?>Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.1. Digha Nikaya

1. Sīlakkhandha-vagga (D.1. - D.13)

2. Mahā-vagga (D.14-D.23)

3. Pātika-vagga (D.24 - D.34)

D.1. Brahmajala sutta; D.2. Samaññaphala sutta; D.3. Ambattha sutta; D.4. Sonadanda sutta; D.5. Kutadanta sutta; D.6. Mahali sutta; D.7. Jaliya sutta; D.8. Mahasihanada sutta; D.9. Potthapada sutta; D.10. Subha sutta; D.11. Kevaddha sutta; D.12. Lohicca sutta; D.13. Tevijja sutta; D.14. Mahapadana sutta; D.15. Mahanidana sutta; D.16. Mahaparinibbana sutta; D.17. Mahasudassana sutta; D.18. Janavasabha sutta; D.19. Mahagovinda sutta; D.20. Mahasamaya sutta; D.21. Sakkapañha sutta; D.22. Mahasatipatthana sutta; D.23. Payasi sutta; D.24. Patika sutta; D.25. Udumbarika sutta; D.26. Cakkavatti sutta; D.27. Aggañña sutta; D.28. Sampasadaniya sutta; D.29. Pasadika sutta; D.30. Lakkhana sutta; D.31. Sigalovada sutta; D.32. Atanatiya sutta; D.33. Sangiti sutta; D.34. Dasuttara sutta; Geraadpleegde bronnen



De Dīgha Nikāya is de collectie van de lange toespraken (suttas). Ze is verdeeld in drie secties (vaggas), namelijk Sīlakkhanda-vagga, Mahā-vagga en Pātika-vagga. Die drie secties bevatten in totaal 34 suttas waarvan 16 als lang betiteld kunnen worden. Er zijn meerdere suttas die toegeschreven worden aan discipelen van de Boeddha. In de corresponderende collectie in het Chinees zijn er 30 leerreden, waarvan 26 door Anesaki geïdentificeerd zijn met de Pāli versie.


1. Sīlakkhanda-vagga (D.1-13)

Deze sectie bevat 13 leerreden (suttas). Ze gaan hoofdzakelijk over verschillende soorten deugdzaamheid.

De meeste suttas beschrijven de oefening van een bhikkhu op drie niveaus, te beginnen met de silas, dan de praktijk van concentratie (samadhi) en dan het inzicht (panna) van een arahant.

De verkeerde meningen die toen heersten. De brahmaanse visies op offergaven en kaste. Verscheidene religieuze praktijken zoals uiterste zelfverminking. De kenmerken van de ware brahmaan. Bewustzijn is niet zelfstandig maar ontstaat en vergaat door oorzaken. De drie soorten wonderen. De vier soorten leraren.



D.1. Brahmajala sutta – "Het net van Brahma” of het volmaakte net.


Suppiya, een zwervende asceet, sprak slecht over de Boeddha, Dhamma en Sangha. Diens leerling Brahmadatta sprak goed over de Boeddha, Dhamma en Sangha. De Boeddha gaf toen de raad om bij lofprijzing zich niet verheugd te tonen noch zich te ergeren als kwaad gesproken werd. Verder weerlegde hij alle 62 ketterse vormen van speculatie betreffende de wereld en het zelf die onderwezen werden door andere leraren van die tijd.



D.2. Samaññaphala sutta – Het loon van een leven in ascese.

Het eerste deel van deze leerrede gaat over de leerstellingen van zes ketterse leraren. Het tweede deel gaat over "De vruchten van het huisloze leven". De Boeddha legt aan koning Ajātasattu de voordelen uit van het leven als monnik en van het verzaken van de wereld. Dit sutta werd gesproken te Rājagaha in het mango-park van Jīvaka.

In dit sutta wordt ook gesproken over de hindernissen, namelijk zintuiglijke verlangens, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en zich zorgen maken, en twijfel.

“Wanneer men zichzelf vrij ziet van deze vijf hindernissen, ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat verrukking. Bij degene wiens geest vol verrukking is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie.”


“Bevrijd van zinsverlangens, bevrijd van onheilzame ideeën, betreedt hij dan de eerste meditatieve verdieping (jhana) en hij vertoeft erin; deze jhana gaat vergezeld van denk-voorstellingen en redenerend denken; ze is ontstaan uit afzondering en is gevuld met vreugde en verrukking.

Dan betreedt hij de tweede jhana en vertoeft erin; dan betreedt hij de derde jhana en dan de vierde jhana.”



D.3. Ambattha sutta – Over Ambattha.


Ambattha, een jonge discipel van Pokkharasāti, een geleerde brahmaan, werd naar de Boeddha gestuurd om te onderzoeken of de Boeddha de 32 eigenschappen van een groot man had. Verder sprak hij met de Boeddha over kaste. De zienswijze dat brahmanen meer rechten hebben door geboorte, wordt er weerlegd. Niet door geboorte is men een edele, maar door volmaaktheid in deugdzaamheid, het verkrijgen van de vier jhanas en vervolmaking van acht soorten hogere kennis. Dit sutta bevat verwijzingen naar de legende van koning Okkāka, de traditionele stichter van het Sākya geslacht.



D.4. Sonadanda sutta – Over Sonadanda.


Nabij het meer Gaggarā te Campā in het land van Anga spreekt de Boeddha met de brahmaan Sonadanda over kaste. Wat maakt iemand een brahmaan? Volgens de opvattingen van de brahmanen is iemand alleen een brahmaan als hij is geboren uit brahmanen van zowel vaders als moeders kant tot zeven generaties terug. De Boeddha legt de kenmerken van de ware brahmaan uit, namelijk drie categorieën van deugdzaamheid, het bereiken van de vier jhanas, vervolmaking in acht soorten van hogere kennis. De ware brahmaan is degene die arahantschap heeft bereikt.



D.5. Kutadanta sutta – Over Kutadanta.


Tweegesprek waarin het offeren van dieren wordt veroordeeld. De brahmaan Kūtadanta vroeg aan de Boeddha op de avond voor een groot offerfeest hoe hij het beste dieren kon offeren. De Boeddha gaf toen eerst het voorbeeld van de vroegere koning Mahāvijita. Die offerde met veel moeite en met weinig resultaat. De brahmaan vroeg of er een offergave was met minder moeite en met meer resultaat. De Boeddha vertelde hem toen over het geven van de vier benodigdheden aan deugdzame monniken. Minder moeite en nog voorspoediger was het geven van een klooster aan de Orde. Nog beter was 1) zijn toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha; 2) de vijf regels navolgen; 3) vanuit het huiselijke leven naar het huisloze leven te gaan en het heilige leven te leiden met als resultaat Nibbāna. Het laatste overtrof alle andere offergaven.



D.6. Mahali sutta – Over Mahali.


