|
Copyright © 2021 / 2564 Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk. |
Inhoud
Enkele woorden over het begrip dood
Aan de dood kan men niet ontkomen
De zintuigen zijn afhankelijk van levenskracht
Patacara verliest haar hele familie
Visakha - zij die dierbaren hebben, hebben leed
De courtisane Sirima - Vergankelijk is het lichaam
De onbewaakte en de bewaakte geest
De dood wordt algemeen beschouwd als een onderwerp waarover men weinig of niet nadenkt. Toch hebben zowel Jezus Christus als voor hem ook de Boeddha Gotama denken over de dood aanbevolen als een heilzame overweging. “Bedenkt dat u stof bent en tot stof zult wederkeren,” zei de Christus. En de Boeddha noemde denken over de dood één van de tien meditaties die naar het Doodloze leiden.
Het woord “dood” betekent in het gewone spraakgebruik “het verdwijnen van de levensmogelijkheden, beperkt tot één enkel leven.” Strikt gesproken echter is dood het voortdurend herhalen van het oplossen en verdwijnen van elke combinatie van geest en lichaam die op elk moment bestaat. Dood vindt dus ook elk ogenblik plaats. Zoals een wiel steeds met één punt de grond raakt, zo bestaan wij eigenlijk steeds maar één enkel bewustzijnsmoment. Wanneer dat bewustzijnsmoment voorbij is, is ook het wezen ten einde. De levensspanne van een wezen is, zo gezien, uitzonderlijk kort. Elk ogenblik van ons bestaan sterven wij dus en worden wij weer geboren.
Hierover gaat het sutta genaamd “De stekel” en het commentaar erop.
“Onbestembaar, onherkenbaar is voor stervelingen hun leven. Moeizaam is het, kort van duur, eng verbonden is het met lijden.” (Sn. III.8, vers 574)
Commentaar:
Onbestembaar is het leven omdat men niet aan iemand anders kan zeggen: 'Totdat ik dit heb gedaan, zo lang blijf ik nog in leven. Moge jij niet voor die tijd sterven.'
Onherkenbaar is het leven omdat men niet met zekerheid kan zeggen: 'Zo en zo lang heeft die persoon nog te leven.'
Moeizaam wordt het leven genoemd omdat het aan verschillende voorwaarden is gebonden: aan in- en uitademen, aan de (vier) elementen, aan stoffelijk voedsel, aan lichaamswarmte, aan het bewustzijn.
Van korte duur, (paritta) betekent 'gering'. Vergeleken met het leven van de goden is de levensduur van de mensen als een dauwdruppel op de top van een grashalm. Verder is het leven van de mens ook van korte duur omdat het eigenlijk niet boven een enkel bewustzijnsmoment uit gaat.
Citaat uit het Maha Niddesa: "Kort, waarlijk is dit leven.” - Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur ervan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.
In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
● In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
● In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
● In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.
Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in één geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet één keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn ze, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in
het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer ze zijn ontstaan, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij tevoorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.
Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
● Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
● Het is ook gebonden aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn.
● De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan, die ermee verknoopt zijn.
● Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
● Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
● Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
● Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.
Dit sutta gaat dan verder met de verzen 575-593, die hier worden weergegeven.
Waarlijk, er is geen middel waardoor geborenen niet sterven. Na de ouderdom volgt het sterven, want dat is de aard van levende wezens.
Zoals er bij rijpe vruchten voortdurend angst is dat zij afvallen, zo zijn ook de als sterfelijk geborenen in voortdurende angst voor de dood.
Zoals de aarden potten, gevormd door de hand van de pottenbakker, allemaal eindigen in uiteenvallen, zo ook is het leven bij stervelingen.
Jonge en volwassen mensen, dwazen en ook wijze mensen, zij allen komen in de macht van de dood, allen hebben de dood als hun eindpunt.
Wanneer zij door de dood zijn overwonnen en van hier naar de andere wereld gaan, dan beschermt de vader zijn zoon niet, noch geven verwanten bescherming aan de andere verwanten.[1]
Zie deze hier, de toekijkende en klagende verwanten. Ook ieder van hen zal ooit weggeleid worden, juist zoals een koe die geslacht gaat worden.
Waarlijk, zo is deze wereld geslagen met dood en verval. Daarom klagen wijzen niet omdat zij de aard van de wereld hebben ingezien.
Wiens weg je niet meer waarneemt, niet zijn komen, niet zijn gaan, waarbij men beide einden niet ziet, doelloos is jouw klagen om hem.
Als men ergens een voordeel door klagen kon verkrijgen, dan zou ook een verstandige klagen. Maar een dwaas zal alleen zichzelf benadelen.
Niet door wenen, niet door klagen vindt men ooit de vrede van de geest. Het lijden neemt slechts steeds meer toe, en het lichaam wordt uitgeput.
Alleen zichzelf schade toebrengend, wordt hij mager, bleek van kleur. Daarmee helpt hij de dode niet, zijn geklaag is nutteloos.
Wanneer de mens verdriet niet opgeeft, zinkt hij steeds dieper in het lijden. Jammerend om de gestorvene wordt hij door smart helemaal overweldigd.
Zie ook die andere mensen: de vrucht van hun daden verwachtende, voor de macht van de dood staande, hoe zij hier ervoor beven [van angst].
Wat de mensen ook van plan zijn, het komt toch anders. Zo is het ook met deze scheiding. Herken hierin de aard van de wereld.
Of het leven van iemand ook honderd jaren of langer duurt, eens zal hij toch van zijn verwanten worden gescheiden. Hij moet het leven hier achterlaten.
Laat men daarom naar de heiligen luisteren en laat men droefheid overwinnen. Laat men bij het zien van een gestorvene denken: “Hij is onbereikbaar voor mij. Hij kan niet teruggebracht worden.”
Zoals men met water haastig een brandend huis blust, zo ook zal degene die wijs is, verstandig en ervaren, snel, zoals de wind de katoenvlokken wegdrijft, het opgekomen verdriet verjagen,
en evenzo geklaag, vurig verlangen en droefenis die in hem komen. Degene die naar eigen geluk zoekt, laat hij de eigen stekel uittrekken.
Wie de stekel heeft uitgetrokken zal, niet afhankelijk, de vrede van de geest vinden. Wie alle verdriet heeft overwonnen, wie vrij is van verdriet, wordt bevrijd. (Sn. 575-593).
De dood kan het gevolg zijn van het ophouden van de vrucht van verdiensten of van het beëindigen van de levensduur of van beide oorzaken samen.
Bij het overwegen van de dood moet men beginnen bij het nadenken over de dood van een neutraal iemand. Daarbij ontstaan geen emoties. Bij het beschouwen van de eigen dood kan ontzetting of angst ontstaan. Bij het overwegen van de dood van een geliefd mens kan verdriet ontstaan. En door het nadenken over de dood van een vijandige persoon kan vreugde ontstaan. Die gevoelens belemmeren een juist beschouwen van de dood.
De overweging is aldus: “Eens komt de dood; de levenskracht zal ophouden.”
Als men vaak op de juiste wijze nadenkt over de dood, brengt dat grote vrucht en grote zegen. Dit overdenken leidt naar en eindigt in het Doodloze. Daarom moet men de contemplatie over de dood ontwikkelen. (zie A.I.26)
Wij moeten ons oefenen met de volgende gedachten: “Vlijtig zullen wij leven en wij zullen, om de smetten te vernietigen, het overdenken van de dood vurig cultiveren.
Er kunnen veel oorzaken zijn voor mijn dood. Door een ongeval of ziekte zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij. Of ik kan struikelen en vallen. Of het gegeten voedsel kan ziekte veroorzaken. Of ik kan op andere manieren ziek worden. Mensen of niet-menselijke wezens kunnen mij aanvallen. En daardoor zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij.” (zie A.VIII.74)
En verder moeten wij dan overwegen: “Heb ik slechte en onheilzame eigenschappen welke nog niet verworpen zijn en welke een hindernis zullen zijn indien ik ’s nachts of overdag zou sterven?”
