Facetten van het Boeddhisme


naar Index

Khandha, de bestanddelen van bestaan



Khandha,

de bestanddelen van bestaan

Copyright ©  2024 / 2567

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm deze compilatie over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Inleiding

Het Pali woord “khandha” betekent letterlijk: ophopingen, groep, aggregaat. Het zijn de bestanddelen die onze persoonlijkheid uitmaken, ook groeperingen van bestaan genoemd. Er is een vijfvoudige, een tweevoudige en een drievoudige indeling van die bestanddelen.

a) De vijfvoudige indeling: lichaam, materie of fysieke vorm (rūpa), gevoel (vedanā), gewaarwording, waarneming (saññā), geestelijke formaties (sankhārā), en bewustzijn (viññāna).

b) De tweevoudige indeling: nama-rupa: geest en lichamelijkheid.

c) De drievoudige indeling: bewustzijn, geestelijke factoren, lichamelijkheid.

Elke groep is voor alle wezens – behalve voor de heilige die van elke begeerte vrij is – het eigenlijke object van hechten (upādāna). Daarom worden zij ook 'groepen van hechten' (upādāna-kkhandha) genoemd. Omdat zij de totale lichamelijke en geestelijke object-wereld van het betreffende individu insluiten, kunnen zij ook als 'groepen van bestaan' worden aangeduid.

Wat als individueel bestaan wordt beschouwd, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van die geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Deze vijf groepen vertonen evenwel noch apart noch collectief een zelfstandig, op zichzelf bestaand iets (atta), noch is er een zelfstandig iets te vinden afzonderlijk van die groepen. Deze vijf groepen vormen een abstracte rangschikking maar ze hebben geen werkelijk bestaan als vijf volledige groepen. Er kan maar één vertegenwoordiger van deze groepen ontstaan met één staat van bewustzijn. Bijvoorbeeld, met eenzelfde eenheid van bewustzijn kan slechts één enkele soort van gevoel (vreugde, of verdriet) verbonden worden en nooit meer dan één. Evenzo kunnen geen twee verschillende gewaarwordingen op hetzelfde moment ontstaan. Ook van de diverse soorten bewustzijn kan slechts één tegelijk aanwezig zijn.

lichamelijkheid (rupa)

“Wat is de groep van lichamelijkheid (rupa)? Het zijn de vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de lichamelijkheid, de vorm die daarvan afhankelijk is. Rupa omvat het gehele fysieke aspect van de werkelijkheid, niet slechts het menselijk lichaam.

gevoel (vedanā)

Wat is de groep van gevoel (vedanā)? Het zijn de zes klassen van gevoel: gevoel door visuele indruk, gevoel door geluid-indruk, gevoel door geur-indruk, gevoel door smaak-indruk, gevoel door tast-indruk en gevoel door geestelijke indruk.

Verder zijn er drie soorten van gevoel: het aangename gevoel, het onaangename gevoel en het noch aangename noch onaangename gevoel. (zie M.43)

Wat lichamelijk of geestelijk als aangenaam en prettig ondervonden wordt, dat is aangenaam gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk als pijnlijk en onaangenaam ondervonden wordt, dat is pijnlijk gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk niet als aangenaam noch als onaangenaam ondervonden wordt, dat is niet pijnlijk noch aangenaam gevoel. (M.44)

Ten gevolge van de verscheidenheid der aanrakingen, contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens. - Gevoel is afwezig als aanraking, contact afwezig is.

gewaarwording (saññā)

Wat is de groep van gewaarwording, waarneming (saññā)? Er zijn zes klassen van gewaarwording: gewaarwording van zichtbare objecten, gewaarwording van geluiden, gewaarwording van geuren, gewaarwording van smaken, gewaarwording van lichamelijke indrukken en gewaarwording van geestelijke indrukken.