Dialoog met Mahāli Otthaddha, een Licchavi heerser, over goddelijk zien en horen. Mahāli zei dat Sunakkhatta, een vroegere discipel van de Boeddha, wel het bovennatuurlijke vermogen had om goddelijke wezens te zien. Maar hij kon geen hemelse geluiden horen. Vernam Sunakkhatta de hemelse geluiden niet omdat ze niet bestonden of omdat hij ze niet kon horen? De Boeddha legde uit dat Sunakkhatta alleen concentratie had ontwikkeld om de macht van goddelijk zien te verkrijgen, niet die van goddelijk horen. De Boeddha legde verder uit dat zijn discipelen het edele leven uitoefenden niet om goddelijke vermogens te verkrijgen, maar om de niveaus van heiligheid te bereiken, met als hoogste de volledige Verlichting.



D.7. Jaliya sutta – Over Jaliya.


Over de vraag of het leven(sbeginsel) gelijk is aan het lichaam. In het Ghositārāma klooster nabij Kosambi vroegen twee rondtrekkende asceten, Mundiya en Jāliya, aan de Boeddha of de ziel het lichaam is of het lichaam de ziel of dat de ziel het ene is en het lichaam het andere. De Boeddha beantwoordde die vraag niet maar zei dat bij iemand die de bevrijding van lijden heeft verwerkelijkt, zulke vragen niet opkomen. Een dergelijke vraag is niet passend voor iemand die een leven als monnik voert.



D.8. Mahasihanada sutta – De roep van de leeuw.


De Boeddha sprak in het hertenpark van Kannakathala te Uruttā met de naakte asceet Kassapa over zelfkwelling. Die asceet had gehoord dat de Boeddha alle soorten van zelfverminking veroordeelde en allen beschimpte die een ascetisch leven voerden.

De Boeddha gaf ten antwoord dat dit lasterpraat was, dat hij dat zó niet had gezegd. Met zijn bovennatuurlijke vermogen kon hij zowel de slechte als de goede bestemmingen zien van degenen die uiterste vormen van zelfkwelling uitoefenden en van degenen die minder extreme vormen ervan uitoefenden. Hoe kon hij dan alle systemen van zelfkwelling beschimpen?

De asceet Kassapa beweerde toen dat bepaalde asceten echte samanas en brahmanen waren. De Boeddha legde daarop uit dat het vergeefse moeite was extreme zelfkwelling te beoefenen. Hij zei dat alleen wanneer een asceet zich oefende in deugdzaamheid, concentratie en inzicht, wanneer hij mettā ontplooide, en verbleef in de bevrijding van de geest en bevrijding door inzicht, dat die persoon dan echt een samana en brahmaan kan worden genoemd. De verschillende ascetische oefeningen uit de tijd van de Boeddha worden er besproken. De vruchten van het heilige Boeddhistische leven worden er vermeld.

De Boeddha legde deugdzaamheid, concentratie en inzicht volledig uit. En de asceet Kassapa werd een lid van de Orde.



D.9. Potthapada sutta – Over Potthapada.


Potthapāda brengt te Savatthi in het Jetavana klooster, in de Ekasālaka hal, een bezoek aan de Boeddha. Hij vraagt hem over de aard van het verdwijnen van bewustzijn. De Boeddha legt uit dat vormen van bewustzijn ontstaan en weer vergaan door oorzaken. Bewustzijn is niet een zelfstandig iets.

Verder spreekt de Boeddha over sīla (deugdzaamheid) en de ontwikkeling van concentratie met de opeenvolgende jhānas als resultaat, waarbij het verdwijnen van alle vormen van bewustzijn (nirodha samāpatti) de laatste is.

Ook vraagt Potthapāda over de natuur van de ziel. De Boeddha noemt de vraag niet belangrijk, want ze voert niet naar Verlichting.



D.10. Subha sutta – Over Subha.


Een leerrede die door de Eerwaarde Ānanda werd gesproken tot de brahmaanse leerling Subha spoedig na het overlijden van de Boeddha. De jonge Subha wilde graag weten welke Dhammas door de Boeddha waren aangeprezen. Ānanda vertelde toen dat de Boeddha deugdzaamheid (goed gedrag), concentratie en wijsheid (inzicht) had aangeprezen. Ānanda gaf ook een uitleg ervan. Subha werd een vrome lekenvolgeling.



D.11. Kevaddha sutta – Over Kevaddha.


Te Nālanda in het mango-park van Pāvārika vroeg een lekenvolgeling aan de Boeddha of deze een wonder wilde verrichten zodat de plaats Nālanda toegewijd aan de Boeddha zou worden. De Verhevene vertelde hem toen over de drie soorten wonderen.

(1) Het wonder van magische krachten (iddhi patihariya). Dit werd door de Boeddha verworpen omdat het verkeerd begrepen kon worden als zwarte kunst (gandhārī).

(2) Het wonder van gedachten lezen (adesana patihariya). Dit kan worden misverstaan als praktijk van cintāmani, spreuken.

(3) Het wonder van onderwijzen (anusansani patihariya), en wel onderricht in deugdzaamheid, concentratie en inzicht welk uiteindelijk voert naar de uitdoving van de smetten (āsavas). Dit wonder werd door de Boeddha aanbevolen.

Verder het verhaal van de monnik die de goden opzoekt om aan hen vragen te stellen. Brahmā, hoofd van de goden, stuurt de monnik naar de Boeddha want alleen de laatste kan de vragen beantwoorden.



D.12. Lohicca sutta – Over Lohicca.


Dialoog met de brahmaan Lohicca over vier soorten leraren.

(1) De leraar die zelf niet volmaakt is en onderricht geeft aan leerlingen die niet naar hem luisteren.

(2) De leraar die zelf niet volmaakt is en onderricht geeft aan leerlingen die zijn instructies opvolgen en de bevrijding bereiken.

(3) De leraar die volledig volmaakt is en onderricht geeft aan leerlingen die niet naar hem luisteren.

(4) De leraar die volledig volmaakt is en onderricht geeft aan leerlingen die eveneens volledig volmaakt worden.

De laatste leraar is de beste.



D.13. Tevijja sutta – De drievoudige wijsheid.


Over het onbetekenende van kennis van de Vedas als middel om in het gezelschap van Brahma te komen.

De Boeddha reisde door het koninkrijk van Kosala. Twee brahmaanse jongelingen, Vāsetta en Bhāradvāja, kwamen naar hem toe en vroegen naar de juiste weg die voert naar het gezelschap van Brahmā. Ieder van hen dacht dat de weg die door hun meester was onderwezen, de juiste was.

De Boeddha zei dat niemand van de meesters Brahmā had gezien. Zij waren als blinden die elkaar vasthielden en op de eerste vertrouwden. De Brahma-wereld kan door de Vedas niet worden bereikt, maar wel door deugdzaamheid, concentratie en door beoefening van de vier “brahmaviharas”, liefdevolle vriendelijkheid (mettā), mededogen (karunā); medevreugde (muditā) en gelijkmoedigheid (upekkhā) jegens alle levende wezens.



