Facetten van het Boeddhisme


naar Index


9.2. De drie kenmerken van het leven: dukkha, anicca, anatta


Copyright ©  20213/ 2566

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Inleiding

1. Dukkhā (onvoldaanheid)

Dukkha, onbevredigendheid

2. Aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid, niet-blijvendheid, onbestendigheid)

Anicca, vergankelijkheid

De vaderlijke erfenis voor Rahula

De zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk en niet-zelf

Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis  

De acht wereldwetten

3. Anattā (niet-zelf)

Anatta, niet zelf

Het Pali woord anatta

De leer van anatta, niet-zelf

Afwijkende visies over het zelf en de weerlegging ervan

Verdere meningen van toen over het zelf

De weerlegging van de meningen over het zelf

Leeg van een zelf

De vijf khandhas,  de groepen van bestaan of persoonlijkheid

De elementen

Het aarde-element

Het waterelement

Het vuurelement

Het windelement

Het ruimte-element

Analyse

De oorsprong van de persoonlijkheid

Beëindigen van persoonlijkheid

De last

Oorzakelijk ontstaan

Hemelse werelden zijn niet eeuwig

Welk zelf oogst de vruchten van daden?

Nibbana

Over het opgeven van de neigingen, over het verdwijnen van alle waan

De niet ziekelijke geest

De stromen van de voorstelling

Ontkomen aan twijfel en onzekerheid

Vernietiging van de boeien

Gebruik van ik en mijn

Geen onjuiste meningen

Eindoverdenking

Resumé

Geraadpleegde bronnen

Afkortingen

Inleiding

De Boeddha onderwees dat alle verschijnselen zonder een zelf zijn. Er is geen kern, geen zelf, nergens, niet ergens binnenin en niet ergens buiten. Dat was toen en is ook nu nog steeds heel tegengesteld aan wat de gangbare gedachtengang is. Er is geen ziel die van het ene leven verhuist naar een ander leven. Geen enkel samengesteld iets en niemand blijft eeuwig bestaan. - Dit heet het kenmerk van anattā (niet-zelf).

        Ook onderwees de Boeddha dat alles wat samengesteld is, veranderlijk en vergankelijk is.[1] Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden, blijft eeuwig bestaan. Ook de hoogste god zal eens van het goddelijk leven afscheid moeten nemen. Het bestaan is maar tijdelijk. - Dit is het kenmerk van aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid).

Omdat alles verandert en vergaat, ontstaat er frustratie. Dat komt omdat men iets begeert, positief of negatief, omdat men iets wel of niet wil hebben. - Dit is het kenmerk van dukkhā (onvoldaanheid).

"Of Volmaakten ontstaan of niet ontstaan, het blijft een feit, een vaste en noodzakelijke voorwaarde van het bestaan, dat alle formaties vergankelijk zijn (anicca); dat alle formaties aan onvoldaanheid, onbevredigendheid onderworpen zijn (dukkha); dat alle dingen zonder een zelf zijn (anattā).

        Dit onderkent en doorschouwt de Volmaakte, hij onderwijst het, toont het, maakt het bekend, onthult het, maakt het duidelijk en maakt het openbaar. Alle formaties zijn vergankelijk, zijn aan frustratie, onbevredigendheid onderhevig en alle dingen zijn zonder een zelf.” (A.III.137)

        

        Deze drie kenmerken van het leven zijn door de Boeddha in veel toespraken behandeld en uitgelegd. Hij sprak met geleerden en koningen, maar ook met bedelaars en niet zo heel snuggere mensen. En soms begrepen de minder bedeelden zijn leer eerder dan de geleerde mensen.

        

1. Dukkhā (onvoldaanheid)

Dukkha, onbevredigendheid

        De Boeddha onderwees dat alles wat in het bestaan is getreden, onderhevig is aan dukkhā, d.w.z. dat alles hier onvoldaan is, onafgewerkt, onvolmaakt. En daardoor is het een bron van leed, frustratie, onbevredigendheid.[2]

        Als men iets graag wil hebben en men krijgt het niet, is er frustratie, leed. En als men iets graag wil hebben en men krijgt het, dan zal de interesse erin veranderen of het gekregene verandert zelf; en dat is dan weer oorzaak voor frustratie, leed.

        Als men graag in het gezelschap van iemand is en men niet met die persoon kan omgaan, dan is dat oorzaak voor frustratie, leed. Als men graag in het gezelschap van iemand is en men wel met die persoon kan omgaan, dan kan die persoon veranderen, of onze belangstelling in die persoon verandert, of er komt door oorzaken een einde aan die omgang. Dat is dan oorzaak voor frustratie, leed.

        Een ander voorbeeld: als wij iets smakelijks eten of naar een mooi landschap kijken, dan genieten wij ervan. Maar het eten raakt op, en wij willen nog langer genieten van de lekkere smaak. En dat kan niet, tenzij we iets nieuws kopen. En dan vinden wij het jammer dat het genot maar zo kort was. En wij kunnen niet blijven kijken naar het mooie landschap. Zelfs als wij op dezelfde plaats konden blijven staan, dan wordt het toch avond en nacht. Of er wordt iets op gebouwd of men vindt er grondstoffen die ontgonnen moeten worden. En dan verandert ook het aanzicht van het landschap. Omdat de verandering niet aanvaard wordt, volgt frustratie, leed. Zo is datgene wat eerst voor een aangenaam gevoel zorgde, daarna een oorzaak voor lijden. En dat komt omdat alles hier onvolmaakt is en omdat wij ons eraan hechten.

Geboorte, ouderdom, dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn niet tevreden stellend; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft en het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft is niet tevreden stellend; niet te krijgen wat men wenst, is niet tevreden stellend. Kortom, waaraan men gehecht is of waarvan men een afkeer heeft, is niet tevreden stellend; lichamelijke vorm, gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet tevreden stellend.

2. Aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid, niet-blijvendheid, onbestendigheid)

Anicca, vergankelijkheid

        Een tweede kenmerk van het leven is aniccā. Het is het feit dat alles in dit leven constant verandert, dat alles tijdelijk is. Niets blijft gelijk.[3] Ook dit is een oorzaak voor leed, frustratie. Meestal willen wij dat een bepaalde situatie zo blijft als ze is, dat ze niet meer verandert. Wie jong is, wil niet graag oud en gebrekkig worden. Wie sterk is, wil dat graag blijven. Maar door ziekte kan ook de sterke mens heel zwak worden.

        Wij worden geboren, worden ouder en sterven. Tijdens dat hele proces hebben er onafgebroken veranderingen plaats. En wij kunnen er niet voor zorgen dat iets ongewijzigd blijft. Als wij dat wel willen, dan is dat alleen maar een bron van frustratie, leed, dukkhā.

De vaderlijke erfenis voor Rahula

Over niet-blijvendheid sprak de Boeddha in het 14e regenseizoen te Savatthi tot zijn zoon Rāhula toen deze twintig jaar werd. Bij die gelegenheid volgden vele duizenden godheden de Boeddha. Zij dachten: "Vandaag gaat de Gezegende verdere aanwijzingen geven aan de eerwaarde Rahula voor de uitdoving van de smetten."

In het kort volgt deze toespraak hier.

Rahula, wat denk je; is het oog iets blijvends of niet?” - “Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.”[4] - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?”[5] - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; is oog-bewustzijn en is visueel contact blijvend of niet?” - “Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - is dat blijvend of niet?” - “Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; oor en geluiden, neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, geest en ideeën, de ermee corresponderende soorten bewustzijn en contact, is dat alles blijvend of niet? En wat denk je van gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en het bewustzijn? Is dat alles blijvend of niet?” - “Heer, dat alles is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af[6] van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, en van geest en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.' Aldus weet hij.”

Zo sprak de Verhevene. Tijdens het luisteren naar deze leerrede was de geest van de eerwaarde Rāhula bevrijd van de smetten; hij hechtte zich nergens meer aan. Volmaakte heiligheid was door hem bereikt. Op dat moment van arahantschap gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rahula eens had gevraagd.[7]

En bij de vele duizenden godheden die naar deze leerrede hadden geluisterd, ontstond het smetteloze, reine oog der Waarheid: "Alwat onderhevig is aan ontstaan, is ook onderhevig aan vergaan." Zij bereikten toen allen het eerste niveau van heiligheid. (M.147; zie ook: S.18.1-10)

De zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk en niet-zelf

        

        Het oog is vergankelijk. En ook het oor, de neus, de tong, het lichaam en de geest zijn vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Want de zes innerlijke gebieden (ayatana) zijn vergankelijk.

        De vormen zijn vergankelijk. En ook de geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten zijn vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk.

        Het zienbewustzijn is vergankelijk. En ook het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn en het denkbewustzijn zijn vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk. (M.146)

Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis

Mahapajapati Gotami ging eens met een groot gevolg van nonnen naar de Verhevene in het Jetavana-klooster te Savatthi. Zij vroeg er aan de Verhevene of hij de nonnen met een leerrijk gesprek wilde onderrichten.

Het was toen de taak van de oudsten in de Orde om beurtelings een toespraak tot de nonnen te houden. En de eerwaarde Nandaka was nu aan de beurt. De Verhevene wendde zich daarom tot de eerwaarde Nandaka en vroeg hem aan de nonnen een leerrijke toespraak te geven. Gehoorzaam stemde de eerwaarde Nandaka toe. Na de maaltijd ging hij naar de nonnen in het koninklijke park. Daar werd hij door de nonnen eerbiedig ontvangen. Een zitplaats was voor hem gereed gemaakt en water om de voeten te wassen. De nonnen groetten de eerwaarde Nandaka eerbiedig en gingen terzijde van hem zitten. De eerwaarde Nandaka zei toen dat hij een gesprek met vraag en antwoord wilde houden.

(Dat gesprek volgt hier in het kort).

"Zusters, wat menen jullie, is het oog onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie: zijn het oor, de neus, de tong, het lichaam, de geest onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, ze zijn vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden (ayatana) vergankelijk zijn."

"Zusters, wat menen jullie, zijn de vormen onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie, zijn de geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."

