Facetten van het Boeddhisme


naar Index


5.2.4.2. Anguttara Nikaya,
Duka-nipata; het boek van twee.
 

A.2.1;  A.2.2;  A.2.3-4;  A.2.5;  A.2.6;  A.2.7-8;  A.2.9;  A.2.10;  A.2.11;  A.2.12;  A.2.13;  A.2.14;  A.2.15;  A.2.16;  A.2.17;  A.2.18;  A.2.19;  A.2.20-21;  A.2.22;  A.2.23-26;  A.2.27-30;  A.2.31;  A.2.32;  A.2.33;  A.2.34;  A.2.35;  A.2.36;  A.2.37;  A.2.38;  A.2.39;  A.2.40;  A.2.41;  A.2.42;   A.2.43;  A.2.44;  A.2.45;  A.2.46;  A.2.53-56;  A.2.57;  A.2.58-60;  A.2.65-77;  A.2.78-87;  A.2.88-98;  A.2.99-108;  A.2.109-118;  A.2.119;  A.2.120-121;  A.2.122-123;  A.2.124-125;  A.2.126-127;  A.2.128-130;  A.2.131-134;  A.2.135-136;  A.2.137-138;  A.2.139-141;  A.2.142-151;  A.2.152-163;  A.2.164-180;  A.2.181-190;  A.2.191-200;   A.2.201-230;  A.2.231-246.




Anguttara Nikaya II. 

Duka-Nipata. Het boek van twee.



Verdeeld in 19 vaggas:

1. kammakarana-vagga (A.II.1-10)

2. adhikarana-vagga  (A.II.11-21)

3. bāla-vagga (A.II.22-32)

4. samacitta-vagga (A.II.33-42)

5. parisa-vagga (A.II.43-52)

6. purisa-vagga (A.II.53-64)

7. sukha-vagga (A.II.67-77)

8. sanimitta-vagga (A.II.78-87)

9. dhamma-vagga (A.II.88-98)

10. bāla-vagga (A.II.99-118)

11. āsāduppajaha-vagga (A.II.119-130)

12. āyācana-vagga (A.II.131-141)

13. dāna-vagga (A.II.142-151)

14. santhāra-vagga (A.II.152-163)

15. samāpatti-vagga (A.II.164-180)

16. kodha-peyyāla A.II.181-190)

17. akusala-peyyāla (A.II.191-200)

18. vinaya-peyyāla (A.II.201-230)

19. rāga-peyyāla (A.II.231-246)



A.II. Duka-Nipāta

Twee soorten van kamma-resultaat; oorzaken van het ontstaan van goed en kwaad; verwachtingen en verlangens, voordeel en lang leven; twee soorten van geven (van materiële dingen en van de leer); groepen van monniken: zij die de vier edele waarheden hebben verwerkelijkt en degenen die die ze niet hebben verwerkelijkt; zij die in harmonie leven en degenen die niet in harmonie leven.1 Dingen die men moet vermijden. Twee donkere en twee heldere dingen. Twee redenen voor een leven in het woud. Twee soorten Boeddhas.2

Hoofdstuk 1. kammakarana-vagga (A.II.1-10)



A.II.1 (A.II.1.1.) De schuld - Vajja Sutta

Te Savatthi in het Jetavana-klooster.

Er zijn twee soorten schuld. De schuld met gevolgen in de wereld en de schuld met gevolgen hierna. Slechte daden hebben slechte gevolgen. Uit vrees voor de slechte gevolgen vermijdt men slechte daden.



A.II.2 (A.II.1.2.) Inspanningen- Padhana Sutta

Er zijn twee soorten inspanning waartoe men moeilijk kan doordringen.

1. De inspanning van de mensen die in het huis leven om de monniken met gewaden, eten, verblijfplaats en medicijnen te voorzien.

2. De inspanning van degenen die uit het huis in de huisloosheid vertrokken zijn om zich van al het wereldlijke vrij te maken.

De beste van deze twee inspanningen is nr. 2. Daarom moet men ernaar streven zich van al het aardse vrij te maken.”



A.II.3-4 (A.II.1.3-4) Dingen met en zonder pijn - 3. Tapaniya, 4. Atapaniya Sutta

Wanneer iemand een slechte daad doet en een goede daad achterwege laat, dan heeft hij er later spijt van.

Wanneer iemand een goede daad doet en een slechte daad vermijdt, dan is hij er later blij om.3



A.II.5 (A.II.1.5) Onophoudelijk streven - Upaññata Sutta

“Men moet niet tevreden zijn met wat men al aan heilzame dingen verworven heeft. En men moet niet ophouden met zich in te spannen (met te strijden).

Onophoudelijk heb ik gestreden. En door onvermoeibaar te strijden bereikte ik de hoogste Vrede.

Ook jullie moeten zo strijden.”



(Kortom, men moet niet eerder tevreden zijn met wat men bereikt heeft dan totdat het hoge doel, de Verlichting, bereikt is.).4



A.II.6 (A.II.1.6) Boeien

Op twee manieren kan men iets overwegen, namelijk:

1. Men overweegt het genot bij de boeiende dingen.

2. En men overweegt de afkeer van de boeiende dingen.

(ad 1) wanneer men zo overweegt, overwint men niet de begeerte, afkeer, onwetendheid. En men wordt niet vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt niet vrij van lijden.

(ad 2) wanneer men zo overweegt, overwint men begeerte, afkeer en onwetendheid. Zo wordt men vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt vrij van lijden.



A.II.7-8 (A.II.1.7-8) Twee eigenschappen - 7. Kanha, 8. Sukka Sutta

Er zijn twee donkere eigenschappen, namelijk: schaamteloosheid en gewetenloosheid.

Twee heldere eigenschappen zijn er, namelijk: gevoel van schaamte en morele vrees.



A.II.9 (A.II.1.9) De beschermers van de wereld - Cariya Sutta

Twee heldere eigenschappen beschermen de wereld, namelijk: gevoel van schaamte en morele vrees.

Wanneer deze beide heldere eigenschappen de wereld niet zouden beschermen, zou er seksuele gemeenschap zijn tussen familieleden (moeder, tante, oom) of met eerbiedwaardige personen (vrouwen van leraren). De mensen zouden gemeenschap hebben zoals schapen, geiten, kippen, varkens, honden en jakhalzen.

Maar omdat deze beide heldere eigenschappen de wereld beschermen, daarom acht men zijn moeder, tante, oom, de vrouw van de leraar, en de vrouwen van eerbiedwaardige mannen.



A.II.10 (A.II.1.10) De regentijd - Vassupanayika Sutta

Er zijn twee soorten begin van de regentijd, het vroegere begin en het latere.5



Hoofdstuk 2. Adhikarana Vagga – (Pali) Het hoofdstuk van strijden



A.II.11 (A.II.2.1) Overweging en ontplooiing - I

Er zijn twee krachten, namelijk de kracht van overweging en de kracht van ontplooiing.

De kracht van overweging bestaat hierin. Men overweegt dat slechte acties in daden, woorden en gedachten in dit leven en in het toekomstige leven een slecht resultaat hebben. Ten gevolge van deze overweging verwerpt men slechte acties in daden, woorden en gedachten. Men voert een goede levenswandel en houdt zijn hart in reinheid.

De kracht van ontplooiing bestaat hierin. Wat er bestaat aan kracht van geestelijke ontplooiing, deze kracht is de leerling (sekha) eigen. Want met deze kracht als basis overwint men de begeerte, de afkeer, de onwetendheid. Na overwinning daarvan doet men niets onheilzaams, begaat men niets kwaads.



A.II.12 (A.II.2.2) Overweging en ontplooiing - II

Er zijn twee krachten, namelijk: de kracht van overweging en de kracht van ontplooiing.

De kracht van overweging bestaat hierin. Men overweegt dat slechte acties in daden, woorden en gedachten in dit leven en in het toekomstige leven een slecht resultaat hebben. Ten gevolge van deze overweging verwerpt men slechte acties in daden, woorden en gedachten. Men voert een goede levenswandel en houdt zijn hart in reinheid.

De kracht van ontplooiing bestaat hierin. Men oefent zich in de factoren van Verlichting (bojjhanga), die verbonden zijn met afzondering, het zich afkeren en onthechten. Die factoren van Verlichting zijn: oplettendheid, onderzoek naar de waarheid, energie, vreugde, kalmte, concentratie en gelijkmoedigheid.



A.II.13 (A.II.2.3) Overweging en ontplooiing - III

Er zijn twee krachten, namelijk de kracht van overweging en de kracht van ontplooiing.

De kracht van overweging bestaat hierin. Men overweegt dat slechte acties in daden, woorden en gedachten in dit leven en in het toekomstige leven een slecht resultaat hebben. Ten gevolge van deze overweging verwerpt men slechte acties in daden, woorden en gedachten. Men voert een goede levenswandel en houdt zijn hart in reinheid.

