Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.6.01. Sariputta.

Copyright ©  2024 / 2567

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogpunt

Inleiding

Ontmoeting met de heilige Assaji

De hogere wijding

Sariputta bereikt volmaakte heiligheid

Lofprijzing van Sariputta door de Boeddha I

Eer degene die eer waard is

Sariputta wordt verkeerd begrepen

Lofprijzing van Sariputta door de Boeddha II

Het onverwoestbare rijk

Lofprijzing van Sariputta door de Boeddha III

Lofprijzing van Sariputta door de eerwaarde Vangisa

Lofprijzing van Sariputta door de eerwaarde Ananda, door devaputta Susima en door de Boeddha

Sariputta spreekt zijn volle vertrouwen uit in de leer van de Boeddhas

Onwankelbaar en onbewogen

Generaal van de Dhamma

Gevaren voor monniken

Abhidhamma

Overleveringen die niet op waarheid berusten

Verdraagzaam - De eerwaarde Sariputta wordt door zijn moeder gesmaad

Sariputtas gebrul van de leeuw (Sariputta wordt vals beschuldigd)

Definitieve heengaan van Sariputta

Sariputta

Inleiding

        Upatissa, zoon van Sari, werd geboren in het dorp Upatissa nabij Rajagaha en behoorde tot de kaste van de brahmanen. Zijn familie-eigendommen lagen bij Nālaka, een brahmaans dorp in Magadha, niet ver van Rājagaha.[1] Hij was bevriend met Kolita, zoon van Moggali. Tijdens het kijken naar een toneelstuk beseften zij de onwerkelijkheid van de dingen. Zij besloten daarom op zoek te gaan naar de weg naar bevrijding. Eerst gingen zij naar de asceet Sañjaya die te Rajagaha verbleef. Zij werden discipelen van hem en zij hadden een gevolg van 250 asceten. Omdat zij niet tevreden waren met zijn leringen, gingen zij afzonderlijk op zoek naar de bevrijding, met de belofte dat degene van hen die de ware Dhamma vond, de ander zou informeren.

Ontmoeting  met de heilige Assaji

Op een dag ontmoette Upatissa de volmaakte heilige Assaji, een van de vijf asceten die door de Verhevene na de Verlichting werden bekeerd. Upatissa was onder de indruk van de uitstraling en het waardige gedrag van Assaji. Na diens aalmoezenrondgang vroeg Upatissa wiens meester Assaji navolgde en wat diens leer inhield. Het antwoord luidde dat de grote wijze uit de stam van de Sakyas zijn leermeester was en dat Assaji zelf pas in de Orde was opgenomen en de leer nog niet helemaal kende maar wel het wezenlijke ervan kon uitleggen. Assaji zei toen het vers: “Van alle dingen die oorzakelijk zijn ontstaan, heeft de Volmaakte de oorzaak uitgelegd. En ook hoe die tot uitdoving komen.” - Dat was genoeg voor Upatissa om de waarheid in te zien: “Alles wat aan ontstaan onderhevig is, is ook onderhevig aan vergaan.” Door dit inzicht bereikte hij het eerste niveau van heiligheid. En hij zei aan de eerwaarde Assaji: “Als dat de leer is, dan heb je het oord dat vrij van zorgen is, doordrongen.”

Daarna ging hij naar zijn vriend Kolita die hem vroeg of hij het doodloze had bereikt. Upatissa zag er immers stralend uit. “Ja vriend, het doodloze is bereikt.” En Upatissa vertelde over zijn ontmoeting met de eerwaarde Assaji, diens uitleg van het wezenlijke van de leer van de Boeddha, namelijk dat alles wat ontstaat, ook zal vergaan.

        Na deze woorden bereikte Kolita eveneens het eerste niveau van heiligheid met het inzicht: “Alles wat de eigenschap heeft van ontstaan, heeft ook de eigenschap van vergaan.” Hij wilde toen samen met Upatissa naar de Verhevene gaan, hun leraar. Upatissa zei toen dat zij eerst de asceten die hun volgelingen waren, zouden vragen wat zij wilden doen. En het antwoord van die asceten luidde dat ze samen met hen volgelingen van de Boeddha wilden worden.

        Upatissa en Kolita gingen toen naar de dolende asceet Sañjaya en vertelden hem dat zij de Boeddha als hun leraar hadden aangenomen en dat zij nu naar hem toe gingen.

Samen met de vele asceten gingen beiden toen op weg naar de Boeddha, die in het bamboebos vertoefde. Deze zag hen van verre aankomen en hij zei aan de monniken: “Daar komen de twee vrienden Upatissa en Kolita. Zij zullen de hoogste en beste discipelen van mij worden.”[2]

De hogere wijding

Upatissa en Kolita gingen naar de Verhevene toe, knielden met hun hoofd tot op de grond voor de Verhevene en vroegen om bij de Boeddha gewijd te worden. Met de woorden: “Kom, monniken, de leer is goed uitgelegd, neemt het heilige leven op jullie, om aan alle leed een einde te maken.” Dat was voor beiden de hogere wijding.[3]

Sariputta bereikt volmaakte heiligheid

Upatissa kreeg als monnik de naam Sariputta.[4] Veertien dagen na de wijding sprak de Boeddha tot Dīghanakha, die een neef was van de eerwaarde Sāriputta. Sāriputta stond toen achter de Boeddha en wuifde hem met een waaier koelte toe. Hij volgde de toespraak en bereikte vanaf het eerste niveau van heiligheid dat hij al bereikt had, de volledige heiligheid met de viervoudige analytische kennis.[5] Zijn hart werd toen zonder hechten van de neigingen bevrijd op de weg die moeiteloos is en die met snel begrijpen verbonden is.[6] Dit betekent dat de drie eerste hoge paden met moeiteloze vooruitgang en langzaam begrip verbonden waren, maar dat het pad van heiligheid met moeiteloze vooruitgang en snel begrip gepaard ging.

lofprijzing van Sariputta door de Boeddha I

Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het Jeta-park van de Anāthapindika. Daar richtte hij zich tot de monniken als volgt: "Monniken." - "Eerwaarde Heer," antwoordden zij. De Verhevene zei dit:

"Bhikkhus, Sāriputta is wijs. Sāriputta heeft grote wijsheid; Sāriputta heeft uitgebreide wijsheid; Sāriputta heeft vreugde brengende wijsheid; Sāriputta heeft snel opvattende wijsheid; Sāriputta heeft scherp ogende wijsheid; Sāriputta heeft doordringende wijsheid. Monniken, een halve maand lang oefende Sāriputta inzicht in (verschillende) toestanden, de ene na de andere. Sāriputta's inzicht in (verschillende) toestanden, de ene na de andere, was dit:

Daar, monniken, trad Sāriputta, geheel afgezonderd van zinnelijk genot, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, binnen in de eerste verdieping, die vergezeld is van begin- en aanhoudende toewending van de geest, en daarin vertoefde hij, met vervoering en gelukzaligheid die ontstaan zijn uit de afzondering.