Als wij beseffen dat wij nog slechte, onheilzame eigenschappen hebben, dan moeten wij ons met oplettendheid en helder begrip inspannen om die eigenschappen te verwijderen. Maar als wij bij het overwegen beseffen dat wij geen slechte en onheilzame eigenschappen hebben welke een hindernis voor ons zouden kunnen zijn bij de dood, dan mogen wij blij en vol vreugde zijn. Dag en nacht moeten wij ons oefenen in alles wat heilzaam is.
Oplettendheid over de dood is: het zich herinneren aan het sterven, denken aan de dood. Dood is hier de onderbreking van het leven. Denk aldus: "Dood zal er plaats hebben, de levensmogelijkheid zal worden onderbroken."
Denk niet aan de dood van dierbaren of van vijanden of aan eigen dood. Het eerste bezorgt leed, het tweede vreugde en het derde angst. Maar in de eerste fase moet men denken aan reeds gestorvenen: “Dood zal er plaats hebben.”
“Dood zal er komen, voor mooi en lelijk, voor arm en rijk. Dood zal er komen voor iedereen van ons.”
Het zich hechten aan iemand brengt verdriet. Afscheid nemen voor een korte tijd is vaak al moeilijk; maar het definitieve afscheid door de dood brengt velen uit hun gewone doen. Het kan iemand waanzinnig maken door onjuist denken over de dood.
Men moet niet menen dat de dood iets is dat veraf is, iets voor bejaarden alleen. De dood kan op elk tijdstip komen, voor iedereen. Plaats en tijd van de dood zijn niet bekend. Ook door rijkdom of macht kan de dood niet worden afgehouden.
Wie vaak de overweging koestert van de dood, diens geest deinst terug voor de levenslust, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII.45)
"Allen die in daad, woorden en gedachten zich slecht gedragen, zijn hun eigen vijanden. Na de dood neemt men alleen verdienste en niet-verdienste mee." (S.III.4.)
"Talrijk zijn de wezens die, wanneer zij grotere rijkdom hebben verworven, zich daardoor laten meeslepen en overmoedig worden; zij vervallen tot begeerte naar zinnelijke genietingen en bezondigen zich aan de (andere) wezens. Wie welgevallen vinden aan de vreugde van zinnelijke lust, ernaar verlangen, erdoor geboeid zijn, die merken hun misstap niet. Later ondervinden zij er leed; de gevolgen ervan zijn onheilzaam." (S.III.6.)
Maar wie een deugdzaam leven leidt, wie niemand kwaad doet en wie anderen behulpzaam is, wie in overeenstemming met de leer leeft en steeds de leer voor ogen heeft, hij of zij legt zonder twijfel de basis voor een gelukkige toekomst. De Dhamma beschermt degene die in overeenstemming ermee leeft. Wie goed doet, verheugt zich in beide werelden: in deze en in de volgende.
"Dood komt voor iedereen. Na de dood gaan de wezens naar goede of slechte sferen van bestaan overeenkomstig hun daden. Daarom moet men goede daden verrichten als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste steun voor de levende wezens." (S.III.22)
“Zoals de machtige rotsen van het gebergte omhoog reiken tot aan de hemel en het land overal neerdrukken, evenzo drukken ouderdom en dood de wezens neer in de wereld. Niemand laten zij ongemoeid, geestelijken noch militairen, werkgevers noch werknemers. Zowel armen als rijken en machtigen worden door de dood verpletterd.”
“Dagen en nachten ijlen voorbij; het leven verdwijnt snel. Evenals het water in een poel, zo droogt het leven van sterfelijken op.”
“Zelfs zulke hoge wezens die alles overleggen, die ontwaakt zijn door de kracht van eigen weten en in wie alle waan verdween; die alleen gaan, alleen vertoeven, zoals de neushoorn in de eenzaamheid, zelfs zij ontkomen niet aan de dood. Als zoiets voor de volmaakte heiligen geldt, dan toch ook voor mij.”
“Dit leven is machteloos; want het is o.a. gebonden aan in- en uitademen, aan hitte en koude, en aan voedsel. Als de ademhaling stopt, eindigt het leven. Wie door overmatige hitte of koude wordt bevangen, bij hem of haar verdwijnt het leven. En wie lange tijd geen voedsel gebruikt, gaat dood.”
Contemplatie over de dood, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoog loon en zegen; ze mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61; A.V.71; A.V.303; A.VII.45; A.IX.16; A.IX.93; A.X.56; A.X.217-219)
Anderen kunnen, zonder opzet, iemand die op sterven ligt, ergeren met hun zenuwachtigheid of verdriet. Op die manier kunnen zij de stervende boos maken. Dat is erg gevaarlijk; het vergroot de mogelijkheid voor een wedergeboorte als dier of als ongelukkige geest. Het is voor de stervende van belang dat opwinding wordt voorkomen. Er moet aan het sterfbed een sfeer van deugdzaamheid, vrede en goedheid heersen.
Men kan bijvoorbeeld teksten van de Boeddha voor de stervende opzeggen om hem of haar te helpen goede gedachten te koesteren. Angst en vrees verdwijnen door het denken aan de Boeddha, aan zijn leer of aan zijn Orde. Een dergelijk overwegen tijdens het sterven is dan ook heel heilzaam.
De Bodhisatta overwoog in zijn jeugd het volgende.
“Waarlijk, de onwetende wereldling, zelf aan ouderdom onderworpen, zonder aan ouderdom te kunnen ontsnappen, is bedroefd, geschokt en hij heeft een afkeer wanneer hij een bejaarde ziet; zichzelf echter negeert hij, op zichzelf slaat hij geen acht. ‘Maar ook ik ben immers onderhevig aan ouderdom, kan de ouderdom niet ontgaan. Als ik die aan ouderdom onderworpen ben, die de ouderdom niet kan ontgaan, nu bij het zien van een bejaarde bedroefd en geschokt zou zijn, en een afkeer had, dan zou dat niet juist zijn voor mij.’”
Terwijl hij zo dacht, verdween bij hem alle jeugdige overmoed.[2]
“Voorwaar, de onwetende wereldling, zelf aan ziekte onderworpen, zonder ziekte te kunnen ontgaan, is bedroefd, geschokt en walgt wanneer hij een zieke ziet; zichzelf echter negeert hij, zichzelf laat hij buiten beschouwing. ‘Maar ook ik ben immers aan ziekte onderworpen, kan ziekte niet ontgaan. Als ik die aan ziekte onderhevig ben, die ziekte niet kan ontgaan, nu bij het zien van een zieke bedroefd zou zijn, geschokt zou zijn en zou walgen, dan zou dat niet goed zijn voor mij.'”
Terwijl hij zo dacht, verdween bij hem elke overmoed wat betreft gezondheid.
“Voorwaar, de onwetende wereldling, zelf aan de dood onderworpen, zonder te kunnen ontsnappen aan de dood, is bedroefd, ontzet en met afschuw vervuld wanneer hij een gestorvene ziet; zichzelf echter negeert hij, zichzelf laat hij daarbij buiten beschouwing. ‘Maar ook ik ben immers onderworpen aan de dood, kan de dood niet ontlopen. Als ik die onderhevig ben aan de dood, die de dood niet kan ontlopen, nu bij de aanblik van een dode bedroefd zou zijn, ontzet zou zijn en zou walgen, dan zou dat niet juist zijn van mij.'”
Terwijl hij zo dacht, verdween bij hem elke overmoed wat leven betreft. (A.III.39a)
De Boeddha onderwees: “In de jeugd woont al de wet van ouderdom, in de gezondheid de wet van ziekte, in het leven de wet van het sterven. Ook al leeft men honderd jaren, dan kan men toch de dood niet ontkomen.” (S.48.41)
“Deze wereld haast zich voort, in ouderdom, ziekte en dood. Voor iemand die zich nu in daden, woorden en gedachten beheerst, is er na de dood een redding, een toevlucht, een eiland, een steun.
Heel kort zijn de daden, het leven verdwijnt. Voor mensen die aan ouderdom onderworpen zijn, is er geen ontkomen aan. Denk er aan dat de dood u bedreigt, doe goede werken, die tot welzijn strekken.
Wie zich hier in zijn daden beheerst, in zijn woorden en in zijn denken, hem brengt het na de dood geluk, dat hij in het leven goed deed.