De kracht van ontplooiing bestaat hierin. Men verkrijgt, afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, de eerste meditatieve verdieping en vertoeft erin. Die meditatieve verdieping is verbonden met gedachten en overwegingen, is geboren in afzondering, vervuld van vreugde en geluk.

Na het tot stilstand komen van denken en overwegen verkrijgt men de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, de tweede meditatieve verdieping en vertoeft erin. Die tweede meditatieve verdieping is vrij van denken en overwegen, geboren in concentratie, vervuld van vreugde en geluk.

Na het zich losmaken van de vreugde vertoeft men gelijkmoedig, oplettend, helder bewust. Men ondervindt een gevoel van geluk in zijn binnenste waarvan de edelen zeggen: 'De gelijkmoedige, oplettende vertoeft in geluk'. Zo verkrijgt men de derde meditatieve verdieping en vertoeft erin.

Na het verdwijnen van aangenaam gevoel en pijn en na het reeds eerder uitdoven van pret en wanhoop, verkrijgt men de leedloze en vreugdeloze vierde meditatieve verdieping en men vertoeft erin. Die vierde meditatieve verdieping bestaat in de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en oplettendheid.



A.II.14 (A.II.2.4) Manieren van uitleg

Er zijn twee manieren om de leer uit te leggen, namelijk de samenvatting en de uitvoerige uitleg.



A.II.15 (A.II.2.5) Zelfonderzoek bij ruzies [tussen monniken]

Bij een ruzie (twist) moeten de schuldige en de aanklagende monnik zichzelf eerst goed onderzoeken. Zo niet dan is te verwachten dat zij grofheden uiten en dat het tot handtastelijkheden komt. De monniken kunnen dan niet in vrede leven.

Maar wanneer zij zich eerst grondig onderzoeken, dan is zoiets niet te verwachten en de monniken kunnen in vrede leven.

Hoe doet men dat?

De schuldige monnik overweegt: 'Inderdaad, ik heb iets onheilvols gedaan, een vergrijp in daden, en die andere monnik heeft het gezien. En hij uitte toen zijn misnoegen. Ik werd toen boos en sprak er met anderen over. Ik ben zelf schuld.”

De aanklagende monnik overweegt: Inderdaad, deze monnik heeft iets onheilvols gedaan, een vergrijp in daden. Ik heb het gezien. Als hij die fout niet gemaakt had, had ik het niet kunnen zien. Toen ik hem die fout zag maken, werd ik verontwaardigd en zei hilarische woorden. Daarop werd die monnik boos en sprak erover met anderen. In zoverre treft mij schuld.”

Wanneer beide monniken in een dergelijk geval zich niet zelf grondig onderzoeken, dan kan het tot grofheden en handtastelijkheden komen. Maar wanneer beide monniken zichzelf grondig beschouwen dan is zoiets niet te verwachten en kunnen die monniken in vrede leven.



A.II.16. (A.II.2.6) Verschillende wedergeboorte

Eens ging een zekere brahmaan naar de Verhevene toe, groette hem hoffelijk en ging terzijde neerzitten. Hij vroeg toen:

'Heer Gotama, wat is de oorzaak ervan dat een wezen na de dood in een lage wereld verschijnt, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel?" "Vanwege deugdloze en onjuiste levenswandel (vanwege deugdloos en onjuist gedrag) verschijnen enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel."

"Wat is echter de oorzaak ervan dat enige wezens na de dood op een gelukkig spoor verschijnen, in een hemelse wereld?"

"Vanwege deugdzame en juiste levenswandel verschijnen enige wezens na de dood op een gelukkig spoor, in een hemelse wereld."

"Voortreffelijk uitgelegd, heer Gotama."



A.II.17. (A.II.2.7) Het gedane en het niet gedane

Eens ging de brahmaan Jānussoni naar de Verhevene toe, groette hem vriendelijk en ging terzijde neerzitten. Toen vroeg de brahmaan Jānussoni aan de Verhevene:

"Wat is de oorzaak ervan dat enige wezens na de dood in een lagere wereld verschijnen, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel?"

"Vanwege het gedane en vanwege het niet gedane verschijnen enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel."

"Wat is dan de oorzaak ervan dat enige wezens na de dood op een gelukkig spoor verschijnen, in een hemelse wereld?"

"Vanwege het gedane en vanwege het niet gedane verschijnen enige wezens na de dood op een gelukkig pad, in een hemelse wereld."

"Ik begrijp deze korte uitleg niet goed. Kan heer Gotama mij de leer zo uitvoerig uitleggen dat ik het begrijp?"

"Wel aan, brahmaan, luister goed."

"Iemand verricht een slechte handeling in daden, woorden en gedachten; en hij laat goede handelingen in daden, woorden en gedachten achterwege. In zoverre verschijnen vanwege het gedane en niet gedane enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel.

Maar iemand verricht een goede handeling in daden, woorden en gedachten, en hij laat slechte handeling in daden, woorden en gedachten achterwege. In zoverre verschijnen vanwege het gedane en het niet gedane enige wezens na de dood op een gelukkig pad, in een hemelse sfeer."

"Voortreffelijk uitgelegd, heer Gotama! Ik word een lekenvolgeling van heer Gotama."



A.II.18. (A.II.2.8A) Te vermijden en uit te oefenen

Eens ging de eerwaarde Ānanda naar de Verhevene toe, groette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. De Verhevene zei toen aan Ānanda:

"Een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten moet men serieus vermijden. Want wie een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten uitoefent, heeft als nadeel het volgende te verwachten:

- Men maakt zichzelf verwijten;

- De wijzen die het merken, berispen iemand;

- Slechte geruchten verspreiden zich;

- Men sterft een onrustige dood;

- Na de dood verschijnt men in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in de hel.

Zulke nadelen zijn te verwachten.



Een goed gedrag in daden, woorden en gedachten moet men serieus uitoefenen. Wanneer een goed gedrag in daden, woorden en gedachten serieus nagevolgd wordt, dan zijn de volgende zegeningen te verwachten:

- Men maakt zichzelf geen verwijten;

- De wijzen die het merken, prijzen iemand;

- Een goede faam verspreidt zich;

- Men sterft een rustige dood.

- Na de dood verschijnt men op een gelukkig pad, in een hemelse wereld.

Zulke zegeningen zijn dan te verwachten."



A.II.19. (A.II.2.9) Overwinning en opwekking

"Laat het onheilzame. Het is mogelijk, want anders zou ik dat niet zeggen.

Het achterwege laten van het onheilzame strekt niet tot schade en nadeel, maar tot zegen en welzijn. Daarom zeg ik het onheilzame achterwege te laten.

Wekt het heilzame op. Het is mogelijk. Het opwekken van het heilzame strekt niet tot schade en nadeel, maar het strekt tot zegen en welzijn."



A.II.20-21. (A.II.2.10-11) Waarheidsgetrouwe overlevering - I

Twee omstandigheden voeren naar het verdwijnen en de ondergang van de ware leer, namelijk: verkeerde woordkeuze en verkeerd begrepen betekenis. De betekenis van verkeerde woordkeuze is misleidend.

Twee omstandigheden voeren naar het voortbestaan van de ware leer, naar het behoud en de uitbreiding ervan, namelijk juiste woordkeuze en goed begrepen betekenis. De betekenis van juiste woordkeuze is begrijpelijk.



Hoofdstuk 3. Bāla Vagga – (Pali) Het hoofdstuk van de dwaas



A.II.22. (A.II.3.1) Wijzen en dwazen

Er zijn twee soorten dwazen, namelijk (1) degene die een fout niet als fout inziet, en (2) degene die de fout van de bekenner niet behoorlijk aanneemt.

Twee soorten wijzen zijn er, namelijk (1) degene die een fout als fout inziet, en (2) degene die de fout van de bekenner behoorlijk aanneemt.



A.II.23-26. (A.II.3.2-5) Verkeerde beweringen

Twee mensen maken verkeerde beweringen over de Volmaakte, namelijk (1) degene die uit kwade geaardheid iets beweerd, en (2) degene die uit domheid blind vertrouwen heeft.

Twee mensen maken verkeerde beweringen over de Volmaakte, namelijk (1) degene die datgene wat door de Volmaakte niet gezegd en niet onderwezen is, uitgeeft alsof het door de Volmaakte gezegd en onderwezen is. En (2) degene die datgene wat door de Volmaakte gezegd en onderwezen is, uitgeeft alsof het niet door de Volmaakte is gezegd en onderwezen.

