?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.1. De vier edele waarheden en het middenpad,

inleiding     De vier edele waarheden     1. De waarheid van lijden     2. De waarheid van het ontstaan van lijden     3. De waarheid van het beëindigen van lijden      4. De waarheid van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden - het middenpad     4.1. Juist inzicht      4.1.1. Juist en onjuist inzicht     4.1.2. Sammaditthi sutta, juist inzicht     4.1.3. Onmogelijk en mogelijk     4.1.4. Onjuist en juist inzicht     4.1.5. De invloed van verkeerde opvatting en van juist inzicht     4.2. Juist denken     4.2.1. Juist en onjuist denken     4.3. Juist spreken     4.3.1. Juist en onjuist taalgebruik     4.4. Juist handelen     4.4.1. Juist en onjuist handelen     4.5.  Juist levensonderhoud     4.5.1. Juist en onjuist levensonderhoud     4.6. Juiste inspanning     4.7. Juiste oplettendheid     4.7.1. De toevlucht voor oplettendheid     4.8. Juiste ontwikkeling van de geest     4.8.1. De vier jhanas     4.8.2. Onderwerpen voor concentratie     5. Onvermoeibaarheid     6. Nibbana     6.1. Het vrijmaken van de geest     7. Waarom men zich moet inspannen     Bronnen


De vier edele waarheden en het middenpad

Inleiding

    Na de Verlichting ging de Verhevene naar Varanasi, naar het hertenpark te Isipatana. Daar verbleven de vijf asceten die samen met hem strenge ascese hadden beoefend. En hij richtte het gebruikelijke gesprek tot hen,1 namelijk het gesprek over het geven (vrijgevigheid),2 over deugdzaamheid3 en over een betere wereld,4 en hij verkondigde de ellende, de leegheid en onreinheid van begeerte en de zegen van ontzegging en verzaking. Toen de Verhevene merkte dat hun geest goed voorbereid was, gedwee, vrij van hindernissen, bevredigd, verkondigde hij datgene wat de oorspronkelijke leer van de Boeddhas is: lijden, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en de weg naar de beëindiging ervan.


    Een overdenken van die vier edele waarheden behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het geeft een vredig gemoed.

    Het overdenken van de vier edele waarheden is verbonden met heil, voert naar ontzegging, opheffing, rust, inzicht, volledige ontwaking, naar Nibbâna. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.41)

De vier edele waarheden

De vier Edele Waarheden zijn als volgt:

1.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van dukkha, lijden, onvoldaanheid.

2.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het ontstaan van lijden.

3.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het beëindigen van lijden.

4.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden. (M.141; D.22)


    Zolang de Volmaakte, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte niet in de wereld verschijnt, zolang worden ook geen groot licht en geen grote glans openbaar. Zolang heerst er duisternis. De vier edele waarheden worden dan niet getoond, niet uitgelegd, niet onthuld, worden dan niet verkondigd.

    Maar wanneer de Volmaakte, de Heilige, volmaakt Ontwaakte in de wereld verschijnt, dan worden ook een groot licht en een grote glans openbaar. Er heerst dan geen duisternis meer. De vier edele waarheden worden dan getoond, uitgelegd, onthuld, worden dan verkondigd. (S.56.38)


    Onwetend is degene die het lijden niet kent, die het ontstaan ervan niet kent, die de opheffing ervan niet kent, en die het pad naar de opheffing ervan niet kent. Wetend is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan. (S.56.17-18)


    Omdat de vier edele waarheden niet begrepen werden, daarom is deze lange kringloop van bestaan doorlopen, zowel door de Boeddha als door ons. (S.56.21)


    Wie de vier edele waarheden niet inziet, die kan geen einde maken aan geboorte en ouderdom. Maar wie de vier edele waarheden inziet, die kan een einde maken aan geboorte en dood. (S.56.22; S.56.41)


    De edele waarheid van lijden is te doorzien; de edele waarheid van het ontstaan van lijden moet overwonnen worden; de edele waarheid van de opheffing van lijden moet verwerkelijkt worden; de edele waarheid van het pad dat voert naar de opheffing van lijden moet ontplooid worden. (S.56.29)


1. De waarheid van lijden


De edele waarheid van lijden, onvoldaanheid (dukkha)5 is als volgt: geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.” (S.56.11; M.141)



“En wat is geboorte? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan, het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte.” (M.141; D.22)



“En wat is ouder worden? - Wat hier of elders veroudering is, verval van de tanden, vergrijzing, het rimpelen van de huid, het afnemen van de levenskracht, het afsterven van de zinsorganen: dat heet ouder worden.” (M.141; D.22)



“En wat is sterven? - Wat hier of elders het afscheiden is, het uiteenvallen, het verdwijnen, de dood, het beëindigen van de levenstijd, het uiteenvallen van de groeperingen van bestaan, het afwerpen van het lichaam: dat heet sterven.” (M.141)



“En wat is verdriet? - Wat bij iemand die door het een of andere verlies of lijden getroffen is, bedroefdheid is, wanhoop, verslagenheid, innerlijke zorg: dat heet verdriet.” (M.141)



“En wat is geweeklaag? - Wat bij iemand die door het een of andere verdriet of lijden getroffen is, gejammer en treuren is: dat heet geweeklaag.” (M.141)



“En wat is pijn? - Wat lichamelijk pijnlijk en onaangenaam is, wat er bestaat aan pijnlijke en onaangename gevoelens die door lichamelijk contact veroorzaakt zijn: dat heet pijn.” (M.141)



“En wat is leed? - Wat geestelijk pijnlijk en onaangenaam is, wat er bestaat aan pijnlijke en onaangename gevoelens die door geestelijk contact veroorzaakt zijn: dat heet leed.” (M.141)



“En wat is wanhoop? - Wat bij iemand die door het een of andere verlies of lijden getroffen is, troosteloosheid en vertwijfeling is, de wanhopige en troosteloze geestestoestand: dat heet wanhoop.” (M.141)



“En wat is het lijden dat bestaat in het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft? - Wat er bestaat aan ongewenste, onbehaaglijke, onaangename objecten zoals vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten, het ontmoeten daarvan, het samenkomen, de verbinding ermee: dat is het lijden dat bestaat in het verenigd zijn met datgene waaraan men een afkeer heeft. Of wat er bestaat aan wezens die iemand schade, onheil, onaangenaamheden en onzekerheid wensen, het ontmoeten van hen, het samenkomen, de verbinding met hen: dat is het lijden dat bestaat in het verenigd zijn met wie men een afkeer heeft.” (M.141)



“En wat is het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft? - Wat er bestaat aan gewenste, behaaglijke, aangename objecten, zoals vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten, het missen ervan, ze niet ontmoeten, niet ermee samenkomen: dat is het lijden dat bestaat in het gescheiden zijn van wat men liefheeft.

En ook wat er bestaat aan wezens die iemand heil, geluk, welzijn en zekerheid wensen, hen niet ontmoeten, hen missen, niet met hen samenkomen: dat is het lijden dat bestaat in het gescheiden zijn van wie men liefheeft.” (M.141)



“En wat is het lijden dat bestaat in het niet verkrijgen wat men wenst? - In wezens die aan wedergeboorte onderhevig zijn, ontspringt de wens: ‘Ach, mochten wij toch niet meer aan wedergeboorte onderhevig zijn.’ Maar zoiets kan door wensen niet bereikt worden. En in wezens die aan veroudering, dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop onderhevig zijn, ontspringt de wens dat zij daaraan toch niet meer onderhevig mochten zijn. Maar zoiets kan door wensen niet bereikt worden. Dat is het lijden dat bestaat in het niet verkrijgen wat men wenst.” (M.141)



“En wat zijn de als lijden geldende vijf groeperingen van hechten? - Het is de groepering van lichamelijkheid, de groepering van gevoelens, de groepering van waarnemingen, de groepering van geestelijke formaties en de groepering van bewustzijn.” (M.141; zie ook S.56.11)



Een mens is een wezen, samengesteld uit vijf groepen: (a) De groep van materie, namelijk vaste, vloeibare en gasvormige stoffen, hitte en beweging. Eveneens behoren ertoe de zintuigen en de corresponderende objecten: oog met zichtbare vorm, oor met klank, neus met geur, tong met smaak en lichaam met tastgevoel. Het verstand en de geest met gedachten en ideeën behoren ook ertoe. (b) De groep van gevoelens: de gevoelens ondervonden door het contact van lichamelijke en geestelijke organen met de buitenwereld. (c) De groep van gewaarwordingen: er is herkenning van objecten door de gewaarwording. (d) De groep van geestelijke formaties: hiertoe behoren alle wilsactiviteiten. De wilsactiviteiten brengen moreel resultaat voort. Tot de wilsacties behoren o.a. aandacht, vertrouwen, verlangen, concentratie, energie, afkeer. - In totaal zijn er 52 geestelijke activiteiten. (e) De groep van bewustzijn: bewustzijn is een reactie met als basis een van de zes zintuigen en met het corresponderende uiterlijke verschijnsel als object. Zo heeft bijvoorbeeld visueel bewustzijn het oog als basis en de zichtbare vorm als object.

