?>Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.2. Dhammapada

Inleiding;   Verhalen van verzen en bijhorende verhalen:  Dhp.1;  Dhp.2;  Dhp.3-6; Dhp.15;  Dhp.16;  Dhp.17;  Dhp.19-20;  Dhp.25;  Dhp.42;  Dhp.62;  Dhp.66;  Dhp.71;  Dhp.100;  Dhp.102-103;  Dhp.119-120;  Dhp.124;  Dhp.125;  Dhp.126;  Dhp.136;  Dhp.137-140;  Dhp.157;  Dhp.161;  Dhp.168-169;  Dhp.173;  Dhp.219-220;  Dhp.221;  Dhp.224;  Dhp.240;  Dhp.307.


Dhammapada


Inleiding

    Het Dhammapada of “pad van de Dhamma” is het best bekende werk van de Boeddhistische literatuur. Het is een bloemlezing van uitspraken die hoofdzakelijk betrekking hebben op de ethische leer van de Boeddha. Het bestaat uit 423 verzen die door de Boeddha bij circa 305 gelegenheden zijn gesproken. Ze zijn naar onderwerp gerangschikt in 26 vaggas of secties (hoofdstukken). Meer dan de helft van de verzen komt elders in de canon voor. Het is niet na te gaan of de verzen van het Dhammapada daaraan ontleend zijn of dat ze van een andere bron afkomstig zijn. Enkele verzen komen ook voor in Jain of brahmaanse teksten. Dit laat vermoeden dat ze ontleend zijn aan een algemene voorraad van verzen die toen in Noord-India schijnt te hebben bestaan.1 Volgens E.W. Burlingame, de vertaler van Buddhist Legends, berusten de verhalen bij de verzen van het Dhammapada niet steeds op waarheid. Er zouden volksverhalen en legenden toegevoegd zijn. De gebeurtenissen die in deze commentaarverhalen beschreven zijn, geven een voorbeeld. Via een inkleding is een bepaald gegeven overgeleverd. Maar de verzen van het Dhammapada worden wél als woorden van de Boeddha zelf beschouwd. Volgens Winternitz zijn de verhalen die bij de verzen horen als uitleg of commentaar, pas later eraan toegevoegd.2 Maar over het algemeen wordt aangenomen dat die verhalen mondeling overgeleverd zijn vanaf de tijd van de Boeddha tot in de vijfde eeuw na Chr.

      Buddhaghosa heeft een commentaar geschreven bij de Pāli verzen en daarbij de verhalen genoteerd. Zo zijn die verhalen tot ons gekomen. De samenstelling en ordening ervan in vaggas is natuurlijk het werk van de samensteller. In het Dhammapada worden de wezenlijke principes van de Boeddhistische filosofie en de Boeddhistische manier van leven behandeld. Elke vorm van strenge ascese wordt er veroordeeld. De nadruk wordt gelegd op goed gedrag (sīla), in evenwicht gehouden door concentratie (samadhi) en versterkt door gezond verstand (pañña). De leer van de Boeddha wordt er in het kort beschreven: doe geen kwaad, doe goed en zuiver de eigen geest (vers 183).3

      Meer dan de helft van alle verzen van het Dhammapada is ook te vinden in andere teksten van de Pāli Canon.4

      Het lijden in deze wereld kan beëindigd worden alleen door de vernietiging van hevige begeerte.5 Begeerte, kwaadwil en afkeer, en illusie worden als gevaarlijk beschouwd. Alleen als ze in toom gehouden worden kan een gelukkig leven bereikt worden. Daartoe moeten de twee uitersten vermeden worden: behagen scheppen in een leven vol genot; en het uitoefenen van zelfkwelling. Men moet de middenweg volgen, d.w.z. het edele achtvoudige pad van de Boeddhas. Het bereiken van de verschillende niveaus op het Boeddhistisch pad is hoger aan te slaan dan het bezit van de hele wereld (vers 178). Iedereen kan de factoren van Verlichting ontwikkelen en de geest ontplooien. Men moet zichzelf inspannen. De Boeddha is alleen een gids (vers 276). Aanbevolen wordt een leven van vrede en zonder geweld (verzen 129-130 en 142).6

 

      Zoals boven vermeld, is het werk onderverdeeld in 26 hoofdstukken (vaggas):7

1. Yamaka vagga. – De tweelingverzen. Vijandschap wordt niet overwonnen door vijandschap, maar door liefdevolle vriendelijkheid. Degene die kwaad doet, klaagt hier en in het hiernamaals. Degene die goed doet, verheugt zich hier over de goede daden en is gelukkig hier en hiernamaals.

2. Appamāda vagga. – Oplettendheid.

3. Citta Vagga. – De geest. Het is moeilijk de geest onder controle te houden; ze gaat heen en weer. De wijze temt ze en maakt ze gedwee.

4. Puppha vagga. – Bloemen.

5. Bāla vagga. – Dwazen. Als men niemand ontmoet die gelijk is aan of meer is dan zichzelf, moet men alleen verder gaan. Want er is geen hulp voor een dwaas.

[vergelijk Sn.1.3. Khaggavisāna Sutta – De rhinoceros].

6. Pandita vagga. – De wijze. Degene die iemand waarschuwt en afhoudt van het kwaad is dierbaar aan goede mensen. Maar slechte mensen houden niet van hem. Er zijn maar weinigen die naar de andere kant wensen te gaan. De meesten lopen langs de oever.

7. Arahanta vagga. – De waardige, de edele. Zelfs de goden benijden de man die zijn zinnen bewaakt en bedwongen heeft en die zijn geestelijke verontreinigingen heeft gezuiverd.