"Zusters, wat menen jullie, is het zienbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie, is het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn, het denkbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."

"Zusters, juist zoals bij een brandende olielamp de olie vergankelijk, veranderlijk is, de lampenpit vergankelijk, veranderlijk is, de vlam vergankelijk, veranderlijk is, het lichtschijnsel vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die brandende olielamp weliswaar olie en lampenpit vergankelijk, veranderlijk zijn, maar dat het lichtschijnsel onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?” - “Heer bij die brandende olielamp is immers olie en lampenpit en vlam vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook het lichtschijnsel ervan.”

"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes innerlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van het innerlijke gebied aangenaam of frustrerend of noch frustrerend noch aangenaam laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk,’ zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?" - "Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”

"Zusters, goed zo, prima. Juist zoals bij een grote sterke boom de wortels vergankelijk, veranderlijk zijn, de stam, de takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk zijn, de schaduw vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die grote sterke boom wel wortels en stam, takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk zijn, maar dat zijn schaduw onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, Heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, bij die grote sterke boom zijn immers wortels en stam, takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook de schaduw ervan.”

"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes uiterlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van de uiterlijke gebieden aangenaam en frustrerend of noch aangenaam noch frustrerend laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk.’ zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, Heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”

(Dan volgt een opsomming van de zeven factoren van Verlichting.)

Na het vertrek van de nonnen zei de Verhevene aan de monniken dat die grote groep van nonnen het niveau van stroomintrede of niveaus hoger dan dat bereikt had. Hij zei dat zij allen aan verderfenis ontkomen waren en doelbewust naar de volledige ontwaking gingen. (M.146)

De acht wereldwetten

Er zijn acht wereldwetten; zij volgen de loop van de wereld en de loop van de wereld volgt deze acht wereldwetten. Welke zijn zij?

1-2. Winst en verlies,

3-4. eer en minachting,

5-6. lof en verwijt,

7-8-. vreugde en verdriet.

Deze acht wereldwetten zijn voor de onwetende leek hetzelfde als voor de wetende edele discipel. Maar er is een verschil.

Daar valt de onwetende wereldling winst ten deel. En er valt hem verlies, eer, minachting, lof, verwijt, vreugde en verdriet ten deel. Maar hij overweegt daarbij niet dat ze allemaal vergankelijk zijn, ellendig, aan verandering onderhevig. En winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet houden zijn geest omsponnen. Hij is gehecht aan de winst die hem ten deel valt, en over verlies ergert hij zich. Hij is gehecht aan de eer die hem ten deel valt, en minachting ergert hem. Hij is gehecht aan de lof die hem ten deel valt, en verwijt ergert hem. Hij is gehecht aan de vreugde die hem ten deel valt, en verdriet ergert hem. Zo verslaafd aan toeneiging en afkeer, wordt hij niet bevrijd van geboren worden, ouder worden en sterven, van zorgen, gejammer, smart, droefenis en wanhoop, wordt hij niet bevrijd van lijden. (A.VIII.5)

In het ongeluk kan men de kracht van anderen leren kennen. Met betrekking waarop werd dit gezegd? - Daar wordt iemand getroffen door het verlies van familieleden of van bezittingen, of hij wordt ziek. Hij overweegt dan niet: ‘Zo is dit leven in de wereld, zo is het wanneer men een dergelijke vorm van bestaan heeft, dat acht wereld-wetten de loop van de wereld volgen en de loop van de wereld die acht wereld-wetten volgt, namelijk: winst en verlies, eer en verachting, lofprijzing en berisping, vreugde en verdriet.’ En getroffen door het verlies van zijn familieleden of van zijn bezit of vanwege een ziekte jammert hij, steunt en klaagt hij, slaat huilend op zijn borst en wordt wanhopig. (A.IV.192)

Een wetende, edele discipel evenwel valt winst ten deel, hem valt verlies ten deel, eer, minachting, lof, verwijt, vreugde en verdriet. Maar hij denkt erover na en begrijpt het overeenkomstig de werkelijkheid: 'Weliswaar is voor mij deze winst, dit verlies, deze eer, deze minachting, deze lof, dit verwijt, deze vreugde en dit verdriet ontstaan, maar ze zijn vergankelijk, ellendig, aan de verandering onderhevig.' En winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet houden zijn geest niet omsponnen. Hij is niet gehecht aan de winst die hem ten deel valt, en verlies ergert hem niet. Hij is niet gehecht aan de eer die hem ten deel valt, en minachting ergert hem niet. Hij is niet gehecht aan de lof die hem ten deel valt, en verwijt ergert hem niet. Zo zich vrij makend van toeneiging en afkeer, wordt hij bevrijd van geboren worden, ouder worden en sterven, van zorgen, gejammer, smart, droefenis en wanhoop, wordt hij bevrijd van lijden.

Dat is de verscheidenheid, dat is de bijzonderheid, dat is het verschil tussen de wetende, edele discipel en de onwetende wereldling. (A.VIII.6)

Iemand wordt getroffen door het verlies van familieleden of van bezittingen, of hij wordt ziek. Maar hij overweegt dan: ‘Zo is dit leven in de wereld, zo is het wanneer men een dergelijke vorm van bestaan heeft, dat acht wereld-wetten de loop van de wereld volgen en de loop van de wereld die acht wereld-wetten volgt, namelijk: winst en verlies, eer en verachting, lofprijzing en berisping, vreugde en verdriet.’ En getroffen door het verlies van zijn familieleden of van zijn bezit of vanwege een ziekte jammert hij niet, noch steunt en klaagt hij, noch slaat hij huilend op zijn borst en hij wordt niet wanhopig. (A.IV.192)

 

Winst, verlies, verering en minachting,

ook lof en verwijt, vreugde evenals verdriet,

deze wereldwetten zijn heel veranderlijk,

vol onbestendigheid, onderhevig aan verandering.

De wijze, de bezonnene doorziet ze,

onderkent ze als onderhevig aan verandering.

Gewenste dingen kwellen hem niet meer

en ook bij ongewenste komt geen wrevel bij hem op.

In hem zijn toeneiging en ook afkeer

vernietigd, verdwenen, niet meer daar.

Het zorgenvrije, zuivere oord kennende,

is hij aan de andere oever van het bestaan aangekomen. (A.VIII.5-6)

3. Anattā (niet-zelf)

Anatta, niet zelf

        Een ander kenmerk van het leven is de leer van anattā, niet-zelf. Met deze leer wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in de conventionele zin geloochend. Maar wel wordt ontkend dat er een blijvende wezenskern ten grondslag ligt aan een zich voortdurend veranderend lichamelijk-geestelijk proces.[8] 

De Boeddha benadrukte dat alles wat veroorzaakt is, dat alles wat samengesteld is, niet "mijn zelf" is. Die leer van anatta, niet-zelf, is niet gemakkelijk in te zien. Er is geen blijvende “ikheid”, geen “ik” die ziet of hoort of ruikt of proeft of aanraakt of denkt; er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.

        Er is geen zelf, geen ziel, geen kern, geen "ik". Van de meeste dingen kunnen wij dit wel aannemen. De boom is ontstaan, heeft geen zelfstandige kern. Het huis waarin we wonen, is gebouwd uit losse elementen, is zonder zelf, zonder blijvende kern. Atomen (letterlijk: ondeelbare deeltjes) bestaan weer uit onderdelen die nog verder geanalyseerd kunnen worden. Maar de mens zelf beweert dat hij een vaste kern heeft, een blijvend iets (in andere religies "ziel" genaamd). Maar volgens de leer van de Boeddha is ook de mens zonder een dergelijke blijvende vaste kern.

        Ons lichaam is ontstaan. Het is gegroeid uit een eicel en een zaadcel, gevoed met bloed, melk, brood, aardappelen, soep, enz. Eerst was het lichaam klein, nu is het groter en sterker; later wordt het weer zwak. En na de dood blijft er alleen een hoopje as over als wij het laten cremeren. Zijn wij gelijk aan het lichaam? Of behoort het lichaam ons toe? Neen toch! Wij hebben er (bijna) niets over te vertellen. Als het lichaam een blijvende kern had, zou die altijd gelijk blijven. Maar dat is niet zo. En als het lichaam ons toebehoorde, konden wij er over bevelen. Ook dat kunnen wij niet. Als wij ziek zijn, kunnen wij het lichaam niet bevelen weer gezond te worden. Neen, het lichaam is niet van ons, het is zonder vaste kern, het is oorzakelijk ontstaan.

        En ook de gevoelens en emoties die bij iemand opkomen, hebben geen blijvende kern; ze zijn niet zelfstandig. Zij ontstaan door bepaalde omstandigheden en verdwijnen daarna weer. Wij kunnen ons ergeren over iets, maar enkele ogenblikken later kunnen wij ons over iets anders verheugen. Is de ergernis een blijvend, zelfstandig iets? Neen. En evenmin is het aangename gevoel bij aanraking van iets prettigs een zelfstandig, op zich bestaan iets. Als wij een geluid horen, kunnen wij dat op drie manieren ervaren: als aangenaam, als onaangenaam en als neutraal geluid. De een noemt het muziek (aangenaam), de ander noemt datzelfde geluid lawaai (onaangenaam), een derde vindt het noch muziek noch lawaai; hij registreert het nauwelijks. Gevoelens en emoties zijn niet van ons, noch zijn zij blijvende, zelfstandige dingen.

        Maar gedachten dan? Wij kunnen toch zelfstandig denken, is de gangbare mening. Zijn wij dan gelijk te stellen met de gedachten en ideeën? – Descartes, een beroemde filosoof, heeft eens beweerd: “Ik denk, dús ik ben.” Die stelling is niet juist. Het denken gaat sneller dan een computer kan werken, gaat sneller dan het licht. Nu eens denken wij aan het verleden, dan aan de toekomst; in dezelfde seconde zitten wij in gedachten bij een familielid of kennis in huis. Of wij denken aan de aanstaande vakantie in een ver land. Gedachten zijn onnoemelijk snel. Die kunnen wij niet als maatstaf of bewijs nemen van ons bestaan. In gedachten kunnen wij ons verplaatsen naar vroegere, toekomstige en tegenwoordige situaties, naar alle richtingen. Verder zijn gedachten geen zelfstandige dingen. Wij zeggen wel: gedachten komen en gaan weer. Maar dat is een zegswijze; het is geen werkelijkheid. De gedachten komen niet ergens vandaan en gaan ook niet ergens naartoe. Maar door bepaalde omstandigheden ontstaan gedachten en ideeën. En als die omstandigheden verdwijnen, verdwijnen ook die gedachten en ideeën. Er is geen "ik" die denkt. Gedachten ontstaan.

