Facetten van het Boeddhisme


naar Index

9.3.1. De smetten, boeien, hindernissen

1. de boeien, smetten, hindernissen     
1.1. de vijf hindernissen     1.1.1. begeerte     1.1.2. haat, afkeer, kwaadwil   1.1.3. traagheid en luiheid    1.1.4. rusteloosheid en zich zorgen maken     1.1.5. twijfel     1.1.6. voedsel voor en te boven komen van de hindernissen    1.1.7. zes zes elementen van  ontkomen     1.2. Negen hindernissen   1.2.1-3. begeerte, haat, onwetendheid   1.2.4-5. woede, toorn, boosheid   1.2.6. lasteren, kleineren, verachten   1.2.7. tyrannie, overheersen   1.2.8. afgunst, jaloersheid   1.2.9. gierigheid     1.3. de 16 smetten van de geest    1.3a. Doorzien van hebzucht   1.3.1. Hebzucht en onjuist begeren   1.3.2. kwaadwil, afkeer, haat   1.3.3. boosheid, woede   1.3.4. vijandschap   1.3.5. lasteren, kleineren, verachten   1.3.6. tyrannie, overheersen   1.3.7. afgunst, nijd   1.3.8. jaloersheid   1.3.9. huichelarij, misleiding   1.3.10. bedriegen   1.3.11. koppigheid, verstoktheid   1.3.12. aanmatigen, wedijveren   1.3.13. eigendunk, verwaandheid    1.3.14. hoogmoed, laatdunkendheid   1.3.15. pronkzucht, ijdelheid   1.3.16. nalatigheid, onoplettendheid   1.3.17. ontplooien     1.4. Geestelijke boeien voor de discipel   1.5. de tien boeien  1.5a1. Maha Malunkya sutta   1.5a2. De volgeling  Dighavu     1.5b. De vijf hogere boeien   1.5.1. geloof in persoonlijkheid     1.5.2. twijfel      1.5.3. bijgeloof, gehechtheid aan regels en rituelen      1.5.4. begeerte naar zintuiglijk genot     1.5.5. afkeer, innerlijk tegenstreven     1.5.6. begeerte naar fijnstoffelijk bestaan     1.5.7. begeerte naar onstoffelijk bestaan     1.5.8. verwaandheid     1.5.9. rusteloosheid en zich te veel zorgen maken     1.5.10 onwetendheid     1.5.10.1. opheffen van onwetendheid     1.6. Opdroging van de neigingen   1.7. De poel water    1.8. Het heldere bewustzijn    1.9. Onthechten


1. De boeien, smetten, hindernissen


Als men het pad van de edelen, van de heiligen, heeft betreden, is men er zeker van dat volmaakte heiligheid bereikt zal worden. Het streven ernaar, de inspanningen die men ervoor moet doen, zijn beslist de moeite waard.

Maar dat pad, die weg naar volmaakte heiligheid zit vol met smetten van de geest die helder inzien belemmeren, vol met hindernissen die overwonnen moeten worden, en vol met boeien die ons kluisteren aan deze wereld van lijden.

Om de vier niveaus van heiligheid te kunnen bereiken, moeten die smetten verwijderd worden, moeten de hindernissen overwonnen worden en van de boeien waaraan men gekluisterd is moet men zich bevrijden.


De geest is bevlekt met van buiten komende smetten. Maar oorspronkelijk is de geest helemaal zuiver. Door de Volmaakt Verlichte is het als volgt gezegd: “Deze geest is stralend, maar wordt bevuild door van buiten komende smetten.” Door de geest te reinigen kan men ze stralender maken. En de inspanning daarvoor is niet tevergeefs.


In diverse leerreden worden de hindernissen, boeien en smetten van de geest opgesomd. Er zijn suttas met 5, met 9, met 16 en met 10 hindernissen die overwonnen moeten worden. Enkele ervan worden in meerdere suttas vermeld. Zij moeten allemaal overwonnen worden vóór het betreden van het pad van de edelen of tijdens het gaan over dat pad.


Op twee manieren kan men iets overwegen, namelijk:

1. Men overweegt het genot bij de boeiende dingen. - Wanneer men zo overweegt, overwint men niet de begeerte, afkeer, onwetendheid. En men wordt niet vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt niet vrij van lijden.

2. En men overweegt de afkeer van de boeiende dingen. - Wanneer men zo overweegt, overwint men begeerte, afkeer en onwetendheid. Zo wordt men vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt vrij van lijden. (A.II.6)


Om alle hindernissen, smetten en boeien te overwinnen, moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien, de vier juiste inspanningen ontplooien, de vier jhanas ontplooien. (A.IX.73-92)



1.1. De vijf hindernissen (pañca nīvaranāni)

De volgende vijf hindernissen maken inzicht krachteloos; ze belemmeren vooruitgang en concentratie. Het zijn:

1. lobha, rāga, kāmacchanda: zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust, begeerte;

2. dosa, vyāpāda: haat, afkeer, kwaadwil;

3. thīna -middha, traagheid en luiheid.

4. uddhaccakukkucca: rusteloosheid en zich zorgen maken, piekeren, gewetenswroeging;

5. vicikicchā: twijfel. (A.IX.64, 67; D.2; zie ook A.III.69, S.XLVII.5 en M.10)


De hindernissen 1 en 2, begeerte en haat, worden ook genoemd bij de negen hindernissen. (zie § 1.2.)


Wanneer deze vijf hindernissen zijn ontstaan, dan zijn ze moeilijk te verdrijven. (zie A.V.160)


"Als deze vijf geestelijke hindernissen aanwezig zijn, kan men niet helder zijn eigen heil onderkennen, noch dat van anderen, noch dat van beiden." (A.V.193).


"Wanneer iemand deze vijf hindernissen niet heeft overwonnen, is het onmogelijk om zijn eigen ware heil te weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal niet in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.

Maar wanneer iemand de vijf belemmeringen en hindernissen heeft overwonnen, deze overdekkingen van de geest die inzicht krachteloos maken, dan is het mogelijk dat hij met zijn sterk inzicht zijn eigen ware heil kan weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.

Wiens hart overweldigd is door onbeheerst verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en piekeren, en door twijfel, die persoon doet wat hij niet moet doen en verwaarloost wat hij moet doen. En daardoor komt zijn goede naam en zijn geluk tot verderf.” (A.V.51).


“Uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid, met de geest overweldigd door begeerte, door haat, door onwetendheid, heeft men een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. Men streeft dan naar eigen nadeel, naar het nadeel van anderen, naar beider nadeel; uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid lijdt men geestelijke pijn en zorgen.

Maar wanneer de begeerte, de haat, de onwetendheid is opgeheven, dan voert men in daden, woorden of gedachten geen slechte levenswandel en dan streeft men niet naar eigen nadeel, noch naar het nadeel van anderen noch naar beider nadeel; men lijdt geen geestelijke pijn en zorgen." (A.III.54-55, zie ook A.III.56 en A.III.72-73 en A.IV.18-19)

Het is nodig voor een monnik om af en toe zelfonderzoek te doen, om te zien of begeerte, kwaadwil, traagheid en starheid in hem zijn ontstaan of niet; om te zien of bezorgdheid en opwinding, en twijfels in hem bestaan; om te zien of hij vrij is van boosheid (woede) en of zijn geest wel of niet door onheilzame gedachten besmet is; om te zien of zijn lichaam op zijn gemak is, zonder rusteloosheid; om te zien of hij door luiheid is bezet; om te zien of hij concentratie van de geest heeft met helder begrip. (zie A.X.51)

“Hoe beoefent een monnik het overwegen van de geestelijke objecten van de vijf hindernissen? - Wel, monniken, wanneer zinsverlangen in hem aanwezig is, dan weet hij: ‘Er is zinsverlangen in mij.’ Wanneer kwaadwil in hem aanwezig is, dan weet hij: ‘Er is kwaadwil in mij.’ Wanneer traagheid en luiheid in hem aanwezig zijn, dan weet hij: ‘Er is traagheid en luiheid in mij.’ Wanneer rusteloosheid en zich zorgen maken in hem aanwezig izijn, dan weet hij: ‘Er is rusteloosheid en zich zorgen maken in mij.’ Of wanneer deze hindernissen afwezig zijn, dan weet hij: ‘Er is geen hindernis in mij.’