8. Sahassa vagga. – Duizenden.

9. Pāpa vagga. - Het kwaad. Nergens is er een plaats waar men bevrijd is van (het resultaat van) slechte daden.

10. Danda vagga. - De roede of straf. Iedereen is bang voor straf. De dood is beangstigend voor allen. Daarom moet men niet doden noch anderen aanzetten tot doden.

11. Jāra vagga. – Ouderdom.

12. Atta vagga. – Het zelf. Men is de baas over zichzelf; wie anders kan er de baas zijn. Wanneer men zichzelf bedwongen heeft, heeft men een zeldzame overwinning behaald.

13. Loka vagga. – De wereld.

14. Buddha vagga. – De Boeddha. Het afzien van alle kwaad, goed te doen en de geest te zuiveren – dat is de leer van de Boeddhas.

15. Sukha vagga. – Geluk. We leven gelukkig, met liefde, temidden van degenen die haten. We leven vrij van vijandschap temidden van degenen die er vol van zijn. De overwinnaar veroorzaakt gevoelens van vijandschap; de overwonnenen hebben een verstoorde slaap. De bevrijde, die boven overwinning en nederlaag staat, is gelukkig. Vrij te zijn van ziekte is een grote winst; tevredenheid is de beste rijkdom; vertrouwen is de ware verwant; en Nibbāna is het hoogste dat men kan bereiken.

16. Piya vagga. – Affectie, genegenheid.

17. Kodha vagga. – Boosheid, woede. Hij is waarlijk een wagenmenner die zichzelf kan weerhouden boos te worden. De anderen houden slechts de teugels. Laat men het boze bedwingen door goedheid, gierigheid door vrijgevigheid, oneerlijkheid door waarheid.

18. Mala vagga. – Onzuiverheden of smetten.

19. Dhamattha vagga. – Het juiste of het oprechte.

20. Magga vagga. – De weg, het pad.

21. Pakinnaka vagga. – Gemengd.

22. Niraya vagga. – Staten van ellende.

23. Nāga vagga. – De olifant.

24. Tanhā vagga. – Begeerte.

25. Bhikkhu vagga. – De Bhikkhu; de monnik.

26. Brāmana vagga. – De bramaan. Men is geen brahmaan door een bepaalde haardracht, noch door familie of geboorte. De ware brahmaan is degene die begiftigd is met waarheid, mededogen en zuiverheid.


Vertalingen van verzen en bijhorende verhalen


Dhp.1. [1.1] De blinde arahant

Iemand van middelbare leeftijd werd een monnik. Energiek leidde hij een beschouwend leven en bereikte de volmaakte heiligheid. Maar hij werd blind.

Op zekere dag liep hij op en neer en doodde zonder opzet veel insecten. Sommige monniken zagen dat en klaagden bij de Boeddha dat die monnik het vergrijp van doden had begaan. De Boeddha legde uit dat die monnik dat zonder opzet had gedaan en dat hij een arahant was.

De Boeddha vertelde dat die monnik in een vroeger leven een arts was geweest. Hij had toen een oogzalf aan een arme vrouw gegeven. Zij beloofde dat, als zij weer kon zien, zij en haar kinderen als bedienden voor de arts zouden werken. Door de oogzalf kon die vrouw weer zien. Maar zij hield zich niet aan haar belofte. Zij beweerde dat zij nu slechter kon zien dan voorheen. De arts gaf haar daarop een andere zalf waardoor zij blind werd. Als gevolg van die wrede daad werd de arahant blind.

En verder zei de Verhevene:

De geest is de voorloper van alle kwade staten,

de geest is het belangrijkste;

door de geest worden ze geschapen.

Als iemand spreekt of handelt met verdorven geest

zal tengevolge daarvan hem of haar lijden volgen,

net zoals het wiel de poten volgt van de os (die een kar trekt.)” [Dhp.1]

[De Boeddha en de Arahants verzamelen geen nieuw kamma meer. Maar zij ondervinden wel nog de gevolgen van hun vroegere daden]


Dhp.2. [1.2] De weg naar de hemel

Mattha Kundali, de zoon van een gierige miljonair was erg ziek. Zijn vader wilde geen arts laten komen omdat hij dan geld moest uitgeven. De Boeddha zag met zijn goddelijk oog dat de jongen op sterven lag en hij verscheen voor hem. Toen de jongen de Boeddha zag, was hij vol vreugde. Hij stierf met een zuiver hart, vol vertrouwen in de Boeddha. Daarom werd hij wedergeboren in een hemelse sfeer van bestaan.

Vanuit zijn hemelse verblijf zag hij zijn oude vader verdrietig bij zijn graf staan. Hij verscheen voor zijn vader en gaf hem de raad naar de Boeddha te gaan, aalmoezen te geven en naar de preek van de Boeddha te luisteren. De vader deed wat hem was aangeraden. Na de preek vroegen de monniken of iemand wedergeboren kon worden in een hemelse sfeer enkel en alleen door diep vertrouwen te hebben in de Boeddha, zonder de regels van deugdzaamheid te hebben nagevolgd en zonder edelmoedigheid beoefend te hebben. Op verzoek van de Boeddha verscheen Mattha Kundali in zijn hemelse glorie voor de monniken en vertelde dat hij in de Tavatimsa hemel was wedergeboren. Toen waren de monniken overtuigd ervan dat men zo'n glorie kan verkrijgen enkel door vertrouwen in de Boeddha.

Op het einde van de preek besefte de oude man de Dhamma en gaf veel van zijn vermogen ten behoeve van de Dhamma.