        Zo is de hele mens te ontleden en nergens vinden wij een kern, een zelfstandig iets. Alles ontstaat door bepaalde omstandigheden en alles vergaat weer als die omstandigheden veranderen of verdwijnen. Dat is de leerstelling van oorzakelijk ontstaan en van anatta, niet-zelf.

        Geen enkel samengesteld iets, geen enkel veroorzaakt iets is een zelfstandige, op zichzelf bestaande eenheid. Alles is aan oorzaken gebonden. Alles is op de een of andere manier veroorzaakt door meerdere dingen of omstandigheden. Zo kan water zich uiten als damp, sneeuw of ijs, al naargelang de omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld muziek van een cassetterecorder veroorzaakt. De muziek is niet zelfstandig, zit niet in de cassette en ook niet in de recorder noch in de elektriciteit die de recorder in beweging zet. Maar door diverse oorzaken wordt geluid geproduceerd. Er is geen zelfstandig iets.

Het Pali woord anatta

Het pali woord anattā wordt vertaald met “niet zelf”, of met “niet ik” of met “onpersoonlijkheid”. Het is de ontkenning van attā, het zelf.

Om ons een correct begrip te kunnen maken van anattā moeten wij eerst goed weten wat met het pali woord attā bedoeld wordt.

              Het woord attā heeft de betekenis van het zelf, de ziel. Het wordt beschreven als een klein wezen in de vorm van een man. Dat wezentje zou in gewone tijden in het hart wonen. Bij de dood ontsnapt het uit het lichaam en blijft dan een eigen eeuwig leven leiden. Dat zelf, die ziel was volgens algemeen geloof iets dat blijvend was, onveranderlijk, niet beïnvloed door verdriet.

Dat blijvende onveranderlijke zelf - ook “ik” of “persoonlijkheid” genaamd - werd beschouwd als iemands eigen persoonlijkheid die niet aan verandering onderhevig is, die eeuwig blijft bestaan.[9]

De leer van de Boeddha verwerpt dergelijke theorieën en verschilt zo van andere religies en levensovertuigingen. (Zie D.1).

Het pali woord anattā is dus de ontkenning van een onveranderlijk zelf, de ontkenning van een blijvende ziel, de ontkenning van een eeuwig gelijk blijvende persoonlijkheid, de ontkenning van een onveranderlijk “ik”. Het wordt meestal vertaald met “niet-zelf”, “niet een ziel”, “zonder een ziel”, “niet tot iemand behorend”, “onpersoonlijkheid”, “niet ik”.

"Ziel" wordt in het Nederlands woordenboek omschreven met levensbeginsel. Anatta is dan het zijn zonder levensbeginsel.

De leer van anatta, niet-zelf

De leer van anattā of van de onpersoonlijkheid stelt dat er noch binnen noch buiten de lichamelijke en geestelijke verschijnselen van het bestaan ergens iets is dat op zichzelf bestaat en dat men in de hoogste zin een onafhankelijke ego-entiteit of persoonlijkheid kan noemen. Nergens is een onveranderlijke, eeuwige, op zichzelf bestaande, onafhankelijke essentie te vinden. Wat andere religies de ziel[10] noemen, noemt de Boeddha illusie.

Dit is geen nihilisme,[11] want een individueel bestaan ​​wordt niet ontkend. Maar men moet niet menen dat een 'persoonlijkheid'[12] achter alle vergankelijke lichamelijke en geestelijke processen schuilgaat.  

Het inzien van anatta is heel belangrijk. Het is het inzien dat er geen blijvende kern is, dat een mens niet blijft zoals hij is, maar dat hij steeds verandert. Het is de bevrijding van de mening dat men een blijvend, onveranderlijk wezen is.

Het lichaam heeft geen blijvende kern, het is zonder levensbeginsel. De zintuigen hebben geen blijvende kern, ze zijn zonder levensbeginsel. Het geestelijke is zonder een blijvende kern, is zonder levensbeginsel.

In de vijfde week na de Verlichting sprak de Boeddha tot Mucalinda: "Afzondering is geluk voor de tevredene; en vriendelijkheid jegens de wereld is geluk voor degene die in verdraagzaamheid leeft. Geen behagen scheppen is geluk voor degene die zinsverlangen te boven is gekomen. Maar bevrijd te zijn van de mening ‘ik ben’, dat is het grootste geluk van alles." (Ud.2.1)

De leer van anattā is daarna verder uitgelegd in de leerrede over anattā. (S.22.59)[13] Die leer van anattā is in zijn volledige helderheid alleen door de Boeddha onderwezen.

Afwijkende visies over het zelf en de weerlegging ervan

Beweerd werd dat iemand een zelf heeft en dat dit zelf de vruchten van goede en slechte daden krijgt. Verder werd beweerd dat iemand vorm (lichaam) als het zelf heeft, en ook dat iemand gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn als het zelf heeft. (M.35)

De Boeddha weerlegde die beweringen in het  Anattā-Lakkhana-Sutta, de kenmerken van anatta, niet-zelf (S.22.59) als volgt:

“Vorm[14] is niet het zelf. Als vorm het zelf was, dan zou vorm (het lichamelijke) niet ziek worden. Dan zou men de vorm kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Moge mijn lichaam zo zijn, moge het lichaam niet zo zijn.’ Maar omdat vorm niet het zelf is, daarom is de lichamelijkheid onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men heeft er geen macht over en men kan de vorm (het lichaam) niet laten zijn zoals men wenst: ‘Moge mijn lichaam zo zijn, moge het lichaam niet zo zijn.’ (S.22.59; M.35)

Dit geldt ook voor gevoel, waarneming, formaties[15] en bewustzijn. Ze zijn niet het zelf.  Als zij het zelf waren, dan zouden ze niet ziek worden. Dan had men er macht over en dan zou men ze kunnen laten zijn zoals men wenst: “Mogen ze zo zijn, mogen ze niet zo zijn.” (S.22.59; M.35)

 

“Vorm (het lichamelijke) is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, dat is smartelijk. Wat vergankelijk is, wat smartelijk is omdat het onderhevig is aan verandering, dat kan men niet als volgt beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'’”

“Gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, dat is smartelijk. Wat vergankelijk is, wat smartelijk is omdat het onderhevig is aan verandering, dat kan men niet als volgt beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'’”

Zo moet met juist begrip elke soort van vorm - hetzij vroeger, toekomstig of tegenwoordig ontstaan, hetzij ruw of fijn, inwendig of uitwendig,[16] hetzij laag of verheven, veraf of nabij - worden beschouwd zoals ze werkelijk is, namelijk: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’

En ook elke soort van gevoel, van waarneming, van geestelijke formaties en van bewustzijn moet aldus worden beschouwd zoals ze werkelijk is, namelijk: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’ (S.22.59; M.35)

Vorm (lichaam) werd beschouwd als het zelf, of het zelf als vorm hebbende, of vorm als in het zelf ingesloten, of het zelf als in vorm ingesloten.

Elke vorm van iemand verandert. Terwijl die vorm verandert houdt zijn bewustzijn zich bezig met de verandering van de vorm. Opgewonden toestanden van de geest die ontstaan uit het zich bezighouden met de verandering van de vorm, stijgen samen op en nemen zijn geest in bezit. Omdat zijn hart in bezit is genomen, is hij angstig, bedroefd en bezorgd, en op grond van vasthechten is hij opgewonden geworden.

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. (M.138)

Vorm is vergankelijk, gevoel is vergankelijk, waarneming is vergankelijk, formaties zijn vergankelijk, bewustzijn is vergankelijk.

Alle verschijnselen zijn vergankelijk; alle dingen zijn niet-zelf. (M.35)

Verdere meningen van toen over het zelf

        Verdere meningen over het zelf waren toen:

Het oog is het zelf; de vormen zijn het zelf; het zien-bewustzijn is het zelf; het ziencontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het ziencontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        Het oor is het zelf; het geluid is het zelf; het hoorbewustzijn is het zelf; het hoorcontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het hoorcontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        De neus is het zelf; de geuren zijn het zelf; het ruikbewustzijn is het zelf; het ruikcontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het ruikcontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        De tong is het zelf; de smaken zijn het zelf; het smaakbewustzijn is het zelf; het smaakcontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het smaakcontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        Het lichaam is het zelf; de aanrakingen zijn het zelf; het aanrakingsbewustzijn is het zelf; het lichaamscontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het lichaamscontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        De geest is het zelf; de gedachten zijn het zelf; het denkbewustzijn is het zelf; het denkcontact is het zelf; het gevoel [dat ontstaat ten gevolge van het denkcontact] is het zelf; de dorst [die ontstaat ten gevolge van dat gevoel] is het zelf. (M.148)

        Zulke meningen over het zelf had men toen.

De weerlegging van de meningen over het zelf

        

        De meningen over het zelf werden door de eerwaarde Sariputta als volgt weerlegd:

‘Het oog is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het oog wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het oog is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf.

‘De vormen zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de vormen wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de vormen zijn het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf.

‘Het zienbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het zienbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het zienbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf.

‘Het ziencontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ziencontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ziencontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148)

‘Het oor is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het oor wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het oor is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf.

‘Het geluid is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het geluid wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het geluid is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf.

‘Het hoorbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het hoorbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het hoorbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf.

‘Het hoorcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het hoorcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het hoorcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148)

‘De neus is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de neus wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de neus is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf.

‘De geuren zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de geuren wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de geuren zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf.