Ook het geheugen, de herinnering, het herkennen van fysieke en mentale verschijnselen spelen hier een rol, omdat waarnemingen en het voorstellingsvermogen afhankelijk zijn van vroegere ervaringen. Saññā is een zintuiglijk en mentaal proces dat registreert, herkent en labelt (bijvoorbeeld de vorm van een boom, de kleur groen, de emotie van angst).

geestelijke formaties (sankhāra)

Wat is de groep van geestelijke formaties? Er zijn zes klassen van wilstoestanden, namelijk wil m.b.t. zichtbare objecten, wil m.b.t. geluiden, wil m.b.t. geuren, wil m.b.t. smaken, wil m.b.t. lichamelijke indrukken, en wil m.b.t. geestelijke objecten.

Het Pali woord sankhāra heeft meerdere betekenissen: 1) productie, vervaardiging; 2) formatie, vormende kracht, conditionaliteit, gevormde of geconditioneerde verschijnselen die het gevolg zijn van de vormende kracht; hoofdvoorwaarde, wezenlijk bestanddeel, element, vooral van het denkproces, formaties van de geest; wilsactiviteit, kamma-formaties. Sankhāra zijn intenties, ook wel gedachten; de bewuste of onbewuste intenties die het gedrag bepalen wat betreft denken, handelen en taalgebruik.         

Er zijn karmisch heilzame (kusala) en onheilzame (akusala) formaties in daden (kāya-sankhāra), woorden (vacī-sankhāra) en gedachten (citta-sankhāra), namelijk de formatie van het lichaam, de vorming van lichamelijke acties; de formatie van de taal, de vorming van praten; en de formatie van de geest, de vorming van denken.

De formatie van het lichaam is het in- en uitademen. De formatie van de taal bestaat in het vormen van gedachten en discursief denken. De formatie van de geest bestaat in waarneming en gevoel. (M.44)

bewustzijn (viññana)

Wat is de groep van bewustzijn? Er zijn zes klassen van bewustzijn: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn, en geest-bewustzijn.” (S.XXII,56).

Viññana is een mentale eigenschap als een bestanddeel van individualiteit, de drager van (individueel) leven. Meestal vertaald met: geest.

Bewustzijn (viññana) is de geestelijke bevestiging van indrukken van de zintuigen.

Viññana is geen onveranderlijke, blijvende geest-substantie. Zonder voorwaarden ontstaat er geen bewustzijn. Bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijbehorend object. (M.38) Viññana is een noodzakelijke voorwaarde van nama-rupa. Afhankelijk van wilsformaties ontstaat bewustzijn (viññana) dat tot wedergeboorte leidt. Bewustzijn is afhankelijk van geestlichamelijkheid.

Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als zien-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als hoor-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als ruik-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als smaak-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als aanrakings-bewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geest-bewustzijn.

Met andere woorden, er ontstaat visueel bewustzijn ten gevolge van oog, voorwerp en contact; er ontstaat auditief bewustzijn ten gevolge van oor, geluid en contact; er ontstaat geur-bewustzijn ten gevolge van neus, geur en contact; er ontstaat smaak-bewustzijn ten gevolge van tong, voorwerp en contact; er ontstaat aanrakings-bewustzijn ten gevolge van lichaam, object en aanraking; er ontstaat geestbewustzijn ten gevolge van denken, gedachten en contact. Kortom, er zijn zes soorten van bewustzijn: bewustzijn door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. De ontwikkeling van onderscheid maken veroorzaakt de ontwikkeling van bewustzijn. (M.9)

Het bewustzijn ervaart; het ervaart "aangenaam", het ervaart "pijnlijk", het ervaart "noch pijnlijk noch aangenaam".

Deze groepen van bestaan zijn onafscheidelijk. Hierover is gezegd: “Wat er ook bestaat aan gevoel, gewaarwordingen en aan geestelijke formaties, deze dingen zijn verbonden, niet onverbonden. En het is onmogelijk het een van het ander te scheiden en het verschil ervan aan te tonen. Want wat men voelt, dat neemt men waar; en wat men waarneemt, daarvan is men zich bewust.” (M.43).