De geest is de voorloper van alle goede staten,

de geest is het belangrijkste;

door de geest worden ze geschapen.8

Als iemand spreekt of handelt met zuivere geest

zal tengevolge daarvan hem of haar geluk volgen,

net zoals de schaduw iemand niet verlaat.” [Dhp.2]


Dhp.3-6

"Hij beschimpte mij, trof mij, versloeg mij", beroofde mij", in hen die zulke gedachten huisvesten, eindigt de haat nooit. [Dhp.3]


"Hij beschimpte mij, trof mij, versloeg mij, beroofde mij", in hen die zulke gedachten niet huisvesten, elndigt de haat. [Dhp.4]


Want haat eindigt nooit door haat; haat eindigt door liefde, dat is de eeuwige wet. [Dhp.5]


De wereld bedenkt niet dat wij allen hier tot een eind moeten komen, maar zij die dit inzien, staken dadelijk alle twist. [Dhp.6]



Dhp.15 [1.10] Boosdoeners lijden hier en hierna

Een slachter voorzag in zijn levensonderhoud door op wrede manier varkens te slachten. Op het einde van zijn leven leed hij erg veel. Voor zijn dood kroop hij over de grond en uitte geluiden als een varken. Hij leed geestelijk en lichamelijk veel pijn. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een staat van ellende.

Degene die kwaad doet, treurt hier en later. Hij treurt omdat hij de onzuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.” [Dhp.15]


Dhp.16 [1.11] Gelukkig is de weldoener hier en hierna

Een vrome jongeman leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken te doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken in Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen. Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.

Hier en later verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.” [Dhp.16]


Dhp.17 [1.12] De boosdoener klaagt hier en hierna

De eerwaarde Devadatta probeerde de Boeddha te vermoorden. Later werd Devadatta negen maanden lang ziek. Hij kreeg spijt van zijn boze daden en vroeg zijn discipelen hem naar de Boeddha te brengen. Op weg naar de Boeddha stierf hij onder tragische omstandigheden. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een zeer pijnlijke staat van elende.

Hier en later lijdt degene die kwaad doet. Hij denk: 'Ik heb kwaad gedaan,' en daarom lijdt hij. Verder lijdt hij omdat hij naar een staat van ellende is gegaan.” [Dhp.17]



Dhp.19 en 20. Heiligheid hangt niet af van geleerdheid

      Er waren twee monniken: de een was nog een wereldling maar was wel bedreven in de verzen van de leer. In de praktijk oefende hij echter niet uit wat hij theoretisch wist. De andere monnik kende weinig van buiten maar hij beoefende de leer in de praktijk. Na niet lange tijd verwerkelijkte hij Nibbāna en genoot de vruchten van het heilige leven. De geleerde monnik wilde de ander in de war brengen door hem enkele ingewikkelde vragen te stellen in tegenwoordigheid van de Boeddha. Maar de Verhevene kende de lage beweegreden. Zelf stelde hij enkele vragen die verband hielden met de verwerkelijking van de leer. De arahant beantwoordde ze allemaal vanuit eigen ervaring. Maar de geleerde monnik kon dat niet omdat hij geen enkel van de paden van heiligheid bereikt had. Daarop prees de Boeddha de arahant met de woorden:

Al reciteert men ook veel uit de heilige teksten,9 maar als men er niet overeenkomstig naar handelt, dan is die onoplettende persoon als een koeherder die het vee van anderen telt. Hij heeft geen deel aan de vruchten van het heilige leven. [Dhp.19]



Al reciteert men weinig uit de heilige teksten, maar als men wel overeenkomstig de leer handelt, als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.” [Dhp.20]



Dhp.25

Mahapanthaka werd een monnik. De jongen leerde een aanzienlijk deel van de woorden van de Boeddha uit het hoofd, hield verblijf gedurende de regenperiode, ontving de volle wijding tot monnik en bereikte arahantschap door zich ijverig toe te leggen op meditatie. Toen Mahapanthaka zijn tijd in het genot van de zegening van mystieke meditatie doorbracht, in de zegening van de vrucht van het pad, dacht hij bij zichzelf: "Het is zeker in de macht van mijn jongere broer Culapanthaka om hetzelfde genot te ervaren. Daarom liet hij Culapanthaka komen en vestigde hem in de morele regels. Maar Culapanthaka bleek een slecht geheugen te hebben. In vier maanden tijd was hij niet in staat om een enkel vers uit het hoofd te leren. Daarop zei Mahapanthaka tot zijn broer: "Je bent niet in staat om je meester te maken van deze religie. Hoe kun je ooit hopen het doel van dit religieuze leven te bereiken? Verlaat onmiddellijk het klooster."

Met deze woorden verdreef Mahapanthaka zijn broer uit de Orde. Maar Culapanthaka was de leer van de Boeddha zeer toegedaan en hij wilde ze niet verlaten. Op die tijd werd de Boeddha uitgenodigd om met zijn gevolg te komen eten bij een lekenvolgeling. Hij vroeg hoeveel monniken er waren. Het antwoord van Mahapanthaka luidde dat er 500 monniken waren. Culapanthaka vertrok toen uit het klooster, maar de Boeddha zag dit in zijn geest en ging op dezelfde weg heen en weer. Hij ontmoette Culapanthaka en vroeg hem waar hij naartoe ging. "Eerwaarde heer, mijn broer heeft mij uit de Orde verstoten en daarom ga ik terug naar de wereld." - "Culapanthaka, door mijn handen heb je intrede in de Orde verkregen. Waarom kwam je niet naar mij toe, toen je broer je verstootte? Kom nu, wat heb je te doen met het leven van een gezinshoofd. Je zult bij mij blijven."