2. Mahā-vagga (D.14-23)


Deze sectie bevat 10 leerreden. Bijna allemaal hebben ze Mahā als voorvoegsel in de titel.

De zes voorgangers van de Boeddha. De keten van oorzakelijkheid. Het laatste levensjaar van de Boeddha. De vroegere grootheid van Kusinara. Wat wel en wat niet nagestreefd moet worden. Alles wat ontstaat is onderhevig aan verval. De grondslagen van oplettendheid. Goede en ook slechte daden hebben later resultaat. De juiste soort van offergaven.



D.14. Mahapadana sutta – De openbaring.


Het verhaal over zes voorgangers van de Boeddha Gotama, met o.a. details over hun levensduur, boom van Verlichting, belangrijkste discipelen, dienaar, ouders, en residentie. Verder het verhaal over de Boeddha Vipassin, vanaf zijn afdalen vanuit de Tusita-hemel tot het begin van zijn loopbaan. Ook is er een opsomming door brahmanen van de 32 kenmerken van een Groot Man.

De Boeddha legde uit dat hij zich de feiten uit vroegere levens kon herinneren dankzij zijn eigen doordringende onderscheidingsvermogen en ook omdat de goden ze aan hem bekend maakten.



D.15. Mahanidana sutta – Over afstamming.


Te Kammāsadhamma sprak de Boeddha tot de Eerwaarde Ānanda over de keten van oorzakelijkheid en over theorieën over de ziel. Hij zei dat de keten van oorzakelijkheid diepgaand is, diep in betekenis, diep als leer, diep m.b.t. de manier waarop ze onderwezen is, en diep m.b.t. de feiten waarop ze gebouwd is.

De Boeddha gaf een uitleg van de leer. Door niet juist verstaan ervan waren wezens niet in staat te ontsnappen aan wedergeboorte. Zelfs degenen die bedreven waren in het bereiken van jhāna konden nog gehinderd worden als zij vasthielden aan een idee van atta (zelf).


Het zelf


Wanneer iemand het zelf uitlegt, dan legt hij het ofwel uit als in vorm begrenst of als in vorm onbegrenst; of hij legt het uit als vrij van vorm begrenst of onbegrenst. Wie het zelf op een van die manieren uitlegt, die legt het zelf uit dat het in het heden zo is, of dat hij het in zo'n toestand zal brengen.

Wanneer iemand het zelf opvat, dan vat hij het als volgt op. 'De gewaarwording is het zelf. Of de gewaarwording is niet mijn zelf; mijn zelf is vrij van gewaarwording. Of mijn zelf is in staat tot gewaarworden.'

Wie de gewaarwording als het zelf opvat, hem is het volgende te vragen. “Er zijn drie soorten gewaarwordingen: de prettige, de onprettige, de noch prettige noch onprettige gewaarwording. Welke van deze drie gewaarwordingen vat u op als uw zelf?”

Wanneer men een prettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen onprettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een onprettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een neutrale gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch onprettige gewaarwording.

De prettige gewaarwording is niet blijvend, is oorzakelijk ontstaan, is onderhevig aan verdwijnen, is aan verval onderhevig, is aan beëindiging onderhevig. En evenzo de onprettige gewaarwording en de neutrale gewaarwording. Wanneer iemand een prettige gewaarwording ervaart, dan denkt hij: 'Dat is mijn zelf.' Bij het verdwijnen van de gewaarwording denkt hij dan: 'Mijn zelf is verdwenen.' En evenzo denkt hij wanneer hij een onprettige en een neutrale gewaarwording ervaart.

Degene die zegt: 'de gewaarwording is mijn zelf,' die vat het zelf daarom al in dit bestaan op als vergankelijk, als gescheiden van vreugde en leed, als onderhevig aan ontstaan-vergaan. Daarom is het niet juist het zo op te vatten: 'De gewaarwording is mijn zelf.'

Wie nu aldus spreekt: 'De gewaarwording is helemaal niet mijn zelf, mijn zelf is vrij van gewaarworden,' tot hem moet als volgt gesproken worden. “Als er helemaal geen gewaarwording is, kan er dan een “ik ben” zijn?'- Neen heer. – Daarom is het niet goed het aldus op te vatten, dat de gewaarwording helemaal niet mijn zelf is; dat ze vrij is van gewaarwording.

Wie nu aldus spreekt: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarwording; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarworden,' hem is als volgt te antwoorden: 'Wanneer gewaarwording helemaal te gronde ging, helemaal niet daar was, zou er dan een ”dat ben ik” zijn?' – Neen heer. – Daarom kan men het niet als volgt opvatten: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarworden; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarwording.'

Wanneer iemand de gewaarwording niet als het zelf opvat, noch het zelf als vrij van gewaarwording opvat, noch opvat dat het zelf gewaarwordt, noch de opvatting heeft dat het zelf in staat is tot gewaarworden, diegene hecht niet meer aan iets in de wereld. Nergens aan hechtend beeft hij niet; niet bevend komt hij uit eigen kracht tot volledig uitdoven. “Vernietigd is geboorte, het reinheidsleven is uitgeleefd, de opgave is volbracht, hierna is niets meer te doen."

Wie nu met betrekking tot die persoon zou zeggen dat hij van mening is dat de Volmaakte na de dood is, of dat de Volmaakte na de dood niet is, of dat de Volmaakte na de dood zowel is als niet is, of dat de Volmaakte na de dood noch is noch niet is, – dat is een onmogelijkheid. En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht.


Er zijn zeven niveaus van bewustzijn en twee gebieden. De zeven niveaus zijn:

  1. Er zijn wezens veelvoudig lichamelijk, veelvoudig zinnelijk, zoals de mensen en enige soorten van goden en enige soorten in de lagere werelden.

  2. Er zijn wezens veelvoudig lichamelijk, een geheel vormend (uniform) zinnelijk, zoals de goden in het gevolg van Brahma in zoverre zij op het eerste niveau wedergeboren zijn.

  3. Er zijn wezens een geheel vormend lichamelijk, veelvoudig zinnelijk, zoals de stralende Abhassara goden.

  4. Er zijn wezens een geheel vormend lichamelijk, een geheel vormend zinnelijk, zoals de Subhakinna-goden.

  5. Er zijn wezens die na volledige overwinning van de vorm-waarnemingen, na vernietiging van de weerstand-waarnemingen, door het niet ingaan op de veelheids-waarnemingen, het gebied bereiken van ruimte-oneindigheid.

  6. Er zijn wezens die na volledige overwinning van het gebied van ruimte-oneindigheid het gebied bereiken van oneindig is het bewustzijn.

  7. Er zijn wezens die na volledige overwinning van bewustzijns-oneindigheid het gebied bereiken van niets is er.

Dan is er het gebied van wezens vrij van waarneming; en het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

Wie nu van die niveaus van bewustzijn en van die twee gebieden het ontstaan inziet, het vergaan ervan inziet, het geluk ervan inziet, het lijden ervan inziet, de bevrijding ervan inziet, – kan die persoon zich erover verheugen? – Neen heer. – Wanneer iemand het ontstaan en vergaan ervan overeenkomstig de waarheid inziet en er zonder hechten van bevrijd is, zo iemand heet iemand die in weten bevrijd is.

