?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

6.2. Dana, geven, vrijgevigheid

inleiding      1. Het belang van geven      1.1. De verborgen schat      1.2. Vier gunsten     1.3. Redden door geven      2. Geven aan de Verhevene en de heiligen      2.1. Het beschouwen van de vergankelijkheid      2.2. soorten van donaties      2.3. Koningin Mallika      2.4. Uposatha dag      2.5. Offergave met weinig moeite en groot resultaat      2.6. Wanneer moet men aalmoezen geven?      2.7. Aan wie moet men offeren?      2.8. Vragen van het gezinshoofd Anathapindika aan de Boeddha      2.9. Het geven      2.10. Hoogste zegen      2.11. Kusinara sutta      2.12. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen      2.13. Stromen van verdienste      2.14. De invloed van de zedenreine monnik      2.15. De kieskeurige aalmoezengever      2.16. Het dorp Patali      2.17. De laatste maaltijd van de Verhevene      3. Het offeren van dieren en mensen      3.1. Het offer I      3.2. Het offer II      3.3. Kutadanta sutta      3.4. Het grote offer      4. Voorwaarden van vrijgevigheid      5. Soorten van geven      5.1. Geven in vroomheid      5.2. Zuiverheid van de gave      6. Verkeerd en juist geven      6.1. Hoe een goed mens gaven geeft      6.2. Wel of geen rijke vruchten      6.3. Goed is het geven      7. Voordelen van geven      7.1. De zichtbare vruchten van aalmoezen geven      7.2. Koningin Mallika      7.3. Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven     7.4. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen      7.5. Wie schenkt, krijgt geschenken      7.6. Te juister tijd geven      7.7. De zaak      7.8. Vijf gewenste dingen      7.9. Voordelen van geven      7.10. Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel      7.11. Viervoudige zegen      7.12. Door wijzen geprezen      7.13. Vrij van gierigheid      7.14. Verdienste      7.15. Stromen van verdienste      7.16. Naar de hemel      7.17. Wedergeboorte afhankelijk van geven      7.18. De drie soorten van verdienstelijk handelen      8. Juist gebruik van bezit      9. Achteruitgang door niet geven      10. Het geven aan gestorvenen      10.1. Het verhaal over Sanuvasin      10.2. Offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten      11. Geven als een van de volmaaktheden      Geraadpleegde bronnen

Inleiding


Geven, vrijgevigheid is een grote deugd in het Boeddhisme. Het is een van de grootste zegeningen.

Geven aan de Boeddha en aan de heiligen heeft onnoemelijk veel verdiensten. Geven aan anderen heeft eveneens veel verdiensten. Geven is een kenmerk van de in de stroom getredene. Geven behoort ook tot de volmaaktheden.


Geven brengt veel verdiensten die een goede basis zijn voor een toekomstig bestaan. Degene die vrijgevig is wordt geprezen door de goden.

De verdiensten van geven kunnen niet weggenomen worden. Niet alleen de ontvanger maar ook de gever krijgt veel. Door vrijgevigheid kan men een lang leven krijgen, schoonheid, kracht, geluk, eer en wedergeboorte in een van de hemelen.


Het geven begint al met het navolgen van de vijf regels van goed gedrag. Door die regels na te volgen geeft men veiligheid en zekerheid en neemt men angst weg. Men krijgt vertrouwen en schenkt vertrouwen.


Wanneer drie voorwaarden aanwezig zijn, krijgt een van vertrouwen vervulde achtenswaardige persoon grote verdienste, nl. wanneer vertrouwen aanwezig is; wanneer gaven aanwezig zijn; wanneer iemand aanwezig is die de gaven waard is.

Het verwerven van verdiensten begint al wanneer men vol blijdschap een eerbiedwaardig persoon ziet die voor offergaven komt. Of als men naar een eerbiedwaardig persoon gaat en hem offergaven aanbiedt. Het verwerven van verdiensten gaat verder als men die persoon eigenhandig bedient, vol eerbied begroet en een zitplaats aanbiedt. De smet van gierigheid wordt dan opgegeven. Naar beste vermogen deelt men gaven uit. Op een dergelijke tijd heeft men het pad naar groot vermogen genomen, naar wedergeboorte in een hooggeplaatste familie, naar grote macht.


Verdiensten van geven kan men overdragen aan de plaatselijke goden. De goden worden door de overdracht van verdiensten nog gelukkiger. Zij op hun beurt eren de gever en zijn hem goedgunstig gezind. Degene die aldus door de goden geliefd is en hun gunst geniet, ziet steeds geluk.


Ook als men de resten uit een kom of schotel ergens gooit met de wens dat de wezens die zich daar bevinden daarvan mogen eten, dan heeft men daardoor al iets goeds gedaan. Maar men doet nog veel meer goeds wanneer het gaat om menselijke wezens.


Het offeren van mensen en dieren om onheil te voorkomen is nutteloos. Dieren- en mensenoffers zijn niet goed. Ze dragen geen heilzame vruchten. Maar offers waar geen levende wezens gedood worden, zijn heilzaam en brengen rijke vrucht. Ze brengen zegen en nooit onheil; en wanneer die offers rijkelijk zijn, dan verheugen zich ook de goden.


De arme mens die in vroomheid leeft en van zijn kleine bezit iets geeft, diens gave is veel meer waard dan de gave van een rijk mens.


Een goed mens geeft een zuivere gave, hij geeft een uitgelezen gave, hij geeft op de juiste tijd, hij geeft (wat voor de monnik) geoorloofd is, hij geeft met overleg, hij geeft vaak, bij het geven verheugt zich zijn hart en na het geven voelt hij zich tevreden.


Degene die geeft moet vol ijver geven, vol eerbied, eigenhandig. Men moet geen resten geven, geen afval; en men moet geven met vertrouwen in een toekomstige beloning. Ook moet men op de juiste tijd geven, met een vrijgevig hart en zonder zich en anderen schade toe te brengen.

Degene die aldus een gave geeft, zal in de toekomst zeer vermogend zijn; hij of zij heeft een mooie gestalte, een bevallig uiterlijk, is vol charme en heeft een edele verschijning. Men zal hem of haar gehoorzamen. En die persoon geniet van uitgelezen vreugden der vijf zintuigen. Het bezit van die persoon kan door niets schade lijden, noch door vuur, water, regering, dieven noch door liefdeloze erfgenamen.


Een gave kan op vier manieren zuiver zijn. De gave kan van de kant van de gever zuiver zijn maar niet van de kant van de ontvanger. Dit is het geval wanneer de gever deugdzaam is, met een goed karakter; en wanneer de ontvanger zedeloos is, met een slecht karakter. De gave kan van de kant van de ontvanger zuiver zijn maar niet van de kant van de gever. Dit is het geval wanneer de gever zedeloos is, met een slecht karakter; en wanneer de ontvanger deugdzaam is, met een goed karakter. De gave kan niet van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger zuiver zijn. Dit is het geval wanneer de gever zedeloos is, met een slecht karakter; en wanneer de ontvanger zedeloos is, met een slecht karakter. De gave kan zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger zuiver zijn. Dit is het geval wanneer de gever deugdzaam is, met een goed karakter; en wanneer ook de ontvanger deugdzaam is, met een goed karakter.


De gave die men geeft aan iemand die de volgende eigenschappen heeft, brengt geen rijke vruchten en is zonder grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn:

verkeerd inzicht, verkeerd denken, verkeerd taalgebruik, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerd denken, verkeerde oplettendheid en verkeerde geestelijke concentratie.

Maar de gave die men geeft aan iemand die de volgende eigenschappen heeft, brengt rijke vruchten en is van grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn: juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juist denken, juiste oplettendheid en juiste geestelijke concentratie.

Het geven van aalmoezen brengt vijfvoudige zegen, namelijk: Men is veel mensen lief en aangenaam omdat men de goede leer navolgt. Goede, edele mensen zoeken iemand op; zij leggen de leer uit die alle leed laat uitdrogen. Een goede naam verspreidt zich over iemand. Men vervult de plichten van een gezinshoofd. En na de dood komt men in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.

En degenen die het geven van gaven goedkeuren en gewillig daarbij dienst verlenen, zij hebben deel aan de verdiensten ervan.


Door het geven van voedsel verschaft men aan de ontvanger vijf voordelen, namelijk: een lang leven, schoonheid, welzijn, kracht en scherpzinnigheid.

Degene die op deze manier hulp biedt, en die andere mensen gelukkig maakt, krijgt deel aan gelukzaligheid en een lang leven, waar hij of zij ook wedergeboren wordt.


Een goed persoon met rijkdom verheugt zich over geven, over het delen van zijn bezit. En hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de Sangha brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel voert. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de overheid, noch door dieven, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd.

En verder nog, door middel van zijn op eerlijke manier verworven bezit brengt de edele volgeling vijf soorten gaven: gaven voor verwanten, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, belastingen aan de overheid, gaven voor de godheden.

Hij heeft geen spijt van zijn vrijgevigheid en krijgt hier de lofprijzing van de wijzen en na de dood de hemelse zaligheid.


Als men veel rijkdom heeft en genoeg geld en voedsel, en dan zijn luxe alleen geniet, als men geen aalmoezen geeft, als men gierig is, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang. De gierigaard is bang ervoor in armoede te geraken en geeft daarom niets. Maar dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere.


Door iemand ervan af te houden aan anderen gaven te geven, veroorzaakt men nadeel en hindernis. Men verhindert de goede daad van de gever. Men voorkomt dat de ontvanger de gaven ontvangt. En van te voren al benadeelt men zijn eigen karakter.


Indien gestorven familieleden of vrienden wedergeboren zijn in de peta wereld, kunnen zij uit hun ongelukkige toestand verlost worden door gaven aan hen te geven. Maar ze profiteren niet van directe gaven. Als men een gave geeft aan de gemeenschap van de monniken, en de verdienste van die gave overdraagt aan de petas, wordt een bovennatuurlijk duplicaat geschapen en dat komt dan de gestorvenen ten goede. Een peta kan door een overvloed van verdiensten van goede daden die aan hem of haar aangeboden zijn, in een hemel wedergeboren worden.

En ook de gever zelf krijgt een beloning van het geven.


Er zijn twee soorten gaven, namelijk de materiele gave en de gave van de waarheid. De beste gave is de gave van de waarheid.


De volgende hoofdstukken bevatten een bloemlezing van teksten over deze facetten van geven.



1. Het belang van geven


In de leer van de Boeddha wordt dana, geven, vrijgevigheid als een grote deugd omschreven. In Thailand staat de deugd van geven, vooral geven aan de Sangha, hoog aangeschreven.

Een belangrijke leerrede voor leken is het Maha mangala sutta, de leerrede over de grootste zegeningen (Sn. vv. 258-269). Als zegening nr. 6. wordt er genoemd edelmoedig en vrijgevig te zijn.


Ook elders sprak de Boeddha over het belang van geven.


"Als de wezens het loon voor het verdelen van gaven zouden kennen zoals ik, dan zouden zij niets genieten zonder iets ervan gegeven te hebben; en de smet van gierigheid zou hun hart niet omsponnen houden. Zelfs de laatste hap, de laatste brok zouden zij niet genieten zonder daarvan uit te delen indien zij een ontvanger ervoor hadden. Maar omdat de wezens het loon voor het uitdelen van gaven niet zo kennen zoals ik, daarom genieten zij ook zonder iets gegeven te hebben; en de smet van de gierigheid houdt hun hart omsponnen.


Als, zoals de Grote Ziener zegt,

het loon van het geven van gaven

en hoe groot de vrucht ervan is,

aan de wezens bekend was,


dan vermeden zij de smet van gierigheid

en gaven zij met heel opgewekt gemoed

aan de edelen, wanneer het passend was,

daar waar de vrucht het grootste is.


Degenen die rijkelijk voedsel gaven,

een offer voor de waardigen,

die mensen gaan na de dood

als gevers naar de hemel.

In de hemel verheugen zij zich

in het genot van het loon

van degene die gaven gaf,

omdat zij hier niet gierig waren. (It.26 - Dāna Sutta)



De volgende drie dingen zijn een basis voor verdienste, namelijk:

het geven is een basis voor verdienste;

de deugdzaamheid is een basis voor verdienste;

de wijsheid is een basis voor verdienste.


Oefent u in verdienste,

in de beste vaardigheid naar welzijn.


Ontwikkel geven, juist gedrag

en een liefdevol gemoed.


Wie deze drie dingen koestert

die enkel met welzijn gezegend zijn,

hij of zij komt als wijze daardoor

in een veilige wereld die vol welzijn is. (It.60 - Puññakiriyavatthu Sutta)



Het geven begint al met het navolgen van de vijf regels van goed gedrag. Die vijf regels zijn in het kort: niet doden; niet stelen; zich onthouden van verkeerd seksueel gedrag; niet liegen; zich onthouden van alcoholische drank en drugs door welke onoplettendheid veroorzaakt wordt.

Door die regels na te volgen geeft men veiligheid en zekerheid en neemt men angst weg. Men krijgt vertrouwen en schenkt vertrouwen.


Maar vruchtbaarder dan het geven van materiele zaken is als men met een hart vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de heiligen, en als men de vijf regels van deugdzaamheid naleeft. (A.IX.20).



Ook elders zei de Boeddha dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft. Als men edelmoedig is, vrijgevig, graag aan behoeftigen gaven geeft, dan verkondigen in alle hemelsrichtingen de asceten en priesters hun lof, en ook de godheden en bovenmenselijke wezens verkondigen hun lofprijzing. (A.III.80) En hij sprak het vers: "de geur van tagara, van jasmijn of van sandelhout gaat met de wind mee, waait niet tegen de wind in; maar de geur van de goeden waait tegen de wind in. De geur van de goede mens waait in elke richting." (A.III.80 en Dhp.54)



Uitvoeriger is in de volgende leerrede beschreven dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft.


Er zijn acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die acht stromen zijn:

De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.


Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.


Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste.


Er zijn vijf gaven, grote gaven die bekend zijn als oorspronkelijk, aloud, traditioneel, niet verminderd in hun waarde zowel thans als ook vroeger. Ze zijn niet in waarde gedaald en zullen gelijk in waarde blijven, onberispt door asceten en priesters met inzicht. Die vijf gaven zijn:


De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de eerste gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vierde stroom van verdienste.


Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de tweede gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vijfde stroom van verdienste.


De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de derde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zesde stroom van verdienste.


De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vierde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zevende stroom van verdienste.


De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de achtste stroom van verdienste.


Dat zijn de acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. (A.VIII.39) (vgl. A.IV.51 en A.V.45)


Er zijn vijf soorten meesterschap, en wel: meesterschap in vertrouwen, deugdzaamheid, weten, vrijgevigheid en wijsheid. (A.V.91)


Dat deugdzaam gedrag, waartoe ook geven behoort, veel verdienste brengt en ware rijkdom, toont o.a. het Nidhikanda Sutta. Het is het 8e gedicht in het Khuddhakapāta. Het gaat over het opslaan van ware rijkdom. Wereldlijke rijkdom is vergankelijk; de verdiensten die men verworven heeft in dit leven, gaan mee naar het volgende leven.


1.1. De verborgen schat

Iemand verbergt een schat in een zeer diepe kuil met de gedachte: "Als in de toekomst nood komt, zal hij mij van nut zijn. Als ik door de koning aangeklaagd word of door een dief ben bestolen, of tot aflossing van een schuld, of in dure tijden en tegenslagen."

Dat zijn de redenen waarom men iets wat in de wereld een schat genoemd wordt, verbergt.

Te zelfder tijd echter is de hele schat die in de diepe kuil verborgen ligt, deze man van geen enkel nut.

Ofwel verdwijnt de schat van zijn plaats of de gedachten van de man worden verontrust. Of slangengeesten (nāgā) verwijderen hem, of demonen (yakkhas) nemen hem weg.

Of zijn vijanden en erfgenamen nemen de schat mee wanneer hij het niet ziet. Wanneer de morele verdienste uitgeput is, verdwijnt dit alles.

Maar er is een goed verborgen schat die vrouwen en mannen bezitten op grond van hun weldadigheid, zelfdiscipline en beheersing.

In de heilige schrijn (cetiyamhi), in de gemeente, in het individu, in de vreemdeling, in moeder en vader of in de oudste broer is deze onneembare schat, een trouwe begeleider, goed verborgen.

Wie de vergankelijke dingen heeft opgegeven, neemt hem [bij de dood] met zich mee. Een schat die niet met anderen gedeeld wordt, die dieven niet kunnen stelen.

Moge de standvastige goede werken doen; dit is de schat die hem begeleidt.

Deze schat geeft aan goden en mensen alles wat zij verlangen; alles wat zij wensen wordt erdoor verkregen.

Bekoorlijkheid, een klankvolle stem, schoonheid en een mooie gedaante, macht en glans; alles wordt erdoor verkregen.

De heerschappij over een land, koninklijke waarde, het aangename geluk van wereldheerschappij en ook godenheerschappij bij de hemelse wezens; alles wordt erdoor verkregen.

Menselijk geluk, iedere vreugde in de godenwereld en het volledige bezit van nibbana: alles wordt erdoor verkregen.

Weten, bevrijding, zelfbedwang, nadat men, wijze levend, goede vrienden voor zich heeft gewonnen, wordt alles erdoor verkregen.

De analytische kennis (patisambhidā), de bevrijdingen (vimokkhā), alle deugden van een heilige discipel, de Verlichting voor zich zelf en het niveau van een Boeddha: alles wordt erdoor verkregen.

Zo is die schat, namelijk het bezit van morele verdienste, van grote magische kracht. Daarom prijzen de standhaftigen, de kundigen, de toestand van morele verdienstelijkheid.


1.2. Vier gunsten

Er zijn vier gunsten, namelijk geven, liefdevolle woorden, hulpvaardig gedrag en blijk geven van gelijkheid [met anderen]. (dit is gelijkmatig gedrag, onpartijdigheid, deelname aan vreugde en verdriet).

"Geven, en ook zachtmoedige woorden, behulpzaam gedrag in deze wereld, broederlijkheid in alle dingen, hier en daar, waar het passend is, houden deze wereld bijeen, zoals de assen van een wagen.

Als die gunsten er niet waren, zouden de kinderen voorwaar hun vader en hun moeder geen achting en eer betonen. Maar omdat de wijze deze gunst in de praktijk brengt, daarom verwerft hij echte grootte, en hem wordt ook lofprijzing ten deel. (A.IV.32)

(De vier gunsten worden ook vermeld in A.IV.253, A.VIII.24 en A.IX.5)



Elders worden zij nader beschreven:


Het beste van geven is de gave van de leer.

Het beste van vriendelijke woorden is het iemand die ernaar verlangt en ernaar luistert steeds weer de leer te onderwijzen.

Het beste hulpvaardig gedrag is degene zonder vertrouwen aan te moedigen tot het verkrijgen van vertrouwen en hem daarin te sterken en te vestigen; de zedeloze aan te moedigen tot het verkrijgen van deugdzaamheid en hem daarin te sterken en te vestigen; de gierigaard aan te moedigen tot het verkrijgen van vrijgevigheid en hem daarin te sterken en te vestigen; degene zonder inzicht aan te moedigen tot het verkrijgen van wijsheid en hem daarin te sterken en te vestigen.

Het beste blijk geven van gelijkheid is zich als een in de stroom getredene gelijk te noemen met een [andere] in de stroom getredene, zich als eenmaal wederkerende gelijk te noemen met een [andere] eenmaal wederkerende, zich als niet meer wederkerende gelijk te noemen met een [andere] niet meer wederkerende, zich als heilige gelijk te noemen met een [andere] heilige.