Zoals door vuur verteerd, wordt deze wereld verteerd door ouderdom, ziekte en dood. Terwijl echter deze wereld door ouderdom, ziekte en dood wordt verteerd, is er voor iemand die zich nu in daden, woorden en gedachten beheerst, na de dood een redding, een eiland, een toevlucht, een steun.
Door te geven kan men schatten redden; geven is de beste redder.
Wie zich beheerst in daden, in woorden en in zijn denken, hem brengt het feit dat hij tijdens zijn leven goed deed, geluk na de dood.” (A.III.52-53)
Vrees voor de dood hoeft er alleen te zijn voor degenen die geen deugdzaam leven hebben geleid. Maar wie een deugdzaam leven leidt, wie niemand kwaad doet en wie anderen behulpzaam is, wie in overeenstemming met de leer leeft en steeds de leer voor ogen heeft, hij of zij legt zonder twijfel de basis voor een gelukkige toekomst. De Dhamma beschermt degene die in overeenstemming ermee leeft. Wie goed doet, verheugt zich in beide werelden: in deze en in de volgende.
Eens ging de brahmaan Jānussoni naar Boeddha, groette hem vriendelijk en zei dat hij beweerde dat er niemand onder de stervelingen is die niet voor de dood angstig en bang wordt.
[De Boeddha gaf ten antwoord:]
"Brahmaan, er zijn stervelingen die angstig en bang worden voor de dood. En brahmaan, er zijn stervelingen die niet angstig en bang worden voor de dood.
Brahmaan, wie evenwel onder de stervelingen wordt angstig en bang voor de dood?
Brahmaan, iemand is bij de zinnelijke genoegens niet vrij van hebzucht en vurig verlangen, niet vrij van genegenheid en dorst, niet vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, mijn geliefde zinnelijke genoegens zullen verdwijnen. Ach, de geliefde zinnelijke genoegens zal ik verliezen." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood angstig en bang.
Verder, brahmaan: iemand is bij het lichaam niet vrij van hebzucht en vurig verlangen, niet vrij van genegenheid en dorst, niet vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, mijn geliefde lichaam zal verdwijnen. Ach, het geliefde lichaam zal ik verliezen." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Brahmaan, ook een dergelijke sterveling wordt voor de dood angstig en bang.
Verder, brahmaan: iemand heeft verzuimd om edele, heilzame werken te doen die de angst van de wezens bannen, en hij heeft slechte dingen gedaan, heeft onbeschofte en gemene daden verricht. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, verzuimd heb ik edele, heilzame werken te doen die de angst van de wezens bannen, en ik heb slechte dingen gedaan, onbeschofte en gemene daden. Welk pad van bestaan bestemd is voor degenen die het doen van edele, heilzame werken die de angst van de wezens bannen, hebben verzuimd en die slechte dingen, onbeschofte en gemene daden hebben verricht, juist zo'n pad van bestaan zal ik na de dood gaan." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Ook een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood bang en angstig.
Verder, brahmaan: iemand is een twijfelaar, een weifelend mens, niet tot duidelijkheid gekomen in de goede leer. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, ik ben een twijfelaar, een weifelend mens, niet tot duidelijkheid gekomen in de goede leer." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat wenend op zijn borst, wordt wanhopig. Ook zo'n sterveling, brahmaan, wordt voor de dood angstig en bang.
Deze vier stervelingen, brahmaan, worden voor de dood angstig en bang.
Maar brahmaan, welke sterveling wordt voor de dood niet angstig en bang?
Brahmaan, iemand is bij de genoegens van de zintuigen vrij van hebzucht en vurig verlangen, vrij van genegenheid en dorst, vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij daarbij niet: "Ach, mijn geliefde genoegens van de zintuigen zullen verdwijnen. Ach, ik zal de geliefde zinnelijke genoegens verliezen." En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wenend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Brahmaan, zo'n sterveling wordt voor de dood niet angstig en bang.
Verder, brahmaan: iemand is bij het lichaam vrij van hebzucht en vurig verlangen, vrij van genegenheid en dorst, vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij daarbij niet: "Ach, mijn geliefde lichaam zal verdwijnen! Ach, ik zal het geliefde lichaam verliezen." En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wenend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Brahmaan, ook zo'n sterveling wordt voor de dood niet angstig en bang.
Verder, brahmaan: iemand heeft geen slechte dingen gedaan, heeft geen onbeschofte en gemene daden verricht, maar hij heeft edele, heilzame werken verricht die de angst van de wezens bannen. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Geen slechte dingen heb ik gedaan, ik heb geen onbeschofte en gemene daden verricht, maar ik heb edele, heilzame werken gedaan die de angst van de wezens bannen. Welk pad van bestaan bestemd is voor degenen die geen slechte dingen doen, die geen onbeschofte en gemene daden verrichten, die veeleer edele, heilzame werken verrichten die de angst van de wezens bannen, juist zo'n pad van bestaan zal ik na de dood gaan." En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet huilend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Brahmaan, ook een dergelijke sterveling wordt voor de dood niet angstig en bang.
Verder, brahmaan: iemand is geen twijfelaar, geen weifelend mens, is tot duidelijkheid gekomen in de goede leer. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ik ben geen twijfelaar, geen weifelend mens, ik ben tot duidelijkheid gekomen in de goede leer!" En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wenend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Brahmaan, ook zo'n sterveling wordt voor de dood niet angstig en bang.
Deze vier stervelingen, brahmaan, worden voor de dood niet angstig en bang."
Na deze leerrede nam de brahmaan zijn toevlucht tot de Boeddha, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. Hij werd een lekenvolgeling van de Verhevene. (A.IV.184).
Hoe zeer goede gedachten bij de dood van invloed zijn op het toekomstige bestaan, vertelt de volgende gebeurtenis. Mattakundali was de enige zoon van een gierige miljonair. Hij leed aan geelzucht maar zijn hebzuchtige vader wilde geen arts voor hem laten komen. Dan moest hij immers geld uitgeven. De Boeddha zag met zijn bovennatuurlijke vermogens de slechte toestand van de stervende jongen en hij verscheen voor hem. Toen de zieke jongen de Verhevene zag, was hij vol vreugde en hij stierf met een zuiver hart, vol vertrouwen in de Boeddha. Als gevolg daarvan werd hij in een hemelse sfeer wedergeboren.
De Verhevene sprak daarop het vers: “De geest (het denken) is de voorloper van alle goede staten; zij zijn door de geest gemaakt. De geest is het belangrijkste. Indien men spreekt of handelt met zuivere geest, volgt geluk als iemands schaduw die steeds bij hem is.” (Dhp. verhaal I.2 bij vers 2).
Juist denken over de dood geeft vrede en kalmte zowel voor degene die sterft als voor de nabestaanden. Ook is wedergeboorte in een gelukkige sfeer van bestaan het gevolg van een juist overwegen van de dood. Er kan zelfs de Doodloze staat (Nibbāna) mee worden bereikt.
Dat juist denken over de dood een vredig gemoed geeft, is niet verwonderlijk. Er verdwijnt immers niet een blijvend iets of iemand. In feite zijn er alleen verschijnselen, zonder blijvendheid, zonder vaste kern. Het lichaam is niet van ons. Het is onder andere afhankelijk van voedsel. De gedachten ontstaan door oorzaken; en ook de gevoelens zijn door omstandigheden bepaald. Wat of wie sterft er dan? Er verdwijnt alleen een bepaalde combinatie van elementen die wij in het normale spraakgebruik “een persoon” noemen.
Wat als individueel bestaan wordt beschouwd, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Die verschijnselen vertonen evenwel geen zelfstandig, op zichzelf bestaand iets (atta).
Een beroemde filosoof heeft eens beweerd: “Ik denk dus ik ben.” Deze stelling is verkeerd. Want het denken verandert nog sneller dan het lichaam. De gedachten kunnen nu eens op de maan zijn, dan weer op aarde en in dezelfde seconde alweer in de ruimte, bijvoorbeeld bij de planeet Mars. Dan weer denken wij aan het verre verleden, en dan weer aan de toekomst. Onze gedachten zijn onnoemelijk snel. En wat verder erg belangrijk is: de gedachten ontstaan; zij zijn zonder zelfstandigheid. Kan het denken dan als bewijs gelden voor ons bestaan?
