?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.4. Factoren van Verlichting

Inleiding     De zeven factoren van Verlichting     Vervolmaking van de zeven factoren  van Verlichting en vervolmaking van het ware weten en bevrijding     1. oplettendheid     2. het onderzoeken van de verschijnselen     3. energie     4. enthousiasme     5. kalmte     6. concentratie     7. gelijkmoedigheid     8-11. De vier grondslagen van oplettendheid     12-15. De vier juiste inspanningen     16-19. De vier krachten     20-24. De vijf vaardigheden     20. vertrouwen     21. energie     22. oplettendheid     23. concentratie     24. wijsheid, inzicht     25-29. De vijf geestelijke krachten     De stroom, de heilige     Overweging kort na de Verlichting     25. de kracht van vertrouwen     26. de kracht van schaamte     27. de kracht van morele vrees     28. de kracht van willen     29. de kracht van wijsheid     Hoogste toeneiging     30-37. Het achtvoudige pad      De basis van de Verlichting     Onwijs en wijs nadenken over de factoren van Verlichting     Bronnen     



Factoren van Verlichting



Inleiding


    Er zijn meerdere hindernissen, boeien, smetten van de geest die vooruitgang naar het hoge doel belemmeren. Maar er zijn ook factoren die gunstig zijn voor de vooruitgang. Zij zijn een steun op de weg naar de bevrijding. Zij bevleugelen het ontwaken. Die factoren moeten ontwikkeld, ontplooid en vervolmaakt worden.

    Er worden zeven speciale factoren van Verlichting genoemd, en dertig andere elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35; A.I.18)

    De zeven factoren van Verlichting zijn: oplettendheid; het onderzoeken van de verschijnselen; energie; enthousiasme, geestvervoering; kalmte; concentratie; gelijkmoedigheid. (A.I.35)

    De overige dertig elementen van Verlichting die vermeld worden, zijn: de vier grondslagen van oplettendheid; de vier juiste inspanningen; de vier krachten; de vijf vaardigheden; de vijf geestelijke krachten; het achtvoudige pad.


    De zeven factoren van Verlichting worden ook vermeld bij de andere dertig elementen van de Verlichting. Ik probeer die factoren en elementen hier iets nader uit te leggen.


De zeven factoren van Verlichting


    De zeven factoren van Verlichting (satta bojjhanga), de geestelijke factoren die naar het Doodloze leiden, zijn:

1. Oplettendheid (sati).

2. Het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya).

3. Energie (viriya).

4. Enthousiasme, geestvervoering, extase (pīti).

5. Kalmte (passaddhi).

6. Concentratie (samādhi).

7. Gelijkmoedigheid (upekkha). (A.I.35)


    Wanneer deze zeven factoren goed worden ontwikkeld, leiden ze naar volmaakte wijsheid en naar Nibbāna. Ze worden bevorderd door afzondering, ontzegging, onthechten, loslaten. (M.77; M.118; S.46.17; S.46.26-27)

    Door de vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, worden de zeven factoren van Verlichting tot volmaaktheid gebracht. (S.54.13) En de zeven factoren van Verlichting, ontplooid en ontwikkeld, brengen weten en bevrijding tot volmaaktheid. (S.54.13)

    De ontplooide en geoefende vier grondslagen van oplettendheid vervolmaken de zeven factoren van Verlichting. En de ontplooide en geoefende zeven factoren van Verlichting vervolmaken het ware weten en bevrijding. (M.118)

    “Degenen wier geest goed volmaakt is in de factoren van Verlichting, zij die zonder vurig verlangen zich verheugen in de ontzegging van gehechtheid, zij hebben Nibbāna al in dit leven bereikt.” (Dhp. 89).



Vervolmaking van de zeven factoren van Verlichting en vervolmaking van het ware weten en bevrijding


    De ontplooide en geoefende zeven factoren van Verlichting vervolmaken het ware weten en bevrijding, en wel aldus:

    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu vertoeft en het lichaam als een lichaam beschouwt, - of gevoelens als gevoelens beschouwt, - of de geest als geest beschouwt, - of objecten van de geest als objecten van de geest beschouwt, - ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd, - bij die gelegenheid is onafgebroken oplettendheid in hem verankerd. Steeds wanneer onafgebroken oplettendheid in een bhikkhu is verankerd, bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van oplettendheid in hem voortgebracht. Hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid.

    Op die manier doorgrondt en onderzoekt hij die toestand met wijsheid en begint hij met exact navorsen ervan. Steeds wanneer een bhikkhu zo oplettend vertoeft en die toestand met wijsheid doorgrondt en onderzoekt en met exact navorsen ervan begint, – bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid.

    Bij iemand die deze toestand met wijsheid doorgrondt en onderzoekt en met exact navorsen ervan begint, wordt onvermoeibare energie voortgebracht. Steeds wanneer onvermoeibare energie wordt voortgebracht in een bhikkhu die deze toestand met wijsheid doorgrondt en onderzoekt en met exact navorsen ervan begint, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van energie bij hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid.

    In iemand die energie heeft voortgebracht, verschijnt bovennatuurlijk enthousiasme. Steeds wanneer bovennatuurlijk enthousiasme verschijnt in een bhikkhu die energie heeft voortgebracht, – bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van enthousiasme, vervoering1 in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid.

    Bij iemand die in vervoering is, worden lichaam en geest kalm. Steeds wanneer lichaam en geest kalm worden in een bhikkhu die enthousiast, in vervoering is, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van kalmte in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid.

    Bij iemand wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, wordt de geest geconcentreerd. Steeds wanneer de geest kalm is in een bhikkhu wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van concentratie in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die factor in hem tot volmaaktheid.

    Met gelijkmoedigheid beschouwt hij nauwkeurig de geest die zo geconcentreerd is. Steeds wanneer een bhikkhu met gelijkmoedigheid de geest nauwkeurig beschouwt, die zo geconcentreerd is, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van gelijkmoedigheid in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die factor in hem tot volmaaktheid.

    Bhikkhus, zo vervolmaken de ontplooide en geoefende vier grondslagen van oplettendheid de zeven factoren van Verlichting. (M.118)

(Vervolmaking van het ware weten en bevrijding)

    Bhikkhus, hoe vervolmaken de ontplooide en geoefende zeven factoren van Verlichting waar weten en bevrijding?

    Bhikkhus, een bhikkhu ontplooit de factor van Verlichting van oplettendheid, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van energie, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van enthousiasme, vervoering, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van kalmte, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van concentratie, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Hij ontplooit de factor van Verlichting van gelijkmoedigheid, welke factor bevorderd wordt door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en tot loslaten leidt.

    Bhikkhus, zo vervolmaken de ontplooide en geoefende zeven factoren van Verlichting echt weten en bevrijding." (M.118)


    Terwijl men die factoren zo ontplooit, verdwijnt de dorst en dan verdwijnt de wilsactie. Met het verdwijnen van wilsactie verdwijnt het lijden. Zo komt het door opdroging van de dorst tot opdroging van wilsactie en door opdroging van wilsactie tot opdroging van lijden. (S.46.26.-27)



[1] Oplettendheid

    Men moet steeds oplettend zijn bij alle daden, zowel geestelijke, mondelinge en schriftelijke of lichamelijke activiteiten. Oplettendheid is hoger dan geleerdheid. Want zonder oplettendheid is men niet in staat om het geleerde in praktijk te brengen. Ook is men dan niet in staat om slechte gedachten te verdrijven en om ze te vervangen door goede.

    Oplettendheid is het belangrijkste instrument bij zelfdiscipline. Men beschouwt het lichaam, de gevoelens, de geest (de toestanden van bewustzijn), en men beschouwt de objecten van de geest, beschouwt geestelijke objecten.

    De kracht van oplettendheid (sati-indriya), is te herkennen aan de vier grondslagen van oplettendheid. (A.V.15; S.48.8) Ze bestaat hierin: een edele volgeling is begiftigd met volle aandacht en behoedzaamheid, is oplettend, begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest. Wat er ooit gedaan en gezegd werd, dat herinnert men zich goed en dat onthoudt men. Zo waakt men bij het lichaam over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het hart over het hart, bij de verschijnselen over de verschijnselen, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldlijke begeerte en droefenis. (S.48.10; A.I.35).