Dit is de kracht van gunsten. (A.IX.5)


Als de gunsten niet aanwezig zijn, kan ondankbaarheid het loon van geven zijn.


Te Savatthi. De rijke brahmaan Dhanapala had uit goedheid zijn hele vermogen geschonken aan zijn vier zonen. In armoedige kleding ging hij naar de Verhevene die hem vroeg waarom hij zo armoedig gekleed was. De brahmaan vertelde dat hij door zijn zonen en hun vrouwen uit het huis gejaagd was. De Boeddha zei toen dat de brahmaan in de bijeenkomst als ook zijn zonen aanwezig waren, het volgende moest zeggen:

"Ik verheugde me over hen toen zij geboren werden. Ik wenste hun bestaan. Zij en hun vrouwen jagen me weg. De bozen spreken me aan met "vadertje" maar zij, duivels in de gestalte van zonen, laten de oud gewordene in de steek. De grijze vader moet aalmoezen zoeken in de huizen van anderen. De stok is voor mij beter dan deze ontaarde zonen. Met de stok kan ik een woedende os of hond wegjagen, ik voel ermee of er een kuil is, en ik houd me ermee op de been als ik struikel."

De brahmaan zei die woorden in de bijeenkomst van de brahmanen en zijn zonen brachten hem terug in het huis, gaven hem een bad en gaven hem goede kleren.

De brahmaan gaf gewaden aan de Boeddha die ze uit mededogen aannam. De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Verhevene. (S.VII.14)


1.3. Redden door geven

Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven wordt, is wel gered. Wat gegeven wordt, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven wordt. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel. (S.I.44)

monniken op hun rondgang voor het ontvangen van gaven


2. Geven aan de Verhevene en de heiligen


Geven aan monniken en heiligen brengt rijke vrucht. (S.III.24) Als men veel verdiensten wil verwerven, moet men gaven geven aan de heiligen, degenen die zich bevinden op een van de paden van heiligheid. Gaven aan hen gegeven dragen rijke vrucht. (S.XI.16; S.10.10 en S.10.11) En een gave aan een volmaakte heilige en aan een Boeddha brengt heel rijke vrucht. Zo wordt de gave voor de gevende tot zegen. (S.7.13)


Heel uitvoerig beschreef de Boeddha dit in de twee volgende leerreden.



2.1. Het beschouwen van de vergankelijkheid – de hoogste verdienste

Te Sāvatthī, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot gezinshoofd Anāthapindika.

"Gezinshoofd, geeft men in jouw huis aalmoezen [aan bedelaars]?"

"Heer, natuurlijk geeft men in mijn huis aalmoezen, en wel ruwe rode rijst, en als tweede een rijstsoep.

"Gezinshoofd, of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het zonder eerbied en hoffelijkheid geeft, niet eigenhandig, als hij alleen afval geeft, zonder geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed waar de uitwerking van die gave ook intreedt, geen vreugde aan voortreffelijke spijzen, aan kostbare kleding en statige wagens, geen vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem niet, luisteren niet naar hem, zorgen niet voor hem. En wel omdat handelingen die zonder eerbied uitgevoerd werden, een dergelijk resultaat hebben.


Of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het met eerbied en hoffelijkheid geeft, eigenhandig, geen resten, geen afval, met het geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed, waar de werking van die gave ook intreedt, vreugde aan voortreffelijke spijzen, kostbare kleding, statige wagens, vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem, luisteren naar hem en zijn opmerkzaam. En wel omdat handelingen die met eerbied verricht werden, een dergelijk resultaat hebben.

Gezinshoofd, eens leefde er een brahmaan met naam Velāma. Hij gaf de volgende gave, een geweldige gave: hij schonk 84000 gouden vaten gevuld met zilver, 84000 zilveren vaten gevuld met goud, 84000 bronzen schotels gevuld met kleinodien, 84000 met goud versierde olifanten die met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 wagens die met leeuwen-, tijger- en pantervellen en gele woldekens overtrokken waren en met goud versierd, met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 met zijde bedekte en met bronzen melkvaten behangen koeien, 84000 maagden die getooid waren met oorringen met edelstenen bezet, 84000 dekens van witte wol met franjes en met bloemen erin verwerkt, en rustbedden voorzien van mooie antilopenvellen, bovendekens, en met purperen kussens aan beide bed-einden, 84000 koti1 gewaden uit het fijnste linnen, fijnste zijde, fijnste wol en katoen. Wat moet men dan nog zeggen over het eten en drinken, over de lekkernijen en dranken die er tevens in stromen vloeiden?


Gezinshoofd, je zult nu wel denken dat de brahmaan Velāma, die toen een dergelijke grote gave schonk, de een of andere vreemdeling is geweest. Maar dat moet je niet denken. Want de brahmaan Velāma, die toen die grote gave schonk, was ik. Maar bij het geven van die gave was niemand aanwezig die gaven waard was; niemand heiligde die gave.


Veel verdienstelijker dan die grote gave van de brahmaan Velāma is het, wanneer men voedsel geeft aan iemand die inzicht heeft. [d.w.z. aan een in de stroom getredene].

Nog veel verdienstelijker echter is het voedsel te geven aan honderd inzicht bezittenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een eenmaal wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd eenmaal wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een niet meer wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd niet meer wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een heilige. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd heiligen. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een Paccekaboeddha. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd Paccekaboeddhas. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de Volmaakte, Heilige, volmaakt Verlichte. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Verlichte. Veel verdienstelijker is het wanneer men voor de gemeenschap van de monniken van alle vier windrichtingen een klooster opricht. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, diens leer en tot de gemeenschap van de monniken. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen de regels van deugdzaamheid op zich neemt: vermijden van doden, van stelen, van seksueel wangedrag, van liegen en van bedwelmende middelen. Veel verdienstelijker echter is het wanneer men, al is het maar voor een handomdraai, een gemoed van liefdevolle vriendelijkheid opwekt. Maar het meest verdienstelijke van dit alles is het wanneer men het beschouwen van de vergankelijkheid oefent, al is het maar voor een ogenblik. (A.IX.20)



2.2. Dakkhināvibhanga sutta – soorten van donaties

De Boeddha sprak tot zijn pleegmoeder Mahāpajāpati toen zij een paar gewaden die door haar zelf gemaakt waren, aan de Boeddha wilde aanbieden. Hij vroeg zijn pleegmoeder om de gewaden aan de Sangha aan te bieden. Hij somde 14 soorten op van donaties aan personen en 7 soorten van donaties aan de Sangha. Hij legde uit dat gaven aan de Sangha hogere verdiensten brengen.


"Er zijn 14 soorten van persoonlijke gave.

1. Men geeft de Tathāgata, de Heilige en volmaakt Ontwaakte een geschenk.

2. Men geeft een Paccekaboeddha een geschenk.

3. Men geeft een arahant, leerling van de Tathagata, een geschenk.

4. Men geeft een geschenk aan degene die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van arahantschap.

5. Men geeft een niet meer wederkerende een geschenk.

6. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van niet meer wederkeer.

7. Men geeft een eenmaal wederkerende een geschenk.

8. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van eenmaal wederkeer.

9. Men geeft een in de stroom getredene een geschenk.

10. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de vrucht van stroomintrede.

11. Men geeft een geschenk aan iemand die buiten de leer van de Boeddha staat en die vrij is van begeerte naar zingenot.

12. Men geeft een geschenk aan een deugdzame wereldling.

13. Men geeft een zedeloze wereldling een geschenk.

14. Men geeft een dier een geschenk."


"Wanneer men een dier een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100 keer van voordeel is. Wanneer men een zedeloze wereldling een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 1000 keer van voordeel is. Wanneer men een deugdzame wereldling een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100.000 keer van voordeel is. Wanneer men iemand die buiten de leer van de Boeddha staat en die vrij is van begeerte naar zingenot, een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100.000 maal 10 miljoen keer van voordeel is. Wanneer men iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave onmetelijk, onmeetbaar van voordeel is. Wat moet dan nog gezegd worden over het geven van geschenken aan een stroomingetredene? Wat moet dan nog gezegd worden over het geven van geschenken aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van eenmaal wederkeer? Wat moet men dan nog zeggen over het geven van geschenken aan een eenmaal wederkerende, aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van niet meer wederkeer, aan een niet meer wederkerende, aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van arahantschap, aan een arahant, aan een Paccekaboeddha? Wat moet men dan nog zeggen over het geven van geschenken aan een Tathāgata, een Heilige en volmaakt Verlichte?"

"Ananda, er zijn zeven soorten gaven aan de Sangha.2

1. Men geeft een geschenk aan een Sangha van zowel bhikkhus als ook bhikkhunis, onder de leiding van de Boeddha.

2. Men geeft een geschenk aan een Sangha van zowel bhikkhus als ook bhikkhunis, nadat de Boeddha het definitieve nibbana bereikt heeft.

3. Men geeft een geschenk aan een Sangha van bhikkhus.

4. Men geeft een geschenk aan een Sangha van bhikkhunis.

5. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhus en bhikkhunis uit de Sangha voor mij."

6. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhus uit de Sangha voor mij."

7. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhunis uit de Sangha voor mij."

Ananda, in de toekomst zullen er personen in de Orde zijn die zedeloos zijn, met een slecht karakter. De mensen zullen aan die zedeloze personen geschenken geven omwille van de Sangha. Zelfs dan is een gave die tegenover de Sangha gebracht wordt, onmetelijk, onmeetbaar. En ik zeg dat onder geen omstandigheden een geschenk dat aan iemand persoonlijk is gebracht, ooit grotere vrucht brengt dan een gave aan de Sangha."


Soorten van zuivering van een gave

"Er zijn vier soorten van zuivering van een gave, en wel:

1. Er is de gave die door de gever gezuiverd werd, maar niet door de ontvanger.

2. Er is de gave die door de ontvanger gezuiverd werd, maar niet door de gever.

3. Er is de gave die niet door de gever noch door de ontvanger gezuiverd werd.

4. Er is de gave die zowel door de gever als door de ontvanger gezuiverd werd.

(ad 1) Wat is de gave die door de gever gezuiverd werd maar niet door de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.

(ad 2) Wat is de gave die door de ontvanger gezuiverd werd maar niet door de gever? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter.

(ad 3) Wat is de gave die niet door de gever noch door de ontvanger gezuiverd werd? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.

(ad 4) Wat is de gave die zowel door de gever als door de ontvanger gezuiverd werd? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter."

Dit is wat de Verhevene zei. En daarna voegde hij nog de verzen toe:

"Wanneer een deugdzame aan een zedeloze vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan zuivert de deugdzaamheid van de gever deze offergave.

Wanneer een zedeloze zonder vertrouwen aan een deugdzame geeft wat oneerlijk is verworven, zonder erop te vertrouwen dat de vrucht van de handeling groot is, dan zuivert de deugdzaamheid van de ontvanger deze offergave.

Wanneer een zedeloze zonder vertrouwen aan een zedeloze geeft wat oneerlijk is verworven, zonder erop te vertrouwen dat de vrucht van die handeling groot is, dan zuivert geen deugdzaamheid deze offergave.

Wanneer een deugdzame aan een deugdzame vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan komt die gave tot volle rijpheid.

Wanneer iemand die vrij is van begeerte aan iemand die vrij is van begeerte vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan is deze gave de beste van de werelden." (M.142)

(Over zuiverheid van gaven is ook verhaald in:  Zuiverheid van de gave)



2.3. Koningin Mallika

Dat een gave aan de Verhevene direct vrucht draagt, toont het volgende verhaal. Koningin Mallikā was de hoofdvrouw van koning Pasenadi. Zij was de dochter van een guirlandenmaker te Sāvatthi. Op zekere dag keerde zij terug van de bazaar met een cake. Die wilde zij in de bloementuin opeten. Maar zij zag de Verhevene met zijn gevolg aankomen op zijn tocht voor bedelspijs. Uit devotie gaf zij hem de cake. Op verzoek van de Verhevene spreidde Ānanda een oppergewaad uit waarop de Verhevene ging zitten en de cake nuttigde. De Boeddha zei toen glimlachend dat als gevolg van die daad Mallikā nog diezelfde dag de hoofdvrouw van de Kosala-koning zou worden.

De koning was toen verslagen in een strijd tegen zijn neef te Kāsigāma. Hij kwam in de stad terug en ging de bloementuin binnen om er te wachten op een deel van de strijdkrachten. Toen Mallikā zag dat hij de koning was, verzorgde zij hem goed. De koning liet haar vader komen en maakte haar tot zijn hoofdvrouw.3



2.4. Uposatha dag

Dat het veel waard is gaven te geven aan de gemeenschap van de monniken, toont deze leerrede.


Eens verbleef de Verhevene in het oostelijke klooster te Savatthi, in de hal van Migaras moeder. Het toen een Uposatha dag. De Verhevene zat er temidden van de discipelen. De Verhevene overzag de geluidloze, zwijgende schare van discipelen en sprak tot hen:

"Monniken, zwijgzaam is deze schare van discipelen, geluidloos, zuiver, gevestigd in het echte, in de kern, in het wezenlijke, in de ware gedaante van de leer. Deze bijeenkomst van monniken is van een dergelijke aard zoals men ze zelden in de wereld te zien krijgt. Zij is van een dergelijke aard dat zij offergaven waard is, gastgeschenken waard is, gaven waard is, waard is eerbiedig gegroet te worden, de beste bodem in de wereld voor goede werken. Zij is van een dergelijke aard dat bij haar zelfs een kleine gave groot is, een grote gave echter nog groter. Deze bijeenkomst van monniken is van een dergelijke aard dat het waard is om met reisproviand voorzien zelfs meerdere dagmarsen af te leggen om haar te zien.

Er zijn monniken in deze bijeenkomst die als hemelse wezens vertoeven. Er zijn monniken in deze bijeenkomst die als Brahma-goden vertoeven. Er zijn monniken in deze bijeenkomst die in onbeweeglijkheid vertoeven. Er zijn monniken in deze bijeenkomst die als heiligen vertoeven.

Hoe nu vertoeft een monnik als hemels wezen? - Een monnik verkrijgt, helemaal afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame geestelijke toestanden, de eerste meditatieve verdieping die met denken en overwegen verbonden is, geboren in de afzondering, vervuld van vervoering en een gevoel van geluk. En hij vertoeft erin.

Na het stil worden van denken en overwegen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, de tweede meditatieve verdieping die vrij is van denken en overwegen, die geboren is in de concentratie, vervuld met vervoering en een gevoel van geluk. En hij vertoeft erin.

Na het opgeven van de vervoering vertoeft hij gelijkmoedig, oplettend, helder bewust, en hij ondervindt in zijn binnenste een geluksgevoel waarvan de edelen zeggen: "De gelijkmoedige, oplettende vertoeft gelukkig. Zo verkrijgt hij de derde meditatieve verdieping en vertoeft erin.

Na het verdwijnen van behaaglijk gevoel en pijn en het al eerdere uitdoven van vreugde en verdriet, verkrijgt hij de leedloze-vreugdeloze vierde meditatieve verdieping die bestaat uit de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en oplettendheid. En hij vertoeft erin.

Monniken, zo vertoeft een monnik als hemels wezen.


Hoe nu vertoeft een monnik als een Brahma-god? - Een monnik doordringt met een geest die vervuld is van goedheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid de ene windrichting, evenzo de tweede, evenzo de derde en evenzo de vierde. Zo doordringt hij opwaarts en neerwaarts, in het midden, in alle tussenliggende richtingen, overal. Daarbij herkent hij zichzelf in alles, en doordringt de hele wereld met een van goedheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid vervulde geest, een wijde, omvattende, onmetelijke geest, vrij van haat en kwaadwil. Zo vertoeft een monnik als een Brahma-god.


Hoe nu vertoeft een monnik in onbeweeglijkheid? - Een monnik verkrijgt door volledige opheffing van lichamelijks-waarnemingen, door het verdwijnen van de voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, met de gedachte ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid. En hij vertoeft daarin.

Door volledige overwinning van het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt hij dan met de gedachte ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid. En hij vertoeft erin.

Door volledige overwinning van het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt hij met de gedachte ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer. En hij vertoeft erin.

Door volledige overwinning van het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt hij het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. En hij vertoeft erin. Zo vertoeft een monnik in bewegingloosheid.


Hoe nu vertoeft een monnik als heilige? - Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het ontstaan van lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid "Dit is het ontstaan van lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het pad dat voert naar de bevrijding van lijden." Zo vertoeft een monnik als heilige. (A.IV.190)


2.5. Offergave met weinig moeite en groot resultaat

Een offergave met weinig moeite en groot resultaat is het geven van de vier benodigdheden aan deugdzame monniken. Minder moeite en nog voorspoediger is het geven van een klooster aan de Orde. Nog beter is het 1) zijn toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha; 2) de vijf regels na te volgen; 3) vanuit het huiselijke leven naar het huisloze leven te gaan en het heilige leven te leiden met als resultaat Nibbāna. Het laatste overtreft alle andere offergaven. (D.5)



2.6. Wanneer moet men aalmoezen geven?

Volgens het commentaar verspreidde zich na de Verlichting van de Boeddha het gerucht dat hij de mensen vroeg voortaan alleen aan hem en zijn discipelen aalmoezen te geven en niet meer aan aanhangers van andere scholen. Koning Pasenadi geeft de Boeddha gelegenheid om in een openbare bijeenkomst waartoe de leraren van de andere scholen uitgenodigd zijn, dat gerucht te weerleggen.

Te Savatthi. Koning Pasenadi vroeg aan de Verhevene wanneer men aalmoezen moet geven.

De Boeddha: "Wanneer het hart er vreugde aan heeft."

Pasenadi: "Wanneer draagt het gegevene rijke vrucht?"

De Boeddha: "Wat iemand die deugdzaamheid beoefent, gegeven werd, draagt rijke vrucht; het is niet zo bij een ondeugdzame.

Wat gegeven wordt aan iemand bij wie de vijf eigenschappen zijn verdwenen, de bhikkhu die vijf eigenschappen bezit, dat draagt rijke vrucht.

De verdwenen eigenschappen zijn: begeerte naar zinnelijke lust; traagheid en slapheid; boosheid; hoogmoed en weifelen; twijfel.

Hij is voorzien van de volgende eigenschappen:

(1) Met alles wat tot het begrip van de zedelijke discipline behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(2) Met alles wat tot het begrip geestelijke concentratie behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(3) Met alles wat tot het begrip inzicht behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(4) Met alles wat tot het begrip bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(5) Met alles wat tot het wetende schouwen van de bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

Wat aan iemand bij wie die vijf eigenschappen verdwenen zijn en die met die vijf eigenschappen voorzien is, gegeven is, dat draagt rijke vrucht.

Degene met inzicht zal diegene door gaven eren bij wie de eigenschappen geduld en liefdevolle vriendelijkheid ingeworteld zijn, de edele, ook als hij van lage komaf is.

Hij zal kluizen oprichten en de goed onderwezen monniken daar laten wonen. Hij zal waterputten aanleggen in waterloze wildernis en wegen in ontoegankelijk gebied. Eten en drinken, kleren en bedden zal hij aan de rechtschapene geven met vroom hart.