Het leven is als een golf in het water of als de wind in de lucht. In feite is er van een enkele afzonderlijke golf of van afzonderlijke wind geen sprake. Er is alleen maar een beweging van water of beweging van lucht. Als het water tot rust komt, verdwijnt de golfbeweging. Als de lucht tot rust komt, verdwijnt de wind. Is dan iets wezenlijks verdwenen? Het water en de lucht zijn er nog; alleen de beweging is verdwenen. Zolang als er beroering is door begeerte, afkeer en onwetendheid, zolang is er nog de beweging van de wedergeboorte en het sterven.
Oorzakelijk ontstaan is alles wat samengesteld is. En dat zal ook weer vergaan. Alles wat oorzakelijk is ontstaan, alles wat samengesteld is, is onbestendig, veranderlijk en vergankelijk. Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden, blijft gelijk, blijft eeuwig bestaan. Ook de hoogste god zal eens van het goddelijk leven afscheid moeten nemen. Het bestaan is maar tijdelijk.
Na de dood van koningin Bhadda, de dierbare echtgenote van koning Munda, was deze erg verstoord en verwaarloosde zichzelf en zijn regeringsplichten. Zijn schatmeester Piyaka vroeg toen aan de wijze, ervaren eerwaarde Nārada, een heilige, of hij de koning wilde onderrichten. De eerwaarde Narada gaf zijn toestemming. Koning Munda ging toen met zijn gevolg naar de eerwaarde Narada toe en deze onderwees:
“Vijf dingen kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of boze geest, noch iemand anders in de wereld. Die vijf dingen zijn:
1. Dat iemand die aan ouderdom onderhevig is, niet ouder zal worden.
2. Dat iemand die aan ziekte onderhevig is, niet ziek zal worden.
3. Dat iemand die aan het sterven onderhevig is, niet zal sterven.
4. Dat iemand die aan verval onderhevig is, niet zal vervallen.
5. Dat iemand die aan ondergang, vergaan onderhevig is, niet zal vergaan.
Dat kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld.
Bij de onwetende wereldling begint datgene wat aan ouderdom onderworpen is, ouder te worden. Tijdens dat ouder worden overweegt hij niet: “Ik ben niet de enige bij wie datgene wat aan ouderdom onderhevig is, ouder wordt. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens wordt ouder wat aan ouderdom onderhevig is. Zou ik nu, wanneer het aan ouderdom onderhevige ouder wordt, klagen, steunen, jammeren, wenend op mijn borst slaan en wanhopig worden, dan zou het kunnen dat het eten mij niet goed doet, dat het lichaam er ellendig uitziet, dat het werk niet vooruit gaat. De vijanden zullen zich dan verheugen en de vrienden zullen bedroefd zijn.” Van die onwetende wereldling wordt gezegd dat hij, getroffen door de giftige pijl van smart, zich nu zelf kwalen bezorgt.
Verder begint bij de onwetende wereldling ziek te worden wat aan ziekte onderhevig is – te sterven wat aan sterven onderhevig is – te vervallen wat aan verval onderhevig is – te vergaan wat aan ondergang en verval onderhevig is. Hij overweegt dan niet: "Ik ben immers niet de enige bij wie wat aan ziekte onderhevig is, ziek wordt – bij wie sterft wat aan sterven onderhevig is – bij wie vervalt wat aan verval onderhevig is – bij wie onder gaat wat aan ondergang onderhevig is. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens wordt ziek wat aan ziekte onderhevig is, sterft wat aan sterven onderhevig is, vervalt wat aan verval onderhevig is, gaat onder wat aan ondergang onderhevig is. Zou ik nu klagen, steunen, jammeren, wenend op mijn borst slaan en in wanhoop raken, dan zou het kunnen dat het eten mij niet goed doet, dat het lichaam er ellendig uitziet, dat het werk niet vooruit gaat. De vijanden zullen zich dan verheugen en de vrienden zullen bedroefd zijn.” Van die onwetende wereldling wordt gezegd dat hij, getroffen door de giftige pijl van smart, zich nu zelf kwalen bezorgt.
Daar echter begint bij de wetende, edele volgeling ouder te worden wat aan ouderdom onderhevig is – ziek te worden wat aan ziekte onderhevig is – te sterven wat aan sterfte onderhevig is – te vervallen wat aan verval onderhevig is – onder te gaan wat aan ondergang onderhevig is. Tijdens die processen van ouderdom, ziekte, sterven, verval en ondergang zegt hij: "Ik ben immers niet de enige bij wie dat alles zo is. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens is dat zo.
Als ik nu zou klagen, steunen, jammeren, wenend op mijn borst zou slaan en in wanhoop raken, dan zou het eten mij niet kunnen bekomen, het lichaam ellendig uitzien, het werk geen vooruitgang boeken. De vijanden zouden zich dan verheugen en de vrienden zouden bedroefd zijn.”
Wanneer nu datgene wat aan ouderdom, ziekte, dood, verval, ondergang onderhevig is, ouder wordt, ziek wordt, sterft, vervalt en ondergaat, dan klaagt, steunt en jammert hij daarbij niet; hij weent niet en wordt niet wanhopig. Van die wetende, edele volgeling wordt gezegd dat hij de giftige pijl van het leed heeft verwijderd, de pijl waardoor de onwetende wereldling zichzelf kwalen bezorgt. Bevrijd van leed, bevrijd van de stekel van lijden, bewerkstelligt de edele volgeling zijn eigen uitdoving van illusie.
Dit zijn de vijf dingen die niemand kan bereiken. Door leed en klagen wordt niets bereikt.
Door reciteren[3] of door het opzeggen van spreuken[4], of een treffend gesprek, een grote maaltijd als gave, of het navolgen van de familiegebruiken, wat ook steeds behulpzaam[5] daarbij kan zijn, daaraan moge men zich ijverig wijden. Zodra men weet dat men dit of dat[6] niet zelf kan bereiken en dat ook niemand anders dat ooit heeft bereikt, dan moet men het zonder klagen verdragen en ijverig weer aan het werk gaan.”
Na deze wijze leerrede verdween het leed bij de koning en hij gedroeg zich weer normaal. (A.V.48-50)
De vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze ervaren niet het veld van een ander zintuig. De zintuigen om te zien, te horen, te ruiken, te proeven en aan te raken, – die vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze vinden hulp in de geest, en de geest ondervindt de velden en gebieden van die zintuigen.
De vijf zintuigen zijn afhankelijk van levenskracht. De levenskracht is afhankelijk van hitte. Hitte is afhankelijk van levenskracht.
Net zoals bij een brandende olielamp het licht ervan afhankelijk is van de vlam en de vlam begrepen wordt in afhankelijkheid van het licht, evenzo staat levenskracht in afhankelijkheid van hitte en staat hitte in afhankelijkheid van levenskracht.
Wanneer dit lichaam beroofd is van drie toestanden, namelijk levenskracht, hitte en bewustzijn, dan wordt het dood verklaard. (M.43)
Hitte en levenskracht zijn voorwaardelijk van elkaar afhankelijk. Ook bewustzijn en naam-en-vorm zijn voorwaardelijk van elkaar afhankelijk.
De afwezigheid van bewustzijn is niet voldoende om de toestand van de dood te beschrijven, ook levenskracht en warmte moeten wegstromen.
De Verhevene vertoefde in de zesde regentijd voor het eerst te Sāvatthi. Daar hoorde hij dat de innig geliefde enige zoon van een inwoner van die plaats gestorven was. De vader van de gestorvene ging naar de Boeddha die tot hem zei: “Gezinshoofd, uw vermogens schijnen te zijn als van iemand die buiten zinnen is; uw vermogens schijnen niet normaal te zijn.” - "Heer, hoe kunnen die normaal zijn nu mijn innig geliefde enige zoon dood is. Sedert zijn dood heb ik geen gedachte meer gekoesterd aan mijn werk of aan mijn maaltijden. Ik blijf maar naar de knekelplaats gaan en blijf maar roepen naar mijn enig kind.” – “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefde personen die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.” – “Wie kan nu zoiets denken, Heer? Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.”