Hij weet hoe het ontstaan van een niet ontstane hindernis geschiedt; hij weet hoe het verwerpen van de ontstane hindernis geschiedt; en hij weet hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de verworpen hindernis geschiedt.” (M.10).


“Wanneer een edele discipel deze vijf smetten inderdaad als belemmeringen van de geest heeft gezien, dan geeft hij ze op. En zodoende wordt hij beschouwd als iemand met grote wijsheid, met overvloedige wijsheid. Hij wordt dan beschouwd als iemand die helder en duidelijk ziet, die wel-begiftigd is met wijsheid. Dit heet: ‘Begiftigd met wijsheid’.” (A.IV.61).


1.1.1. Begeerte


Begeerte, zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust worden ook vermeld bij de §§ 1.2.1. en 1.5.4.


Volgens het commentaar noemde de Verhevene ‘begeerte’ als eerste smet, omdat ze als eerste ontstaat. Want bij alle wezens, in welke sfeer van bestaan zij ook herboren worden, ontstaat het eerst begeerte door verlangen naar bestaan. Daarna verschijnen de andere smetten, al naar gelang de omstandigheden.

Zintuiglijk verlangen naar en bevrediging in zingenot is een verontreiniging van de geest die er vast gevestigd is. Alles kan dienen als object voor begeerte, verlangen: kleuren en vormen, geluiden en geuren, smaken en aanrakingen, ideeën en gedachten. (Zie M.26) Die dingen zijn aangenaam, aantrekkelijk. Maar wie erin verstrikt is, wie geen inzicht heeft in het lijden, in het onbevredigende ervan, wie niet weet hoe eraan te ontkomen, die personen zijn tot ongeluk vervallen, zijn tot neergang vervallen, zijn een voorwerp naar willekeur voor het kwaad. (M.26)

Maar degenen die van die dingen genieten zonder erin verstrikt te zijn, die er niet door overweldigd zijn, die inzicht in het lijden, het onbevredigende hebben, zij weten hoe zij eraan kunnen ontkomen. En die personen zijn niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, zijn geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad. (M.26)


“Begeerte omvat alle graden van aantrekkelijkheid tot een object, van het zwakste spoor van verlangen tot en met het grootste egoïsme.” (A.III.68).


"De begeerte (tanha) is als een net, rusteloos drijvende, zich ver uitstrekkend, verstrikkend, waarin de mensheid verzonken en verwikkeld is als in de war geraakte draden, vervlochten als een strik uit gras en twijgen, zodat de mensen niet heen komen over de lagere werelden, de sporen van lijden, de afgronden van bestaan, de kringloop van het bestaan (samsāra).

Wat nu is die begeerte waarin de mensheid verstrikt is? - Er zijn achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte, en er zijn achttien uiterlijk veroorzaakte sporen van de begeerte.

Wat nu zijn de achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte? - Wanneer de gedachte bestaat van 'ik ben',1 dan ontstaat ook de gedachten 'dat ben ik' 2 – 'juist zo ben ik' – 'ik ben anders'3 - 'ik ben eeuwig zijnde'4 – 'ik ben niet eeuwig zijnde'5 - 'Misschien kan ik zijn'6 - 'Misschien kan ik dat zijn' – 'Misschien ben ik precies hetzelfde' – 'Misschien ben ik wel anders' – 'Graag zou ik willen zijn'7 - 'Graag zou ik dat willen zijn' – 'Graag zou ik precies zo willen zijn' – 'Graag zou ik anders willen zijn' – 'Ik zal zijn.' - 'Ik zal dat zijn.' - 'Ik zal precies zo zijn' – 'Ik zal anders zijn'. Dit zijn de achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte.

Wat nu zijn de achttien uiterlijk veroorzaakte sporen van de begeerte? - Wanneer de gedachte bestaat: 'Om deze reden ben ik,'8 dan ontstaan ook de gedachten: 'Om deze reden ben ik dat'9 - 'Om deze reden ben ik precies zo' - 'Om deze reden ben ik anders' - 'Om deze reden ben ik eeuwig zijnde' - 'Om deze reden ben ik niet eeuwig zijnde' - 'Om deze reden ben ik misschien' - 'Om deze reden ben ik misschien dat' - 'Om deze reden ben ik misschien precies zo' - 'Om deze reden ben ik misschien anders' - 'Om deze reden wil ik graag precies zo zijn' - 'Om deze reden wil ik graag anders zijn' - ''Om deze reden wil ik graag zijn' - 'Om deze reden wil ik graag dat zijn' - 'Om deze reden zal ik zijn' - 'Om deze reden zal ik dat zijn' - 'Om deze reden zal ik precies zo zijn' - ''Om deze reden zal ik anders zijn.' Dit zijn de achttien uiterlijke sporen van de begeerte." (A.IV.199)

Kortom, lijden ontstaat door begeerte en begeerte ontstaat door de mening dat er een "ik" is.


"Wat er aan begeerte bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de begerende volvoert in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een begerende, overweldigd door begeerte, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, - hetzij door terechtstelling, inkerkering, onttrekking van goederen, beschuldiging of uitwijzing – in de gedachte dat hij de macht heeft en de macht wil gebruiken, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door begeerte geproduceerd, door begeerte als voorwaarde, uit begeerte ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen." (A.III.70)


"De Boeddha onderwijst de overwinning van begeerte, en wel de begeerte naar lichamelijkheid, de begeerte naar gevoel, de begeerte naar waarneming, de begeerte naar formaties, de begeerte naar bewustzijn.

Welk kwaad is er in die soorten van begeerte? - Wanneer bij de lichamelijkheid, bij het gevoel, bij de waarneming, bij de formaties, bij het bewustzijn de begeerte niet is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen, niet zijn verdwenen, dan ontstaan door verandering van de lichamelijkheid, van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn zorgen, gejammer, pijn, leed en wanhoop. Daarom onderwijst de Boeddha de overwinning van begeerte.

Welk voordeel is er in de overwinning van begeerte? – Wanneer bij lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn begeerte is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen is verdwenen, dan ontstaan niet bij hem door verandering van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn leed, gejammer, pijn, leed en wanhoop. Dat is het voordeel ervan." (S.XXII.2)



"Negen dingen hebben hun wortels in begeerte. Na het begeren volgt het zoeken; na het zoeken volgt het verkrijgen; na het verkrijgen volgt de beslissing; na de beslissing volgt de hebzucht; na de hebzucht volgt de egoïstische drang; daarna volgt het in bezit nemen; daarna volgt de gierigheid; daarna volgt het waken over de dingen; en bij het waken over iets grijpt men naar stok en zwaard, er volgt strijd, ruzie, twist, lasterpraat en leugens, en er ontstaan veel andere slechte, onheilzame dingen." (A.IX.23, zie ook D.15)


"Begeerte is een klein kwaad, maar moeilijk te overwinnen. De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane begeerte tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte steeds groter en sterker wordt, is een aantrekkelijk object. Want wie over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte wordt steeds groter en sterker." (A.III.68-69; A.I.2)


"De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte verdwijnt, is een walgelijk object (asubha-nimitta). Want wie over een walgelijk object wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt." (A.III.69; A.I.2)


Monniken te Savatthi vertelden aan de Boeddha dat koning Pasenadi veel mensen had laten boeien. De Boeddha zei toen dat die boeien niet sterk zijn. Maar de begeerte naar zonen en vrouwen is een sterke boei. Ze trekt ons mee en is moeilijk los te maken. Wie deze boei heeft verbroken, die gaat zonder begeerte rond; hij heeft zinnelijke lust en vreugde achter zich gelaten.(S.III.10; zie ook Dhp. 345-346).