En de toestanden in de eerste verdieping - de begin-toewending van de geest, de aanhoudende toewending van de geest, de vervoering, de gelukzaligheid en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en de geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en de oplettendheid - deze toestanden werden door hem afgebakend, de een na de ander; die toestanden ontstonden en hij had er kennis van, ze waren aanwezig, en hij had er kennis van, ze verdwenen, en hij had er kennis van. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen aldus inderdaad, nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, trad Sāriputta met het stil worden van de aanvankelijke en aanhoudende toewijding van de geest (tot het object van meditatie) binnen in de tweede verdieping, die innerlijke rust en eenheid van het hart bevat, zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest, en hij vertoefde erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit de concentratie zijn ontstaan.

En de toestanden van de tweede verdieping - de innerlijke kalmte, de vervoering, de gelukzaligheid en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en het opmerken - deze toestanden werden door hem de een na de ander afgebakend; die toestanden ontstonden en hij was zich ervan bewust, ze waren aanwezig en hij was zich ervan bewust, ze verdwenen en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontkomen aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die toestand van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, trad Sāriputta met het vervagen van de vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, opmerkzaam en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden gelukzaligheid, binnen in de derde verdieping, waarvan de edelen zeggen: 'Gelukzalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en opmerkzaamheid is', en hij vertoefde erin.

En de toestanden van de derde verdieping - de gelijkmoedigheid, de gelukzaligheid, de opmerkzaamheid, de helderheid van kennis en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en het opmerken - deze toestanden werden door hem de een na de ander afgebakend; die toestanden ontstonden, en hij had er kennis van, ze waren aanwezig en hij had er kennis van, ze verdwenen en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij, zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, trad Sāriputta met het overwinnen van geluk en pijn en het al eerder verdwijnen van vreugde en verdriet, binnen in de vierde verdieping, die vanwege gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams heeft en zuiverheid van opmerkzaamheid bezit, en hij vertoefde daarin.

En de toestanden van de vierde verdieping - de gelijkmoedigheid, het noch pijnlijke noch aangename gevoel, het niet eraan deelnemen van het hart vanwege het stil worden, de zuiverheid van de opmerkzaamheid en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en de oplettendheid - deze toestanden werden door hem afgebakend, de ene na de andere; die toestanden ontstonden en hij was zich ervan bewust, ze waren aanwezig en hij was zich ervan bewust, ze verdwenen, en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na de aanwezigheid ervan vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, met het volledig overwinnen van de waarneming van vorm, met het verdwijnen van de waarneming van de indruk van de zintuigen, met het verwaarlozen van de waarneming van veelheid, doordat Sāriputta zich bewust werd 'ruimte is oneindig', trad hij binnen in het gebied van de ruimte- oneindigheid en vertoefde erin.

En de toestanden in het gebied van de oneindigheid van de ruimte - de waarneming van het gebied van de oneindigheid van de ruimte en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en opmerken - deze toestanden werden door hem afgebakend, de ene na de andere; die toestanden ontstonden en hij was zich ervan bewust, ze waren aanwezig en hij was zich ervan bewust, ze verdwenen, en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, met het volledig overwinnen van het gebied van de oneindigheid van de ruimte, doordat Sāriputta zich voor de geest hield: 'bewustzijn is oneindig', trad hij binnen in het gebied van de oneindigheid van bewustzijn en vertoefde erin.

En de toestanden in het gebied van de oneindigheid van bewustzijn - de waarneming van het gebied van de oneindigheid van bewustzijn en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en de oplettendheid - deze toestanden werden door hem afgebakend, de ene na de andere; die toestanden ontstonden en hij was zich ervan bewust, ze waren aanwezig en hij was zich ervan bewust, ze verdwenen, en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, met het volledig overwinnen van het gebied van de oneindigheid van het bewustzijn, doordat Sāriputta zich voor de geest hield: 'er is niets', trad hij binnen in het gebied van de nietsheid en vertoefde erin.

En de toestanden in het gebied van de nietsheid - de waarneming van het gebied van de nietsheid en het op één punt gericht zijn van de geest; het contact, het gevoel, de waarneming, de wil en geest; de ijver, de vastberadenheid, de energie, de opmerkzaamheid, de gelijkmoedigheid en de oplettendheid - deze toestanden werden door hem afgebakend, de ene na de andere; die toestanden ontstonden en hij was zich ervan bewust, ze waren aanwezig en hij was zich ervan bewust, ze verdwenen, en hij was zich ervan bewust. Hij begreep: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, met het volledig overwinnen van het gebied van de nietsheid trad Sāriputta binnen in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming en vertoefde erin.

Hij trad oplettend uit die staat van verworvenheid uit. Nadat hij dat had gedaan, beschouwde hij de vroegere toestanden die beëindigd waren en veranderd waren, op de volgende manier: ‘Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na het aanwezig zijn ervan vallen ze uiteen.’ Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Verder, monniken, met het volledig overwinnen van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming trad Sāriputta binnen in het uitdoven van waarneming en gevoel en hij vertoefde erin. En zijn neigingen werden vernietigd doordat hij met wijsheid zag.

Hij trad oplettend uit die staat van verworvenheid uit. Nadat hij dat had gedaan, beschouwde hij de vroegere toestanden die beëindigd waren en veranderd waren, op de volgende manier: 'Deze toestanden verschijnen dus inderdaad nadat ze eerder niet aanwezig waren; na hun aanwezigheid vallen ze uiteen.' Met betrekking tot die toestanden vertoefde hij zonder aangetrokken te worden, zonder afgestoten te worden, onafhankelijk, ongebonden, vrij, onthecht, met een onbegrensd hart. Hij begreep: 'Er is een ontsnapping aan gene zijde ervan', en met het verzorgen van die staat van verworvenheid bevestigde hij dat die er is.

Bhikkhus, wanneer men terecht van iemand zou willen zeggen: 'Hij heeft meesterschap en volmaaktheid bereikt in edele deugdzaamheid, hij heeft meesterschap en volmaaktheid bereikt in edele concentratie, hij heeft meesterschap en volmaaktheid bereikt in edele wijsheid, hij heeft meesterschap en volmaaktheid bereikt in edele bevrijding', dan is inderdaad Sāriputta degene van wie men dit terecht zou moeten zeggen.

Bhikkhus, wanneer men terecht van iemand wilde zeggen: 'Hij is de zoon van de Verhevene, uit zijn borst geboren, uit zijn mond geboren, uit de Dhamma geboren, door de Dhamma geschapen, een erfgenaam in de Dhamma, niet een erfgenaam in materiële goederen', dan is Sāriputta inderdaad degene van wie men dit terecht zou zeggen.'

