkomsten. Zij denken: “Wat wij toen nagevolgd hebben, dat is ook door deze edele volgeling nagevolgd. Hij is de goden nabij.” (S.LV.36)


Net zoals regen in de bergen eerst kleine kloven en spleten vult, dan kleine poelen, daarna grote poelen, dan beken en rivieren; en tenslotte bereikt het water de grote oceaan. Evenzo voeren de eigenschappen van de in de stroom getredene in vloeiende overgangen naar de andere oever, naar opdroging van de neigingen. (S.LV.38)


De eigenschappen genoemd voor mannelijke in de stroom getredenen gelden natuurlijk ook voor vrouwelijke in de stroom getredenen. (zie S.LV.39)


In A.VI.119-139 noemde de Verhevene veel leken die het niveau van stroomintrede bereikt hadden.



2.1.5. De melaatse Suppabuddha en de zegeningen van een sotapanna

Te Rājagaha leefde een man met naam Suppabuddha. Hij was melaats; zijn ledematen waren erg aangetast door die ziekte. Hij was erg arm. Hij kleedde zich in weggeworpen stroken stof die hij aan elkaar naaide. En hij at wat anderen over hadden van hun maal.

Op een dag kwam de Boeddha terug van zijn aalmoezenrondgang. Hij ging met zijn gevolg Rājagaha binnen. De bewoners ervan maakten een zitplaats voor hem gereed. En hij onderwees er de Dhamma.

Suppabuddha zag van verre het volk en hij vroeg zich af waarom het daar bijeen was gekomen. Hij dacht dat er eten uitgedeeld werd en dat ook hij er misschien iets zou krijgen. Hij kwam dichter bij en zag de Verhevene de leer onderwijzen. Suppabuddha ging aan de rand van de menigte zitten om naar de leer te luisteren.

Hij was in zulke omstandigheden wedergeboren als resultaat van een vergrijp jegens de Paccecabuddha Tagarasikhi. Maar hij was in staat om de leer vlug te begrijpen en hij bereikte het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti).

Suppabuddha wilde graag aan de Leraar bekend maken wat hij bereikt had na diens onderricht van de Dhamma. Maar wegens zijn melaatsheid wilde hij niet samen met de menigte gaan. Hij wachtte daarom tot de Verhevene naar het Veluvana-klooster was gegaan en ging er daarna eveneens heen.

Sakka, de koning van de goden besefte wat Suppabuddha van plan was. Om hem te testen, rees hij in de lucht omhoog en zei: “Suppabuddha, je bent de armste van allen, je lijdt veel en je bent de laagste van alle mensen. Ik zal je onbegrensde rijkdom geven als je de Boeddha, Dhamma en Sangha loochent en zegt dat je dat Drievoudige Juweel beu bent.” Suppabuddha vroeg daarop wie tot hem sprak. “Ik ben Sakka, koning van de goden,” luidde het antwoord, waarop Suppabuddha zei: “Jij dwaas, je zegt dat ik arm ben en behoeftig en ziek. Maar integendeel, ik heb geluk bereikt en grote rijkdom, namelijk de rijkdom van vertrouwen, de rijkdom van moreel goed gedrag, de weelde van bescheidenheid, de weelde van vrees voor zonde, de rijkdom van een heilige leer, van ontzegging, van wijsheid; deze zeven voorraden van rijkdom zijn van mij. Alwie deze voorraden van rijkdom bezit, hetzij man of vrouw, zo iemand is niet arm; het leven van zo iemand is niet tevergeefs. Dit zijn de zeven voorraden van achtenswaardige rijkdom. Zij die deze voorraden van rijkdom bezitten, worden niet arm genoemd door Boeddhas of Pacceka-Boeddhas.”

Sakka ging naar de Verhevene en vertelde hem de gebeurtenis. En de Verhevene zei: “Het is zelfs met 100 of 1000 geldstukken niet mogelijk dat men de Boeddha, Dhamma en Sangha laat verloochenen door de melaatse Suppabuddha.”

Later werd Suppabuddha als resultaat van een slechte daad door de horens van een koe gedood. Hij werd in een hemelse sfeer wedergeboren.8





2.1.6. De waarheid-toegewijde en de vertrouwen-toegewijde - I


De in de stroom getredenen zijn door het eerste inzicht van de waarheid boven elke twijfel verheven. Door twee geestelijke eigenschappen wordt twijfel vernietigd, namelijk wijsheid en vertrouwen. Dientengevolge zijn er twee soorten van individuen die in de stroom van de Dhamma treden, die het pad van de edelen betreden, namelijk de waarheid-toegewijde (dhammānusārī) en de vertrouwen-toegewijde (saddhānusārī).

Meer over deze twee soorten van individuen volgt in § 3.1 en § 3.2.


2.1.7. Drie soorten van in de stroom getredenen

Na het verdwijnen van de drie boeien (geloof in persoonlijkheid, twijfel, en hechten aan regels en rituelen) is iemand in de stroom getreden. Hij is ontkomen aan de lagere werelden van bestaan, is er zeker van de volmaakte Verlichting te bereiken. Hij is volmaakt in de regels van deugdzaamheid, maar slechts ten dele volmaakt in de concentratie van de geest, slechts ten dele volmaakt in wijsheid. Er zijn drie soorten van personen die in de stroom zijn getreden:


1. Nog maximaal zeven keer wordt hij wedergeboren onder hemelse wezens en mensen, en daarna maakt hij aan het lijden een einde. Die persoon noemt men "iemand die hoogstens nog zeven keer wedergeboren wordt" (sattakkhattu-parama).


2. Nog twee of drie keer wordt hij wedergeboren bij edele families, en daarna maakt hij aan het lijden een einde. Die persoon noemt men "iemand die van geslacht tot geslacht gaat" (kolankola).


3. Nog slechts één keer wordt hij als mens wedergeboren. Daarna maakt hij aan het lijden een einde. Die persoon noemt men "nog eenmaal ontluikende" (eka-bījī). (A.III.88-89; A.IX.12; zie ook A.X.63-64)



2.2. Sakadagami, de eenmaal wederkerende


Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid zijn verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog één keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken.(M.22; zie ook S.I.6 en M.34).


Onder eenmaalwederkerende wordt verstaan degene die eenmaal wederkeert en degene die op weg is om het doel van eenmaalwederkeer te verwerkelijken. (A.IX.9) Eenmaalwederkerenden zijn degenen die het pad van eenmaal wederkeer betreden en degenen die de vervulling van eenmaal wederkeer verwerkelijken.

Beide eenmaalwederkerenden (pad en vervulling) zijn geschenken waard, gastvrijheid waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, zij zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. (A.IX.10; A.X.16; A.VIII.59)


Iemand is een volgeling van de Boeddha, Dhamma en Sangha met onverstoorbare duidelijkheid. Hij is volmaakt in deugdzaamheid, maar matig ontwikkeld in concentratie en wijsheid. Hij is nog niet bevrijd van de boeien die wedergeboorte veroorzaken (upapatti-patilābhiyāni samyojanāni) en de boeien die aan het (tegenwoordige) bestaan kluisteren (bhava-patilābhiyāni samyojanāni). Zo iemand wordt een eenmaalwederkerende. Na het volledige verdwijnen van drie boeien en het afnemen van begeerte, haat en onwetendheid keert hij nog één keer naar deze wereld terug. Daarna maakt hij aan het lijden een einde. Hij zal veilig aan de andere oever aankomen.

Ook zo'n persoon is waarlijk volkomen bevrijd van de hel, van de dierenwereld, het rijk van de ongelukkig geesten, is geheel bevrijd van dwalingen, van een slechte weg, geheel bevrijd van ondergang. (A.IX.12; M.34, S.LV.52, A.III.89; A.IV.131; vgl. A.X.63-64)


Bij de eenmaal wederkerende (sakadagamin) zijn begeerte naar zingenot, zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust en boosheid heel afgezwakt; en haat, kwaadwil en onwetendheid zijn verminderd. De geest is dan verheven en wordt nog slechts zeer zwak aan zinnelijkheid gehecht. Door het pad van eenmaal wederkeer wordt men bijna vrij van persoonlijkheidsvisie, begeerte naar zintuiglijk genot, en kwaadwil.


Noch de in de stroom getredene noch de eenmaal wederkerende heeft zin-genot volledig opgegeven. In beiden is nog een rest van bevrediging in attractieve en begerenswaardige objecten.



2.3. Anagami, de niet meer wederkerende


Het niveau van niet meer wederkeer is dat van degene die niet meer wederkeert naar deze wereld en degene die op weg is om het doel van niet meer wederkeer is verwerkelijken. (A.IX.9) Zij zijn degenen die het pad van niet meer wederkeer hebben betreden en degenen die de vervulling van niet meer wederkeer hebben verwerkelijkt.



Door het pad van niet wederkeer zijn de volgende smetten opgeheven: begeerte naar zintuiglijk genot, zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust; gehechtheid aan zinnelijke verlangens; gehechtheid aan het lichaam;

gehechtheid aan vorm (materiële objecten); haat, kwaadwil, tegenzin, afkeer, innerlijk tegenstreven, vijandschap; traagheid en luiheid; rusteloosheid, zich te veel zorgen maken, gewetensonrust, piekeren.

Twijfel aan Boeddha, Dhamma en Aiyasangha was al opgeheven bij stroomintrede. Maar twijfel wat betreft dingen uit het verleden en in de toekomst, twijfel over oorzakelijk ontstaan, onzekerheid of iets heilzaam is of niet, twijfel over de oefening e.d., besluiteloosheid wordt pas opgeheven op pad van niet wederkeer.