Twee mensen maken geen verkeerde beweringen over de Volmaakte, namelijk (1) degene die beweert dat datgene wat door de Volmaakte niet is gezegd en niet is onderwezen, door de Volmaakte niet gezegd en niet onderwezen is; en (2) degene die beweert dat datgene wat door de Volmaakte gezegd en onderwezen is, door de Volmaakte gezegd en onderwezen is.

Twee mensen maken verkeerde beweringen over de Volmaakte, namelijk (1) degene die beweert dat een leerrede met een betekenis die uitleg nodig heeft, een leerrede is met vastgestelde betekenis;6 en degene die een leerrede met vastgestelde betekenis aanduidt als een leerrede die uitleg nodig heeft.7

Twee mensen maken geen verkeerde beweringen over de Volmaakte, namelijk degene die een leerrede die een uitleg nodig heeft, als zodanig uitlegt; en degene die een leerrede met vastgestelde betekenis als zodanig uitlegt.


A.II.27-30. (A.II.3.6-9) Twee soorten resultaat

Voor iemand met verborgen handelingswijze is een van beide resultaten te verwachten: hel of dierenwereld.

Voor iemand met open handelingswijze is een van beide resultaten te verwachten: godenwereld of mensenwereld.

Voor iemand met verkeerde opvatting staat een van beide resultaten te verwachtent: hel of dierrijk.

Voor iemand met juist inzicht is een van beide resultaten te verwachten: godenwereld of mensenwereld.

In de hel of in het dierenrijk komt de zedeloze.

In de godenwereld of in de wereld van de mensen komt degene met reine zeden.



A.II.31. (A.II.3.10) Eenzaamheid in het bos

"Op grond van twee redenen zoek ik [= de Boeddha] in het bos eenzame, afgelegen plaatsen op. De redenen zijn: mijn eigen tegenwoordig welzijn en medelijden met latere generaties."


A.II.32. (A.II.3.11) Kalmte van geest en inzicht

Twee eigenschappen voeren naar weten, en wel (1) kalmte van geest en (2) inzicht.

Wanneer kalmte van geest beoefend wordt, krijgt men het volgende voordeel: de geest ontplooit zich. Wanneer de geest ontplooid is, krijgt men als voordeel: wat er aan begeerte bestaat, dat verdwijnt.8

Wanneer inzicht beoefend wordt, krijgt men als voordeel: de wijsheid ontplooit zich. Wanneer de wijsheid zich ontplooit, krijgt men als voordeel: de onwetendheid verdwijnt.

De geest die bevlekt is door begeerte, wordt niet bevrijd. Noch komt de geest die bezoedeld is door onwetendheid, tot ontplooiing. Zo ontstaat dan door het opheffen van de begeerte de bevrijding van het gemoed, en door het opheffen van de onwetendheid ontstaat de bevrijding door wijsheid.9



Hoofdstuk 4. Samacitta Vagga - (Pali) 4. Het hoofdstuk van gelijkmoedigheid



A.II.33. (A.II.4.1) Dankbaarheid

De slechte mens is ondankbaar en toont geen waardering. Want ondankbaarheid en gebrek aan waardering zijn kenmerkend voor slechte karakters. Ze vormen het kenmerk van een slecht mens.

De goede mens daarentegen is dankbaar en toont waardering. Want dankbaarheid en waardering zijn kenmerkend voor goede karakters. Ze vormen het kenmerk van een goed mens.



A. II.34. (A.II.4.2) De ouders

Vader en moeder kan men nooit vergoeden wat zij voor iemand gedaan hebben. Als men zijn ouders tot het Boeddhisme bekeert, hen toevlucht laat nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, als zij gevestigd worden in moreel goed gedrag, als zij vrijgevig worden; als zij gevestigd worden in de kennis van de vier edele waarheden, dan vergoedt men zijn ouders voor wat zij voor iemand gedaan hebben.10



Aan twee mensen kan nooit vergolden worden wat men aan hen te danken heeft. – Aan welke twee? – Aan vader en moeder. Als iemand honderd jaar zou worden en al die tijd zowel zijn vader als zijn moeder zou verzorgen, als hij ze zou verplegen met wassing en massage en baden en parfumeren zelfs als ze incontinent waren geworden, dan nog zou hij zijn vader en moeder niet hebben vergolden wat dezen voor hem hebben gedaan.

En waarom? Omdat ouders veel doen voor hun kinderen. Zij waken over hen, zij voeden hen en leiden hen binnen in de wereld.

Pas wie zijn ouders, wanneer dezen zonder geloofsvertrouwen zijn, dit vertrouwen geeft, ze daartoe aanspoort, ze die toestand doet bereiken en ze daarin stand doet houden, en hetzelfde als ze van slecht gedrag zijn, of wie, wanneer ze hebzuchtig zijn, ze weet te bewegen tot loslaten en ze daartoe aanspoort, dit laat bereikenen erin volharden, en net zo wanneer ze tekort schieten in wijsheid, pas op die manier heeft men zijn vader en moeder hun weldaden vergolden, en meer dan dat. (A.IV.1,2).11

A.II.35. (A.II.4.3) Handelen en niet handelen

Een brahmaan vroeg eens aan de Verhevene welke leer hij verkondigde. Het antwoord luidde: “Ik leer het doen en het niet-doen.

Het niet-doen onderwijs ik. Want ik onderwijs het niet doen van slechte daden in handelingen, woorden en gedachten, en ook het niet doen van de veelvuldige kwade, onheilzame dingen.

Het doen onderwijs ik. Want ik onderwijs het doen van edele daden in handelingen, woorden en gedachten, en eveneens het doen van de veelvuldige heilzame dingen.

In zoverre onderwijs ik het doen en het niet doen."

De brahmaan nam zijn toevlucht tot de Boeddha, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken. En hij werd een lekenvolgeling.



A.II.36. (A.II.4.4.) Gaven waardig

Vragen tussen het gezinshoofd Anāthapindika en de Boeddha.

"Wie is gaven waardig, aan wie mag men gaven aanbieden ?"

"Twee individuen zijn gaven waardig, namelijk degene die ijverig is bij het onderricht, die zich oefent in hoger onderricht, en degene die geen onderricht meer nodig heeft.

Degenen die oprecht zijn in hun daden, woorden en denken, zij zijn het zaaiveld voor de gever: daar brengt de gave rijk loon."



A.II.37. (A.II.4.5.) De geboeiden

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavanaklooster van Anāthapindika. De eerwaarde Sāriputta vertoefde toen te Savatthi in het oostelijke klooster van Visakha, de moeder van Migara. De eerwaarde Sariputta sprak de monniken toen toe:

"Monniken, er is degene die aan deze zijde geboeid is12 en er is degene die aan de andere zijde geboeid is.

Wie is aan deze zijde geboeid? Een monnik is rein van zeden, hij volgt de regels van de Orde, hij is volmaakt in gedrag en omgang, hij deinst terug voor de geringste fout, hij oefent zich in het navolgen van de regels van oefening. Na de dood verschijnt hij in een goddelijke sfeer. Vandaar heengegaan wordt hij een wederkerende (āgāmi), keert naar deze wereld terug. Hem noemt men iemand die aan deze zijde geboeid is, iemand die terugkeert naar deze wereld.13

Wie is aan de andere zijde geboeid? Een monnik is rein van zeden, hij volgt de regels van de Orde, hij is volmaakt in gedrag en omgang, hij deinst terug voor de geringste fout, hij oefent zich in het navolgen van de regels van oefening. Hij verkrijgt dan een zekere bevrijding van het gemoed die vol vrede is.14 Na de dood verschijnt hij in een goddelijke sfeer. Vandaar heengegaan is hij geen wederkerende, keert niet meer naar deze wereld terug.15

En verder is een monnik rein van zeden, hij volgt de regels van de Orde, hij is volmaakt in gedrag en omgang, hij deinst terug voor de geringste fout, hij oefent zich in het navolgen van de regels van oefening. Zijn gedrag dient voor de afkeer en bevrijding van de zinnelijke begeerte, dient voor de opheffing ervan. Zijn gedrag dient voor de afkeer, bevrijding en opheffing van de bestaansvormen. Zijn gedrag dient voor de vernietiging van begeerte, de vernietiging van hevig verlangen. Na de dood verschijnt hij in een goddelijke sfeer. Vandaar heengegaan is hij geen wederkerende, hij keert niet meer terug naar deze wereld. Hem noemt men iemand die aan de andere zijde geboeid is, die niet meer terugkeert naar deze wereld."16

Talrijke goden die een evenwicht van de geest17 bezaten, gingen toen naar de Verhevene. Zij vertelden hem over de toespraak van de eerwaarde Sariputta. Zij vroegen aan de Verhevene om naar de eerwaarde Sariputta te gaan, uit medelijden.