Bhikkhus, het onovertreffelijke wiel van de Dhamma dat door de Tathāgata in beweging is gebracht, wordt op de juiste manier gaande gehouden door Sāriputta".[7]

Eer degene die eer waard is

Uit eerbied voor zijn eerste leraar, de eerwaarde Assaji, van wie hij de Dhamma had geleerd,[8] wendde de eerwaarde Sariputta zich gewoonlijk in de richting van Assaji's verblijfplaats en maakte dan met zijn hoofd een buiging. Sommige monniken begrepen zijn daad verkeerd, dachten dat hij zijn oude gewoonten als brahmaan niet had opgegeven en meldden aan de Boeddha dat Sariputta de hoofdpunten eerbiedigde.[9] De Boeddha verdedigde hem en legde uit dat Sariputta niet de verschillende windrichtingen eerde maar eer bracht aan zijn leraar die voor hem het pad had geëffend zodat hij de Boeddha kon ontmoeten. “Het is juist van Sariputta om aan een dergelijke leraar eer te betonen.”  

         “Als men van iemand de leer begrijpt die door de Volledig Verlichte is verkondigd, dan moet men hem vroom vereren, zoals een brahmaan het offervuur vereert.” [10]

Sariputta wordt verkeerd begrepen

Eens ging de eerwaarde Sariputta vergezeld van veel andere monniken naar een klooster in de buurt van een klein dorp om er de regenperiode door te brengen. Bij het zien van Sariputta beloofden de mensen dat zij in alle benodigdheden voor de monniken zouden voorzien. Aan het einde van de regentijd waren echter niet alle benodigdheden ontvangen. Sariputta zei dus: "Als mensen gewaden komen aanbieden, stuur hen dan naar mij. Als zij dat niet doen, laat het mij dan ook weten." Daarna vertrok hij naar het Jetavana-klooster om de Boeddha te bezoeken. Andere monniken begrepen de instructies van Sariputta verkeerd en meldden aan de Boeddha: "Eerwaarde Heer, de eerwaarde Sariputta is nog steeds gehecht aan materiële zaken zoals gewaden en andere benodigdheden van een monnik." De Boeddha antwoordde: "Bhikkhus, Sariputta heeft geen verlangen meer. Zijn bedoeling bij het aan jullie vragen om de gewaden naar hem toe te brengen is, dat er geen verlies aan verdienste zal zijn voor de lekenvolgelingen, en geen verlies van heilige winst voor de monniken en novicen."

        “Hij die geen verlangens heeft met betrekking tot deze wereld of de volgende, die zonder verlangen is en bevrijd - hem noem ik een brahmaan.”

[11]

lofprijzing van Sariputta door de Boeddha II

De eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana waren de hoofddiscipelen van de Boeddha. Sariputta was ouder dan de Boeddha.

Sariputta en Maha Moggallana werden eens door de Boeddha geprezen met de volgende woorden: “Monniken, volgt Sariputta en Moggallana; gaat met Sariputta en Moggallana om. Wijze monniken helpen [materieel en geestelijk] degenen die het heilige leven leiden. Monniken, Sariputta is als een moeder, Moggallana is als een pleegmoeder voor een kind. Monniken, Sariputta leidt wezens tot het pad van stroom-intrede, Moggallana leidt ze tot het hoogste doel, Arahantschap.[12] Monniken, Sariputta is in staat om de vier edele waarheden te verkondigen, te onderrichten, te vestigen, toegankelijk te maken, te analyseren en toe te lichten."[13]

Het onverwoestbare rijk

En elders sprak de Boeddha over de eigenschappen van Sariputta als volgt:

“Monniken, uitgerust met vijf eigenschappen zet de oudste zoon van de koninklijke wereldheerser het door zijn vader gestichte rijk voort in de zin van de wet, en geen menselijk wezen, geen vijandig wezen kan dat rijk omverwerpen. Wat zijn deze vijf eigenschappen?

Monniken, daar kent de oudste zoon van de koninklijke wereldheerser het heilzame, kent de wet, kent de juiste maat, kent de juiste tijd, kent de mensen.

Evenzo, monniken, zet Sāriputta, begiftigd met vijf eigenschappen, het door de Volmaakte gestichte hoogste rijk van de leer op volmaakte manier voort. En geen asceet of brahmaan, geen hemels wezen, God of duivel, noch iemand anders in de wereld kan dit rijk omverwerpen. Wat zijn deze vijf kenmerken?

Monniken, Sāriputta kent het heilzame, kent de leer, kent de juiste maat, kent de juiste tijd, kent de mensen.”[14]

lofprijzing van Sariputta door de Boeddha III

En tot de brahmaan Sela zei de Verhevene eens dat de eerwaarde Sariputta helpt het onvergelijkbare wiel van de leer te laten draaien op gelijke wijze als de Tathāgata.[15]

lofprijzing van Sariputta door de eerwaarde Vangisa

          Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta verbleef er in het Jetavana-klooster. Hij sprak er de monniken toe en maakte de leer duidelijk zodat iedereen het begreep. De eerwaarde Vangisa prees daarna de eerwaarde Sariputta met de woorden: "De eerwaarde Sariputta heeft diep inzicht en is wijs; hij weet het juiste en het verkeerde pad. Hij preekt in het kort en hij preekt uitvoerig. Als hij spreekt dan verheugen zich de bhikkhus."[16]

lofprijzing van Sariputta door de eerwaarde Ananda, door devaputta Susima en door de Boeddha

Te Sāvatthī ging de eerwaarde Ananda eens naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Aan de terzijde zittende Ananda zei de Verhevene toen:  

"Vindt onze Sāriputta ook waardering bij jou, Ananda?"

"Heer, bij wie dan, als hij niet dwaas is, niet slecht, niet misleid, niet verkeerd denkt, zou de eerwaarde Sāriputta geen waardering vinden? Heer, geleerd is de eerwaarde Sāriputta. Van groot weten is de eerwaarde Sāriputta. Van omvattend weten is de eerwaarde Sāriputta. Van helder weten is de eerwaarde Sāriputta. Van snel weten is de eerwaarde Sāriputta. Van scherp weten is de eerwaarde Sāriputta. Van indringend weten is de eerwaarde Sariputta. Genoegzaam is de eerwaarde Sariputta. Tevreden is de eerwaarde Sāriputta. Vriend van de eenzaamheid is de eerwaarde Sāriputta. Afkerig van geslachtelijke omgang is de eerwaarde Sāriputta. Energiek is de eerwaarde Sāriputta. Welbespraakt is de eerwaarde Sāriputta. Een vermaner is de eerwaarde Sariputta. Een berisper van de immorele actie is de eerwaarde Sariputta. Heer, bij wie dan, als hij niet dwaas, niet slecht, niet misleid is, geen verkeerde gedachten heeft, zou de eerwaarde Sāriputta geen waardering vinden?"

"Zo is het inderdaad, Ananda; zo is het, Ananda. Bij wie, als hij niet slecht en misleid is, zou de eerwaarde Sāriputta geen waardering vinden?!"