De gewaarwording ontstaat door het contact van een van de zes zintuigen met een extern object. Gevoel is afhankelijk van aanraking, contact. - Wat is gevoel, gewaarwording, waarneming? – Het gevoel dat ontstaan is door het zien, de gewaarwording die geboren is uit contact met het oog, de waarneming van vorm. Het gevoel dat ontstaan is door het horen, de gewaarwording die geboren is uit contact met het oor, de waarneming van geluid. Het gevoel dat ontstaan is door het ruiken, de gewaarwording die geboren is uit contact met de neus, de waarneming van geur. Het gevoel dat ontstaan is door het proeven, de gewaarwording die geboren is uit contact met de tong, de waarneming van smaak. Het gevoel dat ontstaan is door aanraking, de gewaarwording die geboren is uit contact met het lichaam, de waarneming van aanrakingen. Het gevoel dat ontstaan is door denken, de gewaarwording die geboren is uit contact met de geest, de waarneming van ideeën en gedachten. Kortom het gevoel, de gewaarwording, de waarneming welke ontstaan door contact van een zinsorgaan met een object.

Verder is gezegd: “Het is onmogelijk het verdwijnen uit het ene bestaan en het intreden in een nieuw bestaan uit te leggen, of de groei, toename en ontwikkeling van bewustzijn uit te leggen onafhankelijk van lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording en geestelijke formaties.” (S.XII.53).

Deze vijf groepen of bestanddelen zijn onpersoonlijk en leeg. Betreffende de onpersoonlijkheid (anatta) en leegheid (suññata) ervan is gezegd: “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’” (S.XXI,5; S.XXII.48; zie ook S.XXII.95).

De vraag “Wie of wat ben ik?” kan alleen opkomen bij een wereldling, iemand die nog niet het pad van heiligheid heeft betreden.

Alles wat is samengesteld, is onderhevig aan veranderen. Het is vergankelijk, niet-blijvend. Alleen Nibbana is blijvend, omdat het niet is samengesteld.  

Alles in dit bestaan is zonder een zelf, zonder een ziel; er is geen blijvende kern.

 

De uiteenzetting van de elementen

In het Dhatuvibhanga sutta (M.140) onderwees de Boeddha over de mens o.a. het volgende:

“De mens bestaat uit zes elementen, namelijk het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

Verder zijn er zes grondslagen voor contact, namelijk de zintuigen van zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en het zintuig van de geest.

Ook zijn er achttien soorten van geestelijk naderen. Wanneer men met het oog een vorm ziet, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan. Wanneer men met het oor een geluid hoort, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan. Wanneer men met de neus een geur ruikt, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan. Wanneer men met de tong een smaak proeft, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan. Wanneer men met het lichaam een aanrakingsobject voelt, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan. Wanneer men met de geest een geestobject waarneemt, kan vreugde of droefenis of gelijkmoedigheid ontstaan.

Bovendien heeft de mens vier grondslagen. Er is de grondslag van de wijsheid, de grondslag van de waarheid, de grondslag van de verzaking en de grondslag van de vrede.

Iemand die op deze grondslagen staat, wordt niet meer door de stromen van de denkbeelden overstroomd, en wanneer de stromen van de denkbeelden hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd. Men moet wijsheid niet verwaarlozen, men moet de waarheid oprecht houden, men moet verzaking onderhouden, en men moet voor de vrede oefenen.

Hoe verwaarloost men wijsheid niet? Er zijn deze zes elementen: het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

[Het aarde-element]

Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan vaste innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan volgt onthechting wat betreft het aarde-element.

[Het water-element]

Het water-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke water-element bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke water-element zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het water-element zo beschouwt, dan volgt onthechting wat betreft het water-element.

[Het vuur-element]

Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuur-element zo beschouwt, dan volgt onthechting wat betreft het vuur-element.

[Het wind-element]

Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het wind-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan volgt onthechting wat betreft het wind-element.

[Het ruimte-element]

Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het ruimte-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan volgt onthechting wat betreft het ruimte-element.

[Het bewustzijn]

Met het bewustzijn[1] neemt waar: ‘dit is aangenaam,’ men neemt waar: ‘dit is pijnlijk,’ men neemt waar: ‘dit is noch pijnlijk noch aangenaam.’

[Contact]

Door contact ontstaat een aangenaam gevoel. Bij het beëindigen van dat contact begrijpt men: ‘Het aangename gevoel is beëindigd.’