2. De waarheid van het ontstaan van lijden



De edele waarheid van het ontstaan van lijden is als volgt: het is de begeerte die wedergeboorte doet ontstaan, die vergezeld gaat van genoegen en lust en die nu eens hier en dan weer daar steeds nieuw behagen schept. Met andere woorden, het is het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan. (S.56.11; M.141)



“En waar komt dit verlangen tot ontstaan en waar vat het post? - Er zijn in de wereld aantrekkelijke en aangename dingen; dáár komt verlangen tot ontstaan en dáár vat het post.

De zes zintuigen (inclusief de geest) zijn in de wereld aantrekkelijk en aangenaam; daar ontspringt het verlangen en daar vat het post.

Het verlangen vat ook post bij de objecten van de zintuigen.

Het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en object, is eveneens in de wereld aantrekkelijk en aangenaam; daar vat het verlangen post.

Contact dat veroorzaakt is door de zintuigen, is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

Gevoelens die oorzakelijk ontstaan door contact van de zintuigen met de zintuiglijke objecten, zijn in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

Waarneming van vormen, geluiden, geuren, smaken, van dingen die aangeraakt kunnen worden en van geestelijke objecten is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt het verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

De wil gericht op vormen, geluiden, geuren, smaken, dingen die aangeraakt kunnen worden en gericht op geestelijke objecten is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt het verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

De begeerte naar vormen, geluiden, geuren, smaken, naar dingen die aangeraakt kunnen worden en naar geestelijke objecten is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt het verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

Het overdenken van vormen, geluiden, geuren, smaken, dingen die aangeraakt kunnen worden en geestelijke objecten is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt het verlangen tot ontstaan en daar vat het post.

Het onderzoeken van vormen, geluiden, geuren, smaken, dingen die aangeraakt kunnen worden en geestelijke objecten is in de wereld aantrekkelijk en aangenaam. Daar komt het verlangen tot ontstaan en daar vat het post.” (M.141; D.22).



De begeerte komt tot ontstaan bij aantrekkelijke en aangename dingen die met de zes zintuigen waargenomen worden.

Wat nu is bevrediging van begeerte? Er zijn vijf soorten van begeren, namelijk: (1) Vormen die door het visuele orgaan in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (2) Geluiden die door het gehoor in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (3) Geuren die door het ruikorgaan in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (4) Smaken die door het proeforgaan in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (5) Aanrakingen die door de tastzin in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename.

Wat er bestaat aan goede en gewenste dingen volgens die vijf soorten begeren, dat is bevrediging van begeerte. (M.14)



Wat is de ellende van het begeren? Iemand voorziet in zijn levensonderhoud door een baan. Hij is onderhevig aan hitte, koude, zon en wind. Muggen en wespen en kruipende insecten plagen hem. Honger en dorst lijdt hij. Dat is de ellende van het begeren, door begeerte ontstaan.

Als hij met zijn moeite geen rijkdom verkrijgt, dan wordt hij naargeestig en verdrietig, wanhopig. Hij denkt: ‘Tevergeefs is mijn streven, mijn moeite heeft geen doel.’ Dat is de ellende van het begeren.

Als hij wel tot rijkdom komt, plaagt hem de pijn om die rijkdom te behouden. Dat is de ellende van het begeren.

Door begeerte gedreven ontstaan ruzie, oorlog, twist, strijd. Door begeerte gedreven wordt er gedood, worden verdragen verbroken, wordt gestolen en bedrogen, wordt echtbreuk gepleegd. Door begeerte gedreven gaan zij de weg van het onrecht. Na de dood komen zij op het neerwaartse pad, dat tot onheil voert. (M.14)



Begeerten zijn onbevredigend en er zit een groot gevaar in. Men moet niet op bovennatuurlijke realisatie wachten om het gevaar in de zintuiglijke genietingen in te zien.

"Onbevredigend zijn begeerten, vol leed, vol kwalen, de ellende overweegt. Zelfs als de heilige discipel deze zin overeenkomstig de waarheid met volkomen wijsheid heeft ingezien, maar als hij buiten de begeerte, buiten het onheilzame geen gelukzaligheid en niets beters (de eerste jhana – of iets dat nog meer vol vrede is) heeft verwerkelijkt, dan danst hij nog om de begeerte heen. Maar zodra de heilige discipel die zin heeft ingezien en hij vindt - buiten de begeerten, buiten het onheilzame - gelukzaligheid en iets beters, dan danst hij niet meer om de begeerte heen. (M.14)



3. De waarheid van het beëindigen van lijden



De edele waarheid van het beëindigen van lijden is als volgt: het is het volledig wegebben en het volledig uitdoven van die begeerte, het verwerpen, het opgeven en het achterlaten ervan; het is de bevrijding ervan en het zich losmaken ervan. (M.141)



“En waar wordt die begeerte opgeheven en waar wordt ze uitgedoofd? - Wat er in de wereld aan aantrekkelijke en aangename dingen bestaat, namelijk vormen, geluiden, geuren, smaken, dingen die aangeraakt kunnen worden en geestelijke objecten, dáár wordt die begeerte opgeheven en dáár wordt ze uitgedoofd.” (M.141).

Het lijden wordt beëindigd als de begeerte verdwijnt, als er helemaal geen begeerte meer is naar aantrekkelijke en aangename objecten.

En de begeerte verdwijnt als de mening van een "ik" er niet meer is.


4. De waarheid van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden – het middenpad



De edele waarheid van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden, is als volgt: het is niets anders dan het edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie. (M.141)



Zoals eerder vermeld wordt het edele achtvoudige pad ook het Middenpad genoemd. (S.56.11)


4a Het middenpad of het edele achtvoudige pad



Twee uitersten moeten niet gedaan worden: 1) Hechten aan zin-genot; dat is laag, heilloos, onedel. 2) Zelfkwelling; dat is pijnlijk, heilloos, onedel. – Beoefen het middenpad dat naar rust, ontwaking, Nibbana voert. – Dat middenpad is het achtvoudige pad. (S.56.11)



“Men moet niet streven naar het geluk van zintuiglijke genietingen. Die zijn laag, gewoon, grof,6 onedel en brengen onheil. En men moet niet streven naar zelfkastijding. Die is pijnlijk, onedel en brengt onheil. De middenweg die door de Tathagata ontdekt is, vermijdt beide uitersten. Hij geeft inzicht, geeft weten, hij voert naar de vrede, naar hogere geestelijke kracht, naar Verlichting, naar Nibbana.” (M.139)



Men moet niet streven naar het geluk van zintuiglijke genietingen. Die zijn laag, gewoon, grof, onedel en brengen onheil. En men moet niet streven naar zelfkastijding. Die is pijnlijk, onedel en brengt onheil,’ zo werd gezegd, en waarvan afhankelijk werd dat gezegd?

Het streven naar de vreugde van degene wiens geluk verbonden is met zinsverlangen - laag, gewoon, grof, onedel en onheilzaam - is een toestand die omringd is door leed, ergernis, wanhoop en koorts; het is de verkeerde weg.

De bevrijding van het streven naar de vreugde van degene wiens geluk verbonden is met zinsverlangen, is een toestand die vrij is van leed, ergernis, wanhoop en koorts; het is de juiste weg.



Het streven naar zelfkastijding - pijnlijk, onedel en onheilzaam - is een toestand die omringd is door leed, ergernis, wanhoop en koorts; het is de verkeerde weg.

De bevrijding van het streven naar zelfkastijding is een toestand die vrij is van leed, ergernis, wanhoop en koorts; het is de juiste weg.



In afhankelijkheid hiervan werd gezegd dat men niet naar het geluk van zintuiglijke genietingen moet streven, en dat men niet naar zelfkastijding moet streven.



(de middenweg)



‘De middenweg die door de Tathagata is ontdekt, vermijdt beide uitersten. Hij geeft zien, geeft weten, hij voert naar de vrede, naar hogere geestelijke kracht, naar Verlichting, naar Nibbana,' zo werd gezegd. En afhankelijk waarvan werd dat gezegd? Het is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juiste manier van leven, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie. In afhankelijkheid hiervan werd gezegd dat de middenweg de beide uitersten vermijdt, dat hij weten geeft, naar vrede voert, naar hogere geestelijke kracht, naar Verlichting, naar Nibbana. (M.139; A.III.163)



’Men moet weten hoe men geluk omschrijft, en wanneer men dat weet, moet men streven naar het geluk binnen in zich zelf,' zo werd gezegd, en afhankelijk waarvan werd dat gezegd?