De wijze zal de monniken verkwikken met spijs en drank. Vreugde brengend deelt hij uit, met de woorden: 'geeft aalmoezen.' Deze rijke vloed van zijn verdienstelijke werken overstroomt de gever." (S.III.24)



2.7. Aan wie moet men offeren?

De Verhevene vertoefde te Rājagaha, op de berg Gijjhakūta. Sakka, de koning der goden, ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde staan en vroeg:

"De mensen die offergaven geven, die verdiensten willen verwerven, verdiensten als grondslag voor een beter bestaan: aan wie moeten zij offeren zodat het rijke vrucht draagt?"

De Verhevene gaf ten antwoord: "De mensen die offeren aan de vier die zich op het pad bevinden, die de vruchten ervan genieten, de oprechte gemeenschap die inzicht en deugdzaamheid heeft, zij die verdiensten willen verwerven als grondslag voor een beter bestaan, zij moeten aan de gemeenschap [van heiligen] gaven geven zodat het rijke vrucht draagt." (S.XI.16)


Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf toen te eten aan de bhikkhuni Sukkha. Een yakkha ging in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste had verkregen door zijn gave aan de bhikkhuni Sukka tot bevrijding van alle boeien. (S.X.10).


Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf aan de bhikkhuni Cira voedsel. Een yakkha ging toen in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste verkregen had met die gave aan de bhikkhuni Cira, tot bevrijding van alle boeien. (S.X.11).


Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er in een bamboebos. De bhikkhuni Sukkā preekte er de leer. Een yakkha die de bhikkhuni gelovig toegedaan was, ging toen in Rajagaha rond en zei dat de mensen er niet aandachtig naar de bhikkhuni luisterden nu zij de weg naar onsterfelijkheid predikte. Men kon er niet genoeg van krijgen naar die leer te luisteren. (S.X.9).
(Zie ook Therigāthā 54-55)

[m.a.w. Zij spoorde de mensen aan naar de bhikkhuni te gaan en er te luisteren naar de gave van de leer].



2.8. Vragen van het gezinshoofd Anāthapindika aan de Boeddha.

"Wie is gaven waardig, aan wie mag men gaven aanbieden ?"

"Twee individuen zijn gaven waardig, namelijk degene die ijverig bij het onderricht is, die zich oefent in hoger onderricht, en degene die geen onderricht meer nodig heeft.

Degenen die oprecht zijn in hun daden, woorden en denken, zij zijn het zaaiveld voor de gever: daar brengt de gave rijk loon." (A.II.36)



2.9. Het geven - Vacchagotta Sutta

"Zelfs wanneer iemand de resten uit een kom of schotel in een poel of vijver ledigt met de wens dat de daarin zich bevindende wezens daarvan mogen eten, dan heeft hij daardoor al iets goeds gedaan. Maar hij doet nog veel meer goeds wanneer het gaat om menselijke wezens.

Ook brengt datgene wat aan de deugdzame gegeven is, hoog loon. Dat is niet zo bij iemand die niet deugdzaam is. Want in de deugdzame zijn vijf eigenschappen (nîvarana) verdwenen en met vijf eigenschappen is hij voorzien.

De eigenschappen die verdwenen zijn, zijn: begeerte naar zingenot; boosheid; starheid en traagheid; opgewondenheid en onrustig gemoed; twijfel.

De eigenschappen waarmee hij is voorzien, zijn: de volheid van deugdzaamheid eigen aan de heilige; de volheid van concentratie eigen aan de heilige; de volheid van de wijsheid eigen aan de heilige; de volheid van de bevrijding eigen aan de heilige; de volheid van het inzicht der bevrijding eigen aan de heilige.

Daarmee brengt het gegevene hoog loon bij iemand die van vijf eigenschappen bevrijd en van vijf eigenschappen voorzien is.” (A.III.58)



Wanneer iemand honderd jaar lang elke maand duizend [geldstukken] offert, en een heilige slechts met een blik eert, dan is toch de verering van veel hogere waarde. (Dhp.106).



2.10. Hoogste zegen - Cundî Sutta

Eens vertoefde de Verhevene in het bamboebosje nabij Rajagaha. Toen ging de vorstendochter Cundî met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:

“Mijn broer prins Cunda beweert het volgende: 'Wie van de mannen of vrouwen zijn toevlucht genomen heeft tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en afziet van doden, van nemen wat niet is gegeven, van echtbreuk, van liegen en van het genot van bedwelmende drank, die verschijnt na de dood steeds in een gelukkige wereld, nooit in een ongelukkige.' Ik vraag u nu, Verhevene, op welke aard van meester, welke aard van leer en welke aard van monnikengemeenschap vertrouwende, welke aard van regels van deugdzaamheid navolgende, verschijnt men na de dood steeds in een gelukkige sfeer van bestaan, nooit in een sfeer vol lijden?”

“Cundî, wat er ook voor wezens bestaan, voetloze, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.

Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde, als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.

Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, d.z.w. de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen. [Hiertoe kunnen ook leken behoren.] Deze gemeenschap van volgelingen is offers waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is de beste bodem in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de volgelingen vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.” (tot hier zoals in A.IV.34)

“Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeinvloed zijn en die de geestelijke

concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar is, vervullen, die vervullen het hoogste. En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen krijgen.”

“Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,

en de hoogste leer kent;

wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,

degene die de grootste eer waard is;

wie vertrouwen heeft in de leer als de hoogste

vredig geluk van onthechting;

wie vertrouwen heeft in de[heilige] Orde als de hoogste,

de besten bodem van goede werken;

wie op deze drie vertrouwt,

ook aan de hoogste gaven geeft,

hem verwacht de hoogste zegen,

hoge ouderdom, schoonheid, roem,

geluk en kracht en hoog aanzien.

Een wijze die aan de hoogste geeft,

die toegewijd is aan de hoogste leer,

zal als goddelijk wezen of ook als mens

de hoogste vreugde deelachtig worden. (A.V.32)



2.11. Kusinâra Sutta

Als men gaven geeft aan een monnik wiens gedachten vervuld zijn met begeerte, haat en nadeel, dan heeft die gave geen hoog resultaat.

Als men gaven geeft aan een monnik die geen begeerte heeft, wiens geest vrij is haat, die vreedzaam leeft, de gave aan zo’n monnik brengt hoge vrucht. Want die monnik leeft serieus. (A.III.124)



2.12. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavanaklooster te Savatthi. De lekenvolgelinge Nantamâtâ uit Velukantaka gaf de gemeenschap van de monniken, met aan het hoofd de eerwaarden Sâriputta en Moggallâna, een met zes voordelen begeleide aalmoezenmaaltijd. De Verhevene zag dit met zijn bovennatuurlijk oog en zei tot de monniken:

“Zes voordelen heeft deze gave van Nandamâtâ, drie voordelen voor de geefster en drie voor de ontvangers.

De gever is al vóór het geven blijgestemd; tijdens het geven verblijdt zich de geest; na het geven voelt de gever zich tevreden.

De ontvangers zijn aan de begeerte ontkomen of op weg aan de begeerte te ontkomen; ze zijn aan de haat ontkomen of op weg aan de haat te ontkomen; ze zijn aan de onwetendheid ontkomen of op weg aan de onwetendheid te ontkomen.

Moeilijk kan men de verdienste van deze aalmoezengave meten. Het is - net zoals het water van de grote oceaan onmetelijk is - een grenzeloze, onmetelijke verdienste.

Wanneer men zich vóór het geven verheugt, en blij gestemd is wanneer men geeft, en gelukkig is na het geven, dan is dat geven een winst.

Degenen bij wie begeerte, haat en onwetendheid en alle neigingen zijn opgedroogd, die zelfbedwongen en kuis zijn, zij zijn het beste veld van de gaven.

Wie, na zich goed gewassen te hebben, eigenhandig de gave brengt, hem of haar brengt een dergelijke gift in latere tijden hoog loon.

Wie zo’n goede gave brengt, vrijgevig en vol vertrouwen, een wijs en verstandig mens, die gaat naar de leedloos-zalige wereld.” (A. VI.37)



2.13. Stromen van verdienste

In A.IV.51 worden vier stromen van verdienste genoemd; in A.V.45 worden vijf stromen van verdienste opgesomd. De verdere tekst is in beide suttas gelijk.


Er zijn vier (vijf) stromen van verdienste, stromen van het heilzame, zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename leiden, naar heil en zegen. Die vier (resp. vijf) stromen zijn:


Een monnik vertoeft in de onbegrensde concentratie van het gemoed en met wiens gewaad hij gekleed is, wiens aalmoezenmaaltijd hij geniet, (wiens klooster hij bewoont), wiens slaapplaats (bed en stoel) hij gebruikt, wiens medicijnen hij gebruikt, de gever daarvan krijgt een onmetelijk grote stroom van verdienste, een stroom van het heilzame, een zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename voert, naar heil en zegen.

Monniken, het is moeilijk de verdienste van de edele volgeling die met deze vier (vijf) stromen van verdienste, stromen van het heilzame beleend is, af te wegen en te zeggen hoe groot de stroom van verdienste, de stroom van het heilzame is, de zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename voert, tot heil en zegen. Maar het is een onmetelijke, grenzenloze, geweldige volheid van verdienste.

Juist zoals het niet mogelijk is om het water van de grote oceaan te meten en te zeggen hoeveel schepmaten water erin zijn, maar men het water erin als een onmetelijke, grenzenloze, geweldige massa water beschouwt, evenzo ook kan men bezwaarlijk de stroom van verdienste afwegen van iemand die met deze vier stromen van verdienste beleend is. Maar men rekent het gewoon als een onmetelijke, grenzenloze, geweldige volheid van verdienste.


Zoals de rivieren, woonplaats van vele vissen, in grote getale in de zee uitmonden, in dat water dat zo onmetelijk groot is, dat veel kleinoden herbergt en veel verschrikkelijks,

evenzo vloeien de stromen van verdienste naar de mens toe die vol inzicht is, die voedsel, drank en kleding geeft, en dekens, slaapplaats, bed schenkt. (A.IV.51. en A.V.45)


Wanneer iemand honderd jaar in het bos aan het vuur offert, en een heilige slechts met een blik eert, dan is toch de verering van de heilige van veel hogere waarde. (Dhp.107)


Wat iemand kan offeren om tot verdienste te komen, is niet het vierde deel waard van de groet voor de vrome. (Dhp.108)



2.14. De invloed van de zedenreine monnik

Op een tijd wanneer zedenreine monniken naar een huis gaan, dan verwerven de mensen er grote verdienste om vijf redenen.

Wanneer de gedachten van de mensen blij worden bij het zien van een zedenreine monnik die naar hun huis komt, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar de hemel genomen.

Wanneer de mensen een zedenreine monnik die naar hun huis komt, bedienen, hem vol eerbied begroeten en en een zitplaats aanbieden, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad genomen naar wedergeboorte in een hooggeplaatste familie.

Wanneer de mensen bij het naderen van een zedenreine monnik naar hun huis de smet van gierigheid ontzeggen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar grote macht genomen.

Wanneer de mensen aan een zedenreine monnik die naar hun huis komt, naar beste vermogen gaven uitdelen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar groot vermogen genomen.

Wanneer de mensen aan een monnik die naar hun huis komt, om uitleg vragen en naar de leer luisteren, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar hogere wijsheid genomen.

Wanneer zedenreine monniken zich naar een huis begeven, dan verwerven de mensen er grote verdienste vanwege deze vijf redenen. (A.V.199)



2.15. De kieskeurige aalmoezengever

Eens verbleef de Verhevene te Nadika. Een gezinshoofd, een houthandelaar, ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg hem:

"Gezinshoofd, geeft men in jouw gezin aalmoezen?"

Antwoord: "Heer, natuurlijk geeft men in mijn gezin aalmoezen, en wel aan zulke monniken die in het bos wonen, voor aalmoezen rondgaan, gewaden uit lompen dragen, en die heiligen zijn of zulke die zich op weg naar heiligheid bevinden."

De Verhevene: "Gezinshoofd, jij leeft met een gezin, geniet de vreugden van de zintuigen, jij hebt een huis vol kinderen en gebruikt zeer fijn sandelpoeder, bloemen, geurwerken en cremes, je maakt gebruik van goud en zilver; jij zult toch wel moeilijk onderkennen wie een heilige is of wie zich op het pad naar heiligheid bevindt.

Wanneer een monnik die in het bos woont, opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.


Maar wanneer een monnik die in het bos woont, niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.

Gezinshoofd, of een monnik nu in het dorp woont, of hij voor aalmoezen rondgaat of uitnodigingen aanneemt, of hij zich in zelfgemaakte lompengewaden kleedt of gewaden draagt die hij van de mensen heeft gekregen, wanneer hij opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.

Maar wanneer hij niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.


Welaan, gezinshoofd, geef aalmoezen aan de gemeenschap van de monniken. Want dan zal je gemoed blijmoedig vertrouwen krijgen, en vol blijmoedig vertrouwen zul je na de dood in een hemelse wereld verschijnen."


"Heer, vanaf vandaag zal ik aan de gemeenschap van de monniken aalmoezen geven." (A.VI.59)


2.16. Het dorp Patali

In het laatste jaar van het leven van de Boeddha ging deze van Nalanda naar Pātaligāma, de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna.

In Pataligama was een grote hal in het centrum van de stad. Daar onderwees de Boeddha de toegewijde inwoners van Pataligama in de leer. Hij zei o.a.:

“Gezinshoofden, de immorele mens ontmoet door zijn gebrek aan deugdzaamheid vijf gevaren: a) groot verlies van rijkdom door zijn onoplettendheid; b) een slechte reputatie; c) een verlegen houding, een verstoord gedrag en gebrek aan zelfvertrouwen in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of van asceten; d) een dood in verbijstering; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een sfeer van ellende, in een ongelukkige staat, in de lagere wereld, tot zelfs in de hel.

Maar, gezinshoofden, vijf zegeningen komen tot een oprecht mens door zijn uitoefening van deugdzaamheid: a) grote toename van rijkdom door zijn ijver; b) een gunstige reputatie; c) een zelfverzekerd gedrag zonder verlegenheid in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een onverstoorde dood; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een gelukkige staat, tot zelfs in een hemelse wereld.”

Een groot deel van de nacht besteedde de Verhevene met het onderrichten van de toegewijde mensen van Pātaligāma in de leer. Hij stichtte en verblijdde hen. Daarna zond hij ze weg met de woorden: “De nacht is ver voortgeschreden, gezinshoofden; handelt nu zoals jullie passend vinden.” – “Ja, Heer.”

       En de toegewijde mensen van Pātaligāma stonden van hun zitplaatsen op, groetten de Verhevene vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend. En weldra na hun vertrek trok de Verhevene zich terug in afzondering.

       Op die tijd lieten Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha, een vesting bouwen te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis. In duizendtallen hadden godheden bezit genomen van huizen in Pātaligāma. Nu is het zo dat door godheden invloed uitgeoefend wordt op de geesten van ambtenaren. Godheden van grote, middelmatige en mindere macht beïnvloeden de geesten van ambtenaren van respectievelijk grote, middelmatige en mindere macht zodanig dat dezen er gebouwen laten oprichten.


Met het hemelse oog dat zuiver is en dat het vermogen van mensen te boven gaat, zag de Verhevene die godheden in duizendtallen te Pataligama. En hij zei aan de eerwaarde Ananda dat die vesting van alle handelscentra de belangrijkste stad zal zijn, met naam Pataliputta. Maar ze zal bedreigd worden door drie gevaren: vuur, water en onenigheid.”


       Toen begaven de hoofdministers Sunīdha en Vassakāra zich naar de Verhevene, groetten hem hoffelijk en wisselden vele aangename woorden. Zij gingen terzijde staan en spraken tot de Verhevene aldus: “Moge het de Eerwaarde Gotama behagen om samen met de gemeenschap van monniken onze uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen.” En door zijn zwijgen stemde de Verhevene toe.

Sunīdha en Vassakāra vertrokken toen naar hun eigen verblijven en lieten er uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen klaarmaken. En toen het tijd was, deelden zij de Verhevene mede: “Het is tijd, Eerwaarde Gotama; de maaltijd is gereed.”

       Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam zijn nap en gewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Sunīdha en Vassakāra. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En Sunīdha en Vassakāra bedienden zelf de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Boeddha. En zij dienden hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen. Toen de Verhevene zijn maaltijd beëindigd had en zijn hand van de nap had weggenomen, namen zij lagere zitplaatsen en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene dankte hen met deze strofe:

“Waar een wijs mens ook moge verblijven,

laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,

die vol zelfbeheersing het goede leven voeren.

En wanneer hij aan deze waardige personen

gaven heeft geschonken,

deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.

Aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer

en zijn hem goedgunstig gezind,

juist zoals een moeder is jegens haar eigen,

haar enige zoon.

En degene die aldus door de goden geliefd is

en hun gunst geniet,

ziet steeds geluk.” (Ud.VIII.6)


Hier wordt men verzocht gaven te geven aan de deugdzamen en de verdiensten ervan over te dragen aan de goden. Dit gebruik gaat terug tot pre-boeddhistische tijden. Oorspronkelijk werd geld gegeven of een gave aan de priester als beloning voor zijn diensten. Nog tijdens het leven van de Boeddha veranderde dit. Benodigdheden voor monniken werden aangeboden en de verdiensten ervan werden overgedragen aan de overleden verwanten of aan de goden.4


2.17. De laatste maaltijd van de Verhevene

Dat elke gave aan de Boeddha een groot resultaat heeft, toont het verhaal over de laatste maaltijd van de Verhevene. Na die maaltijd werd hij (weer) ziek. Sommigen geven daarom de gever van die maaltijd de schuld van de ziekte van de Boeddha.

In het laatste levensjaar van de Boeddha ging hij van Bhoganagara naar Pāvā. Daar woonde hij in het mango-park van de goudsmid Cunda. Die goudsmid vernam dat de Verhevene in zijn park vertoefde, ging naar de Verhevene toe, begroette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. Hij werd door de Verhevene onderwezen en verblijd met een gesprek over de leer.

Daarna nodigde de goudsmid Cunda de Verhevene uit om samen met de gemeenschap van de monniken bij hem de maaltijd aan te nemen. De Verhevene stemde toe in stilzwijgen.

       In die nacht liet de goudsmid in zijn huis uitgelezen vaste en vloeibare spijzen toebereiden en ook een rijkelijke massa varkensragout. Daarna deelde hij dit de Verhevene mee met de woorden: “Heer, het is tijd; de maaltijd is klaar.” Daarop maakte de Verhevene zich in de morgen gereed, nam oppergewaad en nap en begaf zich samen met de gemeenschap van de monniken naar het huis van de goudsmid Cunda. Daar aangekomen ging hij op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En vervolgens zei hij tot de goudsmid Cunda: “Wat je daar aan varkensragout hebt laten klaarmaken, bedien mij daarmee; wat je evenwel aan andere vaste en vloeibare spijzen hebt laten klaarmaken, bedien daarmee de gemeenschap van de monniken.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord en deed wat hem verzocht was. Toen sprak de Verhevene tot Cunda: “Wat er aan varkensragout overblijft, Cunda, begraaf dat in een kuil. In de wereld met haar goden, haar Māras en haar Brahmas, in deze generatie met haar boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen zie ik niemand die deze ragout, na hem genoten te hebben, volledig zou kunnen verteren, uitgezonderd alleen de Volmaakte.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord. Wat er aan varkensragout overgebleven was, begroef hij in een kuil en daarna begaf hij zich naar de Verhevene. Hij begroette de Verhevene vol eerbied en ging terzijde neerzitten. (D.16; Ud. VIII.5)

Cunda werd in de leer onderwezen. De Boeddha sprak tot hem over de vergankelijkheid in deze wereld van bestaan, en over niet-zelf. Rijkdom kan in armoede veranderen en gezondheid in ziekte, Jeugd maakt plaats voor ouderdom, sterkte voor zwakte. Er is geen ware vreugde in de wereld omdat alles leeg van zelfstandigheid is, onderhevig aan verandering en verval. Ook de wereld van de godheden is van een dergelijke aard. Door het afleggen van begeerte wordt vrede verkregen.