Volgens de commentaren bij M.7 en bij S.I.5-6 zijn door het pad van niet-wederkeer (anagami-magga) de volgende smetten helemaal opgeheven: kwaadwil, tegenzin, haat, boosheid, toorn, woede, vijandschap, nalatigheid, onoplettendheid, traagheid en luiheid, waan, illusie, hoogmoed, verkeerd inzicht, zinnelijke lust.

Waan, onwetendheid wordt evenwel pas helemaal opgeheven wanneer volmaakte heiligheid, arahantschap bereikt is.


Zes eigenschappen moeten overwonnen worden om het doel van niet-wederkeer (anāgāmī-phala) te verwerkelijken, namelijk: vertrouwenloosheid, schaamteloosheid, gewetenloosheid, traagheid, onoplettendheid en onwijs nadenken. (A.VI.65)


Verder moet de niet meer wederkerende vijf krachten (indriyāni) onderhouden, nl. saddhā, vertrouwen; viriya, energie; sati, bezonnenheid; samādhi, geestelijke concentratie; en paññā, inzicht. (commentaar bij S.I.5)


“Na het volledige verdwijnen van de vijf boeien verschijnt men in een geestelijke wereld. Daar bereikt men Nibbāna zonder nog ooit vanuit die wereld naar de zinnelijke sfeer terug te keren.” Men wordt spontaan (ongeslachtelijk) wedergeboren in de godenwereld van de Zuivere Verblijven (suddhāvāsa). (Zie S.LV.24, 52; A.XI.17)


Degenen die spontaan wedergeboren worden in de godenwereld van de Zuivere Verblijven – zij zijn waarlijk volkomen bevrijd van de hel, van de dierenwereld, het rijk van de ongelukkig geesten, zijn geheel bevrijd van dwalingen, van een slechte weg, geheel bevrijd van ondergang. Zij zullen veilig aan de andere oever aankomen. (M.34; S.I.5; S.IV.24; S.LV.24, 52; A.XI.17; zie ook M.22)


Beide niet meer wederkerenden zijn geschenken waard, gastvrijheid waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, zij zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. (A.IX.10; A.X.16; A.VIII.59)


De niet meer wederkerende heeft alle zinnelijke verlangens en alle kwaadwil opgegeven. Omdat er geen enkel overblijfsel meer is van de vijf lagere boeien, keert de edele die dit niveau heeft bereikt, nooit meer terug naar de zinnelijke sfeer van bestaan.



2.3.1. Vijf soorten van niet meer wederkerenden


Iemand is volmaakt in deugdzaamheid, volmaakt in concentratie, maar slechts matig ontwikkeld in wijsheid.

Na het verdwijnen van de vijf lagere boeien wordt hij een "op halve route uitdovende" (antara-parinibbayi). Hij heeft nog een rest van hechten.

Of hij wordt een "na halve route uitdovende" (upahacca-parinibbayi). Hij heeft nog een rest van hechten.

Of hij wordt een "moeiteloos uitdovende" (asankhara-parinibbayi).

Of hij wordt een "met moeite uitdovende" (sasankhara-parinibbayi).

Of hij wordt een "stroomopwaarts naar de Zuivere goden gaande" (uddhamsoto kanitthagami).

Dit zijn de vijf soorten van niet meer wederkerenden.

(A.III.88-89; A.IX.12; vgl. A.VII.52, A.X.63-64)



2.4. Arahant, de volmaakte heilige


Het laatste niveau is dat van de volmaakte heiligen en van degenen die op weg zijn het doel van volmaakte heiligheid te verwerkelijken. (A.IX.9) Zij zijn degenen die het pad van volmaakte heiligheid hebben betreden en degenen die de vervulling van volmaakte heiligheid hebben verwerkelijkt.

Degenen die met de vernietiging van de neigingen Arahants zijn geworden, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die de boeien van het worden vernietigd hebben en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd zijn, – zij zijn veilig aan de andere oever aangekomen waarbij zij de stroom van Mara trotseerden. (M.34; zie ook A.X.63-64)

De volmaakte heiligen en degenen die op weg zijn om het doel van volmaakte heiligheid te verwerkelijken zijn geschenken waard, gastvrijheid waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, zij zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. (A.IX.10; A.X.16; A.VIII.59)


De volgende eigenschappen moeten overwonnen worden om de volmaakte heiligheid (arahatta) te verwerkelijken, namelijk: geestelijke starheid, koppigheid, verstoktheid, loomheid, opwinding, rusteloosheid, gebrek aan vertrouwen, achteloosheid, onoplettendheid. (A.VI.66). Elders worden ook nog eigenwaan, de mening van minder of meer te zijn, en vernederende onderworpenheid genoemd (A.VI.76). Verder, als iemand schaamteloos, gewetenloos, onwijs is en bezorgd om lichaam en leven, dan is hij niet in staat om volmaakte heiligheid te bereiken. (A.VI.83)

Maar wie deze eigenschappen heeft overwonnen, is in staat om de volmaakte heiligheid te bereiken.


Door het pad van volmaakte heiligheid is onwetendheid helemaal overwonnen. De mening 'ik ben', het geloof in persoonlijkheid is geheel en al verdwenen.

En alle soorten van begeerte, met inbegrip van het verlangen naar bestaan in de fijnstoffelijke en de onstoffelijke sferen zijn vernietigd. Ook is men dan vrij van de hogere boeien eigendunk, verwaandheid, en rusteloosheid.


Na het verdwijnen van onwetendheid komen bij de volmaakte heilige geen vragen meer op over ouderdom en dood, geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, het bereik van de zes zintuigen, naam-en-vorm, bewustzijn. (S.XII.35)

De arahant heeft elk geloof in persoonlijkheid opgegeven; hij heeft geen ik-bewustzijn meer.


"Alle naamgeving heeft hij opgegeven, is in geen woning ingekeerd. Hij heeft de dorst naar naam en vorm afgesneden. Hij heeft de boeien doorgesneden en is vrij van lijden en hoopvolle verwachtingen. Hem hebben goden en mensen hier en hiernamaals gezocht maar nergens gevonden." (S.I.34)


Volgens het commentaar bij M.7 zijn door het pad van heiligheid (arahatta-magga) de volgende smetten opgeheven: hebzucht en onjuist begeren, koppigheid, verstoktheid, aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit, eigendunk, verwaandheid, hoogmoed, laatdunkendheid, pronkzucht, ijdelheid, verwaandheid.

Hebzucht wordt echter al opgeheven bij niet wederkeer.


“Door de uitdoving van alle smetten bereikt men reeds in dit leven de bevrijding van de geest, de bevrijding door wijsheid, welke bevrijding vrij is van smetten en die men zelf heeft begrepen en verwerkelijkt.”


"Iemand is volmaakt in de regels van deugdzaamheid, volmaakt in concentratie van de geest en volmaakt in wijsheid. En door uitdroging van de neigingen komt hij nog in dit leven in het bezit van de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding van wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende." (A.III.88-89; zie ook S.LV.52)


Onzeker zijn de zinnelijke genietingen. Wie van de boeien bevrijd is, hecht aan niets meer. Door ter zijde leggen van wens en begeerte, door overwinning van onwetendheid, is iemands inzicht gezuiverd. (S.IX.2)


"Zij die de waarheden goed hebben begrepen, zij laten zich niet verleiden om naar andere leraren te gaan. Zij zijn volmaakt ontwaakt door juist inzicht. Zij lopen effen ook op oneffen grond." (S.I.7-8)


"Wie de illusies vermijdt en wie steeds geconcentreerd is, wie met een goed hart vast en zeker bevrijd is en alleen in de wildernis vertoeft, onvermoeibaar, die zal over het bereik van de dood heen aan de reddende oever aankomen." (S.I.9)


“De arahants treuren niet om het verleden; zij hebben geen verlangens naar de toekomst; het heden is voldoende voor hen. En daarom zien zij er stralend uit.” (S.I.1,10).


Wie het hoogste niveau van heiligheid bereikt hebben, zij zijn zonder hechten, vol zelfbeheersing. Zij hebben alle boeien verbroken. Zij zijn bedwongen, vrij, onverstoorbaar en wensloos. Zij hebben begeerte en haat opgegeven en ook onwetendheid en meningen. Zij zijn onzelfzuchtig, zonder wens. Zij koesteren geen verlangen naar wat dan ook in de wereld. Zij verlangen ook niet naar een bestaan hier of elders. Zij werden stil, ontkwamen aan de hartstochten. Zij zijn zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan. Zij zijn offergaven waardig.” (Sn.III.V, verzen 490-499; zie ook A.X.20)





2.4.1. Hoe alle boeien opgeheven worden


Vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, afgezonderd van zintuiglijk verlangen, afgezonderd van onheilzame gedachten, treedt iemand binnen en vertoeft in de eerste meditatieve verdieping. Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering.

En hij overweegt: "Ook deze eerste jhana is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder, door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt iemand innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En hij treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering.

En hij overweegt: "Ook deze tweede jhana is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder, na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt hij binnen en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping.

En hij overweegt: "Ook deze derde jhana is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder, na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt hij binnen en vertoeft hij in de vierde meditatieve verdieping. Deze heeft geen angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid.

En hij overweegt: "Ook deze vierde jhana is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder doorstraalt hij met liefdevolle vriendelijkheid ... met mededogen ... met medevreugde ... met gelijkmoedigheid ... de ene windrichting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde; en ook opwaarts en neerwaarts, en in de tussenliggende richtingen. Hij doorstraalt de hele wereld met een geest die vervuld is met liefdevolle vriendelijkheid, met mededogen, met medevreugde en met gelijkmoedigheid, vrij van haat en kwaadwil.

En hij overweegt: "Ook deze goddelijke verblijven zijn samengesteld. Ze zijn vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen. (A.XI.17)



Verder, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, bereikt iemand met de gedachte ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid.