De Verhevene stemde toe en in een oogwenk verscheen hij in het oostelijke klooster van Migaras moeder. Hij ging op de hem aangeboden zitplaats neerzitten. De eerwaarde Sariputtta groette de Verhevene eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Verhevene zei toen dat talrijke godheden hem verzocht hadden naar de eerwaarde Sariputta te gaan. Die godheden stonden in groepen van 10, 20, 30, 40, 50 en 60 op een plek die zo groot was als de punt van een naald. En niemand was daarbij de ander tot last.

"Sariputta, het is niet zo dat die godheden hun gemoed in de godenwereld zodanig hebben geschoold dat zij in groepen op een plek zo groot als de punt van een naald kunnen staan zonder elkaar lastig te vallen. Maar hier in deze wereld hebben die godheden hun gemoed zodanig geschoold dat zij in groepen van 10, 20, 30, 40, 50 en 60 op een plek kunnen staan die zo groot is als de punt van een naald zonder dat iemand de ander lasting valt.

Sariputta, daarom moet uw streven zijn: 'Met gestilde zintuigen zullen wij vertoeven, met tot rust gekomen gemoed.' Want dan zullen uw daden zacht zijn en ook uw gedachten.

Uw streven moet zijn: een offergave van zachtmoedigheid zullen wij de medemonniken geven."



A.II.38. (A.II.4.6) Oorzaken van ruzie

Eens vertoefde de eerwaarde Mahā-Kaccāna bij Varanā, aan de oever van het Slik-meer. De brahmaan Arāmadanda ging naar de eerwaarde Mahā-Kaccāna, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

"Heer Kaccāna, wat is de oorzaak, wat is de reden ervoor dat edelen met edelen strijden, priesters met priesters, gezinshoofden met gezinshoofden?"

"Vanwege het genot aan zinnendingen (kāma-rāga, ditthi-rāga), vanwege het hechten en de verslaving, vanwege de binding, bevangenheid en hartstocht daarbij. Daarom strijden zij met elkaar."

"Maar wat is de oorzaak, wat is de reden dat asceten met asceten strijden?"

"Vanwege het genot aan theorieën, vanwege het hechten en de verslaving, de binding, bevangenheid en hartstocht erbij, daarom strijden zij met elkaar."

"Is er iemand in deze wereld die zowel deze lust aan zinnendingen als ook deze lust aan theorieën overwonden heeft, het hechten en de verslaving, binding, bevangenheid en hartstocht?"

"Brahmaan, er is iemand in de wereld die dat alles overwonnen heeft. In de oostelijke landen ligt een stad geheten Savatthi. Daar vertoeft nu de Verhevene, heilige, volmaakt Ontwaakte. Hij heeft dat alles inderdaad overwonnen."

Na deze woorden stond de brahmaan Arāmadanda van zijn zitplaats op,sloeg het gewaad over een schouder, knielde met de rechter knie op de aarde, strekte de samengevoegde handen in de richting van de Verhevene en riep drie keer uit: “Eer aan de Verhevene, heilige, volmaakt Ontwaakte. Want overwonnen heeft deze Verhevene die lust aan zinnendingen, overwonnen heeft hij die lust aan theorieën, het hechten en sterke verlangen, de binding, bevangenheid en de hartstocht daarbij."

En de brahmaan nam zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha en werd een lekenvolgeling.



A.II.39. (A.II.4.7) Rang van de rijpen (volgroeiden) en rang van de onrijpen (onvolgroeiden)

Eens vertoefde de eerwaarde Mahā-Kaccāna te Madhura,18 in het Gundā-bos. De brahmaan Kandarāyana ging naar hem toe, groette hem hoffelijk, ging terzijde neerzitten en vroeg:

"Heer Kaccāna, ik heb vernomen dat de asceet Kaccāna oude, hoogbejaarde brahmanen, met grijze haren, met aanzien, in ouderdom gerijpt, niet groet en niet voor hen opstaat, noch hun een zitplaats aanbiedt. Dit vindt ik niet juist."19

"De Verhevene heeft de rangorde van de gerijpten en die van de onrijpen uitgelegd.20 Zelfs wanneer iemand oud is, 80, 90 of 100 jaren telt, maar daarbij de vreugden van de zintuigen geniet, in begeerte leeft, brandt van koorts van begeerte, door begeerlijke gedachten verteerd wordt, en vol ijver naar genot zoekt, zo iemand telt als een kinderlijke dwaas21 en niet als een oudere.22

En zelfs wanneer iemand jong is, een jongeling met zwart haar, in het bezit van zijn beste jeugd, in de eerste volwassenheid, wanneer hij daarbij het genot van de zintuigen niet geniet, niet in begeerte leeft, niet brandt van begeerte-koorts, zo iemand telt als een wijze en oudere.”

Na deze woorden stond de brahmaan Kandarāyana op, sloeg het gewaad over een schouder, raakte in verering met zijn hoofd de voeten van de nog heel jonge monnik ,en zei:

"Tot rijpheid gekomen zijn de heren, zij staan in de rang van de gerijpten. Wij echter zijn onrijp. Voortreffelijk, heer Kaccāna. Ik word een lekenvolgeling van de Boeddha en neem mijn toevlucht tot hem, [tot de Dhamma en de Sangha].



A.II.40. (A.II.4.8) De gelijkenis van de rovers

Wanneer de rovers de macht bezitten, zijn de vorsten machteloos. Het is voor de vorsten dan niet gemakkelijk naar binnen en naar buiten te gaan of in het grensgebied maatregelen te nemen. Ook voor de brahmanen en gezinshoofden is het in die tijd niet gemakkelijk naar binnen en naar buiten te gaan of buiten toezicht te houden bij hun werk.

Juist zo zijn de goede monniken machteloos wanneer de slechte monniken de macht bezitten. In die tijd mijmeren de goede monniken in de vergadering van de monniken in stilte of zoeken afgelegen streken op. Dat strekt velen dan tot schade, tot ongeluk en onheil, tot schade en lijden voor goden en mensen.

Wanneer de vorsten de macht bezitten, zijn de rovers machteloos. Het is voor de vorsten dan gemakkelijk om naar binnen en naar buiten te gaan en om in het grensgebied maatregelen te nemen. Ook voor de brahmanen en gezinshoofden is het dan gemakkelijk naar binnnen en naar buiten te gaan en buiten toezicht te houden bij hun werk.

Juist zo zijn de slechte monniken machteloos wanneer de goede monniken de macht bezitten. In die tijd zitten de slechte monniken stilletjes in de vergadering van de monniken of zij gaan her en der. Dat sterkt echter velen tot voordeel, tot geluk en heil, tot zegen en welzijn voor goden en mensen.



A.II.41. (A.II.4.9) Gezinshoofd en thuisloze

Bij geen van beiden prijs ik het slechte gedrag, noch bij het gezinshoofd noch bij de thuisloze. Wanneer iemand van hen zich slecht gedraagt, een slecht leven voert, dan heeft hij geen succes in de leer van het heilzame pad, juist vanwege zijn slecht gedrag.

Bij beiden prijs ik het goede gedrag, bij het gezinshoofd en bij de thuisloze. Wanneer iemand van hen zich goed gedraagt, een goede levenswandel heeft, dan heeft hij succes in de leer van het heilzame pad, juist vanwege zijn goed gedrag.



A.II.42 (A.II.4.10) Getrouwe overlevering - II

Die monniken die door verkeerd begrepen23 en [slechts] woordelijk opgevatte leerreden24 de leer en de betekenis ervan terzijde zetten,25 die monniken handelen tot verderf, ongeluk en onheil van velen, tot nadeel en lijden van goden en mensen. Zij scheppen voor zich grote schuld en brengen deze goede leer tot ondergang.

Maar die monniken die door goed begrepen en woordelijk opgevatte leerreden in harmonie leven met de leer en de betekenis ervan, die monniken handelen tot zegen van velen, tot welzijn en heil, tot zegen en welzijn van goden en mensen. Zij scheppen voor zich grote verdienste en vestigen deze goede leer.


Hoofdstuk 5. Parisa Vagga – (Pali) Het hoofdstuk van de bijeenkomsten



A.II.43 (A.II.5.1) Ondiepe en diepzinnige bijeenkomst

Er zijn twee bijeenkomsten, namelijk de ondiepe en de diepzinnige.

De ondiepe bijeenkomst is die waarin de monniken opgewonden zijn, opgeblazen, onstandvastig, praatziek, achteloos, onhelder, niet geconcentreerd, met verstrooide geest, met vrij zwevende zintuigen.

De diepzinnige bijeenkomst is die waarin de monniken niet opgewonden zijn, niet opgeblazen, niet onstandvastig, maar oplettend zijn en met helder weten, geconcentreerd, met bewaakte zintuigen.

De beste van deze bijeenkomsten is de diepzinnige.



