Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.3.5. Diverse teksten verband houdende met heiligheid

1. De vuur-toespraak     2. Vier soorten van edele personen     3. Uit het zicht van het kwaad     4. De onbedwongen en de bedwongen geest     5. Geleidelijke oefening in het temmen van de geest     6. Vredig en stralend      7. De wortel van alle dingen     8. ideale eenzaamheid


9.3.5. Diverse teksten verband houdende met heiligheid



1. De vuur-toespraak

 

      Van Uruvela ging de Verhevene samen met 1000 bhikkhus naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Daar onderwees hij de monniken met de Vuur- toespraak.

     

      “Monniken, alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. De betekenis hiervan nu is als volgt. Het oog staat in brand; vormen staan in brand. In brand staat het oog-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm. In brand staat oog-contact; dit is het samenvallen van oog, vorm en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Het oor staat in brand; geluiden staan in brand. In brand staat het oor-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid. In brand staat oor-contact; dit is het samenvallen van oor, geluid en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De neus staat in brand; geuren staan in brand. In brand staat het neus-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van neus en geuren. In brand staat neus-contact; dit is het samenvallen van neus, geluiden en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De tong staat in brand; smaken staan in brand. In brand staat het tong-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaken. In brand staat tong-contact; dit is het samenvallen van tong, smaken en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Het lichaam staat in brand; aanrakingen staan in brand. In brand staat het lichaam-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingen. In brand staat lichaam-contact; dit is het samenvallen van lichaam, aanraking en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De geest staat in brand; gedachten staan in brand. In brand staat het geest-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van geest en gedachten. In brand staat geest-contact; dit is het samenvallen van geest, gedachten en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Monniken, wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft gehoord, aldus ziet, dan vindt hij vervreemding in het oog en dan vindt hij vervreemding in vormen. Hij vindt vervreemding in oog-bewustzijn; hij vindt vervreemding in oog-contact; en ook vindt hij vervreemding in alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En evenzo vindt hij vervreemding in het oor, in geluiden, in oor-bewustzijn, in oor-contact en in het gevoel dat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de neus, in geuren, in neus-bewustzijn, in neus-contact en in het gevoel dat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de tong, in smaken, in tong-bewustzijn, in tong-contact en in het gevoel dat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in het lichaam, in aanrakingen, in lichaam-bewustzijn, in lichaam-contact en in het gevoel dat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de geest, in gedachten en ideeën, in geest-bewustzijn, in geest-contact en in het gevoel dat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde.

     

      Kortom, wanneer een edele volgeling de waarheid ziet, dan vindt hij vervreemding in de zintuigen en in de erbij behorende objecten. Hij vindt vervreemding in zintuig-bewustzijn, het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijhorend object. Hij vindt vervreemding in alwat ontstaat met zintuig-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      Wanneer hij vervreemding vindt, sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Met het geleidelijk afsterven van hartstocht is hij bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, is er de kennis, het weten dát hij bevrijd is. Hij begrijpt dat zijn taak is volbracht. ‘Geboorte is uitgedoofd; het heilige leven is geleefd. Er gaat niets meer boven dit uit.’ Zo beseft hij dan.”

 

      Aldus sprak de Verhevene. De monniken waren blij en verheugden zich over zijn woorden. Gedurende deze toespraak werden de harten van al die monniken bevrijd van de smetten. Zij hechtten zich nergens meer aan. Allen waren heiligen geworden. De vuren van hun passies, van begeerte, afkeer en illusie waren definitief uitgedoofd.28


2. Vier soorten van edele personen


Over de acht soorten heiligen, de vier soorten van edele personen sprak de Boeddha ook in het Culasihanada sutta (M.11 = MN.II.1)


Alleen hier [in de leer van de Boeddha] bestaan de vier soorten van edele personen [namelijk stroomingetredenen, eenmaal wederkerenden, niet meer wederkerenden en arahants]. Andere leerstellingen zijn leeg van ware edele mensen.

Waarom alleen hier? – Wel, zij hebben de volgende vier dingen: 1. vertrouwen in de leraar; 2. vertrouwen wat betreft de Dhamma; 3. vervulling van de oefening van deugdzaamheid; 4. de medevolgelingen in de Dhamma, hetzij leken hetzij monniken en nonnen, zijn hen lief en aangenaam.

Het doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van begeerte, vrij van haat, en vrij van onwetendheid. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan begeerte, aan haat, en aan onwetendheid.

Het doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van verlangen, die vrij is van hechten. Het is bereikbaar voor iemand met inzicht. Het is bereikbaar voor iemand die geen voorkeur en geen afkeer heeft.

De volmaaktheid is uniek en niet algemeen. En die volmaaktheid is het bezit van de begeerteloze, van de haatloze, van de waanloze. Wie zonder dorst is, en wie niet meer ergens aan hecht, en wie weet, die heeft de volmaaktheid. Degene die niet verheugd noch ontstemd is, heeft deze volmaaktheid.

Er zijn twee soorten van meningen, de mening van bestaan en de mening van niet-bestaan. Degenen die het begin en het einde van deze twee meningen juist begrijpen, lust en lijden, en de overwinning overeenkomstig de waarheid, die geen dorst meer hebben, die niet meer ergens aan hechten, zij die weten, die niet blij noch ontstemd zijn, die geen bijzonderheid behaagt, zij worden verlost van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, verdriet en pijn, wanhoop en verdriet. Zij worden verlost van lijden.

Er zijn vier soorten van hechten: hechten aan lust, aan meningen, aan deugdzame werken, aan zelfbehoud.