    “Monniken, oplettendheid is zó krachtig dat erdoor goede gedachten ontstaan die nog niet zijn ontstaan, of dat erdoor slechte gedachten afnemen die al zijn ontstaan.” (Ang.Nik.)

    “Degene die behagen schept in oplettendheid en die met vrees onoplettendheid, onachtzaamheid beschouwt, die zal niet terugvallen. Hij of zij is in de nabijheid van Nibbāna.” (Dhp.32).

    De factor van Verlichting van oplettendheid is bij iemand verankerd en wordt bij hem voortgebracht wanneer hij het lichaam als een lichaam2 beschouwt, oplettend, na hebzucht en droefenis tegenover de wereld, na gehechtheid aan de wereld te hebben geëlimineerd.

    Of wanneer men gevoelens als gevoelens3 beschouwt, helder bewust, met onafgebroken oplettendheid.

    Of wanneer men de geest als geest4 beschouwt, oplettend en helder bewust.

    Of wanneer men objecten van de geest als objecten van de geest5 beschouwt. (M.118; A.I.35)


    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu aldus vertoeft, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd, - bij die gelegenheid is onafgebroken oplettendheid in hem verankerd. Steeds wanneer onafgebroken oplettendheid is verankerd in een bhikkhu – bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van oplettendheid in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)


(Vervolmaking van de vier grondslagen van oplettendheid)

    "Bhikkhus, hoe vervolmaakt de ontplooide en geoefende oplettendheid op de adem de vier grondslagen van oplettendheid?

    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu begrijpt dat hij lang inademt of lang uitademt als hij lang inademt of lang uitademt; wanneer hij begrijpt dat hij kort inademt of kort uitademt als hij kort inademt of kort uitademt; steeds wanneer hij oefent, 'ik zal inademen en ik zal uitademen en ik zal me van het hele ademhalingsproces bewust zijn; wanneer hij oefent: 'ik zal inademen en ik zal uitademen en ik zal het hele ademhalingsproces tot rust brengen; - bij die gelegenheid beschouwt een bhikkhu het lichaam als een lichaam, ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd. Ik zeg dat dit een bepaald lichaam is onder de lichamen,6 namelijk het in- en uitademen. Op grond daarvan beschouwt een bhikkhu bij die gelegenheid het lichaam als een lichaam, ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.

    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij enthousiame, vervoering ondervinden,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij zaligheid ondervinden,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de formatie van de geest ondervinden,'7 wanneer hij oefent: 'ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de formatie van de geest tot rust brengen,' – bij die gelegenheid beschouwt een bhikkhu gevoelens bij gevoelens, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd. Ik zeg dat dit een bepaald gevoel onder de gevoelens is, namelijk wanneer men het in- en uitademen precies vervolgt. Op grond daarvan beschouwt een bhikkhu bij die gelegenheid gevoelens als gevoelens, ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.

    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de geest ondervinden,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de geest blij maken,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de geest concentreren,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de geest bevrijden,'8 – bij die gelegenheid beschouwt een bhikkhu de geest, ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd. Ik zeg niet dat de ontplooiing van de oplettendheid op de ademhaling in iemand plaats vindt die het oplettend zijn vergeet, die niet volledig helder bewust is. Op grond daarvan beschouwt een bhikkhu bij die gelegenheid de geest als geest ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.

    Bhikkhus, steeds wanneer een bhikkhu oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de vergankelijkheid beschouwen,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de verzaking beschouwen,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij het beëindigen beschouwen,' wanneer hij oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij het loslaten beschouwen,' - bij die gelegenheid beschouwt een bhikkhu objecten van de geest als objecten van de geest, ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd. Nadat hij het overwinnen van hebzucht en droefenis met wijsheid heeft gezien, ziet hij met gelijkmoedigheid precies toe. Op grond daarvan beschouwt een bhikkhu bij die gelegenheid de objecten van de geest als objecten van de geest,9 ijverig, volledig waakzaam en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.

    Bhikkhus, zo vervolmaakt de ontplooide en geoefende oplettendheid op de adem de vier grondslagen van oplettendheid.

    "Welnu, wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van oplettendheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van oplettendheid.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt." (M.10)


    Oplettendheid wordt ook vermeld als de elementen van Verlichting van de vier grondslagen van oplettendheid [8-11]; als de geestelijke vaardigheid van oplettendheid [22]; verder is oplettendheid deel van de vijf geestelijke krachten [28]; en juiste oplettendheid is een deel van het achtvoudige pad [36].



[2] Het onderzoeken van de verschijnselen

    Het onderzoeken van de verschijnselen is het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Al wat samengesteld is, valt weer uiteen, verandert; het is zonder blijvende kern, zonder zelfstandigheid. Alles is aan voorwaarden gebonden. Het is niet blijvend en daarom brengt het leed. Dit begrijpen van de wetten van vergankelijkheid, leed en niet-zelf is doordringend inzicht.

“Wanneer men nadenkt over het ontstaan en vergaan van de verschijnselen, ondervindt men vreugde en geluk. Dit is het Doodloze, Nibbāna.” (Dhp.374).

    De factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen wordt voortgebracht wanneer iemand de factor van Verlichting van oplettendheid met wijsheid onderzoekt, doorgrondt en wanneer hij begint met exact navorsen ervan. Steeds wanneer een bhikkhu zo oplettend vertoeft en die toestand met wijsheid doorgrondt en onderzoekt en met exact navorsen ervan begint, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor, en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten.' Of wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten geschiedt. (M.10)

    Deze factor wordt ook genoemd bij de vier krachten (iddhi-pada), zie [19], de concentratie van onderzoek. (M.77)



[3] Energie

    Energie of juiste inspanning is een geestelijke eigenschap. Iedereen moet zelf streven naar zijn of haar eigen bevrijding. Anderen kunnen daarbij wel een hulp zijn, maar de uiteindelijke vrijheid van leed, van het onvoldane moet door ieder zelf worden bewerkstelligd.

    De kracht van energie is te herkennen aan de vier juiste inspanningen (sammappadhana) die als de elementen [12-15] zijn vermeld. Energie is ook een van de geestelijke vaardigheden of krachten (viriya-indriya), zie [21] en [28]. En energie maakt deel uit van het achtvoudige pad, zie [35].

De kracht van energie (of de kracht van de wil) bestaat hierin: Men spant zich in om al wat onheilzaam is op te geven, te overwinnen; men spant zich in om het kwade dat al in de geest is ontstaan, uit te roeien, en het kwade dat nog niet is ontstaan, te voorkomen.

    Men spant zich in om al wat heilzaam is te verwerven; men spant zich in om niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan; men spant zich in om ontstane heilzame dingen te vestigen, verder te ontwikkelen, te ontplooien en tot rijpheid te laten komen. Men is standvastig en sterk in zijn inspanningen en men onttrekt zich niet aan de taak om datgene te doen wat heilzaam is. (A.V.2; A.I.35; M.77; A.IV.13-14; S.48.8; S.48.10; S.51.13)

    De factor van Verlichting van energie wordt voortgebracht wanneer men met wijsheid de factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen onderzoekt, doorgrondt en begint met exact navorsen ervan. Steeds wanneer onvermoeibare energie voortgebracht wordt in een bhikkhu die die toestand met wijsheid doorgrondt en onderzoekt en met exact onderzoek ervan begint, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van energie in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van energie aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van energie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van energie afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van energie.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt. (M.10)

    Wanneer men op de energie, het hart, het onderzoeken is gesteund, verkrijgt men concentratie, verkrijgt men concentratie van het hart. Men wekt de wil op voor de vier juiste inspanningen. Dat noemt men strijdformaties.

    Zo noemt men deze energie, deze concentratie van energie en deze strijdformaties, de met de concentratie van de energie verworven geestelijke kracht.