Het gezinshoofd keurde de woorden van de Verhevene af en had een andere mening. Hij stond op en ging weg. Bij die gelegenheid nu waren enkele spelers niet ver van de Verhevene aan het dobbelen. Het gezinshoofd ging naar hen toe en vertelde wat er gebeurd was. Zij gaven hem gelijk met de woorden: “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.” Het gezinshoofd was het met de dobbelaars eens en ging zijns weegs.
Dit verhaal bereikte uiteindelijk het koninklijke paleis. Koning Pasenadi zei aan de koningin: “Mallika, wat is de bedoeling van de woorden van de monnik Gotama?” – “Heer, als de Gezegende iets heeft gezegd, dan is dat ook zo.”
Koning Pasenadi, die toen nog een aanhanger van andere asceten was, zei daarop: “U spreekt als een volgelinge van de monnik Gotama. Ga maar weg, Mallika.”
Koningin Mallika vroeg aan de brahmaan Nalijangha om naar de Verhevene te gaan en hem in haar naam eer te betonen. Ook moest hij vragen of de Verhevene had gezegd dat innig geliefde personen verdriet brengen. Het antwoord moest hij dan aan de koningin vertellen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid.”
De brahmaan deed wat hem was gevraagd. De Gezegende gaf ten antwoord: “Inderdaad, zo is het; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.”
De Boeddha haalde toen veel voorbeelden aan, zoals onder andere het volgende: “Eens was hier in Savatthi een vrouw wier moeder stierf. Op grond daarvan raakte zij haar verstand kwijt en liep waanzinnig door de straten. En overal vroeg zij of iemand haar moeder had gezien.” En de Verhevene vertelde verder: “Hieruit kan begrepen worden hoe innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop.”
Nalijangha keerde naar de koningin terug en vertelde haar wat de Boeddha had gezegd. Daarop ging zij naar koning Pasenadi en vroeg: “Heer, wat is uw mening? Is uw dochter, prinses Vajiri, u dierbaar?” – “Jazeker, Mallika, zij is mij dierbaar.” – “Heer, wat denkt u dan; indien er een verandering plaats had bij prinses Vajiri, zou dat dan verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop?” – “Ja, elke verandering bij haar zou een verandering in mijn leven betekenen. Hoe zouden dan verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop niet in mij ontstaan?” – “Heer, juist met betrekking hierop heeft de Gezegende, die weet en ziet, die volmaakt en geheel ontwaakt is, gezegd: ‘Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.’”
Hierna vertelde de koningin nog enkele andere voorbeelden. De koning zei daarop: “Mallika, het is wonderbaarlijk, het is prachtig hoe ver de Gezegende iets doordringt en met begrip ziet.” En koning Pasenadi stond van zijn zetel op, schikte zijn oppergewaad over een schouder en hief zijn handen omhoog met de palmen ervan in de richting van de Verhevene. En hij sprak drie keer: “Eer aan de Gezegende, de Volmaakte, de geheel Ontwaakte.”
Toen zijn grootmoeder op de leeftijd van 120 jaren[7] stierf, was koning Pasenadi erg bedroefd. Hij wilde alles geven om zijn grootmoeder te redden. De Boeddha troostte hem met een toespraak over de dood. “Alle wezens zijn sterfelijk; zij eindigen met de dood, zij hebben de dood in het verschiet. Het is als met de vazen van een pottenbakker. Die zijn allemaal breekbaar, of ze nu gebakken zijn of niet. Het einde ervan zijn de scherven; dat hebben ze in het verschiet.”
Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana klooster te Sāvatthi. Koning Pasenadi van Kosala ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Juist op die tijd stierf koningin Mallika.
Iemand kwam naar de koning toe en fluisterde hem de boodschap toe dat de koningin gestorven was. De koning werd vervuld met pijn en leed. Met gebogen lichaam en neergebogen hoofd zat hij daar voor zich uit te staren, zonder een woord te spreken. De Verhevene zag het en zei: “Koning, vijf dingen kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld. Die vijf dingen zijn:
1. Dat iemand die aan ouderdom onderhevig is, niet ouder zal worden.
2. Dat iemand die aan ziekte onderhevig is, niet ziek zal worden.
3. Dat iemand die aan het sterven onderhevig is, niet zal sterven.
4. Dat iemand die aan het verval onderhevig is, niet zal vervallen.
5. Dat iemand die aan de ondergang, het vergaan onderhevig is, niet zal vergaan.
Dat kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld.” (A.V.49)
Kisa Gotami woonde te Savatthi. Zij trouwde met een rijke jongeman en een zoontje werd bij hen geboren. Het zoontje stierf toen het nog maar een peuter was en Kisa Gotami werd door verdriet getroffen. Met haar dode zoontje in haar armen ging zij overal heen en vroeg naar medicijnen die haar zoontje weer tot leven konden brengen. De mensen dachten dat zij gek was geworden. Maar een wijze man die haar zielige toestand zag, besloot haar naar de Boeddha te sturen. Hij adviseerde haar: “Zuster, je moet naar de Boeddha gaan. Hij heeft het medicijn dat je wilt. Ga naar hem toe." Dus ging zij naar de Boeddha en vroeg hem haar het medicijn te geven dat haar gestorven zoontje weer tot leven zou brengen.
De Boeddha die haar verstoorde mentale toestand kende, zei haar dat zij mosterdzaadjes moest halen van een huis waar geen dode was geweest. Dolblij bij het vooruitzicht dat haar zoon weer tot leven zou komen, rende Kisa Gotami van huis tot huis, bedelend om wat mosterdzaadjes. Iedereen was bereid haar te helpen, maar zij kon geen enkel huis vinden waar de dood niet had plaatsgevonden. De mensen waren maar al te bereid om mosterdzaadjes te geven, maar zij konden niet beweren dat zij geen dierbare in de dood hadden verloren. Naarmate de dag vorderde, besefte zij dat haar gezin niet het enige was dat met de dood te maken had gehad en dat er meer mensen dood waren dan levend. Zodra zij dit besefte, veranderde haar houding ten opzichte van haar gestorven zoontje; zij was niet langer gehecht aan het dode lichaam van haar zoontje en besefte hoe eenvoudig de Boeddha haar een heel belangrijke les had geleerd: dat alles wat geboren wordt uiteindelijk moet sterven.
Zij begroef haar gestorven zoontje en vertelde aan de Boeddha dat zij geen gezin kon vinden waar de dood niet was geweest. Toen zei de Boeddha: “Gotami, je moet niet denken dat jij de enige bent die een zoon heeft verloren. Zoals je nu hebt beseft, komt de dood naar alle wezens. Voordat hun verlangens verzadigd zijn, neemt de dood hen mee."
Toen zij de vluchtige aard en de vergankelijkheid van het leven zag, besloot Kisa Gotami het wereldse leven op te geven. Zij werd toegelaten tot de Bhikkuni Sangha als bhikkhuni Kisa Gotami.
Zij streefde ijverig naar haar geestelijke ontwikkeling om haar geest te zuiveren van alle mentale bezoedelingen.
Op een avond stak zij een paar olielampen aan en ging een eindje verderop zitten. Toen begon zij naar de vlammen te kijken. Met haar geest op de vlammen gericht, merkte zij dat sommige vlammen oplaaiden en andere flakkerden en uitdoofden. Met haar geest geconcentreerd op de vlammen als haar onderwerp van meditatie, mediteerde zij als volgt: “Zoals het is met deze vlammen, zo is het ook met levende wezens in deze wereld: sommigen vlammen op, terwijl anderen flakkeren en uitdoven; alleen degenen die Nibbana hebben bereikt, worden niet meer gezien."
