?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.5. Nibbana

1. Het doel, Nibbana     2. Het inzien van vergankelijkheid, niet-zelf en oorzakelijk ontstaan     3. Twee aspecten van Nibbana     4. Waar bestaat Nibbana?     5. Het stuk stof     6. Hoe bereikt men Nibbana?     6.1. Drie heilzame gedachten     6.2. De gelijkenis van het stuk hout     6.3. De vuur-toespraak     6.4. Uitwissing     6.5. Ideale eenzaamheid      6.6. Volleerd     7. Wordt Nibbana door ieder bereikt?     8. De vragen van Mettagu, de priesterdiscipel     9. Samenvatting      Geraadpleegde bronnen

1. Het doel: Nibbana

    De leer van de Boeddha is erop gericht ons te bevrijden van alles wat frustratie, leed kan brengen. Het doel van het Boeddhisme is Nibbana (Nirwana in het Sanskriet). Duidelijk heeft de Boeddha gesproken over Nibbana en ook dat wij ons er geen voorstelling van moeten maken. Want elke voorstelling ervan is verkeerd.

    Eens verbleef de Gezegende te Savatthi, in het park van Anathapindika. Bij die gelegenheid onderwees hij de monniken met een leerrede over Nibbāna. En die monniken luisterden vol aandacht en met open oren naar de leer; mentaal namen zij alles op. De woorden van de Verhevene luidden:

    “Monniken, er bestaat die toestand waarin geen aarde is noch water, noch vuur noch lucht. Daarin is noch de sfeer van [de meditatieve verdiepingen van] oneindige ruimte noch van oneindig bewustzijn noch van nietsheid noch van noch-bewust-noch-niet-bewust-zijn. Daarin is noch deze wereld noch een wereld aan gene zijde noch beide samen, noch maan en zon. Monniken, van daar is geen wording tot geboorte, zo verklaar ik. Daarheen is geen gaan (vanuit leven); daarin is geen duur; van daar is geen vallen; daar is geen ontstaan. Het is niet iets dat bevestigd is, het beweegt niet verder, het is niet op iets gebaseerd. Waarlijk, dat is het einde van lijden.”

    En hij vervolgde met de woorden: “Moeilijk is het oneindige te zien; waarheid is niet iets gemakkelijks om waar te nemen; begeerte is doorstoken door hem die weet; voor hem die ziet, blijft er niets over.”

    En verder sprak hij: “Monniken, er is een ongeboren, een niet-ontstaan, ongeschapen, niet-samengesteld iets. Monniken, indien dat ongeborene, niet-ontstane, ongeschapene, niet-samengestelde er niet was, zou een ontsnapping vanuit dit hier wat geboren, ontstaan, geschapen, samengesteld is, niet waarneembaar zijn.”

    En hij eindigde met de woorden: “Voor degene die zich vasthecht, is er wankelen; voor degene die zich niet vasthecht, is er geen wankelen. Als er geen wankelen is, is er kalmte. Als er kalmte is, is er geen zich neigen. Als er geen neiging is, is er geen komen-en-gaan (naar geboorte). Als er geen komen-en-gaan is, is er geen sterven-en-wedergeboorte. Als er geen sterven-en-weder-geboorte is, is er geen ‘hier’ of ‘ginds’ noch iets tussen die twee. Dit waarlijk is het einde van lijden.” (Ud.VIII.1-4).

    Om die ongeboren sfeer te ontdekken en aan ons mee te delen, daarom heeft de Boeddha-in-wording (Bodhisatta) gestreefd naar de Verlichting. Het doel van elke Boeddhist is te streven naar en het bereiken van Nibbāna. Er is geen ander doel.

    Bij meerderen heerst(e) de mening dat Nibbāna een ophouden, een verdwijnen van alles is. Maar dat is geenszins het geval. Nibbāna is een toestand die door iedereen verwerkelijkt kan worden. Het is het grootste geluk; het is de opperste vrede en hoogste vrijheid die er bestaat.

Wij weten nog niet uit eigen ervaring hoe de sfeer van Nibbāna is. Maar dát die sfeer bestaat, is zeker. Ze is door de Boeddha en door de Arahants verwerkelijkt. Zij zijn onze gidsen op de weg naar dat hoge doel. Door geleidelijke oefening is er vooruitgang en geleidelijk bedwingen wij dan de vele hindernissen, bedwingen wij onszelf. En dan kunnen wij in eigen persoon het geluk, de vrede en de vrijheid van Nibbāna ervaren.

Over de sfeer van dat hoge doel kan niets geschreven worden. Het is als met de geur van een bloem of de smaak van een sappige vrucht of de aanraking van fluweel of zijde. Ook zoiets kan niet in woorden worden uitgelegd. Alleen eigen ervaring kan dat leren.

    De eerwaarde monnik Nāgasena en de Griekse koning Milinda (Menandros) spraken eens over Nibbana.1 Milinda was een van de heersers over het Graeco-Indiase koninkrijk dat in de 2e eeuw v.C. afgescheiden werd van het Graeco-Bactrische koninkrijk. Hij heerste waarschijnlijk in de 1e eeuw v.C. in Noord-India van Peshawar tot Patna.2

    De koning vroeg of men Nibbana kan beschrijven.3 Het antwoord van de eerwaarde Nagasena luidde: "Vorm, gestalte, duur of grootte van Nibbana kan men niet uitleggen. Nibbana is onvergelijkbaar.

    Er bestaat de oceaan, maar men kan niet uitleggen hoeveel water zich erin bevindt of hoeveel wezens erin leven. Het is niet mogelijk het water van de oceaan te meten of de wezens die erin leven te tellen.

    Evenmin kan men iets over de vorm, duur of grootte van Nibbana zeggen.

    Er zijn de vormloze goden, maar men kan door een gelijkenis de vorm, gestalte, duur en grootte van die goden niet uitleggen.

    Evenmin kan men iets over de vorm, duur of grootte van Nibbana zeggen."

    De eerwaarde Nagasena zei verder: "Wel kan men iets over de kenmerken van Nibbana zeggen. Juist zoals de lotusbloem door het water onberoerd blijft, evenzo blijft Nibbana onbevlekt door alle hartstochten.

    Juist zoals het water koel is en de gloed dooft, evenzo is Nibbana verkoelend en dooft de gloed van alle hartstochten.

    Water stilt de dorst van uitgeputte en smachtende, door dorst en hitte gekwelde menselijke en dierlijke wezens. Evenzo stilt Nibbana de dorst van de zinnelijke begeerte, van begeerte naar bestaan en van begeerte naar zelfvernietiging.

    Juist zoals de oceaan enorm, oeverloos is en niet vol wordt ondanks alle toevloeden, evenzo is Nibbana enorm, zonder deze en andere kant, en wordt nooit vol ondanks alle wezens (die Nibbana bereiken).

    Verder is de oceaan het tehuis van machtige schepsels. Evenzo is Nibbana een oord van grote heiligen, wezens zonder smetten, bevrijd van hartstochten, begiftigd met macht, met sterke wil.

    De bergtop is onwrikbaar. Evenzo is Nibbana onwrikbaar.

    Verder kunnen op de bergtop geen kiemen meer ontstaan. Evenzo laat Nibbana geen hartstochten meer opkomen.

    erder buigt de bergtop zich niet heen en weer. Evenzo is Nibbana vrij van voorkeur en afkeer."

* * *

    Nibbana betekent letterlijk: uitdoving. Het is de uitdoving van de vuren van passies, van begeerte, afkeer en onwetendheid. Het is geen ophouden van alles.