"Wie het lijden heeft gezien en de oorzaak ervan, die zal zich geen zinnelijke genietingen toeëigenen. Het hechten aan de wereld is een boei. Men moet zich inspannen om die boei te verwijderen." (S.IV.20)


Te Savatthi zeiden Satullapa Devata aan de Boeddha:

"Zinnelijke genietingen bij de mensen zijn niet blijvend. Door er aan gebonden te zijn, erdoor verlamd, kan men niet komen tot niet meer wederkeer uit het bereik van de dood."

"Uit begeerte stamt het kwaad; uit begeerte stamt het lijden. Uit de opheffing van begeerte volgt opheffing van het kwaad; uit de opheffing van het kwaad volgt opheffing van lijden."

"Niet de veelvuldige zinnelijke genietingen die er in de wereld zijn, maar het willen en verlangen van de mens is de lust der zinnen. De veelvuldige genietingen in de wereld blijven bestaan, maar de wijze verwijdert de begeerte ernaar."

Deze woorden werden door de Boeddha goedgekeurd. (S.I.34)


Te Savatthi. De eerwaarde Ananda en de eerwaarde Vangisa vertoefden er in het Jetavanaklooster. Beiden gingen op een morgen naar Savatthi om er voedsel te vergaren.10 De Eerwaarde Vangisa werd toen bevangen door begeerte en lust. Zijn denken was erdoor in de war. Hij vroeg daarom aan de eerwaarde Ananda hoe hij die begeerte naar zinnelijk genot kon doven. Het antwoord van Ananda luidde: "Door een verkeerde voorstelling van zaken brandt in jou het vuur van begeerte. Vermijdt daarom gedachten die aangenaam zijn en die met begeerte gepaard gaan. Beschouw de wordingen als iets vreemds, als lijden, niet als iets dat tot jezelf behoort. Doof de begeerte; richt je denken geconcentreerd op iets onaangenaams. Wees bezonnen en beoefen gelijkmoedigheid. Oefen je erin van de gedachten los te komen, geef de neiging naar hoogmoed op. Dan zul je in vrede gaan." (S.VIII.4; vergelijk Sn. verzen 341, 342, 340).


De wereld is omhuld door de rook van begeerte. (S.I.66). Mediteren over onzuivere objecten is het tegendeel van zinnelijk verlangen.

De wereld wordt gebonden door de wens. Door het verwijderen ervan wordt zij verlost. Door het opgeven van de wens snijdt men alle boeien door. (S.I.69).


De yakkha Sūciloma vroeg: “Waar hebben begeerte en haat hun oorsprong? Waaruit zijn onlust, lust, vrees ontstaan? Vanwaar zijn de gedachten ontstaan?”

De Verhevene: “Begeerte en haat hebben hier hun oorsprong. Onlust, lust, vrees zijn hier ontstaan. Gedachten zijn hier ontstaan. Uit begeerte zijn ze voortgekomen, in het eigen ik ontstaan. In groot aantal hechten zij aan de zinnelijke genietingen. Maar degenen die weten waar ze hun oorsprong hebben, die verdrijven ze. Zij overschrijden de rivier die moeilijk te overschrijden is, om niet meer wedergeboren te worden. (S.X.3)


Begeerte, lust wordt tijdelijk opgeheven tijdens de meditatieve verdiepingen. Men is dan uit het zicht van het kwaad gekomen. (M.26)


"Op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen ontstaat begeerte. Terwijl men er over nadenkt, ze overweegt, ontstaat begeerte. Met begeerte is men aan die dingen geboeid; want de smet van de geest door hevig verlangen is een boei. Zo ontstaat op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen de begeerte.

Op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen ontstaat geen begeerte. – Men ziet het toekomstige resultaat in van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen. Omdat men dat resultaat kent, vermijdt men ze. Terwijl men ze vermijdt en de geest ervan afwendt, onderkent men ze, ze wijs doordringend.

Zo ontstaat op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen geen begeerte." (A.III.113).


De begeerte naar de zinsobjecten wordt voorgoed opgegeven door het pad van niet-wederkeer. Maar alle soorten van begeerte, met inbegrip van het verlangen naar bestaan in de fijnstoffelijke en de onstoffelijke sferen, zijn alleen vernietigd op het pad van volmaakte heiligheid.



1.1.2. Haat, afkeer, kwaadwil

Haat, afkeer, kwaadwil, innerlijk tegenstreven wordt ook vermeld bij de §§ 1.2.2, 1.3.2 en 1.5.5.



“Afkeer ontstaat door onwijs nadenken over een walgelijk object. Afkeer omvat alle graden van tegenzin van het zwakste spoor van kwaadwil tot en met de hoogste top van haat en gramschap.” (A.III.68).


"Haat, afkeer is een groot kwaad maar gemakkelijk te overwinnen. De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane haat tot ontstaan komt en dat de ontstane haat steeds groter en sterker wordt, is een afstotend object. Want wie over een afstotend object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat tot ontstaan en de ontstane haat wordt steeds groter en sterker." (A.III.69; A.I.2; zie ook A.II.124-125)


Wat er aan haat bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de hatende volvoert in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een hatende, overweldigd door haat, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, - hetzij door terechtstelling, inkerkering, onttrekking van goederen, beschuldiging of uitwijzing – in de gedachte dat hij de macht heeft en de macht wil gebruiken, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door haat geproduceerd, door haat als voorwaarde, uit haat ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen. (A.III.70)

"De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane haat, afkeer niet tot ontstaan komt en dat de ontstane haat verdwijnt, is de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart. Want wie over de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat niet tot ontstaan en de ontstane haat verdwijnt." (A.III.69; A.I.2)


Het beoefenen van liefdevolle vriendelijkheid is het tegendeel van kwaadwil.

Verdraagzaamheid is de hoogste ascese.


De geest van iemand is vol kwaadwil en vol met haat gevulde bedoelingen en hij denkt: 'Mogen die wezens gedood worden, mogen zij in kleine stukken gehakt worden, mogen zij te gronde gaan, vernietigd worden.' - Een dergelijk gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114)

Iemand draagt kwaadwil in zich en zijn gemoed is vol kwaadwil. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)



De geest van iemand is vrij van kwaadwil en vrij van met haat gevulde bedoelingen en hij denkt: „Mogen die wezens vrij zijn van vijandschap, leed en angst. Mogen zij hun geluk behouden.' - Een dergelijk gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114)

Iemand is zonder kwaadwil en zijn gemoed is vrij van kwaadwil. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden. (M.114)

Men heeft geen kwaadwil in het hart. Men heeft pure gedachten en bedoelingen. Men is iemand wiens geest niet is aangedaan door haat. Men denkt: ‘Mogen deze levende wezens vrij zijn van vijandschap, vrij van angst en vrij van kwelling. Mogen zij zonder zorgen zijn en mogen zij gelukkig leven.’ Deze soort van gedrag is heilzaam. (A.X.206 en M.41).



Tot haat en kwaadwil behoort ook wrok, wraakzucht. Er zijn negen manieren waarop wraakzucht wordt gevormd [en wel door te denken]: 1) Hij heeft mij kwaad gedaan. 2) Hij doet me kwaad. 3) Hij zal me kwaad doen. 4) Hij heeft kwaad gedaan jegens iemand die me dierbaar is. 5) Hij doet kwaad jegens een dierbare. 6) Hij zal kwaad doen jegens een dierbare. 7) Hij heeft goed gedaan jegens iemand die ik niet mag. 8) Hij doet goed jegens iemand die ik niet mag. 9) Hij zal goed doen jegens iemand die ik niet mag. (A.IX.29; A.X.79-80)

Deze gedachten kunnen overwonnen worden door te denken welk nut het heeft om zulke gedachten te koesteren. (A.X.79-80)


Er zijn vijf manieren om van een wrok af te komen: 1) Als een afkeer jegens iemand ontstaat, moet men liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelen, 2) of medelijden of 3) gelijkmoedigheid jegens hem/haar. 4) Of men moet geen aandacht aan hem/haar schenken en niet aan hem/haar denken. 5) Of men moet de gedachte koesteren: “Zijn/haar enige bezit is zijn/haar daden; wat hij of zij ook doet, goed of slecht, hij/zij zal er de erfgenaam van zijn. Op die manier kunnen alle soorten van wrok die zijn ontstaan, worden verwijderd. (A.V.161; zie ook A.V.162)


Deze hindernis wordt geheel en al opgeheven bij niet-wederkeer.