Dit zijn de acht bevrijdingen, namelijk:

  1. met vorm ziet hij vormen.

  2. Inwendig vormvrij bewust ziet hij uitwendig vormen.

  3. Alleen op licht gericht.

  4. Na volledige overwinning van de vormwaarnemingen, na vernietiging van de tegenstandwaarnemingen, door het niet ingaan op de veelheids-waarnemingen heeft hij het gebied van oneindig is de ruimte bereikt.

  5. Na volledige overwinning van het gebied van ruimteoneindigheid heeft hij het gebied van bewustzijnsoneindigheid bereikt.

  6. Na volledige overwinning van het gebied van bewustzijnsoneindigheid heeft hij het gebied van niets is er bereikt.

  7. Na volledige overwinning van het gebied van niets is er heeft hij het gebied van noch waarneming noch niet waarneming bereikt.

  8. Na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming heeft hij het gebied van het ophouden van waarneming-gewaarworden bereikt.

Wanneer iemand deze acht bevrijdingen in voorwaartse richting volbrengt, in omgekeerde volgorde volbrengt, in beide richtingen volbrengt, ze volbrengt waar het hem wenselijk is, op welke manier het hem wenselijk is, hoe lang het hem wenselijk is, ze volbrengt, ze voltooit; wie door het verdwijnen van de neigingen de neigingsvrije bevrijding van de geest, de wetensbevrijding al in dit leven zelf heeft begrepen, heeft verwerkelijkt, zich eigen heeft gemaakt, die persoon heet iemand die tweezijdig bevrijd is. Een andere bevrijding dan die bestaat er niet. (uit D.15)



D.16. Mahaparinibbana sutta – De grote uitdoving, het definitieve heengaan.


Het verslag van het laatste levensjaar van de Boeddha, van het definitieve heengaan (Parinibbāna) van de Verhevene, zijn crematie en de verdeling van de relieken.

Dit sutta is in diverse perioden samengesteld. Het heeft zich ontwikkeld door toevoegingen en tussenvoegingen gedurende enkele eeuwen. Er zijn toespraken ingevoegd met sommige van de belangrijkste aspecten van zijn leer. Misschien is de laatste versie van dit sutta opgeschreven te Aluvihara in de 1e eeuw na Chr., toen er de hele canon werd genoteerd. Vooral belangrijk zijn de namen van de plaatsen die hij bezocht op zijn route naar Kusinara; en de laatste instructies die hij gaf voor het welzijn van de Sangha. Voor lekenvolgelingen wordt er aanbevolen een pelgrimstocht te maken naar de plaatsen van zijn geboorte, Verlichting, eerste preek, en zijn definitieve heengaan (resp. Lumbini, Buddhagaya, Sarnath en Kushinagar).


Te Rājagaha, op de laatste dag vóór zijn laatste grote tocht, gaf de Verhevene toespraken over niet-achteruitgang. Hij ging toen verder op weg, naar het dorp Pātali, en sprak er de leerrede over een moreel en een immoreel leven. Verder ging hij naar het dorp Koti en legde er de vier edele waarheden uit. Vandaar ging hij naar het dorp Nātika en sprak er de leerrede over de spiegel der waarheid. Verder ging hij naar Vesālī waar hij het park van de courtisane Ambapāli kreeg. In Veluva werd hij zwaar ziek, herstelde weer en gaf de raad: “Weest een eiland voor uzelf.”

Te Vesālī besloot hij om over drie maanden heen te gaan. De Eerwaarde Ānanda zou hebben geprobeerd hem over te halen om langer te blijven leven, maar tevergeefs. De Verhevene liet de Sangha bijeenkomen en gaf de raad oplettend te zijn. Van Vesālī ging hij naar het dorp Bhanda en gaf er aan de Sangha de raad deugdzaamheid, concentratie en inzicht uit te oefenen. Hij ging verder noordwaarts en gaf in de stad Bhoga leerreden over de vier grote autoriteiten, mahāpadesa.

Hij ging verder naar Pāvā en kreeg er een maaltijd aangeboden door Cunda, zoon van een goudsmid. Na de maaltijd werd de Boeddha erg ziek. Toch ging hij verder naar Kusinārā. Hij zou er gesproken hebben over de vier plaatsen van verering en devotie. Ook sprak hij tot de Eerwaarde Ānanda over het gedrag van monniken t.o.v. vrouwen en wat er moest gebeuren op zijn begrafenis. Als laatste bekeerde hij de zwervende asceet Subhadda en legde hem de leer uit.

Zijn laatste woorden waren: “Alle samengestelde dingen zijn aan verval onderhevig. Streeft oplettend.” Toen ging hij heen in parinibbāna.


[Voor een vertaling van dit sutta, zie: Het laatste jaar.]



D.17. Mahasudassana sutta – De grote heerlijke.


Het verhaal over de Boeddha in zijn vroegere bestaan als koning Sudassana. Dit verhaal, dat door de Boeddha te Kusināra werd verteld op zijn sterfbed in het sala-bosje van de Mallas, handelt over de vroegere grootheid van Kusinara.


[Voor een vertaling van dit sutta, zie: Het laatste jaar: 6.11. De vroegere glorie van Kusinārā]



D.18. Janavasabha sutta – Over Janavasabha.

De Boeddha vertelt aan de mensen van Nādikā het verhaal van de yakkha (demon) Janavasabha. Deze leerrede is een uitbreiding van een andere leerrede van de Boeddha op zijn laatste tocht. De Eerwaarde Ānanda wilde de bestemming weten van lekenvolgelingen uit het land Magadha. De Verhevene vertelde dat ontelbare personen uit Magadha de deva-wereld hadden bereikt door hun vertrouwen in het Drievoudige Juweel. Deze informatie had hij gekregen van Janavasabha deva, voorheen koning Bimbisāra. Deze vertelde de Boeddha ook dat er in de deva-sfeer regelmatig bijeenkomsten waren op uposatha-dagen, wanneer de koning van de devas en Sanankumāra Brahmā de Dhamma onderwezen.



D.19. Mahagovinda sutta – Over Govinda.


De hemelse musicus Pañcasikha (Patcasikha) verschijnt voor de Boeddha en vertelt hem dat hij in de hemel Brahma Sanankumāra heeft gezien. Deze laatste vertelde hem dat hij de Dhamma verkondigde zoals die door Mahā Govinda getoond was. De musicus vraagt aan de Boeddha of hij het zich herinnert. De Boeddha zegt dat hijzelf Mahā Govinda was geweest. Hij kon toen alleen de leer uitleggen in zoverre dat zij iemand in de Brahma-wereld kon voeren. Nu als volledig verlichte Boeddha kon hij de wezens onderrichten tot hogere niveaus, tot het eerste, tweede, derde en vierde niveau van heiligheid.