De Volmaakte is in staat alle hechten vanaf de basis uit te leggen. Het viervoudige hechten heeft zijn oorsprong in dorst. De dorst heeft zijn oorsprong in het gevoel. Het gevoel heeft zijn oorsprong in de aanraking. De aanraking heeft zijn oorsprong in het zesvoudige bereik. Dit ontspringt uit naam en vorm. Dit ontspringt uit bewustzijn. Dit heeft als oorsprong de onderscheidingen. Die ontspringen uit niet-weten.

Wanneer onwetendheid overwonnen wordt en echt weten bij iemand ontstaat, dan hecht hij niet meer aan genot van de zintuigen, dan hecht hij niet meer aan meningen, niet meer aan regels en rituelen, hecht niet meer aan de leer van een zelf. Wanneer hij niet meer aan iets hecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt dan dat geboorte ten einde is gebracht, dat het heilige leven is geleefd, dat gedaan is wat gedaan moest worden. Er is verder niets meer te doen.


 

3. Uit het zicht van het kwaad

 

      Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Na de maaltijd ging hij samen met de Eerwaarde Ānanda naar het Pubbarama-klooster. In de buurt ervan lag de hermitage van de brahmaan Rammaka. Daar was een groep monniken bijeen gekomen. Zij werden door de Boeddha onder andere onderwezen met de volgende toespraak:[63]

 

      “Monniken, de volgende vijf soorten lust bestaan er:

1. de met het oog herkenbare vormen;

2. de met het oor herkenbare klanken;

3. de met de neus herkenbare geuren;

4. de met de tong herkenbare smaken;

5. de met het lichaam herkenbare aanrakingen.

 

      Deze vijf soorten lust zijn verrukkelijk, aangenaam, aantrekkelijk, lieflijk, lustvol en hartstochtelijk.

      Degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, die niet weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

 

      Monniken, zoals een dier in het woud dat gebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: tot ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het niet naar believen weggaan. Evenzo zijn degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, zonder te weten hoe eraan te ontkomen, die zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

      Maar degenen die deze vijf soorten lust genieten zonder erin verstrikt te zijn, onverblind, niet overweldigd, vol inzicht in het lijden, die weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

      Zoals een dier in het woud dat ongebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: niet tot ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het naar believen weggaan.

 

      Zoals een dier in het woud nabij de rand van een berg loopt en er veilig gaat, veilig staat, veilig de slaapplaats kiest, en waarom? - Het is niet in het bereik van de jager gekomen. Evenzo, monniken, vertoeft een monnik, vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overwegingen verbonden is, die uit eenzaamheid ontstaan is, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de geestelijke eenwording. En hij vertoeft in de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken, vrij van overwegingen, die ontstaan is uit zelf-verdieping, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. En hij ondervindt lichamelijk het geluk dat door de edelen genoemd is: gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend. Zo vertoeft hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van vroegere bevredigingen en zorgen vertoeft hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedvrije, de gelukvrije, de in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, heeft een monnik met [de gedachte] ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

 

      En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt.

     

      Hij heeft volledig het gebied van de niets-is-er sfeer overwonnen en heeft het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming bereikt.

 

      Hij heeft volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overwonnen en heeft de vernietiging van waarneming en gevoelen bereikt. En wijze inziende zijn de neigingen bij hem verdwenen.

 

      Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen. Ontkomen is hij aan het hechten aan de wereld. Hij gaat veilig, staat veilig, veilig zit hij neer, veilig kiest hij een rustplaats voor de nacht, en waarom? - Hij is niet in het bereik van het kwaad gekomen.”

 

      Aldus sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de toespraak van de Boeddha.

 

 

4. De onbedwongen en de bedwongen geest

 

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo weerspannig is

als de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest is inderdaad

een weerspannig ding.”

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo gedwee is

als de bedwongen geest;

de bedwongen geest is inderdaad

een gedwee ding.”

 

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert tot groot verlies

dan de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest voert inderdaad

tot groot verlies.”

 

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert naar groot voordeel

dan de bedwongen geest;

de bedwongen geest voert inderdaad

naar groot voordeel.”

 

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel ellende brengt

dan de geest die onbedwongen is,

onbeheerst, onbewaakt

en die niet weerhouden wordt;

zo’n geest brengt inderdaad groot leed.”

 

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel geluk brengt

dan de geest die bedwongen is,

beheerst, bewaakt

en die weerhouden wordt;

zo’n geest brengt inderdaad een groot geluk.”

(A.I.IV)

 

 

5. Geleidelijke oefening in het temmen van de geest

 

      Eens sprak de Verhevene tot zijn toehoorders als volgt: “Iemand die leeft temidden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot geniet, die geheel en al in beslag genomen wordt door gedachten aan zingenot, die verteerd wordt door verlangen naar zingenot, die ijverig op zoek is naar zingenot, het is onmogelijk dat zo iemand datgene kan weten of zien of bereiken of realiseren wat door ontzegging geweten kan worden, wat door verzaking gezien kan worden, wat door afzien bereikt kan worden, wat door afstand doen gerealiseerd kan worden; zo’n situatie bestaat niet.

      Veronderstelt dat er onder de olifanten een olifant is die goed getemd is en een olifant die ongetemd is. Of veronderstelt dat er onder de paarden een paard is dat goed getemd is en een paard dat ongetemd is. Zal de olifant die getemd is een getemde staat bereiken? Of zal het paard dat getemd is, een getemde staat bereiken?” – “Ja, Eerwaarde Heer.” – “Maar de ongetemde olifant en het ongetemde paard, zullen die een getemde staat bereiken?” – “Neen, Eerwaarde Heer.” – “Evenzo is het met lieden die leven temidden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot genieten, die geheel en al in beslag genomen worden door gedachten aan zingenot, die verteerd worden door verlangen naar zingenot. Dat zij datgene kunnen weten of zien of bereiken of realiseren wat geweten, gezien, bereikt of gerealiseerd kan worden door verzaking, zulke situatie bestaat niet. 