Vervolgens verhief de Verhevene zich van zijn zitplaats en vertrok.5


Spoedig nadat hij de maaltijd van de goudsmid Cunda had genuttigd, werd de Verhevene door een zware ziekte getroffen met een stroom van bloed en met hevige, levensgevaarlijke pijnen. Maar de Verhevene verdroeg die volbewust, bezonnen, met onverstoord gemoed. Daarna ging hij op weg naar Kusināra. (D.16; Ud. VIII.5)

Onderweg had hij nog een gesprek met Pukkusa van de stam van de Mallas. Toen deze was vertrokken, verscheen de huid van de Verhevene helder en stralend. Hij legde aan de eerwaarde Ānanda uit dat de huid van de Tathāgata buitengewoon helder en stralend verschijnt op de avond voordat de Tathāgata tot zijn uiteindelijke heengaan komt in de staat van Nibbāna waarin geen enkel element van hechten overblijft. En juist nu, in de laatste wacht van die nacht, zou de Verhevene in het sala-bosje van de Mallas, in de buurt van Kusināra, tussen twee salabomen, tot zijn parinibbana komen.

Na deze uitleg ging hij samen met Ānanda en een grote groep van monniken naar de rivier Kakutthā. (D.16)

Daar nam hij een bad en omdat hij moe was, ging hij neerliggen op zijn in vieren gevouwen oppergewaad.

Toen sprak de Verhevene tot Ānanda: “Het zou kunnen zijn dat de een of ander de goudsmid Cunda met het verwijt kwelt: ‘Vriend Cunda, het is voor jou geen verdienste, maar daadwerkelijk een nadeel dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs heeft genuttigd, definitief is uitgedoofd.’ De goudsmid Cunda echter, Ānanda, moet van dat verwijt op de volgende manier ontbonden worden: ‘Vriend, dat strekt je lange tijd tot voordeel, dat strekt je waarlijk tot zegen, dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs had genoten, definitief is uitgedoofd. Want, vriend Cunda, uit de mond van de Verhevene heb ik het gehoord, heb ik het vernomen: ‘De vrucht en zegen van de aalmoezenspijs na het genot waarvan de Volmaakte definitief uitdooft in die staat van nibbāna waarin de elementen van hechten niet meer ontstaan is groter dan die van enige andere gave van voedsel. De eerwaardige goudsmid Cunda heeft met die daad verdiensten opgehoopt die tot lang leven leiden, tot schoonheid, welzijn, aanzien, tot hemelse wedergeboorte en tot macht.’ Op een dergelijke manier, Ānanda, moet de goudsmid Cunda van dat verwijt ontbonden worden.” En verder uitte de Verhevene toen de plechtige woorden:

“Voor degene die geeft, nemen verdiensten toe;

in wie zelfbedwongen is, hoopt geen haat zich op.

Wie bekwaam is in deugd, vermijdt het kwade.

En door het uitroeien van begeerte en haat

en van alle illusie komt hij tot vrede.”


Dhammapāla en Buddhaghosa noteerden dat naar men zegt goden voedzame essentie in de varkensragout hadden gedaan. Daarom kon dat voedsel niet door anderen gegeten worden.6


Buddhaghosa noemde dysenterie als ziekte.7 Dhammapāla geeft in zijn commentaar de volgende uitleg over de ziekte. Toen de Bodhisatta een arts was, genas hij de zoon van een rijke koopman. Maar om nog meer honorarium te krijgen, gaf hij hem verder kruiden die onnodige zuivering veroorzaakten. Ten gevolge van die daad kreeg de Bodhisatta in elk leven een bloederige diarree, juist zoals in zijn laatste leven na het nuttigen van Cunda’s maal.8

Geen van de Chinese versies vermeldt de ziekte van de Boeddha als gevolg van Cunda’s maaltijd, behalve één. Daarin wordt Cunda voor zijn maaltijd door de Boeddha geprezen waarna de laatste ziek wordt.9 Omdat de ziekte na de maaltijd in de meeste Chinese versies niet vermeld wordt, is aan te nemen dat door latere volgelingen van de Boeddha dit gedeelte is ingevoegd om de schuld voor die ziekte aan Cunda te geven.

Masefield merkte op dat de ziekte die eerder te Beluva door de Boeddha was onderdrukt, weer opkwam na de maaltijd bij Cunda. Die ziekte was dus niet te wijten aan die maaltijd. Daarom zou de Boeddha gezegd hebben dat Cunda van blaam moest worden gezuiverd.10



3. Het offeren van dieren en mensen


Het offeren van mensen en dieren om onheil te voorkomen is nutteloos. Dieren- en mensenoffers zijn niet goed. Ze dragen geen heilzame vruchten. Maar offers waar geen levende wezens gedood worden, zijn heilzaam en brengen rijke vrucht. (S.III.9)


3.1. Het offer I

Eens ging de brahmaan Ujjaya naar de Verheven toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Daarna vroeg hij of de Boeddha elke offergave goedkeurde.

De Verhevene gaf ten antwoord: "Brahmaan, ik keur niet elk offer goed en ik keur niet elk offer af. Een offer waarbij runderen, schapen en geiten geslacht worden, kippen en varkens omkomen, waarbij talrijke levende wezens gedood worden, een dergelijk gewelddadig offer keur ik af. Want van een dergelijk gewelddadig offer wenden zich de heiligen af en degenen die het pad naar heiligheid hebben betreden.

Maar een offer waarbij geen runderen, schapen en geiten, kippen en varkens geslacht worden, en waar ook geen talrijke levende wezens de dood vinden, een dergelijk geweldloos offer waarlijk keur ik goed, namelijk voortdurende weldadigheid, als een offer van het familiegebruik. En waarom? Tot een dergelijk geweldloos offer komen immers de heiligen en degenen die de weg naar heiligheid betreden hebben."


"Dierenoffers en mensenoffers brengen leed en geen loon. Zulke offers worden gemeden door zuiveren, door alle grote wijzen.

Maar wie een leedloos offer brengt, offer van het familiegebruik, waarbij geen rund, schaap noch geit, geen enkel levend wezen de dood vindt, een dergelijk waardig offer wordt door heiligen en wijzen opgezocht. Zo'n offer betaamt de wijze en brengt hoog loon. Het brengt zegen en nooit onheil; en wanneer dat offer rijkelijk is, dan verheugen zich ook de goden." (A.IV.39)



3.2. Het offer II

(De vragende is hier de brahmaan Udāyi. Het proza gedeelte is gelijk aan A.IV.39. Alleen de verzen zijn anders, namelijk:)

"Waardig is een leedloos offer, dat te juister tijd wordt aangeboden. Zoiets zoeken zelfbedwongenen die het heilige leven voeren, die bevrijd zijn van de sluier der wereld, ontkomen aan het wanordelijke bestaan.

Aan een dergelijk offer geven ook Boeddhas lofprijzing, zij kenners van alle goeds (letterlijk: kenners van zedelijke verdienste).


Offer of dodenmaal, juist gegeven gave die men met een goed hart geeft aan een heilige, het veld van verdienste, juiste offers, juiste gaven, die men de waardige overhandigt;

en wanneer dit offer rijkelijk is, verheugen zich ook de goden. Als een wijze op die manier offert, met een vrij hart, vol vertrouwen, dan is hem vast en zeker een wereld voorbestemd zonder leed, gelukkig." (A.IV. 40)



3.3. Kutadanta sutta

Tweegesprek waarin het offeren van dieren veroordeeld wordt. De brahmaan Kūtadanta vroeg aan de Boeddha op de avond voor een groot offerfeest hoe hij het beste dieren kon offeren. De Boeddha gaf toen eerst het voorbeeld van de vroegere koning Mahāvijita. Die offerde met veel moeite en met weinig resultaat. De brahmaan vroeg of er een offergave was met minder moeite en met meer resultaat. De Boeddha vertelde hem toen over het geven van de vier benodigdheden aan deugdzame monniken. Minder moeite en nog voorspoediger was het geven van een klooster aan de Orde. Nog beter was 1) zijn toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha; 2) de vijf regels na te volgen; 3) vanuit het huiselijke leven naar het huisloze leven te gaan en het heilige leven te leiden met als resultaat Nibbāna. Het laatste overtrof alle andere offergaven. (D.5)



3.4. Het grote offer

Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana klooster. Op die tijd zou een groot offerfeest van de brahmaan Uggata-Sarīra gehouden worden. Vijfhonderd stieren had men voor het offer naar de offerpaal gebracht. Hetzelfde was gebeurd met vijfhonderd jonge stieren, vijfhonderd vaarsen, vijfhonderd geiten en vijfhonderd rammen. De brahmaan Uggata-Sarīra ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei aan de Verhevene:

Heer Gotama, ik heb vernomen dat het brengen van vuuroffers en het oprichten van offerpalen hoog loon en zegen brengt."

"Ook ik heb dat vernomen, brahmaan."

"Heer Gotama, dan stemmen wij dus hierin met elkaar overeen."

Na deze woorden zei de eerwaarde Ananda to de brahmaan Uggata-Sarīra dat men op zo'n manier niet met de Volmaakte moest omgaan. Maar op de volgende manier moest men aan de Volmaakte de vraag stellen: "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."

Daarop zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene: "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."


De Verhevene gaf ten antwoord: "Brahmaan, wie een vuuroffer brengt en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende. Het is het zwaard in daden, het zwaard in woorden en het zwaard in gedachten.

Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die laat al voor het offeren deze gedachten in zich opkomen: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit eerste zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

Verder brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die spreekt al voor het offeren woorden zoals: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit tweede zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

Verder, brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die begint zelf als eerste met het slachten van stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen. Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit derde zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.


Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren deze drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende, leed brengende.

Brahmaan, drie soorten vuur moet men verwerpen, moet men vermijden, niet onderhouden, namelijk het vuur van begeerte, het vuur van haat en het vuur van onwetendheid. Want door begeerte, haat en onwetendheid gedreven en overweldigd, met geobsedeerd hart, heeft men in daden, woorden en gedachten een slecht gedrag. En daardoor komt men na de dood in een lagere wereld, op een weg van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Daarom, brahmaan, moet men deze drie soorten van vuur verwerpen, vermijden, niet onderhouden.


Maar drie soorten van vuur moet men in een goede toestand houden, doordat men ze hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt. Die drie soorten vuur zijn het offerwaardige vuur, het vuur van het gezinshoofd en het vuur dat gaven waard is.


Het offerwaardige vuur bestaat hierin: wanneer iemands vader en moeder nog in leven zijn, dan gelden zij voor hem als offerwaardig vuur. En wel omdat men door hen ter wereld werd gebracht, van hen afstamt. Daarom moet men dit offerwaardige vuur in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.


Het vuur van het gezinshoofd bestaat hierin: wat iemand bezit aan vrouwen, kinderen, dienaren en arbeiders, dat noemt men het vuur van het gezinshoofd. Daarom moet men dit vuur van het gezinshoofd in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.


Het vuur dat gaven waard is, bestaat hierin:

Er zijn asceten en priesters die afkerig zijn van verkeerde leer, die gevestigd zijn in verdraagzaamheid en goedertierenheid, die alleen hun ik bedwingen, tot rust brengen en laten uitdoven. Dat noemt men het vuur dat gaven waard is. Daarom moet men dit vuur dat gaven waard is, in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.


Brahmaan, het houtvuur moet men van tijd tot tijd aansteken; men moet er van tijd tot tijd naar kijken; men moet het van tijd tot tijd uitdoven; men moet het van tijd tot tijd brandend houden."

Na deze woorden zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene dat hij voortreffelijk gesproken had. De brahmaan nam zijn toevlucht tot de Boeddha en werd een lekenvolgeling. De offerdieren liet hij vrij. (A.VII.44)



4. Voorwaarden van vrijgevigheid


Het geven van offergaven moet met respect gebeuren en eigenhandig. (D.23)


Wanneer drie voorwaarden aanwezig zijn, krijgt een van vertrouwen vervulde achtenswaardige persoon grote verdienste: wanneer vertrouwen aanwezig is; wanneer gaven aanwezig zijn; wanneer iemand aanwezig is die de gaven waard is. (A.III.41)


(Het samentreffen van deze drie voorwaarden geeft aan de daad van vrijgevigheid zijn grote volmaaktheid. Volgens het commentaar zijn de beide laatste voorwaarden naar verhouding gemakkelijker aan te treffen. Maar juist vertrouwen in de leer van de Boeddha is bij een wereldling (d.w.z. iemand die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt) iets zeldzaams; want zijn vertrouwen is onbestendig en kan al bij de volgende stap die hij zet, aan twijfel onderhevig zijn.)



5. Soorten van geven



Er zijn twee soorten hulp, namelijk materiele hulp en de hulp van de waarheid. De laatste is de beste hulp.

Twee soorten hulpbetoon, materieel hulpbetoon en hulpbetoon van de waarheid. Het beste is hulpbetoon van de waarheid.

Twee soorten gastgeschenken, het materiele gastgeschenk en dat der waarheid. Het beste is het gastgeschenk van de waarheid.

Twee soorten rijkdom, materiele rijkdom en de rijkdom der waarheid. Het beste is de rijkdom der waarheid. (A.II.152-163)



Er zijn twee soorten gaven, namelijk de materiele gave en de gave van de waarheid. De beste gave is de gave van de waarheid.

Er zijn twee soorten offergaven, namelijk de materiele offergave en de offergave van de waarheid. De beste offergave is de offergave van de waarheid.

Er zijn twee soorten vrijgevigheid, namelijk de vrijgevigheid in het materiele en de vrijgevigheid in het geven van de waarheid. De beste vrijgevigheid is die in het geven van de waarheid. (A.II.142-151)



De gave die men de hoogste, onvergelijkbaar noemt,

het geven dat door de Verhevene geprezen is,

wie wil niet graag, geheel tevreden met dit veld,

als wijze, kenner te passender tijd zo offeren?


Degenen die beide doen, praten en ook luisteren,

tevreden in het hart met de goed uitgelegde leer,

ernstig in de goed uitgelegde leer,

zij zuiveren zich tot het hoogste heil. (It.98).



Er zijn acht soorten van geven, namelijk:

1. Men geeft spontaan gaven.

2. Of men geeft gaven uit angst [voor verwijten].

3. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men heeft ook aan mij gegeven."

4. Of men geeft gaven omdat het geven iets goeds is.

5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men zal mij iets terug geven."

6. Of men geeft met de gedachte: "Ik kook immers, maar deze niet; en het is niet juist voor mij die kook, aan de niet-kokende geen gaven te geven."

7. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal zich over mij een goede naam verspreiden."

8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart.

Deze acht soorten van geven zijn er. (A.VIII.31)



Er zijn nog meer soorten van geven, namelijk:

1. Men geeft gaven uit genegenheid [d.w.z. uit persoonlijke toeneiging].

2. Men geeft gaven uit ergernis.

3. Men geeft gaven uit verblinding.

4. Men geeft gaven uit angst.

5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Wat vroeger door de grootvader gegeven en gedaan werd, van die oude familietraditie mag ik niet afwijken."

6. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal ik na de dood op een goede weg, in de hemelse wereld weer verschijnen."

7. Of men geeft met de gedachte: : "Wanneer ik deze gave geef, verblijdt zich mijn gemoed, en tevredenheid en blijdschap komen bij mij op."

8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart. (A.VIII.33)


5.1. Geven in vroomheid

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden [om beurten]:

"Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."

"Waarvoor de gierigaard bang is en daarom niets geeft, dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven, het vuil van de hebzucht overwinnen en gaven geven. Verdienstelijke werken zijn in de andere wereld een vast steunpunt voor de levende wezens."

"Het is een eeuwige wet dat diegenen niet dood zijn onder de doden, die iets geven van gering bezit. En anderen willen niets geven hoewel ze rijk zijn. Een gave van iemand die weinig heeft, wordt aan duizend gelijk geschat."

"Degenen die geven wat moeilijk te geven is, die iets doen wat moeilijk te doen is, worden door de slechte mensen niet nagevolgd. Moeilijk te volgen is de goede leer. Daarom is het heengaan uit deze wereld bij goeden en slechten verschillend. De slechte mensen gaan naar de hel, de goeden hebben de hemel als doel."

Een Devata vroeg toen aan de Verhevene wie goed had gesproken.

De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. In vroomheid leeft degene die, hoewel arm, zijn vrouw onderhoudt en van zijn kleine bezit iets geeft. Honderdduizend van degenen die duizend offeren zijn niet het zestiende deel waard van een dergelijke gever."

Een andere Devata vroeg toen: "Waarom komt een rijk offer van zulke mensen aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd?"

De Verhevene: "Velen geven, verstrikt in het kwaad, nadat zij geslacht, gedood en leed veroorzaakt hebben. Zo'n gave vol tranen en kwelling komt aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd. Daarom zijn 100.000 van degenen die 1000 offeren, niet het zestiende waard van een dergelijke gever." (S.I.32)



5.2. Zuiverheid van de gave

Er zijn vier soorten waarop een gave zuiver is, namelijk:

1. Er is de gave die van de kant van de gever zuiver is, maar niet van de kant van de ontvanger.

2. Er is de gave die van de kant van de ontvanger zuiver is, maar niet van de kant van de gever.

3. Er is de gave die niet van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger zuiver is.

4. Er is de gave die zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger zuiver is.

(ad 1) Hoe is een gave zuiver van de kant van de gever maar niet van de kant van de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.

(ad 2) Hoe is een gave zuiver van de kant van de ontvanger maar niet van de kant van de gever? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter.

(ad 3) Hoe is een gave niet zuiver van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.

(ad 4) Hoe is een gave zuiver zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter."

Dit zijn de vier soorten van zuivere gaven. (A.IV. 78)

(vgl. M. 142).




6. Verkeerd en juist geven


Op vijfvoudige manier geeft de slechte mens gaven, namelijk:

hij geeft zonder ijver,

hij geeft zonder eerbied,

hij geeft niet eigenhandig,

hij geeft resten, afval,

hij geeft zonder vertrouwen in een toekomstige vergelding.


Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:

hij geeft vol ijver,

hij geeft vol eerbied,

hij geeft eigenhandig,

hij geeft geen resten, geen afval,

hij geeft met vertrouwen in een toekomstige vergelding. (A.V.147)



Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:

hij geeft vol vertrouwen;

hij geeft vol ijver;

hij geeft op de juiste tijd;

hij geeft met een vrijgevig hart;

hij geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen.


Degene die vol vertrouwen een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend, en hij of zij heeft een mooie gestalte, een bevallig uiterlijk, vol charme en heeft een edele verschijning.

Degene die vol ijver een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, met veel goederen, zeer vermogend. En zijn vrouw en kinderen evenals zijn dienstpersoneel luisteren naar hem, gehoorzamen hem, proberen hem met begrip van dienst te zijn.

Degene die op de juiste tijd een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En te juister tijd [d.w.z. niet pas op hoge leeftijd] komt hij of zij in het bezit van rijkelijke goederen.

Degene die met een vrijgevig hart een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn hart is geneigd naar het genot van uitgelezen vreugden der vijf zintuigen.