Dit verhaal is belangrijk omdat het India verdeelt in zeven provincies, namelijk Kalinga, Potana, Avanti, Sovira, Videha, Anga en Kasi. Deze leerrede is ook aanwezig in het Mahavastu. Net als het Tevijja sutta gaat het over de verdiensten van de beoefening van de vier hemelse verblijven (Brahma-viharas): mettā, karunā, muditā, upekkhā.



D.20. Mahasamaya sutta – De bijeenkomst van de goden.


Te Kapilavatthu, in het Mahāvana woud, bezoeken de goden van de Zuivere Verblijven de Boeddha en zijn gevolg. Ook bewoners van de deva- en Brahma-sferen komen er. De Verhevene vertelt zijn discipelen de namen van die goddelijke bezoekers.


[Voor een vertaling van dit sutta, zie: Het grote boek van de beschermingen: 30. Mahā-samaya sutta - De grote bijeenkomst]



D.21. Sakkapañha sutta – Vragen van Sakka.


Nabij Rājagaha, in de Indesāla grot, bracht Sakka, de koning van de goden (devas) een bezoek aan de Boeddha. Sakka vroeg waarom er vijandschap is en geweld. Het antwoord luidde: “Door afgunst en egoïsme. Die zijn weer veroorzaakt door voorkeur en afkeer. Die hebben hun basis in verlangen. Dit weer ontstaat ten gevolge van geestelijke vooringenomenheid (vitakka). Die heeft zijn oorsprong in illusies.” De Boeddha legde toen uit hoe die illusies verwijderd kunnen worden. Ook legde hij uit wat wel en wat niet nagestreefd moet worden. Hij onderwees verder dat alles wat ontstaat ook aan verval onderhevig is.



D.22. Mahasatipatthana sutta – De vier grondslagen van oplettendheid.


Te Kammāsadhamma sprak de Boeddha de leerrede over de grondslagen van oplettendheid, de vier grote meditaties die tot inzicht voeren: meditatie over het lichaam, over gevoelens, over de geest en over geestelijke objecten. Ook is er een commentaar op de vier edele waarheden.


[Voor een vertaling van dit sutta, zieDe vier grondslagen van oplettendheid.]



D.23. Payasi sutta – Over Payasi.


In de stad Setabyā van Kosala geloofde gouverneur Pāyāsi, een Khattiya leraar en filosoof, dat er na de dood niets meer is en dat goede of slechte daden geen resultaat hebben. De monnik Kumārakassapa bekeerde Pāyāsi. Hij overtuigde hem ervan dat er na de dood een wedergeboorte is en dat de goede en slechte daden later resultaat hebben. De gouverneur nam zijn toevlucht tot het Drievoudige Juweel. Kumārakassapa onderwees hem ook over de juiste soort van offergaven en dat die met respect en eigenhandig gegeven moeten worden. Gouverneur Pāyāsi stierf en de monnik Gavampati ging op bezoek in de hemel en kwam er Payasi's staat van wedergeboorte te weten.



3. Pātika-vagga (D.24-34)


Deze sectie heeft elf leerreden. De eerste vier ervan (24-27) handelen hoofdzakelijk over niet-Boeddhistische visies en ascetische praktijken.

Hoe het universum zich ontwikkelt tot een nieuwe cyclus. Soorten van ascetische praktijken. De legende van de universele koning. De toekomstige Boeddha Metteyya. Men moet op zichzelf vertrouwen en de Dhamma tot enige toevlucht nemen. Verkeerde meningen over kaste. Een persoon is niet edel door geboorte en afkomst, maar door zijn deugdzaamheid en inzicht van de edele waarheden. Alle Boeddhas verkondigen de leer zoals de Boeddha Gotama. De volmaakte en de onvolmaakte leraar. Het gedrag van monniken. De 32 kenmerken van een groot man. De leek moet zijn plichten vervullen jegens zes soorten van mensen: de ouders, de leraren, vrouw en kinderen, vrienden en bekenden, dienstpersoneel; de geestelijke leraren. Een recitatie ter bescherming tegen kwaadwillende geesten (yakkhas). Een overzicht van de leer in tien groepen.



D.24. Patika sutta – Over de zoon van Patika.


Ten tijde van de Boeddha waren er veel andere leraren met verschillende leringen over het heilige leven, oorsprong en ontwikkeling van het universum, en wonderen. Dit sutta is de legende van Sunakkhatta, een Licchavi-prins. Hij werd een discipel van de Boeddha en trad in de Orde in. Hij vond de leer boven zijn begrip en na drie jaren verliet hij teleurgesteld de Orde. Hij ging naar andere leraren en begon de leer van de Boeddha te kleineren. Na zijn vertrek legde de Boeddha uit hoe het universum zich ontwikkelt tot een nieuwe cyclus. Hij verwierp de visie dat dit het werk is van een god of van Brahmā. Ook weerlegde hij in het kort wat Sunakkhatta beweerde.



D.25. Udumbarika sutta – Over de vogelvrije.


Nabij Rājagaha in het koningin Udumbarikā park had de Boeddha een gesprek met de zwervende asceet Nigrodha en diens volgelingen over twee soorten van ascetische praktijken. De asceten waren zó vol van hun eigen, verkeerde, meningen dat zij geen gevolg gaven aan de raad van de Boeddha om zijn leer te volgen waarbij zij binnen zeven dagen resultaat zouden hebben gehad.



D.26. Cakkavatti sutta – De keizer


In de stad Mātula, in Magadha, vertelde de Verhevene de legende van Dalhanemi, de universele koning. De levensspanne was toen erg lang. Toen de koning zijn plichten verwaarloosde, nam de moraal van het volk af. Er was verval van de zeden. De levensspanne werd steeds minder. Kwaadwil, moord e.d. waren het gevolg. Enkelen gaven hun slechte levenswijze op en leefden in eendracht. De deugdzaamheid nam toe, de levensspanne werd steeds groter tot uiteindelijk 80.000 jaren. Toen verscheen er weer een universele koning die oprecht regeerde. De Boeddha vertelde toen ook over de komst van de toekomstige Boeddha Metteyya. Vermeld werden ook de plichten van een universele koning.

In dit sutta wordt de Boeddhist aangespoord op zichzelf te vertrouwen en de Dhamma tot enige toevlucht te nemen.



D.27. Aggañña sutta – Over de oertijd.


Te Sāvatti wezen de twee novicen Vāsettha en Bhāradvāja erop dat de brahmanen verkeerde meningen hadden over kaste. De brahmanen beweerden dat zij de edelsten waren. Na hen volgde de kaste van de Khattiya, de adel, gevolgd door de kaste van de Vessa, de handelaren. De laagste kaste was die van de Sudda. De Boeddha weerlegde de bewering dat brahmanen superieur zijn door geboorte. Hij legde uit dat de wereld onderworpen is aan processen van ontstaan en vergaan. Hij beschreef hoe menselijke wezens op aarde verschenen en hoe de vier sociale klassen ontstonden. Verder legde hij uit dat een persoon niet edel is door geboorte en afkomst, maar door zijn deugdzaamheid en inzicht van de edele waarheden.