    Nibbana wordt ook het ongevormde genoemd. "Wat nu is het ongevormde? - Het is de opdroging van begeerte, het opdrogen van afkeer, de opdroging van onwetendheid, - dat noemt men het ongevormde." (S.43.1-12)

      Het ongevormde wordt ook genoemd: het doel, het driftlose, de waarheid, het transcendente, het fijne, datgene wat heel moeilijk te zien is, datgene wat niet verwelkt, het blijvende, het onoplosbare, het onzichtbare, datgene wat niet afgezonderd is, het stille, het doodloze, het uitverkorene, het geluk, de vrede, de opdroging van de dorst, het verwonderlijke, het buitengewone, datgene wat zonder nood is, het noodloze ding, de wensloosheid, het onbenarde, het niet prikkelbare, het zuivere, de bevrijding, datgene wat zonder hechten is, het eiland, de geborgenheid, de bescherming, de toevlucht, de andere oever. (S.43.13-44)

    De leer wordt vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig. (M.22 = MN.III.2)

2. Het inzien van vergankelijkheid, niet-zelf en oorzakelijk ontstaan

    Het inzien van de waarheden van anicca, vergankelijkheid en van anatta, niet-zelf, is van groot belang voor het verwerkelijken van Nibbana. "Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

    Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

    Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.” (M.22 = MN.III.2)

    Als iemand het kwade en de wortels ervan, het goede en de wortels ervan heeft onderkend, en de opwelling van het willen heeft opgegeven, als hij de opwelling van “ikheid” heeft vernietigd en het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven een einde aan het lijden. Hij is dan een volmaakte heilige. (M.9 = MN.I.9)

    De Eerwaarde Sariputta zei eens dat hij geen enkele gedachte meer had van “ik” of “mijn”. (S.28.1-9). Hij was als volmaakte heilige volledig bevrijd van de mening “ik ben”. Hij zag alleen oorzaken en oorzakelijk ontstaan. Voor hem was er geen maat meer waarmee hij aangeduid kon worden.

    Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen. (S.12.20).

    Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet: “Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”

    Hij of zij vraagt dan ook niet: “Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

    Hij vraagt dan ook niet: “Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”

    Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38).

    Met andere woorden, wie het oorzakelijk ontstaan volledig heeft ingezien, bij wie geen enkele onwetendheid meer te vinden is, die heeft geen ego meer, geen ik-bewustzijn. Dat ik-bewustzijn heeft dan plaats gemaakt voor een zo-bewustzijn: zo is het ontstaan, zo is het vergaan. Die persoon is onvindbaar geworden. Zijn bewustzijn hecht zich nergens meer aan vast.

    Wanneer men bij de vier elementen [aarde, water, vuur en lucht] het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

    Allen die in het verleden of in de tegenwoordige tijd datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben en beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar, die hebben de dorst opgegeven.

    Degenen die de dorst hebben opgegeven, hebben de basis opgegeven, en daarmee ook het lijden. Degenen die het lijden opgeven, worden bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, worden bevrijd van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij worden bevrijd van lijden. (S.12.13; S.12.33; S.12.66)

    Het verwijderen van het verlangen en van de begeerte naar de elementen, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen. En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen aan de elementen. (Zie M.1)

    Als er bij die elementen niets aangenaams was, zouden de wezens er geen welbehagen in vinden. Als er bij die elementen niets nadeligs was, zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Als er bij die elementen geen ontkomen was, zouden de wezens er niet aan ontkomen.

    Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

    Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang is men nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan. Men is er dan nog niet van losgeraakt, is er dan nog niet van afgescheiden.

    Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen. Men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

* * *

    Er is geen “ik” dat iets doet of denkt; er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.

    Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet ik dat loslaten, mij ervan afkeren. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.

    Oorzakelijk ontstaan is alles. Niet “ik” denk of voel of zie of hoor of proef of raak aan of herinner mij; maar door oorzaken ontstaat een bewustzijn dat er denken is of voelen of horen of proeven of aanraken of dat een herinnering ontstaat. Wie oplettend is, ziet zelf dat herinneringen ontstaan, gedachten ontstaan, dat aanrakingen, smaken, geluiden, vormen ontstaan, zonder enige kern, zonder ego, zonder zelf, zonder "ik". – In het Visuddhimagga staat het met andere woorden: “lege verschijnselen rollen voort.”

    En ook bewustzijn is afhankelijk van oorzakelijke factoren. Er bestaat geen bewustzijn zonder inhoud.

    Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.

    Dit lichaam bestaat uit de vijf grote elementen [aarde, water, vuur, lucht en ruimte] en kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

    “Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. In zoverre als bewustzijn vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.

    Allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor bewustzijn, het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan bewustzijn te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor bewustzijn, hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.” (S.22.57)

    Wie zich nergens meer aan hecht, wie zich niets meer toe-eigent, wie geen voorkeur heeft naar iets of iemand, wie geen afkeer heeft van iets of iemand, wie alle onwetendheid heeft overwonnen, die heeft een bewustzijn dat niet gevestigd is. Die toestand kan men bereiken door de leer van de Boeddha na te volgen. Geef begeerte, afkeer en onwetendheid op; volg het achtvoudige pad.

    Dat niet gevestigde bewustzijn is vrij. Het is vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van onwetendheid, vrij van de mening “ik ben”. Bij het zien is alleen het zien; bij het horen is alleen het horen; bij het ruiken is alleen het ruiken; bij het proeven is alleen het proeven; bij het aanraken is alleen het aanraken; bij het denken is alleen het denken. (Zie Ud.1.10)

    Vorm is niet blijvend, is vergankelijk. Wat niet blijvend is, wat vergankelijk is, dat is vol lijden. "Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf." Gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – ze zijn niet blijvend, zijn vergankelijk. Men moet juist denken: "Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf."

    Zo ziende ondervindt een goed onderwezen edele volgeling van de Boeddha afkeer t.o.v. vorm, t.o.v. waarneming, t.o.v. formaties, t.o.v. bewustzijn. Zo laat het hem koud. Ten gevolge daarvan wordt hij bevrijd. Het weten ontstaat in de bevrijde: "Dat is bevrijding; geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd; gedaan is wat gedaan moest worden; niets meer heb ik verder te maken met wereldlijk bestaan." (S.12.70)

    Vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten en ideeën zijn een lokmiddel voor de wereld. Maar de volgeling(e) van de Boeddha heeft ze overwonnen. Hij of zij straalt als de zon. (S.4.17; M.141)


    Een godheid hoort dat de bhikkhus die in het bos wonen, de uitdrukkingen "ik" en "mijn" en "van mij" gebruiken. Zij vraagt aan de Boeddha of dit geoorloofd is. Want volgens de leer van de Boeddha is er geen zelf, geen ik. Het antwoord van de Verhevene is dat het maar conventionele uitdrukkingswijzen zijn. Het woord "ik" wordt gebruikt in plaats van de khandhā, de groepen van bestaan. De godheid vraagt dan verder of de bhikkhus nog in onwetendheid, in een waan gevangen zijn wanneer zij die uitdrukkingen van ik en mijn gebruiken. De Boeddha legt dan uit dat de volmaakte heilige vrij is van elke waan, van alle onwetendheid. (S.1.25)

    De Verhevene zei bij andere gelegenheden dat hij bevrijd is van alle boeien, zowel van hemelse als van aardse aard. (S.4.5.) Omdat hij zijn taak heeft volbracht, is hij vrij van zorgen. (S.4.13) Vormen, geluiden, smaken, geuren, aanrakingen, wat de zinnen behaagt, daarnaar koesterde hij geen verlangen meer. (S.4.15)

    "Vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn en formaties, dat ben niet ik, dat behoort mij niet toe, dat is niet van mij." Door zo te denken wordt men vrij ervan. Iemand die op deze manier vrij geworden is, rustig van gemoed, vrij van alle boeien, wordt door Maras leger nergens gevonden. (S.4.16) [m.a.w. hij is buiten het gebied van de dood gekomen].