Toen de lofprijzing van de eerwaarde Sāriputta werd verkondigd, ging de devaputta Susīma[17], door een groot gevolg van devaputtas omgeven, naar de plaats waar de Verhevene zich bevond. Daar begroette hij de Verhevene eerbiedig, ging terzijde staan zei:

“Zo is het, Verhevene, zo is het, Gids op het pad. Heer, bij wie dan, als hij niet dwaas is, niet slecht, niet misleid, zou de eerwaarde Sāriputta geen waardering vinden? Heer, geleerd is de eerwaarde Sāriputta. Hij heeft een groot weten, een omvattend weten, een helder weten. Hij is snel, scherp en indringend van verstand. De eerwaarde Sāriputta is genoegzaam, tevreden, een vriend van de eenzaamheid, afkerig van omgang. Hij is energiek, welbespraakt, een vermaner, een berisper van de immorele actie. Heer, bij wie, als hij niet dwaas, niet slecht, niet misleid is, zou de eerwaarde Sāriputta geen waardering vinden?"

Toen de lofprijzing van de eerwaarde Sāriputta werd verkondigd, liet het devaputta-gevolg van de devaputta Susīma, met tevreden hart en blij, veelvuldige verschijnselen van stralende kleuren[18] zien, voortkomend uit gelukzaligheid en welbehagen.

Zoals namelijk een beryl-juweel, een mooi, edel, achthoekig, goed geslepen juweel, wanneer het op een witte wollen doek wordt gelegd, glanst en gloeit en schittert, - of zoals een halsketting gemaakt van kostbaar goud, door een ervaren goudsmid, vakkundig gepolijst, wanneer ze op een witte wollen doek gelegd is, glanst en gloeit en schittert, - of zoals de morgenster tijdens het licht worden van de nacht schijnt en gloeit en schittert, - of zoals wanneer in de herfst de lucht vrij van wolken is en de zon schijnt, het luchtruim verlichtend, en alle duisternis aan het firmament vernietigt, schijnt en gloeit en schittert, - zo liet het devaputta-gevolg van de devaputta Susīma, toen de lofprijzing van de eerwaarde Sāriputta werd verkondigd, met tevreden hart en blij, veelvuldige verschijnselen van stralende kleuren zien, ontstaan uit gelukzaligheid en welbehagen.  

Toen sprak de devaputta Susima met betrekking tot de eerwaarde Sāriputta tot de Verhevene het volgende vers:

"Erkend als geleerd is Sāriputta, hij is zonder woede, genoegzaam, vriendelijk, beteugeld, de wijze die door de lofprijzing van de Meester gedecoreerd is."

Toen gaf de Verhevene met betrekking tot de eerwaarde Sāriputta aan de devaputta Susīma antwoord met het vers:

"Erkend als geleerd is Sāriputta, die zonder toorn is, die genoegzaam, vriendelijk, beteugeld is; hij let op de tijd, een goed beteugelde werkman."[19] 

Sariputta spreekt zijn volle vertrouwen uit in de leer van de Boeddhas

          Eens vertoefde de Verhevene nabij Nālanda aan de rand van het mangobos van de stad Pāvā. De eerwaarde Sariputta kwam toen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. De eerwaarde Sariputta zei toen aan de Verhevene: “Heer, helder is het mij geworden wat de Verhevene betreft. Er was geen en er zal geen zijn en er is thans geen andere asceet of brahmaan die rijker aan wijsheid is dan de Verhevene, en wel in het ontwaakt zijn.”

De eerwaarde Sāriputta sprak toen zijn volle vertrouwen uit in de leer van de Boeddhas. Op de vraag van de Verhevene of Sāriputta persoonlijke kennis had van de geest van alle Boeddhas, vroegere, tegenwoordige en toekomstige, zei Sāriputta dat hij dat niet had, maar door afleiding kwam hij tot de conclusie dat alle Boeddhas de leer verkondigden zoals de Boeddha Gotama. De Boeddha zei hem de leer vaak aan de discipelen uit te leggen.[20]

          Op de plek waar de eerwaarde Sariputta dit volle vertrouwen uitsprak, is later een stoepa gebouwd, op het terrein van de universiteit te Nalanda.

Onwankelbaar en onbewogen

          Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het Jeta-park in het klooster van Anāthapindika. Op die tijd was de eerwaarde Sāriputta met gekruiste benen niet ver van de Verhevene gaan zitten, het lichaam rechtop, de oplettendheid voor zich gericht.

          De Verhevene zag de eerwaarde Sāriputta in de buurt zo zitten, en bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:

"Zoals een berg van harde rots

onwankelbaar en vast gegrondvest is,

zo is een monnik bij wie verblinding is vernietigd,

als een berg gelijk heel onbewogen.”[21]

Generaal van de Dhamma

        Sariputta wordt ook de “generaal van de Dhamma” (dhammasenāpati) genoemd. Hij was een bekwaam meester van de leer.

“Niemand anders is er die de leer van de Boeddha zo duidelijk kan uitleggen dan Sāriputta.”[22]

Gevaren voor monniken

Soms stelde Sariputta vragen aan de Verhevene ten behoeve van de monniken die tot zijn gevolg behoorden, zoals de verzen 955-975 in Sutta Nipata. Sāriputta richtte zich met de volgende woorden tot de Verhevene:

          “Voordien heb ik geen Meester gezien, en evenmin heb ik van iemand gehoord over een Meester die zo heerlijk spreekt, die vanuit de Tusita-hemel gekomen is als een leraar.[23] Zoals hij voor deze wereld en die van de goden, voor ons hier zichtbaar is, hij, de helder ogende die alle duisternis van onwetendheid verdreef, hij alleen verkreeg de hoogste gelukzaligheid.

          Ik ben met een vraag gekomen ten behoeve van de velen die hier geboeid zijn, tot de Boeddha die niet afhankelijk is,[24] de Eerwaarde, zonder bedrog, de leraar.

        Voor een monnik die door walging is gegrepen, die lege kluizen opzoekt, die aan de voet van een boom, een lijken-plaats of in een grot in de bergen leeft, of op dergelijke verschillende verblijfplaatsen, hoeveel gevaren zijn daar voor hem? Voor degene die naar ‘onbetreden land’ gaat, hoeveel gevaren zijn er in de wereld die de monnik moet overwinnen in zijn afgezonderde woonplek? Van welke aard moet zijn manier van spreken zijn? Wat is zijn bereik waarin hij zich beweegt? Welke regels en geloften moet een monnik die vastbesloten is, navolgen? Welke oefening moet hij opnemen zodat hij waakzaam, ijverig, oplettend, de smetten van zijn eigen geest kan wegblazen, juist zoals de smid bij het zilver de slakken wegblaast?”

         

          De Verhevene gaf ten antwoord:

          “Sariputta, wat heilzaam is voor degene die door walging is gegrepen, indien hij eenzaam vertoeven heeft gekozen en verlangt naar Verlichting overeenkomstig de leer, - dat zal ik je verkondigen zoals het door mij is ingezien.