Degene die een gave geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn bezit kan door niets schade lijden, noch door vuur, water, vorst, dieven noch door liefdeloze erfgenamen.

Op deze vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven. (A.V.148)



Eens verbleef de Verhevene te Campa, (in het land Anga) aan de oever van de Gaggara-vijver. Talrijke lekenvolgelingen uit Campa gingen toen naar de eerwaarde Sariputta. Zij begroetten hem eerbiedig en zeiden dat zij al lang geen leerrede meer gehoord hadden van de Boeddha. De eerwaarde Sariputta gaf hun de raad om op de Uposatha dag te komen. Dan zouden zij een leerrede van de Verhevene kunnen horen.

"Goed, heer," gaven de lekenvolgelingen ten antwoord, namen vol eerbied afscheid van de eerwaarde Sariputta en gingen terug naar huis.


Op de Uposatha dag kwamen de lekenvolgelingen uit Campa naar de eerwaarde Sariputta toe. Samen gingen zij naar de Verhevene. De eerwaarde Sariputta begroette de Verhevene eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

"Heer, is het mogelijk dat een gave die door de een wordt gebracht, hoog loon en zegen brengt, terwijl dezelfde gave, door een ander gebracht, geen hoog loon en zegen brengt?"

"Dat is mogelijk, Sariputta."

"Heer, wat is de oorzaak en reden ervoor?"

"Sariputta, iemand geeft uit egoïstisch verlangen, met geboeid hart, uit zucht naar winst in de hoop dat hij de beloning voor die gave na de dood zal genieten.

Als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

"Zeker, heer."

"Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.


Verder Sariputta, iemand geeft een gave weliswaar niet uit egoïstisch verlangen, niet met geboeid hart, niet uit zucht naar winst noch in de hoop dat hij de beloning daarvoor na de dood zal genieten. Maar hij geeft een gave met de gedachte dat geven iets goeds is. Of hij geeft een gave omdat zijn ouders en voorvaderen eveneens vroeger aalmoezen gegeven en zo gehandeld hebben, en het daarom voor hem niet juist is om van dat oude familiegebruik af te wijken. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat hij zelf kookt maar dat de anderen niet koken, en dat het daarom voor de kokende niet juist is het geven aan niet kokenden na te laten. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat zijn verdeling van gaven zijn moet zoals dat grote offer dat door de zieners van de voortijd gebracht werd, zoals Atthaka, Vāmaka, Vāmadeva, Vessāmitta, Yamataggi, Angīrasa, Bhāradvāja, Vāsettha, Kassapa und Bhagu. Of hij geeft gaven omdat bij het geven zich bij hem het hart verblijdt en bevrediging en vreugde ontstaat.

En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

"Zeker, heer."

"Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.


Verder Sariputta, iemand geeft een gave niet uit bovengenoemde redenen, maar hij geeft een gave als een veredeling en zuivering van zijn geest. En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

"Zeker, heer."

"Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de goden in de Brahma-wereld. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, komt hij niet meer naar deze wereld terug.(Hij wordt een niet meer wederkerende).


Sariputta, dat is de reden, de oorzaak dat een gave die door de een gegeven is, hoog loon en zegen brengt, terwijl diezelfde gave, door iemand anders gegeven, geen hoog loon en zegen brengt. (A.VII.49)



6.1. Hoe een goed mens gaven geeft

Acht gaven geeft een goed mens, namelijk:

Hij geeft een zuivere gave, hij geeft een uitgelezen gave, hij geeft op de juiste tijd, hij geeft (wat voor de monnik) geoorloofd is, hij geeft met overleg, hij geeft vaak, bij het geven verheugt zich zijn hart en na het geven voelt hij zich tevreden.

Deze acht gaven van een goed mens zijn er.


Geoorloofde drank, geoorloofd voedsel,

voortreffelijk, rein, te juister tijd,

geeft hij vaak als gave

aan het sublieme veld van de heiligen.


Waar geen berouw ontstaat

zelfs als men veel schenkt,

daar wordt de gave die men geeft

geprezen door ieder met inzicht.


Degene die wijs gaven geeft,

vol vertrouwen, met vrijgevig gemoed,

een dergelijke wijze persoon zal daarom

naar een leedloze zalige wereld gaan. (A.VIII.37)



6.2. Wel of geen rijke vruchten

De gave die men geeft aan asceten en priesters die de volgende acht eigenschappen bezitten, brengt geen rijke vruchten, geen hoge zegen, is zonder grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn:

De asceet of priester heeft verkeerd inzicht, heeft een verkeerd denken, heeft verkeerd taalgebruik, heeft verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerd streven, verkeerde oplettendheid en verkeerde geestelijke concentratie.

De gave die men iemand geeft die deze acht eigenschappen bezit, draagt geen grote vruchten, brengt geen hoge zegen, is zonder waarde, zonder invloed.


De gave die men geeft aan een asceet of priester die de volgende acht eigenschappen heeft, brengt rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed. Die acht eigenschappen zijn:

De asceet of brahmaan heeft juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste oplettendheid en juiste geestelijke concentratie.

De gave die men aan iemand met deze acht eigenschappen geeft, brengt rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed.

"Volmaakte gave aan degene die rein van zeden is

brengt aan de gever een volmaakt geluk,

omdat de daad volmaakt is.

Wie naar volmaakt geluk streeft,

moet daarom eerst zelf volmaakt zijn

en wijze vrienden navolgen.

Dan vindt hij of zij volmaaktheid.

Wie wetend rondgaat, heeft meesterschap bereikt,

is ook volmaakt in het hart;

die verricht alleen volmaakte daad

en hij bereikt volmaakt heil.

Hij onderkent de wereld zoals ze is

en heeft de juiste blik bereikt.


Hij volgt het juiste pad

en gaat met juiste geest.

Wie alle stof heeft afgeschud

wie het geluk van Nibbana heeft bereikt,

die is van alle lijden bevrijd.

Dat is het hoogste heil. (A.VIII.34)



6.3. Goed is het geven

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden:

"Goed is het geven. Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."

"Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Sommigen geven ook al hebben ze niet veel. Anderen willen niets geven ook al zijn ze rijk. Een gave die gegeven wordt uit een klein bezit, wordt gelijk aan duizend geschat."

"Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Wanneer het geven gebeurt in vertrouwen, dan is het geven goed. Men zegt dat geven en strijden gelijk zijn. Hoewel er weinigen zijn, behalen zij de zege (overwinning) over velen. Wanneer men vroom ook maar weinig geeft. Dan wordt men daardoor al gelukkig in de andere wereld."

"Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. Iemand die uit rechtvaardig verworven bezit een gave geeft, van datgene wat door inspanning en energie gewonnen werd, die komt over de stroom van de dodengod Yama heen, en gaat na de dood naar hemelse sferen."

"Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Dat is door de Verhevene aanbevolen. (Zie ook Dhp. 181 en Dhp. 356). Wat aan hen die de gave waardig zijn, in dit leven gegeven werd, dat draagt rijke vrucht."

"Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Goed is ook zelfbeheersing tegenover de levende wezens. Wie leeft zonder levende wezens te kwetsen, en niets kwaads doet, omwille van de berisping van anderen, de angstige prijst men daar, niet de vrijpostige. Want uit angst [voor de zonde] doen de vromen niets kwaads."

Een andere Devata vroeg toen wie van de vorige spreeksters goed had gesproken.

De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. Het geven in geloof (vertrouwen) is veelvuldig geprezen. Maar beter dan een gave is een woord van waarheid. Vroeger al, en nog veel vroeger zijn de goeden die inzicht hadden, tot Nibbana gekomen." (S.I.33)



7. Voordelen van geven


Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana klooster te Savatthi. De vorstendochter Sumanâ ging toen met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

“ Heer, stel dat er twee volgelingen van de Verhevene zijn die hetzelfde vertrouwen hebben, dezelfde deugdzaamheid en dezelfde wijsheid. Maar de een geeft aalmoezen en de ander niet. Als beiden na de dood in een hemelse wereld wedergeboren worden, bestaat er dan verschil, een onderscheid tussen beide hemelbewoners?”

“Ja, Sumanâ, er bestaat een verschil, een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als hemelbewoner de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, en wel in vijf dingen: in hemelse levensduur, in hemelse schoonheid, in hemels geluk, in hemelse eer en in hemelse heerschappij.”

“Heer, wanneer nu beiden van daar heengaan en naar deze wereld terugkeren, bestaat ook dan nog voor de als mensen wedergeborenen een verschil, een onderscheid?”

“Ja, Sumanâ, degene die aalmoezen heeft gegeven zal als een menselijk wezen de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, overtreffen in vijf dingen: in menselijke levensduur, menselijke schoonheid, menselijk geluk, menselijke eer en menselijke heerschappij.”

“Heer, wanneer nu beiden van huis uit in de huisloosheid gaan, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid?”

“Ja, Sumanâ, er bestaat een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als huisloze de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, in vijf dingen: Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijk gewaden; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen geniet hij rijkelijk aalmoezenspijs; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijke woonplek; een bescheidene echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijk geneesmiddelen en medicijnen; weinig echter wanneer niet gevraagd. De medemonniken echter met wie hij samenwoont, zijn hem steeds in daden, woorden en gedachten vriendelijk gezind, nooit onvriendelijk. Zij maken hem steeds alleen maar vriendelijke verzoeken, geen onvriendelijke.

“Heer, wanneer nu beiden de volmaakte heiligheid bereiken, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid.”

“Tussen bevrijding en bevrijding bestaat natuurlijk geen enkel verschil.”

“Voortreffelijk, heer. Men heeft alle reden om aalmoezen te geven en goede werken te doen, in zoverre de goede werken iemand als hemels wezen tot voordeel strekken, als mens tot voordeel strekken, als monnik tot voordeel strekken.”

“Inderdaad”, zei de Verhevene.


“Zoals de onbevlekte maan met zijn glans de sterren overstraalt, zo overstraalt de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, door zijn vrijgevigheid de gierigen in alle werelden.

Zoals de regen bij onweer de vlakten en dalen vult, zo wordt de gierige man in vijf punten overtroffen door degene vol inzicht, de volgeling van de Verlichte, de wijze mens,en wel:

in hoge ouderdom, hoog aanzien, in schoonheid en in welzijn; hier wordt hij met schatten overstelpt, en daar wordt hemels geluk zijn deel.” (A.V.31)



7.1. De zichtbare vruchten van aalmoezen geven

Eens vertoefde de Verhevene in het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis. De veldheer Siha ging toen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:

“Heer, is het mogelijk een zichtbare vrucht van het geven van aalmoezen aan te tonen?”

“Siha, dat is mogelijk. De gever is veel mensen lief en aangenaam. Dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven.

Verder zoeken goede, edele mensen omgang met iemand die gaven geeft. Ook dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven. Verder verspreidt zich over de gever van gaven een goede faam. Verder, tot welke vergadering een gever ook gaat, hetzij edelen, brahmanen, gezinshoofden of asceten, daar treedt hij vol zekerheid op, vrij van bevangenheid. Verder komt de gever na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.“

Na deze woorden zei de veldheer Siha tot de Verhevene: “Wat deze door de Verhevene genoemde vruchten van aalmoezen geven betreft, zo ken ik vier ervan uit eigen ervaring. Want ik geef aalmoezen, ben veel mensen dierbaar; goede, edele mensen zoeken mijn omgang, en een goede faam heeft zich over mij verspreid. In elke vergadering treed ik vol zekerheid op, onbevangen. En wat betreft de vrucht na de dood, zo vertrouw ik daarbij op de woorden van de Verhevene.”

"Geliefd is wie geeft; hem zoeken velen op. Een goede naam wordt hem deelachtig; zijn aanzien groeit. Vrij van verwarring treedt hij onder de mensen, vol zekerheid, omdat hij niet gierig is.

Daarom geven alle wijzen gaven, de laster van de gierigheid schuwend, op hun heil bedacht. Dan zullen zij lange tijd in de hemel vertoeven en worden zij gelukkig onder de hemelse wezens.

De toegang voor zich openend door hun goede daden wanneer vrijgevigen uit dit leven heengaan, zelflichtend zullen zij door de hemelse sferen gaan, zich verheugend in geluk, welgemoed en vrolijk, in het volle bezit van de vreugden der zinnen zullen zij daar leven.

Het woord van de heilige, de Bevrijde, navolgend, zal de volgeling van de Verlichte hemels geluk ondervinden." (A.V.34) (vgl. A.VII.54; A.VIII.2)



7.2. Koningin Mallikā

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana klooster. Koningin Mallika (echtgenote van koning Pasenadi) ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

"Heer, wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw lelijk is [van gelaat], niet mooi is van gestalte, er slecht uitziet, bovendien arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht?

En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is [van gelaat], met een niet mooie gestalte, er heel slecht uitziet, maar daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en met grote macht?

En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, maar daarbij arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht?

En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en macht?"


De Boeddha gaf ten antwoord:

[Dat een vrouw lelijk is [van gelaat], niet mooi is van gestalte, er slecht uitziet, bovendien arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is driftig en buitengewoon opvliegend. Als men haar ook maar het geringste zegt, wordt zij ontstemd, raakt in toorn en woede, is koppig, toont ontstemming, toorn en wantrouwen. Aan asceten en priesters geeft zij geen maaltijden en te drinken, geen kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is afgunstig gezind, is jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is jaloers en wantrouwend.

Indien zij nu na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, lelijk zijn [van gelaat], niet mooi van gestalte, er slecht uitzien, en zij zal arm en behoeftig zijn, zonder vermogen en macht.


[Dat een vrouw mooi is (van gelaat), met een niet mooie gestalte, er heel slecht uitziet, maar daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en met grote macht, heeft als oorzaak] - ""Een vrouw is driftig en buitengewoon opvliegend. Als men haar ook maar het geringste zegt, wordt zij ontstemd, raakt in toorn en woede, is koppig, toont ontstemming, toorn en wantrouwen. Maar aan asceten en priesters geeft zij maaltijden en te drinken, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is niet afgunstig gezind, is niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is niet jaloers en wantrouwend.

Indien zij nu na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, lelijk (van gezicht) zijn, niet mooi van gestalte, er slecht uitziet, maar zij zal rijk en welgesteld zijn, met een groot vermogen en grote macht.


[Dat een vrouw mooi (van gelaat) is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, maar daarbij arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is zachtmoedig en geduldig. Wanneer men haar ook veel zegt, zij wordt niet boos, raakt niet in toorn en woede, is niet koppig en toont geen ontstemming, woede en wantrouwen. Maar aan asceten en priesters geeft zij geen maaltijden en te drinken, geen kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is afgunstig gezind, is jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is jaloers en wantrouwend.

Indien zij na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, er mooi en statig uitzien, bevalligheid en buitengewone schoonheid hebben, maar zij zal arm en behoeftig zijn, zonder vermogen en macht."


[Dat een vrouw mooi is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is zachtmoedig en geduldig. Wanneer men haar ook veel zegt, zij wordt niet boos, raakt niet in toorn en woede, is niet koppig en toont geen ontstemming, woede en wantrouwen. Ook geeft zij aan asceten en priesters maaltijden en te drinken, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is niet afgunstig gezind, is niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is niet jaloers en wantrouwend.

Indien zij na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, er mooi en statig uitzien, bevalligheid en buitengewone schoonheid hebben, en zij zal rijk en welgesteld zijn, met een groot vermogen en grote macht."


"Dat zijn de oorzaken, de redenen waarom een vrouw lelijk of mooi is, arm of rijk, zonder of met macht."


Na deze woorden zei koningin Mallika aan de Verhevene dat zij voortaan zachtmoedig en geduldig zou zijn, dat zij niet boos, toornig of woedend zou worden, niet koppig en zonder ontstemming, woede en wantrouwen. Ook zou zij aan asceten en priesters maaltijden en te drinken geven, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij zou niet afgunstig gezind zijn, niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij zou niet jaloers en wantrouwend zijn.

Zij prees de Boeddha voor zijn leerrijke woorden en nam haar toevlucht tot het Drievoudige Juweel. Zij werd een lekenvolgelinge van de Verhevene. (A.IV. 197)


NB. Bovengenoemde oorzaken gelden natuurlijk ook voor mannen.



7.3. Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven

“Het geven van aalmoezen brengt vijfvoudige zegen, namelijk:

Men is veel mensen lief en aangenaam;

goede, edele mensen zoeken iemand op;

een goede naam verspreidt zich over iemand;

men vervult de plichten als gezinshoofd;

na de dood komt men in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.


Wie gaven geeft, is geliefd, omdat hij de leer van goeden navolgt. Goede mensen, die zelfbeheerst en heilig zijn, sluiten zich bij hem aan. Zij leggen hem de leer uit die alle leed laat uitdrogen. Als hij ze helemaal begrijpt, wordt hij reeds hier vrij van elke neiging. (A.V.35)



7.4. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavanaklooster te Savatthi. De lekenvolgelinge Nantamâtâ uit Velukantaka gaf de gemeenschap van de monniken, met aan het hoofd de eerwaarden Sâriputta en Moggallâna, een met zes voordelen begeleide aalmoezenmaaltijd. De Verhevene zag dit met zijn bovennatuurlijk oog en zei tot de monniken:

“Zes voordelen heeft deze gave van Nandamâtâ, drie voordelen voor de geefster en drie voor de ontvangers.

De gever is al vóór het geven blijgestemd; tijdens het geven verblijdt zich de geest; na het geven voelt de gever zich tevreden.

De ontvangers zijn aan de begeerte ontkomen of op weg aan de begeerte te ontkomen; ze zijn aan de haat ontkomen of op weg aan de haat te ontkomen; ze zijn aan de onwetendheid ontkomen of op weg aan de onwetendheid te ontkomen.”

Moeilijk kan men de verdienste van deze aalmoezengave meten. Het is - net zoals het water van de grote oceaan onmetelijk is - een grenzeloze, onmetelijke verdienste.

Wanneer men zich vóór het geven verheugt, en blij gestemd is wanneer men geeft, en gelukkig is na het geven, dan is dat geven een winst.

Degenen bij wie begeerte, haat en onwetendheid en alle neigingen zijn opgedroogd, die zelfbedwongen en kuis zijn, zij zijn het beste veld van de gaven.

Wie, na zich goed gewassen te hebben, eigenhandig de gave brengt, hem of haar brengt een dergelijke gift in latere tijden hoog loon.

Wie zo’n goede gave brengt, vrijgevig en vol vertrouwen, een wijs en verstandig mens, die gaat naar de leedloos-zalige wereld.” (A.VI.37)



7.5. Wie schenkt, krijgt geschenken

Eens verbleef de Verhevene in het grote bos bij Vesâlî, in de hal van het gevelhuis. Op een morgen kleedde hij zich aan en ging met gewaad en nap naar de woning van het Vesalier gezinshoofd Ugga. Deze ging naar de Verhevene toe, groette hem vol eerbied, ging terzijde neerzitten en zei:

“Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn sâlabloesem-gebak [uit rijstemeel,honing e.d.] is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”

En de Verhevene nam die spijs aan, uit medelijden.

Ugga zei weer: “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn varkensvlees met zoete bessen is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”

Ook andere gerechten en kostbare gewaden van Benares werden door Ugga als iets goeds genoemd. En de Verhevene nam die aan, uit medelijden.

“Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn rustbed is iets goeds. Het is belegd met een geitenharen deken, een witte wollen deken, een deken uit zeer fijn antilopenvel, en voorzien van een bovendeken en purperen kusssens aan beide einden. Ik weet echter, Heer, dat iets dergelijks voor de Verhevene niet aanneembaar is. Maar deze blok sandelhout, die 100.000 waard is, moge de Verhevene die van mij aannemen, uit medelijden.”