‘Het ruikbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ruikbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ruikbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf.

‘Het ruikcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ruikcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ruikcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148)

‘De tong is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de tong wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de tong is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf.

‘De smaken zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de smaken wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de smaken zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf.

‘Het smaakbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het smaakbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het smaakbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf.

‘Het smaakcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het smaakcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het smaakcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148)

‘Het lichaam is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het lichaam wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het lichaam is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf.

‘De aanrakingen zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de aanrakingen wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de aanrakingen zijn het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf.

‘Het aanrakingsbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het aanrakingsbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het aanrakingsbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf.

‘Het lichaamscontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het lichaamscontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het lichaamscontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het lichaamscontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het lichaamscontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het lichaamscontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148; zie ook S.22.1)

‘De geest is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de geest wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de geest is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf.

‘De gedachten zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de gedachten wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de gedachten zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf.

 ‘Het denkbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het denkbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het denkbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf.

‘Het denkcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het denkcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het denkcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen; waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf. (M.148; zie ook S.22.1)

Wanneer iemand het zelf uitlegt, dan legt hij het ofwel uit als in vorm begrensd of als in vorm onbegrensd; of hij legt het uit als vrij van vorm begrensd of onbegrensd. Wie het zelf op een van die manieren uitlegt, die legt het zelf uit dat het in het heden zo is, of dat hij het in zo'n toestand zal brengen. (D.15)

Wanneer iemand het zelf opvat, dan vat hij het als volgt op. 'De gewaarwording is het zelf. Of de gewaarwording is niet mijn zelf; mijn zelf is vrij van gewaarwording. Of mijn zelf is in staat tot gewaarworden.'

Wie de gewaarwording als het zelf opvat, hem is het volgende te vragen. “Er zijn drie soorten gewaarwordingen: de prettige, de onprettige, en de noch prettige noch onprettige gewaarwording. Welke van deze drie gewaarwordingen vat u op als uw zelf?”

Wanneer men een prettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen onprettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een onprettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een neutrale gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch onprettige gewaarwording.

De prettige gewaarwording is niet blijvend, is oorzakelijk ontstaan, is onderhevig aan verdwijnen, is aan verval onderhevig, is aan beëindiging onderhevig. En evenzo de onprettige gewaarwording en de neutrale gewaarwording. Wanneer iemand een prettige gewaarwording ervaart, dan denkt hij: 'Dat is mijn zelf.' Bij het verdwijnen van de gewaarwording denkt hij dan: 'Mijn zelf is verdwenen.' En evenzo denkt hij wanneer hij een onprettige en een neutrale gewaarwording ervaart.

Degene die zegt: 'de gewaarwording is mijn zelf,' die vat het zelf daarom al in dit bestaan op als vergankelijk, als gescheiden van vreugde en leed, als onderhevig aan ontstaan-vergaan. Daarom is het niet juist het zo op te vatten: 'De gewaarwording is mijn zelf.'

Wie nu aldus spreekt: 'De gewaarwording is helemaal niet mijn zelf, mijn zelf is vrij van gewaarworden,' tot hem moet als volgt gesproken worden. “Als er helemaal geen gewaarwording is, kan er dan een “ik ben” zijn?' - Neen, Heer. – Daarom is het niet goed het aldus op te vatten, dat de gewaarwording helemaal niet mijn zelf is; dat ze vrij is van gewaarwording.

Wie nu aldus spreekt: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarwording; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarworden,' hem is als volgt te antwoorden: 'Wanneer gewaarwording helemaal te gronde ging, helemaal niet daar was, zou er dan een ”dat ben ik” zijn?' – Neen, Heer. – Daarom kan men het niet als volgt opvatten: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarworden; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarwording.'

Wanneer iemand de gewaarwording niet als het zelf opvat, noch het zelf als vrij van gewaarwording opvat, noch opvat dat het zelf gewaarwordt, noch de opvatting heeft dat het zelf in staat is tot gewaarworden, diegene hecht niet meer aan iets in de wereld. Nergens aan hechtend beeft hij niet; niet bevend komt hij uit eigen kracht tot volledig uitdoven. “Vernietigd is geboorte, het reinheidsleven is uitgeleefd, de opgave is volbracht, hierna is niets meer te doen." (D.15)

 Wie nu met betrekking tot die persoon zou zeggen dat hij van mening is dat de Volmaakte na de dood is, of dat de Volmaakte na de dood niet is, of dat de Volmaakte na de dood zowel is als niet is, of dat de Volmaakte na de dood noch is noch niet is, – dat is een onmogelijkheid. En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht. (D.15)

Leeg van een zelf

          Eens zei de Eerwaarde Ānanda tot de Verhevene: “De wereld is leeg; op welke manier, Heer, is de wereld leeg? Wat is de betekenis ervan?”

En de Boeddha gaf ten antwoord: “De wereld is leeg in zoverre ze leeg is van een “zelf” [een onveranderlijk, eeuwigdurend iets (attā)] en leeg van wat toebehoort aan een “zelf” [een onveranderlijk, eeuwigdurend iets]. Het oog is leeg van een zelf en van wat behoort tot een zelf. En evenzo is een zichtbaar object leeg van een zelf, en ook het oogcontact is leeg ervan. Op gelijke wijze is het met de andere zintuigen, met de objecten van die zintuigen en met de contacten van die zintuigen. Zo is het ook met het coördinerende zintuig, herkenbare objecten, mentaal bewustzijn en contact. Dat alles is leeg van een “zelf” [een onveranderlijk, eeuwigdurend iets] en van wat behoort tot een “zelf”. En wat er ook voor prettige, pijnlijke of neutrale gevoelens ontstaan met betrekking tot de zintuigen en tot de coördinerende geest, ook die zijn leeg van een zelf en van wat er behoort tot een zelf.” (S.IV.54).

“De zes interne en externe gebieden, de zes soorten van het bewustzijn, de zes aanrakingen, de achttien gevoelens. Dat is leeg van ik en tot het ik behorend." (S.35.84-85)

           Vormen, gevoelens, waarnemingen, geestelijke formaties zoals besluit, wil, aandacht, vertrouwen, gedachten, en bewustzijn zijn niet het zelf. Ze ontstaan en vergaan weer, afhankelijk van oorzaken. Ons lichaam en onze gedachten en gevoelens zijn niet van ons. We kunnen niet zeggen dat ze ons toebehoren.

Anattā is een van de drie universele eigenschappen van alle dingen en van alle verschijnselen. De andere twee zijn anicca en dukkha.

De mens is geen wezen in de zin van “Ik ben en blijf gelijk”. Hij is een schepsel, gevormd, niet geschapen door een opperste god, maar oorzakelijk ontstaan.

In de mens is geen ziel, geen kern, geen onsterfelijk iets dat innerlijk regeert. De mens is leeg van eigenheid, leeg van een onveranderlijke kern. Er is niets waarvan de mens kan zeggen: "Kijk, dat is nu het onveranderlijke, blijvende wezen binnen in mij: dat ben ik en zo blijf ik."

De vijf khandhas,  de groepen van bestaan of persoonlijkheid

Het Pali woord “khandha” betekent letterlijk: ophopingen, groep, aggregaat. Het zijn de bestanddelen die onze persoonlijkheid[17] uitmaken, ook groeperingen van bestaan genoemd. Er is een tweevoudige, een drievoudige en een vijfvoudige indeling van die bestanddelen.

(a) De tweevoudige indeling: nama-rupa: geest en lichamelijkheid.

(b) De drievoudige indeling: bewustzijn, geestelijke factoren, lichamelijkheid.

(c) De vijfvoudige indeling: de bestaansgroep van vorm (rūpa) of lichaam waaraan men hecht; de bestaansgroep van gevoel (vedanā) waaraan men hecht; de bestaansgroep van gewaarwording, waarneming (saññā) waaraan men hecht; de bestaansgroep van de geestelijke formaties (samkhārā) waaraan men hecht; en de bestaansgroep van het bewustzijn (viññāna) waaraan men hecht. (M.28; M.109)

Elke groep is voor alle wezens – behalve voor de heilige die van elke begeerte vrij is – het eigenlijke object van hechten (upādāna). Daarom worden zij ook 'groepen van hechten' (upādāna-kkhandha) genoemd. Omdat zij de totale lichamelijke en geestelijke object-wereld van het betreffende individu insluiten, worden zij ook als 'groepen van bestaan' aangeduid.

Deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, wortelen in hebberigheid. (M.109; vgl. M.44)

Dat hechten is niet hetzelfde als deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, noch is het hechten gescheiden van die vijf groepen van bestaan. Het is het hevig verlangen en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, hetwelk genoemd hechten is.[18] (M.44)

Er kan veelvuldigheid zijn in de hebberigheid en begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht. Iemand denkt: 'Moge mijn vorm in de toekomst zo en zo zijn. Moge mijn gevoel, mijn waarneming, mijn formaties, mijn bewustzijn zo en zo zijn.' Op een dergelijke manier is er veelvuldigheid in de hebberigheid en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht. (M.109)

De vijf khandhas, de lichamelijke en geestelijke componenten van persoonlijkheid, zijn noch individueel noch als totaal het zelf. Ook in hart en geest (citta) kan nergens een zelf of een identiteit gevonden worden. Wat als een blijvend zelf wordt ondervonden, is niets meer dan een schijn-persoonlijkheid ontstaan door onwetendheid en illusie - vergankelijk, onstabiel, voorzien van dukkha.

Wat als individueel bestaan beschouwd wordt, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van die geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Deze vijf groepen echter vertonen noch apart noch collectief een zelfstandig, op zichzelf bestaand iets (atta), noch is er een zelfstandig iets te vinden afzonderlijk van die groepen. Deze vijf groepen vormen een abstracte rangschikking maar ze hebben geen werkelijk bestaan als vijf volledige groepen. Er kan maar één vertegenwoordiger van deze groepen ontstaan met één staat van bewustzijn. Bijvoorbeeld, met eenzelfde eenheid van bewustzijn kan slechts één enkel soort van gevoel (vreugde of verdriet) verbonden worden en nooit meer dan één. Evenmin kunnen twee verschillende gewaarwordingen op hetzelfde moment ontstaan. Ook van de diverse soorten bewustzijn kan slechts één tegelijk aanwezig zijn.