Er zijn deze vijf strengen van zinnelijke genoegens. En welke?

(1) De eerste streng bestaat uit vormen die met het oog waarneembaar zijn, die gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek zijn, die verbonden zijn met zinnelijke hebzucht en begeerte opwekken.

(2) De tweede streng bestaat uit geluiden die met het oor waarneembaar zijn, die gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek zijn, die verbonden zijn met zinnelijke hebzucht en begeerte opwekken.

(3) De derde streng bestaat uit geuren die met de neus waarneembaar zijn, die gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek zijn, die verbonden zijn met zinnelijke hebzucht en begeerte opwekken.

(4) De vierde streng bestaat uit smaken die met de tong waarneembaar zijn, die gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek zijn, die verbonden zijn met zinnelijke hebzucht en begeerte opwekken.

(5) De vijfde streng bestaat uit aanrakingsobjecten die met het lichaam waarneembaar zijn, die gewenst, aangenaam, prettig en sympathiek zijn, die verbonden zijn met zinnelijke hebzucht en begeerte opwekken.



Dit zijn de vijf strengen van zintuiglijk geluk. Het geluk en de vreugde die ontstaan in afhankelijkheid van deze vijf strengen van zintuiglijke genoegens worden geluk van de zintuiglijke genoegens genoemd - een onrein geluk, een gewoon, onedel geluk. Ik zeg van deze soort van geluk dat ze niet onderhouden moet worden, dat ze niet ontplooid moet worden, dat ze niet uitgeoefend moet worden, en dat ze gevreesd moet worden.

Geheel afgescheiden van zintuiglijke genoegens, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt men binnen in de eerste jhana, die samengaat met begin- en aanhoudende toewending van de geest, en men vertoeft erin, met vervoering en geluk die uit de afzondering zijn ontstaan. Door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest treedt men binnen in de tweede jhana, die samengaat met innerlijke kalmte en eenheid van het hart, zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest, en men vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die ontstaan zijn uit de concentratie. Door het tot bedaren brengen van vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid, treedt men binnen in de derde jhana waarvan de edelen zeggen: ‘Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,’ en hij vertoeft erin. Met het overwinnen van geluk en pijn en het eerder al verdwijnen van vreugde en droefheid, treedt men binnen in de vierde jhana, die op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich heeft, en die samengaat met zuiverheid van oplettendheid; en men vertoeft erin. Dit wordt zaligheid van ontzegging genoemd, zaligheid van afzondering, zaligheid van de vrede, zaligheid van de Verlichting. Ik zeg van deze soort van geluk dat het onderhouden moet worden, dat het ontplooid moet worden, dat het uitgeoefend moet worden en dat het niet gevreesd hoeft te worden.

In afhankelijkheid hiervan werd gezegd: ’Men moet weten hoe men geluk omschrijft, en wanneer men dat weet, moet men streven naar het geluk binnen in zich zelf.’ (M.139)



Het middenpad wordt ook als volgt omschreven:

Men vertoeft bij het lichaam in de beschouwing van het lichaam, ijverig, helder bewust en oplettend, na het bedwingen van vurig verlangen en droefenis wat de wereld betreft.

Met vertoeft bij de gevoelens in de beschouwing van de gevoelens, ijverig, helder bewust en oplettend, na het bedwingen van vurig verlangen en droefenis wat de wereld betreft.

Men vertoeft bij de geest in de beschouwing van de geest, ijverig, helder bewust en oplettend, na het bedwingen van vurig verlangen en droefenis wat de wereld betreft.

Men vertoeft bij de objecten van de geest in de beschouwing van objecten van de geest, ijverig, helder bewust en oplettend, na het bedwingen van vurig verlangen en droefenis wat de wereld betreft.

Dit noemt men het middenpad. (A.III.157)


[Voor deze vier beschouwingen zie: De vier grondslagen van oplettendheid: Satipatthana sutta]


Verder wordt als middenpad genoemd:

Men wekt in zich de wil op, streeft ernaar, zet zijn wilskracht in, drijft zijn geest aan en spant zich in om de niet ontstane slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan – om de ontstane slechte, onheilzame dingen te overwinnen – om de niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan – om de ontstane heilzame dingen te vestigen, niet te laten verdwijnen, maar ze tot groei en volle ontplooiing te brengen. (A.III.158; zie ook A.IV.13-14)



Of men ontplooit de krachten die bestaan uit de concentratie van gedachten, de concentratie van de wilskracht, de concentratie van de geest, de concentratie van onderzoek. Deze gaan samen met inspanning en vastberadenheid. (A.III.159; zie ook A.V.67-68; S.51.1 en 11)



Of men ontplooit de geestelijke krachten, namelijk: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. (A.III.160-161 zie ook A.V.13 en 15)



Of men ontplooit de zeven factoren van Verlichting: oplettendheid; onderzoeken van de waarheid; energie; vreugde; sereniteit; concentratie; gelijkmoedigheid. (A.III.162)



Bovenstaande krachten en factoren zijn bekend als factoren van Verlichting (satta-timsa bodhipakkhiya-dhammā).



De bovengenoemde elementen van het middenpad worden achtereenvolgend besproken.



4.1. Juist inzicht

Juist inzicht is het begin van het pad en het is het einde van het pad.

Juist inzicht is dit weten van lijden, weten van het ontstaan van lijden, weten van het verdwijnen van lijden, weten van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden. (M.141) Kortom, het is het inzien van de vier edele waarheden.

Juist inzicht is o.a. het inzien van de aspecten van het leven: dukkha, anicca, anatta [zie: De drie aspecten van het leven] en het inzien van de keten van oorzakelijkheid [zie: Oorzakelijk ontstaan].

Juist inzicht gaat vooraf aan het inzien van de vier edele waarheden. (S.56.37)


4.1.1. juist en onjuist inzicht


"Juist inzicht komt op de eerste plaats.7 Iemand begrijpt verkeerd inzicht als verkeerd inzicht. En hij begrijpt juist inzicht als juist inzicht. Dat is zijn juiste inzicht.


Wat is verkeerd inzicht? – Iemand heeft het verkeerde inzicht: 'Er zijn geen [resultaten van] gaven, er is niets wat gegeven of geofferd is. Er is geen vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is niet deze wereld, niet de andere wereld. Er is geen moeder, geen vader. Er zijn geen spontaan geboren wezens. Er zijn geen goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hebben leren kennen en uitleggen.' - Dat is verkeerd inzicht. (vgl. M.60 en M.114)


Wat is juist inzicht?8 - Juist inzicht is van tweevoudige aard: Er is juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in beslagname9 tot ontwikkeling komt, en er is juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in beslagname tot ontwikkeling komt, is het volgende: 'Er zijn [resultaten van] gaven, er is wat gegeven of geofferd is. Er is een vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is deze wereld en de andere wereld. Er is een moeder en vader. Er zijn spontaan geboren wezens. Er zijn goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hebben leren kennen en uitleggen.' - Dat is juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in beslagname tot ontwikkeling komt.

Juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad, is het volgende: De wijsheid, de spirituele bekwaamheid van de wijsheid, de geestelijke kracht van de wijsheid, de factor van Verlichting van de doorgronding van de werkelijkheid, de factor van het pad van het juiste inzicht in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en die het edele pad ontplooit: dat is juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.


Iemand spant zich in om verkeerd inzicht te overwinnen en om juist inzicht te krijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd inzicht. Oplettend krijgt iemand juist inzicht en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om het juiste inzicht en zij ontmoeten elkaar, namelijk juist inzicht, juiste inspanning en juiste oplettendheid."

In iemand met juiste visie is verkeerde visie vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde visie als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste visie als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


Juist inzicht komt op de eerste plaats. In iemand met juist inzicht ontstaat juist denken. In iemand met juist denken ontstaat juist spreken. In iemand met juist spreken ontstaat juist handelen. In iemand met juist handelen ontstaat juist levensonderhoud. In iemand met juist levensonderhoud ontstaat juiste inspanning. In iemand met juiste inspanning ontstaat juiste oplettendheid. In iemand met juiste oplettendheid ontstaat juiste concentratie. In iemand met juiste concentratie ontstaat juist weten. In iemand met juist weten ontstaat juiste bevrijding. Derhalve bezit iemand in hogere training op de weg acht factoren, de Arahant bezit tien factoren.10

Daarin komt juiste visie, juist inzicht op de eerste plaats. En op welke manier komt juist inzicht op de eerste plaats?

In iemand met juiste visie is verkeerde visie vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde visie als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste visie als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.

