Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.3.5. Diverse teksten verband houdende met heiligheid - Geraadpleegde bronnen

1. De wortel van alle dingen     2. Uit het zicht van het kwaad     3. uitwissing      Tot besluit      Geraadpleegde bronnen

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


5. Diverse teksten betreffende heiligheid

5.1. De wortel van alle dingen

        Eens vertoefde de Verhevene te Ukkhattha in het Subhaga bosje, aan de voet van een koninklijke salaboom. Daar sprak hij tot de bhikkhus als volgt.

        "Bhikkhus,ik zal tot jullie spreken over de wortels van alle dingen. Luistert goed en opmerkzaam.” – “Jawel, heer.”[1]

(De wereldling)

        "Bhikkhus, een niet onderwezen wereldling,[2] die geen acht slaat op de edelen of op oprechte mensen, en de leer van hen niet navolgt, die er niet in geschoold is, hij neemt het aarde-element als aarde-element waar.[3] Hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort, en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorzien.

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens,[4] hemelse wezens,[5]  Pajapati,[6]  Brahmā,[7]  hemelse wezens van overstromende glans,[8] hemelse wezens van de stralende heerlijkheid,[9] hemelse wezens van het grote gevolg,[10] de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, en het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

        Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

        Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene,[11] het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”[12]

(Iemand in hogere scholing)

        "Bhikkhus, iemand in hogere scholing,[13] wiens geest het doel nog niet heeft bereikt en die nog streeft naar de hoogste zekerheid tegen het geboeid zijn, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element.[14] Als hij dat onderkend heeft, moet hij zich er geen voorstelling van maken.[15] Hij moet niet menen: 'Het is van mij.' Hij moet er geen behagen in scheppen. En waarom? Opdat hij het volledig moge doorschouwen.

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

        Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

        Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”

(De Arahant – I)

        "Bhikkhus, iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt er zich geen voorstelling van,[16] hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij,' hij schept er geen behagen in.

        En waarom? Omdat hij het volledig heeft doorschouwd.[17]

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”

(De Arahant -II)

        “Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van begeerte omdat begeerte vernietigd is.[18]

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”

(De Arahant – III en IV)

        “Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.”

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”

(De Tathagata -I)

        "Bhikkhus, de Tathagata,[19] de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata het volledig tot aan het einde heeft doorschouwd.[20]

        Hij onderkent het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.”

(De Tathagata -II)

        "Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn.[21] Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beëindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahmā, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

        Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'dat alles is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn. Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beëindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”

        Zo sprak de Verhevene. Maar die bhikkhus waren niet blij met de woorden van de Verhevene.[22]  (M.1).

        Het sutta stelt dat alle termen slechts conventionele symbolen zijn. Zij onthullen de werkelijkheid niet. Er is geen verschil tussen de gewone mens van de wereld, de gedisciplineerde mens die nog moet leren, de in de stroom getredene en de Arahant wat betreft het gebruik van woorden in de dagelijkse betekenis ervan. Het verschil ligt in het feit dat de mens van de wereld ze als werkelijkheid beschouwt, terwijl de Arahant de ware natuur ervan heeft verwerkelijkt als leeg, verstoken van een eigenheid. En daarom is de eerste eraan gehecht, en de laatste niet. Ook de heiligen van de verschillende niveaus zijn in staat er niet aan gehecht te zijn in overeenstemming met het niveau van hun geestelijke ontwikkeling.[23]

5.2. Uit het zicht van het kwaad

        Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Na de maaltijd ging hij samen met de eerwaarde Ānanda naar het Pubbarama-klooster. In de buurt ervan lag de hermitage van de brahmaan Rammaka. Daar was een groep monniken bijeen gekomen. Zij werden door de Boeddha onder andere onderwezen met de volgende toespraak:[24]

        “Monniken, de volgende vijf soorten lust bestaan er:

1. de met het oog herkenbare vormen;

2. de met het oor herkenbare geluiden;

3. de met de neus herkenbare geuren;

4. de met de tong herkenbare smaken;

5. de met het lichaam herkenbare aanrakingen.

        Deze vijf soorten lust zijn verrukkelijk, aangenaam, aantrekkelijk, lieflijk, lustvol en hartstochtelijk.

        Degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, die niet weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

        Monniken, zoals een dier in het bos dat gebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: tot ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het niet naar believen weggaan. Evenzo zijn degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, zonder te weten hoe eraan te ontkomen, die zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

        Maar degenen die deze vijf soorten lust genieten zonder erin verstrikt te zijn, onverblind, niet overweldigd, vol inzicht in het lijden, die weten hoe zij eraan kunnen ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

        Zoals een dier in het bos dat ongebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: niet tot ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het naar believen weggaan.

        Zoals een dier in het bos nabij de rand van een berg loopt en er veilig gaat, veilig staat, veilig de slaapplaats kiest, en waarom? - Het is niet in het bereik van de jager gekomen. Evenzo, monniken, vertoeft een monnik, vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overwegingen verbonden is, die uit eenzaamheid ontstaan is, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de geestelijke eenwording. En hij vertoeft in de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken, vrij van overwegingen, die ontstaan is uit zelf-verdieping, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. En hij ondervindt lichamelijk het geluk dat door de edelen genoemd is: gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend. Zo vertoeft hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van eerdere bevredigingen en zorgen vertoeft hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedvrije, de gelukvrije, de in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, heeft een monnik met [de gedachte] ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

        En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt.

        

        Hij heeft volledig het gebied van de niets-is-er sfeer overwonnen en heeft het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming bereikt.

        Hij heeft volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overwonnen en heeft de vernietiging van waarneming en gevoelen bereikt. En wijze inziende zijn de neigingen bij hem verdwenen.

        Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen. Ontkomen is hij aan het hechten aan de wereld. Hij gaat veilig, staat veilig, veilig zit hij neer, veilig kiest hij een rustplaats voor de nacht, en waarom? - Hij is niet in het bereik van het kwaad gekomen.”

        Aldus sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de toespraak van de Boeddha.

5.3. Uitwissing

Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster. Daar gaf Hij aan de eerwaarde Cunda het volgende onderricht: "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in een van de vier meditatieve verdiepingen en dat hij dan denkt: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven op z'n gemak hier en nu.'

        "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in de meditatieve verdieping van oneindige ruimte, oneindig bewustzijn, de sfeer van nietsheid of de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming. Hij kan dan denken: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven in vrede.'

        Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden:

              “Anderen kunnen kwaad doen, maar ik zal argeloos worden en geen kwaad doen.

Anderen kunnen levende wezens doden, maar ik zal afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar ik zal afzien van het nemen wat niet is gegeven.

Anderen kunnen onkuis leven, maar ik zal kuis leven.

Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar ik zal afzien van valse getuigenis en van liegen.

Anderen kunnen lasteren, maar ik zal afzien van lasterpraat.

Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar ik zal afzien van het gebruik van ruwe taal.

Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar ik zal afzien van geroddel.

Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar ik zal niet hebzuchtig zijn.

Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar ik zal geen gedachten van kwaadwil hebben.

Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar ik zal juiste visies hebben.

Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar ik zal juiste bedoelingen hebben.

Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar ik zal juiste taal gebruiken.

Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar ik zal juiste daden verrichten.

Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar ik zal een juist levensonderhoud hebben.

Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar ik zal juiste inspanning doen.

Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar ik zal juiste oplettendheid hebben.

Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar ik zal juiste concentratie hebben.

Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar ik zal juiste kennis en juist weten hebben.

Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar ik zal juiste bevrijding hebben.

Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar ik zal vrij zijn van traagheid en starheid.

Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar ik zal niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

Anderen kunnen twijfelen, maar ik zal vrij zijn van twijfel.

Anderen kunnen boos zijn, maar ik zal niet boos zijn.

Anderen kunnen vijandig zijn, maar ik zal niet vijandig zijn.

Anderen kunnen kleineren en verachten, maar ik zal niet kleineren en niet verachten.

Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar ik zal niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar ik zal niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

Anderen kunnen jaloers zijn, maar ik zal niet jaloers zijn.

Anderen kunnen bedriegen, maar ik zal niet bedriegen.

Anderen kunnen huichelaars zijn, maar ik zal geen huichelaar zijn.

Anderen kunnen koppig zijn, maar ik zal niet koppig zijn en niet verstokt.

Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar ik zal niet hoogmoedig zijn.

Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar ik zal gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar ik zal edele vrienden hebben.

Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar ik zal oplettend en achtzaam zijn.

Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar ik zal betrouwbaar zijn.

Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar ik zal vol schaamte zijn.

Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar ik zal gewetensvol zijn.

Anderen kunnen zonder leren zijn, maar ik zal veel leren.

Anderen kunnen lui zijn, maar ik zal energiek zijn.

Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar ik zal gevestigd zijn in oplettendheid.

Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar ik zal begiftigd zijn met wijsheid.

Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar ik zal geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, ik zal daar niet vast aan houden en zal het met gemak verwerpen.”

Zó moet geoefend worden. (M.8)[25]

         

               Kortom, anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar ik zal vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Zó moet geoefend worden.

Tot besluit

        In het Boeddhisme kent men vier niveaus van heiligheid. Iedereen kan een heilige worden. Maar meerdere hindernissen belemmeren de vooruitgang op het pad van de edelen, het pad naar de bevrijding van lijden. Meerdere smetten verontreinigen de geest waardoor men de waarheid niet of niet duidelijk kan zien. Tien boeien kluisteren iemand aan het leven van lijden, frustratie en onvoldaanheid. Door geleidelijk die hindernissen, smetten en boeien te verwijderen, bereikt men achtereenvolgend de vier niveaus van heiligheid.

        De sotapanna, de in de stroom getredene, heeft de drie lagere boeien opgeheven. Voor hem of haar is er hoogstens nog zeven keer een wedergeboorte onder de goden of mensen. Wie het eerste niveau van heiligheid bereikt heeft, is in de stroom naar het hoge doel, Nibbana. Dan is geen terugkeer in de lagere werelden van bestaan meer mogelijk. Met zekerheid gaat men in de richting van volledige vrijheid van lijden, naar volmaakte heiligheid. Men heeft dan de garantie dat het hoogste geluk dat er bestaat bereikt zal worden.

        De sakadagami, de eenmaal wederkerende, heeft de drie lagere boeien overwonnen. Verder heeft hij of zij bepaalde soorten van begeerte, afkeer en onwetendheid verminderd. Hij of zij komt nog één keer in deze wereld terug en maakt daarna een einde aan het lijden.

        De anagami, de niet meer wederkerende, heeft de vijf lagere boeien opgeheven, zonder overblijfsel ervan. Daarom keert hij of zij nooit meer terug naar deze wereld van onvoldaanheid, lijden.

        De Arahant, de volmaakte heilige, heeft niet alleen de vijf lagere boeien overwonnen, maar ook zijn bij hem de vijf hogere boeien opgeheven. Begeerte is helemaal overwonnen, helemaal verdreven; haat, afkeer is totaal verdwenen; en aan onwetendheid is geheel en al een einde gemaakt. Het hoge doel is bereikt. Verder is er niets meer te doen.

        Van het lichaam is afstand gedaan. Van de zintuigen is afstand gedaan. Van het bewustzijn is afstand gedaan. Dit wil zeggen dat de Arahant het lichaam niet meer beschouwt als tot hem behorende, als een zelf. Het weten, het inzicht is er dat het lichaam ontstaan is en weer zal vergaan. Het behoort hem niet toe. Het is zonder zelf, zonder een ik. Er is geen enkele reden waarom hij of zij aan het lichaam zou hechten.

        Evenmin beschouwt hij de zintuigen als tot hem behorende, als een zelf. Het weten, het inzicht is er dat de zintuigen ontstaan zijn en weer zullen vergaan. Ze behoren hem niet toe. Ze zijn zonder zelf, zonder een ik. Er is geen enkele reden waarom hij aan de zintuigen zou hechten.

        Er is geen ik die ziet of hoort of ruikt of proeft of aanraakt of denkt, maar door oorzaken ontstaat zien-bewustzijn, ruik-bewustzijn, smaak-bewustzijn, aanraak-bewustzijn, denk-bewustzijn. En die soorten bewustzijn zijn veroorzaakt door contact. Wat veroorzaakt is, zal weer vergaan. Ze behoren hem niet toe. Ze zijn zonder zelf, zonder een ik. Er is geen enkele reden waarom hij aan die soorten bewustzijn zou hechten.