En de Verhevene nam die blok sandelhout aan, uit medelijden. Daarop sprak de Verhevene zijn waardering voor het gezinshoofd Ugga uit met de volgdende woorden:

“Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds. Wie graag aan degenen met een oprecht gedrag gewaad en verblijfplaats geeft, en ook drank en eten en andere dingen die nuttig zijn, de heiligen als een vruchtbaar veld beschouwend, hij heeft geen spijt van wat hij schenkt en weggeeft. Een goed mens, die weggeeft wat moeilijk te ontberen is, krijgt het goede dat hij zo schenkt, terug."

Na deze woorden van de Verhevene stond gezinshoofd Ugga op en verwijderde zich.

Korte tijd daarna stierf Ugga en verscheen na zijn dood in een geestgeproduceerde wereld weer. De Verhevene vertoefde toen in het Jetavanaklooster te Sâvatthi. Ugga, de hemelszoon, kwam in de nacht, met zijn heerlijke glans het hele Jetavanapark verlichtend, naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en bleef terzijde staan. Toen zei de Verhevene:

“Ugga, gaat het goed met je, is alles naar wens?”

“Ja, heer, alles is naar mijn wens.”

De Verhevene zei toen in verzen tot Ugga, de hemelbewoner (hemelszoon):

“Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds; wie het hoogste geeft, krijgt het hoogste; wie het verhevene schenkt, krijgt ook het verhevene. Wie het beste geeft, komt aan het beste oord aan. Wie uitgelezen gave schenkt, iemand die de beste gave geeft, verwerft zich roem en een lang leven, waar hij ook in het bestaan treedt (waar hij ook wedergeboren wordt).” (A.V.44)



7.6. Te juister tijd geven

Vijf gaven zijn er op de juiste tijd, namelijk:

Men biedt de aankomende gast gaven aan; men biedt de vertrekkende gaven aan; de zieke biedt men gaven aan; bij gebrek aan voedsel biedt men gaven aan; maar wat er aan eerste graan en eerste vruchten is, dat biedt men als eerste de deugdzamen aan.

Gaven op de juiste tijd geeft de wijze, die mild gezind is, vrij van gierigheid. Wie gaven aanbiedt aan de edelen die oprecht en heilig zijn, wie dit vol vertrouwen doet, diens gave is van hoge waarde.

En degenen die zo’n goede daad goedkeuren, en gewillig daarbij dienst verlenen, ook hun gave is niet klein; zij hebben deel aan de verdienste ervan.

Daarom moet men onverschrokken geven, waar gaven hoog loon brengen. Want goede werken zijn voor de wezens de ondersteuningen voor de volgende wereld. (A.V.36)



7.7. De zaak

Waarom lukt de ene zaak en de andere niet? Waarom gaat de ene zaak niet naar wens en de andere wel? -

Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Maar hij geeft niets. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan mislukt hem iedere zaak wat hij ook verricht.

Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt geeft hij niet naar wens. Wanneer hij na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak niet naar wens, wat hij ook verricht.

Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt, geeft hij naar wens. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak naar wens, wat hij ook verricht.

Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt, is meer dan wat gewenst is. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak beter dan hij wenste. (A.IV.79)



Goede werken en edelmoedigheid brengen veel aangename dingen.


7.8. Vijf gewenste dingen

"Er zijn vijf gewenste, begeerde, aangename dingen, die moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk: 1) een lang leven, 2) schoonheid, 3) geluk, 4) eer en 5) hemelse wedergeboorte.

Niet door gebeden en geloften verkrijgt men die vijf aangename dingen. Want als men ze door gebeden en geloften kon verkrijgen, wie zou dan ervan afzien?

(1) Het is niet passend voor de edele volgeling die een lang leven wenst, dat hij daarom smeekt, daarin behagen vindt of er hevig naar verlangt. Om een lang leven te krijgen moet de ernaar strevende edele volgeling het pad volgen dat naar een lang leven voert. Want als hij dat pad volgt, zal hij een hoge ouderdom bereiken; en hij zal een lang leven krijgen, zij het in de hemel of als mens.

(2-4) Het is niet passend voor de edele volgeling die schoonheid wenst, geluk wenst, eer wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om die dingen te verkrijgen moet hij het ernaartoe voerende pad begaan. Wanneer hij dat ernaar toe voerende pad begaat, dan zal hij schoonheid, geluk, en eer bereiken. Schoonheid, geluk en eer zal hij krijgen, zij het hemelse of menselijke.

(5) Het is niet passend voor de edele volgeling die hemelse wedergeboorte wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om hemelse wedergeboorte te verkrijgen moet hij het ernaar toe voerende pad begaan. Wanneer hij over dat ernaar toe voerende pad gaat, dan zal hij hemelse wedergeboorte bereiken. Een leven in de hemelse werelden zal hem ten deel vallen.


Wie een lang leven wenst, schoonheid, wie naar eer en roem begeert en ernaar streeft, en ook wie naar hemels geluk en hoge stand streeft, wie zulke hoge goederen verlangt voor zich, hem geven wijzen deze goede raad:

Men moet zich met ernstig streven oefenen in goede werken en in edele daden. Als men zo als een wijs man serieus streeft, zal men tweevoudig heil voor zich verwerven: in deze wereld en ook in het toekomstige bestaan.

Wie zo op zijn heil bedacht is, hem noemt men een wijze man. (A.V.43).


[NB. Dit geldt natuurlijk ook voor vrouwen].



7.9. Voordelen van geven

Een goed persoon met rijkdom verheugt zich over geven, over het delen van zijn bezit. En hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de samanas en brahmanen brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel voert. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de koning, noch door rovers, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd. (S.III.19) (vgl. A.IV.61)



7.10. Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel

Door het geven van voedsel verschaft de gever aan de ontvanger vijf voordelen, namelijk: hij verschaft hem een lang leven, schoonheid, welzijn, kracht en scherpzinnigheid.

De wijze die hulp biedt voor een lang leven, voor scherpzinnigheid, schoonheid, kracht en die andere mensen gelukkig maakt, hij krijgt deel aan gelukzaligheid.

Degene die leven, schoonheid, kracht, verstand en welzijn helpt bevorderen, wacht roem en een lang leven, waar hij ook wedergeboren wordt. (A.V.37)



Een devata vroeg aan de Verhevene wat men moet geven om kracht, schoonheid, welvaart, inzicht te verkrijgen.


De Verhevene gaf ten antwoord:

"Voedsel geeft degene die kracht wil schenken;

kleding geeft degene die schoonheid wil schenken;

een vervoermiddel geeft degene die welvaart wil schenken;

een lamp geeft degene die inzicht wil schenken.

Maar wie een tehuis schenkt

is iemand die alles geeft.

En niet sterven geeft degene

die de leer van de waarheid verkondigt." (S.1.42)



7.11. Viervoudige zegen

Eens vertoefde de Verhevene in het land Koliya, in een stad met naam Sajjanela. 's Morgens vroeg nam hij oppergewaad en aalmoezennap en ging naar de woning van Supavasa. Daar ging hij op de hem aangeboden zitplaats neerzitten. En mevrouw Suppavasa bediende de Boeddha en gaf hem eigenhandig harde en zachte spijzen. Na de maaltijd nam de Verhevene zijn hand van de nap weg en Suppavasa ging terzijde neerzitten. De Verhevene sprak haar als volgt toe:

"Suppavasa, een edele lekenvolgelinge die voedsel aanbiedt, geeft de ontvanger viervoudige zegen. En wel: zij geeft lang leven, geeft schoonheid, geeft geluk, geeft kracht.

En doordat zij lang leven geeft, krijgt zij zelf een lang hemels of menselijk leven; doordat zij schoonheid geeft, krijgt zij zelf hemelse of menselijke schoonheid; doordat zij geluk geeft, krijgt zij zelf hemels of menselijk geluk; doordat zij kracht geeft, krijgt zij zelf hemelse of menselijke kracht. Een edele lekenvolgelinge die voedsel aanbiedt, geeft de ontvanger deze viervoudige zegen."

"Het goed gekookte eten dat men geeft,

het zuivere, uitgezochte, goed gekruide,

als men dat aan oprecht levenden als gave aanbiedt,

met een edel gedrag, hoge geestelijke grootte,

en zo verdienste aan verdienste rijgt,

- een dergelijke gave van voedsel brengt heel rijke vrucht,

en wordt door de Kenner der werelden ook geprezen.


Die zeer gelukkig gestemd door het leven gaan

en een dergelijk offer steeds herdenken,

de smet van gierigheid aan de wortel vellend,

zij gaan zonder verwijten heen in een hemelse wereld." (A.IV. 57)



"Een edele lekenvolgeling die voedsel overhandigt, geeft aan de ontvanger viervoudige zegen, en wel: Hij geeft lang leven, geeft schoonheid, geeft geluk, geeft kracht.

Daardoor echter, dat hij lang leven geeft, krijgt hij zelf een lang hemels of menselijk leven. Daardoor dat hij schoonheid geeft, krijgt hij zelf hemelse of menselijke schoonheid. Daardoor dat hij geluk geeft, krijgt hij zelf hemels of menselijk geluk. Daardoor dat hij kracht geeft, krijgt hij zelf hemelse of menselijke kracht.

Een edele lekenvolgeling, die voedsel overhandigt, geeft aan de ontvanger deze viervoudige zegen."

"Wie aan zelfbedwongenen die leven van de gaven van anderen, te juister tijd in eerbied voedsel geeft, die geeft hen viervoudige grote zegen: een lang leven, schoonheid, geluk en kracht.

Degene echter die schoonheid geeft, een lang leven, geluk en kracht, verwerft voor zich aanzien en een lang leven, overal daar waar hij in het bestaan treedt." (A.IV.58)

(Deze tekst is bijna gelijkluidend met A.IV.59).



7.12. Door wijzen geprezen

Drie dingen worden door wijze en goede mensen geprezen: het geven; het gaan in de huisloosheid; het ondersteunen van de ouders.

"De goeden prijzen hoog het geven, beheerstheid, discipline en vredelievendheid, en ook het ondersteunen van de ouders en van heiligen met zuiver gedrag. Wie deze raad van de heiligen als wijze discipel navolgt, zo’n edel persoon, met inzicht, komt in een zalige hemelse wereld." (A.III.45)



7.13. Vrij van gierigheid

Degenen die als mens geboren barmhartig zijn en vrij van gierigheid, vertrouwen hebben in de Boeddha, zijn leer en de gemeenschap [van de heiligen], zij stralen in de hemel waar zij wedergeboren worden. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij ter wereld in een welgesteld gezin waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning zonder moeite verkregen worden. (S.I.49)



Een devata vroeg aan de Verhevene: "Goden en mensen verheugen zich beiden over voedsel. Maar wie is de yakkha die zich niet over voedsel verheugt?"

De Verhevene gaf ten antwoord:

"Het voedsel dat men in vertrouwen geeft met een verheugd gemoed, dat volgt iemand na in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven en gaven geven, en de onreinheid van hebzucht overwinnen. Verdienstelijke werken zijn voor de levende wezens een vaste basis in de andere wereld." (S.1.43)



7.14. Verdienste

Een devata vroeg aan de Verhevene: "Bij welke mensen neemt dag en nacht de verdienste toe? Welke mensen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel?"

De Verhevene gaf ten antwoord:

"Degenen die parken aanleggen, bossen planten, die bruggen bouwen, en cisternen en bronnen aanleggen, die een tehuis gereed maken: bij deze mensen neemt dag en nacht de verdienste toe. Deze personen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel." (S.1.47)



7.15. Stromen van verdienste

Er zijn vier stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die vier stromen zijn:

De edele volgeling is vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Boeddha, aldus:

"Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene."

Dit is de eerste stroom van verdienste.


Verder is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de leer, aldus:

"Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf."

Dit is de tweede stroom van verdienste.


Verder is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Orde [van de heiligen], aldus:

"Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld."

Dit is de derde stroom van verdienste.


En verder beschermt de edele volgeling de regels van deugdzaamheid die aan de edelen dierbaar zijn, welke regels ongebroken, ongedeerd, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend zijn, door wijzen geprezen, onbeïnvloed, bevorderlijk voor de geestelijke concentratie.

Dit is de vierde stroom van verdienste.


Deze vier stromen van verdienste, stromen van het heilzame zijn er; ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, tot heil en zegen.


"Wie tot de Ontwaakte vertrouwen heeft, dat onwankelbaar is, diep geworteld, aan wie edele deugd, edele gewoonte eigen is, zoals ze de heilige dierbaar zijn, wie blij op de Orde vertrouwt, en helder, juist inzicht heeft, - waarlijk, zo iemand is niet arm; hij heeft zijn leven niet voor niets geleefd.

Wie wijs is moge daarom zich wijden aan de deugdzaamheid en aan het vaste vertrouwen, en ook aan begrip van de leer, de instructie van de Boeddha voor ogen houdend. (A.IV.52)



7.16. Naar de hemel

Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven werd, is wel gered. Wat gegeven werd, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven werd. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel. (S.I.41)



In de stad Setabyā van Kosala geloofde gouverneur Pāyāsi, een Khattiya leraar en filosoof, dat er na de dood niets meer is en dat goede of slechte daden geen resultaat hebben. De monnik Kumārakassapa bekeerde Pāyāsi. Hij overtuigde hem ervan dat er na de dood een wedergeboorte is en dat de goede en slechte daden later resultaat hebben. De gouverneur nam zijn toevlucht tot het Drievoudige Juweel. Kumārakassapa onderwees hem ook over de juiste soort van offergaven en dat die met respect en eigenhandig gegeven moeten worden. Gouverneur Pāyāsi stierf en de monnik Gavampati ging op bezoek in de hemel en kwam er Payasi's staat van wedergeboorte te weten. (D.23)


De in een goede familie wedergeboren edele mens strekt veel mensen tot heil, zegen en welzijn. Vader en moeder, vrouw en kind, personeel, vrienden en makkers, asceten en priesters: hen allen strekt hij tot heil, zegen en welzijn.

Zoals een sterke regen het hele gewas tot rijpheid brengt en daardoor velen tot heil, zegen en welzijn strekt, evenzo strekt de in een goede familie wedergeboren edele mens veel mensen tot heil, zegen en welzijn.

De mensenvriend die veel gaven geeft, de hoeder van deugdzaamheid, hij wordt ook door de goden behoed. Een goede faam volgt steeds degene die rijk aan weten is, zuiver in deugdzaam gedrag, plichtgetrouw. Wie zou de plichtbewuste, deugdzame mens, oprecht, vol schaamtegevoel, gelijk aan zuiver goud, kunnen berispen? Zelfs hemelse wezens prijzen zo iemand en Brahma zelf brengt hem zijn lofprijzing. (A.V.42)



Iemand die voedsel verdeelt en de volgende vier eigenschappen heeft, komt in een hemels bestaan. Die vier eigenschappen zijn: hij gaat over de goede weg van begeerteloosheid, gaat over de goede weg van haatloosheid, gaat over de goede weg van niet onwetendheid, op de goede weg van angstloosheid.

"Daarom komt de goede mensen lof toe

die juist leven en niets kwaads doen,

die vrij van begeerte en haat, vrij van angst en illusie zijn.

Zij gelden als sieraad van de gemeenschap." (A.IV.20)



Een vrome jongeman leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken de doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken te Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen. Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.

“Hier en later verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.” (Dhp.16)



Vertrouwen, schaamte en edel geven

zijn alle goede mensen dierbaar;

want ze zijn voorwaar een hemelvoertuig,

waarmee men naar de hemel gaat. (A.VIII.32)



Eens bezocht de Eerwaarde Maha Moggallāna de wereld van de goden (devas). En hij zag dat veel goden er in luxueuze herenhuizen leefden. Hij vroeg hun welke goede daden zij verricht hadden dat zij in de godenwereld herboren waren. Zij gaven hem verschillende antwoorden. Een van hen zei dat hij in de godenwereld herboren was omdat hij steeds de waarheid had gesproken. Een vrouwelijke godheid zei dat zij daar was herboren omdat zij als hulp in de huishouding niet boos was geworden op haar baas. Zij had ook geen kwaadwil jegens hem gekoesterd hoewel hij haar vaak had geslagen en had uitgescholden. Vanwege het feit dat zij zich had beheerst en zonder haat alles had verdragen, was zij in de godenwereld wedergeboren. Weer anderen waren in de godenwereld herboren omdat zij iets dat binnen hun mogelijkheden lag, gegeven hadden voor het welzijn van anderen.

Bij zijn terugkeer uit de godenwereld vroeg de Eerwaarde Maha Moggallāna aan de Boeddha of het mogelijk was door zulke nietige dingen, zoals het spreken van de waarheid of het geven van kleine bedragen of geringe gaven, zulke grote voordelen te verkrijgen. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Heb je niet zelf met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord wat de goden zeiden? Er mag bij jou geen enkele twijfel over bestaan. Zelfs kleine daden van verdienste voeren iemand beslist naar de wereld van de goden.”

En verder sprak hij: “Men moet de waarheid spreken. Men moet niet boos worden. Men moet geven zelfs van een karige voorraad aan degene die vraagt. Over deze drie paden kan iemand in de godenwereld komen.” (Dhp.224)



Nandiya, een devote en rijke persoon hoorde de preken van de Boeddha over het voordeel van het bouwen van kloosters voor de bhikkhus. Daarom liet hij te Isipatana het Mahavihara klooster bouwen. Toen het klooster klaar was, bood hij het aan de Boeddha aan. Terstond rees een herenhuis voor Nandia op in de Tavatimsa hemel. Nog voor zijn dood was een plaats in de hemelse wereld voor hem gereed om hem te ontvangen. De Boeddha sprak toen de versen:

“Iemand die lang afwezig was en veilig van verre terugkeert, wordt door zijn verwanten, vrienden en goede kennissen verwelkomd.

Evenzo zullen de goede daden van iemand die goed doet hem ontvangen die van deze wereld naar de volgende is gegaan, zoals verwanten die een dierbare ontvangen bij zijn terugkeer.” (Dhp.219-220)



Anathapindika steunde heel edelmoedig de Sangha en verloor het grootste deel van zijn vermogen. Hij werd bekritiseerd vanwege zijn buitengewone gaven. Hij ignoreerde alle kritiek en bleef doorgaan met zijn edelmoedige daden. De Boeddha waardeerde zijn edelmoedigheid en zei:

“Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.”

“Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.” (Dhp. 119-120)

Anathapindika werd in de hemel wedergeboren.



7.17. Wedergeboorte afhankelijk van geven

Er zijn acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van geven, en wel:

1. Men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men ziet machtige edelen, brahmanen of burgers in het bezit en genot van de vijf zintuiglijke vreugden, omgeven met de vijf zintuiglijke vreugden. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood onder machtige edelen, brahmanen of burgers wedergeboren mag worden." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zulke gedachten, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voeren hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij onder machtige edelen, brahmanen of burgers. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartewens van de deugdzame gaat ten gevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.


2-7. Verder, men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de hemelse wereld van de Vier Grote Koningen – de goden in de hemelse wereld van de Drieëndertig – de gelukzalige goden – de tevreden goden – de goden die graag scheppen – de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden in de hemel van de Vier Grote Koningen – in de hemel van de Drieëndertig – in de hemel van de gelukzalige goden – in de hemel van de tevreden goden – in de hemel van de goden die graag scheppen – in de hemel van de goden die heersen over de scheppingen van anderen." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En een dergelijke gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voert hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij in de hemel van die goden. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartewens van de deugdzame gaat tengevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.