     

      Het is alsof er een grote berg is nabij een stad of dorp. Twee vrienden nu naderen die berg. De een blijft aan de voet van de berg staan en de ander klimt naar de top. Degene die onderaan bleef staan, kan dan de vraag stellen: ‘Hallo, wat zie je vanaf de top?’ En de ander geeft ten antwoord: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige wouden, verrukkelijke vijvers.’ De eerste kan dan zeggen: ‘Dat is onmogelijk, dat kan niet waar zijn dat jij dat alles ziet.’ Daarop komt degene die boven op de top stond, naar beneden en neemt zijn vriend bij de arm. Beiden klimmen dan naar de top van de berg. Boven gunt de een de ander een moment om op adem te komen en dan spreekt hij hem aldus toe: ‘Wel, wat zie je nu vanaf de top?’ En de ander zal zeggen: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige wouden, verrukkelijke vijvers.’ En de eerste zal dan zeggen: ‘Zojuist nog zei je dat het onmogelijk was, dat het niet waar kon zijn dat zoiets te zien zou zijn. Maar nu spreek je andere taal.’ En de tweede zal zeggen: ‘Dat komt omdat ik gehinderd werd door de grote berg en niet kon zien wat erachter te zien was.’

      Evenzo, maar in een nog grotere graad, is iemand die leeft temidden van zinnelijk genot; hij is omsloten, wordt gehinderd, belemmerd en is ingewikkeld door deze massa onwetendheid. Dat zo iemand zou kennen wat door verzaking bereikt kan worden, zulke situatie bestaat niet.

     

      Zoals een edele koning zijn olifantenjager toesprak met de woorden: ‘Beste jager, bestijg de koningsolifant en ga naar een olifantenwoud. Als je daar dan een woudolifant ziet, bindt hem dan aan de nek van de koningsolifant.’ De jager deed daarop gehoorzaam wat de koning hem bevolen had. In het woud zag hij een woudolifant en bond hem aan de nek van de koningsolifant. Zo bracht hij hem uit het woud naar de open vlakte. Maar de woudolifant had een verlangen naar het olifantenwoud. De jager nu gaf bericht aan de koning dat de woudolifant gevangen en op de open vlakte was. De edele koning sprak toen tot zijn olifantentemmer: ‘Beste temmer, tem de woudolifant door zijn woudmanieren te onderwerpen; tem hem door zijn woudherinneringen te verzwakken en door zijn angst, zijn verdriet en zijn verlangen naar het woud te verzwakken. Laat hem graag in de dorpen verblijven en wen hem aan menselijke manieren.’ En de olifantentemmer gehoorzaamt. Hij slaat een grote paal in de grond, bindt de woudolifant er bij zijn nek aan vast om zo zijn woudmanieren te onderwerpen, om zo zijn woudherinneringen te verzwakken, om zo zijn angst, verdriet en verlangen naar het woud te verzwakken, om hem graag in de dorpen te laten verblijven en om hem aan menselijke manieren te gewennen. Dan spreekt de olifantentemmer hem met zulke woorden toe die vriendelijk zijn, aangenaam voor het oor, hartelijk, die tot het gemoed gaan, werelds, plezierig voor de menigte, waar menigeen genoegen in schept. En de woudolifant, aldus toegesproken, luistert oplettend en neigt zijn geest naar leren. Vervolgens voorziet de olifantentemmer hem van voer en water. Wanneer de olifant het voer en het water aanneemt, weet de temmer dat die olifant in leven zal blijven. Dan laat de olifantentemmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Neem op, zet neer.’ Wanneer de olifant gehoorzaam is aan de temmer en op zijn bevelen handelt om op te nemen en neer te zetten, dan laat de temmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Ga voorwaarts, ga achterwaarts.’ Wanneer de olifant in die nieuwe taak gehoorzaam is, laat de temmer hem een andere taak doen met de woorden: ‘Sta op, ga zitten.’ Wanneer de olifant ook hierin gehoorzaam is, laat de temmer hem een verdere taak doen die bekend is als: ‘Sta op de plaats.’ Hij bindt een schild aan de slurf van het grote dier. Iemand met een lans zit op de nek van de olifant en mannen met lansen staan er rondom, aan alle kanten. En de temmer staat ervoor met een lange lans in zijn handen. Terwijl hij deze taak van ‘Sta op de plaats’ uitvoert, beweegt de olifant geen voet vooruit noch achteruit, noch beweegt hij zijn hoofd, noch oor, noch staart, noch slurf. Hij beweegt geen enkel deel van zijn lichaam. Een koningsolifant is er een die slagen met een zwaard of met een bijl verduurt, die pijlen verduurt en ook het geluid van trommels en pauken. Hij is als goud dat gezuiverd is van alle verontreinigingen en onzuiverheden. Hij is geschikt voor een koning, een koninklijk bezit. En hij wordt tot een koninklijk attribuut gerekend.

 

      Evenzo is het met de leer van de Verhevene. Door geleidelijke oefening, geleidelijke vooruitgang, geleidelijke praktijk wordt een mens bedwongen. Evenals een volbloed paard eerst eraan gewend moet raken om een bit te dragen en pas daarna gewend raakt aan verdere oefening, evenzo moet een mens die bedwongen moet worden, allereerst als volgt gedisciplineerd worden:

 

1. Het verkrijgen van vertrouwen

 

      Evenals de geheel getemde olifant, evenals het geheel gezuiverde goud, evenzo ontstaat een Tathāgata hier in de wereld, een Volmaakte, een Volledig Ontwaakte, begiftigd met juiste kennis en juist gedrag, een weldoener, een kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de Ontwaakte, de Heer. Hij maakt deze wereld bekend met haar goden, met Mara en Brahmā, met haar schepping, met haar boetelingen en brahmanen, haar goden en mensen, na ze zelf door superkennis verwerkelijkt te hebben. Hij onderwijst de leer die lieflijk is in het begin, lieflijk in het midden en lieflijk aan het einde. Hij onderwijst ze naar de geest en naar de letter. Hij verkondigt het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is.