        Zo heeft de Arahant afstand genomen van het lichaam, van de zintuigen en van het bewustzijn. Met bewustzijn is hier bedoeld het ik-bewustzijn. In de plaats daarvan is door volledige opheffing van onwetendheid gekomen het zo-bewustzijn: zo is het ontstaan, zo is het vergaan. Dat zo-bewustzijn hecht zich nergens meer aan. Het is vrij, onbegrensd.

        Dat is het doel van het pad van de edelen: te komen tot een bewustzijn dat zich nergens meer aan hecht, dat vrij is, helder en stralend.

        De uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Ze bestaat in het doven van het vuur van verlangen naar iets of het vuur van afkeer van iets. Dat doven gebeurt doordat aan het drievoudige vuur van begeerte, afkeer en onwetendheid geen brandstof meer toegevoegd wordt. Door het opheffen van alle onwetendheid komt de waarheid in ons aan het licht. Daardoor zien wij dat er geen enkele reden is om ons ergens aan te hechten: alles is immers veranderlijk, vergankelijk, veroorzaakt, niet alleen ‘het andere’ maar ook wijzelf.         

        Als men in overeenkomst met de leer handelt, als de geest bedwongen is, kan men deel hebben aan de vruchten van het heilige leven. Vredig en kalm is men dan, met een stralend uiterlijk. Een groot geluk en een grote vrede vervult iemand dan. En zo'n toestand is ook tegenwoordig mogelijk. (zie A.I.4)

-=0=-

Geraadpleegde bronnen

Buddhadasa Bhikkhu. Handbuch für die Menschheit, zum Verständnis des Buddhismus, s.a.

Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy: BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 73.

Dahlke, Paul (Übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden: Fourier, [s.a.]

Dhammananda, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988.

The Discourse on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8,’ in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy: BPS, 1964, The Wheel Publication 61/62, p. 30-42.

Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930.

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy: BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.

Horner, I.B.: The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Transl. by I.B. Horner. Kandy: BPS, 1974. The Wheel No. 198.

Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle length Sayings (Majjhima-Nikāya), Vol. I. : The first fifty discourses (Mūlapaņņāsa). Oxford: PTS, 2000.

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy: BPS, 1990.

Ireland, John D. (tr.) The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy: BPS, 1991.

Katz, Nathan: Buddhist Images of Human Perfection. The Arahant of the Sutta Pitaka Compared with the Bodhisattva and the Mahâsiddha. Delhi, 1989 [1982]

Ling, Trevor: A Dictionary of Buddhism. Indian and South-East Asian. Calcutta/New Delhi: Bagchi & Co, 1981. (Bagchi Indological Series; 2).

Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy: BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Ñânananda, Bhikkhu: An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy: BPS, 1972, The Wheel No. 183/185

Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 188, p. 19-22.

Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy: BPS, 2524/1980.

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pālo-Kanons, Wien 1956,

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London: PTS, 1984.

Nyânaponika Thera: The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Edited by Nyânaponika Thera. Kandy: BPS, 1964, The Wheel No. 61/62.

Nyanaponika Thera (comp. & tr.) The Five Mental Hindrances and their Conquest. Selected Texts from the Pali Canon and the Commentaries. (repr.) - Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 26. (1st ed. Colombo 1947).

Nyanaponika (Übers.) Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln: DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.

Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy: BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.

Perera, T.H.: The Four Cankers (Āsavas). Kandy: BPS, 1967, Bodhi Leaves No. B 35.

Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1960. The Wheel no. 1,

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy: BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford: PTS, 1993. (1st. ed. 1915).

Seidenstücker, Karl (übers.): Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus Übers. von Karl Seidenstücker. Moers: Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]

Soma Thera (tr.): The Lesser Discourse of the Buddha on the Elephant-footprint Simile, Kandy 1960, Bodhi Leaves No. B.5.

Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.

The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.

Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy: BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

--==--


[1] Volgens het commentaar is deze leerrede gericht tot een grote groep van voormalige Brahmanen, die erg gehecht waren aan hun uitsluitend theoretisch begrip van de leer.

[2] Een wereldling is iemand die nog geen niveau van heiligheid bereikt heeft. Hij bevindt zich nog volledig in de sfeer van verkeerde opvattingen.

[3] Het werkwoord sañjanati heeft niet betrekking op het "directe inzien overeenkomstig de werkelijkheid", maar op de waarneming van de wereldling die door onwetendheid gevormd is, het “als waar aannemen” dat de basis is voor de vorming van een concept, waardoor de scheiding tussen subject en object gevestigd wordt, en zo de ik-illusie.