8. Verder, men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de wereld van Brahma. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden bij de goden in de hemel van Brahma." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zo'n gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voert hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij bij de goden in de hemel van Brahma. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen; voor begeertelozen, niet voor mensen die vol begeerte zijn. Want de hartewens van de deugdzame gaat tengevolge van de begeerteloosheid ervan in vervulling.


Dit zijn de acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van gaven. (A.VIII.35)



7.18. De drie soorten van verdienstelijk handelen

Er zijn drie soorten van verdienstelijk handelen, namelijk: het in het geven bestaande verdienstelijke handelen, het in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen, en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen.


Daar is bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen zwak ontwikkeld; en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in erbarmelijke omstandigheden onder de mensen.

Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen middelmatig ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in gelukkige omstandigheden onder de mensen.

Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen sterk ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood bij de goden in de hemel van de Vier Grote Koningen.

Daar echter overtreffen de Vier Grote Koningen die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker ontwikkeld hebben, de goden van hun gevolg in tien dingen: in hemelse levensduur, hemelse schoonheid, hemels geluk, hemels roem, hemelse heerschappij, hemelse vormen, hemelse geluiden, hemelse geuren, hemelse smaken en hemelse aanrakingen.

Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden van de Drieëndertig. Daar evenwel overtreft Sakka, de koning van de goden, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de goden van de Drieëndertig in juist die tien dingen.

Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de gelukzalige goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Suyama, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de gelukzalige goden in juist die tien dingen.

Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de tevreden goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Santusita, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de tevreden goden in juist die tien dingen.

Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die graag scheppen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Sunimitta, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de goden die graag scheppen in juist die tien dingen.

Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Vasavatti, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de over de scheppingen van anderen heersende goden in juist deze tien dingen.

Dat zijn de drie soorten van verdienstelijk handelen. (A.VIII.36)



8. Juist gebruik van bezit


"Het bezit kan op vijf manieren gebruikt worden, namelijk:

Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij zichzelf gelukkig en tevreden en bewaart hij voor zich een volkomen welzijn. En vader en moeder, vrouw, kind(eren) en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij bewaart voor hen een volkomen welzijn.

Verder maakt de edele volgeling met dit bezit vrienden en goede kennissen gelukkig en tevreden en bewaart voor hen een volkomen welzijn.

Verder wendt de edele volgeling met dit bezit ongeluk af, dat hem door vuur of water, door de overheid, dieven of door hatelijke erfgenamen kan ontstaan. Zo beschermt hij zijn eigen persoon.

Verder brengt de edele volgeling met dit bezit vijf soorten uitgaven: gaven voor familieleden, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, uitgaven aan de overheid, gaven voor de godheden.

Verder geeft hij met dit bezit geschenken aan die asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en luiheid, die geduld en verdraagzaamheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven, aan zulke asceten maakt hij met dit bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, naar de hemel voerende.

Wanneer nu bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit afneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij wordt mijn bezit kleiner.” Hij is daarbij zonder spijt.

En wanneer bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit toeneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij neemt mijn bezit toe.” Hij is zo daarbij op tweevoudige wijze vrij van spijt." (A.V.41 - Âdiya Sutta)



Een edele volgeling(e) die in vijf dingen een vooruitgang maakt, die maakt een edele vooruitgang, kiest voor zich het meest waardevolle en het beste.

Die vijf dingen zijn: de vooruitgang in vertrouwen, in deugdzaamheid, in weten, in vrijgevigheid en in wijsheid.

Vertrouwen, deugdzaamheid, ook vooruitgang in ontzegging, in weten en in wijsheid, zo’n deugdzame lekenvolgeling(e) die rein van zeden is, bereikt al in dit leven wat wezenlijk is. (A.V.63-64)



“Vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden zijn moeilijk in de wereld te verkrijgen, namelijk:

1. Dat iemand op terechte manier rijkdom krijgt.

2. Dat, wanneer men op terechte manier rijkdom verkregen heeft, iemand eer ondervindt samen met zijn verwanten en bekenden.

3. Dat, wanneer men op terechte manier bezit en samen met verwanten en bekenden eer verkregen heeft, iemand een lang leven, een hoge ouderdom toebedeeld is.

4. Dat, wanneer men op terechte manier rijkdom en samen met verwanten en bekenden eer gekregen heeft en ook een lang leven, een hoge ouderdom heeft bereikt, - dat men dan na de dood in een hemelse wereld wedergeboren wordt.

Vier eigenschappen voeren naar het verkrijgen van deze vier omstandigheden die zo moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk:

• Meesterschap in het vertrouwen;

• Meesterschap in de deugdzaamheid;

• Meesterschap in de vrijgevigheid; en

• Meesterschap in de wijsheid.


Wat is meesterschap in het vertrouwen?

• Daar bezit de edele volgeling vertrouwen, hij gelooft aan de Verlichting van de Volmaakte, aldus: “Waarlijk, dit is de Verhevene, hij is de heilige, de volmaakt Verlichte, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die leiding nodig hebben, de meester van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.”

Dat noemt men meesterschap in het vertrouwen.


Wat nu is meesterschap in de deugdzaamheid?

• Daar onthoudt de edele volgeling zich van het vernietigen van leven; onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven;

onthoudt zich van onjuist gedrag in de zintuiglijke lusten; onthoudt zich van leugens; onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die oorzaak zijn van onverschilligheid.

Dat noemt men meesterschap in de deugdzaamheid.


Wat nu is meesterschap in de vrijgevigheid?

• Daar leeft de edele volgeling thuis met een gemoed dat vrij is van de ondeugd van gierigheid. Hij is vrijgevig en geeft met open handen. Hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.

Dat noemt men meesterschap in de vrijgevigheid.


Wat nu is meesterschap in wijsheid?

Wiens gemoed door ongeremde begerigheid beheerst wordt, die doet wat hij niet zou moeten doen, en wat hij moest doen, dat laat hij achterwege. Wanneer hij dan doet wat hij niet zou moeten doen, en achterwege laat wat hij moest doen, dan verdwijnen bij hem eer en geluk. Wiens gemoed door ergenis beheerst wordt, - door starheid en matheid, - door opgewondenheid en gewetensonrust, - door twijfel, die doet wat hij niet zou moeten doen, en hij laat achterwege wat hij wel moest doen. In dat geval verdwijnen bij hem eer en geluk.

Als de edele volgeling de ongeremde begerigheid als een bezoedeling van het gemoed onderkent, dan overwint hij die ongeremde begerigheid, deze bezoedeling van het gemoed. En als hij ergenis, starheid en matheid, opgewondenheid en gewetensonrust, en twijfel heeft onderkent als bezoedelingen van het gemoed, dan overwindt hij die bezoedelingen van het gemoed. En als de edele volgeling deze bezoedelingen van het gemoed als zodanig heeft onderkend en overwonnen, dan geldt hij als groot aan wijsheid, rijk aan wijsheid, met helder inzicht, volmaakt in wijsheid.

Dat noemt men meesterschap in wijsheid.


Dit zijn de vier eigenschappen tot verkrijging van die vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden die in de wereld moeilijk te verkrijgen zijn.


Een dergelijke volgeling die zijn bezit verworven heeft door eigen kracht, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op rechtmatige, eerlijke manier, hij verricht daarmee vier goed toegepaste daden, namelijk:

Hij maakt zichzelf ermee gelukkig en tevreden en hij verschaft zich een volmaakt geluk.

Vader en moeder maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.

Vrouw en kind(eren), en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volkomen geluk.

Vrienden en makkers maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.

Zo heeft zijn bezit dit eerste doel vervult, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.

En verder nog, door middel van zijn bezit dat hij door eigen inspanning en op eerlijke manier verworven heeft, wendt de edele volgeling tegenslag af die hem door vuur of water, door de overheid, dieven of vijandige erfgenamen zou kunnen ontstaan; en zo beschermt hij zijn eigen persoon. Zo heeft zijn bezit dit tweede doel vervuld, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.

En verder nog, door middel van zijn door inspanning en op eerlijke manier verworven bezit brengt de edele volgeling vijf soorten gaven: gaven voor verwanten, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, belastingen aan de overheid, gaven voor de godheden.

Zo heeft zijn bezit dit derde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.


En verder nog: aan de asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en onverschilligheid, die geduld en mildheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven – aan zulke asceten en priesters brengt hij door middel van zijn bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende. Zo heeft zijn bezit dit vierde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.


Deze vier goed toegepaste daden verricht de edele volgeling met zijn bezit dat hij door eigen inspanning en vlijt verworven heeft, op rechtmatige, eerlijke manier.


Bij wie het bezit op een andere manier vermindert dan door deze vier goed toegepaste daden, diens bezit heeft zijn doel niet vervuld, heeft geen goede toepassing gevonden, werd niet doelmatig gebruikt.

Maar bij wie het bezit tengevolge van die vier goed toegepaste daden vermindert, diens bezit heeft zijn doel vervuld, heeft een goede toepassing ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.


“Juist werd mijn goed gebruikt: voor tegenslag hielp het mij behouden en ook mijn personeel en allen onder mijn hoede. Het heeft ook gediend als zeer voortreffelijke gave: vijfvoudige plicht van gaven en dienst aan degenen die rein van deugd, bedwongen, een heilig leven voeren. Tot welke doel een verstandige, in huis levende, voor zich bezit wenst, dat doel heb ik waarlijk bereikt, gedaan wat nooit spijt brengt.”

Als een mens dit wijs overdenkt, iemand die vast tot de edele leer houdt, dan krijgt hij hier de lofprijzing van de wijzen en daar de hemelse zaligheid. (A.IV.61 - Pattakamma Sutta)



Ongeveer hetzelfde is gezegd in de volgende toespraak. Daarvan heb ik hier alleen de verzen opgenomen.


"Werk verichtend voor de ouders

en liefdevol voor vrouw en kind,

strekt hij tot zegen voor het gezin

en voor degenen die hem zijn toevertrouwd.


De deugdzame, vol grootmoedigheid,

hij werkt tot welzijn van beiden,

van de eens gestorven verwanten

en van degenen die nog in leven zijn.


Aan de monniken en ook de priesters,

ja zelfs aan de hemelse wezens

wordt vreugde gebracht door de wijze man

die deugdzaam thuis woont.


Doordat hij goede werken verricht

wordt lof en eer hem ten deel.

Hier prijzen hem allen

en daar bereikt hij hemels geluk." (A.V.58)



"Vier soorten van geluk kan het in het genot van de zintuigen levende gezinshoofd af en toe verkrijgen, namelijk:

• het geluk van het bezitten,

• het geluk van het genot,

• het geluk van vrijheid van schulden,

• het geluk van onberispelijkheid.

Het geluk van bezitten bestaat hierin: een zoon uit goede familie bezit schatten die hij door eigen inspanning en vlijt rechtmatig, op eerlijke manier heeft verworven. En hij ondervindt geluk en vreugde bij de gedachte dat hij schatten bezit die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke

manier verworven heeft. Dat is het geluk van bezitten.

Het geluk van het genot bestaat hierin: een zoon uit goede familie geniet van de schatten die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke manier verworven heeft, en hij doet goede werken. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van het genot.

Het geluk van vrijheid van schulden bestaat hierin: een zoon uit goede familie is niemand iets verschuldigd, noch veel noch weinig. En bij het denken eraan dat hij niemand iets schuldig is, noch veel noch weinig, ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van vrijheid van schulden.

Het geluk van onberispelijkheid bestaat hierin: een edele jongeling heeft onberispelijke daden verricht in werken, woorden en gedachten. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van onberispelijkheid.


Deze vier soorten van geluk kan het gezinshoofd dat in het genot van de zintuigen leeft, af en toe verkrijgen.

Wie daar denkt aan het geluk van de vrijheid van schulden, en het geluk van het bezitten, wie ook de vreugden van het genot kent, en dat alles wijs onderzoekt, ziet duidelijk het geluk van beide soorten en weet dat dit geluk der wereld geen zestiende waard is van het geluk van onberispelijkheid. (A.IV.62)



"Door het vervullen van vier voorwaarden gaat de edele volgeling op het passende pad van een leek, welk pad aanzien brengt en naar de hemel leidt. Die vier voorwaarden zijn:

De edele volgeling verzorgt de gemeenschap van de monniken met kleding; met voedsel; met een slaapplaats; met medicijnen.

"De mensen met inzicht volgen het passende pad van de leek: de goede en deugdzame bedienen zij met kleding, voedsel en slaapplaats en in geval van ziekte met medicijnen.

Bij zulke mensen wordt hun zedelijke verdienste dag en nacht voortdurend groter. En wie iets goeds heeft gedaan, stijgt omhoog naar de hemel." (A.IV.60)



9. Achteruitgang door niet-geven


           “Als men veel rijkdom heeft

           en genoeg geld en voedsel,

           maar dan zijn luxe alleen geniet

[d.w.z. geen aalmoezen geeft]

           dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

(uit: Sn.91-115. – Parābhava sutta)



In een slecht verkondigde leer en discipline moet de gever [bij het geven aan asceten of brahmaan] de maat kennen, niet de ontvanger. En wel omdat de leer slecht verkondigd is.

In een goed verkondigde leer en discipline moet de ontvanger de juiste maat kennen, niet de gever. En wel omdat de leer goed verkondigd is. (A.I.31 = AN.XVI,3. 5-12)



Wie in de wereld krenterig en gierig zijn, wie anderen die bereidwillig zijn te geven, daaraan hinderen, zij worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van Yama. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij in arme gezinnen ter wereld, waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning slechts met moeite verkregen worden. De dwazen verwachten het ergens anders, maar zij krijgen het niet. (S.I.49)



Iemand die voedsel verdeelt en de volgende vier eigenschappen heeft, gaat naar de hel. Die vier eigenschappen zijn: hij gaat over de kwade weg van begeerte, gaat over de kwade weg van haat, gaat over de kwade weg van onwetendheid, gaat over de kwade weg van angst.

"Die onbeteugeld de begeerten nagaan,

die onrechtvaardig en zonder eerbied voor de leer zijn,

met begeerte en haat vervuld, met angst en illusie,

zij gelden als schandvlek van de gemeenschap." (A.IV.20)



De mensen geven overeenkomstig gunst, geloofsovertuiging. Wie daarom naar het drinken en eten van anderen kijkt met afgunst, hem ontbreekt bij de concentratie overdag en 's nachts de innigheid. (Dhp.249)


Maar wie aan een dergelijke afgunst een einde maakt, hem valt de meditatieve verdieping gemakkelijk zowel overdag als 's nachts. (
Dhp.250)



“Wie iemand ervan afhoudt aan anderen gaven te geven, die veroorzaakt nadeel voor drie personen, legt drie personen een hindernis in de weg. (1) Hij verhindert de goede daad van de gever. 2) Hij voorkomt dat de ontvanger de gaven ontvangt. (3) Voordien al benadeelt hij zijn eigen karakter." (A.III.58)



Wie de volgende vier daden verricht, die gaat overeenkomstig zijn daden naar de hel. Wie levende wezens ombrengt, wie zich toeëigent wat niet gegeven is, wie onjuist geslachtsverkeer begaat en wie de onwaarheid spreekt, - wie deze vier daden verricht die gaat overeenkomstig zijn daden naar de hel. (A.IV.64)



10. Het geven aan gestorvenen

Een brahmaan zei eens tot de Verhevene dat brahmanen gaven geven, dodenoffers aanbieden met de woorden: "Moge deze gave onze gestorven familieleden en verwanten ten goede komen. Mogen zij van deze gave genieten."

De brahmaan vroeg of die gave werkelijk de gestorvenen ten goede komt, of zij werkelijk ervan genieten.

De Boeddha gaf ten antwoord dat die gave hen op een geschikte plaats ten goede komt, niet op een ongeschikte plaats.

De brahmaan: "Heer, wat is de geschikte plaats en wat is de ongeschikte plaats?"

De Boeddha: "Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in een hel. Daar leeft hij van het voedsel van de hellenwezens, en daarmee voedt hij zich. Dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.

Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de dierenwereld. Daar leeft hij van het voedsel van de dieren, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren onder de mensen. Daar leeft hij van het voedsel der mensen, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de hemelse wezens. Daar leeft hij van het voedsel van de hemelse wezens, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.

Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de sfeer van de ongelukkige geesten. Daar leeft hij van het voedsel van de wezens in de sfeer van de ongelukkige geesten; daarmee voedt hij zich. En wat hem hier door zijn vrienden, familieleden en verwanten aangeboden wordt, daarop teert hij; daarmee voedt hij zich. Dat is de geschikte plaats; daar komt die gave hem ten goede."

De brahmaan: "Heer Gotama, wanneer nu het gestorven familielid niet op die plaats wedergeboren wordt, wie geniet dan van die gave?"

De Boeddha: "Ook anderen van zijn familieleden of verwanten zijn op die plaats wedergeboren. Het is onmogelijk dat die plaats in deze lange tijd onbewoond is gebleven door gestorven bloed- of aanverwanten. Overigens blijft ook de gever niet zonder loon."

De brahmaan: "Heer Gotama belooft dus succes zelfs op een ongeschikte plaats?"

De Boeddha: "Brahmaan, zelfs op een ongeschikte plaats komt succes. Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. Maar hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren onder olifanten, paarden, runderen of honden. Daar echter krijgt hij eten en drinken, guirlanden en velerlei sieraden. Vanwege zijn slechte gedrag in daden, woorden en denken [doden etc], is hij daar wedergeboren. Maar vanwege zijn gedrag t.o.v. asceten en priesters krijgt hij daar eten en drinken, guirlanden en sieraden.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. En hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de mensen of bij de hemelse wezens. Daar heeft hij deel aan menselijke of hemelse zinnelijke vreugden. En wel vanwege zijn goede boven vermelde gedrag.

Zo blijft ook de gever niet zonder beloning." (A.X.177)



10.1. Het verhaal over Sanuvasin

Het Petavatthu bestaat uit 51 verhalen over de ongelukkige geesten van de doden (petas) vanwege onheilzame daden. Door de Eerwaarde Nārada wordt er aan ongelukkige geesten gevraagd welke slechte daad ze in een vorig leven hebben gedaan met een dergelijk triest resultaat. In het kort wordt die daad dan verteld.

De petas kunnen uit hun ongelukkige toestand verlost worden door gaven aan hen te geven. Maar ze profiteren niet van directe gaven. Het is erg belangrijk dat de gever de verdienste van de gave aan de peta overdraagt. Zo kan de geest verlost worden van de peta-zuiveringsplaats (vagevuur) door de devotie van verwanten of vrienden en de begeleidende overdracht van verdienste. Een peta kan door een overvloed van verdiensten van goede daden die aan hem of haar aangeboden zijn, in een hemel wedergeboren worden. De overdracht van verdiensten aan petas maakt het mogelijk de werking van de wet van kamma-vipaka te wijzigen. (Gehman, H.S. (tr.). Petavatthu : Stories of the Departed. London 1974, p. xi-xii).



Het verhaal over Sanuvasin maakt het bovenstaande duidelijk.

Heel lang geleden keerde een prins te Varanasi van het park terug naar het paleis. Onderweg zag hij een Pacceka-Boeddha met naam Sunetta. Deze laatste was op zijn ronde voor aalmoezen, maar de prins sprak hem met ruwe woorden toe. Het gevolg hiervan kwam direct. De prins voelde een hevig branden van zijn lichaam. Hij stierf en werd herboren in de grote hel Avīchi. Toen de tijd daar afgelopen was, werd hij wedergeboren als een peta. En in deze Boeddha-periode werd hij herboren in een vissersdorp.