Met deze woorden streek de Leraar hem met zijn hand over het hoofd en nam hem met zich mee, gaf hem een helder doekje en zei: "Kijk naar het oosten, wrijf dit doekje en zeg: 'Verwijdering van onzuiverheid, verwijdering van onzuiverheid.'"

Toen Culapanthaka het doekje wreef, werd dat smerig. Hij dacht toen: "Dit doekje was voorheen zuiver, maar door aanraking met mijn lichaam heeft het zijn oorspronkelijke karakter verloren en is vuil geworden. Veranderlijk en vergankelijk, waarlijk, zijn alle bestaande dingen." En hij ontwikkelde inzicht, begreep de gedachte van ontstaan, vergaan en dood.

De Boeddha wist dat Culapanthaka inzicht had bereikt en zei: "Culapanthaka, denk niet alleen aan een stuk doek. Maar binnen in jou zijn lust, onzuiverheid en andere smetten. Verwijder die." En verder zei hij: "Begeerte en onwetendheid, niet vuil is waarlijk genaamd onzuiverheid. Voor begeerte en onwetendheid is de anduiding onzuiverheid juist gebruikt. Monniken moeten zichzelf bevrijden van deze vorm van onzuiverheid en leven vol vertrouwen in de religie van hem die vrij is van begeerte en onwetendheid."

Door verder na te denken over het vergankelijke, het niet-blijvende van alle veroorzaakte dingen bereikte de jonge monnik Culapanthaka de staat van volledige heiligheid (arahantschap) samen met de bovennatuurlijke eigenschappen en ook de kennis van de drie Pitakas.

En de Boeddha sprak het vers:

"Door onafgebroken inspanning, ernstig streven, discipline en zelfbeheersing, laat zo de wijze voor zichzelf een eiland maken dat door geen vloed kan worden overstroomd." 10 [Dhp.25]


commentaar:

Een eiland op een hoger niveau kan niet overstroomd worden, maar het omringende lager gelegen land kan dat wel. Zo'n eiland wordt een toevlucht voor allen. Op dezelfde manier moet de wijze die inzicht ontwikkelt, van zichzelf een eiland maken door arahantschap te bereiken zodat hij of zij niet kan worden meegesleurd door de vier stromen van zinnelijke verlangens, verkeerde meningen, begeerte naar bestaan, en onwetendheid.


De leer is er niet alleen voor geleerde, maar ook voor minder begaafde mensen. Ze is te begrijpen door door wijze mensen.


Dhp.42 [III.8] Een slecht gerichte geest is de ergste vijand

Een veehoeder gaf enkele dagen maaltijden aan de Boeddha en zijn monniken. Op de laatste dag na de preek bereikte de veehoeder het eerste niveau van heiligheid. Toen de Verhevene vertrok vergezelde hij hem enige tijd en keerde daarna terug. Op zijn terugweg werd hij gedood door de pijl van een jager. De monniken merkten op dat de veehoeder niet zou zijn gedood door die pijl als de Boeddha hem niet had bezocht. De Boeddha gaf ten antwoord dat die veehoeder onder geen enkele omstandigheden had kunnen ontsnappen aan de dood ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Hij voegde toe dat de met opzet slecht gerichte geest erg vijandig tegen iemand kan zijn.

Wat voor kwaad een dwaas toebrengt aan een andere dwaas, of een hater aan een andere hater, een slecht gerichte geest kan veel meer kwaad doen.” [Dhp.42]


Dhp.62 [V.3] Men is niet van zichzelf

Een rijke maar gierige man was wedergeboren als een afzichtelijke bedelaar. Op zekere dag betrad hij het huis waar hij had gewoond in zijn vroegere leven. Hij werd naar buiten gegooid op een hoop afval. De Boeddha kwam toen voorbij, en vertelde aan de zoon van die bedelaar dat deze zijn eigen gestorven vader was.

Zonen heb ik, rijkdom heb ik. Aldus meent de dwaas dat hij in zekerheid is. Waarlijk, hij is niet van zichzelf. Hoe kunnen dan zonen en rijkdom van hem zijn?” [Dhp.62]


Dhp.66 [V.7] De vrucht van kwaad is bitter. De melaatse Suppabuddha

       Te Rājagaha leefde een man met naam Suppabuddha. Hij was melaats; zijn ledematen waren erg aangetast door die ziekte. Hij was erg arm. Hij kleedde zich in weggeworpen stroken stof die hij aan elkaar naaide. En hij at wat anderen over hadden van hun maal.

      Op een dag kwam de Boeddha terug van zijn aalmoezenrondgang. Hij ging met zijn gevolg Rājagaha binnen. De bewoners ervan maakten een zitplaats voor hem gereed. En hij onderwees er de Dhamma.

      Suppabuddha zag van verre het volk en hij vroeg zich af waarom het daar bijeen was gekomen. Hij dacht dat er eten uitgedeeld werd en dat ook hij er misschien iets zou krijgen. Hij kwam dichter bij en zag de Verhevene de leer onderwijzen. Suppabuddha ging aan de rand van de menigte zitten om naar de leer te luisteren.

      Hij was in zulke omstandigheden wedergeboren als resultaat van een vergrijp jegens de Paccecabuddha Tagarasikhi. Maar hij was in staat om de leer vlug te begrijpen en hij bereikte het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti).

      Suppabuddha wilde graag aan de Leraar bekend maken wat hij bereikt had na diens onderricht van de Dhamma. Maar wegens zijn melaatsheid wilde hij niet samen met de menigte gaan. Hij wachtte daarom tot de Verhevene naar het Veluvana-klooster was gegaan en ging er daarna eveneens heen.