D.28. Sampasadaniya sutta – Om helder te worden.

Een gesprek van de Boeddha met de Eerwaarde Sāriputta. De laatste sprak zijn volle vertrouwen uit in de leer van de Boeddhas. Op de vraag van de Verhevene of Sāriputta persoonlijke kennis had van de geest van alle Boeddhas, vroegere, tegenwoordige en toekomstige, zei Sāriputta dat hij dat niet had, maar door afleiding kwam hij tot de conclusie dat alle Boeddhas de leer verkondigden zoals de Boeddha Gotama. De Boeddha zei hem de leer vaak aan de discipelen uit te leggen.



D.29. Pasadika sutta – Bevredigend.


De Eerwaarde Ānanda ging samen met de monnik Cunda naar de Boeddha en vertelde hem dat de Jain leraar Nigantha Nātaputta was gestorven. Na diens dood was er tweedracht ontstaan tussen de volgelingen van hem.

De Boeddha legde uit dat tweedracht een natuurlijke zaak was en te verwachten bij een leer die niet goed was onderwezen, die niet naar bevrijding leidde en die niet was onderwezen door iemand die volmaakt verlicht was.

Wanneer de leer goed was onderwezen door een volmaakt Verlichte, waren er geen verkeerde meningen, geen speculaties over verleden of heden of over atta (zelf). In de leer van de Boeddha waren de monniken onderwezen in de vier grondslagen van oplettendheid door welke grondslagen verkeerde meningen en speculaties opzij werden gelegd.

Deze leerrede bevat (1) een verwijzing naar een visie van Uddaka Ramaputta, (2) een uitleg van de term sukhallikanuyoga welke in het Dhammacakkappavattana sutta verschijnt, en (3) een rechtvaardiging voor het niet beantwoorden van sommige vragen. In deze leerrede spreekt de Boeddha over de volmaakte en de onvolmaakte leraar, en over het gedrag van de monniken.



D.30. Lakkhana sutta – De 32 kentekenen.


Te Sāvatthi, in het Jetavāna klooster legde de Boeddha de 32 kenmerken van een groot man uit, samen met de verdienstelijke daden waardoor deze kenmerken verkregen worden.

[Voor een bespreking van de 32 kentekenen van een groot man, zie: de bodhisatta in het theravada-boeddhisme: De 32 kentekenen]



D.31. Sigalovada sutta – De leerrede tot de jonge Sigāla

       In Rajgir (het vroegere Rājagaha) zijn beroemde warme bronnen, aan de noordelijke helling van de Vaibhara-heuvel. Hier sprak de Boeddha de leerrede tot de jonge Sigāla.

 

       Toen de Verhevene eens te Rājagaha verbleef, overzag hij - zoals gebruikelijk - vol mededogen met zijn Boeddha-oog de wereld om te zien wie hij op die dag kon helpen. Die morgen zag hij dat de jonge Sigāla in een goede richting geleid kon worden. Hij besloot hem de gedragsregels voor de leek te leren. De leerrede die de Verhevene toen sprak, is voor menigeen tot groot heil. Ze bevat alle huiselijke en sociale plichten van de leek.

 

       Sigāla nu was de zoon uit een Boeddhistisch gezin. Zijn ouders waren devote volgelingen van de Verhevene, maar Sigāla was niet religieus. Hij was er niet toe te brengen de Boeddha of diens leerlingen te volgen en naar de edele leer te luisteren. Hij was alleen bezorgd voor materieel voordeel. Geestelijke vooruitgang was voor hem niet belangrijk.

Toen zijn vader op het sterfbed lag, riep hij zijn zoon en vroeg hem of hij zijn laatste wens wilde uitvoeren. “Zeker, vader, ik doe alles wat u wilt,” gaf Sigāla ten antwoord. – “Welnu dan, zoon, na je ochtendbad moet je de zes kwartieren aanbidden.”

De vader vroeg dit in de hoop dat op zekere dag de Boeddha of een van diens discipelen Sigāla zou zien en hem bij die gelegenheid zou onderrichten. Zonder de ware betekenis ervan te weten, voerde Sigāla de laatste wens van zijn vader uit.

 

Vanuit het Veluvana-park ging de Verhevene naar Rājagaha om er aalmoezen te vergaren. Daar zag hij de jonge Sigala met natte kleren en nat haar en met de handen eerbiedig tegen elkaar de zes kwartieren aanbidden. Die zes kwartieren zijn: het oosten, het zuiden, het westen, het noorden, het laagste en het hoogste punt aan de hemel. En de Boeddha vroeg: “Waarom sta je vroeg in de morgen op en aanbid je met samengevoegde handen en met natte kleren en nat haar de zes kwartieren?” – “Eerwaarde Heer, mijn vader heeft me dat op zijn sterfbed gevraagd. En uit eerbied voor zijn laatste wens handel ik zo.” – “Maar jongeman, in de discipline van de Edelen moeten de zes kwartieren niet op die manier worden aanbeden.”- “Eerwaarde Heer, hoe moeten zij dan wel worden aanbeden? Wil de Verhevene mij leren hoe ik de zes kwartieren op de juiste manier moet aanbidden?” – “Jongeman, luister goed en onthoudt wat ik je leer.” – “Jawel, Heer."

      

       En de Verhevene zei: “Jongeman, (a) voor zover de edele volgeling de vier ondeugden in zijn gedrag heeft uitgeroeid, (b) voor zover hij geen euvele daden begaat op vier manieren, (c) voor zover hij niet de zes kanalen najaagt om zijn vermogen te verkwisten, - door deze 14 slechte dingen te vermijden bedekt hij de zes kwartieren en betreedt hij het pad dat voert naar overwinning in beide werelden: hij is in deze wereld begunstigd en ook in de wereld hierna. Na de dood wordt hij in een gelukkige sfeer geboren, in een hemel.

 

(a)    De vier ondeugden zijn: (1) het vernietigen van leven; doden; kwelzucht; (2) stelen; nemen wat niet is gegeven; (3) seksueel wangedrag; (4) liegen. [Hieronder valt ook verkeerd taalgebruik zoals lasteren, kwaadspreken, het gebruik van ruwe en barse taal, het zaaien van tweedracht].

Doden, stelen, liegen en echtbreuk, deze vier ondeugden worden door de wijze niet geprezen.

(b)     Wie geleid wordt door verlangen, boosheid, onwetendheid en/of angst, doet kwaad. Maar voor zover de edele volgeling niet geleid wordt door verlangen, boosheid, onwetendheid of angst, in zoverre doet hij geen kwaad.