1.1.3. Traagheid en luiheid


De derde hindernis wordt opgeheven op het pad van niet meer wederkeer. Ze bestaat uit een paar van euvels: traagheid (thîna) en luiheid (middha). Traagheid is een ziekelijke toestand van de geest; luiheid is een ziekelijke toestand van de geestelijke eigenschappen. Het is geen vermoeidheid van het lichaam. Ook de Arahants, de volmaakte heiligen die vrij zijn van dit paar van euvels, ondervinden lichamelijke moeheid. Laksheid is een gevaarlijke vijand van geestelijke ontwikkeling. Ze leidt tot grotere laksheid totdat er uiteindelijk een toestand ontstaat van grote onverschilligheid.11


"Niets anders dan de traagheid ken ik waardoor zodanig de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan komen en de ontstane heilzame dingen verdwijnen." (A.I.14; zie ook A.VIII.80)

Het ontplooien van energie, toegepast denken, geestelijke inspanning is het tegendeel van traagheid en luiheid. (A.VIII.80)


"Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane starheid en luiheid zozeer tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid tot groei en ontwikkeling komen, dan onlust en traagheid, het luie strekken van de ledematen, de versuftheid na de maaltijd en geestelijke slapheid. Want bij degene die geestelijk slap is komen de niet ontstane starheid en luiheid tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid krijgen groei en ontwikkeling." (A.1.2)


"Geen ander middel ken ik waardoor de ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan komen en de ontstane starheid en luiheid verdwijnen, dan de geestelijke houding van de wilskracht, het vooruit streven, en de energieke volharding. Want wie zijn wilskracht inzet, bij hem komen de niet ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid verdwijnen." (A.1.2)




1.1.4. Rusteloosheid en zich zorgen maken


Rusteloosheid en zich zorgen maken, gewetenswroeging worden ook vermeld bij § 1.5.9.


Deze hindernis bestaat uit geestelijke rusteloosheid, overbezorgdheid, gewetenswroeging, piekeren, gebrek aan innerlijke vrede en rust. Wij allen hebben bepaalde wensen, in het bijzonder een verlangen om wel of niet iets te krijgen, wel of niet iets te zijn, het een of het ander. Er zijn dingen die wij graag willen hebben of dingen waar wij bang voor zijn en die wij wantrouwen.12

Men moet zich realiseren dat het bestaan of het ontstaan van rusteloosheid in elke situatie een gevolg is van sommige vormen van verlangen, zelfs met inbegrip van het verlangen naar kennis. Wanneer verlangen is opgeheven door het besef van de vergankelijkheid, waardeloosheid en het niet-zelf zijn van alle dingen, wordt niets langer gezien als de moeite waard om te krijgen of te zijn, en dus is er geen enkele nieuwsgierigheid met betrekking tot iets. De Arahant is helemaal vrij van nieuwsgierigheid. Want er is niets waarnaar hij verlangt; zijn geest is zuiver.13


Piekeren is heel onheilzaam. (S.I.64-65)

Kalmte, een rustige geest, geluk is het tegendeel van rusteloosheid en bezorgdheid.


"Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane opwinding en gewetensonrust zozeer tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust tot groei en ontwikkeling komt, dan de innerlijke ontevredenheid. Want bij degene die innerlijk onrustig is, bij hem komt de niet ontstane opwinding en gewetensonrust tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust krijgt groei en ontwikkeling." (A.I.2)


"Niets anders ken ik waardoor de niet ontstane opgewondenheid en geestelijke onrust niet tot ontstaan komt en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt, dan de innerlijke rust. Want bij degene die innerlijk rustig is, komt de niet ontstane

opgewondenheid en gewetensonrust niet tot ontstaan en de ontstane verdwijnt." (A.1.2)


Deze hindernis wordt volledig opgeheven op het pad van niet-wederkeer (A.VI.65)





1.1.5. Twijfel


De hindernis twijfel wordt ook vermeld bij de drie lagere boeien (zie § 1.5.2).


Deze hindernis heeft hier betrekking op twijfel betreffende de Boeddha, de leer, de Orde en de beoefening van de leer. (M.16)


De twijfel wordt opgeheven en vervangen door onwankelbaar en onveranderlijk vertrouwen in de Boeddha, diens leer en de gemeenschap van heiligen bij het in-de-stroom-treden. Want slechts op dit niveau is de band van twijfel volkomen vernietigd. Onwankelbaar vertrouwen in het Drievoudige Juweel en ongebroken deugdzaamheid zijn de vier eigenschappen van iemand die de stroom naar het hoge doel heeft betreden. (Commentaar bij M.7)



1.1.6. Voedsel voor en te boven komen van de vijf hindernissen



“Juist zoals dit lichaam voedsel nodig heeft en niet zonder voedsel kan leven, op dezelfde manier hebben de vijf hindernissen voedsel nodig en kunnen zij zonder voedsel niet bestaan.” (S.XLVI.2).


Het voedsel van die belemmeringen wordt gevormd door de drie slechte manieren van leven, namelijk verkeerd gedrag wat betreft lichaam, taal en denken.

Dit drievoudige voedsel wordt op zijn beurt gevoed door het niet-beheersen van de zintuigen. Dit niet-beheersen van de zintuigen bestaat erin dat begeerte en afkeer toegelaten worden tot de zes zintuigen: oog, oor, neus, tong, lichaam en geest. Het voedsel van niet-beheersing is gebrek aan oplettendheid. De geest mist dan de kennis van de eigenschappen van het bestaan: veranderlijkheid, onvoldaanheid en niet-zelf. Ook het vergeten van de ware natuur der dingen is een reden voor niet-beheersing van de zintuigen. Als men niet steeds de vergankelijkheid en de andere eigenschappen der dingen in gedachten houdt, dan veroorlooft men zichzelf alle soorten vrijheden in denken, taal en daden.


Wanneer men zichzelf vrij ziet van deze vijf hindernissen, ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat verrukking. Bij degene wiens geest vol verrukking is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie. (D.2)


Het beheersen van de zintuigen gaat aldus. Wanneer men met het oog een vorm ziet, dan hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij het onbewaakte oog begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite dat te verhinderen. Men waakt over het oog en beteugelt het.

Wanneer men met het oor een geluid verneemt – wanneer men met de neus een geur ruikt – wanneer men met de tong een smaak proeft – wanneer men met het lichaam iets tastbaars voelt – wanneer men zich in de geest bewust is van een gedachte, dan hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij de onbewaakte zintuigen begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite dat te verhinderen. Men waakt over de zintuigen en beteugelt ze. Zo waakt men over de deuren van de zintuigen. (A.III.16)


Als de geest niet van die vijf onzuiverheden bevrijd is, is de geest niet plooibaar en niet handelbaar; dan heeft ze gebrek aan stralende helderheid en stevigheid. De geest kan zich dan niet goed concentreren op het vernietigen van de smetten.

Maar als de geest vrij is van die vijf onzuiverheden, dan is ze plooibaar en handelbaar; dan heeft ze stralende helderheid en stevigheid. En de geest kan zich dan goed concentreren op het verdrijven van de smetten. Er zijn staten die verwerkelijkt kunnen worden door de hogere geestelijke vermogens. Op wat voor staat daarvan men de geest ook richt, het vermogen om die te verwerkelijken zal men in ieder geval verwerven als aan de andere voorwaarden voldaan is. (A.V.23; zie ook A.V.193).


Onheilzaam zijn de vijf hindernissen, namelijk de hindernis door wensen, willen, de hindernis door haat, de hindernis door luiheid, de hindernis door opwinding en onrust, en de hindernis door twijfel.