Door contact ontstaat een pijnlijk gevoel. Bij het beëindigen van dat contact begrijpt men: ‘Het pijnlijke gevoel is beëindigd.’

Door contact ontstaat een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel. Bij het beëindigen van dat contact begrijpt men: ‘Het noch pijnlijke noch aangename gevoel is beëindigd.’

[Gelijkmoedigheid]

Dan blijft alleen nog gelijkmoedigheid over, gezuiverd en stralend, soepel, smeedbaar en helder stralend. Die gelijkmoedigheid, richt men niet op de gebieden van de onstoffelijke meditaties (‘ruimte is oneindig’; ‘bewustzijn is oneindig’; ‘niets is er’; ‘noch waarneming noch niet waarneming’), want dan zou ze zeer lang voortduren. Men richt de gelijkmoedigheid ook niet op de onstoffelijke meditatieve gebieden, want die zijn gevormd. Men vormt geen enkele voorwaarde en produceert geen enkele wilsopwelling in de richting van bestaan of bestaansmogelijkheid. Omdat men geen enkele voorwaarde vormt, en geen enkele wilsopwelling in richting van bestaan of bestaansmogelijkheid produceert, hecht men nergens meer vast aan de wereld. Wanneer men niet vasthecht, is men niet opgewonden. Wanneer men niet opgewonden is, bereikt men persoonlijk Nibbana.

[Gevoel]

Men begrijpt dat elke soort van gevoel vergankelijk is. Wanneer men dan een aangenaam gevoel of een pijnlijk gevoel of een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, dan voelt men het als bevrijde.

[Wijsheid en de vrede]

Iemand die deze wijsheid bezit, bezit de hoogste grondslag van de wijsheid. Zijn bevrijding die op de waarheid is gebaseerd, is onwrikbaar.

Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij hebzucht, begeerte en hevig verlangen; die zijn nu door hem overwonnen, verwijderd, zodat ze aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij toorn, kwaadwil en haat; die zijn nu door hem overwonnen, verwijderd, zodat zij aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij onwetendheid en verblinding; die zijn nu door hem opgegeven, verwijderd, zodat ze niet meer aan een toekomstig ontstaan ervan zijn onderworpen. Daarom bezit iemand die deze vrede bezit, de hoogste grondslag van de vrede. Want dit is de hoogste edele vrede, namelijk de bevrijding van begeerte, haat en verblinding.

Met betrekking hierop werd gezegd dat men wijsheid niet moet verwaarlozen, dat men de waarheid oprecht moet houden, dat men verzaking moet onderhouden, en dat men voor de vrede moet oefenen.

De stromen van de denkbeelden overstromen iemand niet meer die op deze grondvesten staat, en wanneer de stromen van de denkbeelden hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd, zo werd gezegd. En met betrekking waarop werd dit gezegd?

‘Ik ben’ is een denkbeeld; ‘ik ben dit’ is een denkbeeld; ‘ik zal zijn’ is een denkbeeld; ‘ik zal niet zijn’ is een denkbeeld; ‘ik zal bezitten’ is een denkbeeld; ‘ik zal vorm bezitten’ is een denkbeeld; ‘ik zal vormloos zijn’ is een denkbeeld’; ‘ik zal waarnemend zijn’ is een denkbeeld; ‘ik zal niet waarnemend zijn’ is een denkbeeld; ‘ik zal noch waarnemend noch niet waarnemend zijn’ is een denkbeeld. Denkbeeld is een ziekte, een gezwel, een stekel. Doordat men elk denkbeeld overschrijdt, wordt men een wijze in de vrede genoemd. En de wijze in de vrede is niet geboren, hij wordt niet ouder, sterft niet; hij wordt niet bewogen en heeft geen verlangen. Want in hem is niets meer aanwezig waardoor hij geboren zou kunnen worden. Niet geboren, hoe kan hij dan ouder worden? Niet ouder wordend, hoe kan hij dan sterven? Niet stervend, hoe kan hij dan bewogen worden? Niet bewogen, hoe kan hij dan verlangen hebben?

Met betrekking hierop werd gezegd: ‘De stromen van de denkbeelden overstromen iemand niet meer die op deze grondslagen staat, en wanneer de stromen van de denkbeelden hem niet meer overstromen, wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd.’