En hij overweegt: "Ook deze meditatieve verdieping is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder, wanneer iemand volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid heeft overwonnen, bereikt hij met de gedachte ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid.

En hij overweegt: "Ook deze meditatieve verdieping is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen.

Verder, wanneer iemand volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid heeft overwonnen, bereikt hij met de gedachte ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer.

En hij overweegt: "Ook deze meditatieve verdieping is samengesteld. Ze is vergankelijk en aan beëindiging onderworpen." Zo'n inzicht heeft hij dan. Hierin blijvend bereikt hij de opdroging van de neigingen." (A.XI.17)

Er zit een verborgen gevaar in de verheven staten van de meditatieve verdiepingen. Anderen kunnen erdoor gefascineerd worden en zich eraan hechten. Maar de Arahant is vrij daarvan.9


De eerste drie graden van edelen hebben nog nieuwsgierigheid en willen graag meer weten over bepaalde dingen. Maar de arahant heeft dat niet. Zijn geest heeft alle verlangen naar wat dan ook opgegeven: ze heeft angst en afkeer opgegeven, bezorgdheid en vrees, wantrouwen en twijfel en alle verlangen om iets te weten of te zien. De geest van de volmaakte heilige is vrij. Niets kan hem of haar uitdagen of verlokken en niets kan nieuwsgierigheid in hem of haar opwekken. En dat kan gewoonweg omdat partijdigheid is opgegeven.10

De volmaakte heiligen zijn zonder begeerte, zonder haat en zonder illusie. Zij zijn zonder verlangen naar iets en hechten nergens meer aan. Zij zijn bevrijd van alle lijden. (M.11; zie ook M.140)


Iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich geen voorstelling ervan, hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij,' hij schept er geen behagen in.

En waarom maakt hij zich geen voorstelling ervan? Omdat hij het volledig heeft doorschouwt. Hij is vrij van begeerte, vrij van afkeer, vrij van onwetendheid. Begeerte, afkeer en onwetendheid zijn vernietigd.

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, [...] het gebied van de onstoffelijke meditatieve verdiepingen, en evenzo met datgene wat gezien, gehoord, ondervonden, vernomen is, en evenzo met eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana. (M.1)

De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. De oorzaak voor conceptuele voorstellingen is bij hem niet meer aanwezig. Hij heeft de vier edele waarheden in deze objecten doorschouwt. Tevens heeft hij die vier edele waarheden in zich verwerkelijkt en heeft hij het einde van dukkha bereikt.


2.4.1a. Bevrijd van lijden

 

Boven werd vermeld dat de volmaakte heiligen bevrijd zijn van alle lijden. Betekent dit dat de Arahant geen lichamelijke pijn meer ondervindt, dat hij geen onaangename gevoelens meer heeft?

Arahants kunnen nog de resultaten van wilsacties (kamma) ondervinden. Zij kunnen nog lichamelijke pijnen hebben. Maar zij ondervinden geen geestelijke pijn meer, hebben geen geestelijk leed erdoor. Ook de Boeddha ondervond nog lichamelijke pijn; zoals toen een splinter van een rotsblok zijn voet verwondde. Hij had soms rugklachten, en was meerdere keren heel erg ziek. Maar hij verdroeg die klachten geduldig. Ook de eerwaarde Angulimala had nog lichamelijk te lijden als gevolg dat hij zoveel mensen had gedood. Het advies van de Verhevene was dat hij die lichamelijke pijn geduldig moest verdragen. Ook de eerwaarden Maha Kassapa, Maha Moggallana en Maha Cunda ondervonden veel pijn toen zij erg ziek waren. Zij overdachten de tien contemplaties en werden weer beter. En als laatste voorbeeld de eerwaarde Girimananda die erg ziek was en veel pijn leed. Na het overdenken van de zeven factoren van Verlichting werd hij weer beter.

Zij hechtten zich niet meer aan lichamelijkheid of aan gevoel; zij eigenden ze zich niet toe. Met betrekking tot het gevoelde en het ondervondene vertoefden zij zonder ertoe aangetrokken te worden, zonder ervan afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, bevrijd, met een grenzeloos hart. Zo was hun geest door niet hechten bevrijd. (zie M.112; zie ook S.I.30)


2.4.2. De krachten van een arahant


Een volmaakte heilige, iemand in wie de neigingen zijn opgedroogd, bezit de volgende krachten.

1. Hij heeft overeenkomstig de werkelijkheid, met juiste wijsheid, duidelijk ingezien dat alle formaties vergankelijk zijn.

2. Hij heeft overeenkomstig de werkelijkheid, met juiste wijsheid, duidelijk ingezien dat de begeerten naar zingenot lijken op een kuil vol gloeiende kolen.

3. Het gemoed van de volmaakte heilige is geneigd naar eenzaamheid en opheffing, in de opheffing blijvend vindt hij vreugde in ontzegging, volledig bevrijd van de dingen die door de neigingen worden veroorzaakt.

4. De volmaakte heilige heeft de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en goed ontwikkeld.

5. Hij heeft de vier juiste inspanningen ontplooid en goed ontwikkeld.

6. Hij heeft de vier jhanas ontplooid en goed ontwikkeld.

7. Hij heeft de vijf vaardigheden ontplooid en goed ontwikkeld.

8. Hij heeft de vijf krachten ontplooid en goed ontwikkeld.

9. Hij heeft de zeven factoren van Verlichting ontplooid en goed ontwikkeld.

10. Hij heeft het edele achtvoudige pad ontplooid en goed ontwikkeld.11


Met deze krachten als steun ziet de volmaakte heilige de opdroging van zijn neigingen aldus: 'Opgedroogd zijn in mij de neigingen.' (A.VIII.28; zie ook A.X.90 en A.XI.15)






2.4.3. Onmogelijkheden voor een heilige


Er zijn meerdere dingen die voor een heilige onmogelijk zijn.

1. De arahant is niet in staat om een wezen willens en wetens van het leven te beroven.

2. Hij is niet in staat om iets wat hem niet is gegeven, zich met diefachtige bedoeling toe te eigenen.

3. Hij is niet in staat om seksuele omgang te hebben.

4. Hij is niet in staat om willens en wetens de onwaarheid te zeggen.

5. Hij is niet in staat om opgeslagen goederen12 te genieten zoals vroeger toen hij nog in een huis woonde.

6. Hij is niet in staat om de euvele weg van begeerte, hebzucht te gaan.

7. Hij is niet in staat om de euvele weg van haat, rancune te gaan.

8. Hij is niet in staat om de euvele weg van waan, illusie, onwetendheid te gaan.

9. Hij is niet in staat om de euvele weg van de angst te gaan.13 (A.IX.7)


Andere onmogelijkheden voor een volmaakte heilige zijn:

10. De arahant is niet in staat om de Verhevene te loochenen.

11. Hij is niet in staat om van de leer af te vallen.

12. Hij is niet in staat om van de gemeenschap van de monniken af te vallen.

13. Hij is niet in staat om van de training af te vallen. (A.IX.8)




2.4.4. Eigenschappen van een arahant

De volgende eigenschappen van een volmaakte heilige worden vermeld: zij hebben al het kwaad ontzegd, zij zijn steeds bezonnen, zij hebben de boeien verbroken, zij zijn verlicht. (Ud.I.5).


Tien andere eigenschappen die iemand bezit die volledig heilig, een Arahant is geworden, zijn: juist inzicht, juist denken, juist spreken (juist taalgebruik), juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie, juist weten (juiste kennis), juiste bevrijding. (A.X.109-115)


Er worden nog meer eigenschappen van een Arahant vermeld.

Wanneer de volmaakte heilige drie eigenschappen heeft, dan heeft hij het hoogste doel bereikt. Hij geldt dan als eerste onder goden en mensen.

Hij heeft de volmaakte deugdzaamheid die eigen is aan hen die geen onderricht meer nodig hebben.

Hij heeft de volmaakte concentratie die eigen is aan hen die geen onderricht meer nodig hebben.

Hij heeft de volmaakte wijsheid die eigen is aan hen die geen onderricht meer nodig hebben. (A.XI.11, zie ook A.III.58)


En de volmaakte heilige heeft nog drie andere eigenschappen. Hij kan wonderen verrichten.

(1) Het wonder van magische krachten (iddhi patihariya).

(2) Het wonder van waarzeggen, gedachten lezen (adesana patihariya).

(3) Het wonder van onderwijzen (anusansani patihariya). (A.XI.11, zie ook D.11, A.III.61)


Het wonder van magische krachten bestaat hierin. Men heeft de kracht om uit één veelvuldig te worden, en uit veelvuldig weer één. Men heeft de kracht om zich zichtbaar te maken en onzichtbaar. Men heeft de kracht om ongehinderd door wanden, muren, bergen te gaan als door de lucht. Men heeft de kracht om in de aarde op- en onder te duiken als in water. Men heeft de kracht om op het water te lopen als op vaste bodem. Men heeft de kracht om zich in zittende houding in de lucht te bewegen als een vogel. Men heeft de kracht om met de hand de maan en de zon aan te raken. Men heeft de kracht om zijn lichaam te beheersen tot in de Brahma-wereld.

Het wonder van waarzeggen, gedachten lezen bestaat hierin: Men kan met het hemelse oor beide soorten geluiden horen, de hemelse en de aardse, die van veraf en die van dichtbij.

Men kan dan ook de geest van anderen doordringen; het gemoed met verlangen, het gemoed met afkeer, het gemoed met waan, het standvastige gemoed en het verstrooide, het edelmoedige en het niet edelmoedige gemoed, het overtrefbare en het niet overtrefbare gemoed, het niet geconcentreerde en het geconcentreerde gemoed, het niet bevrijde en het bevrijde gemoed.