Degenen die de vier edele waarheden niet inzien, die hangen nog steeds aan de lippen van anderen: 'Of die iets werkelijk weet en ziet? '

Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die hangen niet meer aan de lippen van anderen. (S.56.39)

Wie de vier edele waarheden inziet, kan daarin niet door andersdenkenden tot wankelen gebracht worden. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.40)



4.1.2. Sammāditthi sutta. Juist inzicht (M.9)



De eerwaarde Sariputta sprak tot de monniken aldus: Wat is juist inzicht?

Als men het onheilzame onderkent en de wortel ervan, als men het heilzame onderkent en de wortel ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

Wat is het onheilzame, wat is de wortel ervan, wat is het heilzame en wat is de wortel ervan?

Onheilzaam is doden, stelen, seksueel verkeerd gedrag, liegen, lasteren, ruwe taal, kletspraat, begeerte, kwaadwil, verkeerde visie.

De wortel van het onheilzame is begeerte, haat, onwetendheid.


Heilzaam is afzien van doden, afzien van stelen, afzien van verkeerd seksueel gedrag, afzien van lasteren, afzien van ruwe taal, afzien van geklets; heilzaam is begeerteloosheid, welwillendheid, juiste visie.

De wortel van het heilzame is vrij te zijn van begeerte, vrij te zijn van haat, vrij te zijn van onwetendheid.


Wie het onheilzame kent en de wortel ervan, wie het heilzame kent en de wortel ervan, en wie de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wie de neiging van afkeer heeft verjaagd, wie de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wie het niet weten heeft verloren, wie het weten heeft verworven, die maakt aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht; in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wanneer de edele volgeling het voedsel onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Wat is het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat voert naar de opheffing ervan?

Er zijn vier soorten van voedsel:

voedsel dat dient voor de vorming van het lichaam;

aanraking, contact (phassa);

geestelijke wil (cetana);

bewustzijn (viññana).


De ontwikkeling van de dorst is oorzaak van de ontwikkeling van het voedsel. Het verdwijnen van de dorst is oorzaak van het verdwijnen van het voedsel.

Het pad dat voert naar het verdwijnen van het voedsel is het edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht; juist denken; juist spreken; juist handelen; juist levensonderhoud; juiste inspanning; juiste oplettendheid; juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.

De edele volgeling kent nu het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het proces dat voert naar de opheffing ervan. En hij heeft de neiging van de begeerte volledig verloochend, heeft de neiging van afkeer verjaagd, heeft de neiging van de ik-heid verdelgd, heeft onwetendheid verloren, het weten verworven. Zo maakt hij aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft men juist inzicht. In zoverre behoort men tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wie het lijden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft de edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Wat nu is het lijden, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan? – Geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

Het ontstaan van lijden is als volgt: het is de begeerte (tanha) die wedergeboorte doet ontstaan, die vergezeld gaat van genoegen en lust en die nu eens hier en dan weer daar steeds nieuw behagen schept. Met andere woorden, het is het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan.

De opheffing van lijden is als volgt: het is het volledig wegebben en het volledig uitdoven van die begeerte, het verwerpen, het opgeven en het achterlaten ervan; het is de bevrijding ervan en het zich losmaken ervan.

Het pad dat voert naar de opheffing van lijden, is niets anders dan het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.

Wanneer men de vier edele waarheden onderkent, en wanneer men de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer men de neiging van afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wanneer men het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt men aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wanneer men het ouder worden en sterven onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

Wat is ouder worden en sterven, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat voert naar de opheffing ervan? - Wat hier of elders veroudering is, verval van de tanden, vergrijzing, het rimpelen van de huid, het afnemen van de levenskracht, het afsterven van de zinsorganen: dat heet ouder worden.

Wat hier of elders het afscheiden is, het uiteenvallen, het verdwijnen, de dood, het beëindigen van de levenstijd, het uiteenvallen van de groeperingen van bestaan, het afwerpen van het lichaam: dat heet sterven.

De ontwikkeling van de geboorte is oorzaak voor de ontwikkeling van ouderdom en dood. De opheffing van geboorte is oorzaak voor de opheffing van ouderdom en dood. En het pad naar opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling ouderdom en sterven onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Wat is geboorte, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat voert naar de opheffing ervan? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan, het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte.

De ontwikkeling van het worden is oorzaak voor de ontwikkeling van de geboorte. De opheffing van het worden is oorzaak voor de opheffing van de geboorte. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten van worden: zinnelijk worden, worden met vorm en vormloos worden. De ontwikkeling van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor de ontwikkeling van het worden. De opheffing van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor opheffing van het worden. Het pad dat voert naar de opheffing van het worden is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de in bezit name, het hechten onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn vier soorten van in bezit name (hechten): de in bezit name van de zinnelijkheid (het hechten aan zinnelijkheid), de in bezit name van meningen (het hechten aan meningen), de in bezit name van deugdzame werken (het hechten aan deugdzame werken), de in bezit name van de eigen persoonlijkheid (het hechten aan de eigen persoonlijkheid).

De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van de in bezit name (het hechten). De opheffing van de dorst is de oorzaak voor de opheffing van de in bezit name (het hechten). Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de in bezit name (het hechten) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van dorst: dorst naar vormen, dorst naar geluiden, dorst naar geuren, dorst naar smaken, dorst naar aanrakingen, dorst naar gedachten.

De ontwikkeling van het gevoel is oorzaak voor de ontwikkeling van de dorst. De opheffing van het gevoel is oorzaak voor de opheffing van de dorst. Het pad dat voert naar de opheffing van de dorst is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van gevoel: gevoel ontstaan door contact met het oog; gevoel ontstaan door contact met het oor; gevoel ontstaan door contact met de neus; gevoel ontstaan door contact met de tong; gevoel ontstaan door contact met het lichaam; gevoel ontstaan door contact met de geest.

De ontwikkeling van het contact is oorzaak voor de ontwikkeling van het gevoel. De opheffing van het contact is oorzaak voor de opheffing van het gevoel. Het pad dat voert naar de opheffing van gevoel is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het contact (de aanraking) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van contact: contact met het oog, contact met het oor, contact met de neus, contact met de tong, contact met het lichaam, contact met de geest.

De ontwikkeling van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de ontwikkeling van contact. De opheffing van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de opheffing van contact. Het pad naar opheffing van contact is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het contact onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het bereik of gebied van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes gebieden: het gebied van het oog, het gebied van het oor, het gebied van de neus, het gebied van de tong, het gebied van het lichaam, het gebied van de geest.

De ontwikkeling van naam en vorm is oorzaak voor de ontwikkeling van het bereik van de zes zintuigen. De opheffing van naam en vorm is oorzaak voor de opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Het pad dat voert naar de opheffing van het bereik van de zes zintuigen is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het bereik van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Gevoel, waarneming, gedachte, aanraking, oplettendheid, dat noemt men naam. De vier elementen [aarde, water, vuur en lucht] en wat door die vier elementen gevormd bestaat, dat noemt men vorm. Samen noemt men dat naam en vorm.

De ontwikkeling van het bewustzijn is oorzaak voor de ontwikkeling van naam en vorm. De opheffing van het bewustzijn is oorzaak voor de opheffing van naam en vorm. Het pad dat voert naar de opheffing van naam en vorm is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn, geestbewustzijn.

De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn. De opheffing van de formaties is oorzaak voor de opheffing van het bewustzijn. Het pad dat voert naar de opheffing van het bewustzijn is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de formaties (sankhara) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten van formaties: formaties van het lichaam, formaties van de taal, formaties van het hart.

De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties. Het pad dat voert naar de opheffing van de formaties is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de formaties onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven een einde aan het lijden.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Onwetendheid bestaat hierin: het lijden niet kennen, de ontwikkeling van lijden niet kennen, de opheffing van het lijden niet kennen, het pad dat voert naar de opheffing van lijden niet kennen.

De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van de onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van de onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de neigingen (asava) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.

De ontwikkeling van de onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat voert naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de neigingen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer. (M.9)


4.1.3. Onmogelijk en mogelijk (A.I.25)

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht11 iets dat ontstaan is beschouwt als onvergankelijk. Wel is het mogelijk dat een wereldling iets dat ontstaan is beschouwt als onvergankelijk.

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht iets dat gevormd is beschouwt als gelukbrengend. Maar een wereldling kan iets dat gevormd is wel als gelukbrengend beschouwen.

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht iets als een zelf beschouwt.12 Maar een wereldling kan iets wel als zelf beschouwen.13


4.1.4. Onjuist en juist inzicht (A.I.28)



Als iemand met verkeerde opvatting die verkeerde opvatting volgt en dan handelingen verricht in daad, woorden en gedachten, wat daarbij zijn wil is, zijn wens en verlangen, en zijn [andere] geestelijke functies , – dat alles brengt ongewenste, onaangename dingen, brengt onheil en leed. De reden is dat zijn bedoeling niet goed is.