Elke soort van vorm, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van vorm. Elke soort van gevoel, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van gevoel. Elke soort van waarneming, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van waarneming. Elke soort van formaties, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van formaties. Elke soort van bewustzijn, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van bewustzijn. Op die manier kan men het begrip 'groepen' toepassen op de groepen van bestaan. (M.109)

De groepering van vorm bestaat uit de vijf grote elementen en de vorm die van de vijf grote elementen afstamt. Die vijf grote elementen zijn het aarde-element, het waterelement, het vuurelement, het windelement (luchtelement) en het ruimte-element. (M.28; M.109; M.140)

Wat is de groep van gevoel? Het zijn de zes klassen van gevoel: gevoel door visuele indruk, gevoel door geluid-indruk, gevoel door geur-indruk, gevoel door smaak-indruk, gevoel door aanrakings-indruk en gevoel door geestelijke indruk.

Wat is de groep van gewaarwording? Er zijn zes klassen van gewaarwording: gewaarwording van zichtbare objecten, gewaarwording van geluiden, gewaarwording van geuren, gewaarwording van smaken, gewaarwording van lichamelijke indrukken en gewaarwording van geestelijke indrukken.

Wat is de groep van geestelijke formaties? Er zijn zes klassen van wil-toestanden, namelijk met betrekking tot zichtbare objecten, met betrekking tot geluiden, met betrekking tot geuren, met betrekking tot smaken, met betrekking tot lichamelijke indrukken, en met betrekking tot geestelijke objecten.

Wat is de groep van bewustzijn? Er zijn zes klassen van bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn en geestbewustzijn.” (S.22.56)

Wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn. (zie M.28 en ook M.9)

Over de onafscheidelijkheid van deze groepen is gezegd: “Wat er ook bestaat aan gevoelens, aan gewaarwordingen en aan geestelijke formaties, deze dingen zijn verbonden, niet onverbonden. En het is onmogelijk het een van het ander te scheiden en het verschil ervan aan te tonen. Want alles dat men voelt, dat neemt men waar; en wat men waarneemt, daarvan is men zich bewust.” (M.43)

Betreffende de onpersoonlijkheid (anatta) en leegheid (suññata) van de vijf groepen van bestaan is gezegd: “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en met ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’” (S.21.5)

         De oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van de vorm zijn de vier grote elementen. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van het gevoel. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van waarneming. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van de formaties. Naam en vorm (geestlichamelijheid) is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van bewustzijn.'[19] (M.109)

De elementen

Boven werd vermeld dat de groepering van vorm bestaat uit de vijf grote elementen en de vorm die van de vijf grote elementen afstamt. Die vijf grote elementen worden hier nader besproken.

Het aarde-element

Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, inhoud van de maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” (M.140) Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke aarde-element verdwijnt. Wanneer zelfs dit uiterlijke aarde-element, hoe groot het ook is, als vergankelijk beschouwd wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden. (M.28; zie ook M.1)

Het waterelement

Het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talk, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” (M.140) Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.

Eens komt de tijd dat het water in de grote oceaan steeds ondieper wordt. Wanneer zelfs dat uiterlijke waterelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en aan verandering, hoeveel meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden. (M.28; zie ook M.1)

Het vuurelement

Het vuurelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuurelement bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteert wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuurelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuurelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” (M.140) Wanneer men het vuurelement zo beschouwt, wordt men tegenover het vuurelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuurelement.

Eens komt de tijd waarin men met moeite zal proberen vuur te maken. Wanneer zelfs dat uiterlijke vuurelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden. (M.28; zie ook M.1)

Het windelement

Het windelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke windelement is aldus: wat er aan innerlijke dingen, die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten is, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke windelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke windelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” (M.140) Wanneer men het windelement zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het windelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het windelement.

Eens komt de tijd dat men tevergeefs probeert wind te maken met een waaier of blaasbalg. Wanneer zelfs dat uiterlijke windelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk gezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden. (M.28; zie ook M.1)

Het ruimte-element

Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk en object van hechten is, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk en object van hechten is: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” (M.140)

Juist zoals ruimte die door hout, klimplanten, gras en leem veroorzaakt is, als “huis” aangeduid wordt, evenzo wordt ruimte die door beenderen en pezen, vlees en huid veroorzaakt is, als “vorm” aangeduid.[20]  (M.28)

Analyse

        Een mens is een wezen, samengesteld uit vijf groepen:

        (a) De groep van materie, namelijk vaste, vloeibare en gasvormige stoffen, hitte en beweging. Eveneens behoren ertoe de zintuigen en de corresponderende objecten: oog met zichtbare vorm, oor met geluid, neus met geur, tong met smaak en lichaam met tastgevoel. Het verstand en de geest met gedachten en ideeën behoren ook ertoe.

        (b) De groep van gevoelens: de gevoelens ondervonden door het contact van lichamelijke en geestelijke organen met de buitenwereld.

        (c) De groep van gewaarwordingen: er is herkenning van objecten door de gewaarwording.

(d) De groep van geestelijke formaties: hiertoe behoren alle wilsactiviteiten. De wilsactiviteiten brengen moreel resultaat voort. Tot de wilsacties behoren o.a. aandacht, vertrouwen, verlangen, concentratie, energie, afkeer. - In totaal zijn er 52 geestelijke activiteiten.

        (e) De groep van bewustzijn: bewustzijn is een reactie met als basis een van de zes zintuigen en met het corresponderende uiterlijke verschijnsel als object. Zo heeft bijvoorbeeld visueel bewustzijn het oog als basis en de zichtbare vorm als object.

        Nergens is een zelf, een kern, een ego, een “ik”, een zelfstandig iets te vinden.

De oorsprong van de persoonlijkheid

        De oorsprong van de persoonlijkheid is het verlangen, de begeerte die naar wedergeboorte leidt, begeleid door passie en behagen scheppen, namelijk:

begeerte naar zinnelijkheid, begeerte naar bestaan, en

begeerte naar bestaansmogelijkheid.

        Dit wordt door de Verhevene de oorsprong van de persoonlijkheid genoemd. (M.44)

 

        Over het ontstaan van persoonlijkheid zei de Boeddha elders:

‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid.

‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid.

‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid.

‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid.

‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het lichaamscontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid.

‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf.’ Door zo te denken ontstaat de mening van persoonlijkheid. (M.148; zie ook M.44; M.109)

De persoonlijkheidsvisie is een van de vijf lagere boeien. Een niet onderwezen wereldling die niet in de leer geschoold is, die persoon vertoeft met een hart dat door de visie van een persoonlijkheid bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan die ontstane persoonlijkheidsvisie ontkomt. En wanneer die persoonlijkheidsvisie tot een gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei. (M.64)

“Door niet juist verstaan van de leer van de Boeddha zijn wezens niet in staat om te ontsnappen aan wedergeboorte. Zelfs degenen die bedreven zijn in het bereiken van jhāna kunnen nog gehinderd worden als zij vasthouden aan een idee van atta (zelf).” (D.15)

 

Beëindigen van persoonlijkheid

Alle elementen zijn zonder wezen en zonder zelf; zij zijn oorzakelijk ontstaan, zijn vergankelijk, aan verval onderhevig. 'Dit is niet van mij; dat ben ik niet; dat is niet mijn zelf.' Door zo te overwegen wordt de geest vrij van begeerte met betrekking tot die elementen. Door meditatie over de waarneming van vergankelijkheid wordt elke mening van „ik“ overwonnen." (zie M.62, M.74 en M.140)

Door de Verhevene is het volgende gezegd: 'Iemand die oorzakelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet oorzakelijk ontstaan.' En deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, zijn oorzakelijk ontstaan. De begeerte, het botvieren, de neiging en het vasthouden aan deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, dat is de oorsprong van dukkha. Het verwijderen van begeerte en verlangen, het overwinnen van begeerte en verlangen naar deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, dat is het opheffen van dukkha. (M.28)

Vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn, en datgene wat formatie heeft, dat ben niet ik, dat behoort mij niet toe. Door zo te denken wordt men vrij ervan. Iemand die op die manier vrij geworden is, rustig van gemoed, van alle boeien bevrijd, hem heeft de legerschare van Mara niet gevonden.[21]  (S.4.16; vgl. S.4.19)

De last

De vijf groepen van hechten, namelijk lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, worden ook “de last” genoemd. Het hechten, vastgrijpen ervan ontstaat door verlangen dat wedergeboorte produceert, dat met lust en hebzucht verbonden is, dat hier en daar behagen schept, namelijk het verlangen naar zinnelijkheid, naar bestaan, naar niet-bestaan. Het verwijderen ervan gebeurt door de volledige opheffing en vernietiging van dat verlangen, de  vrijheid van hechten. (S.22.22)

Men is gehecht aan het lichamelijke en het geestelijke: lichaam, gevoel, waarneming, gedachten en ideeën en bewustzijn. Het verwijderen van het lichamelijke en het geestelijke gaat door de volledige opheffing en vernietiging van die begeerte. Het is dus niet een verwijderen van het lichaam met de geest. Door het inzien dat zij “mij” niet toebehoren, dat zij niet “van mij” zijn, verdwijnt gehechtheid aan lichaam en geest. En ook door het verwijderen van verlangen naar lichaam en geest is er geen vastklampen, geen gehechtheid meer aan lichaam en geest. Dat heet “het bevrijd zijn van de last”; het is het verdwijnen van het verlangen naar het lichamelijke en het geestelijke of het verdwijnen van afkeer van het lichamelijke en het geestelijke.

Het lichamelijke en het geestelijke vinden in de geest dan geen steunpunt meer omdat de mening van een “ik” welke mening voorheen als steun diende, er niet meer is.

Oorzakelijk ontstaan

Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen. (S.12.20)

Wanneer een edele volgeling(e) het oorzakelijke ontstaan en de oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij niet: 'Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?'