Men kan zich dan aan veel verschillende vormen van bestaan herinneren, aan één geboorte en aan twee geboorten, aan 3, 4, 5, 10 geboorten, aan 20, 30, 40, 50, 100 geboorten, aan 1000 en aan 100.000 geboorten. Men kan zich herinneren aan talrijke perioden van wereldvergaan en aan talrijke perioden van wereldontstaan en aan talrijke perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. “Toen had ik die naam, behoorde tot die familie, was van die kaste, kreeg dat voedsel, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo oud. Vandaar heengegaan werd ik elders wedergeboren. Ik had dan die of die naam (etc).” Zo kan men zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan herinneren met de bijzondere gebeurtenissen en details.

Men kan dan met het hemelse oog de wezens overzien en kennen hoe zij heengaan en wedergeboren worden, lage en voorname, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, overeenkomstig hun kamma. (S.LI.11)



Niet alle arahants hebben de magische krachten.

Degenen die door inzicht bevrijd zijn, hebben die krachten [nog] niet. (S.XII.70)


Het wonder van onderricht bestaat hierin: Men kan onderricht geven in deugdzaamheid, concentratie en inzicht welk uiteindelijk voert naar de uitdoving van de smetten. (zie D.11, A.III.61) Men onderricht hoe men moet denken en hoe men niet moet denken. Men onderricht hoe men moet overwegen en hoe men niet moet overwegen. Men onderricht wat men moet overwinnen en wat men zich eigen moet maken. (A.III.61)


En de volmaakte heilige heeft verder nog de volgende eigenschappen: Hij heeft juist inzicht, hij heeft juist weten en hij heeft juiste bevrijding. Ook heeft hij volmaakt weten en volmaakt gedrag.

Met al deze eigenschappen geldt hij als eerste onder de goden en mensen. Hij heeft de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste zekerheid, de hoogste heiligheid; hij heeft het hoogste doel bereikt. (A.XI.11)


Beweerd werd en wordt dat de volmaakte heilige egoïstisch is door alleen naar eigen heil te streven. Maar de arahant is niet egoïstisch. Want arahantschap wordt alleen verkregen door alle vormen van egoïsme op te geven.14 In Majjhima Nikaya 27 (Cūlahatthipadopama Sutta) is een beschrijving te vinden van iemand die het arahant-ideaal nastreeft.15 In het kort volgt die beschrijving hier.

De arahant geeft het doden van levende wezens op. Stok en zwaard legt hij neer en hij is bescheiden en barmhartig, mededogend jegens al wat leeft. Hij neemt niets wat niet is gegeven en hij leeft afgescheiden, ziet af van lust. Hij liegt niet meer, spreekt steeds de waarheid en bedriegt niet. Hij geeft lasterpraat op. Wat hij hier gehoord heeft, herhaalt hij niet elders. Hij verenigt gescheidenen, spoort vrienden aan; hij verheugt zich over eendracht, en hij spreekt woorden die eenheid bevorderen. Hij geeft ruwe taal op; zijn woorden zijn aangenaam voor het oor, hartverwarmend. Hij geeft kletspraatjes op. Hij spreekt wat tijdig is, waar en vol betekenis. Hij ziet ervan af schade toe te brengen aan zaden en planten. Hij ziet af van het aannemen van goud en zilver, vrouwen en meisjes, slaven en slavinnen. Hij ziet af van het aannemen van schapen en geiten, pluimvee en varkens, vee, velden en landerijen. Hij ziet af van de oneerlijke activiteiten van omkoperij, misleiding en bedrog. Hij ziet af van messentrekkerij, doden, gevangen zetten, roven, plunderen; hij ziet af van alle geweld.16


De arahant heeft dat alles opgegeven en ziet af van alles wat hierboven is vermeld. En daar is niets egoïstisch bij. Verder heeft de Arahant elke vorm van hoogmoed en egoïsme overwonnen. De Arahant heeft de vier grote deugden van liefdevolle vriendelijkheid (mettā), mededogen (karunā), medeleven (muditā), en gelijkmoedigheid (upekkhā) beoefend. Hij of zij is actief betrokken bij het helpen van anderen; daarin uit zich dat Arahantschap bereikt is.17

"Als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.” (Dhp.19 en 20)

Een omschrijving van een volmaakte heilige is in de volgende leerrede.

Te Savatthi bereikte de eerwaarde Brahmadeva volmaakte heiligheid. Daarna bezocht hij zijn moeder die offers placht te geven aan Brahmâ. Brahma Sahampati zei haar dat zij nu gaven kon geven aan haar zoon die hoger was dan een god.

"Hij is leeg van bestaanssubstraten, meer dan een god, iemand die niets zijn eigen noemt, die voor niemand anders hoeft te zorgen.18

Gelaten gaat hij op zoek naar eten.

Voor hem is er geen vroeger en geen later.19

Hij is in vrede, zonder toorn, onschuldig, zonder wens.

Hij heeft de staf tegenover de hele wereld neergelegd.20

Hij is vrij van wereldse invloeden, met een vredig hart,

Als een tamme olifant gaat hij, zonder fouten,

een bhikkhu van hoge zedelijke discipline, met een bevrijd hart." (S.VI.3)



2.4.5. Resultaat van onthechting


Wanneer een edele volgeling(e) het oorzakelijke ontstaan en de oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet “ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”

Hij of zij vraagt dan ook nietzal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaanvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

Hij vraagt dan ook niet “ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.XII.20; M.38)


Als iemand zich identificeert met het lichaam, als hij meent dat hij gelijk is aan het lichaam, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan.

Als iemand zich identificeert met het gevoel, als hij meent dat hij gelijk is aan het gevoel, dat het gevoel hem toebehoort, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan.

Als iemand zich identificeert met waarneming, als hij meent dat hij gelijk is aan waarneming, dat waarneming hem toebehoort, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan.

Als iemand zich identificeert met geestelijke formaties, als hij meent dat hij gelijk is aan geestelijke formaties, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan.

Maar als men inziet dat het lichaam ontstaan is en ook zal vergaan, als men inziet dat men van dat alles niet kan zeggen dat ze mij toebehoren, noch dat "ik" lichaam, gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties of bewustzijn ben, dat er alleen oorzaken en gevolgen zijn, dan identificeert men zich niet meer daarmee. Het ik-bewustzijn maakt plaats voor een zo-bewustzijn. Zo is het ontstaan; zo is het vergaan.

Het bewustzijn, de geest, het gemoed (citta) van de volmaakte heilige vertoeft nergens meer, d.w.z. er is nergens meer een grijpen, hechten, nergens meer een inbezitname door voorkeur of afkeer. Het gemoed (citta), het bewustzijn van de Arahant is vrij.

(zie S. XXII.53)



Wie elk oord van bestaan heeft begrepen,

wie naar geen ervan verlangen koestert,

wie vrij is van begeerte en zonder wens,

hij of zij hoeft niet meer te strijden:

aangekomen is die persoon aan de oever.”

(Sn.I.12, vers 210)





2.4.6. Heiligheid hangt niet af van geleerdheid

Er waren twee monniken: de een was nog een wereldling maar was wel bedreven in de verzen van de leer. In de praktijk oefende hij echter niet uit wat hij theoretisch wist. De andere monnik kende weinig van buiten maar hij beoefende de leer in de praktijk. Na niet lange tijd verwerkelijkte hij Nibbāna en genoot de vruchten van het heilige leven. De geleerde monnik wilde de ander in de war brengen door hem enkele ingewikkelde vragen te stellen in tegenwoordigheid van de Boeddha. Maar de Verhevene kende de lage beweegreden. Zelf stelde hij enkele vragen die verband hielden met de verwerkelijking van de leer. De Arahant beantwoordde ze allemaal vanuit eigen ervaring. Maar de geleerde monnik kon dat niet omdat hij geen enkel van de paden van heiligheid bereikt had. Daarop prees de Boeddha de Arahant met de woorden:

“Al reciteert men ook veel uit de heilige teksten,21 maar als men er niet overeenkomstig naar handelt, dan is die onoplettende persoon als een koeherder die het vee van anderen telt. Hij heeft geen deel aan de vruchten van het heilige leven.

Al reciteert men weinig uit de heilige teksten, maar als men wel overeenkomstig de leer handelt, als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.” (Dhp.19 en 20)



 

 

2.4.7. Zuiverheid

 

      Dat zuiverheid, reinheid, heiligheid niet verkregen wordt door wassing met water, maar door een juiste levenswijze, toont het volgende.

 

      Bij een zekere gelegenheid vertoefde de Gezegende nabij Gayā. Daar was ook een groot aantal asceten. In de koude winternachten,22 gedurende een week vóór en een week na volle maan, doken zij in het water. Ook brachten zij brandoffers. Zij dachten dat zij op die manier zuiverheid kregen. De Verhevene zag al die asceten zo bezig en bij die gelegenheid sprak hij het vers:

      “Niet door water is men zuiver, al nemen velen hier ook een bad. Diegene is zuiver en een brahmaan, in wie waarheid is en Dhamma.” (Ud.I.ix).

 



2.4.8. Hoe een zieke leek aan te manen



Dat ook leken de volmaakte heiligheid kunnen bereiken, blijkt o.a. uit het volgende.



Hoe moet men een zieke, lijdende leek aanmanen?

Wijs hem op de vier schakels van stroomintrede die de zieke heeft.

Vraag of hij verlangen heeft naar zijn ouders. Indien ja, zeg hem dan dat hij aan de dood onderworpen is. Met of zonder verlangen naar zijn ouders moet hij sterven. Zeg hem dat hij dat verlangen naar zijn ouders moet opgeven.