Als iemand met juist inzicht dat juist inzicht volgt en dan acties uitvoert in daden, woorden en gedachten, wat daarbij zijn wil is, zijn wens en verlangen en zijn [andere] geestelijke functies, – dat alles brengt gewenste, blijde en aangename dingen, brengt zegen en geluk. De reden is dat zijn inzicht juist is.

Als men iets met verkeerde bedoelingen doet, hetzij in daad, woorden of gedachten, dan brengt dat iets onaangenaams, geen zegen maar leed.

Als men iets met juist inzicht doet, hetzij in daad, woorden of gedachten, dan brengt dat iets aangenaams, brengt zegen en geluk.


4.1.5. De invloed van verkeerde opvatting en van juist inzicht (A.I.29)

Er is een wezen dat, als het in de wereld verschijnt, vele mensen onheil, ongeluk en schade brengt, dat tot onheil en lijden ontstaat voor goden en mensen. Het is het wezen met verkeerde opvatting, met een verkeerd denkbeeld. Zo iemand brengt vele mensen af van het goede en versterkt hen in het slechte.

Er is een wezen dat, als het in de wereld verschijnt, velen zegen brengt, voor velen tot welzijn, heil en zegen ontstaat, voor goden en mensen. Het is het wezen dat juist inzicht, juiste opvatting, een juist denkbeeld heeft. Zo iemand brengt namelijk veel mensen af van het kwade en versterkt hen in het goede.

Niets anders ken ik dat een zo groot kwaad is dan de verkeerde opvatting. Van alle kwaad is verkeerde opvatting, verkeerde mening het grootste.

4.2. Juist denken


Juist denken is denken aan verzaking, denken aan welwillendheid, denken aan niet-kwaaddoen. (M.141) Het is het hebben van een onthoudende, vredige, geweldloze gezindheid.


4.2.1. Juist en onjuist denken


Iemand begrijpt verkeerd denken als verkeerd denken. En iemand begrijpt juist denken als juist denken. Dat is zijn juiste visie.

Wat is verkeerd denken? - Het is het denken aan zinnelijke begeerte, het denken aan kwaadwil en het denken aan wreedheid. Dat is verkeerd denken.

Wat is juist denken? - Juist denken is van tweevoudige aard. Er is juist denken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat aan de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt. En er is juist denken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Het denken van ontzegging, het denken van niet kwaadwil, en het denken van niet wreedheid - dat is juist denken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat aan de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt.

    Het denken, de gedachten, de bedoeling, het vastleggen en het richten van het hart, de uitrusting van het hart, de vorming van de taal in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist denken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Iemand spant zich in om verkeerd denken te overwinnen en om juist denken te krijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd denken. Oplettend krijgt iemand juist denken en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist denken en zij ontmoeten elkaar, namelijk juist denken, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

In iemand met juist denken is verkeerd denken vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd denken als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist denken als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


4.3. Juist spreken



Het is afzien van onjuiste taal, afzien van geroddel, afzien van harde, ruwe taal, afzien van ijdel geklets. (M.141) Juist spreken is het gebruiken van ware, verzoenende, milde en wijze taal [ook in geschrift]. (A.IV.145-148)


4.3.1. juist en onjuist taalgebruik


Iemand begrijpt verkeerd spreken als verkeerd spreken. En iemand begrijpt juist spreken als juist spreken. Dat is zijn juiste visie.

Wat is verkeerd spreken? - Het is onware taal, booswillige taal, het gebruik van ruwe woorden en geklets.

Wat is juist spreken? - Juist spreken is van tweevoudige aard: er is juist spreken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deelheeft aan verdiensten, dat aan de kant van in beslag neming tot rijping komt. En er is juist spreken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Onthouding van onwaar spreken, onthouding van booswillig spreken, onthouding van het gebruik van ruwe woorden en onthouding van geklets, - dat is juist spreken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deelheeft aan verdiensten, dat aan de kant van in beslag neming tot rijping komt.

Het afstand nemen van de vier soorten van verkeerd gedrag wat de taal betreft, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist spreken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Iemand spant zich in om verkeerd spreken te overwinnen en om juist spreken te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd spreken, oplettend verkrijgt iemand juist spreken en vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist spreken en ontmoeten elkaar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

In iemand met juist spreken is verkeerd spreken vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd spreken als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist spreken als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


4.4. Juist handelen


Juist handelen is afzien van doden, van stelen, en van ongeoorloofd seksueel gedrag. (M.141).

Volgens het Boeddhisme is verkeerd seksueel gedrag: seksuele omgang met iemand die onder de hoede staat van ouder(s), broer, zuster, verwanten, of met personen die tot een religieuze orde behoren. Ook verkeerd is seksuele omgang met degenen die een echtgenoot (-genote) hebben, met personen die verloofd zijn of met lieden die gevangen zijn. Tot deze laatsten behoren krijgsgevangenen, slaven, gegijzelden en onderhorigen.



4.4.1. Juist en onjuist handelen


Iemand begrijpt verkeerd handelen als verkeerd handelen. En hij begrijpt juist handelen als juist handelen. Dat is zijn juiste visie.

Wat is verkeerd handelen? - Het doden van levende wezens, het nemen van wat niet is gegeven, en verkeerd gedrag in zintuiglijk genot, - dat is verkeerd handelen.

Wat is juist handelen? - Juist handelen is van tweevoudige aard. Er is juist handelen dat beïnvoed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deelheeft, dat aan de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt. En er is juist handelen dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Onthouding van het doden van levende wezens, onthouding van het nemen wat niet werd gegeven, en onthouding van verkeerd gedrag in zinnelijk genot, - dat is juist handelen dat beïnvoed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deelheeft, dat aan de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt.

Het afstand nemen van de drie soorten lichamelijk verkeerd gedrag, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist handelen dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Iemand spant zich in om verkeerd handelen te overwinnen en om juist handelen te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd handelen, oplettend verkrijgt iemand juist handelen en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist handelen en ontmoeten elkaar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

In iemand met juist handelen is verkeerd handelen vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd handelen als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist handelen als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


4.5. Juist levensonderhoud

Juist levensonderhoud bestaat hierin dat een edele volgeling verkeerd levensonderhoud vermijdt en in zijn levensbehoeften voorziet op de juiste manier. (M.141) Men voorziet zodanig in levensonderhoud dat men anderen geen schade of nadeel of letsel toebrengt.14


4.5.1. Juist en onjuist levensonderhoud


Iemand begrijpt verkeerd levensonderhoud als verkeerd levensonderhoud. En iemand begrijpt juist levensonderhoud als juist levensonderhoud. Dat is zijn juiste visie.

Wat is verkeerd levensonderhoud? - Huichelen, mompelen [van spreuken], waarzeggen, toespelingen maken, met hulp van winst naar verdere winst streven,15 - dat is verkeerd levensonderhoud.

Wat is juist levensonderhoud? - Juist levensonderhoud is van tweevoudige aard. Er is juist levensonderhoud dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deelheeft, dat op de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt. En er is juist levensonderhoud dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Een edele volgeling overwint verkeerd levensonderhoud en verwerft zijn levensonderhoud door juist levensonderhoud, - dat is juist levensonderhoud dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deelheeft, dat aan de kant van de in beslag neming tot rijpheid komt.

Het afstand nemen van verkeerd levensonderhoud, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist levensonderhoud dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

Iemand spant zich in om verkeerd levensonderhoud te overwinnen en om juist levensonderhoud te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd levensonderhoud, oplettend verkrijgt iemand juist levensonderhoud en vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist levensonderhoud en ontmoeten elkaar daar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

In iemand met juist levensonderhoud is verkeerd levensonderhoud vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd levensonderhoud als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist levensonderhoud als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.(M.117)


Juist denken, juist spreken, juist handelen en juist levensonderhoud houdt dus in dat men de vijf regels van deugdzaamheid navolgt. (zie eventueel: Richtlijnen en adviezen voor leken).


4.6. Juiste inspanning



Inspanning, wil (samma-ppadhana; chanda) is een van de factoren van Verlichting. Om zich juist in te spannen heeft men energie nodig, een andere factor van Verlichting.