      Sakka, de koning van de goden besefte wat Suppabuddha van plan was. Om hem te testen, rees hij in de lucht omhoog en zei: “Suppabuddha, je bent de armste van allen, je lijdt veel en je bent de laagste van alle mensen. Ik zal je onbegrensde rijkdom geven als je de Boeddha, Dhamma en Sangha loochent en zegt dat je dat Drievoudige Juweel beu bent.” Suppabuddha vroeg daarop wie tot hem sprak. “Ik ben Sakka, koning van de goden,” luidde het antwoord, waarop Suppabuddha zei: “Jij dwaas, je zegt dat ik arm ben en behoeftig en ziek. Maar integendeel, ik heb geluk bereikt en grote rijkdom, namelijk de rijkdom van vertrouwen, de rijkdom van moreel goed gedrag, de weelde van bescheidenheid, de weelde van vrees voor zonde, de rijkdom van een heilige leer, van ontzegging, van wijsheid; deze zeven voorraden van rijkdom zijn van mij. Alwie deze voorraden van rijkdom bezit, hetzij man of vrouw, zo iemand is niet arm; het leven van zo iemand is niet tevergeefs. Dit zijn de zeven voorraden van achtenswaardige rijkdom. Zij die deze voorraden van rijkdom bezitten, worden niet arm genoemd door Boeddhas of Pacceka-Boeddhas.”

      Sakka ging naar de Verhevene en vertelde hem de gebeurtenis. En de Verhevene zei: “Het is zelfs met 100 of 1000 geldstukken niet mogelijk dat men de Boeddha, Dhamma en Sangha laat verloochenen door de melaatse Suppabuddha.”

      Later werd Suppabuddha als resultaat van een slechte daad door de horens van een koe gedood. Hij werd in een hemelse sfeer wedergeboren.

De Boeddha legde uit dat Suppabuddha in zijn vroegere leven op een Paccekabuddha had gespuwd en daarom melaats was geworden. En hij had in een vroeger leven een courtizane gedood en daarom was hij nu gedood.

Dwazen met weinig verstand lopen heen en weer met het zelf als hun eigen vijand. Zij doen slechte daden waarvan het resultaat bitter is.” [Dhp.66]


Dhp.71 [V.12] Een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht

De Eerwaarde Moggallana zag eens een peta met een menselijk hoofd en met het lichaam van een slang. De Boeddha legde uit dat er in het verre verleden een Paccekabuddha was geweest. De mensen liepen door een veld naar zijn klooster. De eigenaar van dat veld was bang dat de mensen te veel schade aan het veld toebrachten en daarom stak hij het klooster van de Paccekabuddha in brand. De mensen werden boos en sloegen hem dood. Als gevolg van zijn slechte daad werd hij wedergeboren als een peta in de gedaante van een slang.

Waarlijk, een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht, juist zoals melk niet direkt kwark wordt. Ze smeult en volgt de dwaas als vuur dat bedekt is met as.” [Dhp.71]


Dhp.100 [VIII.1] Begrip van de leer

Tambadatthika voegde zich bij een bende dieven en beging veel misdaden. Later werd hij een beul. Toen hij gepensioneerd was, ging hij naar de rivier en zag er de Eerwaarde Sariputta. Tambadatthika dacht dat hij lang een beul was geweest. Maar nu was het tijd om voedsel te geven aan de monnik. Daarom nodigde hij de Eerwaarde Sariputta uit voor de maaltijd. Na het maal preekte Sariputta de leer. Maar Tambadatthika kon zich niet goed concentreren vanwege zijn vroegere beroep en hij vroeg met preken te stoppen. De Eerwaarde Sariputta vroeg hem toen of hij als beul de misdadigers had gedood uit vrije wil of omdat het hem was opgedragen. Tambadatthika zei dat hij niet wilde doden maar dat het hem door de koning was opgedragen. Sariputta vroeg hem toen wat hij dan voor kwaad had gedaan. Het gemoed van Tambadatthika werd kalmer en hij vroeg aan de Eerwaarde Sariputta verder te gaan met de preek. Na de preek vergezelde hij de Eerwaarde Sariputta een stuk en keerde toen naar huis terug. Onderweg stierf hij ten gevolge van een ongeval.

Hoewel hij tijdens zijn leven veel slechte dingen had gedaan, werd hij wedergeboren in de Tavatimsa hemel omdat hij de leer begreep. De Boeddha legde uit dat zijn goede wedergeboorte te danken was aan het mededogen en het heilzame advies van de Eerwaarde Sariputta. De lengte van de toespraak is niet van belang. Een enkele zin van de Dhamma die juist begrepen wordt, kan veel goeds veroorzaken.

Beter dan duizend uitspraken met nutteloze woorden is één heilzaam woord bij het horen [of lezen] waarvan men tot vrede komt.” [Dhp.100]


Dhp.102-103 [VIII.3] Zelfoverwinning

Een rijke jongedame werd verliefd op een dief en trouwde met hem. Later nam de dief zijn vrouw naar een rots en wilde haar sieraden stelen en haar doden. Zij smeekte alleen haar sieraden te nemen en haar leven te sparen. De vrouw gaf voor dat zij voor de laatste keer eer aan hem wilde bewijzen, ging achter hem staan en duwde hem naar beneden. Later werd zij een non. Zij ontmoette de Eerwaarde Sariputta, vernam de Dhamma en bereikte volmaakte heiligheid. De monniken praatten erover hoe zij na iemand gedood te hebben een Arahant was geworden na een paar woorden over de Dhamma.