Hij of zij vraagt dan ook niet: 'Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?'

Hij of zij vraagt dan ook niet: 'Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?'

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijk ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38)

De goed onderwezen mens ziet dat alles oorzakelijk ontstaan is, het lichamelijke en het geestelijke. “Dat alles is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat ben ik niet,” zo weet hij. En hij leeft vrij. Het bewustzijn is dan als een schijnwerper; het licht ervan schijnt in alle richtingen, omhoog, omlaag, nabij en veraf, maar het hecht zich niet aan de voorwerpen die belicht worden.

Hemelse werelden zijn niet eeuwig

        In de Brahmā-hemel had Brahmā Baka, de hoogste god, de verkeerde mening dat de hemelse wereld waarover hij heerste, eeuwig was. Hij dacht dat hij steeds bleef bestaan. De Boeddha legde hem uit dat ook hemelse werelden vergankelijk zijn. (M.49; S.6.4)

Ook bij de goden en bij de grote Brahmā is er verandering en wisseling. Daarom wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. [Hij geeft het verlangen naar wedergeboorte in die sferen van bestaan op]. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, en hoeveel meer nog bij het lage. (A.10.29)

Dus wanneer er geen enkel hechtten meer is, nergens, dan volgt ook geen teleurstelling.

Welk zelf oogst de vruchten van daden?

Eens werd beweerd dat iemand een zelf heeft en dat dit zelf de vruchten van goede en slechte daden krijgt. De Boeddha weerlegde deze theorie. Hij toonde aan dat alles vergankelijk is en dat er geen zelf is.

Na de leerrede over de groepen van bestaan (M.109) ontstond in het hart van een bepaalde bhikkhu deze gedachte: "Het schijnt dat vorm niet een zelf is, dat gevoel niet een zelf is, dat waarneming niet een zelf is, dat formaties niet een zelf zijn, dat bewustzijn niet een zelf is. Op welk zelf hebben dan daden uitwerking die door het niet zelf verricht werden?"

De Verhevene onderkende in zijn hart de gedachte in het hart van die bhikkhu. Daarom richtte hij zich tot de bhikkhus met de woorden: "Gij bhikkhus, het is mogelijk dat de een of andere man op een dwaalspoor is, dom en onwetend, met een hart dat door begeerte beheerst is. Hij zou kunnen denken dat hij de boodschap van de leraar kan overtreffen door te denken: 'Het schijnt dus dat vorm niet zelf is, dat gevoel niet zelf is, dat waarneming niet zelf is, dat formaties niet zelf zijn, dat bewustzijn niet zelf is. Op welk zelf hebben dan daden uitwerking die door het niet zelf verricht werden?' Wel bhikkhus, jullie zijn door mij door middel van ondervraging geschoold, tot verschillende gelegenheden, met betrekking tot verschillende dingen."

"Bhikkhus, wat menen jullie? Is vorm onvergankelijk of vergankelijk?" - "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." - "Is datgene wat vergankelijk is, leed of geluk?" - "Leed, Eerwaarde Heer." - "Is dat wat vergankelijk, smartelijk en aan verandering onderworpen is, ertoe geschikt om als volgt beschouwt te worden: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?'" - "Neen, Eerwaarde Heer."

"Bhikkhus, wat menen jullie? Is gevoel onvergankelijk of vergankelijk? Is waarneming onvergankelijk of vergankelijk? Zijn de formaties onvergankelijk of vergankelijk? Is bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Eerwaarde Heer." - "Is datgene wat vergankelijk is, leed of geluk?" - "Leed, Eerwaarde Heer." - "Is dat wat vergankelijk, smartelijk en aan verandering onderworpen is, ertoe geschikt om als volgt beschouwt te worden: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?'" - "Neen, Eerwaarde Heer."

"Bhikkhus, daarom moet elke soort van vorm, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, daarom moet elke vorm met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.' Evenzo met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Elke soort ervan, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, elke soort van gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn moet met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'

"Doordat hij zo ziet, wordt een goed onderwezen edele discipel ontnuchterd tegenover de vorm, ontnuchterd tegenover het gevoel, ontnuchterd tegenover de waarneming, ontnuchterd tegenover de formaties, ontnuchterd tegenover het bewustzijn.

Wanneer hij ontnuchterd wordt, wordt hij begeerteloos. Door begeerteloosheid is zijn geest bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, komt het weten dat hij bevrijd is. (M.109)

Nibbana

Gevraagd werd: “Op welke manier is een bhikkhu een Arahant met vernietigde neigingen en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is?"

De Boeddha gaf ten antwoord:

"Welke soort van vorm ook, hetzij in het verleden, in de toekomst of thans, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of dichtbij - een bhikkhu heeft elke vorm met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;' en door niet-hechten is hij bevrijd.

Evenzo met alle soorten van gevoel, alle soorten van waarneming, alle soorten van geestelijke formaties, alle soorten van bewustzijn - een bhikkhu heeft elke soort ervan met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij , dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;' en door niet-hechten is hij bevrijd.

Op deze manier is een bhikkhu een Arahant[22] met vernietigde neigingen en door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd.” (M.35; zie ook M.1 en It.95, It.96, It.68, It.92,  It.93 en It.94)

“Dit lichaam is aan verval onderhevig, bewustzijn is van een natuur om te vergaan, en alle objecten van hechten zijn onbestendig, niet tevredenstellend en aan verandering onderhevig.”

“Wie het lichaam als vergankelijk heeft ingezien,

en bewustzijn als onderhevig aan verdwijnen,

wie de angst, het gevaar in objecten van hechten heeft gezien,

hij heeft geboorte en dood overwonnen;

hij heeft opperste vrede verwerkelijkt,

met kalme geest wacht hij zijn tijd af.” (It.77)

Wie de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wie het niet weten heeft verloren, wie het weten heeft verworven, die maakt aan het lijden nog in dit leven een einde. (M.9)

        “Iemand die in deze wereld begeerte naar geest en lichaam afsneed, - d.w.z. iemand die niets meer zijn eigen noemt, bij wie de mening “ik ben” er niet meer is, - hij heeft de donkere stroming die in hem lang latent te gronde lag, geboorte en dood zonder rest overwonnen.”

(Sn II.12, vers 355)

         Wanneer men niets meer als dierbaar en niet-dierbaar houdt, vrij van hechten, van alles onafhankelijk,[23] volledig bevrijd van dingen die iemand zouden kunnen boeien, dan zal men als asceet in de wereld een juiste levenswijze leiden. (Sn II.13, vers 363)

        Laat men in de steunpunten van bestaan[24] geen kern zien, en laat men de wil afwenden van de grijp-objecten.[25] Dan zal men, onafhankelijk, niet door anderen geleid, als asceet in de wereld een juiste levenswijze leiden. (Sn II.13, vers 364)

Wie wijs is en begiftigd met het doordringende begrijpen van ontstaan en vergaan, hem of haar leidt dit begrijpen naar het volledige einde van lijden. - Dat is een van de vijf dingen die leiden naar de rijpheid van de geest.

Verder moeten nog vier andere dingen ontwikkeld worden: contemplatie over de onreinheid van het lichaam moet ontplooid worden[26] om lust te overwinnen; liefdevolle vriendelijkheid moet ontplooid worden[27] om kwaadwil te overwinnen; oplettendheid bij het ademhalen moet ontplooid worden[28] om het discursieve denken tot stilstand te brengen; de waarneming van onbestendigheid, vergankelijkheid moet ontplooid worden[29] om de eigendunk ‘ik ben’ te verwijderen. Want wanneer iemand het vergankelijke waarneemt, wordt in hem de waarneming van niet-zelf, van de ikloosheid gevestigd. Wanneer hij niet-zelf waarneemt, bereikt hij het uitroeien van de eigendunk ‘ik ben’ en hij bereikt Nibbana hier al in dit leven. (A.IX.3; Udāna IV.1)

Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

Daarom geef op wat niet van u is. (M.22)

Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken. (M.22)

Alles wat samengesteld is, is vergankelijk. Omdat wij dat niet inzien, trekken wij ons alles te zeer aan. Wij zijn er persoonlijk te zeer bij betrokken. En dat komt ook omdat wij niet inzien dat er geen zelf is, geen ego, geen "ik".

Als wij het betrekkelijke van alles inzien, worden wij minder bij iets betrokken. Wij trekken het ons niet meer persoonlijk aan. En dan worden wij vrijer in handelen en denken.

Citta, - geest, hart, gemoed, het gewaarzijn, het weten, -  is al een heel lange tijd besmet met begeerte, afkeer en onwetendheid. Maar citta kan ook vrij ervan zijn. Het is daarom van belang citta te zuiveren. Een gezuiverd citta komt overeen met het bereiken van bevrijdend inzicht. De staat van geest heeft dan geen onwetendheid noch andere belemmeringen. De afwezigheid van onwetendheid en de andere belemmeringen is beschreven als vrijheid.

Er is niets dat als "ik" of "mijn" aangeduid kan worden. Er is geen "ik" of "mijn" te vinden. Er zijn alleen de elementen aarde, water, wind, vuur en ruimte. Door zo te zien wordt het citta rustig, komt tot rust, wordt stil.

Het oog is er nog, maar het is niet meer "mijn" oog. Het oor is er nog, maar het is niet meer "mijn" oor. De neus is er nog, maar ze is niet meer "mijn" neus. De tong is er nog, maar ze is niet meer "mijn" tong. Het lichaam is er nog, maar het is niet meer "mijn" lichaam. De geest is er nog, maar het is niet meer "mijn" geest.

        Het bewustzijn is door geleidelijke oefening vrij gemaakt. Er is geen enkele voorkeur meer en er is geen enkele afkeer meer; er is geen enkel hechten meer aanwezig. Die vrede van het gemoed is niet samengesteld en kan niet uiteen vallen. Dat is Nibbana al hier in dit leven.

Over het opgeven van de neigingen, over het verdwijnen van alle waan

        

        Een gewoon mens die niets over de leer vernomen heeft, let op het onwaardige, namelijk op datgene waardoor nieuwe wensen opkomen en oude wensen sterker worden en waardoor oude waan sterker wordt.