De factor van Verlichting van energie wordt voortgebracht wanneer men met wijsheid iets onderzoekt, doorgrondt en begint met exact navorsen ervan. En door ontplooiing komt die factor in iemand tot volmaaktheid. (M.118)

Wanneer de verlichtingsfactor van energie aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van energie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van energie afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van energie.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt. (M.10)

De kracht van energie is te herkennen aan de vier juiste inspanningen. (S.48.8)

Gesteund op de wil verkrijgt men concentratie van het hart. Men neemt een vast voornemen, spant zich in, wekt energie op, versterkt zijn geest, spoort zichzelf aan om het ontstaan van kwaad tegen te gaan en ook het ontstaan van onheilzame gedachten die nog niet zijn ontstaan. Men neemt een vast voornemen, spant zich in, wekt energie op, versterkt zijn geest, spoort zichzelf aan om de slechte, onheilzame gedachten te verdrijven die reeds zijn ontstaan. Men neemt een vast voornemen, spant zich in, wekt energie op, versterkt zijn geest, spoort zichzelf aan om heilzame gedachten die nog niet zijn ontstaan, te ontwikkelen. En men neemt een vast voornemen, spant zich in, wekt energie op, versterkt zijn geest, spoort zichzelf aan om de heilzame gedachten die zijn ontstaan, te bewaren, te vermeerderen, tot rijpheid te brengen, te ontwikkelen en te vervolmaken. Dit heet juiste inspanning. (M.141; zie ook M.77 en S.48.10)

Kortom, ze bestaat erin dat men het onheilzame niet laat opkomen, dat het reeds opgekomen onheilzame overwonnen wordt, dat het reeds ontstane heilzame behouden wordt en dat het heilzame dan tot ontwikkeling wordt gebracht.


In iemand met juiste inspanning is verkeerde inspanning vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde inspanning als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste inspanning als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


Tot juiste inspanning behoort m.i. ook een andere factor van Verlichting, namelijk het ontwikkelen van de vier krachten (iddhi-pada). Deze krachten bestaan uit de concentratie van gedachten, de concentratie van de wilskracht, de concentratie van de geest, de concentratie van onderzoek. Zij gaan samen met inspanning en vastberadenheid. (A.III.159; zie ook M.77; A.V.67-68; S.51.1 en 11; S.48.11)


4.7. Juiste oplettendheid



Oplettendheid is een van de factoren van Verlichting (sati-indriya). Oplettendheid wordt ook vermeld als geestelijke vaardigheid (indriya) en als geestelijke kracht (bala). Het vermogen van oplettendheid is een eigenschap die het ontwaken bevleugelt, ze voert naar ontwaking. (S.48.51)

De kracht van oplettendheid is te herkennen aan de vier grondslagen van oplettendheid. (S.48.8) De kracht van oplettendheid bestaat hierin: Een edele volgeling is begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest, met volle aandacht en behoedzaamheid; hij herinnert zich goed wat ooit gezegd en gedaan is en onthoudt dat.

Juiste oplettendheid bestaat in het voortdurend beschouwen van het lichaam, van de gevoelens, van de geest en van de geestelijke objecten. En de edele volgeling doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het bedwingen van wereldse begeerte en droefenis. - Dat is de vaardigheid van oplettendheid (M.141; zie ook S.48.10).

[Zie eventueel: De vier grondslagen van oplettendheid].


In iemand met juiste oplettendheid is verkeerde oplettendheid vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde oplettendheid als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste oplettendheid als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


Men moet steeds oplettend zijn bij alle daden, zowel geestelijke, mondelinge en schriftelijke of lichamelijke activiteiten. Oplettendheid is hoger dan geleerdheid. Want zonder oplettendheid is men niet in staat om het geleerde in praktijk te brengen. Ook is men dan niet in staat om slechte gedachten te verdrijven en om ze te vervangen door goede.


“Monniken, oplettendheid is zó krachtig dat erdoor goede gedachten ontstaan die nog niet zijn ontstaan, of dat erdoor slechte gedachten afnemen die al zijn ontstaan.”

“Degene die behagen schept in oplettendheid en die met vrees onoplettendheid, onachtzaamheid beschouwt, zal niet terugvallen. Hij of zij is in de nabijheid van Nibbāna.” (Dhp.32).



Steeds wanneer iemand het lichaam als lichaam beschouwt, of gevoelens als gevoelens beschouwt, of wanneer iemand de geest als geest beschouwt, of objecten van de geest als objecten van de geest beschouwt, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat hij hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft bedwongen, - bij die gelegenheid is onafgebroken oplettendheid in hem verankerd. Steeds wanneer onafgebroken oplettendheid in iemand is verankerd, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van oplettendheid in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)


Welnu, wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid aanwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van oplettendheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van oplettendheid.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt. (M.10)


4.7.1. De toevlucht voor oplettendheid


Een brahmaan vroeg eens: "De vijf zintuigen – zien, horen, ruiken, proeven, aanraken – hebben verschillende bereiken, en geen bereik merkt iets van het bereik van de andere zintuigen. Wat is de toevlucht ervan?"

De Boeddha: "Voor deze vijf zintuigen die verschillende bereiken hebben, en waarvan de een niets van het bereik van de ander merkt, is de geest de toevlucht. De geest merkt iets uit het bereik van de anderen."

De brahmaan: "Heer, wat is de toevlucht voor de geest?"

De Boeddha: "De toevlucht voor de geest is de oplettendheid. De toevlucht voor de oplettendheid is de bevrijding. De toevlucht voor de bevrijding is Nibbana.

Nibbana is het einddoel." (S.48.42)


4.8. Juiste ontwikkeling van de geest

Juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie is o.a. het vertoeven in de vier meditatieve verdiepingen (jhanas). (M.141; S.56.11)

De kracht van concentratie is te herkennen aan de vier jhanas. (S.48.8) De kracht van concentratie bestaat hierin: de edele volgeling heeft het loslaten, de onthechting, tot centraal beginpunt gemaakt, en zo verkrijgt hij concentratie en eenheid van het hart. Ver van begeerte, ver van onheilzame dingen vertoeft hij overwegend, overdenkend, uit eenzaamheid geboren, vol vervoering, in de eerste jhana, de tweede jhana, de derde jhana en de vierde jhana. (S.48.10)


In iemand met juiste concentratie is verkeerde concentratie vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde concentratie als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste concentratie als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


Bij iemand wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, wordt de geest geconcentreerd. Steeds wanneer de geest geconcentreerd wordt in iemand wiens lichaam kalm is en die geluk ondervindt, - bij die gelegenheid wordt de factor van Verlichting van concentratie in hem voortgebracht. En hij ontplooit die factor, en door ontplooiing komt die in hem tot volmaaktheid. (M.118)

Wanneer de verlichtingsfactor van concentratie aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van concentratie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van concentratie afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van concentratie.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt. (M.10)


4.8.1. De vier jhanas


Zoals boven vermeld, is de kracht van concentratie te herkennen aan de vier jhanas. Enkele gegevens over die jhanas zie: De meditatieve verdiepingen


4.8.2. Onderwerpen voor concentratie

Door de Boeddha werden meerdere onderwerpen voor concentratie en contemplatie aanbevolen. Ze zijn afzonderlijk behandeld, zie:

de drie aspecten van het leven. - dukkha, de overweging van het lijden. - anicca, veranderlijkheid, vergankelijkheid; niet-blijvendheid; niet-bestendigheid. - anatta, contemplatie over niet-zelf

de vier grondslagen van oplettendheid. - het beschouwen van het lichaam. - de lichaamshoudingen. - de soorten van helder begrip. - het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam. - het nadenken over de elementen. - de lijk-contemplatie. - het beschouwen van de gevoelens. - het beschouwen van de geest. - het beschouwen van de geestelijke objecten. - de vijf hindernissen. - de vijf groeperingen van hechten. - de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen. - de zeven factoren van Verlichting. - de vier edele waarheden.

De vier Brahma-vihāra-oefeningen

mettā, karunā, mudita, upekkha; liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid.

meditatie voor rust, kalmte


saddha, vertrouwen.




5. Onvermoeibaarheid



Te Savatthi. Koning Pasenadi van Kosala bezocht de Boeddha en zei: "Heer, toen ik in eenzame meditatie helemaal in de stilte verdiept was, kwam de volgende gedachte bij me op: 'De leer is door de Verhevene goed verkondigd, maar (alleen) voor de vriend van het goede, niet voor de vriend van het kwade.'”

De Verhevene: "Zo is het koning. Eens vertoefde ik in het gebied van de Sakyas, in een marktplaats van de Sakyas. De bhikkhu Ananda kwam naar me toe, groette eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Hij zei: 'De helft van de heilige levenswandel bestaat in de vriendschap met de goeden, in het gezelschap van de goeden.'

Ik zei toen tot hem dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap van de goeden, in het gezelschap van de goeden. Van een bhikkhu die een vriend van de goeden is, is te verwachten dat hij voor een vriend van de goeden het edele achtvoudige pad zal vervolmaken, dat pad zal verbreden."

"En hoe, Ananda, doet men dat? – De bhikkhu vervolmaakt het juiste inzicht, dat op afzondering gebaseerd is, op gelijkmoedigheid gebaseerd is, op opheffing gebaseerd is, dat eindigt in afkeer. Hij vervolmaakt het juiste willen en het juiste spreken. Hij vervolmaakt het juiste handelen en de juiste levenswijze. Hij vervolmaakt het juiste zich inspannen. Hij vervolmaakt de juiste meditatie (geestelijke concentratie) die op afzondering berust, op gelijkmoedigheid, op opheffing, en die eindigt in afkeer. Op die manier, Ananda, vervolmaakt een bhikkhu die een vriend van de goeden is, het edele achtvoudige pad, verbreedt dat pad.