     

      Een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd, of iemand geboren in een andere staat, hoort die leer. Na het horen ervan verkrijgt hij vertrouwen in de Tathāgata. Begiftigd met dit vertrouwen dat hij heeft verworven, denkt hij op de volgende manier na: ‘Het leven van een gezinshoofd is beperkt en stoffig; het weggaan is vertoeven in de open vlakte. Het is niet gemakkelijk voor iemand die in een huis leeft, om het heilige leven te leiden, het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is, gepolijst als een schelp. Veronderstel nu dat ik me haar en baard afscheer en de gele pij aantrek en dat ik van het huislijke leven naar het huisloze leven ga.’ Na een tijd, bevrijd van deze weelde hier hetzij groot of klein, bevrijd van deze kring van relaties hetzij klein of groot, na haar en baard te hebben afgeschoren, na de gele gewaden te hebben aangetrokken, gaat hij ver van huis naar het huisloze leven. In deze mate gaat de heilige volgeling naar buiten tot in de open vlakte.

 

2. Deugdzaamheid

 

      Maar goden en mensen hebben een verlangen naar de vijf strengen van zintuiglijke genoegens. De Tathāgata onderwijst de volgeling verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees van moreel gedrag, leef deugdzaam door het beheersen van de verplichtingen, begiftigd met juist gedrag. Zie gevaar in de geringste fout, neem de regels van oefening aan en oefen je erin.

 

3. Beheersing van de zinnen

 

      Zodra als de monnik hierin geoefend is, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees bewaakt wat betreft de zinsorganen. Als je een materiële vorm ziet met het oog, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oog onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oog beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oog.

      Als je een geluid gehoord hebt met het oor, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oor onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oor beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oor.

      Als je een geur geroken hebt met de neus, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de neus onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de neus beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de neus.

      Als je een smaak geproefd hebt met de tong, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de tong onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de tong beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de tong.

      Als je een aanraking gevoeld hebt met het lichaam, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het lichaam onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het lichaam beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het lichaam.

      Als je een geestelijke staat onderkend hebt met de geest, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de geest onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de geest beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de geest.’

 

4. Gematigdheid bij het eten

 

       Zodra als een monnik bewaakt is wat betreft de deuren van de zintuiglijke organen, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees gematigd bij het eten; je moet het voedsel tot je nemen terwijl je zorgvuldig nadenkt. Je moet niet eten voor plezier of bevrediging of persoonlijke charme of om er mooier van te worden. Maar gebruik juist genoeg om dit lichaam te handhaven en om het op gang te houden, om het ongedeerd te houden, om de heilige levenswandel te bevorderen. En eet met de gedachte: “Aldus zal ik een oud gevoel van honger verdrijven en zal ik een nieuw gevoel van honger niet laten ontstaan, en er zal voor mij een lang leven zijn en onberispelijkheid, en ik zal op mijn gemak vertoeven.’

 

5. Waakzaamheid

 

      Zodra als een monnik gematigd is in het eten, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, vertoef gericht op waakzaamheid. Gedurende de dag, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten. Gedurende de middenwacht van de nacht, lig dan neer op de rechterzijde, in de leeuwpositie, met de ene voet op de andere, helder bewust, en denk aan het tijdstip wanneer je weer wilt opstaan. Gedurende de laatste wacht van de nacht, als je bent opgestaan, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten.’ 

 

6. Oplettendheid en helder bewustzijn

 

      Zodra als een monnik gericht is op waakzaamheid, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees begiftigd met oplettendheid en helder bewustzijn. Handel met helder bewustzijn of je nu komt of gaat. Handel met helder bewustzijn of je nu vooruit of in het rond kijkt. Handel met helder bewustzijn of je nu de armen strekt of buigt. Handel met helder bewustzijn of je nu de bovenkleren draagt, de bedelnap of de pij. Handel met helder bewustzijn of je nu eet, drinkt, kauwt of slikt. Handel met helder bewustzijn als je gehoorzaamt aan de roep van de natuur. Handel met helder bewustzijn of je nu loopt, staat, zit, slaapt, waakt, spreekt of zwijgt.’

 

7. Het te boven komen van de vijf hindernissen

 

      Zodra als een monnik in het bezit is van oplettendheid en helder bewustzijn, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, kies een afgelegen verblijfplaats in het bos, aan de voet van een boom, aan een berghelling, in een grot, op een begraafplaats, in een bosje, een open plek of een hoop stro. Wanneer hij na het vergaren van aalmoezen teruggekeerd is, zit de monnik na de maaltijd terneer, met de benen kruiselings over elkaar. De rug houdt hij rechtop terwijl hij oplettendheid voor zich doet oprijzen. 

      Bevrijd van begeerte naar de wereld vertoeft hij met een geest die vrij is van begeerte. Hij reinigt de geest van begeerte. Bevrijd van de smet van kwaadwil vertoeft hij welwillend in de geest, mededogend en barmhartig jegens alle wezens. Hij reinigt de geest van kwaadwil. Bevrijd van traagheid en luiheid vertoeft hij zonder traagheid en luiheid, waarbij hij het licht waarneemt. Oplettend en helder bewust reinigt hij de geest van traagheid en luiheid. Bevrijd van rusteloosheid en bezorgdheid vertoeft hij kalm; met de geest inwaarts gericht, rustig, reinigt hij de geest van rusteloosheid en bezorgdheid. Bevrijd van twijfel vertoeft hij zonder twijfel. Onverstoord wat betreft de staten die heilzaam zijn, reinigt hij zijn geest van twijfel.