Als hij dat verlangen heeft opgegeven, vraag hem dan of hij naar vrouw en kind verlangt. Indien ja, zeg hem dan dat hij aan de dood onderworpen is. Zeg hem dat hij met of zonder dat verlangen naar vrouw en kind moet sterven en dat hij dat verlangen moet opgeven.

Vraag dan of hij nog verlangen heeft naar de menselijke vijf wensgenietingen. Indien ja, zeg hem dan: "Veel beter en uitgelezener dan de mensenlijke zinnendingen zijn de hemelse zinnendingen. Het zou goed zijn als je je gemoed verheft boven de menselijke zinnendingen en het gemoed richt op de zinnendingen in de diverse hemelse sferen, vanaf de Vier Grote Koningen, de sfeer van de Drieëndertig ...t/m de goden die heersen over de scheppingen van anderen. En richt dan verder het gemoed op de Brahma-wereld." Als hij dat gedaan heeft, zeg hem dan dat ook de goden en de Brahma-wereld onbestendig zijn, niet blijvend, zonder zelfstandigheid. "Het is goed als je je gemoed verheft boven de Brahma-wereld en richt op de opheffing van persoonlijkheid." Als hij dat heeft gedaan, is er geen verschil tussen die leek en een monnik wiens gemoed geheel bevrijd is van de neigingen. Beiden zijn bevrijd. (S.LV.54)





2.4.9. Volleerd


Te Sāvatthi onderwees de Verhevene eens wanneer men volleerd is, wanneer men meesterschap heeft bereikt.

“Iemand die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op drie manieren, die heet: ‘volleerd23 in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.’

En hoe is iemand bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, iemand begrijpt volledig vorm.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van vorm.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van vorm.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van vorm.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in vorm is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in vorm is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan vorm.

En wat is vorm? - Het zijn de vijf grote elementen [aarde, water, vuur, lucht en ruimte] en de vorm die afhankelijk is van die grote elementen. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm; van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm. En het pad dat voert naar het beëindigen van vorm is dit edele achtvoudige pad, namelijk : juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, dat is de voldoening die er in vorm is. Vorm is vergankelijk, onderhevig aan verandering, en dat is het lijden dat er in vorm is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm zijn, dat is de ontsnapping aan vorm.

Allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in vorm is, die het lijden begrijpen dat er in vorm is en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het zich losmaken van vorm, en het ophouden van vorm, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

Allen die niet meer aan vorm hechten zijn daardoor bevrijd. En allen die dank zij hun zich losmaken van vorm en hun ophouden van vorm bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk24 waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is iemand verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, iemand begrijpt volledig gevoel.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van gevoel.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van gevoel.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van gevoel.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in gevoel is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in gevoel is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan gevoel.

En wat is gevoel? - Er zijn deze zes indelingen van gevoel, namelijk: gevoel dat geboren is uit contact met het oog, gevoel dat geboren is uit contact met het oor, gevoel dat geboren is uit contact met de neus, gevoel dat geboren is uit contact met de tong, gevoel dat geboren is uit contact met het lichaam, en gevoel dat geboren is uit contact met de geest. Dit heet gevoel.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van gevoel; van het beëindigen van contact is het beëindigen van gevoel. En het pad dat voert naar het beëindigen van gevoel is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege gevoel, dat is de voldoening die er in gevoel is. Gevoel is vergankelijk, onderhevig aan verandering, en dat is het lijden dat er in gevoel is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in gevoel zijn, dat is de ontsnapping aan gevoel.

Allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in gevoel is, die het lijden begrijpen dat er in gevoel is en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor gevoel, het zich losmaken van gevoel en het ophouden van gevoel, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in gevoel begrijpen en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - zij zijn, zonder zich aan gevoel te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor gevoel, hun zich losmaken van gevoel en hun ophouden van gevoel bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is iemand verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, iemand begrijpt volledig waarneming.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van waarneming.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van waarneming.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van waarneming.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in waarneming is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in waarneming is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan waarneming.

En wat is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van waarneming; van het beëindigen van contact is het beëindigen van waarneming. En het pad dat voert naar het beëindigen van waarneming is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege waarneming, dat is de voldoening die er in waarneming is. Waarneming is vergankelijk, onderhevig aan verandering, en dat is het lijden dat er in waarneming is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in waarneming zijn, dat is de ontsnapping aan waarneming.

Allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in waarneming is, die het lijden begrijpen dat er in waarneming is en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het zich losmaken van waarneming en het ophouden van waarneming, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in waarneming begrijpen en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, zij zijn, zonder zich aan waarneming te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor waarneming, hun zich losmaken van waarneming en hun ophouden van waarneming bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.25

En hoe is iemand verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, iemand begrijpt volledig geestelijke activiteiten.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van geestelijke activiteiten.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van geestelijke activiteiten.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van geestelijke activiteiten.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in geestelijke activiteiten is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in geestelijke activiteiten is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

En wat zijn geestelijke activiteiten? - Er zijn deze zes indelingen van intenties, namelijk: de intentie van vormen, de intentie van geluiden, de intentie van geuren, de intentie van smaken, de intentie van aanrakingen en de intentie van ideeën. Dit heet geestelijke activiteiten. Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van geestelijke activiteiten; van het beëindigen van contact is het beëindigen van geestelijke activiteiten. En het pad dat voert naar het beëindigen van geestelijke activiteiten is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege geestelijke activiteiten, dat is de voldoening die er in geestelijke activiteiten is. Geestelijke activiteiten zijn vergankelijk, onderhevig aan verandering, en dat is het lijden dat er in geestelijke activiteiten is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in geestelijke activiteiten zijn, dat is de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

Allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in geestelijke activiteiten is, die het lijden begrijpen dat er in geestelijke activiteiten is en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het zich losmaken van geestelijke activiteiten en het ophouden van geestelijke activiteiten, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in geestelijke activiteiten begrijpen en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, zij zijn, zonder zich aan geestelijke activiteiten te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor geestelijke activiteiten, hun zich losmaken van geestelijke activiteiten en hun ophouden van geestelijke activiteiten bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is iemand verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, iemand begrijpt volledig bewustzijn.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van bewustzijn.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van bewustzijn.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van bewustzijn.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in bewustzijn is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in bewustzijn is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan bewustzijn.

En wat is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van 'naam-en-vorm' (geestlichamelijkheid) komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van 'naam-en-vorm' (geestlichamelijkheid) is het beëindigen van bewustzijn. En het pad dat voert naar het beëindigen van bewustzijn is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. Bewustzijn is vergankelijk, onderhevig aan verandering, en dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.

Allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

Allen die zich niet meer hechten aan bewustzijn, zijn daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

Op deze manier is iemand bekwaam in de zeven punten.

En hoe is iemand een onderzoeker op de drie manieren? Welnu, hij onderzoekt dingen:

1. Via de elementen.26

2. Via de zintuiglijke sferen.27

3. via oorzakelijk ontstaan.28

Dat is de manier waarop iemand een onderzoeker wordt op de drie manieren.

Iemand die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op de drie manieren, hij heet volleerd in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.” (S.XXII.57)

De betekenis van bovenstaande leerrede is m.i. dat men zich niet moet identificeren met het lichaam, noch met de zes zintuigen noch met de soorten van bewustzijn die ontstaan door contact van die zintuigen met de bijhorende objecten. Dat alles is vergankelijk, veranderlijk, is oorzakelijk ontstaan en zal ook weer vergaan, het is zonder een zelf. Van dat alles kan men niet zeggen dat ze mij toebehoren, noch dat "ik" lichaam, zintuigen of bewustzijn ben. Er zijn alleen oorzaken en gevolgen.

Bij degene die dit volledig inziet, verdwijnt de mening "ik ben" helemaal. Hij ziet alleen nog hoe alles ontstaat. Het ik-bewustzijn maakt plaats voor een zo-bewustzijn. Zo is het ontstaan; zo is het vergaan. Er is overeenkomstig de werkelijkheid geen enkele betrekking meer tot (de verkeerde mening van) een ik.

Dat is ook uitgelegd in de volgende leerrede.



2.4.10. Naderen



Eens verbleef de Verhevene te Savatthi en hij sprak aldus:29 “Degene die nadert, is niet bevrijd; degene die niet nadert, is bevrijd.

Monniken, als een vorm genaderd wordt,30 en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met vorm als steun, met vorm als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.31

Monniken, als gevoel genaderd wordt en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met gevoel als steun, met gevoel als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als waarneming genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met waarneming als steun, met waarneming als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als geestelijke formaties genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met geestelijke formaties als steun, met geestelijke formaties als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.



Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.32

Als verlangen naar het gebruik van vorm is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn.33 Als verlangen naar het gebruik van bewustzijn is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, daar het niet groeit en niet samenstelt.34 Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan. Zo is degene die nadert, niet bevrijd, en zo is degene die niet nadert, bevrijd.” (S.XXII.53).35





2.4.11. Bekendmaking van volmaakte heiligheid



Om vijf redenen kan iemand bekend maken dat hij de volmaakte heiligheid heeft verwerkelijkt. Die vijf redenen zijn:

Uit domheid en dwaasheid ; met kwade bedoeling en uit hebzucht; in waanzin en geestelijke verwarring; uit zelfoverschatting; en overeenkomstig de waarheid kan iemand bekend maken dat volmaakte heiligheid verwerkelijkt is. (A.V.93; vgl. A.X.84-86)



De juiste manier waarop iemand bekend kan maken dat de volmaakte heiligheid is verwerkelijkt, blijkt uit het volgende.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster. De eerwaarden Khema en Suma gingen toen naar de Verhevene toe, groetten hem eerbiedig, gingen terzijde zitten en de eerwaarde Khema zei toen:

"Heer, wie een heilige is, een vernietiger van de neigingen, die de heilige levenswandel heeft voltooid en zijn werk heeft volbracht, die de last heeft afgelegd en de ketenen van het bestaan heeft losgemaakt, die door het volmaakte weten bevrijd is, bij zo iemand komt niet meer de gedachte: 'Er is iemand die beter is dan ik' of 'Er is iemand die gelijk is aan mij' of 'Er is iemand die minder is dan ik.' Zo sprak de eerwaarde Khema, en de Meester keurde het goed. Toen hij zag dat de meester het goedkeurde, stond de eerwaarde Khema op van zijn zitplaats, begroette de Verhevene eerbiedig, en met de rechter kant naar hem toegewend, vertrok hij.