De Boeddha sprak toen over de uitwerking van de woorden van waarheid en het belang van zelfoverwinning.

Ook al reciteert men honderd verzen met nutteloze woorden, beter is één enkel woord van de Dhamma bij het horen [of lezen] waarvan men tot rust komt.” [Dhp.102]


Ook al overwint men een miljoen mensen op het slagveld, toch is diegene de edelste overwinnaar die zichzelf heeft overwonnen.” [Dhp.103]



Dhp.119-120 [IX.4] Aan de vrucht kent men kwaad of goed

Anathapindika steunde heel edelmoedig de Sangha en verloor het grootste deel van zijn vermogen. Hij werd bekritiseerd vanwege zijn buitengewone gaven. Hij ignoreerde alle kritiek en bleef doorgaan met zijn edelmoedige daden. De Boeddha waardeerde zijn edelmoedigheid en zei:

Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.” [Dhp.119]


Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.” [Dhp.120]


Dhp.124 [IX.8] Geen kwade bedoeling

De dochter van een rijke man die een in de stroom getredene was, werd verliefd op een jager en ging er met hem vandoor. Zij huwden en zij kreeg meerdere zonen. Hoewel de vrouw een in de stroom getredene was, gaf zij bogen en pijlen aan haar man om ermee te gaan jagen. Toen de Boeddha bij hun huis kwam, vroeg zij dat zij de pijlen en bogen terzijde moesten leggen en eer moesten brengen aan de Verhevene. De Boeddha legde toen de leer aan hen uit. Zij allen begrepen de Dhamma.

De monniken vroegen zich af of zij iets kwaads deed door zo te handelen. De Boeddha legde uit dat sotapannas niet doden en dat haar gedrag onberispelijk was omdat zij dat deed uit gehoorzaamheid aan haar echtgenoot en omdat zij geen kwade bedoeling erbij had.

Als er geen open wonde is in iemands hand, kan men vergif erin dragen. Vergif heeft geen invloed op iemand die geen wonde heeft. Voor iemand die geen verkeerds doet, is er geen kwaad.” [Dhp.124]


Dhp.125 [IX.9] Kwelling van onschuldigen is als stof tegen de wind in

Een jager ging op jacht met zijn honden. Onderweg kwam hij een monnik tegen. De jager dacht dat dit een slecht voorteken was en dat hij nu wel niets zou schieten. Hij kon inderdaad geen dier doden. Op de terugweg zag de jager dezelfde monnik. Hij dacht dat hij niets geschoten had omdat hij die monnik had ontmoet. Hij werd boos en joeg zijn honden tegen de monnik. Deze klom in een boom. De jager doorboorde toen de voetzolen van die monnik met zijn pijlen. Die kon van de pijn zijn gewaad niet vasthouden en het viel op de jager en bedekte hem. De honden dachten dat de monnik uit de boom was gevallen en beten de jager dood. De monnik vroeg of hij iets verkeerds had gedaan. De Boeddha zei dat hij niet verantwoordelijk was voor de dood van de jager. Hij legde de slechte resultaten uit die iemand ten deel vallen die een onschuldig persoon kwelt.

Alwie een onschuldig, zuiver persoon kwelt, op die persoon komt het kwaad terug als stof dat tegen de wind in is gegooid.” [Dhp.125]


Dhp.126 [IX.10] Kamma bepaalt de geboorte

Dagelijks placht een monnik die een arahant was het huis te bezoeken van een edelsteenslijper wiens vrouw aalmoezen voor de monnik klaarmaakte. Op een dag was de steenslijper niet aanwezig en een vogel at in bijzijn van die monnik een robijn. De steenslijper vond de robijn niet. Hij vroeg aan de monnik of die de robijn had. Deze ontkende. De steenslijper verdacht de monnik echter en meedogenloos kwelde hij hem. Bloed kwam uit het lichaam van de monnik. De vogel kwam het bloed drinken. De steenslijper sloeg de vogel dood. De monnik vertelde toen wat er gebeurd was. De steenslijper opende de maag van de vogel, vond de edelsteen en smeekte om vergiffenis. Op verzoek van de monniken legde de Boeddha uit dat wilsacties de geboorte bepalen. De steenslijper werd na zijn dood wedergeboren in de hel. De arahant ging heen in Nibbana.

Sommigen worden geboren in een moederschoot. Mensen die kwaad doen worden geboren in staten van ellende. Degenen met goed gedrag gaan naar gelukzalige staten. Degenen zonder smetten gaan heen in Nibbana.” [Dhp.126]


Dhp.136 [X.6] Het kwaad verteert de boosdoener

De volmaakte heilige Moggallana zag een peta in de gedaante van een grote slang, helemaal in brand. De Boeddha vertelde dat dit was vanwege de kwade daden van die peta. In de tijd van de Boeddha Kassapa was die peta een dief en wreed mens die herhaaldelijk het huis van een rijke man in brand stak. Ook stak hij het klooster in brand dat die rijke man aan de Sangha geschonken had.

Als een dwaas verkeerde daden verricht, beseft hij niet de kwade aard ervan. Door zijn eigen daden wordt de domme man gekweld, zoals iemand die verbrand wordt.” [Dhp.136]


Dhp.137-140 [X.9-12] Kwelling van een arahant

Te wijten aan een slechte daad tegenover zijn ouders in het verre verleden werd de Arahant Moggallana bijna doodgeslagen door bandieten. Hij kon door zijn bovennatuurlijke krachten enigszins herstellen en naar het klooster gaan om eer te bewijzen aan de Boeddha. Daarna ging hij heen in Nibbana. Later werden die bandieten door de koning gevangen genomen en levend verbrand.