Maar heilzaam zijn de vier grondslagen van oplettendheid. (S.XLVII.5)


De vijf hindernissen worden ook vermeld bij de vier grondslagen van oplettendheid, bij het beschouwen van geestelijke objecten.


Als zinsverlangen, kwaadwil, afkeer, traagheid en starheid, rusteloosheid en gewetenswroeging of als twijfel aanwezig is, weet iemand met begrip dat die betreffende hindernis aanwezig is. En als ze afwezig is, weet hij dat ook. Hij begrijpt hoe die hindernissen ontstaan en hij begrijpt hoe ze opgegeven kunnen worden. En hij begrijpt wat men moet doen om te voorkomen dat ze in de toekomst weer ontstaan. (M.10).


Het weten van het ontstaan van een van de hindernissen is een eenvoudige maar zeer effectieve methode om deze en andere smetten van de geest tegen te gaan. Door het oplettend en direct noteren van de hindernissen wordt een halt toegeroepen aan het ongeremde voortbestaan van onheilzame gedachten. Het noemen van de naam breekt de betovering, zoals ook in veel sprookjes wordt verhaald. Ook wordt de oplettendheid van de geest erdoor versterkt. Deze methode is gebaseerd op een eenvoudig maar psychologisch feit. In de commentaren is het als volgt omschreven: “Een goede en een slechte gedachte kunnen niet tegelijkertijd ontstaan. Tijdens het weten van het zinsverlangen (dat in het voorgaande moment ontstond) bestaat daarom dat zinsverlangen niet meer (maar alleen de daad van weten).”


Deze vijf hindernissen kunnen tijdelijk opgeheven worden door het bereiken van de jhanas, de meditatieve verdiepingen in de sfeer van vorm.


“Bevrijd van zinsverlangens, bevrijd van onheilzame ideeën, betreedt hij de eerste jhana en hij vertoeft erin; deze jhana gaat vergezeld van denk-voorstellingen en redenerend denken; ze is ontstaan uit afzondering en is gevuld met vreugde en verrukking.

Dan betreedt hij de tweede jhana en vertoeft erin; dan betreedt hij de derde jhana en dan de vierde jhana.” (D.2).

Maar het bereiken van de jhanas is niet het doel waarnaar gestreefd wordt. Door inzicht verdrijft men de verborgen smetten en bereikt men volmaakte zuiverheid. Zolang als onzuiverheden of smetten in iemands geest latent aanwezig zijn, zolang is het mogelijk dat er kwaad in hem of haar ontstaat.

Deze vijf hindernissen verdwijnen voorgoed bij het bereiken van de vier bovenwereldse paden. Sceptische twijfel (5) is verdreven bij het eerste niveau van heiligheid, het pad van het in de stroom treden. Zintuiglijk verlangen (1), kwaadwil (2) en rusteloosheid (4) zijn verdreven bij het derde niveau van heiligheid, het pad van niet-wederkeer. Ook traagheid en luiheid (3) verdwijnen op het pad van niet wederkeer.



1.1.7. De zes elementen van ontkomen - Nissâranîya Sutta (A.VI.13)


Er zijn zes elementen van het ontkomen, namelijk:


1. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende goedheid (metta) heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan door haat geboeid is. Want de gemoed bevrijdende goedheid bestaat immers uit het ontkomen aan haat.


2. Het is niet mogelijk dat bij iemand die het gemoed bevrijdende mededogen heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan geboeid wordt door vijandigheid. Want in het ontkomen aan vijandigheid bestaat immers het gemoed bevrijdende mededogen.


3. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende medevreugde heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan door ontevredenheid of tegenzin14 geboeid is. Want uit het ontkomen aan ontevredenheid en tegenzin bestaat immers de gemoed bevrijdende medevreugde.


4. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest door begeerte geboeid is. Want in het ontkomen aan de begeerte bestaat immers de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid.15


5. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijding zonder voorwaarden16 heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, het bewustzijn dan toch nog de voorstellingen van oorzakelijkheid navolgt. Want in het ontkomen aan alle voorstellingen van oorzakelijkheid bestaat immers de voorwaardeloze gemoed bevrijding.


6. Het is niet mogelijk dat bij iemand in wie de ik-gedachte verdwenen is en die niet meer de mening heeft ‘dit ben ik’, toch nog de geest geboeid gehouden wordt door de borende twijfel en onzekerheid. Want in het ontkomen aan borende twijfel en onzekerheid bestaat immers de vernietiging van de ik-waan.


Deze zes elementen van ontkomen zijn er. (A.VI.13)



Met andere woorden:

Het is niet mogelijk dat bij iemand de geest geboeid blijft door afkeer, als hij de bevrijding van het gemoed door het overdenken van metta, liefdevolle vriendelijkheid, ontplooit, vaak oefent. Want de

gemoed bevrijdende vriendelijkheid bestaat in het ontgaan van afkeer.

Het is niet mogelijk dat bij iemand die mededogen ontplooit, vaak oefent, de geest geboeid blijft door vijandschap. Want het gemoed bevrijdende mededogen bestaat in het ontgaan van vijandschap.

Het is niet mogelijk dat bij iemand die medevreugde ontplooit, vaak oefent, de geest geboeid wordt door ongenoegen. Want de gemoed bevrijdende medevreugde bestaat in het ontgaan van ongenoegen.

Het is niet mogelijk dat bij iemand die gelijkmoedigheid ontplooit, vaak oefent, de geest door begeerte geboeid wordt. Want in het ontgaan van begeerte bestaat de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid. ((A.VI.13; zie ook A.V.200)




1.2. Negen hindernissen

In A.IX.62 worden negen hindernissen opgesomd. Wanneer men deze hindernissen heeft overwonnen kan men de heiligheid verwerkelijken.

Die hindernissen zijn: 1) begeerte, 2) haat, kwaadwil 3) onwetendheid, 4) toorn, 5) woede, 6) lasteren, kleineren, 7) tirannie, overheersen, 8) afgunst, jaloersheid, 9) gierigheid.

Zonder negen dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om de heiligheid te verwerkelijken. Maar wie deze negen dingen heeft overwonnen, die is in staat om de heiligheid te verwerkelijken. (A.IX.62)



Van deze negen hindernissen moeten de nummers 4 t/m 9 overwonnen worden vóórdat het pad van de edelen betreden kan worden.

De hindernissen begeerte en haat, afkeer, verdwijnen pas helemaal op het pad van niet meer wederkeer.

En onwetendheid wordt pas geheel overwonnen bij het verwerkelijken van volmaakte heiligheid.

De hindernissen 1 en 2, begeerte en haat, worden ook genoemd bij de vijf hindernissen (zie § 1.1.1 en 1.1.2)


Er zijn twee eigenschappen waarmee men in ellende leeft; die de hard oefenende monnik tot nadeel strekken; waarmee men overeenkomstig de daden in een hel komt; en als men die eigenschappen heeft, na de dood in een lagere wereld verschijnt, in afgronden van bestaan, in een hel.

Die twee [paren van] eigenschappen zijn: toorn en woede; kleineren en jaloersheid; afgunst en gierigheid; valsheid en huichelarij; schaamteloosheid en gewetenloosheid. (A.II.181, 183, 185, 187, 189)

Er zijn twee eigenschappen waarmee men gelukkig leeft; ze strekken de hard oefenende monnik niet tot nadeel; als men in het bezit ervan is, komt men overeenkomstig de daden in een hemels bestaan; en als men in het bezit ervan is, verschijnt men na de dood op een goed pad van bestaan, in een hemelse wereld.