    Waarlijk, heel gelukkig leven degenen die niets hun eigen noemen. (S.4.18)


3. Twee aspecten van Nibbana

    Nibbāna kent twee aspecten, namelijk: (1) het Nibbāna dat ondervonden wordt in samādhi tijdens het leven van de volmaakte heilige (Arahant); en (2) het uiteindelijke Nibbāna (Parinibbana) dat bereikt wordt op het einde van het leven van de heilige. Vanuit dit uiteindelijke Nibbāna kan geen verder proces van worden meer ontstaan.

    “Wie het lage en het hoge in de wereld onderzoekt, wie niet bewogen wordt door iets in de wereld, wie stil is en helder, onverstoorbaar en wensloos, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.” (Sn.V.3, vers 1048)

    Men hoeft niet bang te zijn dat men verdwijnt als er geen geboorte meer volgt. De Boeddha zei hierover: “Degene die Nibbana heeft verwerkelijkt, heeft niet het gewone bewustzijn. En het is ook niet ziekelijk. Hij is niet onbewust noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn. Voor degene die aldus geaard is, wordt de lichamelijke wereld opgeheven. Want uit het bewustzijn ontstaat de veelheidswereld in haar onderdelen.” (Sn.IV.11, vers 874)
 
    Het samengestelde bewustzijn, het bewustzijn dat zich hecht aan vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten, is de oorzaak voor wedergeboorte. Bij niet onderwezen mensen is het bewustzijn nog behept met inbezitname, grijpen, hechten. “Dat is van mij, dat behoort mij toe, dat ben ik” zo denkt men. En het bewustzijn is niet vrij. De Boeddha noemde dit: "het meervoudig bestaan."

    Maar het bewustzijn dat niet samenstelt, dat zich niet hecht aan vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten is vrij. De goed onderwezen mens ziet dat alles oorzakelijk ontstaan is, het lichamelijke (de vier elementen) en het geestelijke. “Dat alles is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat ben ik niet,” zo weet hij. En hij leeft vrij. De Boeddha noemde dit: "Het enkelvoudig bestaan."

    Eens vertoefde de Boeddha te Savatthi. Sakka, de koning van de goden, vroeg er aan de Boeddha op welke manier iemand door de vernietiging van begeerte bevrijd is. Het antwoord van de Verhevene luidde: "Wanneer iemand vernomen heeft dat niets waard is zich eraan te hechten, onderkent hij alle dingen direct. Daardoor doorschouwt hij alle dingen; daardoor beoefent hij het beschouwen van de vergankelijkheid van gevoel, hetzij aangenaam of onaangenaam of neutraal. Hij beschouwt de ontzegging, het loslaten, het beëindigen. Hij hecht aan niets in de wereld. Daardoor is hij niet opgewonden. In eigen persoon verkrijgt hij Nibbana.“ (M.37 = MN.IV.7)

        “Zij die zonder hechten zijn, vol zelfbeheersing,

        die alle boeien hebben verbroken,

        bedwongen, vrij, onverstoorbaar en wensloos,

        zij die begeerte en haat hebben opgegeven

        en ook onwetendheid en meningen,

        onzelfzuchtig, zonder wens;

        zij die geen verlangen koesteren

        naar wat dan ook in de wereld,

        naar meervoudig bestaan hier of elders;

        zij die stil werden, ontkomen aan de hartstochten,

        zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan,

        zij zijn offergaven waardig.” (Sn.III.5, verzen 490-499).


    Het Nibbāna dat reeds in dit leven verwezenlijkt kan worden, is door diegenen die het bereikt hebben, aangeprezen als een zuiver en onvervreemdbaar geluk, als de hoogste vertroosting, als de onuitsprekelijke verlichting die bestaat in het bevrijd te zijn van last en gebondenheid.

    “Er zijn twee soorten geluk, monniken, het geluk van de genietingen van de zinnen en het geluk van verzaking. En het grootste ervan is het geluk van verzaking.”

    Toen eens aan de Boeddha gevraagd werd of de Arahant na de dood bestaat of niet bestaat, weigerde hij antwoord te geven. Hij zei dat de vraag verkeerd gesteld was. Want geen enkel begrip van deze wereld is op hem van toepassing. De persoon die het hoge doel heeft bereikt, is zonder maat. Hij kan niet meer in wereldse begrippen omvat worden. Liever dan de waarheid geweld aan te doen, bewaarde de Boeddha stilzwijgen. Hij zei: “Beoefen de methode om Nibbāna te verwerkelijken. Die methode is gegeven in het edele achtvoudige pad. Beoefen ze en dan zul je zelf de waarheid ervaren.”

    En dit is dan ook de enige manier om te begrijpen wat Nibbāna is, namelijk door het zelf te verwerkelijken.

4. Waar bestaat Nibbana?

    Nibbāna is niet iets materieels, maar een geestelijke toestand. Nibbāna is een geestelijke “eenzaamheid”, een bevrijding van de geest.

    “Wie zich vrijgemaakt heeft van begeerte, afkeer en onwetendheid, die heeft deze zee met haar haaien en demonen en met het gevaar van de golven overgestoken, deze zee die zo moeilijk is over te steken. Hij is aan de andere oever aangekomen, staat op vaste grond.” (It.69).

    "Nibbāna is omschreven als een bovenwereldse staat die in dit leven reeds verwezenlijkt kan worden. Het is een toestand die vrij is van de hartstochten, maar het is niet een staat van niets-heid. Het is een blijvende zalige sfeer van bevrijding welke bevrijding het resultaat is van de volledige uitroeiing van de hartstochten. Metafysisch is Nibbāna de uitdoving van lijden; psychologisch is het de opheffing van egoïsme; ethisch is het de verwijdering van begeerte, afkeer en onwetendheid. Nibbāna heet ‘leeg’ niet omdat die sfeer nietsheid is, maar omdat die sfeer leeg is van begeerte, afkeer en onwetendheid. Nibbāna is noch een eeuwig zijn (eternalisme) noch een eeuwig niet meer zijn (nihilisme). In Nibbāna is niets eeuwig en evenmin is er iets vernietigd behalve dan de hartstochten," zo schreef de Eerwaarde Narada Thera.

    "Zoals een golfbeweging tot rust komt in een stille baai, evenzo komen begeerte, afkeer en onwetendheid tot rust in Nibbāna. Wat een afzonderlijke golf genoemd werd, houdt op te bestaan. Maar wat vernietigd wordt, is enkel de onwetendheid als zou er een afzonderlijke zelfstandige golf zijn. Door weten wordt ingezien dat van een afzonderlijke golf geen sprake was. Alleen de beweging verdwijnt. Door de opheffing van onwetendheid ontstaat weten. Bij het bereiken van Nibbāna komt men tot rust. Vernietigd, uitgedoofd wordt niets anders dan de bewegingen van begeerte, afkeer en onwetendheid, welke bewegingen oorzaak zijn voor een steeds weer egoïstisch leven. En dat laatste is lijden. De opheffing ervan is de opheffing van lijden. Wie Nibbāna verwerkelijkt, ziet in dat de woorden van de Boeddha waar zijn: “Ik leer u maar twee dingen, namelijk dat er lijden is en de opheffing van dat lijden.” Geen entiteiten, geen wezenheden, geen realiteiten worden vernietigd, maar enkel de onjuiste meningen over die zogenaamde entiteiten. Wie inziet dat niets als zelfstandig iets kan bestaan, wie ziet dat alles onwerkelijk is, die hecht zich nergens aan. Onthecht is hij vrij. En de bevrijde weet dat hem geen wedergeboorte meer te wachten staat. Hij weet heel zeker dat hij niet meer in deze wereld van onvoldaanheid en lijden terug zal keren."