Diegene die met de stok degene kwaad doet die zonder stok en onschuldig is [d.w.z. de arahant], zal spoedig tot een van deze staten komen: Hij zal onderhevig zijn aan hevige pijn, ziekte, lichamelijk letsel, of zelfs ernstige ziekten; of hij zal krankzinnig worden, of onderdrukt worden door de koning, of van iets erg beschuldigd worden, of hij zal zijn familieleden verliezen, of zijn vermogen zal vernietigd worden, of vuur zal zijn huis verbranden. Na de dood zal die onwijze man wedergeboren worden in de hel.” [Dhp.137-140]

[Ook arahants moeten de gevolgen ondervinden van slechte daden. Maar zij scheppen geen nieuw kamma meer.]


Dhp.157 [XII.1] Wees waakzaam

Een prinselijk paar was kinderloos. De Boeddha legde uit dat zij kinderloos waren omdat zij in een vorig leven verkeerd gehandeld hadden. Na een schipbreuk strandden zij op een verlaten eiland. Daar aten zij de eieren van vogels; ook aten zij jonge en oude vogels zonder enig gevoel van wroeging. Zij waren zo zeer bezig met behoud van hun eigen leven dat zij de levens vernietigden van onschuldige vogels en hun jongen. Daarom konden zij nu geen kinderen krijgen.

Als men zichzelf dierbaar is, moet men zichzelf goed beschermen. Tijdens elk van de drie nachtwaken moet de wijze man waken.” [Dhp.157]


Dhp.161 (XII.5) Zelf is men verantwoordelijk

Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en hij gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek en vluchtte weg. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelfverantwoordelijkheid.

Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamant een harde edelsteen slijpt.” [Dhp.161]


Dhp.168-169 [XIII.2]

De Boeddha bezocht Kapilavatthu voor de eerste keer na zijn Verlichting. Hij verkondigde er de leer aan zijn verwanten. Na hem de leer te hebben horen verkondigen, vertrokken zijn verwanten. Maar door niet één van hen werd de Leraar uitgenodigd. Bij de koning kwam weliswaar de gedachte op: “Waarheen zal mijn zoon gaan als hij niet naar mijn huis komt?”; maar hij ging naar het paleis zonder hem uit te nodigen. Toen hij evenwel de koninklijke residentie bereikte, liet hij rijstgruwel en andere soorten voedsel klaarmaken voor een grote hoeveelheid monniken. En ook liet hij zitplaatsen voor hen gereedmaken.

       Toen de Leraar op de volgende dag de stad betrad om aalmoezen te ontvangen, dacht hij bij zichzelf: “Betraden de Boeddhas van het verleden bij het ingaan van de stad van hun vader rechtstreeks het huis van hun verwanten of gingen zij van huis tot huis in regulaire orde, om aalmoezen te ontvangen?” De Leraar nam waar dat zij steeds van huis tot huis gingen en ook hij begon aan het eerste huis en ging van deur tot deur, waarbij hij aalmoezen ontving. Men deelde dit aan de koning mede. Deze ging vlug uit zijn residentie, wierp zichzelf voor de Leraar neer en zei: “Zoon, waarom verneder je mij? Ik ben overweldigd door schaamte om je van huis tot huis te zien gaan voor aalmoezen. Juist in deze stad hier zou het voor jou niet passend zijn om zoiets te doen, zelfs al ging je in een gouden draagstoel om aalmoezen te vergaren. Het is een grote schande voor mij. Waarom doe je zoiets?” – “Grote koning, ik maak u niet tot schande; ik houd alleen maar de traditie van mijn afstamming hoog.” – “Maar dierbare zoon, is het een traditie van mijn afstamming om in levensonderhoud te voorzien door van huis tot huis te gaan en aalmoezen te vergaren?” – “Neen, grote koning, dat is geen traditie van uw afstamming, maar het is wel een traditie van mijn afstamming. Want ontelbare duizenden Boeddhas zijn van huis tot huis gegaan en ontvingen er aalmoezen; en zo hebben zij in hun levensonderhoud voorzien.”11

       En hij sprak nog de volgende regels:

Wees niet onoplettend wanneer u bij de deur staat voor aalmoezen. Beschouw deze oefening zorgvuldig. Oefen deze praktijk zorgvuldig uit en niet onzorgvuldig. Degene die dit uitoefent, leeft gelukkig zowel in deze als in de volgende wereld.” 12 [Dhp.168-169] 



Dhp.173 [XIII.6]

Angulimala, de beruchte moordenaar, werd door de Boeddha bekeerd. Later werd hij niet alleen een monnik vol mededogen, maar hij bereikte zelfs het hoogste niveau van heiligheid. Daarna ging hij heen in de staat van Nibbāna. De monniken vroegen hoe het mogelijk was dat zo'n moordenaar een heilige was geworden. En de Verhevene antwoordde:

Alwie zijn kwade daad bedekt met een goede daad, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.”13 [Dhp.173]



Dhp.219-220 [XV.9] Verdiensten verwelkomen de deugdzame

Nandiya, een devote en rijke persoon hoorde de preken van de Boeddha over het voordeel van het bouwen van kloosters voor de bhikkhus. Daarom liet hij te Isipatana het Mahavihara klooster bouwen. Toen het klooster klaar was, bood hij het aan de Boeddha aan. Terstond rees een herenhuis voor Nandia op in de Tavatimsa hemel. Nog voor zijn dood was een plaats in de hemelse wereld voor hem gereed om hem te ontvangen. De Boeddha sprak toen de versen:

Iemand die lang afwezig was en veilig van verre terugkeert, wordt door zijn verwanten, vrienden en goede kennissen verwelkomd. [Dhp.219]


Evenzo zullen de goede daden van iemand die goed doet hem ontvangen die van deze wereld naar de volgende is gegaan, zoals verwanten die een dierbare ontvangen bij zijn terugkeer.” [Dhp.220]


Dhp.221 [XVII.1] Geef boosheid op

De zuster van de Eerwaarde Anuruddha leed aan een huidziekte. Op advies van haar Eerwaarde broer liet zij een zaal bouwen waar de mensen bijeen konden komen en verdienstelijke daden konden verrichten. Kort erna werd zij weer beter. De Boeddha legde uit dat haar huidziekte te wijten was aan jaloersheid en boosheid. Eens was zij de hoofdkoningin van Banaras. Zij was toen erg jaloers op de favoriete danseres van de koning. Zij liet jeukpoeder in het bed en tussen de lakens van de danseres strooien en ook over de danseres. Zo vernederde zij haar. En de Boeddha sprak het vers:

   “Men moet boosheid opgeven. Men moet hoogmoed opgeven. 

    Men moet alle boeien overwinnen. Hecht niet aan geest en lichaam 

    en wees aldus vrij van leed.” [Dhp.221]


Dhp.224 [XVII.4] De weg naar de hemel

Eens bezocht de Eerwaarde Maha Moggallāna14 de wereld van de goden (devas). En hij zag dat veel goden er in luxueuze herenhuizen leefden. Hij vroeg hun welke goede daden zij verricht hadden dat zij in de godenwereld herboren waren. Zij gaven hem verschillende antwoorden. Een van hen zei dat hij in de godenwereld herboren was omdat hij steeds de waarheid had gesproken. Een vrouwelijke godheid zei dat zij daar was herboren omdat zij als hulp in de huishouding niet boos was geworden op haar baas. Zij had ook geen kwaadwil jegens hem gekoesterd hoewel hij haar vaak had geslagen en had uitgescholden. Vanwege het feit dat zij zich had beheerst en zonder haat alles had verdragen, was zij in de godenwereld wedergeboren. Weer anderen waren in de godenwereld herboren omdat zij iets dat binnen hun mogelijkheden lag, gegeven hadden voor het welzijn van anderen.

        Bij zijn terugkeer uit de godenwereld vroeg de Eerwaarde Maha Moggallāna aan de Boeddha of het mogelijk was door zulke nietige dingen, zoals het spreken van de waarheid of het geven van kleine bedragen of geringe gaven, zulke grote voordelen te verkrijgen. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Heb je niet zelf met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord wat de goden zeiden? Er mag bij jou geen enkele twijfel over bestaan. Zelfs kleine daden van verdienste voeren iemand beslist naar de wereld van de goden.”

En verder sprak hij:

Men moet de waarheid spreken. Men moet niet boos worden. Men moet geven zelfs van een karige voorraad aan degene die vraagt. Over deze drie paden kan iemand in de godenwereld komen.” [Dhp.224]


Dhp.240 [XVIII.3] Het slechte ruïneert zichzelf

Een jonge monnik leed aan indigestie en stierf met een sterk gevoel van gehechtheid aan zijn nieuwe gewaad. Ten gevolge daarvan werd hij wedergeboren als een insect. De Boeddha sprak toen over de slechte gevolgen van begeerte.

Net zoals roest in ijzer ontstaat en het ijzer wegvreet waaruit het is ontstaan, juist zo leiden de eigen daden de overtreder naar staten van ellende.” [Dhp.240]


Dhp.307 [XXII.2] Corrupte monniken lijden

De Eerwaarde Moggallana zag vijf petas die leken op een skelet, geheel in brand. De Boeddha legde uit dat die petas in een vroeger leven monniken waren geweest met een slechte levenswijze.

Velen met een geel gewaad hebben een slecht karakter en zijn onbeheerst in gedachten, woorden en daden. Kwaaddoeners worden ten gevolge van hun slechte daden wedergeboren in een staat van ellende.” [Dhp.307]



naar boven

1 Norman 1983, p. 59.

2 Winternitz 1983, p. 81.

3 Winternitz 1983, p. 78-79; Webb 1975, p. 30; Kashyap 1959, Kh.I, p. x; Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. XXXIV-XXXV; Norman 1983, p. 58-60.

4 Winternitz 1983, p. 81.

5 in het Duits: Leidenschaft ist was Leiden schafft.

6 Bapat 1987, p. 138-139; Kashyap 1959, p. xi.

7 Nārada: The Dhammapada, a translation. 1978, p. v; Kashyap 1959, p. xi-xiii.

8 Zonder geest of bewustzijn ontstaan geen mentale staten. Daarom is de geest de voorloper van alle goede en slechte mentale staten. Cetanā of wil is het belangrijkste van alle mentale staten. (noot bij Dhp.1)

9 Heilige teksten = de Pali Canon.

10 Buddhist Legends, Book 2, Story 3b.

11 Burlingame, Eugene Watson (tr.): ‘'The Buddha visits Kapila,' Buddhist Legends, London 1979, Book 13, Story 2 (Vol. 30, p. 2-4); Khantipâlo, Vol. 2. 2530/1987, p. 61-62.

12 Dhp.168-169, in: Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo 2522-1978, p. 153-154.

13 Dhp. 173, in Nārada 2522-1978, p. 156-157.

14 Deze Eerwaarde was beroemd vanwege zijn grote bovennatuurlijke krachten.