          Laat de wijze, een monnik die oplettend is en binnen de beperkingen van de regels leeft,[25] voor vijf gevaren niet bang zijn, namelijk voor horzels, muggen, en de slangen, viervoetige dieren, storend contact met mensen.

          Laat hij evenmin bang zijn voor mensen met een andere geloofsovertuiging, ofschoon hij van hen veel gevaren kan verwachten. Laat degene die naar het heil zoekt, deze en ook andere gevaren volledig overwinnen.

          Wanneer zwakte hem overvalt, of honger, en ook koude en warmte, - laat hij het verdragen. Als thuisloze hiervan vaak betroffen, laat hij energie en ijver in zich sterk maken.

          Laat hij geen diefstal begaan en geen leugens vertellen. Laat zijn mededogen zwakken en sterken omvatten. Laat hij datgene wat hij als bezoedeling in zijn geest onderkent, verdrijven als ‘deel van de donkere’. (Mara)

          Laat hij niet in de macht vallen van woede of hoogmoed; wat de wortel ervan is, laat hij die uitgraven en stevig staan. Iets dat als dierbaar ondervinden is of als niet dierbaar, laat hij het helemaal overmeesteren en overwinnen.

          Laat hij, geleid door wijsheid en vervuld met edele vreugde, elk gevaar overwinnen, laat hij ook meester worden over afkeer van het afgezonderde leven, laat hij het viervoudige zich zorgen maken overmeesteren. Zulke gedachten als: ‘Wat zal ik eten? Waar zal ik eten? Ik sliep slecht. Waar zal ik vandaag slapen?’, zulke gedachten die zorgen brengen, moet degene die streeft en zonder thuis leeft, verwijderen.

          Wanneer hij op de juiste tijd voedsel en gewaad heeft ontvangen, dan kent hij daar de maat, met tevreden geluk in de zin. Met betrekking tot die dingen bewaakt, gaat hij beteugeld door het dorp. Laat hij, ook als hij geprovoceerd wordt, geen bars woord uiten.

          Laat hij, met neergeslagen blik, niet slenteren maar gericht naar meditatie, heel waakzaam zijn. Met een hart dat door gelijkmoedigheid concentratie vond, laat hij het piekeren en innerlijke gewetensbezwaren afsnijden.

          Laat hij woorden van berisping oplettend welkom heten, en laat hij het verstokt zijn jegens de medemonniken verwijderen. De woorden die hij spreekt moeten treffend zijn, niet op een onpassende tijd, en laat hij niet over dingen denken waarover de mensen lasterend spreken.

          En verder nog: laat hij zich oplettend erin oefenen om het vijfvoudige stof van de wereld te verwijderen: laat hij de passie overwinnen naar vormen, geluiden, geuren en smaken, en ook naar aanrakingen.

          Laat een monnik die oplettend is, met bevrijde geest, van deze dingen de wil afwenden. Op de juiste tijd de leer diep doorgrondend, waakzaam, laat hij alle duisternis van onwetendheid verdrijven.”

          Zo luidde het antwoord van de Gezegende.[26]

Abhidhamma

          De speciale bekwaamheid van Sariputta zou de Abhidhamma zijn geweest. Men zegt dat hij als eerste de Abhidhamma reciteerde.[27]

        In de oude teksten betekent het woord Abhidhamma: de hogere leer, d.w.z. de leer voor de monniken en nonnen en voor devote lekenvolgelingen, de leer die naar Nibbana leidt. Er is dan niet de Abhidhamma Pitaka mee bedoeld. Die analyse van de leer is vermoedelijk meer dan 300 jaren na het overlijden van de Boeddha ontstaan.

Overleveringen die niet op waarheid berusten

        Volgens de overlevering hielp de eerwaarde Sāriputta eens 100.000-den goden die arahantschap bereikten. En het is onmogelijk het aantal van de goden op te sommen die het derde niveau van heiligheid bereikten.[28] - Het eerste zou betrekking hebben op het Sariputta suttanta. Dit sutta evenwel werd gepreekt door de Boeddha tot Sariputta op verzoek van een groot aantal goden. Er is geen vermelding dat veel goden arahantschap bereikten. Maar verhaald wordt dat bij het horen van dit sutta 100.000 wezens arahantschap bereikten.[29]

Toen de eerwaarde Sariputta eens tot zijn medemonniken preekte, rees hij, volgens Buddhaghosa, in de lucht omhoog en bleef er in de lucht staan zo hoog als zeven palmbomen op elkaar.[30] Een dergelijk vertoon van magische krachten is elders door de Boeddha afgekeurd. Deze en andere wonderbaarlijke gebeurtenissen in het verhaal over het overlijden van Sariputta zijn m.i. latere toevoegingen om de macht van Sāriputta aan te tonen.

Verdraagzaam - De eerwaarde Sariputta wordt door zijn moeder gesmaad

Toen de Boeddha eens in het Veluvana klooster verbleef, ging de eerwaarde Sariputta met een groep monniken naar het dorp Nalaka. Daar bleef hij voor aalmoezen staan bij de deur van het huis van zijn moeder. Zij vroeg hem binnen te komen. Toen zij aan haar eerwaarde zoon eten gaf, zei zij: “Jij eter van wat overgebleven is, jij hebt alle weelde opgegeven om een monnik te worden. Jij hebt ons geruïneerd.” Daarna gaf zij aalmoezen aan de andere monniken met de woorden dat zij allen haar zoon als bediende hadden gebruikt en dat zij nu hun maaltijd konden nuttigen. De eerwaarde Sariputta zei niets en bleef bij zijn edele stilte.

Terug in het klooster vertelden de monniken hoe de eerwaarde Sariputta geduldig de scheldwoorden en verwijten van zijn moeder had verdragen. Het commentaar van de Boeddha luidde dat Arahants nooit boos worden en nooit hun beheersing verliezen.

 “Hij die niet toornig is maar plichtsgetrouw, die deugdzaam is, vrij van begeerte, die zelfbeheerst is en zijn laatste lichaam draagt, - hem noem ik een brahmaan.”[31]

Sāriputtas gebrul van de leeuw (Sariputta wordt vals beschuldigd)

Te Sāvatthī in het Jetavana-klooster zei de eerwaarde Sāriputta aan de Verhevene dat hij de regentijd te Sāvatthī beëindigd had en dat hij graag op rondreis door het land wilde gaan.

“Goed, Sāriputta, zoals het je goeddunkt.”

En de eerwaarde Sariputta stond op van zijn zitplaats, groette de Verhevene eerbiedig en vertrok, met de rechter kant naar hem toegewend. Maar nauwelijks was hij vertrokken toen een van de monniken tegen de Verhevene zei: "Heer, de geachte Sāriputta heeft mij geduwd en zonder zich te verontschuldigen is hij op rondreis gegaan.”[32]

De Verhevene liet toen Sāriputta ontbieden.[33]

Toen gingen de eerwaarde Mahā-Moggallāna en de eerwaarde Ananda, de sleutels met zich meenemende, van cel naar cel met het verzoek: "Kom, geachte, kom. Nu zal de eerwaarde Sāriputta in aanwezigheid van de Verhevene het gebrul van de leeuw laten weerklinken."