        Hij denkt: “Was ik in het verleden of was ik niet in het verleden? Zal ik in de toekomst zijn of niet? Wat ben ik in het verleden geweest en wat zal ik in de toekomst zijn? Hoe zal ik in de toekomst zijn?” (M.2; vgl M.140)

        Of hij denkt: “Ben ik nu, of ben ik niet? Wat ben ik? Wie ben ik? Vanwaar ben ik gekomen en waarheen ga ik?” En hij komt tot de conclusie dat hij een ziel heeft, of dat hij geen ziel heeft. (M.2; vgl M.140; zie ook It.63)

        Maar de ervaren monnik is kundig in de leer. Hij weet wat oplettendheid waard is en wat niet. Er komen geen nieuwe wensen op en oude wensen worden vernietigd. Hij overweegt de vier edele waarheden (dukkha, ontwikkeling van dukkha, opheffing van dukkha, het pad naar opheffing van dukkha).[30] En hij gelooft niet meer aan persoonlijkheid, is vrij van twijfel, en hecht niet meer aan deugdzame daden.

        Hij oefent oplettendheid bij het zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken. (M.2)

“Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat alles is niet-blijvend. Niets ervan zal steeds hetzelfde blijven, zonder aan verandering onderhevig te zijn. Indien er zo'n kern, zo'n ego bestond, - blijvend en onveranderlijk, - dan zou een heilig leven dat naar de volledige uitdoving van lijden leidt, niet mogelijk zijn.” (S.22.96)

De Boeddha toonde aan dat er geen vaste, blijvende kern is, geen “ik”, maar dat alles wat samengesteld is, aan verandering en vergankelijkheid onderworpen is. Te zoeken naar een “ware zelf”, een “ware ik” is dan ook doelloos.

Als iemand zich identificeert met het lichaam, als hij meent dat hij gelijk is aan het lichaam, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan. Als iemand zich identificeert met het gevoel, als hij meent dat hij gelijk is aan het gevoel, dat het gevoel hem toebehoort, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan. Als iemand zich identificeert met waarneming, als hij meent dat hij gelijk is aan waarneming, dat waarneming hem toebehoort, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan. Als iemand zich identificeert met formaties, als hij meent dat hij gelijk is aan formaties, dan blijft het ik-bewustzijn bestaan. Maar als men inziet dat het lichaam ontstaan is en ook zal vergaan, als men inziet dat men van dat alles niet kan zeggen dat ze mij toebehoren, noch dat "ik" lichaam, gevoel, waarnemingen, formaties of bewustzijn ben, dat er alleen oorzaken en gevolgen zijn, dan identificeert men zich niet meer daarmee. Het ik-bewustzijn maakt plaats voor een zo-bewustzijn. Zo is het ontstaan; zo is het vergaan. [mededeling van de eerwaarde Nyanaponika].

“Het is onmogelijk dat iemand met juiste visie iets als het zelf kan beschouwen.” (M.115)

De niet ziekelijke geest

De Boeddha zei eens aan de oude Nakulapita: "Ziekelijk is het lichaam, gebrekkig. Maar de geest moet niet ziekelijk zijn." De eerwaarde Sariputta legde dit later uit.

"In hoeverre is het lichaam ziekelijk en ook de geest? – Een onervaren wereldmens, die de edelen niet kent, die niet bekend is met de leer van de edelen, die er niet in geschoold is, die beschouwt lichamelijkheid als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend, of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. 'Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu die lichamelijkheid. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo beschouwt hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn als het zelf, of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend, of gevoel, waarneming, formaties, het bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. 'Ik ben gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn; gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu dat gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk en ook de geest.

Hoe is het lichaam ziekelijk maar niet de geest? – Een edele volgeling, die de edelen kent, die bekend is met de leer van de edelen, erin geschoold, die beschouwt de lichamelijkheid niet als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. Hij blijft niet stoer bij de mening: “Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.” Bij hem verandert de lichamelijkheid. Maar bij hem ontstaan door die verandering van de lichamelijkheid niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo met het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Hij beschouwt die niet als het zelf of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend of gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Hij blijft niet bij de mening dat hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn is, dat ze hem toebehoren. Er komt verandering in het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn maar door die verandering ontstaan bij hem niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk maar de geest niet." (S.XXII.1; vgl. S.22.117)

De stromen van de voorstelling

“Wanneer de stromen van de voorstelling iemand niet meer overstromen, wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd.

‘Ik ben’ is een voorstelling; ‘ik ben dit’ is een voorstelling; ‘ik zal zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vorm bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vormloos zijn’ is een voorstelling’; ‘ik zal waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal noch waarnemend noch niet waarnemend zijn’ is een voorstelling. Voorstelling is een ziekte, een gezwel, een stekel. Doordat men elke voorstelling overschrijdt, wordt men een wijze in de vrede genoemd. En de wijze in de vrede is niet geboren, hij wordt niet ouder, sterft niet; hij wordt niet bewogen en heeft geen verlangen. Want in hem is niets meer aanwezig waardoor hij geboren zou kunnen worden. Niet geboren, hoe kan hij dan ouder worden? Niet ouder wordend, hoe kan hij dan sterven? Niet stervend, hoe kan hij dan bewogen worden? Niet bewogen, hoe kan hij dan verlangen hebben?” (M.140)

Ontkomen aan twijfel en onzekerheid

Het is niet mogelijk dat bij iemand in wie de ik-gedachte verdwenen is en die niet meer de mening heeft ‘dit ben ik’, toch nog door de borende twijfel en onzekerheid de geest geboeid gehouden wordt. Want in het ontkomen aan borende twijfel en onzekerheid bestaat immers de vernietiging van de ik-waan. - Dit is een van de zes elementen van ontkomen. (A.VI.13)

Vernietiging van de boeien

“Als iemand weet en ziet dat het oog niet zelf is en dat vormen niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat het oor niet zelf is en dat geluiden niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de neus niet zelf is en dat geuren niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de tong niet zelf is en dat smaken niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat het lichaam niet zelf is en dat aanrakingen niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de geest niet zelf is en dat gedachten niet zelf zijn, - dan worden zijn boeien vernietigd.” (S.35.55)

Gebruik van ik en mijn

Mag een Volmaakte, een Arahant die de wereldse invloeden vernietigd heeft, "ik" en "mijn" zeggen?

De Boeddha: "De bhikkhu die een Volmaakte is, mag de uitdrukking "ik" en "mijn" gebruiken. Hij weet dat het de normale manier van spreken is in de wereld. Hij heeft de onwetendheid opgegeven en voor hem zijn er geen boeien meer. Degene met inzicht heeft de sterfelijkheid opgegeven. Hij mag de zegswijze van "ik" en "mijn" gebruiken.” (S.1.25)

Geen onjuiste meningen

“De zintuigen, de door de zintuigen waarneembare objecten en de soorten van bewustzijn die door contact van de zintuigen en die objecten ontstaan, zijn vergankelijk. Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, daarvan kan men niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.’” (M.146)

        “Men moet niet menen dat men gelijk is aan de zes zinsorganen (inclusief de geest), aan de zes zinsobjecten en aan de corresponderende zes soorten bewustzijn. Men moet niet menen: ‘Zij behoren mij toe.’ Noch moet men menen dat men zelf gelijk is aan het geheel van die dingen.    

        De wijze volgeling die aldus geen onjuiste meningen meer heeft, hecht zich niet langer aan iets in de wereld. Als men niet meer aan iets hecht, beeft men niet. Door niet langer te beven, bereikt men in eigen persoon de uitdoving van alle ijdelheid. En het weten is er: ‘Wedergeboorte is uitgedoofd, het heilige leven is geleefd, er is geen verder bestaan te verwachten.’ (S.35.90).

"Wie niets zijn eigen noemt, leeft gelukkig." (S.4.18)

 

Eindoverdenking

Het oog is ontstaan. De zichtbare vormen zijn ontstaan. Het zienbewustzijn is ontstaan door contact van oog en zichtbare vorm. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik zie”. Maar in feite is er geen "ik" die ziet. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van zienbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het oor is ontstaan. De hoorbare geluiden zijn ontstaan. Het hoorbewustzijn is ontstaan door contact van oor en hoorbare geluiden. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik hoor”. Maar in feite is er geen "ik" die hoort. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van hoorbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

De neus is ontstaan. De ruikbare geuren zijn ontstaan. Het ruikbewustzijn is ontstaan door contact van neus en ruikbare geuren. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik ruik”. Maar in feite is er geen "ik" die ruikt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van ruikbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

De tong is ontstaan. De proefbare smaken zijn ontstaan. Het smaakbewustzijn is ontstaan door contact van tong en proefbare smaken. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik proef”. Maar in feite is er geen "ik" die proeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van smaakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het lichaam is ontstaan. De aanraakbare voorwerpen zijn ontstaan. Het aanraakbewustzijn is ontstaan door contact van lichaam en aanraakbare voorwerpen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik raak aan”. Maar in feite is er geen "ik" die aanraakt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van aanraakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het geestelijke is ontstaan en zal weer vergaan. Het geestelijke is niet blijvend, het is zonder een zelfstandig iets.

Gedachten zijn ontstaan. De denkbare dingen zijn ontstaan. Het denkbewustzijn is ontstaan door contact van geest en denkbare dingen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik denk”. Maar in feite is er geen "ik" die denkt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van denkbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Gevoelens, emoties zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik heb een gevoel”. Maar in feite is er geen "ik" die een gevoel heeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van gevoelens. Emoties, een glimlach, een traan, ze zijn oorzakelijk ontstaan. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Herinneringen zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik herinner me”. Maar in feite is er geen "ik" die zich iets herinnert. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van herinneringen. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet men dat loslaten, zich ervan afkeren. Men moet zich nergens meer aan hechten, noch positief noch negatief. Men moet nergens een voorkeur voor hebben en nergens een afkeer van hebben. Door inzicht noemt men niets meer zijn eigen. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.