    “Als de heilige in diepe, stille uren van gedachten de waarheid achterhaalt, dan is hij vrij van vreugde en van leed, en van vorm en vormloze staten eveneens. Waar water, aarde, vuur en lucht geen post vatten, daar branden geen lichtende sterren, noch schijnt er de zon. En de maan schijnt er niet met haar schitterende stralen. Maar het tehuis van de duisternis is daar niet.” (Ud.I.10).

    Koning Milinda vroeg aan de eerwaarde Nagasena of er een plaats is voor Nibbana.4 En het antwoord van de eerwaarde Nagasena luidde:

    "Er is geen plaats in het oosten, westen, noorden of zuiden, in een richting ertussen, of boven of onder ons, waar Nibbana zich bevindt. Toch bestaat Nibbana. Want de volmaakte heilige verwerkelijkt het door wijze overweging."

    "Wel is er een oord waarin de volmaakte heilige vertoeft en Nibbana verwerkelijkt. Dat oord is de deugdzaamheid. Want de volmaakte heilige verblijft vast in de deugdzaamheid en verwerkelijkt door wijs overwegen Nibbana. En het maakt dan niet uit in welk land hij zich bevindt, of ergens op een bergtop of in de Brahma-wereld.

    Juist zoals iemand met gezonde ogen vanaf elke plaats waar hij zich bevindt het uitspansel kan zien, evenzo kan degene die in deugdzaamheid gevestigd is en die wijs overweegt, als volmaakte heilige Nibbana verwerkelijken."

    Elders zei de eerwaarde Nagasena:5 "De Verhevene heeft op veel manieren het pad naar de verwerkelijking van Nibbana getoond. Maar hij heeft geen oorzaak van ontstaan ervan aangetoond. Nibbana is niet produceerbaar; daarom werd geen oorzaak van ontstaan ervan aangegeven.

    Iemand kan van hier naar de Himalaya gaan. Maar hij kan niet de Himalaya naar hier brengen. Iemand kan met een schip de oceaan oversteken en de andere oever bereiken. Maar hij kan de andere oever niet hierheen brengen.

    Juist zo kan men wel de weg naar de verwerkelijking van Nibbana aantonen, maar geen oorzaak van ontstaan ervan. En wel omdat de toestand van Nibbana niet geschapen is.

    Nibbana is ongeworden, ongevormd, niet oorzakelijk ontstaan; het is door niemand geproduceerd. Van Nibbana kan men niet zeggen dat het ontstaan is of niet ontstaan of produceerbaar, of herkenbaar voor oog, oor, neus, tong of lichaam. Maar Nibbana bestaat. Het is herkenbaar aan de geest. Met de gezuiverde, verheven, onbelemmerde, bovennatuurlijke geest ziet de volmaakte heilige het Nibbana."

5. Het stuk stof

    De weg naar het hoge doel is er niet alleen voor geleerde en intelligente mensen. Ook de minder begaafde kan de allerhoogste graad van heiligheid (arahatta) en dus Nibbāna reeds in dit leven bereiken. Dit toont het volgende voorbeeld.

    Ten tijde van de Boeddha was er een jonge monnik die helemaal niet geleerd was zoals zijn medemonniken. Zelfs na maanden kon hij de vier versregels niet opzeggen die hem door de Verhevene als oefenthema waren opgegeven. Door een van de andere monniken werd hem daarom aangeraden de Orde te verlaten. Want domoren kon de Orde niet gebruiken, zo dacht deze. Maar de jonge monnik wilde blijven streven naar het Doodloze. Onderweg ontmoette hij de Boeddha die hem een wit stukje stof gaf en de raad dat doekje in de hand te houden. Door het zweet werd dat stuk stof bevuild. Door deze ervaring en door het nadenken erover bereikte die monnik de hoogste graad van heiligheid: hij bereikte het Doodloze reeds in dit leven.

6. Hoe bereikt men Nibbana?

    Hoe bereikt men Nibbāna? Natuurlijk door het volgen van het edele achtvoudige pad. Maar de Verhevene heeft het ook anders geformuleerd:

6.1. Drie heilzame gedachten

    Gedachten van ontzegging, niet kwaadwil en niet wreedheid voeren niet tot eigen leed, noch tot leed van anderen, noch tot beider leed. Zulke gedachten bevorderen wijsheid, veroorzaken geen moeilijkheden en voeren naar Nibbana. (M.19 = MN.II.9)

    “Er zijn drie heilzame gedachten waardoor wijsheid vermeerderd wordt, waardoor weten ontstaat. Die drie heilzame gedachten voeren naar Nibbāna. Het zijn:

1) De gedachte van reinheid; het vrij zijn van de lust van de zinnen.

2) De gedachte van welwillendheid; het vrij zijn van kwaadwil.

3) De gedachte van ontzien; het vrij zijn van geweld doen.

Wie deze drie gedachten koestert, brengt zijn denken dat vroeger rondzwierf, tot rust zoals de regen het stof verwijdert. Degene in wie het denken tot rust kwam, heeft reeds in dit leven de plaats van de Vrede bereikt.” (It.87).

6.2. De gelijkenis van het stuk hout

    In de gelijkenis van het stuk hout benadrukt de Boeddha dat men de middenweg moet bewandelen om tot Nibbāna te komen.

    Eens zag de Verhevene een stuk hout in een rivier drijven. En naar aanleiding daarvan sprak hij de gelijkenis: “Als men niet toestaat dat men naar een van beide oevers gedreven wordt, als men niet zinkt in het midden van de stroom noch op droog land wordt geworpen, als men niet door mensen of geesten gegrepen wordt noch door een draaikolk omlaag wordt getrokken, en als men van binnen niet verrot, dan voert de stroom iemand naar Nibbāna en dan zal vrijheid bereikt worden. Want juist begrip leidt naar bevrijding.

    Wat nu is de betekenis hiervan? - De ene oever betekent: de zes innerlijke en subjectieve grondslagen van ons geestelijk leven. De andere oever doelt op de zes uitwendige of objectieve grondslagen. Het zinken in het midden van de stroom heeft betrekking op het feit dat men door de genietingen van de zintuigen wordt verzwolgen. Op droog land te worden geworpen wijst naar de hindernis waardoor vooruitgang belemmerd wordt. Die hindernis bestaat uit hoogmoed en eigendunk. Door mensen gegrepen te worden betekent: al zijn tijd te besteden in en voor de gemeenschap, bezig met van alles behalve met de eigen ontwikkeling. Door geesten gegrepen te worden betekent: een deugdzaam en religieus leven te leiden, hoofdzakelijk in de hoop als resultaat van de verdienste herboren te worden in een hemelse sfeer. Door een draaikolk omlaag getrokken duidt op het hechten aan het voortzetten van de genietingen in de wereld. Inwendig verrotten doelt op immoreel gedrag, huichelarij, voorwendende goed en deugdzaam te zijn maar inwendig vol verdorvenheid.