(c)     De zes kanalen waardoor het vermogen verkwist wordt, zijn: Graag drank (en drugs) gebruiken die de geest benevelen en waardoor men achteloos wordt. Over straat slenteren op onbetamelijke uren. Vaak onpassende shows en theatervoorstellingen bezoeken. Graag gokken wat achteloosheid veroorzaakt. Omgang hebben met slechte makkers. De gewoonte van lediggang.

 

Door het gebruik van sterke drank en drugs verliest men zijn vermogen, nemen twistgesprekken toe en wordt men ontvankelijk voor ziektes. Men krijgt een slechte naam, men heeft een onbetamelijk gedrag, stelt het lichaam schaamteloos ten toon en het verstandelijke vermogen gaat achteruit.

Wie over straat slentert op onbetamelijke uren, is zelf onbeschermd en ook zijn vrouwen kinderen zijn onbeschermd en zonder toezicht. Men wordt verdacht van misdaden die anderen begaan hebben. Men is onderwerp van valse geruchten en men krijgt veel moeilijkheden.

Wie vaak onpassende shows bezoekt, denkt steeds eraan waar gedanst of muziek wordt gemaakt of waar toneel en theater is [of wat voor films er te zien zijn of wat voor vermaak er op de T.V. te zien is]. Hij denkt steeds eraan waar vertier, sport en spel is. Dat zijn de kwalijke gevolgen van het vaak bezoeken van onpassende shows.

Wie graag gokt, wordt gehaat als hij wint, en treurt als hij verliest. Gokken heeft verder als kwalijke gevolgen dat men geld en goed verliest, dat men bij een rechtszaak niet wordt vertrouwd en in respectabele kringen niet wordt geacht. Door vrienden en kennissen wordt men veracht. Ook is men geen goede huwelijkskandidaat, want anderen zullen zeggen dat men een gokker is en niet in staat is om voor een vrouw te zorgen.

Het omgaan met slechte vrienden heeft zes kwalijke gevolgen, namelijk dat gokkers, losbollen, drinkebroers, oplichters, bedriegers en lawaaischoppers iemands vriend en metgezel zijn.

Lediggang en luiheid hebben als kwalijke gevolgen dat men geen werk doet met de uitvlucht dat het te koud of te warm is, dat het te laat in de avond of te vroeg in de morgen is, dat men te veel honger heeft of dat men te veel heeft gegeten. Door op zo’n manier te leven worden veel plichten niet vervuld, krijgt men geen voorspoed en gaat alles wat men verkregen heeft, teloor.”


En verder sprak de Verhevene: “Alleen in het uur van de waarheid kent men zijn vrienden.

Een slechte vriend is oorzaak voor achteruitgang. Een goede vriend daarentegen is de oorzaak voor vooruitgang.

De volgende vier moeten beschouwd worden als vijanden in de gedaante van vrienden:

1.      Hij die zich de bezittingen van zijn vriend toeëigent; die weinig geeft en veel vraagt; die zijn plicht doet uit angst en vrees; die eigenbelang najaagt. Deze persoon is een vijand in de gedaante van een vriend.

2.      Degene die oppervlakkige woorden gebruikt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij spreekt met vriendelijke woorden betreffende het verleden en de toekomst. Hij tracht iemands vertrouwen te winnen met ijdele woorden en holle frasen. Als er een gelegenheid is om werkelijk een dienst te bewijzen, toont hij zijn onvermogen en zegt niet te kunnen.

3.      Degene die vleit en complimenten maakt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij keurt de slechte daden van zijn vriend goed en keurt diens goede daden af. Hij prijst zijn vriend in diens tegenwoordigheid maar spreekt kwaad van hem in diens afwezigheid.

4.      Degene die verderf brengt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij gebruikt graag bedwelmende drank en drugs. Hij loopt op onbetamelijke uren over straat. Hij bezoekt vaak onbetamelijke shows. En hij gokt en speelt graag.


Dobbelstenen (en gokken), vrouwen (van lichte zeden), drank, pret maken, overdag slapen, op onbetamelijke uren over straat slenteren, slecht gezelschap en hebzucht: deze zes oorzaken richten een mens te gronde.

Als goede vrienden, als vrienden met een warm hart zijn de volgende vier te beschouwen:

1.      Degene die een hulp is: hij waakt over de onoplettende; hij beschermt het vermogen van de onoplettende; hij is een toevlucht als men in nood verkeert; hij voorziet je van het dubbele wat nodig is als er verplichtingen zijn.

2.      Degene die hetzelfde is in voor- en tegenspoed: hij openbaart zijn geheimen aan jou; hij bewaart jouw geheimen; in tegenspoed laat hij je niet in de steek; hij zet zelfs zijn leven op het spel voor jouw heil.

3.      Hij die goede raad geeft: hij weerhoudt je ervan kwaad te doen; hij moedigt je aan het goede te doen; hij deelt mee wat je nog niet weet; hij wijst je de weg naar de hemel.

4.      Hij die meegevoel betoont: hij schept geen behagen in je tegenspoed; hij schept behagen in je voorspoed; hij weerhoudt anderen ervan kwaad over je te spreken; hij prijst degenen die goed over je spreken.”


Zo sprak de Verhevene. En hij vervolgde: “De vriend die een behulpzame makker is, die in voor- en tegenspoed trouw blijft, die goede raad geeft en die meegevoel heeft, deze vier ziet de wijze als vriend en hij draagt hem een warm hart toe zoals een moeder haar eigen kind.

En jongeman, hoe bedekt een edele volgeling de zes kwartieren? Welnu, de ouders moeten beschouwd worden als het oosten; leraren als het zuiden; vrouw en kinderen als het westen; vrienden, kennissen en collega’s als het noorden; bedienden en werknemers als het laagste punt en asceten en priesters als het hoogste punt aan de hemel.

 

Op vijf manieren moet een kind voor zijn ouders zorgen als het oosten, namelijk door te denken (en ook zo te handelen): ‘Vroeger hebben zij voor mij gezorgd, nu zorg ik voor hen. Ik zal hun plichten vervullen. Ik houd de familietraditie hoog. Ik maak mezelf tot een waardig erfgenaam. Ik geef aalmoezen ter ere van mijn overleden ouders.’


Op vijf manieren tonen ouders hun medeleven met hun kinderen: Zij houden hun kinderen af van het kwade. Zij moedigen hen aan tot het goede. Zij geven hun een goede opleiding. Zij regelen een geschikt huwelijk. Op de passende tijd overhandigen zij aan hen hun erfenis.


Op vijf manieren moet een leerling zorgen voor zijn leraar als het zuiden: Hij staat op ter begroeting. Hij maakt zijn opwachting bij hem. Hij leert ijverig. Hij bewijst persoonlijke dienst. Hij heeft een eerbiedige houding wanneer hij instructies krijgt.