Dit is de korte uiteenzetting van de zes elementen.” (M.140)

Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename van de elementen.( S.14.30)

Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan.

Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.(S.14.30)

En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen aan de elementen. (Zie M.1.)

Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

Het opheffen van persoonlijkheid

In het voorgaande was te zien dat wanneer de stromen van de denkbeelden iemand niet meer overstromen, wanneer men niet meer een verkeerde visie van een “ik” heeft, dat men dan een ‘wijze in de vrede’ wordt genoemd.

In de volgende leerrede wordt gesproken over het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid leidt. Dat pad is als volgt:

Men denkt: ‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het aanrakingscontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

[Zo is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid leidt].

[Geestelijk naderen]

‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van deze ervaring niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Welnu, dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde kan maken aan dukkha, het lijden: dat is onmogelijk.

Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Welnu, dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan dukkha, het lijden: dat is onmogelijk.

‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Welnu, dat iemand die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan dukkha, het lijden: dat is mogelijk.

Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Welnu, dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan dukkha, het lijden: dat is mogelijk.

Bij een dergelijke overweging krijgt de ervaren heilige discipel een tegenzin[2] van het oog, van de vormen, van het zienbewustzijn, van ziencontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het oor, van de geluiden, van het hoorbewustzijn, van hoorcontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de neus, van de geuren, van het ruikbewustzijn, van het ruikcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de tong, van de smaken, van het smaakbewustzijn, van het smaakcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het lichaam, van de aanrakingen, van het aanrakingsbewustzijn, van het aanrakingscontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de geest, van de gedachten, van het denkbewustzijn, van het denkcontact, van het gevoel, van de dorst.

Door de tegenzin wendt hij zich ervan af. Afgewend maakt hij zich ervan vrij. Het inzicht ontstaat: ‘In de bevrijde is de bevrijding.’ ‘Opgedroogd is de geboorte, het heilige leven is volbracht, de taak is gedaan, deze wereld is niet meer,’ zo begrijpt hij dan.” (M.148 Chachakka sutta[3])

Kortom, de zintuigen zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. De zintuiglijke objecten zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. Het bewustzijn, ontstaan door contact van zintuig en object, is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het gevoel ontstaan door contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. De dorst ontstaan door het gevoel, is niet zelf, die ontstaat en vergaat. Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. - Zo weet men dan, zo ziet men in. En men hecht nergens meer aan. Wanneer men onthecht is, is men vrij.

Er is geen verschil tussen de gewone mens van de wereld, de gedisciplineerde mens die nog moet leren, de in de stroom getredene en de arahant wat betreft het gebruik van woorden in de dagelijkse betekenis ervan. Het verschil ligt in het feit dat de mens van de wereld ze als werkelijkheid beschouwt, terwijl de arahant de ware natuur ervan heeft verwerkelijkt als leeg, verstoken van een eigenheid. En daarom is de eerste eraan gehecht, en de laatste niet.

Wanneer men bij de elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen heeft begrepen overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

Tot besluit

Alles waar mensen zich aan kunnen hechten, alles wat zich in de wereld of in het bewustzijn manifesteert, - met uitzondering van Nibbana - , behoort tot een van de vijf bestanddelen van bestaan. Het realiseren van de ware aard van die bestanddelen, namelijk dat ze oorzakelijk ontstaan zijn, dat ze vergankelijk zijn en niet-zelf, is noodzakelijk voor volledige bevrijding van dukkha, het niet tevredenstellende in dit leven. Het vastklampen aan de vijf aggregaten moet worden verwijderd om bevrijding van samsara, de kringloop van bestaan, te bereiken. Door niet meer gehecht te zijn aan de vijf khandhas wordt nibbana bereikt.

-=o0o=-



[1] Bewustzijn ontstaat ten gevolge van contact van zintuig en object. (zie M.107, M.125)

[2] De heilige eigent zich niets meer toe; hij is niet van mening: ‘Dat is van mij.’ (zie M.1)

[3] vgl. M.1, Mūla pannāsakam, de wortel van alle dingen.