En de eerwaarde Sariputta ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Toen hij was gaan zitten, zei de Verhevene tot hem dat een van zijn medemonniken een klacht had ingediend en had beweerd dat de vereerde Sāriputta hem had geduwd en zonder zich te verontschuldigen, vertrokken was.

"Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen. Heer, of men nu iets reins of onreins op de aarde gooit, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed op de aarde gooit, de aarde wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op de aarde lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of men nu iets reins of onreins in het water wast, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed in het water wast, het water wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op het water lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of men nu iets reins of onreins in het vuur verbrandt, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed in het vuur verbrandt, het vuur wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op het vuur lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of de wind nu over iets reins of onreins waait, of de wind over iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed waait, de wind wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op de wind lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, net zoals wanneer een jongetje of meisje van de verschoppelingen, met een mand in zijn hand, in gescheurde kleding, een dorp of een stad binnenkomt, het er met een deemoedige gezindheid binnenkomt; Heer, evenzo verblijf ik als het ware met een gemoed van een jonge verschoppeling, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

 Heer, of net zoals wanneer een makke, goed getemde stier met gekorte horens, terwijl hij van straat naar straat, van plein naar plein loopt, noch met zijn poten noch met de horens iemand verwondt, Heer, evenzo verblijf ik als het ware met het gemoed van een dergelijke stier, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of net zoals wanneer men een kadaver van een slang, hond of mens zou willen hangen aan de nek van een vrouw of een man, jong, jeugdig, sieraden minnend, met gewassen hoofd, zij ontzetting, walging en afschuw zouden voelen, evenzo ondervind ik ontzetting, walging en afschuw voor dit bedorven lichaam. Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen.

Heer, of juist zoals wanneer een man een pot die gevuld is met vet en die uit veel gaten lekt en druipt, met zich mee zou dragen, Heer evenzo draag ik dit lichaam dat uit vele gaten lekt en druipt met mij mee. Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen.”

Toen stond die monnik op van zijn zitplaats, ordende het gewaad over een schouder, knielde aan de voeten van de Verhevene met gebogen hoofd en zei: “Heer, een schuld heeft mij aangegrepen in mijn dwaasheid, mijn dwaling, mijn slechtheid, doordat ik de eerwaarde Sāriputta op een valse, ijdele, leugenachtige, onware manier beschuldigde. Heer, moge de Verhevene de bekentenis van mijn schuld aanvaarden, opdat ik mij in de toekomst ervoor moge hoeden."

“Waarlijk, monnik, een schuld heeft je aangegrepen in je dwaasheid, je dwaling, je slechtheid, dat je de eerwaarde Sāriputta op valse, ijdele, leugenachtige, onware manier hebt beschuldigd. Maar monnik, in zoverre jij jouw schuld als schuld inziet en overeenkomstig de regels boete doet, zo zal ik jouw bekentenis aannemen. Want het geldt in de discipline van de edelen als vooruitgang wanneer men zijn schuld als schuld bekent, overeenkomstig de regels boete doet en in de toekomst ervoor op zijn hoede is.”

Daarop wendde de Verhevene zich tot de eerwaarde Sāriputta en zei: "Sāriputta, vergeef deze dwaas, voordat zijn hoofd ter plekke in zeven stukken barst." - "Heer, ik ben bereid de geachte te vergeven, als hij tegen mij zegt: 'Moge de geachte mij vergeven.'"[34]

Definitieve heengaan van Sariputta

        Zeer waarschijnlijk is de eerwaarde Sāriputta overleden tussen de 42e en 43e regenperiode na de Verlichting van de Boeddha. In het commentaar van Buddhaghosa staat een legende over het definitieve heengaan van Sariputta.

        Van het dorp Beluva, waar de Verhevene het regenseizoen had doorgebracht, ging hij via Ukkacela, een dorp aan de oevers van de Ganges in het land van de Vajjis, naar Vesāli voor aalmoezen. Volgens Buddhaghosa’s commentaar wilde de Boeddha toen naar Sāvatthi gaan. Na verloop van tijd kwam hij daar aan en ging het Jetavana-park binnen. Sāriputta betoonde eer aan de Boeddha en ging daarna naar de plek waar hij gewoonlijk de dag doorbracht. Hij ging er op zijn zitmat neerzitten en bereikte er de fase van meditatieve verdieping genoemd phala-samāpatti. Hij kwam weer uit die meditatieve verdieping en dacht: “Wie bereikt parinibbāna het eerst, de Boeddhas of hun hoofddiscipelen?” Hij besefte dat de hoofddiscipelen het eerst overlijden en dat zijn levensspanne nog maar zeven dagen zou duren.[35] Hij dacht na over de plek waar hij parinibbāna zou bereiken. Ook dacht hij toen aan zijn moeder en zag dat zij in staat was het eerste niveau van heiligheid te bereiken. Daarom besloot hij parinibbāna te bereiken in de kamer waar hij geboren was, na eerst zijn moeder tot de leer van de Boeddha bekeerd te hebben. Want de mensen zouden denken dat hij wel heel veel andere mensen hielp, maar dat hij niet zorgde voor het heil van zijn moeder. De moeder van Sāriputta was geen volgelinge van de Boeddha. Al haar kinderen (vier zonen en drie dochters) waren in de Orde ingetreden en hadden haar alleen gelaten.[36]

        De eerwaarde Sāriputta vroeg aan zijn verzorger Cunda Thera,[37] een jongere broer van hem, om de groep van 500 monniken mee te delen dat hij naar het dorp Nālaka, nabij Rajagaha, wilde gaan. Zij zouden nap en gewaden nemen. Samen met de 500 monniken ging hij naar de Verhevene en nam afscheid met de woorden: “Grote Wijze, mijn levensproces loopt ten einde; het is tijd voor mijn parinibbāna.”

De Boeddha vroeg hem toen om nog een keer tot zijn medemonniken te preken. Daarna nam Sāriputta afscheid van de monniken en ging met zijn eigen groep van 500 monniken naar het dorp Nālaka. ’s Avonds kwam hij er aan en bleef staan bij de ingang van het dorp.

        Zijn neef Uparevata kwam toen juist het dorp uit, zag Sāriputta, ging naar hem toe en groette hem. Sāriputta vroeg of zijn moeder thuis was. Uparevata bevestigde dit en Sāriputta vroeg hem naar haar toe te gaan en haar mee te delen dat hij samen met 500 monniken was aangekomen. Hij zou maar één nacht blijven. Zij zou de kamer waar hij geboren was, voor hem gereed maken en voor de andere monniken een onderdak regelen.

