|
Copyright © 2021 / 2564 Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk. |
Lange
tijd was Lumbinī bij de plaatselijke bevolking bekend als
Rumandei Devi. Zij
dachten dat het een gewijde plaats van
een godin was en brachten er dierenoffers.
Na de
conceptie in haar schoot droomde koningin Māhā Māyā dat een kleine
witte
olifant in haar lichaam was binnengetreden. Die droom werd door
lieden die
bekwaam in zulke dingen waren, uitgelegd als een gunstig voorteken. Het
kind
zou volgens hen een groot man worden met buitengewone
vermogens. Precies tien
maan-maanden[1] na die droom verwachtte
koningin Māhā Māyā haar
kind. Het was in die tijd de gewoonte dat een aanstaande moeder naar
het huis
van haar ouders ging om daar haar kind ter wereld te brengen. Ook
koningin Māhā
Māyā begaf zich op weg naar haar ouders te Devadaha. De afstand van de
residentieplaats
Kapilavatthu naar Devadaha is iets meer dan 60 km.
Ongeveer halverwege rustte
zij uit in het park te Lumbinī. En aldaar werd onder een bloeiende
sala-boom de
Boeddha van dit tijdperk geboren. Volgens de Theravada-traditie was het
op de
dag van volle maan in mei (Vesakha) in het jaar 623 voor Christus.[2]
De geboorte geschiedde
zoals dat voor Bodhisattas[3] gebruikelijk is. Zoals andere
vrouwen baren, als
zij negen of tien maanmaanden de vrucht in het lichaam hebben gehad,
zó baarde
de moeder van de Bodhisatta hem niet. Maar zij baarde nadat zij de
Bodhisatta
precies tien maan-maanden in het lichaam had gehad. En zij baarde niet
zittend
of liggend, zoals andere vrouwen; zij baarde het kind staande. Met
één hand
hield zij zich daarbij vast aan een tak van een bloeiende sala-boom.
Na
de geboorte van haar zoontje keerde
koningin Māhā Māyā terug naar Kapilavatthu. In het hele land was er
grote
vreugde over de geboorte van de prins.

Behalve deze
stenen zuil liet keizer Asoka
hier ook een stoepa bouwen.
In
1996 werd de oude Maha Maya tempel
afgebroken. De ruïnes van de oude tempel eronder werden
blootgelegd. En men
vond aanwijzingen dat dit de exacte geboorteplek van prins Siddhattha
Gotama is.
Boven de oude ruïnes is een modern gebouw opgericht.
In die oude tempel bevond zich een verweerd reliëf dat dateert uit het begin van de Christelijke tijdrekening. Dit reliëf stelt de geboorte van de Boeddha voor. Omdat het erg verweerd is, werd een nieuw reliëf vervaardigd dat hetzelfde tafereel voorstelt. Het bas-reliëf toont koningin Māhā Māyā terwijl zij zich met haar rechter hand vasthoudt aan een tak van een sala-boom. Haar linker hand rust op haar heup; rechts van haar een vrouw, vermoedelijk haar zuster Māhā Pajāpatī Gotami. Achter deze laatste is de lichtgebogen gestalte van Sakka, de koning van de goden. De kleine gestalte van Siddhattha met een stralenkrans rond Zijn hoofdje staat aan de onderkant. Juist achter Sakka is een mannelijke figuur te zien.
Ten
zuiden van de Maha Maya tempel is een
vijver. Volgens sommigen bestond deze vijver al te Lumbinī
vóór de aankomst van
koningin Māhā Māyā. Zij zou er juist voordat zij prins Siddhattha ter
wereld
bracht, een bad hebben genomen.
Op
de oostelijke oever van de vijver zijn veel stenen ruïnes; de
meeste ervan zijn
fundamenten van kleine stoepas. Onder deze ruïnes bevinden
zich eerdere
grondvesten.
Nabij de zuidoostelijke hoek van de vijver zijn de resten van een bakstenen klooster.

Eeuwenlang werd aan deze gewijde plaats
geen aandacht meer geschonken. In 1956, bij gelegenheid van de 4e
Wereldconferentie
van Boeddhisten, schonk wijlen koning Mahendra van Nepal een grote som
geld
voor de ontwikkeling van Lumbinī. Vanaf toen begon de ontplooiing van
dit
gebied.
In
1995 waren archeologen er bezig met
opgravingen. Zij vonden een ca 1600 jaar oud beeld van de Bodhisatta
Gotama en
zijn vrouw Yasodhara. Deze ontdekking is geheim gehouden tot de 1e
week van december 1995.
Men
denkt dat het beeld ontstaan is tussen
de 4e-6e eeuw na Chr.
Volgens de archeologen is het beeld
heel zeldzaam. Het werd gevonden in de zuidoost-hoek van de Mahadevi
tempel te
Lumbini op 25 juli 1995. Het beeld schijnt te zijn beïnvloed
door de Gandha
kunst.
Het
tafereel toont prinses Yasodhara in
slaap met haar pasgeboren zoontje Rahula. De Bodhisatta zit in
koninklijke
houding, met zijn linker hand op Yasodhara’s knie. Zijn
rechter hand ligt op
zijn eigen knie.
[2]
Een andere telling houdt 563 v.C. aan.
[3]
Een Bodhisatta is een aanstaande Boeddha.
[4]
Koning Piyadassi = Asoka.
[5]
= Lumbinī.