Hij was zich echter bewust van vroegere levens en daarom ging hij niet met anderen op visvangst. Hij gooide de vissen die zij meebrachten, terug in de zee. Zijn verwanten joegen hem toen het huis uit. Maar zijn broer bleef hem goedgezind.

Door toedoen van de Eerwaarde Ānanda werd de weggejaagde man een monnik. En hij bereikte het vierde niveau van heiligheid: hij werd een arahant. Samen met twaalf monniken vertoefde hij toen op een berg.

Zijn verwanten werden na de dood herboren als petas. Zijn vader en moeder voelden zich beschaamd dat zij hem toen uit het huis hadden gezet. Zij stuurden zijn peta-broer naar de arahant. De peta-broer maakte zich aan de arahant bekend met de woorden: “Eerwaarde Heer, ik ben uw broer, herboren als peta. Ook uw moeder en vader zijn diep ongelukkige wezens in de wereld van Yama. Omdat zij verkeerde daden deden, gingen zij van hier naar de peta-wereld. Zij zijn mismaakt, naakt en vol angst. Wees a.u.b. genadig en vol mededogen. Geef een gave en schrijf de verdienste ervan aan ons toe. Dan zal het beter met ons gaan.”

Toen de Ouderling en de twaalf andere monniken hun rondgang voor aalmoezen beëindigd hadden, kwamen zij op dezelfde plaats samen om een maaltijd klaar te maken. De Ouderling sprak hun aldus toe: “Geef mij wat jullie hebben ontvangen. Ik zal een maaltijd gereed maken voor de Orde, uit mededogen met mijn verwanten.”

Zij stemden ermee in. De Ouderling nodigde de andere monniken uit; en toen hij de maaltijd opdiende, droeg hij de verdienste van de gave op aan zijn moeder, vader en broer met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.” Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste was er voedsel voor de petas, zuiver, smakelijk en goed klaargemaakt.

De broer die nu knap, sterk en gelukkig was, zei toen: “Eerwaarde Heer, er is voldoende voedsel, maar kijk, wij zijn naakt. Heer, maak dat wij kleren krijgen.”

De Ouderling raapte hierop enkele flarden van weggegooide kleren op, naaide ze aaneen tot gewaden en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden kleren geproduceerd voor de petas. En de broer, met mooie kleren aan, toonde zich aan de Ouderling met de woorden: “Eerwaarde Heer, wij hebben nu meer kleren dan er in dit koninkrijk zijn. Ze zijn van zijde en van wol, van vlas en van katoen; het zijn er veel en ze zijn kostbaar. En ze hangen in de lucht. Eerwaarde Heer, wij hadden nog graag een huis.”

De Ouderling bouwde een hut van bladeren en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden huizen geproduceerd voor de petas. Het waren mooie gebouwen met voorraadkamers. En de peta-broer zei: “Eerwaarde Heer, bij de mensen zijn niet zulke woningen als wij hier hebben. Wij hebben nu huizen zoals bij de devas. Maar Heer, zorg ervoor dat wij een slok water kunnen drinken.”

De wijze Ouderling vulde hierop een waterpot en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd drinkwater voor de petas geproduceerd. Er waren vier diepe vijvers met een goede wal en helder water. Het water was koel en rook aangenaam. En de vijvers waren bedekt met lotussen en waterlelies.

Nadat zij een bad hadden genomen en gedronken, verschenen zij voor de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, wij hebben genoeg water, maar onze voeten doen pijn en zitten vol kloven. Als wij buiten rondgaan, stappen wij op het grind en op doornen van struiken. Heer, zorg ervoor dat wij een voertuig krijgen.”

De Ouderling nam een schoen en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd een rijtuig voor de petas geproduceerd. Hierin kwamen zij tot bij de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, uit mededogen zijn wij nu voorzien van voedsel en kleren. Ook kregen wij een huis, drinkwater en een voertuig. Heer, wij komen om u die vol mededogen bent, eer te betonen.”

De Ouderling vertelde dit voorval aan de Verhevene die het tot leerthema maakte. (Petavatthu III.2)



10.2. Offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten.

In het Khuddhakapāta staat als nr. 7 het Tirokudda Sutta. Het is een gedicht bij het brengen van offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten. Dit gedicht staat ook in Petavatthu I.5. De verzen 7 en 8 worden in Sri Lanka en Thailand gereciteerd bij het verbranden van het lijk.


1. Buiten de muren staan ze, in nissen en op kruisingen van wegen. Bij de deurposten staan ze als ze hun oude tehuis weer opzoeken.

2. Wanneer een maaltijd met uitbundig voedsel en drank wordt opgediend, denkt tengevolge van zijn werk niemand aan hen.

3. Maar degenen die sympathie en mededogen voelen voor hun gestorven verwanten, geven op passende tijden gaven van zuiver en heerlijk voedsel en drinken met de gedachte: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn verwanten gelukkig zijn.”

4. En de geesten van de verwanten in de peta-sfeer komen er samen en nemen aandachtig en met dank het vele eten en drinken aan, [met de woorden]:

5. “Mogen onze verwanten lang leven, onze verwanten van wie wij deze gave(n) hebben gekregen. Wij zijn ge-eerd [met een offergave] en de gevers blijven niet zonder beloning."

6. Want daar [bij de petas] is geen akkerbouw, geen veeteelt, daar is geen handel [zoals hier bij ons]. De hongerige geesten daar wier tijd hier voorbij is, leven van wat hier aan hen is gegeven.

7. Zoals water op een heuvel regent en omlaag stroomt naar het dal, juist zo is datgene wat hier gegeven is, van voordeel voor de gestorvenen.

8. Zoals rivieren vol water de oceaan vullen, juist zo is datgene wat hier gegeven is, de gestorvenen tot voordeel.

9. "Hij gaf mij geschenken, hij deed iets goeds voor mij, hij was mijn verwant, mijn vriend, mijn kameraad." Terwijl men zo denkt en zich herinnert aan wat vroeger gedaan is, moge men dan aan de gestorven geesten een gave brengen.

10. Want geen huilen, geen leed of ander geweeklaag van verwanten is van voordeel voor de gestorvene.

11. Maar als die gave met een goede basis is gegeven aan de Sangha, dan werkt het lange tijd voor hun voordeel en zij hebben onmiddellijk resultaat ervan.

12. Op die manier is de juiste plicht t.o.v. familieleden aangetoond, is een uitstekende gave aan de gestorvenen gegeven en is aan de monniken kracht geschonken. De verdienste die jullie hebben verworven, is niet gering.


11. Geven als een van de volmaaktheden

In het Buddhavamsa, de kroniek van Boeddhas, zijn 24 vroegere levens van de Boeddha Gotama tijdens zijn loopbaan als Bodhisatta beschreven. Deze kroniek is zeer waarschijnlijk pas ná het 3e concilie in de Pāli Canon opgenomen. De volmaaktheden worden niet in de oudere nikāyas aangetroffen.

In het Cariyāpitaka, het 15e en laatste boek van de Khuddaka Nikāya, worden zeven van de tien volmaaktheden (dasa pārami) getoond. Die verhalen zijn verdeeld in drie groepen (vaggas). De eerste groep bevat tien verhalen over de Volmaaktheid van geven (dāna).

De vraag doet zich voor of deze verhalen allemaal betrouwbaar zijn. Zijn zij alleen symbolisch bedoeld of moeten zij als educatieve verhalen opgevat worden?


Ik denk dat de verhalen uit Buddhavamsa en Cariyāpitaka vergeleken moeten worden met de fabels uit de Indiase wereld. Volgens mij moeten zij allemaal beschouwd worden op dezelfde manier als de Jātakas. En dan zijn zij enkel educatieve verhalen, zonder enige historische waarde. De daden die hij er volvoerde om Boeddhas te eren, zijn voorbeelden van respect en vroomheid en moeten niet als feiten opgevat worden.



In het Buddhavamsa zijn tien bodhi-pācana dhammā genoemd, eigenschappen die leiden naar de ontplooiing van volmaakte Verlichting. Die eigenschappen zijn de tien volmaaktheden (pāramīs), de tien transcendente deugden. Een van deze volmaaktheden is edelmoedigheid, vrijgevigheid (dāna).

De volmaaktheid van geven bestaat in de wilsuiting om zichzelf of zijn bezittingen op te geven, gepaard gaande met mededogen en bekwame middelen. Ze heeft het kenmerk van edelmoedigheid; de functie ervan is door te geven gehechtheid aan iets of begeerte naar iets te vernietigen.

De Bodhisatta ontwikkelt mettā voor alle wezens en geeft hun vreesloosheid. Hij denkt aan het heil van de wezens en duldt hun lijden niet. Hij wenst hun geluk voor een lange tijd en ook koestert hij voor allen een gelijke gezindheid. Daarom geven zij gaven aan alle wezens tot hun geluk, zonder te controleren of deze of gene de gaven waard is of niet.

In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, ondernam de Bodhisatta grote heilzame daden, onwankelbaar in edelmoedigheid. Hij maakte zich geliefd door edelmoedigheid en vrijgevigheid. Hij gaf uitgelezen spijzen en dranken, smakelijke maaltijden. Hij werd een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij hield ervan gaven uit te delen, fijn geweven dekens en gewaden van linnen, wol, zijde.

Hij verenigde lang verloren verwanten en vrienden die uit elkaar waren geraakt. Hij verenigde ouders met hun kinderen, broers met broers, broers met zusters. Hij stichtte vrede, bracht lieden die uit elkaar waren geraakt, bij elkaar en verheugde zich erover. Eendracht maakte hem blij.

Hij was velen behulpzaam, verschafte troost en verzachting. Hij verlangde naar het welzijn en voordeel van de mensen. Hij probeerde de mensen in zekerheid te brengen, en dacht eraan hoe zij kunnen toenemen in vertrouwen, deugdzaam gedrag, kennis, ontzegging, het juiste begrijpen, wijsheid, rijkdom en bezittingen. Hij had graag dat zij veel vee hadden, dat het goed ging met hun vrouw en kinderen, personeel en verwanten; en dat zij goede collega’s en vrienden hadden. Hij leefde voor het geluk van velen, als iemand die angst en vrees verjoeg. Hij gaf wettelijke bescherming en onderdak en voorzag in alle noden.

Hij hield zich verre van achterklap. Wat hij hier gehoord had, vertelde hij elders niet verder om onenigheid te stichten. Hij probeerde vrede te stichten. Over harmonie verheugde hij zich.

Kortom, de Bodhisatta gaf materiële dingen en moedigde ook de ontwikkeling aan van geestelijke eigenschappen, zoals vreesloosheid, eendracht, harmonie, troost en zekerheid.


De volmaaktheid van geven moet beoefend worden door wezens van nut te zijn op vele manieren: door zijn bezittingen, lichaam en leven voor anderen op te offeren, door angst te verdrijven, en door ze in de leer te onderwijzen. Het geven is drievoudig door het object dat gegeven wordt: (1) het geven van materiële dingen; (2) het geven van vreesloosheid, of het geven van bescherming aan wezens wanneer zij angstig zijn geworden; (3) het geven van de leer (Dhamma).


Volgens het Buddhavamsa en het commentaar erop vervult de Bodhisatta de basis volmaaktheid van geven door het offer van zijn bezittingen; hij vervult de hogere volmaaktheid door het offer van een van zijn ledematen; en hij vervult de opperste volmaaktheid door het offer van zijn leven.

De Eerwaarde Nārada schreef dat geven wijs moet gebeuren. Als bijvoorbeeld een dronkaard of een drugsverslaafde een aalmoes zou vragen, en indien de Bodhisatta ervan overtuigd was dat zijn gave niet goed gebruikt zou worden, dan zou hij dat zonder aarzelen weigeren.


De volmaaktheid van geven kan door iedereen tot een bepaald niveau uitgeoefend worden. Wij hoeven immers niet tot in de perfectie de deugd van geven uit te voeren.


naar boven




Geraadpleegde bronnen



Digha Nikaya

Walshe, Maurice (tr.). The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).


Dahlke, Paul (Übers.). Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden : Fourier, [s.a.]


An, Yang-Gyu (transl.). The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford : PTS, 2003.


Gnanarama, Ven. Pategama. The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore : Ti-Sarana Buddhist Association, 1997.


Mahāparinirvāna Sūtra, geciteerd in Khantipālo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Vol. 2. Bangkok 2530/1987, p. 353-354).



Majjhima Nikaya

Bapat, P.V. The Majjhima Nikâya (1, Mûla Pannâsakam). Editor: Dr. P.V. Bapat; General Editor: Bhikkhu J. Kashyap. [s.l] : Pâli Publication Board (Bihar Government), 1958. (Nâlandâ-Devanagârî-Pâli-Series).

Horner, I.B. (tr.). The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Oxford: PTS, 2000.


Neumann, Karl Eugen (Übers.). Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. Bd. 1-3. (3. Aufl.) München : Piper, 1922.


Neumann, Karl Eugen (Übers.). Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. (4. Aufl.) Zürich: Artemis; Wien: Zsolnay, 1956. (Karl Eugen Neumanns Übertragungen aus dem Pâli-Kanon, Bd. I). (1. Aufl. 1896-1902)



Samyutta Nikaya

Geiger, Wilhelm (Übers.). Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930. 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.

ook in: www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html



Anguttara Nikaya

Ñanatiloka, Bhikkhu. Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 1. Das Einer-Buch - Eka-Nipâto. Übers. u. erläutert von Bhikkhu Ñanatiloka. Leipzig : Buddhistischer Verlag, [s.a.] (Heilige Schriften der Buddhisten ; 1)


Nyanatiloka (Übers.). Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.


Nyânatiloka, Bhikkhu (Übers.). Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 4. Das Vierer-Buch (Catukka-Nipâto). Übers. von Bhikkhu Nyânatiloka. Breslau : Markgraf, 1912.



Khuddhakapatha

Ñânamoli, Bhikkhu (tr.). The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford : PTS, 1997. (1st ed. 1960).


Seidenstücker, Karl (Übers.). Khuddaka-Pâtha. Kurze Texte. Eine kanonische Schrift des Pâli-Buddhismus. Aus dem Pâli übers. u. erläutert von Karl Seidenstücker. München-Neubiberg : Schloß, [1910]. (Buddhistische Volksbibliothek No. 6).



Dhammapada

Adikaram, E.W. The Dhammapada. with Preface, Pali Text and English Translation by E.W. Adikaram. Colombo : Gunasena, 1984. (1st. ed. 1954).


Burlingame, Eugene Watson (tr.). Buddhist Legends. Translated from the original Pali text of the Dhammapada Commentary. London : PTS, 1979. (Harvard Oriental Series, Vol. 28, 29, 30).

Dhammananda, K. Sri (tr.). The Dhammapada. Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.


Nârada Thera. The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).



Udana en Itivuttaka

Ireland, John D. (tr.). The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Masefield, Peter (tr.). The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ) by Dhammapala. transl. from the Pâli by Peter Masefield. Vol. I. - Oxford : PTS, 1994. Vol. II. - Oxford : PTS, 1995.


Woodward, F.L. (tr.). Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

Ireland, John D. (tr.). The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy : BPS, 1991.


Masefield, Peter (tr.). The Itivuttaka. Oxford : PTS, 2000. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. 38)


Seidenstücker, Karl (übers.). Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]



Sutta Nipata

Norman, K.R. (tr.). The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.


Norman, K.R. (tr.) .The Group of Discourses (Sutta-Nipâta), Vol. II. Oxford : PTS, 1992. (Pali Text Society Translation Series No. 45). (Revised transl. with introduction and notes).


Nyanaponika (Übers.). Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).



Petavatthu

Gehman, H.S. (tr.). Petavatthu : Stories of the Departed. London : PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).



Buddhavamasa en Cariyapitaka

Horner, I.B. (tr.). Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyâpitaka). London : PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXI) (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III).


Horner, I.B. (tr.). The Clarifier of the Sweet meaning (Madhuratthavilâsinî) : Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London: PTS, 1978. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXIII).



Paramis - volmaaktheden

Bodhi, Bhikkhu (tr.). 'The Treatise on the Pâramîs,' in: The Discourse on the All-Embracing Net of Views : The Brahmajâla Sutta and its Commentaries. Kandy 1978, p. 254-330.

Chandawimala Mahâthera, Ven. Rerukâne. Analysis of Perfections : Paramita. English transl. from the Sinhala by A.G.S. Kariyawasam. Kandy : BPS, 2003. English translation of Pâramitâ Prakaranaya.


Ledi Sayadaw, Mahâthera. Magganga-dîpanî. The Manual of the Constituents of the Noble path. Transl. into English by U Saw Tun Teik. (repr.) - [s.l.]: Davidson, 1986. (1st publ. in Burma 1961).


Ledi Sayâdaw, Ven. A Manual of the Excellent Man, Uttamapurisa Dîpanî. Trans. from the Burmese by U Tin Oo (Myaung); edited by Bhikkhu Pesala. Kandy : BPS, 2000.


Saddhatissa, H. The Birth-stories of the Ten Bodhisattas and the Dasabodhisattuppattikathâ, being a Translation and Edition of the Dasabodhisattuppattikathâ. London : PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXIX).

Nārada Maha Thera: ‘Pārami – Perfections,’ in: The Buddha and His Teachings. Kandy 1980, p. 576-611.


D.30 : ‘Lakkhana Sutta: The Marks of a Great Man’, in: Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha, Kandy 1996, p. 441-460.


Upatissa, Arahant: The Path of Freedom (Vimuttimagga). Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapāla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977), p. 188-190.


Ñānamoli, Bhikkhu (tr.). The Path of Purification (Visuddhimagga) by Bhadantācariya Buddhaghosa. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956], p. 353.



Algemeen

www.palikanon.com/

http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/index.html

http://www.sleuteltotinzicht.nl/


naar boven


1 koti = 20 stuk

2 Elke gemeenschap van bhikkhus of bhikkhunis van vier of meer in aantal is een bhikkhu-sangha, resp. bhikkhuni-sangha.

3 Commentaar bij Ud. II, V.1, in: Masefield, Peter (tr.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ) by Dhammapala. Vol. II. Oxford 1995, p. 729-731.

4 Gnanarama, Ven. Pategama. The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 150-151). De Eerwaarde Talawe Sangharata Thero, hoofd van de Pitaramba Tempel te Bentota, Sri Lanka, wees erop (brief van 28-06-1995) dat er goddelijke sferen zijn die dicht bij de menselijke sfeer zijn. Als wij verdiensten aan hen overdragen, worden zij nog gelukkiger. Zij vermijden moeilijkheden die door geesten over ons gebracht kunnen worden].

5 Uit het Mahāparinirvāna Sūtra, geciteerd in Khantipālo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Vol. 2. Bangkok 2530/1987, p. 353-354.

6 Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla. Vol. II. Oxford 1995 p. 1025; en An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 122). Het commentaar van An is dat aalmoezen die aan de Boeddha zijn geschonken en niet door hem zijn genuttigd, niet door anderen gegeten kunnen worden. (An 2003, p. 122, noot 5. Zie hierover ook M.3 (M.I.12-13), in: Horner, I.B. (tr.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Oxford 2000, p. 17).

7An 2003, p. 123.

8 Masefield 1995, Vol. II p. 635 (sub L.)

9 An 2003, p. 123 noot 2.

10 Masefield 1995 II, p. 914 noot 150.

naar boven