    Zo noemt men dit hart, deze concentratie van het hart en deze strijdformaties, de met de concentratie van het hart verworven geestelijke kracht.

    Zo noemt men dit onderzoeken, deze concentratie van onderzoeken en deze strijdformaties, de met de concentratie van onderzoeken verworven geestelijke kracht. (S.51.13)

    Energie wordt ook als kracht van de wil, wilskracht, inspanning vermeld, zie [16] [17] [21] [28]



[4] Enthousiasme

    Enthousiasme, pīti wordt soms ook vertaald met: geluk (sukkha). Maar pīti is geen gevoel, het is vreugdevolle belangstelling, enthousiasme.

    Een prettig gevoel is iets van tijdelijke aard. Echt geluk komt niet door iets te verlangen of door aan iets te hechten, maar echt geluk komt door op te geven. De onthechte houding ten opzichte van de wereld brengt waar geluk.

    Wanneer men zichzelf vrij ziet van de vijf hindernissen ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat enthousiame, vervoering. Bij degene wiens geest vol enthousiame, vol vervoering is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie. (D.2)

    Zuivere vreugde komt bijvoorbeeld als men denkt: “Anderen kunnen verkeerd doen in daden, woorden en gedachten, maar ik zal niet verkeerd doen in daden, woorden en gedachten.” (Zie de toespraak over uitwissing).

    Deze factor van Verlichting, enthousiame, vervoering en geluk doordringt zowel het lichaam als de geest. Tevredenheid is een eigenschap van de werkelijk gelukkige persoon.

    In iemand die energie heeft voortgebracht, verschijnt bovennatuurlijke vervoering. Steeds wanneer bovennatuurlijke vervoering in een bhikkhu wordt voortgebracht, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van vervoering in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van vreugde aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van vreugde.' Of wanneer de verlichtingsfactor van vreugde afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van vreugde.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van vreugde geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van vreugde geschiedt. (M.10)



[5] Kalmte


    De factor van kalmte is tweevoudig: (a) kalmte van het lichaam, kalmte van de factoren van gevoelens, waarneming en willen; (b) kalmte van de geest, van bewustzijn, van het gemoed.

    Met een onrustige geest kan concentratie niet met succes worden beoefend. Het is moeilijk om ook onder ongunstige omstandigheden kalm van geest te blijven. Systematische overdenking is een hulp om de onrustige geest tot rust te brengen. Als men een rustige geest heeft, kan men concentratie met succes ontwikkelen.

    Kalmte is geen slapheid. Het is moeilijk om een kalme houding te bewaren onder alle omstandigheden.

    Bij iemand wiens geest enthousiast, in vervoering is, worden lichaam en geest kalm. Steeds wanneer lichaam en geest kalm worden in een bhikkhu wiens geest in vervoering is, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van kalmte in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van kalmte aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van kalmte.' Of wanneer de verlichtingsfactor van kalmte afwezig is, weet men met begrip: ' Ik heb niet de verlichtingsfactor van kalmte.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt. (M.10)

    De Boeddha adviseerde aan alle monniken om stil, zonder wens te zijn. Dit advies geldt ook voor leken. Hoewel de wereldling de uiteindelijke vrede nog niet heeft bereikt, kan hij of zij door een ijverige ontwikkeling van kalmte als het ware een schaduw van die stilheid ondervinden.

    Als de geest van alle zinnelijke gedachten is gezuiverd en op een onderwerp van concentratie is gericht, dan wordt ze volkomen stil. Ze wordt dan ook zeer krachtig, zó krachtig dat prestaties als levitatie, helderziendheid, helderhorendheid, gedachten lezen, herinnering aan vroegere levens enz. mogelijk worden. Stilheid, kalmte van geest leidt tot diep, helder, waar inzicht.


[6] Concentratie


    Bij concentratie is de geest op één punt gericht en zwerft niet meer rond. Wanneer de geest kalm is, wordt ze krachtig. En ze ziet dan de dingen zoals ze werkelijk zijn. Door een kalme, rustige geest worden alle oppervlakkigheden en onbenulligheden vermeden.

    De geest kan iemand ziek maken; maar ze kan ook iemand gezond laten blijven. Iemand met een optimistische geest heeft meer kans om beter te worden dan een patiënt die (over)bezorgd is en ongelukkig.

    Concentratie (meditatie) is niet een denken over iets, maar het is de aandacht houden bij een onderwerp zodat de geest niet afdwaalt. Juiste concentratie verdrijft verlangens die de geest verstoren en brengt zuiverheid en kalmte van geest. Iemand die concentratie wil beoefenen, moet deugdzaam zijn. Want door deugdzaamheid wordt het geestelijke leven gevoed.

    Concentratie wordt gewoonlijk beoefend op een rustige plek. Want een rustige omgeving is bevorderlijk voor een rustige geest. Men moet een speciaal onderwerp voor concentratie nemen en dat met oplettendheid in de geest houden. Dan moet men de geest op dat onderwerp richten en ze niet laten rondzwerven. Vanzelfsprekend zal de geest rondzwerven, van de hak op de tak springen. Een kalf wordt aan een paal gebonden om te vermijden dat het vrij rondloopt zover als het kan. De paal en het touw verhinderen weglopen en tenslotte blijft het kalf in de buurt van de paal liggen. Evenzo is de geest: het touw is oplettendheid en de paal is het gekozen onderwerp van concentratie. Als de geest telkens teruggebracht wordt naar het onderwerp van concentratie, zullen wij geleidelijk de geest bedwingen en er meester over worden.

    Concentratie is een noodzakelijke basis voor inzicht en wel door het zuiveren van de geest van de mentale hindernissen. Daardoor wordt het lichaam kalm en ook de geest.

    De wijze zoekt niet het oppervlakkige, maar hij of zij zoekt dieper. En dan komt t.z.t. een flits van inzicht. Dan ziet men de waarheid niet door studie maar uit eigen ervaring. Dan is men in de stroom naar het Doodloze.

    Bij iemand wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, wordt de geest geconcentreerd. Steeds wanneer de geest geconcentreerd wordt in iemand wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van concentratie in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor, en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van concentratie aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van concentratie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van concentratie afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van concentratie.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt. (M.10)

    De verlichtingsfactor van concentratie wordt ook vermeld bij de vier krachten, (iddhi-pada) [nrs. 16-19]. Ze wordt ook genoemd bij de vijf vaardigheden of krachten (indriya en bala), zie [23] samādhindriya, en [28]. Concentratie is als juiste ontwikkeling van de geest een deel van het achtvoudige pad, zie [37].

    De kracht van concentratie bestaat hierin: de edele volgeling heeft het loslaten, de onthechting, tot centraal beginpunt gemaakt, en zo verkrijgt hij concentratie en eenheid van het hart. Ver van begeerte, ver van onheilzame dingen vertoeft hij in de eerste, de tweede, derde en vierde jhana. (A.V.14-15; S.48.8; S.48.10)

    En met de eerste, tweede, derde of vierde jhana zijn verbonden de vaardigheden en krachten van vertrouwen [zie nr.20], energie [zie nr. 3], oplettendheid [zie nr. 1], concentratie en wijsheid [zie nr.24]. (A.I.35)

    Wanneer men ook maar voor een ogenblik de eerste, tweede, derde of vierde jhana ontplooit, dan is dat niet tevergeefs. Men volgt de regels van de Meester, handelt in overeenkomst met de instructies. Hoeveel te meer geldt dit voor diegenen die de jhanas vaak oefenen. (A.I.35; zie ook A.I.26; A.II.13)

[7] Gelijkmoedigheid


    Gelijkmoedigheid is een ethische eigenschap en moet niet verward worden met onverschilligheid. Het is evenwicht van de geest. Het is moeilijk een gelijk gemoed te hebben onder alle omstandigheden. Gelijkmoedigheid is een gevolg van een kalme geconcentreerde geest. Men wordt niet meer geraakt door geluk noch door pijn, omdat men verlangen en afkeer heeft opgegeven. (zie: Dhp.83)

    Door te begrijpen dat wilsacties (kamma) gevolgen hebben, kan men eerder gelijkmoedigheid ontwikkelen. Men is dan in staat om een onthechte houding te hebben ten opzichte van alle wezens en om gelijkmoedig te zijn.