Die twee [paren van] eigenschappen zijn: het zijn zonder toorn en zonder woede; het vrij zijn van kleineren en van jaloersheid; het zijn zonder afgunst en zonder gierigheid; het vrij zijn van valsheid en huichelarij; het hebben van schaamte en morele vrees. (A.II.182, 184, 186, 188, 190)


Om deze hindernissen en smetten te doorzien en zich ervan te bevrijden, moet men twee dingen oefenen:

kalmte van geest en inzicht. (A.II.231-246)



1.2.1-3. begeerte, haat, onwetendheid

1.2.1. Begeerte; zie: § 1.1.1

1.2.2. Haat, kwaadwil; zie § 1.1.2.

1.2.3. Onwetendheid. - De hindernis onwetendheid wordt besproken bij § 1.5.10, omdat ze de laatste hindernis is die overwonnen moet worden.


Een asceet stelde eens aan de eerwaarde Ananda een vraag over begeerte, haat en onwetendheid samen. Het antwoord van de eerwaarde Ananda laat ik hier volgen.

"De Boeddha onderwijst de overwinning van begeerte, haat en onwetendheid. Welke slechte gevolgen zijn er bij begeerte, haat en onwetendheid?

Uit begeerte, haat en onwetendheid, overweldigd daardoor, met verstrikte geest, brengt men zichzelf schade toe, brengt men anderen schade toe, brengt men beide schade toe, lijdt men geestelijke pijn en smart.

Maar als begeerte, haat en onwetendheid zijn opgeheven, dan brengt men zichzelf geen schade toe, noch brengt men anderen schade toe, noch brengt men beide schade toe, dan lijdt men geen geestelijke pijn en smart.

Uit begeerte, haat en onwetendheid, overweldigd daardoor, met verstrikte geest, voert men een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. Men kent niet overeenkomstig de werkelijkheid het eigen heil, het heil van de ander, nog beider heil. Maar als begeerte, haat en onwetendheid zijn opgeheven, dan voert men geen slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. En men kent overeenkomstig de werkelijkheid het eigen heil, het heil van de ander en beider heil.

Begeerte, haat en onwetendheid maken blind, maken ogenloos, maken onwetend, verwoesten de wijsheid, zijn met kwalen verbonden en voeren niet naar Nibbana.

Omdat begeerte, haat en onwetendheid deze slechte gevolgen hebben, daarom is de overwinning van begeerte, haat en onwetendheid onderwezen.

En het pad dat naar de overwinning van begeerte, haat en onwetendheid voert, is het edele achtvoudige pad: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.” (A.III.72)




1.2.4-5. woede, toorn, boosheid


Deze smet wordt ook vermeld bij § 1.3.3.


“Iemand die toornig is, vol haat, boosaardig, een lasteraar, met slechte bedoelingen, huichelachtig, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 116)

Een man of vrouw wordt vlug boos, wordt vlug kwaad. Zelfs als een kleinigheid is gezegd, is die persoon woedend, boos, kwaadgezind. Hij of zij toont een slecht humeur, haat en knorrigheid. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon lelijk. Dit is de weg die voert naar lelijkheid, namelijk boosheid, woede, een slecht humeur, haat en knorrigheid. (M.135).

Maar wie niet vlug boos is, wie niet vlug kwaad wordt, wie niet om een kleinigheid woedend, boos, kwaadgezind is, wie geen slecht humeur, haat of knorrigheid toont, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon mooi. Dit is de weg die voert naar schoonheid, namelijk niet boos worden, niet kwaad worden, geen slecht humeur hebben en geen haat of knorrigheid tonen. (M.135).


"Om gelukkig te leven moet men de woede en de toorn afsnijden. De vernietiging van woede en toorn wordt door de edelen geprezen. Want dan heeft men geen lijden meer." (S.VII.1)


"Wanneer iemand op ons scheldt, ons beschimpt, dan nemen wij dat niet aan. Het valt terug op degene die scheldt of beschimpt.

Wie niet boos wordt op degene die boos is op ons, die wint de zware strijd. Wie rustig blijft, werkt voor de zegen van beiden, voor de eigen zegen en voor die van de ander. Alleen de mensen die onkundig zijn van de ware leer houden hem voor een dwaas." (S.VII.2-3)


"Een goed mens noemen de Tavatimsa goden degene die vader en moeder ondersteunt, die de oudsten in de familie hoog vereert, die zachtmoedig is en vriendelijk spreekt, die lasterpraat vermijdt, die zich inspant om de gierigheid te onderdrukken, en die de toorn overwint." (S.XI.11)


"De toorn moet men afsnijden om gelukkig te leven, om geen zorgen te hebben. De vernietiging van de toorn wordt door de edelen geprezen. Want als men de toorn heeft afgesneden lijdt men geen zorgen meer." (S.XI.21)


"De toorn moet men beheersen; men moet niet hevig zijn tegen de vrienden. Men moet diegene niet berispen die niet te berispen is. Men moet niet kwaad spreken. De booswicht wordt door zijn toorn verpletterd." (S.XI.24)

"Toorn mag iemand niet overmannen; men moet niet boos worden op iemand die boos is. Niet boos worden en geen letsel toebrengen is in de edele. Maar de booswicht wordt bedolven door zijn toorn." (S.XI.25)



Toorn is onheilzaam. Het vrij zijn van toorn is heilzaam, heeft geluk als resultaat. (A.II.191-200)



1.2.6. lasteren, kleineren, verachten


De smet van lasteren, kleineren, verachten wordt ook vermeld bij § 1.3.5.



Iemand spreekt hatelijk; hij vertelt elders wat hij hier vernomen heeft, om tweedracht te zaaien; of hij vertelt hier wat hij elders heeft gehoord, om tweedracht te zaaien. Hij is iemand die tweedracht zaait tussen degenen die eerst verenigd waren; hij is iemand die splitsing beoefent, die van tweedracht geniet, zich erover verheugt, zich eraan vermaakt, iemand die woorden uit die tweedracht zaaien. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)



Iemand ziet ervan af kwaad te spreken en van het veroorzaken van onenigheid. Hij vertelt niet elders wat hij hier vernomen heeft, om tweedracht te zaaien; hij vertelt niet hier wat hij elders heeft gehoord, om tweedracht te zaaien. Hij is iemand die degenen samenbrengt die gescheiden waren; hij is een voorstander van vriendschap, die van eendracht geniet, zich erover verheugt, zich eraan vermaakt, iemand die woorden uit die eendracht bevorderen. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114; A.X.206 en M.41).



Kleineren is onheilzaam. Het vrij zijn van kleineren is heilzaam, heeft geluk als resultaat. (A.II.191-200)





1.2.7. tirannie, overheersen


De smet van tirannie, overheersen wordt ook vermeld bij § 1.3.6.



Veeleisendheid leidt naar het ontstaan van onheilzame dingen. (A.I.14)



1.2.8. afgunst, jaloersheid, nijd

De smet van afgunst, jaloersheid, nijd wordt ook vermeld bij de §§ 1.3.7 en 1.3.8.

Een man of vrouw is jaloers; hij of zij benijdt de winst van anderen, de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen. En hij of zij misgunt anderen dat. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon onbeduidend, zonder invloed. Dit is de weg die voert naar onbeduidendheid, namelijk jaloersheid, nijd, afgunst. (M.135).

Maar wie niet jaloers is, wie de winst van anderen niet benijdt en ook niet de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen; en wie anderen dat niet misgunt, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon invloedrijk. Dit is de weg die voert naar invloed, namelijk niet jaloers zijn, geen afgunst hebben. (M.135).



Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men zijn jeugd voorbij is en dan een jonge vrouw neemt en als men wegens haar niet meer kan slapen van jaloersheid. (Sn.I.6 vers 110)


Jaloersheid is onheilzaam. Het vrij zijn van jaloersheid is heilzaam, heeft geluk als resultaat. (A.II.191-200)



1.2.9. gierigheid

De smetten van gierigheid , hebzucht en onjuist begeren worden ook vermeld bij § 1.3.1.


"Uit gierigheid en nalatigheid wordt niets gegeven. Als men veel rijkdom heeft en genoeg geld en voedsel, en dan zijn luxe alleen geniet, als men geen aalmoezen geeft, als men gierig is, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang. De gierigaard is bang ervoor door geven in armoede te geraken en geeft daarom niets. Maar dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere.