A.II.44. (A.II.5.2.) Harmonieuze en niet harmonieuze bijeenkomst

Er zijn twee bijeenkomsten, de niet-harmonieuze en de harmonieuze.

De niet harmonieuze bijeenkomst is die waarin de monniken twisten en ruzie maken, waarin zij graag disputeren, met scherpe woorden op elkaar af gaan.

De harmonieuze bijeenkomst is die waarin de monniken in eendracht, harmonie en vriendelijkheid vertoeven, waarin zij niet graag disputeren, waarin zij mild van harte zijn, elkaar met vriendelijke ogen aankijken.



A.II.45 (A.II.5.3) Edele en onedele bijeenkomst

Er zijn twee bijeenkomsten, de onedele en de edele.

De edele bijeenkomst is de volgende. In een bijeenkomst zijn de oudere monniken niet de weelderigheid toegedaan en niet de lediggang. Zij mijden het schadelijke als een last, geven de voorkeur aan de eenzaamheid en spannen hun kracht in om het niet bereikte te bereiken en het niet verwerkelijkte te verwerkelijken. En hun leerlingen maken het geziene na; ook zij zijn niet de weelderigheid toegedaan en niet de lediggang.

De onedele bijeenkomst is het tegendeel ervan.

Van deze beide bijeenkomsten is de edele bijeenkomst de beste.



A.II.46 (A.II.5.4) Heilige en niet heilige bijeenkomst

Er zijn twee bijeenkomsten, namelijk de niet heilige en de heilige bijeenkomst.

De niet heilige bijeenkomst is die waarin de monniken niet overeenkomstig de waarheid inzien: ‘Dit is het lijden; dit is het ontstaan van het lijden; dit is de uitdoving van het lijden; dit is het pad dat naar de uitdoving van lijden voert.’

De heilige bijeenkomst is die waarin de monniken overeenkomstig de waarheid inzien: ‘Dit is het lijden; dit is het ontstaan van lijden; dit is de uitdoving van het lijden; dit is het pad dat voert naar de uitdoving van het lijden.’

Van beide bijeenkomsten is de heilige bijeenkomst de beste.



*A.II.47 (A.II.5.5) Minderwaardige en gedegen bijeenkomst



*A.II.48 (A.II.5.6) De door mooie woorden beïnvloede en de aan wedervraag gewende bijeenkomst

*A.II.49 (A.II.5.7) De bijeenkomst die wereldlijk voordeel eert en de bijeenkomst die de juiste leer eert



*A.II.50 (A.II.5.8) De behoorlijke en de onbehoorlijke bijeenkomst



*A.II.51 (A.II.5.9) De bijeenkomst die trouw aan de wet is en de bijeenkomst die niet trouw aan de wet is



*A.II.52 (A.II.5.10) De bijeenkomst waarin volgens de wet en die waarin tegen de wet gesproken wordt



Hoofdstuk 6. purisa-vagga (A.II.53-64) Het hoofdstuk van de Verlichte.



A.II.53-56 (A.II.6.1-4) De Verlichte en de wereldheerser

(53) Twee wezens verschijnen in de wereld tot heil en zegen voor veel mensen en goden, namelijk een Volmaakte, Heilige, volmaakt Ontwaakte, en een rechtschapen wereldheerser.26

(54) Zij ontstaan in de wereld als wonderbaarlijke wezens.

(55) Het heengaan van die twee wezens vervult veel mensen met droefenis.

(56) Deze twee wezens zijn een stoepa27 waard.


A.II.57 (A.II.6.5) Twee soorten Ontwaakten

Er zijn twee soorten Ontwaakten, namelijk de Volmaakte, Heilige, volmaakt Ontwaakte (sammā-sambuddha); en de voor zichzelf Ontwaakte.28



A.II.58-60 (A.II.6.6-8) Onwrikbaar

De monnik die vrij is van neigingen, kan door niets meer bewogen worden.29



*A.II.61 (A.II.6.9) De halfmensen



*A.II.62 (A.II.6.10) De vrouw



*A.II.63 (A.II.6.11) Het samenleven



*A.II.64 (A.II.6.12) Ruzies



Hoofdstuk 7. sukha-vagga (A.II.67-77) Het hoofdstuk van het geluk



A. II.65-77. (A.II.7.1-13) Twee soorten geluk

Er zijn twee soorten geluk, namelijk het huiselijke geluk en het geluk van de huisloze. Het hoogste geluk is dat van de huisloze.

Verder: het geluk van zinnelijk genieten (zinsgenot) en het geluk van ontzegging.

Het wereldlijke geluk en het bovennatuurlijke geluk.

Het geluk met neigingen en het geluk dat vrij is van neigingen.

Het zinnelijke geluk en het geluk aan gene zijde van de zintuigen.

Het onheilige geluk en het heilige geluk.

Het lichamelijke geluk en het geestelijke geluk.

Het geluk verbonden met vervoering30 en het geluk dat vrij is van vervoering.

Het geluk van de blijdschap en opgewektheid, en het geluk van de gelijkmoedigheid.

Het geluk van verstrooiing en het geluk van concentratie.31

Het geluk van een denkbeeld verbonden met vervoering en het geluk van een denkbeeld dat vrij is van vervoering.

Het geluk van een denkbeeld verbonden met vreugde en het geluk van een denkbeeld verbonden met gelijkmoedigheid.

Verder: het geluk van een fijnstoffelijke voorstelling en het geluk van een onstoffelijke voorstelling.32 Het hoogste van beide is het geluk van een onstoffelijke voorstelling.



Hoofdstuk 8. sanimitta-vagga (A.II.78-87) Het hoofdstuk van oorzakelijk ontstaan



A.II.78-87 (A.II.8.1-10) Oorzakelijk ontstaan van het onheilzame

De slechte, onheilzame toestanden van de geest ontstaan door oorzaken, niet zonder oorzaak. Na het opheffen van die oorzaak bestaan ook die slechte, onheilzame toestanden van de geest niet meer.

Door een oorzaak ontstaan de slechte, onheilzame toestanden van de geest, afhankelijk van een reden, verbonden met een wilsactie,33 afhankelijk van een voorwaarde. Na het opheffen van die voorwaarde bestaan ook die slechte, onheilzame toestanden van de geest niet meer.

Samenhangend met lichamelijkheid, met gevoel, waarneming, bewustzijn34 ontstaan die slechte, onheilzame toestanden van de geest, niet zonder daarvan. Na opheffing van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, bewustzijn bestaan ook die slechte, onheilzame toestanden van de geest niet meer.

Met het gemaakte35 als voorstellingsobject ontstaan deze slechte, onheilzame geestestoestanden, niet zonder het gemaakte als voorstellingsobject.36 Na opheffing van dat gemaakte bestaan ook die slechte, onheilzame voorstellingen niet meer.



Hoofdstuk 9. dhamma-vagga (A.II.88-98) Het hoofdstuk van de paren



A.II.88-98 (A.II.9.1-11) Twee dingen

Er zijn twee dingen, namelijk:

(De meeste van deze paarbegrippen bevinden zich ook in D.33 en, met uitleg, in de 'Sutta-groep van twee' van het Dhammasanganî, enige ervan ook in Pug. Dit geldt ook voor A.II.164-180.)



Hoofdstuk 10. bāla-vagga (A.II.99-118) Het hoofdstuk van de dwaas



A.II.99-108 (A.II.10.1-10) Wijzen en dwazen

(99) Er zijn twee dwazen, namelijk degene die een plicht op zich neemt die hem niet is opgedragen; en degene die een hem opgedragen plicht niet op zich neemt.

(100) Er zijn twee wijzen, namelijk degene die een hem niet opgedragen plicht niet op zich neemt; en degene die een hem opgedragen plicht op zich neemt.

(101) Er zijn twee dwazen, namelijk degene die in het niet geoorloofde het geoorloofde ziet; en degene die in het geoorloofde het niet geoorloofde ziet.

(102) Er zijn twee wijzen, namelijk degene die in het ongeoorloofde het ongeloorloofde ziet; en degene die in het geoorloofde het geoorloofde ziet.

(103) Er zijn twee dwazen, namelijk degene die in een niet-fout een fout ziet; en degene die in een fout een niet-fout ziet.

(104) Er zijn twee wijzen, namelijk degene die in een niet-fout een niet-fout ziet; en degene die in een fout een fout ziet.

(105) Er zijn twee dwazen, namelijk degene die in de verkeerde leer de juiste leer ziet; en degene die in de juiste leer de verkeerde leer ziet.

(106) Er zijn twee wijzen, namelijk degene die in de verkeerde leer de verkeerde leer ziet; en degene die in de juiste leer de juiste leer ziet.