    Wij zijn zelf verantwoordelijk voor onze wilsacties. Dat betekent ook dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van die acties. Wij moeten dan ook niemand anders de schuld geven van iets dat we zelf hebben veroorzaakt.

    De factor van Verlichting van gelijkmoedigheid wordt voortgebracht bij iemand die de geconcentreerde geest met gelijkmoedigheid beschouwt. Steeds wanneer een bhikkhu met gelijkmoedigheid de geest nauwkeurig beschouwt die zo geconcentreerd is, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van gelijkmoedigheid in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die factor in hem tot volmaaktheid. (M.118)

    Wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt. (M.10)

    'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.'

Wanneer worden blijdschap en droefenis geëlimineerd?

    In gelijkmoedigheid wordt men niet meer geraakt door geluk en niet meer door pijn. Er is dan geen voorkeur en geen afkeer. Er is dan geen blijdschap en geen droefenis.

    In gelijkmoedigheid treedt men binnen en verblijft men in de derde meditatieve verdieping. Maar die is nog vol lichamelijk ondervonden geluk en vreugde. (S.28.3; M.26; M.77; M.79; M.107, M.111; M.112; S.16.9; A.II.13; A.V.28)

    Gelijkmoedigheid zonder geluk en zonder vreugde, zonder angst en zonder leed, zonder droefenis is er als men binnentreedt en vertoeft in de vierde meditatieve verdieping. Ze is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid. (S.28.4; M.26; M.43; M.44; M.77; M.79; M.107; M.111; M.112; S.16.9; A.II.13; A.V.28)

    Gelijkmoedigheid is de voornaamste geestelijke factor in de vierde jhana en ook in de vormloze meditatieve verdiepingen.



De overige elementen van Verlichting


    De overige elementen van Verlichting die vermeld worden, zijn:

8-11. De vier grondslagen van oplettendheid (satipattana);

12-15. de vier juiste inspanningen (samma-ppadhana);

16-19. de vier krachten (iddhi-pada);

20-24. de vijf vaardigheden of krachten (indriya);

25-29. de vijf geestelijke krachten (bala);

30-37. het achtvoudige pad (atthangika-magga).


[8-11] De vier grondslagen van oplettendheid (satipattana)


    [8] Men vertoeft in de beschouwing van het lichaam; [9] men vertoeft in de beschouwing van de gevoelens; [10] men vertoeft in de beschouwing van de toestanden van de geest, het bewustzijn, de gedachten; [11] men vertoeft in de beschouwing van de objecten van de geest.

    Men doet dat ijverig, helder bewust en oplettend, na overwinning van begeerte en verdriet.

Wat wordt hiermee bedoeld?

    Ad [8] Men beschouwt alleen het lichaam, en niet de gevoelens of gedachten die ontstaan ten gevolge van lichamelijk contact. - En men identificeert zich niet met het lichaam, dus: "dit is een lichaam"; en niet: "dat ben ik." Idem met gevoelens e.d.

    Ad [9] Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, neutraal gevoel. Om deze drie soorten van gevoel te doorzien moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien. (S.47.49)

    ad [10] Hoe beschouwt men de geest bij de geest? - Men begrijpt de geest met begeerte als ze met begeerte is. En men begrijpt de geest zonder begeerte als ze zonder begeerte is. Men begrijpt de geest met afkeer als ze vol afkeer is, en men begrijpt de geest zonder afkeer als ze zonder afkeer is. Men begrijpt de geest met onwetendheid als ze vol onwetendheid is; en men begrijpt de geest zonder onwetendheid als ze zonder onwetendheid is. Men begrijpt de bekrompen geestelijke staat als bekrompen, en de verstrooide geestelijke staat begrijpt men als verstrooid. Men begrijpt de ontwikkelde geestelijke staat als ontwikkeld; en men begrijpt de niet ontwikkelde geestelijke staat als niet ontwikkeld. De overtrefbare geestelijke staat begrijpt men als overtrefbaar; en de niet overtrefbare geestelijke staat begrijpt men als niet overtrefbaar. De geconcentreerde geestelijke staat begrijpt men als geconcentreerd; en de niet geconcentreerde geestelijke staat begrijpt men als niet geconcentreerd. De bevrijde geestelijke staat begrijpt men als bevrijd; en de niet bevrijde geestelijke staat begrijpt men als niet bevrijd.

    Zo beschouwt men de geest bij de geest.

    Ad [11] Men beschouwt de geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf hindernissen op de volgende manier:

    Als zinnelijkheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb zinnelijkheid.' Of als zinnelijkheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb geen zinnelijkheid.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane zinnelijkheid geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane zinnelijkheid geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven zinnelijkheid geschiedt.

    Als kwaadwil, afkeer aanwezig is, of afwezig, weet men met begrip: 'ik heb afkeer,' of 'ik heb geen afkeer.' Men begrijpt hoe afkeer ontstaat; en men begrijpt hoe men afkeer kan opgeven. En men begrijpt hoe men kan voorkomen dat afkeer in de toekomst zal ontstaan.

    Evenzo met traagheid en starheid, rusteloosheid en gewetenswroeging, en twijfel.

    Men beschouwt voortdurend het ontstaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

    Bij het beschouwen van de geestelijke objecten gaat het niet alleen om een passief beschouwen, maar ook om het afnemen van onheilzame toestanden en het bevorderen van heilzame toestanden.

    Men weet wanneer de vijf hindernissen aanwezig zijn en wanneer ze afwezig zijn. Men weet ook hoe ze ontstaan, hoe men ze opgeeft en hoe men kan voorkomen dat ze weer ontstaan.

    Verder beschouwt men geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf groeperingen van hechten. En hoe doet men dat?

    Men denkt: 'Zo is materiële vorm; zo is het ontstaan van materiële vorm; en zo is het verdwijnen van materiële vorm. Zo is gevoel; zo is het ontstaan van gevoel; en zo is het verdwijnen van gevoel. Zo is gewaarwording; zo is het ontstaan van gewaarwording; en zo is het verdwijnen van gewaarwording. Zo zijn de geestelijke formaties; zo is het ontstaan van de geestelijke formaties; en zo is het verdwijnen van de geestelijke formaties. Zo is bewustzijn, zo is het ontstaan van bewustzijn; en zo is het verdwijnen van bewustzijn.’

    De vijf groepen van bestaan waaraan men gehecht kan zijn, zijn vijf groepen van factoren die de individuele persoonlijkheid vormen: materiële vorm, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn. Materiële vorm is niet alleen te zien als het eigen lichaam, maar ook uiterlijk omdat zij immers de beleveniswereld is waarop de ik-illusie zich baseert – "dit is van mij, dit behoort mij toe".

    Verder beschouwt men geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen. En hoe doet men dat?

    Men begrijpt het oog (visuele orgaan) en materiële vormen en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt het oor (gehoororgaan) en de geluiden en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt de neus (het ruikorgaan) en geuren en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt de tong (het smaakorgaan) en smaken en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt het lichaam (het tastorgaan) en tastbare objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt bewustzijn (het besef-orgaan) en geestelijke objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide.

    Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

    Men weet hoe materiële vorm, gevoel, gewaarwording en gedachten en ideeën ontstaan en weer verdwijnen. Men begrijpt dat er via oog en voorwerp (object) oog-contact ontstaat en visueel bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

    Idem met de overige zintuigen, objecten en zintuiglijk bewustzijn.

    Verder beschouwt men geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zeven factoren van Verlichting. En hoe doet men dat?

    Wanneer de verlichtingsfactoren van oplettendheid, van het onderzoeken van geestelijke objecten, van energie, van vreugde (enthousiasme), van concentratie en van gelijkmoedigheid aanwezig zijn, weet men met begrip dat men die factoren heeft. Wanneer ze afwezig zijn, weet men met begrip dat men die factoren niet heeft. Men begrijpt hoe die verlichtingsfactoren kunnen ontstaan en hoe ze ontwikkeld en vervolmaakt kunnen worden.