[4] Volgens het commentaar zijn daarmee de wezens tot en met de sfeer van de mensen bedoeld. De hogere sferen worden aansluitend behandeld.

[5] Devas van de zinnelijke sferen.

[6] Naam van een Vedische god.

[7] Dit heeft betrekking op de hemelse wezens wier sfeer van bestaan overeenkomt met de geestelijke toestand van de eerste jhana.

[8] De wezens op het niveau overeenkomend met de 2e jhana.

[9] De wezens overeenkomend met de 3e jhana.

[10] De wezens overeenkomend met de 4e jhana.

[11] Het ondervondene omvat datgene wat geproefd, gesmaakt, geroken en aangeraakt is.

[12]  Enige commentatoren zijn van mening dat de Boeddha hier spreekt over verkeerde voorstellingen van Nibbana. Maar Bhikkhu Ñanananda wijst erop dat deze begrenzing van de betekenis niet overeenkomt met de geest van de leerrede. Het zou een poging zijn om de “heiligheid” van Nibbana te redden. Maar aan het concept van Nibbana moet geen bijzondere plaats gegeven worden. Een Verlichte hecht aan geen enkel concept, ook niet aan Nibbana.

[13] Een in de stroom getredene, een eenmaal wederkerende, een niet meer wederkerende: op deze niveaus van heiligheid is verkeerde opvatting al overwonnen, maar nog niet de basis-onwetendheid.

[14] Het werkwoord abhijanati beschrijft een onderkennen, letterlijk een erboven staan, dat vrij is van verkeerde opvatting.

[15] De oefenende, die al een bovenwereldlijk niveau bereikt heeft, maar nog niet volledig bevrijd is, is nog niet vrij van de waan "ik ben". Hij weet echter op grond van zijn juiste zienswijze dat dit ik-idee niet overeenkomt met de waarheid. Hij werkt daarom aan de volledige bevrijding.

[16] De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. De oorzaak voor conceptuele voorstellingen is bij hem niet meer aanwezig.

[17] Hij heeft de vier edele waarheden in deze objecten doorschouwd. Tevens heeft hij die vier edele waarheden in zich verwerkelijkt en heeft hij het einde van dukkha bereikt.

[18] In de volgenden drie paragrafen wordt duidelijk gemaakt dat het volledige doorschouwen van de Arahant samengaat met de vernietiging van de drie onheilzame wortels: begeerte, afkeer, onwetendheid. De merkwaardige formulering "vrij van begeerte door de vernietiging van de begeerte" betekent dat hij niet alleen tijdelijk vrij is van begeerte, maar dat ze aan de wortel afgesneden is.

[19] Een aanduiding voor de Boeddha die deze term vaak gebruikte als hij over zichzelf sprak.

[20] "Tot aan het einde" heeft betrekking op de eigenschap die Boeddhas van Arahants onderscheidt. Beiden zijn op gelijk niveau wat betreft de vernietiging van de neigingen. Maar het volledig doorschouwen van alle verschijnselen is alleen aan Boeddhas voorbehouden.

[21] Een korte samenvatting van de keten van oorzakelijk ontstaan. Die keten had de Boeddha in de nacht van zijn Verlichting ingezien. Hier sluit de Boeddha de kring door erop te wijzen dat het behagen scheppen uiteindelijk oorzakelijk met dukkha verbonden is.

[22] Volgens een commentaar waren de bhikkhus niet verheugd over de woorden van de Boeddha omdat zij de moeilijke leerrede niet hadden begrepen. Maar vermoedelijk hadden zij de woorden juist heel goed begrepen en voelden zij zich in hun hoogmoed betrapt. De PTS-uitgave heeft een ander einde. Daar zijn de bhikkhus zoals gewoonlijk blij met de leerrede.

[23] Bapat, P.V. (Ed.) : The Majjhima Nikāya (1. Mūla pannāsakam). [s.l.] 1958, p. ix.

[24] Gedeelte van M.26, in: Horner, I.B. (transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy : BPS, 1974, The Wheel No. 198; en in: Dahlke, Paul (Übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden : Fourier, [s.a.], p. 5-39.

[25]  The Discourse on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8, in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of         the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy 1964, Wheel Publication 61/62, p. 30-42.