(107) Er zijn twee dwazen, namelijk degene die in de verkeerde discipline van de Orde [of in de verkeerde regels van deugdzaamheid]37 de juiste ziet; en degene die in de juiste discipline van de Orde [of juiste regels van deugdzaamheid] de verkeerde ziet.

(108) Er zijn twee wijzen, namelijk degene die in de verkeerde discipline van de Orde de verkeerde zien, en degene die in de juiste discipline van de Orde de juiste ziet.



A.II.109-118 De slechte invloeden

(109) Bij twee mensen nemen de slechte invloeden38 toe, namelijk bij degene die betreurt wat niet te betreuren is; en bij degene die niet betreurt wat te betreuren is.

(110) Bij twee mensen nemen de slechte invloeden niet toe, namelijk bij degene die het niet te betreuren niet betreurt; en bij degene die betreurt wat te betreuren is.

(111) Bij twee mensen nemen de slechte invloeden toe, namelijk bij degene die in het ongeoorloofde het geoorloofde ziet; en bij degene die in het geoorloofde het ongeoorloofde ziet.

(112) Bij twee mensen nemen de slechte invloeden niet toe, namelijk bij degene die in het ongeoorloofde het ongeoorloofde ziet; en bij degene die in het geoorloofde het geoorloofde ziet.

(De volgende teksten 113-118 gebruiken in het raam van de teksten 109-110 de begrippen die in de teksten 103-108 gebruikt werden, eindigende met)


Bij twee mensen nemen de slechte invloeden niet toe, namelijk bij degene die in de verkeerde discipline van de Orde de verkeerde ziet; en bij degene die in de juiste discipline de juiste ziet.



Hoofdstuk 11. Âsâduppajaha Vagga – (Pali) Het hoofdstuk van de dorst



A.II.119 (A.II.11.1) Twee soorten dorst

Twee soorten dorst zijn moeilijk te overwinnen, namelijk de dorst naar winst en de levensdorst.39



A.II.120-121 (A.II.11.2-3) Zelden te ontmoeten

Twee mensen ontmoet men zelden in de wereld, namelijk de hoffelijke en de dankbare, erkentelijke.

Zelden ontmoet men ook de uitgedoofde en degene die uitdoving brengt.40



A.II.122-123 (A.II.11.4-5) Tevreden

Twee mensen zijn moeilijk tevreden te stellen, namelijk degene die alles wat hij ontvangt, bewaart; en degene die alles wat hij ontvangt, weggeeft.

Gemakkelijk tevreden te stellen is degene die niet alles wat hij ontvangt, bewaart; en degene die niet alles wat hij ontvangt, weggeeft.

A.II.124-125 (A.II.11.6-7) Afhankelijk ontstaan van begeerte en haat

Twee voorwaarden zijn er voor het ontstaan van begeerte, namelijk een aantrekkelijk object en onverstandig (onwijs) nadenken.

Twee voorwaarden zijn er voor het ontstaan van haat, namelijk een afstotend object en onwijs nadenken.



A.II.126-127 (A.II.11.8-9) Voorwaardelijk ontstaan van inzicht

Er zijn twee voorwaarden voor het ontstaan van een verkeerde opvatting, namelijk de stem van iemand anders en onwijs nadenken.

Er zijn twee voorwaarden voor het ontstaan van juiste opvatting, namelijk de stem van iemand anders en wijs nadenken.



A.II.128-130 (A.II.11.10-12) Fouten, misstappen tegen de discipline

Er zijn twee paren van misstappen, namelijk de lichte fout en de zware fout; de aanzienlijke fout en de niet aanzienlijke fout; de onvolmaakte fout en de volmaakte fout.



Hoofdstuk 12. Âyâcana Vagga - (Pali) Wensen



A.II.131-134 (A.II.12.1-4) De voorbeelden

Moge de met vertrouwen vervulde monnik een dergelijke juiste wens koesteren: ‘Dat ik toch mag zijn zoals Sāriputta en Moggallāna.’ Want Sāriputta en Moggallāna zijn de maatstaf en de leidraad voor mijn monniken.

Moge de met vertrouwen vervulde non een dergelijke juiste wens koesteren: ‘Dat ik toch mag zijn zoals de nonnen Khemā en Uppalavannā.’ Want de nonnen Khemā en Uppalavannā zijn de maatstaf en de leidraad voor mijn nonnen.

Moge de met vertrouwen vervulde mannelijke lekenvolgeling een dergelijke juiste wens koesteren: ‘Dat ik toch mag zijn zoals het gezinshoofd Citta en Hatthaka uit Ālavi.’ Want beiden zijn de maatstaf en de leidraad voor mijn lekenvolgelingen.

Moge de met vertrouwen vervulde vrouwelijke lekenvolgeling een dergelijke juiste wens koesteren: ‘Dat ik toch mag zijn zoals de vrouwelijke lekenvolgelingen Khujjuttarā en Nandas moeder uit Velukantaka.’ Want beiden zijn de maatstaf en de leidraad voor mijn vrouwelijke lekenvolgelingen.

(zie ook A.I.24)



A.II.135-136 (A.II.12.5-6) De wijze en de dwaas - I

De dwaze, onverstandige, onedele mens ondergraaft en beschadigt zijn karakter als hij in het bezit is van twee eigenschappen. Hij is dan terecht te wijzen, wordt door wijzen berispt en hij verschaft zich grote schuld. Die eigenschappen zijn:

(135) Zonder begrepen en onderzocht te hebben, prijst hij degene die berispt moet worden en wijst hij degene terecht die geprezen moet worden.

(136) Zonder begrepen en onderzocht te hebben, keurt hij goed, wat men niet goed moet keuren; en keurt hij af, wat men goed moet keuren.

De wijze, verstandige, edele mens houdt zijn karakter onbeschadigt en onbeinvloed, als hij twee eigenschappen heeft. Hij blijft dan vrij van afkeuring, wordt door wijzen niet berispt, en verschaft zich veel goeds. Die twee eigenschappen zijn:

(135) Nadat hij begrepen en onderzocht heeft, wijst hij degene terecht die terechtgewezen moet worden, en prijst hij degene die geprezen moet worden.

(136) Nadat hij begrepen en onderzocht heeft, keurt hij af wat afgekeurd moet worden, en keurt hij goed wat men moet goedkeuren.

(gelijk aan A.IV, 3 en A.IV.83)



A.II.137-138 (A.II.12.7-8) De wijze en de dwaas - II

Als men jegens twee wezens slecht handelt, ondergraaft en benadeelt de dwaas, de onverstandige, onedele mens zijn karakter. Hij is dan terecht te wijzen, wordt door wijzen berispt en verschaft zich grote schuld. Die twee wezens zijn:

(137) Vader en moeder.

(138) Een Volmaakte en een volgeling van de Volmaakte.

Als men jegens deze wezens juist handelt, houdt de wijze, verstandige, edele mens zijn karakter onbeschadigt en onbeinvloed, blijft onberispelijk, wordt door wijzen geprezen en verschaft voor zich veel goeds.



A.II.139-141 (A.II.12.9-11) Twee dingen - II

Er zijn twee dingen, namelijk:



Hoofdstuk 13. Dana Vagga – (Pali) - Het hoofdstuk van de gaven



A.II.142-151 (A.II.13.1-10) Twee soorten gaven

Er zijn twee soorten gaven, namelijk de materiële gave en de gave van de waarheid.41 De beste gave is de gave van de waarheid.

Er zijn twee soorten offergaven, namelijk de materiële offergave en de offergave van de waarheid. De beste offergave is de offergave van de waarheid.

Er zijn twee soorten vrijgevigheid, namelijk de vrijgevigheid in het materiële en de vrijgevigheid in het geven van de waarheid. De beste vrijgevigheid is die in het geven van de waarheid.

Er zijn twee soorten ontzegging, namelijk de ontzegging bij materiële dingen en de ontzegging in dingen van de waarheid.

Er zijn twee soorten genot, namelijk materieel genot en het genot van de waarheid.

Er zijn twee soorten van verdelen van donaties: materiële verdeling van donaties en de verdeling van donaties der waarheid.

Er zijn twee soorten zorg: materiële zorg en de zorg door de waarheid.

Er zijn twee soorten hulp: materiële hulp en de hulp door de waarheid.

Er zijn twee soorten medelijden: het medelijden in het materiële en het medelijden in dingen van de waarheid. Het beste is het medelijden in dingen van de waarheid.

Hoofdstuk 14. Santhâra Vagga - (Pali) Het hoofdstuk van de bescherming



A.II.152-163 (A.II.14.1-12) Twee soorten hulp

Er zijn twee soorten hulp, namelijk materiële hulp en de hulp van de waarheid. De laatste is de beste hulp.

Er zijn twee soorten hulpbetoon, namelijk materieel hulpbetoon en hulpbetoon van de waarheid.