[Meer over de grondslagen van oplettendheid, zie: De vier grondslagen van oplettendheid]



[12-15] De vier juiste inspanningen (samma-ppadhana)

    De vier juiste inspanningen zijn:

    [12] Men spant zich in om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om slechte en onheilzame staten te vermijden.

    [13] Men spant zich in om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; de inspanning om kwaad dat al is ontstaan, te verwijderen; de inspanning om slechte en onheilzame staten te overwinnen.

    [14] Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; de inspanning om het goede dat nog niet is ontstaan, te cultiveren; de inspanning om goede en heilzame staten te produceren.

    [15] Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken; de inspanning om het goede dat al is ontstaan, te bevorderen; de inspanning om goede en heilzame staten te handhaven. (M.77; S.48.8; zie ook A.I.35; A.IV.13-14; A.IX.5)

Deze inspanningen zijn ook genoemd bij de Verlichtingsfactoren [3] en [28] energie en de kracht van willen.



[16-19] De vier krachten (iddhi-pada)

    Men ontplooit de vier grondslagen van geestelijke krachten (wegen naar macht). Deze krachten bestaan uit [16] de concentratie van gedachten, concentratie van de wil (chanda); [17] de concentratie van de wilskracht, concentratie van energie (viriya), (zie ook Verlichtingsfactor nr. 3); [18] de concentratie van de geest, concentratie van bewustzijn, van het gemoed (citta); [19] de concentratie van onderzoek (vimamsā) (zie ook Verlichtingsfactor nr. 2). (S.51.1; S.51.11; M.77; A.I.35; A.IV; zie ook A.V.67-68)

    Ze worden begeleid door inspanning en vastberadenheid. (A.I.35; A.V.67-68)

    De vier grondslagen van geestelijke kracht, ontplooid en geoefend, brengen grote vrucht en grote zegen. (S.51.12, 20) En hoe brengen ze grote vrucht en zegen? - De wil, de energie, het gemoed (de geest, het hart) en het onderzoeken zijn niet te slap noch te strak gespannen. Ze zijn niet verstrooid noch star. Men neemt het vroegere en latere waar. Vroeger-later; boven-beneden; overdag-'s-nachts. Zo ontplooit men met open gemoed een zelflichtend bewustzijn (gemoed).

    Hoe zijn de wil, de energie, het gemoed (bewustzijn) en het onderzoeken niet te slap noch te strak gespannen. Hoe zijn ze niet verstrooid noch star.

    Als ze begeleid worden door traagheid, door opwinding, door matte moeheid, als ze aan de vijf wensgenietingen naar buiten verstrooid en vervallen zijn, dan zijn ze te strak gespannen. (S.51.20)

    En hoe blijven de wil, de energie, het gemoed, het onderzoeken binnen? Wanneer ze door starheid en matheid begeleid worden, eraan geboeid zijn, dat noemt men een wil, een energie, een gemoed, een onderzoeken die binnen blijven.

    En hoe zijn de wil, de energie, het gemoed, het onderzoeken naar buiten verstrooid? Wanneer ze aan de vijf zintuiglijke genietingen naar buiten verstrooid zijn, dat noemt men een wil, een energie, een gemoed, een onderzoeken die naar buiten verstrooid zijn. (S.51.20)

    Hoe neemt men het vroegere en het latere waar? - Men heeft goed opgepast bij het waarnemen van het vroegere en het latere. Men heeft het goed begrepen, met wijsheid doordrongen.

Hoe vertoeft men boven en ook beneden? – Men beschouwt het lichaam met zijn onreinheden, walgelijkheden, van top tot teen. Men overweegt aldus:

    “Dit lichaam is begrensd binnen de huid en is vol van menigerlei onzuiverheden, van top tot teen. Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, beenderen, merg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusslijm, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.”

    Op dezelfde manier doet men dat overdag en 's nachts.

    Hoe ontplooit men met een onverhuld gemoed een zelflichtend hart? – Men heeft de waarneming van licht goed opgevat, de waarneming van de dag goed bewaard.

    Op die manier brengen de vier geestelijke krachten grote vrucht en grote zegen. Indien zij zo ontplooid en ontwikkeld worden, kan men op veelvuldige manier magische krachten ontwikkelen, tot en met de uitdroging van de neigingen. (S.51.11 en 20)

    Wie zo die vier grondslagen van geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, die kan op veelvuldige manier de ontplooiing van die krachten ondervinden. (S.51.11)

    De kracht om uit één veelvuldig te worden, en uit veelvuldig weer één. De kracht om zich zichtbaar te maken en onzichtbaar. De kracht om ongehinderd door wanden, muren, bergen te gaan als door de lucht. De kracht om in de aarde op- en onder te duiken als in water. De kracht om op het water te lopen als op vaste bodem. De kracht om zich in zittende houding in de lucht te bewegen als een vogel. De kracht om met de hand de maan en de zon aan te raken. De kracht om lichamelijk invloed uit te oefenen tot in de Brahmā-wereld (zijn lichaam te beheersen tot in de Brahma-wereld).

    Wanneer men de vier geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, dan kan men met het hemelse oor beide soorten geluiden horen, de hemelse en de aardse, die van veraf en die van dichtbij.

    Men kan dan ook de geest van anderen doordringen. Het gemoed met verlangen, het gemoed met afkeer, het gemoed met waan, het standvastige gemoed en het verstrooide, het edelmoedige en het niet edelmoedige gemoed, het overtrefbare en het niet overtrefbare gemoed, het niet geconcentreerde en het geconcentreerde gemoed, het niet bevrijde en het bevrijde gemoed.

    Men kan zich dan aan veel verschillende vormen van bestaan herinneren, aan één geboorte en aan twee geboorten, aan 3, 4, 5, 10 geboorten, aan 20, 30, 40, 50, 100 geboorten, aan 1000 en aan 100.000 geboorten. Men kan zich herinneren aan talrijke perioden van wereldvergaan en aan talrijke perioden van wereldontstaan en aan talrijke perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. “Toen had ik die naam, behoorde tot die familie, was van die kaste, kreeg dat voedsel, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo oud. Vandaar heengegaan werd ik elders wedergeboren. Ik had dan die of die naam (etc).” Zo kan men zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan herinneren met de bijzondere gebeurtenissen en details.

    Men kan dan met het hemelse oog de wezens overzien en kennen hoe zij heengaan en wedergeboren worden, lage en voorname, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, overeenkomstig hun kamma.

    Wanneer men de vier geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, dan kan men de neigingen laten uitdrogen en de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid, al in dit leven verwerkelijken en bemachtigen. (S.51.11; zie ook S.51.18)

    De weg naar geestelijke kracht bestaat hierin: men ontplooit de concentratie van de wil, van energie, van het hart en van het onderzoeken. En dat doet men door het edele achtvoudige pad. (S.51.19)

    Allen die vroeger, thans of toekomstig geestelijke (magische) krachten hadden/hebben/zullen hebben, zij allen deden/doen dat door ontplooiing en oefening van de vier grondslagen van geestelijke kracht. (S.51.5-6, 16-17)

    Allen die vroeger, thans of toekomstig door uitdroging van de neigingen nog in hun leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid zelf verwerkelijkten, die deden/doen dat door ontplooiing en oefening van de vier grondslagen van geestelijke kracht. (S.51.7)

    De grondslagen van geestelijke kracht, (de vier wegen naar macht), ontplooid en vaak geoefend, leiden naar de andere oever.