En in die zin, Ananda, moet je ook begrijpen dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap van de goeden, in het gezelschap van de goeden."

Daarom, grote koning, moet u zich hierin oefenen: 'ik wil een vriend van de goeden zijn.' Aan deze ene eigenschap moet u vasthouden: aan de onvermoeibaarheid in goede dingen. Als u dan als voorbeeld bent en onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, dan zullen ook de hofdames, de dienstplichtige edelen, de lieden in de stad en in het land, onvermoeibaar aan de onvermoeibaarheid vasthouden.

Als u onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, wordt uw eigen zelf beschermd, en ook worden de hofdames beschermd en de schatkamer en voorraadkamers.

Samen met degene die naar bijzondere genietingen verlangt, prijzen de wijzen de onvermoeibaarheid bij verdienstelijke daden.

De wijze die onvermoeibaar is, krijgt beide zegeningen: zegen in het tegenwoordige leven en zegen voor zijn toekomstig bestaan.

Omdat hij de zegen verkrijgt, daarom heet degene met volharding een wijze." (S.3.18)


6. Nibbana

Vermeld werd dat de middenweg de beide uitersten vermijdt, dat hij weten geeft, naar vrede voert, naar hogere geestelijke kracht, naar Verlichting, naar Nibbana.

Ook werd vermeld dat de oplettendheid de toevlucht is voor de geest. De toevlucht voor de oplettendheid is de bevrijding. De toevlucht voor de bevrijding is Nibbana. Nibbana is het einddoel." (S.48.42)



Nibbana betekent letterlijk: uitdoving - Nibbana is de vernietiging van alle begeerten en van onwetendheid; is volledige kalmte. De verlangens zijn uitgedoofd; men hecht niet meer aan iets, noemt niets meer zijn of haar eigen. De strijd is dan gestreden; hij of zij heeft alle vormen van bestaan overschreden. (Zie Ud.3.10 en Ud.3.4)



        “Zij die zonder hechten zijn, vol zelfbeheersing,

        die alle boeien hebben verbroken,

        bedwongen, vrij, onverstoorbaar en wensloos,

        zij die begeerte en haat hebben opgegeven

        en ook onwetendheid en meningen,

        onzelfzuchtig, zonder wens;

        zij die geen verlangen koesteren

        naar wat dan ook in de wereld,

        naar meervoudig bestaan hier of elders;

        zij die stil werden, ontkomen aan de hartstochten,

        zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan,

        zij zijn offergaven waardig.” (Sn.III.5, verzen 490-499).



Wie stil is en helder, onverstoorbaar en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.” (zie: Sutta-Nipâta, vers 1048)



In zoverre men de restloze uitdoving van de begeerte ondervindt, in zoverre men de restloze uitdoving van de afkeer ondervindt, in zoverre men de restloze uitdoving van de onwetendheid ondervindt, in zoverre is Nibbāna zichtbaar hier en nu.” (A.III.56).


(Meer over Nibbana, zie: Nibbana, het doodloze).


6.1. Het vrijmaken van de geest



Eens verbleef te Verhevene te Sāvatthī in het Jetavana klooster. De eerwaarde Sāriputta sprak toen tot de monniken aldus:

"Vrienden, zoals in het voetspoor van een olifant het voetspoor past van elk ander levend wezen dat zich lopend voortbeweegt, evenzo kunnen alle heilzame toestanden in de vier edele waarheden ingepast worden, en wel in de edele waarheid van lijden, in de edele waarheid van de oorsprong van lijden, in de edele waarheid van de opheffing van lijden, en in de edele waarheid van de weg die voert naar de opheffing van lijden.

De edele waarheid van lijden is als volgt: geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

De vijf groeperingen van hechten zijn de groeperingen van vorm, van gevoel, van waarneming, van de formaties en van het bewustzijn.



De groepering van vorm bestaat uit de vier grote elementen en de vorm die van de vier grote elementen afstamt. Die vier grote elementen zijn het aarde-element, het waterelement, het vuurelement en het windelement (luchtelement).



(het aarde-element)



Vrienden, het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees van spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, inhoud van de maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: 'Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke aarde-element in chaos geraakt en dan verdwijnt het uiterlijke aarde-element. Wanneer zelfs dit uiterlijke aarde-element, hoe groot het ook is, als vergankelijk beschouwd wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.



Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.



(Het waterelement)



Vrienden, het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talk, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.' Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke waterelement in chaos raakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan overstroomd. Eens komt de tijd waarin het water in de grote oceaan steeds verder terugwijkt, 100 km, 200 km, 500 km, 700 km. Eens komt de tijd dat het water in de grote oceaan steeds ondieper wordt, tot zelfs een vinger niet meer natgemaakt kan worden. Wanneer zelfs dat uiterlijke waterelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en aan verandering, hoeveel meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.



Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.



(Het vuurelement)



Vrienden, het vuurelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuurelement bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteert wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuurelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuurelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men het vuurelement zo beschouwt, wordt men tegenover het vuurelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuurelement.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke vuurelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan door brand verwoest. Het vuur gaat alleen uit op grond van gebrek aan brandstof, bijvoorbeeld wanneer het bij groen gras komt, of bij een rots of bij water of bij een vrije, open vlakte. Eens komt de tijd waarin men met moeite zal proberen vuur te maken, zelfs met kippenveren of spanen van schors. Wanneer zelfs dat uiterlijke vuurelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.



(Het windelement)



Vrienden, het windelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke windelement is aldus: wat er aan innerlijke dingen, die tot iemand zelf behoren, wind, winderig, en object van hechten is, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke windelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke windelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men het windelement zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan wordt men tegenover het windelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het windelement.

Eens komt de tijd dat het uiterlijke windelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan weggeveegd. Eens komt de tijd dat men in de laatste maand van het warme seizoen probeert wind te maken met een waaier of blaasbalg, en dat zelfs loshangende strovezels aan de rand van het dak niet bewegen. Wanneer zelfs dat uiterlijke windelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk gezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest laat ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn; mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.



Vrienden, juist zoals ruimte die door hout, klimplanten, gras en leem veroorzaakt is, als “huis” aangeduid wordt, evenzo wordt ruimte die door beenderen en pezen, vlees en huid veroorzaakt is, als “vorm” aangeduid.

Vrienden, wanneer innerlijk het oog intact is, maar geen uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel16 aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Vrienden, wanneer innerlijk het oor intact is, maar geen uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Vrienden, wanneer innerlijk de neus intact is, maar geen uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Vrienden, wanneer innerlijk de tong intact is, maar geen uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Vrienden, wanneer innerlijk het lichaam intact is, maar geen uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Vrienden, wanneer innerlijk de geest intact is, maar geen uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.



Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.



De vorm die op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van de vorm waaraan gehecht wordt. Het gevoel dat op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van het gevoel waaraan gehecht wordt. De waarneming die op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van de waarneming waaraan gehecht wordt. De formaties die op een dergelijke manier in het bestaan getreden zijn, worden omsloten in de groepering van de formaties waaraan gehecht wordt. Het bewustzijn dat op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van het bewustzijn waaraan gehecht wordt.



Men begrijpt: inderdaad, op die manier komt het omsluiten, inzamelen en opstapelen van deze vijf bestaansgroepen tot stand. Nu is door de Verhevene het volgende gezegd: 'Iemand die oorzakelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet oorzakelijk ontstaan.' En deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn oorzakelijk ontstaan. De begeerte, het botvieren, de neiging en het vasthouden aan deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is de oorsprong van dukkha. Het verwijderen van begeerte en verlangen, het overwinnen van begeerte en verlangen naar deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is het opheffen van dukkha. Ook op dat punt is door die monnik veel bereikt.



Evenzo is het met het oor en geluiden; de neus en geuren; de tong en smaken; het lichaam en aanrakingsobjecten; de geest en geestobjecten.

Zo sprak de eerwaarde Sariputta. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de eerwaarde Sariputta. (M.28)



7. Waarom men zich moet inspannen



Weinig wezens worden wedergeboren onder de mensen. Veel meer wezens worden buiten de menselijke sfeer wedergeboren. (S.56.61)

Weinig wezens zijn navolgers van de edele leer. Veel meer wezens zijn onwetend, zijn verblind. (S.56.63)

Weinig wezens houden zich aan de vijf regels van goed gedrag. Veel meer wezens houden zich er niet aan.(S.56.64, 71-77)

Weinig wezens worden op het land geboren. Veel meer wezens worden in het water geboren. (S.56.65)

Weinig wezens eren moeder en vader, asceten en brahmanen, de oudsten van de familie. Veel meer wezens zijn er die hen niet eren. (S.56.66-70)

Weinig wezens volgen de acht regels van goed gedrag. Veel meer wezens volgen die acht regels niet. (S.56.78-90)

Weinig wezens onthouden zich van valse maat en vals gewicht, omkoperij, bedrog en gemeenheid, steken, slaan, vastbinden, roven, plunderen, gewelddaden. Veel meer wezens onthouden zich niet ervan. (S.56.91-101)

Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden onder de mensen wedergeboren. Veel meer wezens die als mensen geboren zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.102-104)

Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden. Veel meer wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.105-107)

Weinig wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden of onder de mensen. Veel meer wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.108-113)

Weinig wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.114-119)

Weinig wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.120-125)

Weinig wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.126-131)

De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden.