Er zijn twee soorten zoeken, en wel naar het materiële en naar de waarheid.

Er zijn twee soorten speuren, naar het materiële en naar de waarheid.

Er zijn twee soorten informatieve vragen, van het materiële en van de waarheid.

Er zijn twee soorten eer, door het materiële en door [het navolgen van] de waarheid.

Er zijn twee soorten gastgeschenken, het materiële en dat der waarheid.

Er zijn twee soorten macht, de materiële en de macht van de waarheid.

Twee soorten toename ontwikkelen zich, de materiële toename en de toename in de waarheid.

Twee soorten sieraden, het materiële sieraad en het sieraad van de waarheid.

Twee soorten ophopen van schatten, de ophoping van materiële schatten en de ophoping van de schat der waarheid.

[de laatste soort is altijd de beste]

Twee soorten rijkdom, materiële rijkdom en de rijkdom der waarheid. Het beste is de rijkdom der waarheid.





Hoofdstuk 15. samāpatti-vagga (A.II.164-180) Het hoofdstuk der verworvenheden



A.II.164-180 (A.II.15.1-16) Twee dingen - III

Er zijn twee dingen, namelijk: vertrouwdheid met de meditatieve bereikingstoestanden en met het zich eruit verheffen.

Oprechtheid en mildheid.

Geduld en zachtmoedigheid.

Vriendelijkheid en hoffelijkheid.

Vredigheid en zuiverheid.

Het onbewaakt zijn van de deuren der zinnen en onmatigheid bij de maaltijd.

Het bewaakt zijn van de deuren der zinnen en matigheid bij de maaltijd.

De kracht van overweging en de kracht van ontwikkeling van de geest.

De kracht van oplettendheid en de kracht van concentratie.

Rust van geest en inzicht

Verlies van deugdzaamheid en verlies van inzicht.

Winst aan deugdzaamheid en winst aan inzicht.

Zuiverheid van de deugdzame levenswandel en zuiverheid van inzicht.

Zuiverheid van inzicht en inspanning overeenkomstig het inzicht.

Niet tevreden zijn met de [reeds verworven] heilzame dingen en niet ophouden met zich in te spannen.

Gebrek aan oplettendheid en gebrek aan zuiverheid van weten.

Oplettendheid en helder inzicht.



Hoofdstuk 16. kodha-peyyāla (A.II.181-190) Het hoofdstuk van de toorn



A.II.181-190 (A.II.16.1-10) Twee dingen - IV

(181) Er zijn twee eigenschappen (183) waarmee men in ellende leeft; (185) die de monnik die nog onderricht nodig heeft, tot nadeel strekken; (187) waarmee men overeenkomstig de daden, in een hel komt; (189) en als men die eigenschappen heeft, na de dood in een lagere wereld verschijnt, in afgronden van bestaan, in een hel.

Die twee [paren van] eigenschappen zijn: toorn en woede; kleineren en jaloersheid; afgunst en gierigheid; valsheid en huichelarij; schaamteloosheid en gewetenloosheid.



(182) Er zijn twee eigenschappen (184) waarmee men gelukkig leeft; (186) ze strekken de monnik die nog onderricht nodig heeft, niet tot nadeel; (188) als men in het bezit ervan is komt men, overeenkomstig de daden, in een hemels bestaan; (190) en als men in het bezit ervan is, verschijnt men na de dood op een goed pad van bestaan, in een hemelse wereld.

Die twee [paren van] eigenschappen zijn: het zonder toorn en zonder woede zijn; het vrij zijn van kleineren en van jaloersheid; het zijn zonder afgunst en zonder gierigheid; het vrij zijn van valsheid en huichelarij; schaamte en morele vrees.



Hoofdstuk 17. akusala-peyyāla – Pali) (A.II.191-200) Het hoofdstuk over de karmisch onheilzame eigenschappen



A.II.191-200 (A.II.17.1-10) Twee dingen - V

Twee eigenschappen zijn onheilzaam, te berispen; ze brengen leed, hebben leed als resultaat en brengen ongemak, tegenspoed. Die eigenschappen zijn: toorn en woede; kleineren en jaloersheid; afgunst en gierigheid; valsheid en huichelarij; schaamteloosheid en gewetenloosheid.

Twee eigenschappen zijn heilzaam, onberispelijk, ze brengen geluk, hebben geluk als resultaat en brengen geen ongemak, geen tegenspoed. Het zijn: het zonder toorn en zonder woede zijn; het vrij zijn van kleineren en jaloersheid; het zijn zonder afgunst en zonder gierigheid; het vrij zijn van valsheid en huichelarij; schaamte en morele vrees.



Hoofdstuk 18. vinaya-peyyāla (A.II.201-230)



A.II.201-230 (A.II.18.1-30) De discipline van de Orde

De Volmaakte stelde de regels van oefening (sikkhapada) vast om de volgende redenen:

1. Om het welzijn en welbevinden van de gemeenschap.

2. Tot opvoeding van niet deugdzame mensen en tot bevordering van een vreedzaam leven van de goede monniken.

3. Tot afweer van tegenwoordige kwade invloeden (asava) en ter voorkoming van toekomstige misstappen, fouten en gevaren, alsmede andere onheilzame dingen.

4. Omdat hij rekening houdt met de gezinshoofden en om de aanhangers van slechtgezinde monniken uit te roeien.

5. Om vertrouwen op te wekken in personen zonder vertrouwen en om het vertrouwen te versterken bij degenen die vol vertrouwen zijn.

6. Tot voortbestaan van de goede leer en tot bescherming van de discipline van de Orde.



Om deze redenen ook stelde de Volmaakte de Orde-regels vast.

(zie verder: De Orde-regels (patimokkha), Vinaya Pitaka, 1.1a: Sutta Vibhangha.



Hoofdstuk 19. rāga-peyyāla (A.II.231-246)

A.II.231-246 (A.II.19.1-16) De serie over het herkennen van begeerte.

Tot volledig herkennen en doorzien van de begeerte, tot overwinning, vernietiging, uitdoving, het afwenden ervan, tot verwoesting, afzien en tot bevrijding ervan moeten twee dingen geoefend worden, namelijk kalmte van geest en inzicht.

Ook tot volledig herkennen en doorzien van haat, verblinding, toorn, woede, kleinering, jaloezie, afgunst, gierigheid, huichelarij, valsheid, hardnekkigheid, heftigheid, eigenwaan, hoogmoed, opwinding, nonchalance, en tot overwinning, vernietiging, uitdoving, het afwenden ervan, tot verwoesting, afzien en tot bevrijding ervan moeten twee dingen geoefend worden, namelijk kalmte van geest en inzicht.



Einde van het boek van twee

naar boven   of  naar  Angutta Nikaya, inleiding



1Webb 1975, p. 26.

2Winternitz 1983, p. 58.

3Zie ook Dhp. 17.

4U Ko Lay 1985, p. 112.

5De regentijd in India duurt ongeveer vier maanden, circa juli tot einde oktober. Gedurende die tijd is het volgens de regels van de Vinaya de monniken niet toegestaan de verblijfplaats die men had bij het begin van de regentijd, langer dan zeven dagen te verlaten en dan ook alleen maar om belangrijke redenen. De officiële regentijd van de monniken (vassa of vassana) duurt 3 maanden en men begint die ofwel in juli of in augustus. Wat dat betreft spreekt men van een vroegere of latere begin van de regentijd.

Tijdens de regentijd zijn op de wegen in India veel kleine dieren. Iemand die rondtrekt kan bijna niet vermijden diertjes te doden. Om berisping te voorkomen van degenen die dieren wilden beschermen, had de Boeddha bovengenoemde regel gemaakt.

De regenperiode diende ook als rusttijd voor de monniken. Zij trokken dan niet door het land. In die tijd was er ook gelegenheid om jonge monniken en leken te onderwijzen.

Ondanks veranderde levensvoorwaarden en verschillende klimatologische omstandigheden in de verscheidene landen wordt de regentijd ook tegenwoordig nog door Theravada monniken nagevolgd.

6Commentaar: Wanneer in de leerreden sprake is van: "Er is een wezen (puggala) ..." (I, 22) of "Er zijn twee wezens ..." (II, 53), dan moet dat nader uitgelegd worden. Hoewel de Boeddha aldus sprak, dan is er toch in de hoogste betekenis (paramattha) geen blijvend wezen, geen blijvende persoonlijkheid (puggala). De betekenis van bovenstaande uitspraak heeft dus een nadere uitleg nodig. Maar degene die hier in de tekst vermeld wordt, is een dwaas door van mening te zijn dat dit een leerrede is met vastgestelde betekenis (nīt'attha).