[20-24] De vijf vaardigheden (indriya)


    Iemand die in hogere training is, heeft vijf geestelijke vaardigheden, en wel: [20] de geestelijke vaardigheid van vertrouwen (saddhindriya), [21] de geestelijke vaardigheid van energie (viriya-indriya); [22] de geestelijke vaardigheid van oplettendheid, bezonnenheid (sati-indriya); [23] de geestelijke vaardigheid van concentratie (samādhindriya) en [24] de geestelijke vaardigheid van wijsheid, inzicht (paññindriya). (A.I.35; S.48.1, S.48.10-11, S.48.59-60; A.V.2 ; A.V.13-15; M.77; zie ook A.III.21, A.IV.152-155; A.IV.162; A.IV.258 en A.VI.55)

    Deze vermogens bevleugelen het ontwaken. (S.48.67-70)

    Zij kunnen alleen daar ontstaan, waar een Volmaakte, Heilige, volmaakt Ontwaakte verschijnt of de Orde van de Welkomene. (S.48.59-60)


    Deze vijf vermogens, ontplooid en ontwikkeld, leiden naar het overwinnen van de boeien, naar het uitroeien van de verlangens, naar het doorschouwen van de tijd, naar uitdroging van de neigingen. Zij leiden naar het ontwaken, leiden naar het Doodloze. (S.48.54-55, 57, 61-64)

    Men moet zich erin oefenen om die vijf krachten van iemand in hogere training te verkrijgen.” (A.V.2).

    De edele volgeling die bij de Volmaakte vol vertrouwen is, kan niet meer twijfelen aan de Volmaakte of aan de leer. Want van hem is te verwachten dat hij energie aanwendt om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen. Hij volhardt sterk en standhaftig en geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. Dat is de vaardigheid van energie.

    Verder is van hem te verwachten dat hij oplettend is, begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest. Wat eens werd gedaan, eens werd gezegd, daaraan denkt hij, daaraan herinnert hij zich. Dat is de vaardigheid van oplettendheid.

    Van hem is verder te verwachten dat hij het loslaten als centraal beginpunt maakt en concentratie zal bereiken, de eenheid van het hart. Dat is de vaardigheid tot concentratie.

    Verder is van hem te verwachten dat hij wijs inziet dat het bestaan zonder begin is; een eerste begin van de onwetende wezens is niet te onderkennen. De restloze ontprikkeling en opheffing van de onwetendheid, dat is het oord van rust, dat is het verheven oord, namelijk het tot rust komen van alle formaties, het loslaten van alle betrekkingen, de opdroging van de dorst, de ontprikkeling, de opheffing, het Nibbana. Dat is de vaardigheid van wijsheid.

    Degene die deze vijf vaardigheden heeft, verkrijgt hoogste vertrouwen. De dingen die hij voorheen alleen had gehoord, weet hij dan uit eigen ervaring, met doorborende wijsheid. Dat is de vaardigheid van vertrouwen.

    Wie als edele volgeling bij de Volmaakte tot een eenduidig resultaat is gekomen, wie vol vertrouwen is, die kan niet meer twijfelen aan de Volmaakte of aan diens leer. Van hem is te verwachten dat hij de vijf vaardigheden op die manier zal verwerven. (S.48.50)

    Iemand die in ernst gevestigd is, bij hem worden vijf vermogens ontwikkeld. Wat is ernst? – Hij bewaakt zijn hart voor de neigingen en de daarmee verbonden dingen. Wie het hart beschermt, op die manier bewaakt, bij hem komen ook de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid tot volle ontwikkeling. (S.48.56)

    Een godheid vroeg hoeveel belemmeringen er zijn en door hoeveel krachten men gereinigd wordt. De Verhevene gaf ten antwoord dat er vijf belemmeringen zijn en dat men door vijf krachten bevrijd wordt. (S.I.6)

    Volgens het commentaar zijn bedoeld de vijf belemmeringen (pañca nīvaranāni), namelijk kāma (zinnelijke lust), vyāpāda (boosheid), thīna (traagheid), uddhacca (hoogmoed) en vicckicchā (twijfel). En met de vijf krachten zijn bovengenoemde krachten bedoeld.

    Het vermogen van wijsheid geldt als het hoogste onder de eigenschappen voor ontwaking. Het vermogen van vertrouwen is een eigenschap die het ontwaken bevleugelt en die leidt naar ontwaking. De vermogens van energie, van oplettendheid, van concentratie, van wijsheid zijn eigenschappen die het ontwaken bevleugelen en naar ontwaking leiden. (S.48.51; S.48.67-70)



[20] vertrouwen


    De kracht van vertrouwen is te zien in de vier karakteristieke eigenschappen van een in-de-stroom-getredene, namelijk vast vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Sangha, en onwrikbare deugdzaamheid. (A.V.15; S.48.8)

    De kracht van vertrouwen bestaat hierin: Een edele volgeling heeft vertrouwen in de Volmaakte en gelooft in de Verlichting van de Volmaakte, aldus:

    “Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en zuiver van gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene." (A.V.2; S.48.10)

    "Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf."

    "Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld."

    Verder denkt de edele discipel met vast vertrouwen aan zijn eigen deugdzaamheid:

    'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed;10 ze bevordert geestelijke concentratie.' (A.III.71)

    Twee andere eigenschappen van een edele volgeling met onwrikbaar vertrouwen zijn: edel inzicht en edele bevrijding. (A.VI.119-139)  (zie [24])

    De kracht van vertrouwen wordt ook vermeld als Verlichtingsfactor nr. 25.



[21] energie

    De kracht van energie is te herkennen aan de vier juiste inspanningen. (S.48.8) – Zie verder bij [3].



[22] oplettendheid, bezonnenheid

    De kracht van oplettendheid is te herkennen aan de vier grondslagen van oplettendheid. (S.48.8) - Zie verder bij [1].



[23] concentratie

    De kracht van concentratie is te herkennen aan de vier jhanas. (S.48.8) - Zie verder bij [6] en [16-19].



[24] wijsheid, inzicht

    De kracht van wijsheid bestaat hierin: Alle heilzame dingen inzien als heilzaam, en alle onheilzame dingen inzien als onheilzaam; - alle te berispen dingen inzien als te berispen, en alle onberispelijke dingen inzien als onberispelijk; - alle heldere dingen inzien als helder, en alle donkere dingen inzien als donker - alle dingen die het opvolgen waard zijn inzien als waard op te volgen, en alle dingen die waard zijn vermeden te worden inzien als te vermijden; - alle dingen die schadelijk zijn voor de heiligheid inzien als schadelijk voor de heiligheid, en alle dingen die bevorderlijk zijn voor de heiligheid inzien als bevorderlijk voor de heiligheid; - als men al die dingen met wijsheid goed heeft ingezien en goed heeft overwogen, dat noemt men de kracht van wijsheid. (A.IX.5)

    De kracht van wijsheid bestaat ook hierin: de edele volgeling is wijs, ziet ontstaan en vergaan van verschijnselen, hij is begiftigd met wijsheid die edel is en doordringend en die leidt naar volledige opdroging van onvoldaanheid, lijden. Hij onderkent de vier edele waarheden: dit is lijden, dat is de ontwikkeling van lijden, dat is de opheffing van lijden, dat is het pad dat leidt naar de opheffing van lijden. (A.V.2; A.V.15; S.48.8-10)

    Van de eigenschappen die het ontwaken bevleugelen is het vermogen van wijsheid de beste. (S.48.54-55; S.48.67-70)

    Zolang als het edele inzicht (de edele wijsheid) niet is opgestegen in een edele volgeling, zolang zijn de vier [andere] vaardigheden niet vast gegrondvest, zolang hebben zij geen vaste basis.

    Maar zodra in een edele volgeling het edele inzicht (de edele wijsheid) is opgestegen, dan zijn de vier [andere] vaardigheden vast gegrondvest, hebben dan een vaste basis.

    Evenzo, zodra in een edele volgeling het edele inzicht (de edele wijsheid) is opgestegen, zijn de vier vaardigheden vast gegrondvest, hebben dan een vaste basis. Het zijn de vaardigheden van vertrouwen, van energie, oplettendheid, concentratie. In de edele volgeling die wijsheid bezit, vestigt zich dientengevolge energie, oplettendheid, concentratie. (S.48.52)

    Wijsheid wordt ook vermeld bij [29] de kracht van wijsheid. Zie ook [30] juist inzicht.