Wanneer men niets meer zijn eigen noemt, dan is er bij het zien alleen het zien, bij het horen alleen het horen, bij het ruiken alleen het ruiken, bij het proeven alleen het proeven, bij het aanraken alleen het aanraken, bij het denken alleen het denken. (Zie Ud.1.10) 

Als de geest vrij is, niet meer beperkt, dan is aan het lijden een einde gekomen. En dan zijn ook bovennatuurlijke krachten mogelijk.

De Boeddha onderwijst dat het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, oneindig is en helder stralend. De Boeddha had een diep begrip van de aard van het niet-indicatieve bewustzijn van een Arahant. Dat niet-indicatieve bewustzijn bepaalt niets als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar. (M.49)

Resumé

Vroeger en ook nu nog was men van mening dat de mens een ziel heeft, een blijvend, onveranderlijk iets, ook “zelf” (atta) genaamd. De Boeddha weerlegde die visie en toonde aan dat er geen “zelf” is, dat alles wat samengesteld is, niet blijvend is maar veranderlijk is en vergankelijk. Hij toonde ook aan dat er sprake is van oorzakelijk ontstaan en vergaan, dat daarbij geen “zelf” voorkomt. Elke persoonlijkheid is aan verandering onderhevig; er is geen persoonlijkheid die steeds blijft bestaan. De Verhevene onderwees de leer van anatta, de ontkenning van een onveranderlijk “zelf”, de ontkenning van een eeuwig gelijk blijvende persoonlijkheid.

        Hij onderwees ook hoe men aan de mening van een “zelf” een einde kan maken en hoe men zo het nibbana, de innerlijke vrede kan verwerkelijken. Dat gaat door het volledig opgeven van hechten, gehechtheid, door geen voorkeur voor en geen afkeer meer te hebben van iemand of iets. Wanneer men niets meer als dierbaar en niet-dierbaar houdt en vrij is van hechten, dan is men volledig bevrijd van alles wat iemand zou kunnen boeien.

"Vormen, geluiden, smaken, geuren, aanrakingen en al die dingen, ze zijn een boos lokmiddel voor de wereld. Wie ze heeft overwonnen, straalt als de zon." (S.IV.17).


Zie eventueel ook: Contemplaties over dukkha, anicca en anatta


Geraadpleegde bronnen

Bapat, P.V.: The Majjhima Nikāya (1, Mūla Pannāsakam) Editor: Dr. P.V. Bapat; General Editor: Bhikkhu J. Kashyap. [s.l] : Pāli Publication Board (Bihar Government), 1958. (Nālandā-Devanagārī-Pāli-Series).

Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London: Sidgwick and Jackson, 1961.

The Buddha's Teachings. Thai-English Languages. The Buddhism Promotion Centre of Thailand Wat Borvaranives Vihara, Banglumpoo, Bangkok, 1992. In Honour to Her Majesty Queen Sirikitti On The Auspicious Occasion Of The Fifth Cycle Of Her Birthday.

Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a.

Buddhist Dictionary - https://www.palikanon.com/english/wtb/dic3_a.htm

Buddhist Dictionary of Pali Proper Names

Buddhistisches Wörterbuch. Kurzgefasstes Handbuch der buddhistischen Lehren und Begriffe. Von Nyanatiloka.

https://www.palikanon.com/wtb/wtb_idx.html

Dictionary of Pali Names, by G P Malalasekera

https://www.palikanon.com/

https://www.palikanon.com/wtb/atta.htm

https://www.palikanon.com/english/pali_names/dic_idx.htm

https://www.palikanon.com/english/wtb/a/anatta.htm ]

Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Ñânamoli, Bhikkhu (transl.). The Path of Purification (Visuddhimagga). By Bhadantâcariya Buddhaghosa. Transl. by Bhikkhu Ñânamoli. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956].

Ñânananda, Bhikkhu (Transl): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 183/185.

Ñânananda, Bhikkhu: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta. Kandy : BPS, 1973. The Wheel No. 188.

Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, The Wheel No. 188 (Kandy 1973), p. 19-22.

Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.

Pali-english dictionary /t.w. rhys davids , william stede. Delhi 2007 (reprint). First ed. 1993.

The Path of Freedom (Vimuttimagga) by Upatissa, Arahant. Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapâla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy: BPS, 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977).

Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford : PTS, 1993. (1st. ed. 1915).

Seidenstücker, Dr. Karl: ITIVUTTAKA. Das Buch der Herrnworte. Eine kanonische Schrift des Páli-Buddhismus. Leipzig 1922. Reprint: Buddhistische Gemeinde am Niederrhein Moers 1982. (als Winword Dokument: http://www.palikanon.com/khuddaka/it/itivuttaka-seidenstucker.doc)

The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.

U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).

Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220

Wolter’ Woordenboek Nederlands Koenen; samengesteld door C.A. de Ru. Groningen 1987.


Afkortingen

A.  = Anguttara nikaya

D.  = Digha nikaya

It. = Itivuttaka

M.  = Majjhima nikaya

S.  = Samyutta nikaya

Sn. = Sutta Nipata


[1] Zie o.a. De vaderlijke erfenis voor Rahula

[2] Het Pali-woord dukkha wordt meestal vertaald met “lijden”. Maar het betekent niet alleen lichamelijk lijden, maar houdt ook in de frustratie, het geestelijk leed dat veroorzaakt wordt door het feit dat alles hier op aarde onvoldaan is, onvolmaakt. Er is weliswaar vreugde en geluk, maar dat is slechts tijdelijk. En juist dat tijdelijke, dat onvolmaakte is oorzaak voor leed, frustratie. Dat wordt onder dukkha verstaan.

[3] Alleen nibbana is blijvend.

[4] Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het tijdelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd – hoe lang ook – een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, frustrerende van al wat niet-blijvend is, van al wat tijdelijk is.

[5] Zulke gedachten zijn resp. gemotiveerd door begeerte (tanhā), hoogmoed (māna) en verkeerd inzicht (ditthi).

[6] Hij wendt zich af: dit betekent niet dat hij een sterke emotionele afkeer ervan heeft of walging. Maar hij eigent het zich niet meer toe, is er niet meer aan gehecht.

[7] zie: Het eerste jaar na de Verlichting. De vaderlijke erfenis voor Rahula.

[8] noot van de eerwaarde Nyanaponika bij A.I.25.

[9] Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London 1961. Zie ook: M.79.

[10] ziel = het niet-stoffelijke gedeelte van waaruit de mens leeft; onsterfelijk deel van de mens. (Wolter’ Woordenboek Nederlands Koenen; samengesteld door C.A. de Ru. Groningen 1987 p. 1443).

[11] nihilisme of materialisme (uccheda-ditthi): het geloof in een ikheid of persoonlijkheid die na de dood vergaat.  

[12] persoonlijkheid = datgene wat een persoon karakteriseert. (Wolter’ Woordenboek Nederlands Koenen; samengesteld door C.A. de Ru. Groningen 1987 p. 944).

[13] Anattā-Lakkhana-Sutta, de kenmerken van anatta, niet-zelf (S.22.59)

[14] Vorm (rupa) is omschreven in termen van de vier grote elementen, namelijk: aarde (vastheid), water (cohesie), vuur (hitte, vertering) en lucht (beweging).

[15] Geestelijke formaties zijn o.a. besluit, wil, gedachten, afkeer, sympathie, enz.

[16] inwendig of uitwendig: d.w.z. bij de beschouwer zelf of bij anderen.

[17] 'Persoonlijkheid' (sakkāya) is de illusie die door hechten aan de groepen van bestaan tot stand komt; niet te verwisselen met 'persoon' (puggala), de individualiteit die ook Verlichten hebben.

[18] Hechten is deel van de vijf groepen van bestaan, dus zelf onderwerp van hechten. De eerwaarde Dhammadinnā maakt hier de kringloop duidelijk die bestaat uit onwetendheid, hechten en dukkha.         

[19] Omgekeerd is bewustzijn de voorwaarde voor naam en vorm. Bewustzijn is zonder essentie, het is altijd bewustzijn van iets, is van iets afhankelijk. Dat iets (naam en vorm, gevoel, waarneming, wil, opmerken, contact en vorm, het zintuiglijk object) is ervan afhankelijk door bewustzijn "ontdekt" te worden. (vgl. M.9).

[20] Een motivatie om over de ik-loze natuur van het lichaam na te denken.

[21] Bedoeld is dat de bevrijde er zeker van is dat hij aan de verlokkingen van de wereld ontkomen is; dat hij boven het bereik van de dood is gekomen.

[22] De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. De oorzaak voor conceptuele voorstellingen is bij hem niet meer aanwezig.

[23] Van alles onafhankelijk (anissito kuhiñci). Het commentaar maakt onderscheid tussen twee soorten van afhankelijkheden, namelijk: afhankelijkheid van begeerte (tanhānissaya) en afhankelijkheid van verkeerde visies (ditthi-nissaya), d.w.z. de irrationale en de intellectuele afhankelijkheden, overeenkomend met de twee hoofdvoorwaarden van het bestaan en daarmede van het lijden: begeerte (tanhā) en onwetendheid (avijjā).

[24] Steunpunten van bestaan (upadhīsu). Het commentaar legt het uit met khandh'upadhi, d.w.z. de vijf groepen van bestaan.

[25] Van de grijp-objecten (ādānesu); ādānam = nemen, grijpen; hier misschien een afkorting metri causa van up-ādāna (grijpen, hechten, aankleven) of upādāna-kkhandha. Commentaar: "Hiermee worden die eerder genoemde steunen van bestaan, resp. groepen van bestaan aangeduid, omdat zij namelijk gegrepen moeten worden om steeds weer nieuw te ontstaan (of 'grijp-baar' zijn; ādātabbatthena)."

[26] zie: Het overdenken van de onzuiverheid, de walgelijkheid van het lichaam.

[27] zie: Metta (liefdevolle vriendelijkheid)

[28] zie: Oplettendheid bij het in- en uitademen

[29] zie: Aniccā (vergankelijkheid, onbestendigheid)

[30] zie: De vier edele waarheden en het middenpad

===