Korte tijd later sprak ook de eerwaarde Sumana als boven tot de Verhevene. Die woorden werden eveneens door de Meester goedgekeurd.

Enige tijd nadat beide eerwaarden vertrokken waren, richtte de Boeddha zich tot de monniken met de woorden:

"Voorwaar, monniken, op zo'n manier maken edele zonen bekend dat zij het weten van heiligheid hebben. De waarheid werd getoond zonder naar zichzelf te verwijzen. Er zijn echter een paar dwazen die opscheppen en doen alsof ze heiligheid kennen. Maar dezen zullen later in de problemen komen."



"Niet beter en niet gelijk,

niet slechter ook zich beschouwend,

zo gaan heiligen vrij van boeien,

opgedroogd voor de geboorte,

beëindigd is het volmaakte doel

van het heilige leven." (A.VI.49)





2.4.12. Chabbisodhana sutta - M.112

De bewering van een monnik dat hij arahantschap heeft bereikt, moet grondig onderzocht worden volgens de regels die in deze toespraak worden uitgelegd.



Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster. Daar sprak hij tot de monniken over iemand die beweert de volmaakte heiligheid bereikt te hebben.

"Wanneer een bhikkhu beweert dat geboorte ten einde is gebracht, dat het heilige leven geleefd is, dan moeten die woorden van hem niet goedgekeurd noch afgeleend worden. De volgende vraag moet gesteld worden: 'Vriend, er zijn vier manieren om zich uit te drukken. Die manieren zijn door de Verhevene, die weet en ziet, die volmaakt verlicht is, juist verkondigd, namelijk: het geziene te berichten zoals het gezien wordt; het gehoorde te berichten zoals het gehoord wordt; het gevoelde te berichten zoals het gevoeld wordt; het ondervondene te berichten zoals het ondervonden wordt.

Op welke manier weet de eerwaarde, op welke manier weet hij zich met betrekking tot deze vier manieren om zich uit te drukken, zodat zijn geest door niet hechten bevrijd is van de neigingen?'



Bhikkhus, wanneer een bhikkhu volmaakt heilig is, met de neigingen vernietigd, wanneer hij het ware doel bereikt heeft, de boeien van het worden vernietigd heeft en door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, dan is het volgende de aard van zijn antwoord:

'Vrienden, met betrekking tot het geziene vertoef ik zonder ertoe aangetrokken te worden, zonder ervan afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, bevrijd, met een grenzenloos hart.36 Met betrekking tot het gehoorde vertoef ik zonder ertoe aangetrokken te worden, zonder ervan afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, bevrijd, met een grenzenloos hart. Met betrekking tot het gevoelde vertoef ik zonder ertoe aangetrokken te worden, zonder ervan afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, bevrijd, met een grenzenloos hart. Met betrekking tot het ondervondene vertoef ik zonder ertoe aangetrokken te worden, zonder ervan afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, bevrijd, met een grenzenloos hart. Doordat ik met betrekking tot die vier manieren om zich uit te drukken op een dergelijke manier weet, op een dergelijke manier zie, gebeurt het dat mijn geest door niet hechten bevrijd is van de neigingen.'



Met de uitroep 'goed' kan men vreugde over deze woorden van die bhikhu tonen. Dan kan men hem een andere vraag stellen.



'Vriend, er zijn deze vijf groepen van bestaan waaraan vastgehecht wordt. Die vijf groepen zijn door de Verhevene juist verkondigd, namelijk de bestaansgroep van de vorm waaraan vastgehecht wordt, de bestaansgroep van het gevoel waaraan vastgehecht wordt, de bestaansgroep van de waarneming waaraan vastgehecht wordt, de bestaansgroep van de formaties waaraan vastgehecht wordt, en de bestaansgroep van het bewustzijn waaraan vastgehecht wordt.

Op welke manier weet de eerwaarde, op welke manier ziet hij met betrekking tot die vijf bestaansgroepen waaraan vastgehecht wordt, zodat zijn geest door niet hechten bevrijd is van de neigingen?'

Wanneer een bhikkhu iemand is met vernietigde neigingen, iemand die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het worden heeft vernietigd en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, dan is het volgende de aard van zijn antwoord:

'Vrienden, nadat ik vorm als krachteloos ingezien heb, als voorbijgaand en zonder troost, heb ik met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten wat betreft vorm, met het loslaten van de innerlijke standpunten, het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft vorm, begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, nadat ik gevoel als krachteloos ingezien heb, als voorbijgaand en zonder troost, heb ik met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten wat betreft gevoel, met het loslaten van de innerlijke standpunten, het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft gevoel, begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, nadat ik waarneming als krachteloos ingezien heb, als voorbijgaand en zonder troost, heb ik met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten wat betreft waarneming, met het loslaten van de innerlijke standpunten, het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft waarneming, begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, nadat ik bewustzijn als krachteloos ingezien heb, als voorbijgaand en zonder troost, heb ik met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten wat betreft bewustzijn, met het loslaten van de innerlijke standpunten, het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft bewustzijn, begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

Doordat ik met betrekking tot deze vijf bestaansgroepen waaraan vastgehecht wordt, op een dergelijke manier weet, op een dergelijke manier zie, gebeurt het dat mijn geest door niet hechten bevrijd is van de neigingen.'



Met de uitroep 'goed' kan men vreugde over deze woorden van die bhikhu tonen. Dan kan men hem een andere vraag stellen.



'Vriend, de volgende zes elementen zijn door de Verhevene juist verkondigd, en wel: het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

Op welke manier weet de eerwaarde, op welke manier ziet hij wat betreft die zes elementen, zodat zijn geest door niet hechten bevrijd is van de neigingen?'



Wanneer een bhikkhu iemand is met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het worden vernietigd heeft en door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, dan is het volgende de aard van zijn antwoord:



'Vrienden, ik heb het aarde-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het aarde-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en van het vasthechten welke berusten op het aarde-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het aarde-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, ik heb het water-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het water-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten die berusten op het water-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het water-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, ik heb het vuur-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het vuur-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten die berusten op het vuur-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het vuur-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, ik heb het wind-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het wind-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten die berusten op het wind-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het wind-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, ik heb het ruimte-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het ruimte-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten die berusten op het ruimte-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het ruimte-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, ik heb het bewustzijn-element als niet zelf behandeld, zonder zelf dat op het bewustzijn-element berust. En met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de aantrekkingskracht en het vasthechten die berusten op het bewustzijn-element, met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen die berusten op het bewustzijn-element, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Doordat ik wat betreft die zes elementen op een dergelijke manier weet, op een dergelijke manier zie, gebeurt het dat mijn geest door niet vasthechten bevrijd is van de neigingen.'



Met de uitroep 'goed' kan men vreugde over deze woorden van die bhikkhu tonen. Dan kan men hem een andere vraag stellen.



'Vriend, door de Verhevene zijn de volgende zes inwendige en uitwendige grondslagen van de zintuigen verkondigd, en wel: het oog en vormen, het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingsobjecten, de geest en geestobjecten.

Op welke manier weet de eerwaarde, op welke manier ziet hij wat betreft die zes inwendige en uitwendige grondslagen van de zintuigen, zodat zijn geest door niet vasthechten bevrijd is van de neigingen?'



Wanneer een bhikkhu iemand is met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het worden vernietigd heeft en door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, dan is het volgende de aard van zijn antwoord:



'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebberigheid, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft het oog, vormen, zienbewustzijn en dingen die door het zienbewustzijn kunnen worden ervaren,37 heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebberigheid, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft het oor, geluiden, hoorbewustzijn en dingen die door het hoorbewustzijn kunnen worden ervaren, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebberigheid, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft de neus, geuren, ruikbewustzijn en dingen die door het ruikbewustzijn kunnen worden ervaren, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebzucht, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft de tong, smaken, smaakbewustzijn en dingen die door het smaakbewustzijn kunnen worden ervaren, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebzucht, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft het lichaam, aanrakingsobjecten, aanrakingsbewustzijn en dingen die door het aanrakingsbewustzijn kunnen worden ervaren, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

'Vrienden, met de vernietiging, het afstand doen, het beëindigen, het opgeven en loslaten van de hebberigheid, van de begeerte, van de vervoering, van het verlangen, van de aantrekkingskracht en van het vasthechten, en met het loslaten van de innerlijke standpunten, met het loslaten van het vasthechten en van de neigingen wat betreft de geest, geestobjecten, geestbewustzijn en dingen die door het geestbewustzijn kunnen worden ervaren, heb ik begrepen dat mijn geest bevrijd is.'

Doordat ik wat betreft die zes inwendige en uitwendige fundamenten van de zintuigen op een dergelijke manier weet, op een dergelijke manier zie, gebeurt het dat mijn geest door niet vasthechten bevrijd is van de neigingen.'



Met de uitroep 'goed' kan men vreugde over deze woorden van die bhikhu tonen. Dan kan men hem een andere vraag stellen.



'Vriend, op welke manier weet de eerwaarde, op welke manier ziet hij dat wat betreft dit lichaam met zijn bewustzijn en alle uiterlijke tekens, het ik-maken, mijn-maken en de neigingen tot (ik-)waan in hem ontworteld zijn?'