[25-29] De vijf geestelijke krachten (bala)

    Er zijn vijf geestelijke krachten. Die krachten zijn: [25] De kracht van vertrouwen; [26] de kracht van schaamte11; [27] de kracht van morele vrees12; [28] de kracht van oplettendheid; de kracht van willen, van energie en [29] de kracht van wijsheid. (A.I.35; A.V.2; A.V.11; A.V.14; A.V.204)

    Deze krachten zijn ook de vijf krachten van onderricht. De hoogste kracht ervan die samenhoudt en verbindt, is de kracht van wijsheid. Streeft daarom ernaar om die vijf krachten te hebben. (A.V.12)

    Iemand in hogere training heeft deze vijf geestelijke krachten. (A V.14)

    Deze vijf geestelijke krachten zijn gelijk aan de vijf geestelijke vaardigheden: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid, inzicht. (A.V.13)

    Dat zijn de vijf krachten. (S.48.10; zie ook A.V.2 en 14)

    Voor de factor van vertrouwen, zie [20]; voor de factor van energie, zie [3]; voor de factor van oplettendheid, zie [1]; voor de factor van concentratie, zie [6]; voor de factor van willen, energie, zie [3] en [16]; voor de factor van wijsheid, zie [24].

    Er is een standpunt volgens welk de vijf bekwaamheden gelijk zijn aan de vijf krachten en omgekeerd. De bekwaamheid van het vertrouwen is de kracht van het vertrouwen; en omgekeerd. De bekwaamheid van de energie is de kracht van de energie; en omgekeerd. De bekwaamheid van de oplettendheid is de kracht van de oplettendheid; en omgekeerd. De bekwaamheid van de concentratie is de kracht van de concentratie. De bekwaamheid van de wijsheid is de kracht van de wijsheid; en omgekeerd. (S.48.43)

    Net zoals een rivier met een eiland in het midden als één stroom beschouwd wordt door de een en door de ander als twee stromen (gedeeld door het eiland), evenzo kunnen de bekwaamheden en krachten als gelijk beschouwd worden of als twee aparte delen.

    Wanneer de vijf vaardigheden zijn ontplooid en ontwikkeld, leiden ze nog in dit leven door opdroging van de neigingen naar de bevrijding van het gemoed, naar de bevrijding door wijsheid, nadat men ze zelf heeft verwerkelijkt en verworven." (S.48.43; evenzo in S.48.43-48; zie ook S.51.11)

    Wie het ontstaan en vergaan, verfrissing, ellende van en ontkomen aan de vijf krachten overeenkomstig de werkelijkheid niet inzien, die zijn geen echte brahmanen en asceten.

    Maar wie het ontstaan en vergaan ervan wel inzien, die hebben het doel van het ascetendom al in dit leven verwerkelijkt. (S.48.6-7)

    Wanneer de vijf krachten (balas), namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht, goed zijn ontwikkeld, kunnen ook strenge regels met gemak worden nagevolgd. Het is belangrijk alle boeien en elk hechten te overwinnen hoe onnozel ze ook lijken. (M.66)

    Het vermogen van wijsheid geldt als het hoogste en beste onder de eigenschappen voor ontwaking. Het vermogen van vertrouwen is een eigenschap die het ontwaken bevleugelt en die leidt naar ontwaking. De vermogens van energie, van oplettendheid, van concentratie, van wijsheid zijn eigenschappen die het ontwaken bevleugelen en naar ontwaking leiden. (S.48.51; S.48.54-55; S.48.67-70)

    Wie de vijf vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid ontplooit en ontwikkelt, die kan een van twee vruchten verwachten: hoogste weten nog in dit leven, of, als er nog een rest van betrekkingen is, niet-wederkeer. Of deze voordelen zijn te verwachten: nog in dit leven bereikt hij hoogste weten; of hij bereikt het op het tijdstip van de dood; of hij komt na volledige opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien onderweg tot uitdoving of op het einde van het bestaan daar. En wanneer dat niet het geval is, dan komt hij na opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien zonder inspanning of met inspanning tot uitdoving. Wanneer ook dat niet het geval is, dan komt hij na de opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien stroomopwaarts bij de Zuivere Verblijven. (S.48.65-66)


De stroom, de heilige


    Wie de vijf krachten volledig heeft voltooid, die is een heilige. Als zij zwakker zijn, is iemand een niet meer wederkerende. Als zij nog zwakker zijn, is iemand een eenmaal wederkerende. Als zij nog zwakker zijn, is iemand een in de stroom getredene. Als zij nog zwakker zijn is iemand een volgeling van de leer. Als zij nog zwakker zijn, is men iemand die uit vertrouwen navolgt.

    Zo maakt het verschil van de krachten het verschil van de vruchten uit; het verschil van de krachten maakt het verschil van de personen.

    Zo wordt volmaakt succes bereikt door volmaakt werkzaam zijn; gedeeltelijk succes door gedeeltelijk werkzaam zijn. De vijf krachten zijn niet onvruchtbaar. (S.48.12-14; zie ook S.48.15-18; S.48.24; S.48.65-66)

    Maar wie de vijf krachten helemaal niet heeft, die wordt door de Boeddha een buitenstaander genoemd, iemand die aan de kant van de gewone mensen is blijven staan. (S.48.18)

    Men is een meester in de vijf krachten als men vertrouwen ontplooit, een kracht die naar kalmering leidt en naar ontwaking. En als men energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid ontplooit als krachten die naar kalmering en naar ontwaking leiden. (S.48.19)

    Door het ontplooien en ontwikkelen van deze vijf krachten komt men door opdroging van de neigingen nog in dit leven tot de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, tot de bevrijding door wijsheid, nadat men ze zelf heeft verwerkelijkt en verkregen. (S.48.20; S.48.43-48)



Overweging kort na de Ontwaking


    Kort na de ontwaking vertoefde de Boeddha te Uruvela aan de oever van de rivier Nerañjara onder de geitenhoedersboom. Bij hem kwam de volgende overweging op: vijf vermogens, ontplooid en ontwikkeld, hebben naar het Doodloze gevoerd, namelijk de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. (S.48.57)

    "Zolang ik van deze vijf krachten het ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen niet overeenkomstig de werkelijkheid had ingezien, zolang had ik niet de zekerheid dat ik in deze wereld volledig was ontwaakt.

    Maar toen ik van deze vijf krachten het ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid had ingezien, toen had ik de zekerheid dat ik in deze wereld volledig was ontwaakt.

    En het inzicht ontstond dat mijn bevrijding van het gemoed onwrikbaar was en dat dit mijn laatste geboorte was." (S.48.21)



[25] De kracht van vertrouwen

    De kracht van vertrouwen is te herkennen aan de vier factoren van stroomintrede. (S.48.8) - Zie verder [20]

[26] de kracht van schaamte of de kracht van de wil.


    Schaamte is gemotiveerd door zelfrespect en is inwaarts gericht.

    De kracht van schaamte bestaat hierin: Een edele volgeling(e) voelt schaamte over verkeerd gedrag in daden, woorden en gedachten. Hij of zij voelt schaamte over al wat slecht en onheilzaam is. (A.V.2)

    De kracht van de wil herkent men aan de vier juiste inspanningen. (A.V.15; vergl. A.IV.13-14).



[27] de kracht van morele vrees

    Morele vrees is naar buiten gericht; het is de vrees voor consequenties zoals blaam, slechte reputatie en straf.

    De kracht van morele vrees (de kracht van oplettendheid) bestaat hierin: Een edele volgeling(e) is bevreesd voor verkeerd gedrag in daden, woorden en gedachten. Hij of zij vreest al wat slecht en onheilzaam is. (A.V.2)

[28] de kracht van willen, van energie

    De kracht van de wil, van energie is te herkennen aan de vier juiste inspanningen. (S.48.8; A.V.15; vergl. A.IV.13-14). - Zie verder bij [21]



[29] de kracht van wijsheid

    De kracht van wijsheid is te herkennen aan de vier edele waarheden. (S.48.8) - Zie verder bij [24].