    Nibbāna is het einde van de stroom, waar geen strijd meer nodig is om beide oevers niet te raken en om de andere belemmeringen te ontgaan. Nibbāna is het ongeborene, ongeschapene; het is de bevrijding van lijden.”6

    Wie Nibbāna reeds in dit leven verwerkelijkt heeft, ondervindt hier de volgende zegeningen: Hij of zij heeft een gemoed dat niet door de grillen van het leven wordt bewogen. Hij of zij is vrij van verdriet, is bevrijd van de smetten en is vrij van angst, is vol vrede.

6.3. De vuurtoespraak

    Van Uruvela ging de Verhevene samen met 1000 bhikkhus naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Daar onderwees hij de monniken met de Vuurtoespraak.

    “Monniken, alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. De betekenis hiervan nu is als volgt. Het oog staat in brand; vormen staan in brand. In brand staat het oog-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm. In brand staat oog-contact; dit is het samenvallen van oog, vorm en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    Het oor staat in brand; geluiden staan in brand. In brand staat het oor-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid. In brand staat oor-contact; dit is het samenvallen van oor, geluid en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    De neus staat in brand; geuren staan in brand. In brand staat het neus-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van neus en geuren. In brand staat neus-contact; dit is het samenvallen van neus, geluiden en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    De tong staat in brand; smaken staan in brand. In brand staat het tong-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaken. In brand staat tong-contact; dit is het samenvallen van tong, smaken en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    Het lichaam staat in brand; aanrakingen staan in brand. In brand staat het lichaam-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingen. In brand staat lichaam-contact; dit is het samenvallen van lichaam, aanraking en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    De geest staat in brand; gedachten staan in brand. In brand staat het geest-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van geest en gedachten. In brand staat geest-contact; dit is het samenvallen van geest, gedachten en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van onwetendheid. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    Monniken, wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft gehoord, aldus ziet, dan vindt hij vervreemding in het oog en dan vindt hij vervreemding in vormen. Hij vindt vervreemding in oog-bewustzijn; hij vindt vervreemding in oog-contact; en ook vindt hij vervreemding in alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    En evenzo vindt hij vervreemding in het oor, in geluiden, in oor-bewustzijn, in oor-contact en in het gevoel dat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde.

    Hij vindt vervreemding in de neus, in geuren, in neus-bewustzijn, in neus-contact en in het gevoel dat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde.

    Hij vindt vervreemding in de tong, in smaken, in tong-bewustzijn, in tong-contact en in het gevoel dat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde.

    Hij vindt vervreemding in het lichaam, in aanrakingen, in lichaam-bewustzijn, in lichaam-contact en in het gevoel dat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde.

Hij vindt vervreemding in de geest, in gedachten en ideeën, in geest-bewustzijn, in geest-contact en in het gevoel dat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde.

    Kortom, wanneer een edele volgeling de waarheid ziet, dan vindt hij vervreemding in de zintuigen en in de erbij behorende objecten. Hij vindt vervreemding in zintuig-bewustzijn, het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijhorend object. Hij vindt vervreemding in alwat ontstaat met zintuig-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

    Wanneer hij vervreemding vindt, sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Met het geleidelijk afsterven van hartstocht is hij bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, is er de kennis, het weten dát hij bevrijd is. Hij begrijpt dat zijn taak is volbracht. ‘Geboorte is uitgedoofd; het heilige leven is geleefd. Er gaat niets meer boven dit uit.’ Zo beseft hij dan.”

    Aldus sprak de Verhevene. De monniken waren blij en verheugden zich over zijn woorden. Gedurende deze toespraak werden de harten van al die monniken bevrijd van de smetten. Zij hechtten zich nergens meer aan. Allen waren volmaakte heiligen geworden. De vuren van hun passies, van begeerte, afkeer en onwetendheid waren definitief uitgedoofd. (S.XXXV.28).

    Hier is een duidelijke omschrijving van Nibbāna reeds in dit leven. De uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Ze bestaat in het doven van het vuur van verlangen naar iets of het vuur van afkeer van iets. Door het opheffen van alle onwetendheid komt de waarheid in ons aan het licht. Er is dan het weten dat er geen "ik" is En er is het inzicht dat er geen enkele reden is om ons ergens aan te hechten: alles is immers veranderlijk, vergankelijk, veroorzaakt, niet alleen ‘het andere’ maar ook wijzelf. 

6.4. Uitwissing

    Hoe men Nibbāna kan bereiken zonder veel meditatie, maar door een juiste levenswijze, toont de leerrede over uitwissing. 

    Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster. Daar gaf hij aan de Eerwaarde Cunda het volgende onderricht: “Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in een van de vier meditatieve verdiepingen en dat hij dan denkt: ‘Ik vertoef in uitwissing.’ Maar dat is niet zo. In de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

    Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in de meditatieve verdieping van oneindige ruimte, oneindig bewustzijn, de sfeer van nietsheid of de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. Hij kan dan denken: ‘Ik vertoef in uitwissing.’ Maar dat is niet zo. In de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

    Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden:

1.    Anderen kunnen kwaad doen, maar wij zullen argeloos worden en geen kwaad doen.

2.    Anderen kunnen levende wezens doden, maar wij zullen afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

3.    Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar wij zullen afzien van het nemen wat niet is gegeven.

4.    Anderen kunnen onkuis leven, maar wij zullen kuis leven.

5.    Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar wij zullen afzien van valse getuigenis en van liegen.

6.    Anderen kunnen lasteren, maar wij zullen afzien van lasterpraat.

7.    Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar wij zullen afzien van het gebruik van ruwe taal.

8.    Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar wij zullen afzien van geroddel.

9.    Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar wij zullen niet hebzuchtig zijn.

10. Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar wij zullen geen gedachten van kwaadwil hebben.

11. Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar wij zullen juiste visies hebben.

12. Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar wij zullen juiste bedoelingen hebben.

13. Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar wij zullen juiste taal gebruiken.

14. Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar wij zullen juiste daden verrichten.

15. Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar wij zullen een juist levensonderhoud hebben.

16. Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar wij zullen juiste inspanning doen.

17. Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar wij zullen juiste oplettendheid hebben.

18. Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar wij zullen juiste concentratie hebben

19. Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar wij zullen juiste kennis en juist weten hebben.

20. Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar wij zullen juiste bevrijding hebben.

21. Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar wij zullen vrij zijn van traagheid en starheid.

22. Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar wij zullen niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

23. Anderen kunnen twijfelen, maar wij zullen vrij zijn van twijfel.

24. Anderen kunnen boos zijn, maar wij zullen niet boos zijn.

25. Anderen kunnen vijandig zijn, maar wij zullen niet vijandig zijn.

26. Anderen kunnen kleineren en verachten, maar wij zullen niet kleineren en niet verachten.

27. Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar wij zullen niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

28. Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar wij zullen niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

29. Anderen kunnen jaloers zijn, maar wij zullen niet jaloers zijn.

30. Anderen kunnen bedriegen, maar wij zullen niet bedriegen.

31. Anderen kunnen huichelaars zijn, maar wij zullen geen huichelaars zijn.

32. Anderen kunnen koppig zijn, maar wij zullen niet koppig zijn en niet verstokt.

33. Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar wij zullen niet hoogmoedig zijn.

34. Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar wij zullen gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

35. Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar wij zullen edele vrienden hebben.

36. Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar wij zullen oplettend en achtzaam zijn.

37. Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar wij zullen betrouwbaar zijn.

38. Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar wij zullen vol schaamte zijn.

39. Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar wij zullen gewetensvol zijn.

40. Anderen kunnen zonder leren zijn, maar wij zullen veel leren.

41. Anderen kunnen lui zijn, maar wij zullen energiek zijn.

42. Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar wij zullen gevestigd zijn in oplettendheid.

43. Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar wij zullen begiftigd zijn met wijsheid.

44. Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, zij kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar wij zullen geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, wij zullen daar niet vast aan houden en zullen het met gemak verwerpen.

    Zó moet uitwissing geoefend worden.” (M.8 = MN.I.8)

    Deze leerrede kan kort samengevat worden met de volgende woorden:

Anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar wij zullen vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Hierin moet uitwissing geoefend worden.

6.5. Ideale eenzaamheid

    Nibbāna is een geestelijke eenzaamheid, een vertoeven zonder begeerte als metgezel. Hoe geestelijke eenzaamheid verkregen wordt, is uiteengezet in de toespraak over ideale eenzaamheid.

    Eens woonde de Verhevene te Sāvatthi in het klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken als volgt toe: “Monniken, ik zal jullie de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid. Luistert oplettend. 

    Laat men niet het verleden nog eens opsporen

    of smachten naar de toekomst;

    wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,

    nog niet bereikt is wat nog moet komen.

    Maar wat thans is, neemt hij waar,

    met inzicht, zoals en wanneer het komt.

    In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,

    in die staat moet de wijze groeien.

    Vandaag nog moet men zich beijveren,

    morgen kan de dood al komen - wie weet?

    Want geen afspraak kunnen we maken

    met de dood en zijn machtige heerscharen.

    Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,

    overdag en 's nachts, onvermoeibaar,

    hij is door de Stille Wijze genoemd:

    ‘de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

    En hoe, monniken, spoort iemand het verleden nog eens op? Hij denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘ Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Zo spoort men het verleden nog eens op.

    En monniken, hoe spoort men het verleden niet meer op? Hij denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Zo spoort men het verleden niet meer op.

    En hoe, monniken, smacht men naar de toekomst? Hij denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Zo smacht men naar de toekomst.

    En monniken, hoe smacht men niet naar de toekomst? Hij denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Zo smacht men niet naar de toekomst.

    En hoe is men gericht naar het heden? Monniken, een niet-onderricht gewoon mens die geen rekening houdt met de edelen, is onbekwaam in de leer van de edelen, is ongeoefend in de leer van de edelen. Hij houdt geen rekening met de goede lieden, hij is onbekwaam in de leer van de goede lieden, is ongeoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men gericht naar het heden. 

    En hoe, monniken, is men niet gericht naar het heden? Monniken, een onderricht edele volgeling die rekening houdt met de edelen, is bedreven in de leer van de edelen, geoefend in de leer van de edelen. Hij houdt rekening met de goede lieden, hij is bedreven in de leer van de goede lieden, is geoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet niet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet niet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men niet gericht naar het heden.

    ‘Laat men niet het verleden nog eens opsporen

    of smachten naar de toekomst;

    wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,

    nog niet bereikt is wat nog moet komen.

    Maar wat thans is, neemt hij waar,

    met inzicht, zoals en wanneer het komt.

    In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,

    in die staat moet de wijze groeien.

    Vandaag nog moet men zich beijveren,

    morgen kan de dood al komen - wie weet?

    Want geen afspraak kunnen we maken

    met de dood en z'n machtige heerscharen.

    Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,

    overdag en ‘s nachts, onvermoeibaar,

    hij is door de Stille Wijze genoemd:

    'de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

    Met betrekking hierop is gezegd: ‘Monniken, ik zal u de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid.’”

    Aldus sprak de Verhevene. Vol vreugde verblijdden zich de monniken over de woorden van de Verhevene. (M.131 = MN.XIV.1)

    Met andere woorden, men kan aan het verleden of aan de toekomst denken, maar men moet niet gehecht zijn aan die gedachten. En men moet de leer van niet-zelf goed inzien.

6.6. Volleerd

    Iemand die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op drie manieren, die persoon heet: ‘volleerd7 in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, 'superman'.

En hoe is men bekwaam in de zeven punten?

1. Men begrijpt volledig vorm, gevoel, waarneming, geestelijke activiteiten en bewustzijn.

2. Men begrijpt volledig het ontstaan ervan.

3. Men begrijpt volledig het beëindigen ervan.

4. En men begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging ervan.

5. Men begrijpt volledig de voldoening die er in vorm, gevoelens, waarneming, geestelijke activiteiten en bewustzijn is.

6. Men begrijpt volledig het lijden dat er in vorm, gevoelens, waarneming, geestelijke activiteiten en bewustzijn is.

7. En men begrijpt volledig de ontsnapping eraan.

6.1. Vorm

    En wat is vorm? - Het zijn de vier grote elementen en de vorm die afhankelijk is van de vier grote elementen. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm; van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm. En het pad dat voert naar het beëindigen van vorm is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.8

    Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, dat is de voldoening die er in vorm is. In zoverre als vorm vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in vorm is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm zijn, dat is de ontsnapping aan vorm.

    Allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in vorm is, die het lijden begrijpen dat er in vorm is en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor vorm, het zich losmaken van vorm, en het ophouden van vorm, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan vorm te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor vorm, hun zich losmaken van vorm en hun ophouden van vorm bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

6.2. Gevoel

    En wat is gevoel? - Er zijn deze zes indelingen van gevoel, namelijk: gevoel dat geboren is uit contact met het oog, gevoel dat geboren is uit contact met het oor, gevoel dat geboren is uit contact met de neus, gevoel dat geboren is uit contact met de tong, gevoel dat geboren is uit contact met het lichaam, en gevoel dat geboren is uit contact met de geest. Dit heet gevoel.

    Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van gevoel; van het beëindigen van contact is het beëindigen van gevoel. En het pad dat voert naar het beëindigen van gevoel is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

    Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege gevoel, dat is de voldoening die er in gevoel is. In zoverre als gevoel vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in gevoel is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in gevoel zijn, dat is de ontsnapping aan gevoel.

    Allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in gevoel is, die het lijden begrijpen dat er in gevoel is en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor gevoel, het zich losmaken van gevoel en het ophouden van gevoel, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan gevoel te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor gevoel, hun zich losmaken van gevoel en hun ophouden van gevoel bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

6.3. Waarneming

    En wat is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.

    Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van waarneming; van het beëindigen van contact is het beëindigen van waarneming. En het pad dat voert naar het beëindigen van waarneming is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

    Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege waarneming, dat is de voldoening die er in waarneming is. In zoverre als waarneming vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in waarneming is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in waarneming zijn, dat is de ontsnapping aan waarneming.

    Allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in waarneming is, die het lijden begrijpen dat er in waarneming is en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor waarneming, het zich losmaken van waarneming en het ophouden van waarneming, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan waarneming te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor waarneming, hun zich losmaken van waarneming en hun ophouden van waarneming bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

6.4. Geestelijke activiteiten

    En wat zijn geestelijke activiteiten? - Er zijn deze zes indelingen van geestelijke activiteiten, namelijk: de geestelijke activiteit van vormen, de geestelijke activiteit van geluiden, de geestelijke activiteit van geuren, de geestelijke activiteit van smaken, de geestelijke activiteit van aanrakingen en de geestelijke activiteit van gedachten en ideeën. Dit heet geestelijke activiteiten. Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van geestelijke activiteiten; van het beëindigen van contact is het beëindigen van geestelijke activiteiten. En het pad dat voert naar het beëindigen van geestelijke activiteiten is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

    Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege geestelijke activiteiten, dat is de voldoening die er in geestelijke activiteiten is. In zoverre als geestelijke activiteiten vergankelijk zijn, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in geestelijke activiteiten is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in geestelijke activiteiten zijn, dat is de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

    Allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, aldegenen die aldus de voldoening begrijpen die er in geestelijke activiteiten is, die het lijden begrijpen dat er in geestelijke activiteiten is en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor geestelijke activiteiten, het zich losmaken van geestelijke activiteiten en het ophouden van geestelijke activiteiten, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan geestelijke activiteiten te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor geestelijke activiteiten, hun zich losmaken van geestelijke activiteiten en hun ophouden van geestelijke activiteiten bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
 

6.5. Bewustzijn

    En wat is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van naam en vorm komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van naam en vorm is het beëindigen van bewustzijn. En het pad dat voert naar het beëindigen van bewustzijn is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

    Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. In zoverre als bewustzijn vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.

    Allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor bewustzijn, het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

    Zij zijn, zonder zich aan bewustzijn te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor bewustzijn, hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen maat waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.9

    Als een vorm genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met vorm als steun, met vorm als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.10 

    Als gevoelens genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met gevoelens als steun, met gevoelens als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

    Als waarneming genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met waarneming als steun, met waarneming als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

    Als geestelijke formaties genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met geestelijke formaties als steun, met geestelijke formaties als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

    Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.11 

    Als verlangen naar het gebruik van vorm is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Als verlangen naar het gebruik van bewustzijn is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, omdat het niet groeit en niet samenstelt. Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan.12 Zo is degene die nadert, niet bevrijd, en zo is degene die niet nadert, bevrijd.13

7. Wordt Nibbana door ieder bereikt?

    Eens vroeg een brahmaan aan de Boeddha: “Heer, bereiken alle leerlingen van Gotama het uiterste doel, Nibbāna, of bereiken sommigen het doel niet?” – “Brahmaan, sommigen van mijn leerlingen bereiken Nibbāna wel, anderen bereiken dat doel niet. Na door mij te zijn aangespoord en aldus te zijn geïnstrueerd, bereiken sommigen van mijn leerlingen het uiterste doel, Nibbāna, wel en anderen bereiken het niet.”

    “Aangezien Nibbāna bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien de goede Gotama bestaat als raadgever, wat is dan de oorzaak, wat is de reden dat sommigen van de goede leerlingen, na te zijn aangespoord en geïnstrueerd, dat doel niet bereiken en anderen wel?”

    “Welnu, brahmaan, ik zal je vragen stellen en jij moet dan maar antwoorden zoals het je goed dunkt. Ben je goed bekend met de weg die naar Rājagaha voert?” – “Ja, Heer, ik ben er goed mee bekend.” – “Wat denk je dan, als nu een man hierheen kwam en de weg naar Rājagaha wilde weten, en hij vroeg die weg aan jou, dan zou je zeggen: ‘Deze weg hier gaat naar Rājagaha, volg die weg een poosje tot je een dorp ziet. Ga dan een poosje verder tot je een marktplaats ziet. Ga dan nog iets verder en je zult Rājagaha zien met zijn verrukkelijke parken, bossen, velden en vijvers.’

      Maar hoewel hij aldus door jou is aangespoord en geïnstrueerd, nam hij de verkeerde weg. Een andere man kan komen en de weg naar Rājagaha vragen. En je wijst hem op dezelfde manier de weg. Die man bereikt dan wel Rājagaha veilig. Wat is de oorzaak, wat is de reden dat, aangezien Rājagaha bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien jij bestaat als raadgever, de een niet aankomt en de ander wel?”

    “Heer, wat kan ik eraan doen, ik wijs alleen maar de weg.”

    “Brahmaan, evenzo bestaat Nibbāna, bestaat de weg ernaar toe en besta ik als raadgever. Maar sommigen van mijn volgelingen, aldus door mij aangespoord en geïnstrueerd, bereiken wel het onveranderlijke doel, Nibbāna, en sommigen bereiken het niet. Wat kan ik doen in dit geval? Ik wijs alleen de weg.” (M.107 = MN.XI.7)

8. De vragen van Mettagu, de priesterdiscipel

Mettagu:
    “Waaruit is dit lijden hier ontstaan, dit lijden dat in zo menigvuldige vormen voorkomt?”

De Verhevene:
    “Het lijden ontstaat, veroorzaakt door de groepen van bestaan.14 Alwie, uit onwetendheid, voor zich groepen van bestaan schept, geraakt steeds weer opnieuw in lijden. Wie dit inziet, wie geboorte en de oorsprong van het lijden ziet, moet daarom geen nieuwe groepen van bestaan meer scheppen.”

Mettagu:
    “Op welke manier overschrijden wijze mensen de vloed:15 geboorte en ouderdom, zorg en leed?”

De Verhevene:
    “Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming.16 Kom het bewustzijn17 te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”

9. Samenvatting

    Nibbāna is een geestelijke toestand van vrede, geluk en vrijheid die niet in woorden is uit te drukken. Wat dit betreft moeten wij vertrouwen op de mededelingen van degenen die ons zijn voorgegaan: de Boeddha en de Arahants. Reeds in dit leven kan die toestand van Nibbāna ervaren worden en niet alleen door monniken en nonnen, maar ook door leken. Hoe die toestand na de dood is, is evenmin in woorden te vatten. Hij gaat alle beschrijvingen te boven. Erover nadenken heeft geen zin; dat is ook niet goed voor de geestelijke gezondheid: zo’n nadenken kan leiden tot waanzin. Beter is het de aangegeven weg naar dat doel te begaan.

    De weg naar Nibbāna kan men o.a. gaan door inzicht-meditatie. Wie ten volle heeft ingezien dat alles onvoldaan is, dat er geen zelfstandig iets is, dat alles onderling afhankelijk is, dat alles vergankelijk en veranderlijk is, die hecht zich nergens meer aan. En onthecht is men vrij. Maar ook kan men zich oefenen vrij te zijn van verkeerde wilsacties in daden, woorden en gedachten.

    Nibbāna is niet een ophouden, verdwijnen van alles. Degene die Nibbāna reeds in dit leven verwerkelijkt, bestaat wel nog. Maar hij of zij is zonder maat. Geen enkel werelds begrip is op hem of haar van toepassing. Hij of zij is vrij van begeerte naar iets en vrij van afkeer van iets. Het verleden is voorbij, de toekomst is er nog niet. Het heden is voldoende voor hem of haar. Het gemoed van de volmaakte heilige is volkomen tot rust gekomen. Een groter geluk dan deze toestand is er niet.
 

    “Nibbāna is duidelijk zichtbaar, onmiddellijk werkzaam, begrijpelijk voor de wijze.

    Degene die overmand is door begeerte, afkeer en onwetendheid, wiens geest verstrikt is, die persoon streeft naar eigen schade, naar die van anderen. Hij heeft geestelijk pijn en leed.

    Maar wanneer de begeerte, de afkeer en de onwetendheid zijn opgeheven, dan streeft hij niet naar eigen schade noch naar die van anderen. Hij heeft geen geestelijk lijden en leed. In zoverre is Nibbāna duidelijk zichtbaar.

    In zoverre men de restloze uitdoving van de begeerte ondervindt, in zoverre men de restloze uitdoving van de afkeer ondervindt, in zoverre men de restloze uitdoving van de onwetendheid ondervindt, in zoverre is Nibbāna zichtbaar hier en nu.” (A.III.56).