Op vijf manieren tonen leraren hun medeleven met hun leerlingen: Zij oefenen hen in de beste discipline. Zij letten op dat zij hun lessen goed begrijpen. Zij onderwijzen hen in kunsten en wetenschappen. Zij stellen hen voor aan hun vrienden en kennissen. Zij zorgen ervoor dat zij overal veilig zijn.


Op vijf manieren moet een vrouw als het westen door haar man worden verzorgd: Hij is hoffelijk tegen haar. Hij veracht haar niet. Hij is haar trouw. Hij geeft haar gezag. En hij geeft haar sieraden.


De vrouw toont haar medeleven met haar man op vijf manieren: Zij oefent haar plichten goed uit. Zij is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. Zij beschermt wat hij meebrengt. En zij is bekwaam en vlijtig in het uitvoeren van haar taken.


Op vijf manieren moet men voor zijn vrienden en kennissen zorgen als het noorden: door vrijgevigheid; door hoffelijke taal; door behulpzaam te zijn; door onpartijdig te zijn; door oprechtheid.


De vrienden en kennissen tonen hun medeleven op vijf manieren: Zij beschermen hemzelf en zijn bezittingen als hij onoplettend is. Zij zijn een toevlucht wanneer hij in gevaar is. Zij laten hem niet in de steek wanneer hij in moeilijkheden verkeert. Zij tonen achting voor zijn gezin.


Op vijf manieren moet een baas voor zijn (huis)bedienden en werknemers zorgen als het laagste punt aan de hemel: Hij geeft hun werk in overeenstemming met hun bekwaamheid. Hij geeft hun voedsel en loon. Hij zorgt voor hen bij ziekte. Hij deelt alle lekkernijen met hen. Hij geeft hun nu en dan verlof.


De bedienden en werknemers tonen hun medeleven met de baas op vijf manieren: Zij staan vóór hem op. Zij gaan na hem slapen. Zij nemen alleen wat is gegeven. Zij vervullen hun plichten goed. Zij houden zijn goede naam en faam oprecht.


Op vijf manieren moet een gezinshoofd zorgen voor asceten en priesters als het hoogste punt aan de hemel: door vriendelijke daden; door vriendelijke woorden; door vriendelijke gedachten; door open huis voor hen te houden; en door in hun materiële noden te voorzien.


De asceten en priesters tonen hun medeleven dan op zes manieren: Zij weerhouden hem van het kwade. Zij overtuigen hem ervan goed te doen. Zij zijn hem genegen met een vriendelijk hart. Zij laten hem horen wat hij nog niet wist. Zij maken duidelijk wat hij reeds wist. En zij tonen hem het pad naar een hemelse staat van bestaan.”


Aldus sprak de Verhevene. En hij ging verder met de woorden:

        “Wie wijs is en deugdzaam,

        vriendelijk en scherpzinnig,

        nederig en handelbaar,

        zo iemand kan eer behalen.

        Wie energiek is en niet lui,

        onverstoorbaar in tegenspoed,

        onberispelijk in gedrag en intelligent,

        zo iemand kan eer behalen.

        Wie gastvrij is en vriendelijk,

        vrijgevig en onzelfzuchtig,

        een gids, een leraar, een leider,

        zo iemand kan eer behalen.


        delmoedigheid, aangename taal,

        behulpzaamheid ten opzichte van anderen,

        onpartijdigheid voor allen

        zoals de zaak verlangt.

        Deze vier innemende manieren om vooruit te komen

        houden de wereld in beweging,

        zoals de as in een bewegende kar.

        Indien deze vier manieren niet in de wereld bestaan,

        dan zullen noch moeder noch vader

        respect en achting van hun kinderen krijgen.

        Omdat deze vier innemende manieren

        door de wijzen in elk opzicht worden gewaardeerd,

        bereiken zij verhevenheid

        en worden zij terecht geprezen.”


Na deze woorden van de Verhevene dankte de jonge Sigāla de Boeddha dat hij hem alles zo goed had uitgelegd. En hij werd een volgeling van de Verhevene door zijn toevlucht te nemen tot het Drievoudige Juweel.



D.32. Atanatiya sutta – Ondeerbare bescherming.


De Vier Grote Koningen kwamen naar de Boeddha toe en vertelden hem dat er ongelovigen waren onder de onzichtbare wezens. Die ongelovigen konden schade toebrengen aan de volgelingen van de Boeddha. De Vier Grote Koningen wilden daarom de monniken een beschermende recitatie (paritta) geven ter bescherming tegen kwaadwillende geesten (yakkhas). Met toestemming van de Verhevene reciteerden de Vier Grote Koningen toen die paritta, bekend als de Ātānātiya paritta. De Boeddha gaf de raad aan monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen om die paritta van buiten te leren zodat zij op hun gemak en beschermd konden leven.


De recitatie van het Ātānātiya ritueel is een zuiver Boeddhistische vorm van duiveluitdrijving, van uitdrijving van een boze geest. Het commentaar bij dit Sutta geeft een gedetailleerde beschrijving betreffende dit ritueel. Eerst moeten de Metta, Dhajagga en Ratana Suttas worden gereciteerd. Als de boze geest dan het lichaam nog niet heeft verlaten, moet het Ātānātiya Sutta worden opgezegd.


[Voor een vertaling van dit sutta, zie: het grote boek van de beschermingen:  36. Atānātiya sutta - De leerrede over Atānātiya]



D.33. Sangiti sutta – Overeenstemming.


De Boeddha opent een nieuwe hal (aula) te Pāva, in het land van de Mallas. Omdat hij moe is, vraagt hij aan de Eerwaarde Sāriputta om de monniken toe te spreken. Pas geleden was Nigantha Nātaputta gestorven. En zijn volgelingen waren het onderling oneens. Sāriputta schrijft dat schisma toe aan het feit dat die leer niet goed was onderwezen. Hij geeft de monniken de raad om de Dhamma te reciteren zoals die is onderwezen door de Boeddha, in eenheid, zodat die leer lang zal duren. De Eerwaarde Sāriputta schetst dan in hoofdlijnen de leer in tien groepen, om de leer gemakkelijk te onthouden.



D.34. Dasuttara sutta – De serie van tien.


Te Campā gaf de Eerwaarde Sāriputta een overzicht van de leer in tien groepen. Hij volgde daarbij de catechetische methode.


naar boven


Geraadpleegde bronnen voor Digha Nikaya


Bapat, P.V. (Gen. Ed.). 2500 Years of Buddhism. (5th repr.). New Delhi 1987.


Gnanarama, Ven. Pategama. The Mission Accomplished: A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997.


Norman, K.R. Pali Literature, including the canonical literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hinayana schools of Buddhism. Wiesbaden 1983.


Thomas, Edward L. The Life of Buddha as Legend and History. (Repr.). New Delhi 1992.


U Ko Lay (Comp.). Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).


Walshe, Maurice (tr.). The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Digha Nikaya. Kandy 1996.


Webb, Russel (ed.). An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy 1975, The Wheel Publications No. 217/220.

naar boven