 

8. De vier grondslagen van oplettendheid

 

      Als hij bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en waardoor intuïtieve wijsheid zwakker wordt, dan beschouwt hij het lichaam bij het lichaam, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen. Hij gaat verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, de geest bij de geest, de geestelijke staat bij de geestelijke staten, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen.

      Zoals een olifantentemmer een grote paal in de grond slaat en een woudolifant er bij zijn nek aanbindt om bij hem de woudmanieren te verdrijven, om zijn woudverlangens te verdrijven, om zijn smart en ergernis wegens en zijn vurig verlangen naar het woud te verdrijven, om hem behagen te laten scheppen in dorpen en om hem te laten wennen aan menselijke manieren, evenzo zijn deze vier grondslagen van oplettendheid banden van de geest om de manieren van gezinshoofden te onderwerpen, te verdrijven en om de verlangens van gezinshoofden te verdrijven en om de smart, ergernis en het vurig verlangen te verdrijven. Deze vier grondslagen van oplettendheid zijn er om naar het juiste pad te voeren, om Nibbāna te verwerkelijken. 

 

      De Tathāgata onderricht de monnik verder met de woorden: ‘Komaan, ga verder met het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over het lichaam. Ga verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de gevoelens. Ga verder met het beschouwen van de geest bij de geest, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geest. Ga verder met het beschouwen van de geestelijke staten bij de geestelijke staten, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geestelijke staten.[72]

 

9. De meditatieve verdiepingen

 

      Zodra als een monnik bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en verderfelijk voor intuïtieve kennis, zodra als hij bevrijd is van de geneugten van de zintuigen, vrij van onheilzame staten van de geest, treedt hij in en vertoeft hij in de eerste meditatieve verdieping. Deze gaat gepaard met overdenken en redeneren, is geboren uit afzijdigheid en is vreugdevol en vol vervoering.

      Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren wordt zijn geest achtereenvolgens tot rust gebracht en op één punt gericht. En hij treedt binnen en verblijft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overdenken en redeneren, is geboren uit concentratie en is vreugdevol en vol vervoering.

      Bij het verdwijnen van vervoering vertoeft hij met gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon die vreugde waarvan de heiligen zeggen: ‘Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.’ En hij treedt binnen en verblijft in de derde meditatieve verdieping.

      Door bevrijd te zijn van angst, door het verdwijnen van zijn vroegere geneugten en verdriet, treedt hij binnen en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping. Deze heeft noch angst noch vreugde en is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid.

 

10. Het drievoudige weten (te-vijja)

 

10.1 Herinnering aan vroegere verblijven

 

      Dan, met een geest aldus gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de herinnering aan vroegere verblijven. Hij herinnert zich aan een verscheidenheid van vroegere verblijven, aldus: één leven, twee levens, drie... vier... vijf... tien... 20... 30... 40... 50... 100... 1000... 100.000 levens herinnert hij zich; en hij herinnert zich aan menige aeon van wereldontstaan-wereldvergaan. ‘Zo heette ik, zo’n familie had ik, zo’n stand, zo’n beroep had ik, zo werd ik gevoed, zulke aangename en onaangename ervaringen had ik, zolang leefde ik, vanhier vertrok ik en kwam in een andere staat waar ik aldus heette, waar ik zulke familie, zo’n stand, zo’n beroep had, waar ik zulk voedsel kreeg, waar ik zulke aangename en onaangename ervaringen had, waar ik zolang leefde. Vandaar vertrok ik en ontstond hier.’ Aldus herinnert hij zich aan diverse vroegere verblijven in al hun wijzen en details. 

 

10.2 Het goddelijk oog

 

      Dan, met een geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van het van hier verdwijnen en het ontstaan van wezens. Met het gezuiverde oog dat het menselijke oog te boven gaat, ziet hij wezens zoals ze van hier vertrekken of hier ontstaan. Hij begrijpt dat wezens laag zijn, uitstekend, lelijk, mooi, gelukkig, ongelukkig, overeenkomstig hun daden. En hij denkt: ‘Inderdaad, deze waardige wezens die een verkeerd gedrag hadden in lichaam, die een verkeerd gedrag hadden in taal, die een verkeerd gedrag hadden in gedachten, die met de heiligen spotten, die een verkeerde visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een verkeerde visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een leedvolle staat van bestaan, zij zijn ontstaan in een kwade geboorte, in de afgrond, de Niraya-hel.

      Maar deze waardige wezens die een goed gedrag hadden in lichaam, die een goed gedrag hadden in taal, en die een goed gedrag hadden in gedachten, die niet met de heiligen spotten, die een juiste visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een juiste visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een goede geboorte, in een hemelse wereld.’

 

10.3 Vernietiging van de smetten: heiligheid

 

      Dan, met de geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van de vernietiging van de smetten (āsava). Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit is lijden (dukkha), dit is het ontstaan van lijden, dit is het einde van lijden, dit is het pad dat voert naar het einde van lijden.’ Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit zijn de smetten, dit is het ontstaan van de smetten, dit is het einde van de smetten, dit is het pad dat voert naar het einde van de smetten.’

      Aldus wetende, dit ziende, is zijn geest vrij van de smet van zinnelijk genot, vrij van de smet van worden, vrij van de smet van onwetendheid. In vrijheid ontstond de kennis: ‘Ik ben vrij,’ en hij begrijpt: ‘Geboorte is vernietigd, ten einde gebracht is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, voor mij is er geen verder bestaan meer.’ 