De Boeddha zag door zijn bovennatuurlijke kracht Kisa Gotami vanuit het Jetavana-klooster. Van een duplicaat van zichzelf liet hij een helder licht uitstralen en hij spoorde haar aan om te blijven mediteren over de vergankelijke aard van alle samengestelde dingen. Aan het einde van de leerrede bereikte Kisa Gotami arahantschap.[8]
“Al leeft men honderd jaren zonder de doodloze staat te zien,[9] waarlijk, beter is het leven van één dag van iemand die de doodloze staat ziet.” (Dhp. verhaal VIII:13 bij vers 114)
Patacara was de dochter van een rijke man uit Savatthi. Zij was erg mooi en werd goed beschermd door haar ouders. Maar op een dag werd zij verliefd en liep weg met een jonge bediende van het gezin en ging zij in een dorp ver weg van Savatthi wonen. Na verloop van tijd werd zij zwanger. Toen de tijd voor de bevalling naderde, vroeg zij bij verschillende gelegenheden aan haar man toestemming om terug te keren naar haar ouders in Savatthi. Maar haar man was bang dat hij door haar ouders zou worden geslagen en hij ontmoedigde haar. Dus ging zij op een dag, toen haar man afwezig was, op weg naar het huis van haar ouders. Haar man slaagde erin haar onderweg in te halen en smeekte haar om naar huis terug te keren, maar zij weigerde. Omdat de tijd voor de bevalling rijp was, beviel zij van een zoon in de buurt van struikgewas. Na de geboorte van haar zoon keerde zij met haar man naar huis terug.
Toen zij weer zwanger werd, deed zij hetzelfde verzoek als voorheen en kreeg hetzelfde antwoord. Toen de tijd voor de tweede bevalling naderde, ging zij weer op weg naar het huis van haar ouders in Savatthi en nam haar zoon mee. Haar man volgde haar en haalde haar onderweg in; maar haar tijd voor de bevalling kwam erg snel en het regende ook hevig. De man ging op zoek naar een geschikte plek en terwijl hij een stukje land schoonmaakte, werd hij gebeten door een giftige slang en stierf ter plekke. Patacara, in afwachting van zijn terugkeer, beviel van haar tweede zoon. 's Morgens ging zij op zoek naar haar man, maar vond alleen zijn dode lichaam. Vol verdriet vervolgde zij haar weg naar haar ouders, terwijl zij zichzelf de schuld gaf van de dood van haar man.
Omdat het de hele nacht onophoudelijk had geregend, was de rivier gezwollen, zodat zij de rivier niet kon oversteken met haar beide zoontjes in haar armen. Zij liet het oudste zoontje op de ene oever van de rivier achter, stak de stroom over met haar zoontje van een dag oud en liet hem achter op de andere oever. Toen ging zij terug om het oudste zoontje te halen. Toen zij midden in de rivier was, zweefde een havik over de baby in de mening dat hij een stuk vlees was. Zij schreeuwde om de havik weg te jagen, maar het was allemaal tevergeefs; de havik droeg de baby weg. Ondertussen hoorde het oudste zoontje zijn moeder schreeuwen vanuit het midden van de rivier en dacht dat zij hem riep. Hij probeerde naar zijn moeder te gaan, maar werd meegesleept door de sterke stroming. Zo verloor Patacara zowel haar twee zoontjes als ook haar echtgenoot.
Zij huilde en klaagde luid: "Een zoon is meegesleept door een havik, een andere zoon is meegesleept door de stroming, mijn man is ook dood, gebeten door een giftige slang." Toen ontmoette zij een man uit Savatthi en vroeg in tranen naar haar ouders. De man antwoordde dat als gevolg van een hevige storm in Savatthi de vorige nacht het huis van haar ouders was ingestort en dat haar beide ouders, samen met haar enige broer, waren gestorven en gecremeerd. Bij het horen van dit tragische nieuws werd Patacara krankzinnig. Zij merkte niet eens dat haar kleren van haar waren afgevallen en dat zij halfnaakt was. Zij liep door de straten en riep: "Wee mij."
Op dat moment sprak de Boeddha in het Jetavana-klooster een leerrede en zag hij Patacara op een afstand. Hij wenste daarom dat zij naar de bijeenkomst zou komen. De menigte zag haar aankomen en probeerde haar tegen te houden met de woorden: "Laat de gekke vrouw niet binnenkomen." Maar de Boeddha zei hun dat zij haar niet moesten verhinderen om binnen te komen. Toen Patacara dichtbij genoeg was om hem te horen, zei hij dat zij haar geest moest beheersen en kalm moest blijven. Toen zij zich bewust werd van zichzelf, besefte zij dat zij haar rok niet aan had en ging stil zitten. Iemand gaf haar een doek om zich te bedekken. Zij vertelde toen aan de Boeddha hoe zij haar zoontjes, haar man, haar ouders en haar enige broer had verloren.
De Boeddha troostte haar: “Patacara, wees niet bang; je bent nu bij iemand gekomen die je kan beschermen en je echt kan begeleiden. Gedurende deze ronde van bestaan (samsara) is het aantal tranen dat je hebt vergoten vanwege de dood van zonen, echtgenoten, ouders en broers heel erg groot." Toen legde de Boeddha haar het Anamatagga Sutta uit, dat handelt over talloze levens,[10] en zij voelde zich opgelucht en gekalmeerd. De Boeddha voegde eraan toe dat men zich niet al te veel zorgen moet maken over degenen die gegaan zijn, maar dat men zichzelf moet zuiveren en ernaar moet streven om Nibbana te verwerkelijken. Bij het horen van deze leerrede besefte Patacara de onzekerheid en nutteloosheid van het bestaan en werd gevestigd in het pad dat leidt naar het bereiken van bevrijding van samsara.
Patacara werd een bhikkhuni. Op een dag maakte zij haar voeten schoon met water uit een waterpot. Zij zag toen hoe het water in drie fasen weg stroomde - sommige druppels water stroomden en zakten dicht bij haar weg, sommige zakten weg verder van haar af, andere nog verder van haar af. Terwijl zij keek naar het stromen en het verdwijnen van het water, begon zij duidelijk de drie stadia in het leven van wezens waar te nemen. Het bracht haar ertoe te mediteren over de vergankelijkheid van het leven, waarmee zij persoonlijk ervaring had. De Boeddha zag haar met zijn goddelijk oog, projecteerde zichzelf voor haar en spoorde haar aan: “Patacara, jij bent nu op de goede weg en je hebt nu de ware waarneming van de samengestelde dingen (khandhas) van het leven. Iemand die de vergankelijkheid, het onbevredigende en het onwerkelijke van de samengestelde dingen niet inziet, is nutteloos, zelfs al leeft hij honderd jaren." Kort daarna bereikte Patacara arahantschap.
“Al leeft iemand honderd jaren zonder te begrijpen hoe alle dingen ontstaan en vergaan, waarlijk, beter is het leven van een enkele dag van iemand die begrijpt hoe alle dingen ontstaan en vergaan.” [11] (Dhp. verhaal VIII:12 bij vers 113)
Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het oostelijk gelegen park in het herenhuis van Migāra’s moeder. Op die tijd was Visākhā’s kleinzoon[12] die haar zeer dierbaar was geweest, gestorven. Toen ging Visākhā, Migāra’s moeder, met natte kleren en nat haar[13] in het midden van de dag naar de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd tot op de grond en ging terzijde zitten. De Verhevene vroeg haar: "Waar kom jij vandaan, Visākhā, in het midden van de dag met natte kleren en nat haar?” - “Eerwaarde Heer, mijn kleinzoon die mij zeer dierbaar was, is gestorven. Daarom kom ik in het midden van de dag met natte kleren en nat haar.”
“Visākhā, zou jij graag zoveel zonen en kleinzonen willen hebben als er inwoners te Sāvatthī zijn?” - “Eerwaarde Heer, graag zou ik zoveel zonen en kleinzonen willen hebben als er inwoners te Sāvatthī zijn.”
“Maar Visākhā, hoeveel mensen sterven er dagelijks in Sāvatthī?” - “Eerwaarde Heer, misschien sterven er tien mensen per dag in Sāvatthī. Of misschien sterven er ook negen, of acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee mensen per dag, of misschien sterft er maar één persoon per dag in Sāvatthī. Eerwaarde Heer, Sāvatthī is nooit zonder dat er iemand sterft.”
“Visākhā, wat is jouw mening, zou jij dan ooit zonder natte kleren en nat haar zijn?” - “ Neen, Eerwaarde Heer. Genoeg met mijn wens om zoveel zonen en kleinzonen te hebben.”
“Visākhā, zij die honderd dierbaren[14] hebben, hebben honderd soorten lijden. Zij die negentig dierbaren hebben, hebben negentig soorten lijden. Zij die tachtig, zeventig, zestig, vijftig, veertig, dertig, twintig, tien, vijf, vier, drie, twee dierbaren hebben, hebben tachtig, zeventig, zestig, vijftig, veertig, dertig, twintig, tien, vijf, vier, drie, twee soorten lijden. Zij die één dierbare hebben, hebben één lijden. Zij die geen dierbaren hebben, hebben geen lijden. Zij zijn zonder leed, zonder droefenis, zijn niet wanhopig, zo zeg ik.”
Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:
“Wat er bestaat aan leed en geweeklaag,
de verschillende soorten van dukkha, lijden in de wereld,
ze bestaan omdat er iets dierbaars bestaat;[15]
als er niets dierbaars[16] was zouden ze niet bestaan.
Daarom zijn diegenen gelukkig en vrij van dukkha, leed, die nergens iets dierbaars hebben in de wereld.[17]
Wie vrij wil zijn van leed en van droefenis,
laat hij ervoor zorgen dat hij nergens iets dierbaars heeft in de wereld.”[18] (Ud. 8.8)
In Rajagaha woonde een heel mooie courtisane. Zij heette Sirimā. Zij was de dochter van de courtisane Salavati. Elke dag bood zij aalmoezen aan de monniken aan. Een van die monniken vertelde aan andere monniken hoe mooi Sirima was en ook dat zij erg lekker eten aanbood. Toen hij dit hoorde, werd een jonge monnik verliefd op Sirima, ook al had hij haar niet gezien. De volgende dag ging de jonge monnik met de andere monniken naar het huis van Sirima. Het ging die dag niet goed met haar, maar omdat zij eer wilde betonen aan de monniken, werd zij tot bij hen gedragen. De jonge monnik die Sirima zag, dacht bij zichzelf: "Ook al is zij ziek, zij is erg mooi." En hij ontwikkelde een sterk verlangen naar haar.
Diezelfde nacht stierf Sirima. Koning Bimbisara bezocht de Boeddha en zei dat Sirima gestorven was. De Verhevene adviseerde de koning om het lijk drie dagen te bewaren zonder het te begraven. Op de vierde dag was het dode lichaam van Sirima niet langer mooi of begeerlijk; het was opgeblazen geworden en er kwamen maden uit het lichaam. Op die dag nam de Boeddha zijn monniken mee naar de lijkplaats om het dode lichaam te bekijken. De jonge monnik, die zo wanhopig verliefd was op Sirima, wist niet dat Sirima gestorven was. Toen hij hoorde dat de Boeddha en de monniken Sirima zouden bezoeken, sloot hij zich gretig bij hen aan.
De Boeddha verzocht de koning toen om aan te kondigen dat Sirima een nacht beschikbaar zou zijn tegen betaling van duizend munten. Maar niemand wilde haar nemen voor duizend, of voor vijfhonderd, of voor tweehonderdvijftig munten, en ook niet als zij gratis zou worden gegeven. De Boeddha zei tegen het publiek: “Bhikkhus, kijk naar Sirima. Toen zij nog leefde, waren velen bereid duizend munten te geven om één nacht met haar door te brengen; maar nu wil niemand haar nemen, ook niet als zij zonder enige betaling wordt gegeven. Het lichaam van een persoon is onderhevig aan verval en bederf." Nadat hij naar de Boeddha had geluisterd, besefte de jonge monnik, die gehechtheid aan Sirima had ontwikkeld, de ware aard van het leven.
“Zie dit mooie lichaam, een massa van zweren en wonden, samengesteld, ziek, het object van de gedachten van menigeen, waarin niets blijvend is, waarin geen stabiliteit is.” (Dhp. verhaal XI:2 bij vers 147)
Nog een voorbeeld van de Boeddha over juist denken over de dood. Eens stierf de echtgenote van een rijke man. Deze laatste bleef na de crematie op de plek waar de as was bijgezet. Hij verwaarloosde zijn zaken, at niet meer en bleef maar treuren om zijn gestorven vrouw. Zijn zoon probeerde hem te helpen en wel op een ongewone manier. Hij kocht een dode koe, liet die in een weiland neerleggen en ging erbij zitten. Hij deed net alsof hij die dode koe wilde voeren. De mensen in het dorp spraken er schande van. Eerst de vader krankzinnig van verdriet en nu ook nog de zoon. Wat jammer toch van zo’n familie! Na niet lange tijd vernam de vader hoe het met zijn zoon was gesteld. Hij vergat het verdriet over zijn vrouw en ging naar het weiland waar zijn zoon de dode koe probeerde te voeren met hooi en gras. “Wat doe jij voor domme dingen. Zie je niet dat die koe dood is. Die kan geen gras meer vreten. Wat jij daar doet, is vergeefse moeite. Ben je niet goed wijs?” Zo sprak de vader. Daarop antwoordde de zoon: “Vader, net zo vruchteloos als mijn voederen van deze dode koe is het wenen om je echtgenote. Zij wordt daardoor niet meer levend. Gedraag je als een verstandig mens en doe je zaken als voorheen.” Na deze woorden begreep de vader dat zijn wijze zoon de koe als hulpmiddel had gebruikt om hem weer tot bezinning te brengen. En hij hervatte zijn gewone bezigheden.
Treuren om doden is als het voederen van een dode koe. Beter is het goede daden te verrichten en de vruchten ervan op te dragen aan de gestorvene(n).
Een brahmaan zei eens tot de Verhevene dat brahmanen gaven geven, dodenoffers aanbieden met de woorden: "Moge deze gave onze gestorven familieleden en verwanten ten goede komen. Mogen zij van deze gave genieten."
De brahmaan vroeg of die gave werkelijk de gestorvenen ten goede komt, of zij werkelijk ervan genieten.
De Boeddha gaf ten antwoord dat die gave hen op een geschikte plaats ten goede komt, niet op een ongeschikte plaats.
De brahmaan: "Heer, wat is de geschikte plaats en wat is de ongeschikte plaats?"
De Boeddha: "Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in een hel. Daar leeft hij van het voedsel van de hellenwezens, en daarmee voedt hij zich. Dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de dierenwereld. Daar leeft hij van het voedsel van de dieren, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren onder de mensen. Daar leeft hij van het voedsel der mensen, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de hemelse wezens. Daar leeft hij van het voedsel van de hemelse wezens, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de sfeer van de ongelukkige geesten. Daar leeft hij van het voedsel van de wezens in de sfeer van de ongelukkige geesten; daarmee voedt hij zich. En wat hem hier door zijn vrienden, familieleden en verwanten wordt aangeboden, daarop teert hij; daarmee voedt hij zich. Dat is de geschikte plaats; daar komt die gave hem ten goede."
De brahmaan: "Heer Gotama, wanneer nu het gestorven familielid niet op die plaats wordt wedergeboren, wie geniet dan van die gave?"
De Boeddha: "Ook anderen van zijn familieleden of verwanten zijn op die plaats wedergeboren. Het is onmogelijk dat die plaats in deze lange tijd onbewoond is gebleven door gestorven bloed- of aanverwanten. Overigens blijft ook de gever niet zonder loon."
De brahmaan: "Heer Gotama belooft dus succes zelfs op een ongeschikte plaats?"
De Boeddha: "Brahmaan, zelfs op een ongeschikte plaats komt succes. Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. Maar hij voorziet asceten en brahmanen (priesters) van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren onder olifanten, paarden, runderen of honden. Daar echter krijgt hij eten en drinken, guirlanden en velerlei sieraden. Vanwege zijn slechte gedrag in daden, woorden en denken [doden etc], is hij daar wedergeboren. Maar vanwege zijn gedrag ten opzichte van asceten en priesters krijgt hij daar eten en drinken, guirlanden en sieraden.
Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. En hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de mensen of bij de hemelse wezens. Daar heeft hij deel aan menselijke of hemelse zinnelijke vreugden. En wel vanwege zijn goed bovenvermeld gedrag.
Zo blijft ook de gever niet zonder beloning." (A.X.177)
Eens gingen twee oude, grijze, hoogbejaarde brahmanen, 120 jaren oud, naar de plaats waar de Verhevene vertoefde. Zij groetten hem vriendelijk en gingen terzijde neerzitten. En zij zeiden:
“Heer Gotama, wij zijn oude, hoogbejaarde brahmanen. Wij hebben verzuimd edele, goede en behulpzame daden te verrichten. Moge heer Gotama ons onderrichten opdat het ons lang tot heil en zegen strekke.”