 
    "Wie onlust en lust heeft opgegeven en volledig de gedachten die aan het leven in huis hangen; wie naar niets meer verlangt, wie geen neigingen meer heeft, die is een bhikkhu. Alles wat een vorm heeft in de wereld, op aarde of in de lucht, dat alles vergaat, is vergankelijk. De mensen hangen aan de levensgoederen, aan datgene wat gezien en gehoord is, aan datgene waarmee zij in contact komen, en wat zij denken.

    Wie aan de zes zintuigen hangt, hij zit nog in de onwaarheid van de gewone mens. Maar wie het verlangen heeft opgegeven, wie vrij is van wensen, wie nergens aan hecht, hem noemt men een wijze. Hij is de weg naar de vrede gegaan; hij heeft deel aan de bevrijding." [Hij heeft Nibbana al in dit leven bereikt]. (S.8.2).

    Onzeker zijn de zinnelijke genietingen. Wie van de boeien bevrijd is, hecht aan niets meer. Door het ter zijde leggen van wens en begeerte, door overwinning van onwetendheid, is zijn inzicht gezuiverd. (S.9.2)

 
    Als wij het betrekkelijke van alles inzien, dan worden wij minder bij iets betrokken. Wij trekken het ons niet meer persoonlijk aan. En dan worden wij vrijer in handelen en denken.

    Om het met de woorden van de heer Paul van Hooydonck18 te zeggen:

            "Als je een beetje loslaat

            ervaar je een beetje vrede.

            Als je veel loslaat

            ervaar je veel vrede.

            Als je volledig loslaat

            ervaar je volledige vrede."

    "Wij hoeven geen angst te hebben dat ons leven droog en kleurloos wordt na het overwinnen van de geestelijke onzuiverheden. De volledige vrijheid van begeerte maakt het denken en handelen niet onmogelijk. Integendeel, men staat dan als overwinnaar boven de dingen. Niets en niemand kan ons dan nog storen. Dat is echt geluk." (Buddhadasa Bhikkhu)

    De bedwongen geest is als een schijnwerper die in alle richtingen kan draaien. Het licht ervan schijnt op alles, maar het hecht zich nergens aan, het eigent zich niets toe. Evenzo is het bevrijde gemoed, het bevrijde bewustzijn. Het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. (M.49 = MN.V.9)

    De leer van de Boeddha is een middel om de geest te bedwingen en om die vrijheid van geest te verkrijgen.

            “Wie elk oord van bestaan heeft begrepen,

            wie naar geen ervan verlangen koestert,

            wie vrij is van begeerte en zonder wens,

            hij of zij hoeft niet meer te strijden:

            aangekomen is die persoon aan de oever.” 

            (Sn.I.12, vers 210).

naar boven




Geraadpleegde bronnen


Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a.


Dahlke, Paul: Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Übers. von Paul Dahlke. Wiesbaden : Fourier, [s.a.]


Dhammananda, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988.


'The Discours on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8,’ in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy: BPS, 1964, The Wheel Publication 61/62, p. 30-42.


Horner, I.B. (tr.): Milinda's Questions. Vol. I & II. (repr.) - Oxford: PTS, 1990 & 1991. (Sacred books of the Buddhists, Vol. XXII & Vol. XXIII). (1st ed. 1963 & 1964).


Horner, I.B. (Transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy : BPS, 1974, The Wheel No. 198.


Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.


Ireland, John D. (tr.): The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy : BPS, 1991.


Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).


Ñânananda, Bhikkhu (transl.): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Kandy : BPS, 1972, The Wheel No. 183/185.


Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 188, p. 19-22.


Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).


Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden: Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).


Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.


Nyânaponika Thera (Ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy : BPS, 1964, The Wheel No. 61/62, p. 1-29.


Nyanaponika Thera (comp. & tr.): The Five Mental Hindrances and their Conquest. Selected Texts from the Pali Canon and the Commentaries. (repr.) - Kandy : BPS, 1973, The Wheel No. 26. (1st ed. Colombo 1947)


Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).


Nyanasatta Thera: Two Buddhist Parables. Bodhi Leaves, A-serie nr. 3.


Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.


Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).


Perera, T.H.: The Four Cankers (Āsavas). Kandy : BPS, 1967, Bodhi Leaves No. B 35.


Seidenstücker, Karl (übers.): Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]


The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.


Vatthupama-Sutta, M.7, in: Nyânaponika Thera: The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Edited by Nyânaponika Thera. Kandy : BPS, 1964, The Wheel No. 61/62, p. 1-29.


Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).


http://www.palikanon.com/diverses/milinda/milin_idx.html


http://www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html


http://www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html




1 Zie het Milindapanha.

2 Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden 1983, p. 110-111.

3 Mil. 4.8.11. (o.a. in: (http://www.palikanon.com/diverses/milinda/milinda08d.htm#mil4_8_11)

4 Mil. 4.8.13

5 Mil. 4.7.5 (5.2.5).

6 Uit: Nyanasatta Thera: Two Buddhist Parables. Bodhi Leaves, A-serie nr. 3.

7 Volleerd (kevalī) = iemand die alleen leeft. Het heeft betrekking op het niet verwikkeld zijn in naam en vorm van de heilige. Hij heeft een einde gemaakt aan naam en vorm (Sn.III.6, vers 537) en die combinatie wordt niet langer overdacht of is niet meer openbaar in zijn bewustzijn.

8 Zie ook S.12.27-28.

9 S.22.57.

10 Elk van de vijf aggregaten fungeert als steun of basis voor bewustzijn. Zij worden soms ‘verblijfplaatsen voor bewustzijn’ genoemd.

11 Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.

12 Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.

13 S.22.53; zie ook M.38 en M.109.

14 Groepen van bestaan, namelijk:

a) De vijfvoudige indeling: lichamelijkheid, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties, bewustzijn.

b) De tweevoudige indeling: nama-rupa: geestlichamelijkheid.

c) De drievoudige indeling: bewustzijn, geestelijke factoren, lichamelijkheid.

Wat als individueel bestaan beschouwd wordt, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van die geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Deze vijf groepen echter tonen noch apart noch collectief een zelfstandig, op zichzelf bestaan iets (atta), noch is er een zelfstandig iets te vinden afzonderlijk van die groepen. Deze vijf groepen vormen een abstracte rangschikking maar ze hebben geen werkelijk bestaan als vijf volledige groepen. Er kan maar één vertegenwoordiger van deze groepen ontstaan met een staat van bewustzijn. Bijvoorbeeld,met eenzelfde eenheid van bewustzijn kan slechts één enkele soort van gevoelens (vreugde of verdriet) verbonden worden en nooit meer dan één. Evenzo kunnen geen twee verschillende gewaarwordingen op hetzelfde moment ontstaan. Ook van de diverse soorten bewustzijn kan slechts één tegelijk aanwezig zijn. (Zie: Buddhist Dictionary, p. 99-104)

15 De vloed: er worden vier typen van vloed onderscheiden: 1) zintuiglijke verlangens; 2) worden; 3) meningen; 4) onwetendheid. (Ñânananda, Bhikkhu (transl.): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Kandy 1972, The Wheel No. 183/185, voetnoot 1 op pag. 56).

16 Gewoontevorming: dit is vooral het zich gewennen aan meningen; maar het is ook gewoonte, het 'woning-nemen' van de geest.

17 Bewustzijn: het kamma-producerende bewustzijn.

18 Ehipassiko Boeddhistisch Centrum, Deurne.


naar boven