 

      Die monnik is in staat om hitte, koude, honger en dorst te verdragen en de steken van muskieten en vliegen. Hij is in staat om wind, zon en kruipende dieren te verdragen. Hij is in staat om scheldwoorden en onvriendelijke taal te verdragen. Hij is in staat om lichamelijke gevoelens te verdragen die, als ze ontstaan, pijnlijk zijn, dringend, scherp, streng, ongelukkig, ellendig, dodelijk. Gereinigd van alle verontreinigingen en van alle onzuiverheden van gehechtheid, afkeer en illusie (rāga , dosa, moha), is hij verplichtingen, offergaven, respect en eer waard; hij is een onovertreffelijk veld van verdienste in de wereld. 

     

      Indien een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, ongetemd, ongeoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een ongetemde die gestorven is. En evenzo is het met een ongetemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook wordt een ongetemde olifant die op jonge leeftijd sterft, beschouwd als een ongetemde die gestorven is. 

      En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling (thero) is, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is. 

      Maar als een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is. En evenzo is het met een getemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook als een olifant op jonge leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is. 

      En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling is, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als een ouderling die getemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die pas opgenomen monnik die gestorven is, beschouwd als iemand die getemd gestorven is.

      Zo is mijn instructie voor monniken die leerlingen zijn, die de volmaaktheid nog niet bereikt hebben en die een verlangen hebben naar de onvergelijkbare zekerheid van de bevrijding van de banden. Maar wat betreft die monniken die volmaakt zijn, die de boeien verbroken hebben, die het heilige leven geleefd hebben, die de last hebben afgelegd, die hun eigen doel hebben bereikt, die de banden van worden helemaal hebben verwoest en die geheel bevrijd zijn door volmaakte en diepe kennis, deze dingen dragen bij zowel tot het verblijven van hen in gemak hier en nu, als tot hun oplettendheid en helder bewustzijn.”

  

11. Wordt Nibbāna door ieder bereikt?

 

      Toen dit was gezegd, sprak een brahmaan aldus tot de Heer: “Nu dit aldus door de Heer is uitgelegd, bereiken dan alle leerlingen van Gotama het uiterste doel, Nibbāna, of bereiken sommigen het doel niet?” – “Brahmaan, sommigen van mijn leerlingen bereiken Nibbāna wel, anderen bereiken dat doel niet. Na door mij te zijn aangespoord en aldus te zijn geïnstrueerd, bereiken sommigen van mijn leerlingen het uiterste doel, Nibbāna, wel en anderen bereiken het niet.”

      “Aangezien Nibbāna bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien de goede Gotama bestaat als raadgever, wat is dan de oorzaak, wat is de reden dat sommigen van de goede leerlingen, na te zijn aangespoord en geïnstrueerd, dat doel niet bereiken en anderen wel?”

      “Welnu, brahmaan, ik zal je vragen stellen en jij moet dan maar antwoorden zoals het je goed dunkt. Ben je goed bekend met de weg die naar Rājagaha voert?31 – “Ja, Heer, ik ben er goed mee bekend.” – “Wat denk je dan, als nu een man hierheen kwam en de weg naar Rājagaha wilde weten, en hij vroeg die weg aan jou, dan zou je zeggen: ‘Deze weg hier gaat naar Rājagaha, volg die weg een poosje tot je een dorp ziet. Ga dan een poosje verder tot je een marktplaats ziet. Ga dan nog iets verder en je zult Rājagaha zien met zijn verrukkelijke parken, wouden, velden en vijvers.’

      Maar hoewel hij aldus door jou is aangespoord en geïnstrueerd, nam hij de verkeerde weg. Een andere man kan komen en de weg naar Rājagaha vragen. En je wijst hem op dezelfde manier de weg. Die man bereikt dan wel Rājagaha veilig. Wat is de oorzaak, wat is de reden dat, aangezien Rājagaha bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien jij bestaat als raadgever, de een niet aankomt en de ander wel?”

      “Heer, wat kan ik eraan doen, ik wijs alleen maar de weg.”- “Brahmaan, evenzo bestaat Nibbāna, bestaat de weg ernaar toe en besta ik als raadgever. Maar sommigen van mijn volgelingen, aldus door mij aangespoord en geïnstrueerd, bereiken het onveranderlijke doel, Nibbāna, wel en sommigen bereiken het niet. Wat kan ik doen in dit geval? Ik wijs alleen de weg.”

      “Zoals jasmijn de hoogste is onder de bloemengeuren, evenzo is de aansporing van de goede Gotama de hoogste onder de leringen van vandaag. Voortreffelijk, het is heel voortreffelijk en duidelijk uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de goede Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht neemt vanaf vandaag tot zolang als het leven duurt.” (M.107; M.125; M.51)

 



6. Vredig en stralend

 

      Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. Toen naderde tegen het einde van de nacht een zekere godheid de Verhevene en verlichtte daarbij met zijn onvergelijkbare schoonheid heel Jetavana. Naderbij gekomen, begroette hij hem en ging terzijde staan. En de godheid vroeg:

 

         “Diegenen die in het woud leven,

         die vredig zijn en kalm, met een zuiver leven,

         die slechts één maaltijd per dag eten:

         hoe komt het dat zij er zo stralend uitzien?”

 

De Verhevene gaf ten antwoord:

 

         “Zij treuren niet om het verleden;

         zij hebben geen verlangens naar de toekomst;

         het heden is voldoende voor hen.

         Daarom zien zij er zo stralend uit.