Wanneer een bhikkhu iemand is met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het worden vernietigd heeft en door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, dan is het volgende de aard van zijn antwoord:



'Vrienden, vroeger toen ik het leven van gezinshoofd leidde, was ik onwetend. Toen onderwees de Tathagata of zijn discipel mij de leer (Dhamma). Toen ik de Dhamma hoorde, kreeg ik vertrouwen in de Tathagata. In het bezit van dat vertrouwen overwoog ik: 'Het leven van een gezinshoofd is eng en stoffig. Het leven in de huisloosheid is wijd en open. Als men thuis woont, is het niet gemakkelijk om het volmaakte en zuivere heilige leven te leiden. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek naar een leven zonder huis.' Bij een latere gelegenheid doet ik dat, waarbij ik een klein of groot vermogen, een kleine of grote kring van verwanten opgaf.

Nadat ik zo in de huisloosheid was vertrokken en de oefening en levenswijze van de bhikkhus op mij had genomen, onthield ik mij ervan levende wezens te doden; stok en wapens legde ik terzijde; ik leefde vol mededogen met alle levende wezens. Ik onthield mij ervan te nemen wat niet werd gegeven. Ik nam alleen wat gegeven werd, wachtte af wat gegeven werd. Zo verbleef ik in zuiverheid. Ik gaf onkuis gedrag op. Ik onthield me van de gewone praktijk van geslachtsverkeer. Ik onthield me ervan de onwaarheid te zeggen. Ik sprak de waarheid, was vertrouwenswaardig. Ik was iemand die de wereld niet bedroog. Ik onthield me ervan hatelijk te spreken. Ik verspreidde geen roddelpraatjes. Ik vertelde niet hier wat ik elders gehoord had om die mensen van elkaar te scheiden; en ik vertelde niet elders wat ik hier vernomen had om die mensen van elkaar te scheiden. Ik bevorderde eendracht en vriendschap. Ik onthield me van het gebruik van ruwe taal. Ik uitte woorden die zacht waren, aangenaam, die tot het hart gaan, die hoffelijk zijn.Ik onthield me van geklets, praatte alleen op de juiste tijd, zei wat met de feiten overeen komt, sprak over dat wat goed is, sprak over de Dhamma en de discipline. Te juister tijd zei ik woorden die het waard zijn onthouden te worden, verstandig, gematigd en heilzaam. Ik onthield me ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Ik oefende mij erin alleen één maaltijd per dag te eten. Ik onthield me ervan 's nachts en buiten de gepaste tijd te eten. Ik onthield me van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen.

Ik onthield mij ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Ik onthield mij van hoge en brede bedden. Ik onthield mij ervan goud en zilver aan te nemen. Ik onthield mij ervan ongekookt voedsel aan te nemen. Ik onthield mij ervan ruw vlees aan te nemen. Ik nam geen vrouwen en meisjes aan. Ik nam geen slaven en slavinnen aan. Ik nam geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Ik nam geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Ik onthield mij ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Ik onthield mij van kopen en verkopen. Ik gebruikte geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Ik onthield mij van zwendel en bedrog. Ik onthield mij van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

Ik had voldoende aan de kleren die mijn lichaam beschermen, en met de aalmoezen-maaltijd om mijn maag te vullen. Waarheen ik ook ging, ik nam alleen dat mee. Juist zoals een vogel alleen met de vleugels als bagage vliegt, evenzo had ik voldoende aan de kleren die mijn lichaam beschermen en aan de aalmoezen-maaltijd om mijn maag te vullen. Voorzien van deze opeenhoping van edele deugdzaamheid ondervond ik een zaligheid die onberispelijk is.

Wanneer ik met het oog een vorm zag, hechtte ik mij niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in mij hadden kunnen binnendringen wanneer ik het zintuig van zien onbeheerst had gelaten, oefende ik mij in het beheersen ervan. Ik beschermde het zintuig van zien, ik hield me bezig met het beheersen van dat zintuig.

Evenzo met het oor (zintuig van horen) en geluid, neus (zintuig van ruiken) en geur, tong (zintuig van proeven) en smaak, lichaam (zintuig van aanraken) en aanrakingsobject, geest (zintuig van denken e.d.) en geestelijk object.

Kortom, wanneer ik met een zintuig een zintuiglijk object waarnam, hechtte ik me niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in mij hadden kunnen binnendringen wanneer ik de zintuigen onbeheerst had gelaten, oefende ik mij in het beheersen ervan. Ik beschermde de zintuigen, ik hield me bezig met het beheersen van die zintuigen.

Omdat ik deze edele beheersing van de zintuigen had, ondervond ik in mij een zaligheid die onbevlekt is.



Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het komen en bij het gaan. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het dragen van het (onder)gewaad, het buitengewaad en de nap. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij de ontlasting en bij het urineren. Ik werd iemand die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

Omdat ik deze opeenhoping van edele deugdzaamheid, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit heldere weten bezat, trok ik mij terug naar een afgescheiden verblijfplaats: in een bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een bergkloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een open veld, op een bundel stro.

Na terugkeer van de ronde voor aalmoezen, na de maaltijd ging ik met gekruiste benen en met het lichaam rechtop neerzitten, oplettend en helder bewust. Ik overwon de hebzucht naar wereldlijke dingen en vertoefde met een hart dat vrij is van hebzucht. Ik zuiverde mijn geest van hebzucht. Ik overwon kwaadwil en haat en vertoefde met een hart dat vrij is van kwaadwil, dat mededogen ondervindt voor het welzijn van alle levende wezens. Ik zuiverde mijn geest van kwaadwil en haat. Ik overwon traagheid en starheid en vertoefde met een hart dat vrij is van traagheid en starheid, met lichte geest, oplettend en helder bewust. Ik zuiverde mijn geest van traagheid en starheid. Ik overwon rusteloosheid en gewetenswroeging en vertoefde gelijkmoedig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Ik zuiverde mijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging. Ik overwon de twijfel en vertoefde vrij van twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Ik zuiverde mijn geest van twijfel.



Nadat ik deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, had overwonnen, trad ik geheel afgescheiden van zintuiglijk genot, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, in de eerste meditatieve verdieping (jhana) in. Die is begeleid door begin- en aanhoudende toewending van de geest. En ik vertoefde erin met vervoering en geluk die ontstaan zijn uit afzondering.

Met het tot bedaren brengen van de begin- en aanhoudende toewending van de geest trad ik binnen in de tweede meditatieve verdieping. Ze heeft innerlijke kalmte en eenheid van het hart zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest. En ik vertoefde erin, met vervoering en geluk ontstaan uit concentratie.

Met het afnemen van de vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid trad ik binnen in de derde meditatieve verdieping, waarvan de edelen zeggen: 'Zalig leeft degene die vol gelijkmoedigheid is en die oplettend is.' En ik vertoefde erin.

Na het overwinnen van geluk en smart en het al eerdere verdwijnen van vreugde en droefenis, trad ik binnen in de vierde meditatieve verdieping, die op grond van gelijkmoedigheid niets smartelijks noch iets aangenaams heeft en die zuiverheid van de oplettendheid in zich heeft. En ik vertoefde erin.

Toen mijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd was, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richtte ik mijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen.

Ik begreep overeenkomstig de werkelijkheid wat lijden is, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, wat de weg is die naar het beëindigen ervan voert.

Ik begreep overeenkomstig de werkelijkheid wat de neigingen zijn, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, en wat de weg is die naar het beëeindigen ervan voert.

Toen ik zo wist en zag, was mijn geest bevrijd van de neiging van de zinnen, van de neiging van worden en van de neiging van onwetendheid.

Toen de geest zo bevrijd was, kwam het weten dat ze bevrijd is. Ik zag direct: 'Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, verder is er niets meer te doen.'

Vrienden, doordat ik op een dergelijke manier weet, op een dergelijke manier zie, gebeurt het dat wat betreft dit lichaam met zijn bewustzijn en alle uiterlijke tekens het ik-maken, mijn-maken en de neiging tot (ik-)waan in mij zijn ontworteld.'



Met de uitroep 'goed' kan men vreugde over deze woorden van die bhikhu tonen. Dan moet men hem zeggen dat het een grote winst is om een dergelijke metgezel in het heilige leven te zien."



Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de Verhevene. (M.112)38


naar boven  of  naar 9.3.3-4. De zeven soorten bevrijdingen  en  nibbana


1 Tussen het betreden van het pad en het verkrijgen van de vrucht van eenzelfde niveau van heiligheid kunnen meerdere maanden of jaren liggen. Wel zal de vrucht steeds verkregen worden nog vóór het einde van het leven van de betreffende heilige. - De toestand van de in-de-stroom-getredene, zolang als hij bezig is met het verwijderen van de geestelijke onzuiverheden, wordt “het pad” van de in-de-stroom-getredene genoemd. Als die onzuiverheden verwijderd zijn, is de vrucht van het in-de-stroom-treden bereikt. [Evenzo met de andere niveaus van heiligheid]. (Buddhadasa Bhikkhu. Handbuch für die Menschheit, zum Verständnis des Buddhismus, s.a., p. 89)

2 gedeeltelijk: dat is in die mate waarin de betreffende smetten zijn vernietigd door de paden van heiligheid.

3 De functie van rust is hier het kalmeren van elke geringe lichamelijke en geestelijke rusteloosheid die afkomstig is van hartstochtelijke vreugde. De rust verandert dat laatste zo in een kalm geluk gevolgd door meditatieve verzinking. - Deze vaak voorkomende passage maakt in de leer van de Boeddha het belang duidelijk van geluk als een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van concentratie en van geestelijke vooruitgang in het algemeen.