        Uparevata deed wat hem was gevraagd. De moeder van Sāriputta dacht dat hij op zijn oude leeftijd weer leek wilde worden. Zij liet de kamer gereedmaken en onderdak regelen voor de 500 monniken. Sāriputta ging toen met de monniken naar zijn geboortehuis, ging de kamer binnen waar hij geboren was en ging er zitten. De monniken stuurde hij weg met de woorden dat zij naar hun onderdak moesten gaan. Toen zij vertrokken waren, werd hij erg ziek. Zijn moeder was bezorgd om de toestand van haar zoon en stond geleund tegen de deur van haar slaapkamer.

        De Vier Grote Koningen zagen Sāriputta op zijn parinibbāna-bed liggen in de kamer waar hij geboren was in het dorp Nālaka. Zij wilden hem graag voor de laatste keer zien en voor hem zorgen. Maar Sāriputta stuurde hen weg met de woorden dat hij een verzorger had. (Zijn verzorger Cunda Thera was dus bij hem gebleven). Achtereenvolgend kwamen toen nog Sakka, de koning van de goden, Suyāma, hoofd van de Yāma-devas, en Mahābrahmā, de hoogste god van de brahmanen. Ook hen stuurde Sāriputta op dezelfde manier weg.

        Sāriputta’s moeder zag die goden komen en gaan en zij vroeg aan Cunda wat er gaande was. Hij legde het haar uit en zei aan Sāriputta dat zijn moeder was gekomen. Zij vroeg aan haar zoon wie daar bij hem op bezoek waren geweest. “Eerst kwamen de Vier Grote Koningen,” zei Sāriputta. “Mijn zoon, ben jij dan groter dan die Vier Grote Koningen?” - “Moeder, zij zijn als tempeldienaren. Zij beschermen mijn Meester al vanaf zijn geboorte.” - “En wie kwam na hen?” - “Sakka, de koning van de goden.” - “Mijn zoon, ben jij groter dan de koning van de goden?” - “Moeder, hij is als een novice die gebruiksvoorwerpen draagt. Toen onze Meester van de Tāvatimsa hemel afdaalde, daalde ook Sakka af met zijn nap en gewaden.” - “En wie kwam na hem?” - “Moeder, toen kwam jouw leraar genaamd Mahābrahmā.” - “Mijn zoon, ben je zelfs groter dan Mahābrahmā?” - “Ja, moeder.  Op de dag dat onze Leraar werd geboren, ontvingen hem de vier Mahābrahmās in een gouden net.”

        Toen dacht Sāriputta’s moeder dat de macht van haar zoon erg groot was. Hoe groot moest dan wel de macht zijn van zijn leraar. Vijfvoudige vreugde vervulde haar hele lichaam. Sāriputta merkte dit en vond het nu de juiste tijd om tot haar te preken. Na die preek bereikte zij het eerste niveau van heiligheid. Daarna stuurde hij haar weg. Het was al vroeg in de morgen. Sāriputta vroeg aan Cunda om de monniken bijeen te roepen. Die waren echter al uit eigen beweging gekomen. Sāriputta sprak toen de monniken toe: “Vrienden, 44 jaren zijn jullie met mij rondgezworven. Als ik iets verkeerds heb gedaan, vergeeft het mij dan.” Zij gaven ten antwoord dat hij niets verkeerds had gedaan, maar dat hij hen zou vergeven.

        Toen bereikte de ouderling de staat van nibbāna zonder materiële grondslag. Veel goden en menselijke wezens betoonden hun eer bij het parinibbāna van de ouderling. De eerwaarde Cunda ging naar het Jetavana-klooster met de nap en gewaden van Sāriputta en met zijn relieken in een zeef.

        Tot zover de legende. Verder gaat het met een tekst uit Samyutta Nikāya XLIII.13:

        Cunda ging met de relieken naar de eerwaarde Ānanda in het Jeta-bosje te Sāvatthi. Hij bracht eer aan hem en zei: ”Heer, de eerwaarde Sāriputta heeft uiteindelijk nibbāna bereikt. Hier zijn zijn nap en gewaden.”

“Vriend Cunda, dit moet aan de Verhevene worden meegedeeld. Laten wij daarom naar de Verhevene gaan en het hem meedelen.”

        “Goed, heer,” gaf de novice Cunda ten antwoord. Samen gingen zij naar de Gezegende en brachten hem eer. Zij gingen terzijde neerzitten en de eerwaarde Ānanda zei: “Heer, deze novice Cunda heeft me verteld dat de eerwaarde Sāriputta uiteindelijk nibbāna heeft bereikt. Hier zijn nap en gewaden van hem. Waarlijk, Heer, toen ik dit hoorde, had ik het gevoel alsof mijn lichaam heel koud was; en ik kon niet logisch denken; al mijn gedachten waren onduidelijk.”

        “Waarom, Ānanda, denk je soms dat met het uiteindelijk bereiken van nibbāna hij de code van deugdzaamheid of de code van concentratie of de code van begrip of de code van bevrijding of de code van kennis en visie van bevrijding heeft weggenomen?”

        “Neen, Heer. Maar ik denk eraan hoe behulpzaam hij was voor degenen die samen met hem het heilige leven leidden. Hij gaf advies, onderwees hen, spoorde hen aan en gaf hun moed. Hij werd niet moe bij het onderrichten van de leer. Wij herinneren ons hoe de eerwaarde Sariputta ons te eten gaf, ons rijker maakte en ons hielp met de leer.”

        “Ānanda, heb ik je niet reeds gezegd dat er afscheid en scheiding is van alles wat dierbaar is? Hoe kan het zijn dat iets dat geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Het is net zoals wanneer een hoofdtak van een grote boom die sterk en stevig staat, is afgevallen. Evenzo heeft Sāriputta uiteindelijk nibbāna bereikt in een grote gemeenschap die sterk en stevig staat. Hoe kan het zijn dat iets dat geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Daarom, Ānanda, moet iedereen van jullie zichzelf tot eiland maken, zichzelf tot toevlucht en geen andere toevlucht. Iedereen van jullie moet de leer tot zijn eiland maken en niets anders als toevlucht.”[38] 

De Boeddha liet een stoepa bouwen voor de relieken.[39] De Chinese pelgrim Hsüan Tsang berichtte dat hij de stoepa boven de relieken van Sāriputta zag in de stad Kālapināka.

◻  ◻  ◻


[1] An, Yang-Gyu (tr,): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Oxford 2003, p. 80 noot 5.

[2] Vin.Pit. Mv.I.4.23.

[3] Vin.Pit. Mv.I.4.24.

[4] Dhammapada, verhaal I:8 bij de verzen 11-12.

[5] M.74.

[6] A.IV.168.

[7] M.111.

[8] zie Dhp verhaal I:8 bij 11-12

[9] Sommige mensen aanbaden de vier windrichtingen, het zenith en het nadir, zie: D.31, Sigalovada sutta.

[10] Dhp, verhaal XXVI:9 bij vers 392 (26:10).