 

         Door naar de toekomst te verlangen,

         door bedroefd te zijn over het verleden,

         hierdoor kwijnen dwazen weg

         zoals een afgesneden zachte rietstengel.”[48]

 




7. De wortel van alle dingen (M.1)

Eens vertoefde de Verhevene te Ukkhattha in het Subhaga bosje, aan de voet van een koninklijke salaboom. Daar sprak hij tot de bhikkhus als volgt.

"Bhikkhus,ik zal tot jullie spreken over de wortels van alle dingen. Luistert goed en opmerkzaam.” – “Jawel, heer.” 2



(De wereldling)



"Bhikkhus, een niet onderwezen wereldling,3 die geen acht slaat op de edelen of op oprechte mensen, en de leer van hen niet navolgt, die er niet in geschoold is, hij neemt het aarde-element als aarde-element waar.4 Hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort, en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorzien.

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens,5 hemelse wezens,6 Pajapati,7 Brahma,8 hemelse wezens van overstromende glans,9 hemelse wezens van de stralende heerlijkheid,10 hemelse wezens van het grote gevolg,11 de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, en het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene,12 het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.13



(Iemand in hogere scholing)



"Bhikkhus, iemand in hogere scholing,14 wiens geest het doel nog niet heeft bereikt en die nog streeft naar de hoogste zekerheid tegen het geboeid zijn, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element.15 Als hij dat heeft onderkent, moet hij zich er geen voorstelling van maken.16 Hij moet niet menen: 'Het is van mij.' Hij moet er geen behagen in scheppen. En waarom? Opdat hij het volledig moge doorschouwen.”

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.



(De Arahant – I)



"Bhikkhus, iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt er zich geen voorstelling van,17 hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij,' hij schept er geen behagen in.

En waarom? Omdat hij het volledig heeft doorschouwd.”18

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.



(De Arahant -II)



"Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van begeerte, omdat begeerte vernietigd is.”19

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.



(De Arahant – III en IV)



Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.”

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.



(De Tathagata -I)



"Bhikkhus, de Tathagata,20 de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata het volledig tot aan het einde heeft doorschouwd.”21

Hij onderkent het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.



(De Tathagata -II)



"Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn.22 Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beeindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”

Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'dat alles is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn. Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beëindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”



Zo sprak de Verhevene. Maar die Bhikkhus waren niet blij met de woorden van de Verhevene.23



Het sutta stelt dat alle termen slechts conventionele symbolen zijn. Zij onthullen de werkelijkheid niet. Er is geen verschil tussen de gewone mens van de wereld, de gedisciplineerde mens die nog moet leren, de in de stroom getredene en de arahant wat betreft het gebruik van woorden in de dagelijkse betekenis ervan. Het verschil ligt in het feit dat de mens van de wereld ze als werkelijkheid beschouwt, terwijl de arahant de ware natuur ervan heeft verwerkelijkt als leeg, verstoken van een eigenheid. En daarom is de eerste eraan gehecht, en de laatste niet. Ook de heiligen van de verschillende niveaus zijn in staat er niet aan gehecht te zijn in overeenstemming met de graad van hun geestelijke ontwikkeling.24

8. Ideale eenzaamheid 


Volmaakte heiligheid is een geestelijke eenzaamheid, een vertoeven zonder begeerte als metgezel. Hoe geestelijke eenzaamheid verkregen wordt, is uiteengezet in de toespraak over ideale eenzaamheid.


Eens woonde de Verhevene te Sāvatthi in het klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken als volgt toe: “Monniken, ik zal jullie de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid. Luistert oplettend.

 

Laat men niet het verleden nog eens opsporen

of smachten naar de toekomst;

wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,

nog niet bereikt is wat nog moet komen.

Maar wat thans is, neemt hij waar,

met inzicht, zoals en wanneer het komt.

In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,

in die staat moet de wijze groeien.

Vandaag nog moet men zich beijveren,

morgen kan de dood al komen - wie weet?

Want geen afspraak kunnen we maken

met de dood en zijn machtige heerscharen.

Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,

overdag en 's nachts, onvermoeibaar,

hij is door de Stille Wijze genoemd:

de ideale liefhebber van eenzaamheid’.


En hoe, monniken, spoort iemand het verleden nog eens op? Hij denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘ Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ en hij denkt er met genoegen aan. Zo spoort men het verleden nog eens op.


En monniken, hoe spoort men het verleden niet meer op? Hij denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Hij denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ maar hij denkt er niet met genoegen aan. Zo spoort men het verleden niet meer op.


En hoe, monniken, smacht men naar de toekomst? Hij denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ en hij schept behagen in die gedachte. Zo smacht men naar de toekomst.


En monniken, hoe smacht men niet naar de toekomst? Hij denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Hij denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ maar hij schept geen behagen in die gedachte. Zo smacht men niet naar de toekomst.

En hoe is men gericht naar het heden? Monniken, een niet-onderricht gewoon mens die geen rekening houdt met de edelen, is onbekwaam in de leer van de edelen, is ongeoefend in de leer van de edelen. Hij houdt geen rekening met de goede lieden, hij is onbekwaam in de leer van de goede lieden, is ongeoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men gericht naar het heden.

 

En hoe, monniken, is men niet gericht naar het heden? Monniken, een onderricht edele volgeling die rekening houdt met de edelen, is bedreven in de leer van de edelen, geoefend in de leer van de edelen. Hij houdt rekening met de goede lieden, hij is bedreven in de leer van de goede lieden, is geoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet niet gevoelens als zelf, of zelf als gevoelens hebbende, of gevoelens als in zelf, of zelf als in gevoelens. Hij beziet niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet niet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men niet gericht naar het heden.


Laat men niet het verleden nog eens opsporen

of smachten naar de toekomst;

wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,

nog niet bereikt is wat nog moet komen.