Daarom moet men zich inspannen om te onderkennen: dit is lijden, dit is de ontwikkeling van lijden, dit is de opheffing van lijden, dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.



Voor iemand die op het neerwaartse pad, in de afgrond is geraakt, zal het heel lang duren eer hij weer als mens herboren wordt. En wel omdat daar geen juist gedrag is, geen heilzame daden verricht worden. En dat komt omdat de vier edele waarheden niet ingezien worden. – Ook is het heel zelden dat een Volmaakt Ontwaakte in de wereld verschijnt en de leer verkondigt. Daarom moeten wij ons inspannen om de vier edele waarheden in te zien. (S.56.47-48)



Er zijn tussenwerelden, somber, wanordelijk, donker omnacht, waar zelfs deze zon en maan met hun glans niet komen.

Maar er is een nog grotere duisternis. Wie de vier edele waarheden niet inzien, die verheugen zich aan formaties die tot geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop voeren. Omdat zij zulke formaties vormen, storten zij in de duisternis van geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zij worden niet volledig verlost van het lijden.

Maar wie de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet aan formaties die tot geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en

wanhoop voeren. Omdat zij zich niet erover verheugen, daarom vormen zij niet zulke formaties. En daarom storten zij niet in de duisternis van geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zij worden allen daarvan bevrijd. Zij worden volledig bevrijd van lijden.

Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.46)



Allen die de vier edele waarheden niet inzien, zij allen verheugen zich over wordingen die voeren naar geboorte en dood, naar zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop.

Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet over wordingen die naar geboorte en dood voeren. Zij worden volledig verlost van geboorte en dood, van zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zij worden volledig bevrijd van lijden. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.42-44)



Het is heel moeilijk om de vier edele waarheden in te zien. (S.56.45, 47-48)



Ontwikkelt concentratie. Dan ziet gij overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden (lijden, ontstaan ervan, opheffing ervan, de weg naar opheffing ervan). (S.56.1-2)

Spreek ook onderling over de vier edele waarheden. Zo'n gesprek is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar Nibbâna. (S.56.7-10)

Jullie moeten de vier edele waarheden overdenken. Een dergelijk overwegen, nadenken, is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10; S.56.41)



Allen die de vier edele waarheden niet inzien, zij allen verheugen zich over wordingen die naar geboorte en dood voeren, naar zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. – Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet over wordingen die naar geboorte en dood voeren. Zij worden volledig verlost van geboorte en dood, van zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zij worden volledig bevrijd van lijden. (S.56.42-44)



Het is onmogelijk om aan het lijden een einde te maken zonder de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid doordrongen te hebben. (S.56.32)



Om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid te doordringen, is wilskracht nodig, ijver, volharding, niet terugwijken, oplettendheid en helder bewustzijn. (S.56.34)



Omdat zij de vier edele waarheden niet ingezien hebben, gaan de wezens die geblokkeerd zijn door onwetendheid, geboeid door dorst, van deze wereld naar de andere wereld, en omgekeerd. (S.56.33)



Het doordringen van de vier edele waarheden is niet met lijden en ellende verbonden, maar wel met geluk en blijdschap. (S.56.35)



Wanneer iemand overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden inziet, dan is hij volledig bevrijd van de weg naar verderfenis. (S.56.36)

De edele volgeling die de vier edele waarheden inziet, zal hoogstens nog zeven keer herboren worden. (S.56.52-60)



Overweegt geen slechte onheilzame overwegingen, zoals zinnelijke overwegingen, hatende of geweldzame overwegingen.

Denkt niet na waarover een slecht, onheilzaam hart nadenkt, zoals: 'eeuwig of niet eeuwig is de wereld' of 'eindig is de wereld of niet eindig' of 'de Volmaakte is na de dood, is niet na de dood.'

Een dergelijk overwegen is niet met heil verbonden, voert niet naar onthechting, niet naar opheffing, niet naar tot rust komen, voert niet naar volledige ontwaking, niet naar Nibbana.

Maar veeleer moeten jullie de vier edele waarheden overdenken. Een dergelijk overwegen, nadenken, is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10)



Wie tot volledige ontwaking komt, die doet dat door middel van de vier edele waarheden. (S.56.5-6)



In iemand met juist weten is verkeerd weten vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd weten als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist weten als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)


naar boven  of naar 9. De hogere leer


Bronnen:


Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 4.


Nyanatiloka: Buddhistisches Wörterbuch. Kurzgefaßtes Handbuch der buddhistischen Lehren und Begriffe in alphabetischer Anordnung. Hrsg. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.) Konstanz: Christiani, 1976. (Buddhistische Handbibliothek; 3).


Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy 1980.


Pereira, Ânanda: Live Now! Buddhist Essays. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 24/25.


Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970. The Wheel No. 5ab


Piyadassi Thera: Dependent Origination. Paticca-samuppâda. (2nd ed.) Kandy 1971. The Wheel No. 15ab


Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. Kandy, BPS, The Wheel Publications, No. 1.


http://www.palikanon.com/


naar boven  of naar 9. De hogere leer

1  Dit gesprek verkondigt elke Boeddha! Een soortgelijk gesprek over dit thema staat in M.107 en M.125. Zie: Geleidelijke oefening in het temmen van de geest.

2  Zie eventueel: Dana, geven. https://sites.google.com/site/danageven/

3  Zie eventueel: Adviezen voor leken. Deugdzaamheid. https://sites.google.com/site/adviezenvoorleken/03

4  Zie eventueel: De werelden van bestaan. De gelukkige sferen. https://sites.google.com/site/desferenenvanbestaan/04

5  Het Pali-woord dukkha betekent niet alleen lichamelijk lijden, maar houdt ook in de frustratie, het geestelijk leed dat veroorzaakt wordt door het feit dat alles hier op aarde onvoldaan is, onvolmaakt. Er is weliswaar vreugde en geluk, maar dat is slechts tijdelijk. En juist dat tijdelijke, dat onvolmaakte is oorzaak voor leed, frustratie. Dat wordt onder dukkha, lijden verstaan.

6  Grof: hier niet in de zin van pharusavācā, woorden die hard, beledigend zijn, maar pothujjanikākathā, een manier van spreken van gewone mensen, wereldlingen (puthujjanā).

7  Juist zoals onwetendheid per definitie het niet weten van de vier edele waarheden en daarmee ook van het achtvoudige pad is, is omgekeerd juist inzicht die factor die alle andere bestanddelen doordringt.

8  Juist inzicht is dat men het heilzame van het onheilzame kan onderscheiden.

9  In beslag name: vastgrijpen, hechten.

10  De andere twee factoren van het pad van de Arahant worden aldus uitgelegd: juist weten is het weten van de vernietiging van de neigingen; juiste bevrijding is het ondervinden van de bevrijding van alle neigingen.

11  Ditthi-sampanno: dit is de gebruikelijke aanduiding voor de "in de stroom getredene" (sotapanna), het eerste niveau van heiligheid. Het gaat hier dus om de niveaus van heiligheid (ariya-magga) en het daar verworven onwrikbare inzicht (magga-ditthi). Zie A.VI.89-95.

12  Iets (kañci dhammam). In de beide eerste alineas staat 'een formatie' (kañi sankharam); het derde kenteken van niet-ik heeft echter ook betrekking op nibbana dat niet gevormd is, niet geworden is, maar eveneens geen 'ik' of 'opperzelf' voorstelt of omsluit. Zie Dhp.277-279.

13  Niet-zelf, anatta. Met deze anatta-leer wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in conventionele zin ontkent. Maar alleen dat er als een onophoudelijk veranderlijke geestlichamelijk proces geen blijvende kern als basis is.

14  Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy 1961. The Wheel No. 4.

15  Dit is verkeerde levenswijze voor Bhikkhus; voor leken is als verkeerde levenswijze genoemd: handel in wapens; handel in levende wezens; handel in bedwelmende middelen; handel in vergif. (A.V.177)

16  samannāhāra; hier wordt duidelijk uitgelegd dat bewustzijn van oorzakelijke factoren afhankelijk is. Er bestaat geen bewustzijn zonder inhoud.

naar boven  of naar 9. De hogere leer