Daarom moet men de gierigheid verdrijven, het vuil van de hebzucht overwinnen en gaven geven. Verdienstelijke werken zijn in de andere wereld een vast steunpunt voor de levende wezens." (S.I.32)


"Degenen die in deze wereld gierig zijn, die ook anderen die graag willen geven, ervan afhouden gaven te geven, die veroorzaken nadeel en hindernis. Zij verhinderen de goede daad van de gever. Zij voorkomen dat de ontvanger de gaven ontvangt. En van te voren al benadelen zij hun eigen karakter.

In de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten worden zij wedergeboren. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij ter wereld in een arm gezin waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning slechts met moeite verkregen worden." (S.I.49)


"Het voedsel dat men in vertrouwen geeft met een verheugd gemoed, dat volgt iemand na in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven en gaven geven, en de onreinheid van hebzucht overwinnen. Verdienstelijke werken zijn voor de levende wezens een vaste basis in de andere wereld." (S.I.43)


"Als het loon en de vrucht van het geven van gaven aan de wezens bekend was, dan vermeden zij de smet van gierigheid en gaven zij met heel opgewekt gemoed aan de edelen, wanneer het passend is, daar waar de vrucht het grootste is.

Degenen die rijkelijk voedsel geven, gaan na de dood naar de hemel. Daar verheugen zij zich in het genot van het loon van geven omdat zij hier niet gierig waren." (It.26 - Dāna Sutta)



"Degene die vol inzicht is, overtreft de gierige mens in vijf punten. Die vijf punten zijn hoge ouderdom, hoog aanzien, schoonheid en welzijn. En hemels geluk wordt zijn deel.” (A.V.31)


"Het beste hulpvaardig gedrag is o.a. de gierigaard aan te moedigen tot het verkrijgen van vrijgevigheid en hem daarin te sterken en te vestigen." (A.IX.5)


"Wanneer een zedenreine monnik naar hun huis komt en wanneer de mensen dan de smet van gierigheid ontzeggen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar grote macht genomen." (A.V.199)

Het verwerven van verdiensten gaat verder als men die persoon eigenhandig bedient, vol eerbied begroet en een zitplaats aanbiedt. De smet van gierigheid wordt dan opgegeven.


"Geliefd is wie geeft; hem zoeken velen op. Een goede naam wordt hem deelachtig; zijn aanzien groeit. Vrij van verwarring treedt hij onder de mensen, vol zekerheid, omdat hij niet gierig is."


Gierigheid is onheilzaam. Het vrij zijn van gierigheid is heilzaam, heeft geluk als resultaat. (A.II.191-200)




1.3. De 16 smetten van de geest

In de gelijkenis van de doek (M.7)17 worden zestien smetten van de geest opgesomd. Die smetten zijn alle van ethische aard en betreffen het sociale gedrag van de mens. Het zijn (1) hebzucht en onjuist begeren; (2) kwaadwil, afkeer, haat; (3) boosheid, woede; (4) vijandschap; (5) lasteren, kleineren, verachten; (6) tirannie, overheersen; (7) afgunst, nijd; (8) jaloersheid; (9) huichelarij, misleiding; (10) bedriegen; (11) koppigheid, verstoktheid; (12) aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit; (13) eigendunk, verwaandheid; (14) hoogmoed, laatdunkendheid; (15) pronkzucht, ijdelheid, verwaandheid; (16) nalatigheid, onoplettendheid.


Al deze smetten ontstaan uit begeerte en egoisme, uit afkeer, zelfbevestiging en eigenwaan, of uit combinaties van meerdere ervan.


Behalve de 16 metten van de geest geeft de Boeddha in deze toespraak ook aan hoe men die 16 smetten kan opheffen.


De gelijkenis van de doek


Eens sprak de Gezegende aldus: “Monniken, veronderstelt dat een doek besmet en vuil was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf slecht aannemen en onzuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek niet zuiver was. En evenzo, monniken, als de geest besmet is, kan een ongelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.18

       Monniken, veronderstelt dat een doek zuiver en helder was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf goed aannemen en zuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek rein was. En evenzo, monniken, als de geest onbesmet is, kan een gelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.

       En wat, monniken, zijn de smetten van de geest?

1) Hebzucht en onjuist begeren is een smet van de geest.

2) Kwaadwil, afkeer, haat is een smet van de geest.

3) Boosheid, woede is een smet van de geest.

4) Vijandschap is een smet van de geest.

5) Lasteren, kleineren, verachten is een smet van de geest.

6) Tirannie, overheersen is een smet van de geest.

7) Afgunst, nijd is een smet van de geest.

8) Jaloersheid is een smet van de geest.

9) Huichelarij, misleiding is een smet van de geest.

10) Bedriegen is een smet van de geest.

11) Koppigheid, verstoktheid is een smet van de geest.

12) Aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit is een smet van de geest.

13) Eigendunk, verwaandheid is een smet van de geest.

14) Hoogmoed, laatdunkendheid is een smet van de geest.

15) Pronkzucht, ijdelheid, verwaandheid is een smet van de geest.

16) Nalatigheid, onoplettendheid is een smet van de geest.19

 

       Monniken, wetende dat hebzucht en onjuist begeren een smet is van de geest, geeft de monnik dat op.20 Wetende dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat boosheid, woede een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat vijandschap een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat afgunst, nijd een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat jaloersheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat huichelarij een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat bedriegen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op.

       In de monnik die aldus weet dat hebzucht, onjuist begeren een smet is van de geest, wordt hebzucht en onjuist begeren opgegeven. In hem die aldus weet dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, wordt kwaadwil, afkeer en haat opgegeven. In hem die aldus weet dat boosheid, woede een smet is van de geest, wordt boosheid en woede opgegeven. In hem die aldus weet dat vijandschap een smet is van de geest, wordt vijandschap opgegeven. In hem die aldus weet dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, wordt lasteren, kleineren, verachten opgegeven. In hem die aldus weet dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, wordt tirannie, overheersen opgegeven. In hem die aldus weet dat afgunst, nijd een smet is van de geest, wordt afgunst, nijd opgegeven. In hem die aldus weet dat jaloersheid een smet is van de geest, wordt jaloersheid opgegeven. In hem die aldus weet dat huichelarij, misleiding een smet is van de geest, wordt huichelarij, misleiding opgegeven. In hem die aldus weet dat bedriegen een smet is van de geest, wordt bedriegen opgegeven. In hem die aldus weet dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, wordt koppigheid, verstoktheid opgegeven. In hem die aldus weet dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, wordt aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit opgegeven. In hem die aldus weet dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, wordt eigendunk, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, wordt hoogmoed, laatdunkendheid opgegeven. In hem die aldus weet dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, wordt ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, wordt nalatigheid, onoplettendheid opgegeven.

Als hij aldus die smetten gedeeltelijk21 heeft opgegeven, verkrijgt hij onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, in de leer en in de gemeenschap van de heiligen.22

Het onwankelbare vertrouwen in de Boeddha is als volgt: ‘Zo, inderdaad, is de Gezegende. Hij is heilig, volledig verlicht. Hij is volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, verheven. Hij is de kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Gezegende.’

Het onwankelbare vertrouwen in de leer is aldus: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Gezegende, hier en nu te verwerkelijken, met onmiddellijk resultaat. Ze leidt naar Nibbāna, nodigt ieder uit alles zelf te testen. Ze is begrijpelijk door de wijze, ieder voor zichzelf.’