Maar wat thans is, neemt hij waar,

met inzicht, zoals en wanneer het komt.

In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,

in die staat moet de wijze groeien.

Vandaag nog moet men zich beijveren,

morgen kan de dood al komen - wie weet?

Want geen afspraak kunnen we maken

met de dood en z'n machtige heerscharen.

Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,

overdag en ‘s nachts, onvermoeibaar,

hij is door de Stille Wijze genoemd:

'de ideale liefhebber van eenzaamheid’.


Met betrekking hierop is gezegd: ‘Monniken, ik zal u de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid.’”

Aldus sprak de Verhevene. Vol vreugde verblijdden zich de monniken over de woorden van de Verhevene. (M.131 = MN.XIV.1)


Met andere woorden, men kan aan het verleden of aan de toekomst denken, maar men moet niet gehecht zijn aan die gedachten. En men moet de leer van niet-zelf goed inzien.


naar boven    of naar  Geraadpleegde bronnen 

1 Gedeelte van M.26, in: Horner, I.B. (transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy : BPS, 1974, The Wheel No. 198; en in: Dahlke, Paul (Übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.], p. 5-39.

2 Volgens het commentaar is deze leerrede gericht tot een grote groep van voormalige Brahmanen, die erg gehecht waren aan hun uitsluitend theoretisch begrip van de leer.

3 Een wereldling is iemand die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt. Hij bevindt zich nog volledig in de sfeer van verkeerde opvattingen.

4 Het werkwoord sañjanati heeft niet betrekking op het "directe inzien overeenkomstig de werkelijkheid", maar op de waarneming van de wereldling die door onwetendheid is gevormd, het “als waar aannemen” dat de basis is voor de vorming van een concept, waardoor de scheiding tussen subject en object gevestigd wordt, en zo de ik-illusie.

5 Volgens het commentaar zijn daarmee de wezens tot en met de sfeer van de mensen bedoeld. De hogere sferen worden aansluitend behandeld.

6 Devas van de zinnelijke sferen.

7 Naam van een Vedische god.

8 Dit heeft betrekking op de hemelse wezens wier sfeer van bestaan overeenkomt met de geestestoestand van de eerste jhana.

9 De wezens op het niveau overeenkomend met de 2e jhana.

10 De wezens overeenkomend met de 3e jhana.

11 De wezens overeenkomend met de 4e jhana.

12 Het ondervondene omvat datgene wat geproefd, gesmaakt, geroken en aangeraakt is.

13 Enige commentatoren zijn van mening dat de Boeddha hier spreekt over verkeerde voorstellingen van Nibbana. Maar Bhikkhu Ñanananda wijst erop dat deze begrenzing van de betekenis niet overeenkomt met de geest van de leerrede. Het zou een poging zijn om de “heiligheid” van Nibbana te redden. Maar aan het concept van Nibbana moet geen bijzondere plaats gegeven worden. Een Verlichte hecht aan geen enkel concept, ook niet aan Nibbana.

14 Een in de stroom getredene, een eenmaal wederkerende, een niet meer wederkerende: op deze niveaus van heiligheid is verkeerde opvatting al overwonnen, maar nog niet de basis-onwetendheid.

15 Het werkwoord abhijanati beschrijft een onderkennen, letterlijk een erboven staan, dat vrij is van verkeerde opvatting.

16 De oefenende, die al een bovenwereldlijk niveau heeft bereikt, maar nog niet volledig bevrijd is, is nog niet vrij van de waan "ik ben". Hij weet echter op grond van zijn juiste zienswijze dat dit ik-idee niet overeenkomt met de waarheid. Hij werkt daarom aan de volledige bevrijding.

17 De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. De oorzaak voor conceptuele voorstellingen is bij hem niet meer aanwezig.

18 Hij heeft de vier edele waarheden in deze objecten doorschouwd. Tevens heeft hij die vier edele waarheden in zich verwerkelijkt en heeft hij het einde van dukkha bereikt.

19 In de volgenden drie paragrafen wordt duidelijk gemaakt dat het volledige doorschouwen van de Arahant samengaat met de vernietiging van de drie onheilzame wortels: begeerte, afkeer, onwetendheid. De merkwaardige formulering "vrij van begeerte door de vernietiging van de begeerte" betekent dat hij niet alleen tijdelijk vrij is van begeerte, maar dat ze aan de wortel is afgesneden.

20 Een aanduiding voor de Boeddha die deze term vaak gebruikte als hij over zichzelf sprak.

21 "Tot aan het einde" heeft betrekking op de eigenschap die Boeddhas van Arahants onderscheidt. Beiden zijn op gelijk niveau wat betreft de vernietiging van de neigingen. Maar het volledige doorschouwen van alle verschijnselen is alleen aan Boeddhas voorbehouden.

22 Een korte samenvatting van de keten van oorzakelijk bestaan. Die keten had de Boeddha in de nacht van zijn Verlichting ingezien. Hier sluit de Boeddha de kring door erop te wijzen dat het behagen scheppen uiteindelijk oorzakelijk met dukkha is verbonden.

23 Volgens een commentaar waren de Bhikkhus niet verheugd over de woorden van de Boeddha omdat zij de moeilijke leerrede niet hadden begrepen. Maar vermoedelijk hadden zij de woorden juist heel goed begrepen en voelden zij zich in hun hoogmoed betrapt. De PTS-uitgave heeft een ander einde. Daar zijn de Bhikkhus zoals gewoonlijk blij met de leerrede.

24 Bapat, P.V. (Ed.): The Majhima Nikāya (1. Mūla pannāsakam). [s.l.] 1958, p. ix.


naar boven    of naar  Geraadpleegde bronnen