7 Commentaar: Maar wanneer de Verhevene erover spreekt dat (al wat ontstaan is), vergankelijk, vol leed en zonder ik is, dan heeft dat juist deze en geen andere betekenis. Maar degene die hier in de tekst vermeld wordt, is een dwaas door van mening te zijn dat dit een leerrede is die uitleg nodig heeft en beweert dat er (in de hoogste betekenis) iets eeuwigs, gelukkigs en een ik bestaat.

8Het uiteindelijke verdwijnen van elke vorm van begeerte gebeurt pas op het niveau van niet-wederkeer. En het uiteindelijke verdwijnen van de onwetendheid gebeurt pas bij het bereiken van volmaakte heiligheid.

9Bevrijding van het gemoed (ceto-vimutti); bevrijding door wijsheid (paññā-vimutti). Vgl A.II, 231.

10U Ko Lay 1985, p. 112.

11Scherft, Tonny: ‘Dankbaarheid jegens de ouders,’ in: Saddharma jrg. 14, 2e afl., dec. 1981, p. 35-36.

12'aan deze zijde geboeid' (ajjhatta-samyojana), letterlijk : van binnen geboeid, namelijk binnen de zintuiglijke wereld, en wel door de lagere boeien (of boeien van deze kant) (orambhāgiya-samyojana): geloof in persoonlijkheid (geloof in een zelf); twijfel; hechten aan regels en rituelen; zin-genot; afkeer. – Van deze bestaan de nrs 4 en 5 in afgezwakte mate ook nog voor de eenmaal wederkerende die in de volgende paragraaf genoemd wordt.

'aan de andere zijde geboeid' (bahiddhā-samyojana): letterlijk: (van) buiten of aan de buitenkant geboeid, namelijk buiten de wereld der zintuigen, geboeid aan de fijnstoffelijke en onstoffelijke werelden. Het verlangen ernaar behoort tot de vijf hogere boeien (of boeien van de andere zijde) (uddhambhāgiya-samyojana): begeerte naar fijnstoffelijk bestaan, begeerte naar onstoffelijk bestaan, hoogmoed, opgewondenheid, onwetendheid. – Deze hogere boeien bestaan ook nog in de niet meer wederkerende en verdwijnen pas bij volmaakte heiligheid. (Zie ook A.III.87; A.IV.131.)

Commentaar: De indeling in aan deze zijde geboeid en aan de andere zijde geboeid heeft hier niet betrekking op wereldlingen (puthujjana). Die kunnen immers in alle sferen van bestaan wedergeboren worden. De indeling heeft eerder betrekking op de drie eerste niveaus van heiligheid, het in de stroom treden, eenmaal wederkeer en niet meer wederkeer.

13Commentaar: dit heeft betrekking op iemand die na het beoefenen van zuiver inzicht (sukkha-vipassanā, d.w.z. zonder de jhanas te bereiken), de niveaus van stroomintrede en eenmaal wederkeer bereikt heeft.

14Commentaar: de vier jhanas.

15'Geen wederkerende' (anāgāmī), d.w.z. een niet meer wederkerende, het 3e niveau van heiligheid.

Commentaar: Dit heeft betrekking op iemand die de volledige concentratie [in de meditatieve verdiepingen] verwerkelijkt en dan de drie heilige paden en vruchten bereikt. In die goddelijke wereld die de zuivere verblijven genoemd wordt (suddhāvāsa) bereikt hij dan de volledige bevrijding (nibbāna).

16Commentaar: dit heeft betrekking op de inzicht-oefening van een in de stroom getredene of eenmaal wederkerende, welke oefening het verkrijgen van het pad van niet wederkeer tot doel heeft, waar het verlangen naar de vijf zinnelijke lusten opgeheven is. Verder heeft het betrekking op de inzicht-oefening van de niet meer wederkerende die het bereiken van het pad van heiligheid tot doel heeft, waar het verlangen naar alle vormen van bestaan opgeheven is.

17sama-citta (= de Pali-titel van deze tekst). Commentaar: Het evenwicht van een verfijnerde toestand van de geest. Deze leerrede werd door de arahant Mahinda weldra na zijn aankomst in Sri Lanka gereciteerd. (zie Mahāvamsa, XIV, 34).

18Bedoeld is niet de bekende stad in Zuid-India, maar een plaats aan de Jumna (Yamuna) in het zuiden van het tegenwoordige Delhi.

19Dezelfde verwijten werden ook de Boeddha gemaakt. Zie: A.IV.22; A.V.192; A.VIII.11.

20letterlijk: Rang van de volwassenen (vuddha-bhūmi), rang van de jeugd (dabara-bhūmi).

21Het Pali woord (bāla) betekent zowel kind als dwaas.

22Thero: oudere, eerwaarde; ook 'oudere in de Orde', met tien of meer jaren in de Orde. Vgl. Dhp. 260.

23duggahitehi, letterlijk.: schlecht opgevat. Commentaar: bijvoorbeeld in onjuiste volgorde. Subcommentaar: ook vervorming van de tekst door weglatingen, toevoegingen, verkeerd overgeleverde woorden, enz.

24vyañjana-patirūpakehi suttehi; commentaar: alleen opgevat overeenkomstig woordklang en de grammatische regels.

25Commentaar: zij zetten de uitleg van de betekenis (atthakathā) en de tekst (pāli) van goedbegrepen leerreden terzijde, en onderrichten alleen de uitleg van de betekenis en de tekst van de door hen verkeerd begrepen leerreden, zij geven daar de voorkeur aan. Vgl. A.II.20; A.IV.160.

26Bedoeld is hier een rechtvaardig regerende (dhammika) wereldheerser (rājā cakkavatti), zoals hij bijvoorbeeld in D.26 beschreven wordt. Vergelijk A.I.25 en A.III.14.

27thūpa (Skr: stūpa). In A.IV.246 en D.16 wordt van vier personen gezegt dat zij een stoepa waard zijn, namelijk behalve de twee hier genoemden nog de pacceka-buddha en een discipel van een Boeddha.

De stoepa wordt vaak als cetiya (Skr: caitya) aangeduid en is tegenwoordig meestal bekend als 'dagoba' (van het Singhalese dagäba = dhātugabbha, reliekenkamer'); het werd verbasterd tot 'pagoda'.

28Een voor zichzelf Ontwaakte, een individueel Ontwaakte (pacceka-buddha) bereikt op eigen kracht de volmaakte Verlichting, maar hij heeft niet de vaardigheid en het alomvattende weten (sabbaññutā) om een leraar van goden en mensen te worden.


29Volgens het commentaar wordt de monnik die vrij is van neigingen, niet meer door iets of iemand bewogen omdat de volmaakte heilige vrij is van alle "ik-mening".

30 'met vervoering (piti) verbonden' heeft voornamelijk betrekking op de eerste en tweede meditatieve verdieping; 'vrij van vervoering' heeft vooral betrekking op de derde en vierde verdieping. - De volgende groep van twee heeft voornamelijk betrekking op de eerste t/m derde, resp. de vierde verdieping.

31asamadhi, letterlijk: niet-concentratie.

32Dit heeft betrekking op de fijnstoffelijke en onstoffelijke meditatieve verdiepingen (rupa-jjhana, arupa-jjhana). Volgens het commentaar heeft het ook betrekking op het geluksgevoel dat met het lichamelijke (rupa) of geestelijke (arupa) verbonden is.

33'wilsactie' = sarikhara; hiermee is de (hier onheilzame) karmische wil bedoeld, zoals in het 2e lid van ‘afhankelijk ontstaan' (paticca-samuppada). Bedoeld kunnen ook zijn alle karmisch onheilzame factoren van de geest welke behoren tot de groep van geestformaties (sankhara-kkhandha).

34Hier zijn alleen vier van de vijf groepen van bestaan (khandha) vermeld omdat de groep van geestformaties al eerder genoemd werd.

35'Gemaakte' (sankhata); in de betekenis van oorzakelijk ontstaan, afhankelijk.

36no asankhatarammana; dit kan volgens het commentaar ook vertaald worden met "niet het ongemaakte (= nibbana) als voorstellingsobject hebbende".

37Het begrip vinaya kan hier voor de niet-monnik ook toegepast worden voor de regels van deugdzaamheid in het algemeen.

38slechte invloeden = âsavâ. Volgens het commentaar heeft het woord hier betrekking op de geestelijke smetten (kilesa) in het algemeen.

39Het hier met dorst vertaalde woord (âsâ) betekent anders meestal “hoop”.

40Volgens Pug. 96 zijn de üitgedoofden" de Paccekabuddhas en de heilige discipelen van een volmaakt Verlichte. De Boeddha geldt als een uitgedoofde en ook als iemand die uitdoving brengt.

41dhamma; vgl. Dhp. 354.

naar boven  of  naar  Angutta Nikaya, inleiding