[11] Dhp, verhaal XXVI:27 bij vers 410 (26:28)

[12] Iemand tot het pad van stroom-intrede leiden is moeilijker dan tot het pad van Arahantschap leiden. Want in het eerste geval heeft men te maken met onontwikkelde wezens, en in het laatste geval met degenen die reeds ontwikkeld zijn en die niet meer terug kunnen vallen in lagere staten.

[13] M.141.

[14] A.V.132. Het onverwoestbare rijk. I - Dutiya-cakkanuvattana sutta.

[15] Sn.III.7 vers 557.

[16] S.8.6

[17] Volgens het commentaar was Susīma in zijn laatste bestaan een discipel van Sāriputta geweest.

[18] Vaak is sprake van de lichtverschijning van de devatas en de devaputtas waardoor de nacht wordt verlicht. Op zulke momenten van gelukkige extase nu schijnen ze, zoals het commentaar zegt, heel bijzonder helder in gele, rode en blauwe kleuren.

[19] De gedachte is volgens het commentaar aldus: Iemand bij wie de wereldse invloeden zijn vernietigd,  is niet gehecht aan het leven noch verlangt hij naar de dood. Hij wacht op de tijd die hem is toegewezen om Nibbana binnen te gaan, net zo rustig als een arbeider op zijn loon wacht. Hetzelfde idee is in bijna dezelfde woorden uitgedrukt in Theragāthā 606.

[20] D.28. Sampasadaniya sutta. - Dit sutta is ingevoegd in D.16, het Mahaparinibbana sutta. Maar daar is het misplaatst.

[21] Ud. 3.4.

[22] A.I.23. - Op soortgelijke wijze wordt hij geprezen in S.8.7. Zie ook M.92 en Sn.III.7, vers 557.

[23] als een leraar’; Norman 1984: ‘met een groep’.

        Volgens het Maha Niddesa en het commentaar heeft dit betrekking op het neerdalen van de Boeddha uit de Tusita-hemel, waar hij aan de goden de hogere leer [d.w.z. de leer leidende naar heiligheid en Nibbana] had verkondigd. Toen de Boeddha in de stad Sankassa weer op de aarde kwam, was het volgens de overlevering de eerwaarde Sariputta geweest die hem als eerste eer betoonde en aan wie als eerste de basislijnen van de hogere leer werden uitgelegd.

[24] Nyanaponika: ‘die vrij is van hechten’

[25] binnen de regels leeft’ (pariyantacārī; letterlijk: binnen de begrenzing leeft). Het Maha Niddesa maakt onderscheid tussen vier soorten ‘begrenzingen’: door beteugeling van deugdzaamheid (sīlasamvara-pariyanta), door beteugeling van de zintuigen (indriyasamvara-pariyanta), door maat houden bij de maaltijd (bhojane mattaññutā-pariyanta) en door het beoefenen van waakzaamheid (jāgariyānuyoga-pariyanta).

“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van de deugdzaamheid? - Een monnik is deugdzaam; hij volhardt in de beteugeling overeenkomstig de discipline van de Orde; volmaakt in levenswijze en gedrag, gevaar ziende in de kleinste overtreding oefent hij zich in de opgenomen regels van deugdzaamheid. Hij denkt na over het afschrikkende en de gevolgen van een toestand van zedelijk verval, en leeft binnen de begrenzing door beteugeling van deugdzaamheid, hij overschrijdt de grens niet.        

         “Wat nu is de begrenzing door beteugeling van de zintuigen? - Wanneer een monnik met het oog een vorm ziet, dan hecht hij niet aan het geheel noch aan de details. (enz.) Hij denkt na over de leerrede ‘Alles staat in brand’ (de Vuur-toespraak) en leeft binnen de begrenzing door beteugeling van de zintuigen, hij overschrijdt de grens niet.

         “Wat nu is de begrenzing door beteugeling van het maat houden bij de maaltijd? - Een monnik neemt wijs bezonnen de maaltijd tot zich, niet tot vermaak .... Hij denkt na over de gelijkenissen die verband houden met voedselopname, zoals het oliën van een as, het verbinden van een wonde, het vlees van de zoon, en hij leeft binnen de begrenzing door maat te houden bij de maaltijd, hij overschrijdt de grens niet.

“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van het beoefenen van de waakzaamheid? - De monnik zuivert overdag, bij het heen en weer lopen of tijdens het zitten, zijn geest van belemmerende dingen; ‘s nachts tijdens de eerste (en laatste van de drie nachtwaken) zuivert hij zijn geest van belemmerende dingen. Hij denkt erover na hoe een bhaddekaratta* (genoemde waakzame) vertoeft, en leeft binnen de begrenzing door het beoefenen van de waakzaamheid, hij overschrijdt de grens niet.        

         * De uitdrukking bhaddekaratta is ontleend aan de gelijknamige leerrede Maj.Nik.131. [De leerrede over ideale eenzaamheid]. De betekenis ervan is letterlijk: ‘iemand die de feest- of inwijdingsnacht doorbrengt’. Het heeft betrekking op een brahmaanse feestnacht die ook tegenwoordig nog begaan wordt en als ekarātri bekend is. Ze wordt vastend, wakend en mediterend doorgebracht.

[26] Sn.IV.16. (verzen 955-975) Sāriputta Sutta. - Dit sutta is ook bekend onder de naam Therapañha sutta.

[27] Zie o.a. D.33. Sangiti sutta – Overeenstemming en D.34. Dasuttara sutta – De serie van tien.  (An 2003, p. 78 noot 3).

[28] An 2003, p. 79.

[29] An 2003, p. 79 noot 5.

[30] An 2003, p. 81.

[31] Dhp. verhaal 26:17 bij vers 400.

[32] Commentaar: Die monnik ergerde zich toen hij zag dat de eerwaarde Sāriputta zich klaarmaakte om met veel monniken te vertrekken (en hemzelf achterliet). Toen dacht hij: "Ik zal verhinderen dat hij weggaat." Hiertoe is vermeld dat, toen Sāriputta langs die monnik liep, een hoek van zijn gewaad door de wind werd bewogen en het lichaam van die monnik aanraakte; en dit nam die monnik als aanleiding van zijn beschuldiging.

[33] Volgens het commentaar wist de Verhevene heel goed dat Sāriputta tot een dergelijke daad niet in staat was; maar om van de kant van de beschuldigende monnik het verwijt van partijdigheid en daarmee het ontstaan ​​van kwade gedachten in hem uit te sluiten, liet de Verhevene Sāriputta roepen.

[34] A.IX.11

[35] zie ook: Masefield, Peter (transl.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ), by Dhammapâla. Vol. II. Oxford: PTS, 1995, p. 851.

[36] An 2003, p. 79 noot 4.

[37] De leraar van Cunda was de eerwaarde Ananda. Cunda was één van de verzorgers van de Boeddha voordat de eerwaarde Ananda daartoe werd benoemd.

[38] S.XLIII.13.

[39] Masefield, Peter (transl.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ), by Dhammapâla. Vol. II. Oxford: PTS, 1995, p. 851.

---