“Inderdaad, jullie zijn oud, hoogbejaard, en jullie hebben verzuimd edele, goede daden te verrichten.
Brahmanen, deze wereld haast zich voort, in ouderdom, ziekte en dood. Voor iemand die zich nu in daden, woorden en gedachten beheerst, is er na de dood een redding, een toevlucht, een eiland, een steun.
Heel kort zijn de daden, het leven verdwijnt. Voor mensen die aan ouderdom onderworpen zijn is er geen ontkomen aan. Denk daaraan dat de dood u bedreigt, doe goede werken, die tot welzijn strekken.
Wie zich hier in zijn daden beheerst, in zijn woorden en in zijn denken, hem brengt het na de dood geluk, dat hij in het leven goed deed.
Zoals door vuur verteerd, wordt deze wereld verteerd door ouderdom, ziekte en dood. Terwijl echter deze wereld door ouderdom, ziekte en dood wordt verteerd, is er voor iemand die zich nu in daden, woorden en gedachten beheerst, na de dood een redding, een eiland, een toevlucht, een steun.
Door te geven kan men schatten redden; geven is de beste redder.
Wie zich beheerst in daden, in woorden en in zijn denken, hem brengt het feit dat hij tijdens zijn leven goed deed, geluk na de dood. (A.III.52-53)
Wanneer de geest onbewaakt is, dan zijn ook de verrichtingen in daden, woorden en gedachten onbewaakt. Ze staan dan open voor het slechte. Dan zullen iemands verrichtingen in daden, woorden en gedachten verdorven zijn. En dan heeft hij geen goede dood, geen gelukkig stervensuur.
Maar wanneer de geest bewaakt is, dan zijn ook de verrichtingen in daden, woorden en gedachten bewaakt. Ze staan dan gesloten voor het slechte. Dan kunnen zij niet verdorven worden. En men heeft een goede dood, een gelukkig stervensuur. (A.III.110)
Er zijn drie goddelijke boden:
Iemand heeft een slecht gedrag in daden, in woorden, in gedachten. Na de dood komt hij in een lagere wereld, op een pad van lijden, in afgronden van bestaan, in de hel. De wachters van de hel nemen hem bij beide armen en brengen hem voor koning Yama[19] met de woorden: “Heer, deze persoon had geen eerbied voor zijn ouders, geen eerbied voor asceten en brahmanen, hij had geen hoogachting voor de oudsten in de familie. Heer, leg hem een straf op.” En koning Yama vraagt die persoon dan of hij onder de mensen niet de eerste goddelijke bode had gezien. En die persoon zei: “Neen, ik heb hem niet gezien.”
Koning Yama zei toen: “Mens, zag je onder de mensen niet een vrouw of een man in hoge ouderdom, 80, 90 of 100 jaren oud, afgeleefd, gekromd, gebukt, leunend op een kruk, bibberend vooruitgaand, gebrekkig, met verwelkte jeugd, met afgebroken tanden en grijs haar, of kaal, met waggelend hoofd, vol rimpels, de ledematen bedekt met vlekken?”
“Ja, heer, die heb ik gezien.”
Koning Yama zei toen: “En mens met verstand en oud genoeg, dacht je er toen niet aan, dat ook jij aan ouderdom onderworpen bent, dat je ouderdom niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, woorden en gedachten?”
“Heer, ik was niet ertoe in staat. Ik was lichtzinnig.”
Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht ervan ondervinden.”
Hierna stelde koning Yama vragen over de tweede goddelijke bode. “Mens, zag je onder de mensen niet de tweede goddelijke bode verschijnen?”
“Neen heer, ik zag hem niet.”
Koning Yama zei: “Mens, zag je onder de mensen niet een vrouw of man, ziek, ellendig, zeer lijdend, zich ronddraaiend in eigen uitwerpselen en urine, die door de een werd opgericht, door een ander weer in bed werd gelegd?”
“Ja heer, zulke mensen heb ik gezien.”
En koning Yama zei: “En mens met verstand en oud genoeg, dacht je toen niet dat ook jij aan ziekte onderworpen bent, dat je ziekte niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, in woorden, en in gedachten?"
“Heer ik was er niet toe in staat, ik was lichtzinnig.”
Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht ervan ondervinden.”
Koning Yama stelde toen vragen over de derde goddelijke bode. “Mens, zag je onder de mensen niet de derde goddelijke bode verschijnen?” – “ Neen heer, ik zag hem niet.”
En koning Yama zei: Mens, zag je onder de mensen nooit een vrouw of een man een of twee of drie dagen na de dood, opgezwollen, blauwzwart van kleur, bedekt met etter?”
“Ja heer, zulke dode mensen heb ik gezien.”
“En mens met verstand en oud genoeg, dacht je er toen niet aan dat ook jij aan de dood onderworpen bent, dat je de dood niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, woorden en gedachten?”
“Heer, ik was er niet toe in staat, ik was lichtzinnig.”
Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht ervan ondervinden.”
Daarna zweeg koning Yama.
De wachters van de hel folterden die mens toen op meerdere manieren. En die persoon sterft niet voordat [het resultaat van] die slechte daad is uitgeput. (A.III.36)
Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur: Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.
Gunaratna, V.F.: Buddhist Reflections on Death. Kandy: BPS, 1966. The Wheel No. 102/103.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy: BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.
Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy: BPS, 1978. (1st ed. 1972)
Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).
Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy: BPS, 2524/1980.
Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln: DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.
Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.
Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy: BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.
Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.
The Path of Freedom (Vimuttimagga) by Arahant Upatissa. Translated into Chinese as Cié-to-tāo-lun by Tipitaka Sanghapāla of Funan. Translated from the Chinese by Rev. N.R.M. Ehara, Soma Thera, and Kheminda Thera. Kandy 1995.
[1] Nyanaponika: ‘Van degenen die als dodenoffer naar andere werelden gaan, wordt de zoon niet door zijn vader beschermd, noch beschermt de stam de leden van de stam.’
[2] yobbana-mada, ārogya-mada, jīvita-mada; zie A.V.57.
[3] Bedoeld is het 'mompelend' reciteren van religieuze teksten. Volgens het commentaar vooral van lofgebeden (vanna-bhânana), blijkbaar aan de godheden van het Brahmanisme gericht.
[4] mantena; manta zijn in het woordgebruik van de oude sutta-teksten de vedische spreuken en hymnen. Commentaar: krachtige mantras.
[5] d.w.z. als afleiding van leed.
[6] Namelijk de bovengenoemde vijf onbereikbare dingen.
[7] 120 jaren: dit is geen exacte opgave van haar aantal levensjaren. Maar het betekent dat zij erg oud was.
[9] Amatam padam, de ongeconditioneerde staat van Nibbana, vrij van geboorte, verval en dood.
[11] Het ontstaan en vergaan van geest en materie - namelijk de vergankelijkheid van alle geconditioneerde dingen. Van een leerling van de Boeddha wordt verwacht dat hij contempleert over de vluchtige aard van het leven, zodat hij niet gehecht raakt aan illusoire materiële genoegens.
[12] Seidenstücker 1920 en Schäfer 1998 vertaalden ‘kleindochter’
[14] Schäfer 1998 vertaalde “ voorliefde. Pema = de liefde die wil bezitten. Anderen vertalen met ‘liefde’. Voor de niet metende, grenzeloze liefdevolle vriendelijkheid heeft het Pali echter een eigen woord: metta. Het misverstand dat in het Boeddhisme de liefde te kort komt, is daarmee uitgesloten. Vergelijk het metta sutta Sn I.8. {Schäfer 1998}
[15] vanwege voorkeur
[16] zonder voorkeur
[17] die nergens voorliefde hebben.
[18] laat hij nergens een voorliefde hebben. - vgl Sn. IV.11. (verzen 862-877). {Woodward 1985 p. 112 noot 2}
[19] Yama betekent in het Boeddhisme de vorst van de dood of rechter van de doden. Zijn naam betekent niet ‘bedwinger’ zoals in latere tijd is uitgelegd, maar betekent ‘een van een paar’, tweeling’ (geminus), omdat hij volgens voorboeddhistische mythus het mannelijke deel van het eerste mensenpaar was.