Hoogste toeneiging


    Te Rajagaha. De Verhevene sprak er met de eerwaarde Sariputta. Welke zin kan een volmaakt heilige monnik erin zien om de Volmaakte of diens leer ook verder hoogste toeneiging te betonen?

    De eerwaarde Sariputta: 'Omdat hij de onovertreffelijke vrede heeft gevonden door zich moeite te geven, daarom betoont een volmaakte heilige ook verder hoogste toeneiging aan de Volmaakte of diens leer.'

    De Boeddha: 'Wat is dat voor een onovertreffelijke vrede die de volmaakte heilige heeft gevonden?'

    De eerwaarde Sariputta: 'Hij ontplooit de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid, welke naar kalmering leiden, naar de vollledige Ontwaking.'

    De Boeddha: 'En wat is deze hoogste toewijding?'

    De eerwaarde Sariputta: 'De volmaakte heilige blijft erbij de meester te hoogachten, zich naar hem te richten, de leer te waarderen, zich ernaar te richten, de gemeenschap van de monniken te hoogachten en zich ernaar te richten, de oefening te waarderen en zich ernaar te richten, de concentratie te waarderen en zich ernaar te richten. (S.48.58)



[30-37] Het achtvoudige pad (atthangika-magga)

    Of men ontplooit [30] juist inzicht, [31] juist denken, [32] juist spreken, [33] juist handelen, [34] juist levensonderhoud, [35] juiste inspanning, [36] juiste oplettendheid, [37] juiste ontwikkeling van de geest. (A.I.35)

[Zie: De vier edele waarheden en het achtvoudige pad]



De basis van de Verlichting


    Te Savatthi. "Monniken, wanneer rondtrekkende asceten met een ander geloof jullie vragen wat de basis is voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen, dan moeten jullie als volgt antwoord geven.

    'Broeders, de monnik heeft edele vrienden, edele metgezellen. Dat is de eerste basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

    'Broeders, verder is de monnik rein van zeden, hij volgt de discipline van de Orde, is volmaakt in gedrag en omgang. Hij deinst terug voor het geringste vergrijp en schoolt zich in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen. Dat is de tweede basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

    'Broeders, verder wat betreft de gesprekken die bevorderlijk zijn voor de ontsluiting van de geest, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, alleen vertoeven, afgezonderdheid, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken worden hem naar wens, zonder moeite ten deel. Dat is de derde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

    'Broeders, verder spant de monnik zijn wilskracht in om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen te verwerven. Hij is standvastig, met gestaalde kracht, niet nalatig in het goede. Dat is de vierde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

    'Broeders, verder is de monnik wijs: hij is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, die edel is, doordringend en die naar volledige vernietiging van lijden leidt. Dat is de vijfde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

    Want bij een monnik die edele vrienden heeft, edele metgezellen, is te verwachten dat hij rein van zeden zal zijn; dat hij de discipline van de Orde navolgt, dat hij terugdeinst voor het geringste vergrijp en zich schoolt in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen; dat hem gesprekken die bevorderlijk zijn voor de ontsluiting van de geest, naar wens, zonder moeite ten deel vallen; dat hij zijn wilskracht zal inspannen om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen te verwerven; dat hij wijs zal zijn, uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, die edel is, doordringend en die naar volledige vernietiging van lijden leidt.

    Monniken, wanneer nu de monnik in deze vijf dingen gevestigd is, dan moet hij bovendien nog vier verdere dingen ontplooien: de voorstelling van de onreinheid van het lichaam moet hij ontplooien om de begeerte te overwinnen; de liefdevolle vriendelijkheid moet hij ontplooien om haat te overwinnen; de oplettendheid bij het in- en uitademen moet hij ontplooien om de gedachten af te snijden;13 de voorstelling van de vergankelijkeid moet hij ontplooien om de ik-waan uit te rotten. Bij de voorstelling van de vergankelijkheid namelijk vestigt zich in de monnik de voorstelling van de ikloosheid; en wanneer hij de ikloosheid heeft opgemerkt, bereikt hij de uitrotting van de ik-waan en verkrijgt nog tijdens zijn leven het Nibana. (A.IX.1).

    Voor deze voorstellingen, beschouwingen, overwegingen, zie:

de voorstelling van de onreinheid van het lichaam;

liefdevolle vriendelijkheid;

oplettendheid bij het in- en uitademen;

voorstelling van de vergankelijkeid.



Onwijs en wijs nadenken over de factoren van Verlichting


    Onwijs nadenken is een grote hindernis bij het ontstaan van niet ontstane verlichtingsfactoren14 en bij de volledige ontplooiing van de ontstane verlichtingsfactoren. Want bij degene die onwijs nadenkt komt het niet tot het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactoren en de ontstane factoren komen niet volledig tot ontplooiing.

    Wijs nadenken is zeer bevorderlijk voor het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactoren en voor de volledige ontplooiing van de ontstane verlichtingsfactoren. Want bij degene die wijs nadenkt ontstaan de niet ontstane verlichtingsfactoren en de ontstane factoren komen tot volle ontplooiing. (A.I.15)

naar boven




Bronnen voor: De zeven factoren van Verlichting



Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 1.

Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 4.

Pereira, Ânanda Live Now! Buddhist Essays. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 24/25.

Nyanatiloka: Buddhist Dictionary, 1976; en Buddhistisches Wörterbuch. Kurzgefaßtes Handbuch der buddhistischen Lehren und Begriffe in alphabetischer Anordnung. Hrsg. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.) Konstanz: Christiani, 1976. (Buddhistische Handbibliothek; 3).



1Het gaat hier niet onvoorwaardelijk om vervoering in de zin van onderdeel van meditatieve verdiepingen. Vervoering kan ook ontstaan door sterke overgave of belevenissen van inzicht en dergelijke.

2Niet: 'mijn' lichaam

3Niet: 'mijn' gevoelens

4Niet: 'mijn' geest

5Niet: 'mijn' objecten van de geest

6 Het is een ondervinden van het lichaam dat als manifesterend aarde-element (aanraking bijvoorbeeld aan de top van de neus) en als manifesterend wind-element (beweging van de adem) kan worden begrepen.

7Het beschouwen van vervoering en zaligheid is speciaal beschouwing van gevoel. De beschouwing van datgene wat de geest vormt, (dit is volgens de omschrijving ervan in M.44 waarneming en gevoel) is het beschouwen van gevoel in het algemeen. Een tot rust komen van de formatie van de geest vindt plaats in de vierde jhana. Daar is alleen nog neutraal gevoel aanwezig. Dit is een aanwijzing erop hoe het meditatieve ondervinden gebruikt kan worden voor het verkrijgen van inzicht, respectievelijk daarop dat kalmte en inzicht-meditatie niet strikt van elkaar zijn te scheiden.

8'concentreren' en 'bevrijden' zijn criteria van de beschouwing van de geest zoals in M.10 wordt uitgelegd.

9Vergankelijkheid, verzaking, beëindiging, loslaten zijn objecten van de geest; het zijn zonder uitzondering de wetmatigheden die lichamelijke en geestelijke processen bepalen. Het commentaar vermeldt bovendien dat hebzucht en droefenis overeenkomen met de hindernissen van zinnelijke begeerte en kwaadwil. Deze twee hindernissen kunnen eveneens onderwerp van de bschouwing van objecten van de geest zijn.

10Onbeïnvloed, d.w.z. de deugdzaamheid is niet beïnvloed door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel, noch door verkeerde meningen ditthi).

11Schaamte is gemotiveerd door zelfrespect en is inwaarts gericht.

12Morele vrees is naar buiten gericht; het is de vrees voor consequenties zoals blaam, slechte reputatie en straf.

13Met 'gedachten' (vitakka) zijn alleen de onheilzame gedachten bedoeld; hier vooral onrustige, afdwalende en piekerende gedachten.

14Verlichtingsfactoren, bojjhanga; zie A.I.35.

naar boven