4 Meer over oorzakelijk ontstaan, zie: Oorzakelijk ontstaan en oorzakelijke opheffing van het lijden.

5 Onbeïnvloed, d.w.z. de deugdzaamheid is niet beïnvloed door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel, noch door verkeerde meningen (ditthi).

6 Schaamte is gemotiveerd door zelfrespect en is inwaarts gericht.

7 Morele vrees is naar buiten gericht; het is de vrees voor consequenties zoals blaam, slechte reputatie en straf.

8 Dhammananda, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. 157-158 (V. 7); Burlingame, E.W. (transl). Buddhist Legends. London 1979, V.7.

9 Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy 1976. Bodhi Leaves No. B 73, p. 14-15.

10 idem, p. 18-19. - Zie eventueel 'Volleerd' 

11 De hier vermelde groepen vormen de 37 dingen die naar de Verlichting voeren (bodhipakkhiya-dhamma). - Zie: Factoren van Verlichting.

12 Goederen. In D.1 worden voedingsmiddelen, gewaden, voertuig vermeld. Het is voor een monnik niet geoorloofd om opgeslagen goederen, d.w.z. goederen die niet voor direct gebruik dienen, te gebruiken.

13 De nrs. 6-9 zijn de vier agati; vgl. A.IV.17.

14 Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy 2524/1980, p.566.

15 zie: M.27 in: Soma Thera (tr.): The Lesser Discourse of the Buddha on the Elephant-footprint Simile, Kandy 1960, Bodhi Leaves No. B.5, p. 20-26; zie ook: Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pālo-Kanons, Wien 1956, (Die Elefantenspur), p. 202-204; Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle length Sayings (Majjhima-Nikāya), Vol. I. : The first fifty discourses (Mūlapaņņāsa). Oxford 2000, p. 224-226.

16 Soma Thera (tr.): The Lesser Discourse of the Buddha on the Elephant-footprint Simile, Kandy 1960, Bodhi Leaves No. B 5, p. 20-23.

17 Katz, Nathan: Buddhist Images of Human Perfection. The Arahant of the Sutta Pitaka Compared with the Bodhisattva and the Mahâsiddha. Delhi, 1989 [1982], p. 165-166, 190, 194-202 en 265.

18 anaññaposiya. Commentaar: hij heet zo omdat hij behalve voor de eigen persoon voor geen andere personen hoeft te zorgen.

19 D.w.z. hij is steeds gelijk.

20 nikkhtttadando tasathāvaresu. Commentaar: ook al gaat hij met een wandelstok rond, hij is niet van plan die stok te gebruiken om iemand te slaan.

21 heilige teksten = de Pali Canon

22 In Noord-India is het koude seizoen in de maanden januari en februari.

23 Volleerd (kevalī) = iemand die alleen leeft. De betekenis van volleerdheid, van volledigheid is eronder begrepen. Vergelijk bijvoorbeeld Sn 490: “Zij die in de wereld zwerven zonder hechten, zonder bezit, alleen en zelfbeheerst.” Dit alleen zijn heeft evenwel een diepere betekenis voor de arahant. Het heeft betrekking op het niet verwikkeld zijn in naam-en-vorm van de heilige. Hij heeft een einde gemaakt aan naam-en-vorm (Sn 537) en die combinatie wordt niet langer overdacht of is niet meer openbaar in zijn bewustzijn. In S.III.105 is gezegd dat de notitie ‘ik ben’ verschijnt als men overweegt over de vijf aggregaten, juist zoals wanneer men kijkt naar eigen spiegelbeeld dat weerkaatst wordt in een spiegel of in een kom met water. Zo is het hele waanbeeld (waanbegrip) ‘ik ben’ dat als maatstaf genomen wordt, inderdaad afhankelijk en relatief. De arahant is vrij van dat waanbeeld en steunt niet op standaardmaten van oordelen en beoordelingen (zie bijvoorbeeld Sn 842 en Sn 894); hij is daarom waarlijk alleen, volledig geïntegreerd en volleerd. Hij is een volledigheid, geboren uit inwendige eendracht die te danken is aan het feit dat zijn bewustzijn nergens meer ‘vertoeft’ ( zie Sn.810). - Zie ook  Ideale eenzaamheid

24 Een draaikolk is een stroming die terugkeert, tegen de hoofdstroom in; ze veroorzaakt zo een draaiende beweging. Deze draaikolk in samsara is eveneens het resultaat van het tegenwerken van de natuurlijke stroom met z'n drie eigenschappen van niet-blijvendheid, onvoldaanheid (lijden) en niet-zelf (oorzakelijk bestaan).

De draaikolk is er niet meer voor de Arahants omdat het tegendeel van bewustzijn, namelijk naam-en-vorm, niet langer aanwezig is [in het bewustzijn van de Arahant. Hij beschouwt naam en vorm (geestlichamelijkheid) niet meer als tot hem behorende. Er is geen ik-bewustzijn meer, alleen nog een zo-bewustzijn].

25 Gevoel, waarneming en bewustzijn zijn met elkaar verbonden. Het is onmogelijk het een van het ander te scheiden. Want wat men voelt, dat neemt men waar; en wat men waarneemt, dat komt men te weten.

26 De achttien elementen zijn: oog, zichtbaar object, oog-bewustzijn, oor, geluid, oor-bewustzijn; neus, geur, neus-bewustzijn; tong, smaak, tong-bewustzijn; lichaam, tastbare objecten, lichaam-bewustzijn; geest, ideeën, geest-bewustzijn.

27 De twaalf zintuiglijke sferen zijn: oog, zichtbaar object; oor, geluid; neus, geur; tong, smaak; lichaam, tastbare objecten; geest, ideeën. - Gewoonlijk worden zij in twee groepen verdeeld: de inwendige (= de zes zintuigen) en de uitwendige (= de resp. objecten).

28 Dit heeft betrekking op de contemplatie over het ontstaan en vergaan van de vijf aggregaten van hechten overeenkomstig het principe van paticca samuppāda.

29 Als bewustzijn het object heeft genaderd, begeert het dat object, verkrijgt het, bezet het en tenslotte wordt het bewustzijn door dat object in bezit genomen. (De rollen worden dan omgekeerd). Dit laatste is dan het zaad voor een herhaling van het hele proces tot in het oneindige. (Denk hier bijvoorbeeld aan eenmalig gebruik, gewoontevorming, verslaving).

30 Elk van de vijf aggregaten fungeert als steun of basis voor bewustzijn. Zij worden soms ‘verblijfplaatsen voor bewustzijn’ genoemd.

31 Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.

32 Het verlangen hier is slechts een andere schaduw van genotzucht. “Door de vernietiging van genot komt de vernietiging van verlangen. Door de vernietiging van verlangen komt de vernietiging van genot. En door de vernietiging van genot en verlangen wordt de geest ‘wel-bevrijd’ genoemd.” (S.III,51).

Van het verlangen naar bewustzijn zelf is gezegd dat het een steun is voor de vestiging van bewustzijn. Bewustzijn is zó parasietachtig dat het, bij afwezigheid van een tastbaardere steun, gevestigd wordt juist op het ontbreken van gehechtheid.

Zelfs als men niet wil, noch mentaal samenstelt, maar als men nog een verborgen neiging heeft, dan wordt dat een object voor het voortbestaan van bewustzijn.” (S.II,67).

33 Bewustzijn dat niet samenstelt, is bevrijd. Dezelfde idee is aangetoond door de zegswijze: “Mijn geest heeft het niet aan voorwaarden gebondene bereikt” (Dhp.154) en “De geest die gegaan is naar de sfeer van niet-samengesteld zijn.” Hiermee is bedoeld het tot rust komen van de formaties.

34 Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.

35 Gepubliceerd in: Ñânananda, Bhikkhu (transl): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Kandy 1972, The Wheel No. 183/185, p. 25-27.

36 Anders dan in M.111 betekenen deze termen hier de volledige en definitieve vernietiging van de smetten.

37 Men kan de vraag stellen waarom "vormen" (rūpā) en "dingen die door het zien-bewustzijn kunnen worden ervaren" (cakkhuviññāna-viññātabbā dhammā) afzonderlijk worden vermeld. Het commentaar op Maj.Nik. stelt twee oplossingen voor: (1) "vormen" heeft betrekking op waargenomen zien-objecten; "dingen die ..." heeft betrekking op niet-waargenomen zien-objecten. (2) "Vormen" heeft betrekking op elke materiële vorm; "dingen ..." heeft betrekking op de mentale groepen van bestaan in verband met zien-bewustzijn. De eerste suggestie gaat mank omdat aan iets dat niet in de geest doordringt, ook niets vastgehecht wordt. De tweede suggestie is onwaarschijnlijk omdat hij de symmetrie van de leerrede kapot maakt - ook geuren etc. zijn materiële vorm.

Een andere interpretatie is denkbaar: de Boeddha kiest de formulering "aan het oog, oor, enz. waarneembaar" (viññātabbā) anders meestal in verband met de vijf strengen van zinnelijk genot. Daar gaat het om meer dan alleen het proces van zien dat de Boeddha, bijv. in verband met de controle van de zintuigen als "het oog ziet een vorm" formuleert. Men zou dus kunnen zeggen dat het opgeven van 'vorm' dezelfde betekenis heeft als niet-hechten aan het proces van zien, dat het opgeven van 'dingen' dezelfde betekenis heeft als niet-hechten aan het geziene en dat wat de geest ervan maakt.

38 Men vermoedt dat een deel van deze leerrede verloren is gegaan, omdat de titel het woord "zesvoudig" bevat, en maar slechts vijf vragen gesteld werden.


naar boven  of  naar 9.3.3-4. De zeven soorten bevrijdingen  en  nibbana