Het onwankelbare vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen is aldus: ‘De gemeenschap van de heilige volgelingen van de Gezegende heeft het goede pad betreden, is op de rechte weg gekomen, is op de ware weg terechtgekomen, is op de juiste weg aangekomen, dat wil zeggen de vier paren van mensen, de acht soorten personen.23

       Deze orde van de heilige volgelingen van de Verhevene is geschenken waard, is gastvrijheid waard, is gaven waard, is waard eerbiedig gegroet te worden als het onvergelijkbare veld van verdienste voor de wereld.’ Als hij de smetten gedeeltelijk24 heeft opgegeven, verzaakt, er afstand van heeft gedaan, ze heeft verlaten en losgelaten, dan weet hij: ‘Ik ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de leer, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer.25 Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren; vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.26

Hij weet: ‘Ik heb de smetten gedeeltelijk opgegeven, verzaakt, er afstand van gedaan, heb ze verlaten en losgelaten.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer. Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren. Vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd. Monniken, als een monnik van zo’n deugdzaamheid, zo’n concentratie en zo’n wijsheid27 aalmoezen eet die bestaan uit uitgelezen spijzen, dan is zelfs dat geen hindernis voor hem.28

Hij doordringt met een geest van liefdevolle vriendelijkheid29 één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel welwillende vriendelijkheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met welwillende vriendelijkheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van mededogen één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel mededogen als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met mededogen met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van medevreugde één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel medevreugde als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met medevreugde met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van gelijkmoedigheid één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel gelijkmoedigheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met gelijkmoedigheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij begrijpt wat bestaat, wat laag is, wat verheven is,30 en wat voor ontsnapping er is aan dit hele veld van waarneming.31 Als hij op deze manier weet en ziet, wordt zijn geest bevrijd van de kankers van zinnelijke verlangens, wordt bevrijd van de kanker van worden, bevrijd van de kanker van onwetendheid.32 Als hij bevrijd is, is er het weten: ‘Er is bevrijding; en hij weet: ‘Geboorte is uitgedoofd, het leven van zuiverheid is geleefd, de taak is volbracht; er is geen verder bestaan.’ Zo'n monnik heet: ‘Gewassen met het innerlijke bad.’” (M.7; zie ook A.XI.24)

 

De smetten boosheid, toorn, woede, kleineren, tirannie, overheersen, afgunst, nijd en jaloersheid zijn ook vermeld bij de negen hindernissen. (zie § 1.2)


Volgens het commentaar bij M.7 is elk ‘opgeven’ van de smetten van tijdelijke aard voordat de edele paden bereikt worden. De zestien smetten worden voorgoed opgegeven door de edele paden (of niveaus van heiligheid) in deze volgorde: door het pad van in-de-stroom-treden (sotapatti-magga) zijn de smetten nrs. 5 t/m 10 opgegeven: (5) Lasteren, kleineren, verachten; 6) tirannie, overheersen; 7) afgunst, nijd; 8) jaloersheid; 9) Huichelarij, misleiding; 10) Bedriegen.

Door het pad van niet-wederkeer (anagami-magga) zijn de smetten nrs. 2, 3, 4 en 16 opgegeven: (2) kwaadwil, afkeer, haat; 3) boosheid, woede; 4) vijandschap; 16) nalatigheid, onoplettendheid.

Door het pad van heiligheid (arahatta-magga) zijn de smetten nrs. 1 en 11 t/m 15 opgegeven: 1) hebzucht en onjuist begeren; (11) koppigheid, verstoktheid; 12) aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit; 13) eigendunk, verwaandheid; 14) hoogmoed; 15) pronkzucht, ijdelheid.



Indien begeerte in de beperkte betekenis genomen wordt, als enkel betrekking hebbende op de begeerte naar de vijf zinsobjecten, wordt ze voorgoed opgegeven door het pad van niet-wederkeer. Volgens het commentaar is dit hier de bedoeling. Maar alle soorten van begeerte, met inbegrip van het verlangen naar bestaan in de fijnvormige en de vormloze sferen, zijn alleen vernietigd op het pad van volmaakte heiligheid.





1.3a. Doorzien van hebzucht





Tot het volledige inzicht en doorzien van de hebzucht, tot het overwinnen ervan, de vernietiging, uitdoving, het afwenden, verwoesting, het afzien en tot onthechting ervan moeten twee dingen geoefend worden. Welke twee? Gemoedsrust en helder inzicht.

Tot het volledige inzicht en doorzien van haat, van verblinding, toorn, woede, kleinering, jaloezie, afgunst, gierigheid, huichelarij, valsheid, hardnekkigheid, hevigheid, eigendunk, hoogmoed, opwinding, onverschilligheid, en tot het overwinnen ervan, tot vernietiging, uitdoving, afwending, verwoesting, ontzegging en tot het zich bevrijden ervan moeten twee dingen geoefend worden. Welke twee? Gemoedsrust en helder inzicht. (A.II.231-246)





1.3.1. Hebzucht en onjuist begeren

Hebzucht is het iets willen hebben, en niet begeerte naar zintuiglijk genot, zintuiglijk verlangen.


Iemand is hebzuchtig; hij begeert de rijkdom en het bezit van anderen en hij denkt: 'Ach, was dat wat anderen toebehoort, toch van mij.' - Deze soort van gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

Iemand is hebzuchtig en zijn gemoed is vol hebzucht. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)



In afhankelijkheid van hebzucht ontstaat waken over zijn bezittingen (arakkha). Ten gevolge van waken over zijn bezittingen komt het tot aanwending van geweld, oorlog, tweedracht, strijd en ruzie, tot lasteren en liegen, tot allerhande slechte dingen.



Iemand is niet hebzuchtig en zijn gemoed is zonder hebzucht. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden. (M.114)

Men is vrij van begeerte: men begeert niet de rijkdom en het bezit van anderen; men denkt niet: ‘Oh, wat de ander bezit, moge dat mij toekomen.’ Dit gedrag in de geest is heilzaam. (A.X.206 en M.41).




1.3.2. Kwaadwil, afkeer, haat



Deze smet is ook vermeld onder § 1.1.2. en § 1.2.2.





1.3.3. Boosheid, woede



Deze smet is ook vermeld onder § 1.2.4. en § 1.2.5.



1.3.4. Vijandschap



Wie twistziek is, gierig en vol slechte wensen, hebzuchtig en vol valsheid, zonder schaamte en onbescheiden, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 133)



Wat betreft monniken die medemonniken beledigen en beschimpen, is het volgende gezegd:

"Monniken, het is onmogelijk dat een monnik die zijn medemonnik beledigt en beschimpt, en die een beschimper van de heiligen is, niet een van de volgende elf soorten van tegenspoed zal ondervinden.

Wat nog niet bereikt is, bereikt hij niet. Wat al bereikt is, verdwijnt bij hem. In de goede leer krijgt hij geen helderheid. Of hij is vol zelfoverschatting wat betreft de goede leer. Of hij leeft het reinheidsleven zonder vreugde (eraan). Of hij begaat een van de besmettende vergrijpen. Of hij geeft de ascese op en keert naar het lagere leven in de wereld terug. Of hij krijgt een zware ziekte. Of hij wordt waanzinnig of raakt geestelijk in de war. Of hij sterft een onrustige dood. Na de dood komt hij in de lagere werelden van bestaan, in verderfenis, in een hel. (A.XI.6; A.X.88)




1.3.5. Lasteren, kleineren, verachten



Deze smet is ook vermeld onder § 1.2.6.





1.3.6. Tirannie, overheersen



Deze smet is ook vermeld onder § 1.2.7.





1.3.7. Afgunst, nijd



Zie § 1.2.8.



1.3.8. Jaloersheid



Zie § 1.2.8.



1.3.9. huichelarij, misleiding



Huichelarij is onheilzaam. Het vrij zijn van huichelarij is heilzaam, heeft geluk als resultaat. (A.II.191-200)


1.3.10. bedriegen



Wie liegt, is tot alle slechte daden in staat, ook tot doden. Het is het vermeende ego dat iets begeert en daarom de tong gebruikt als middel om het begeerde object te verkrijgen.





1.3.11. koppigheid, verstoktheid, starheid



Gehoorzaam en gedwee zijn degenen aan wie gemakkelijk adviezen gegeven kunnen worden. Het zijn degenen tot wie gemakkelijk iets gezegd kan worden. Verder zijn met hen bedoeld degenen die voor verbetering vatbaar zijn. Iemand die gedwee is, verdraagt kritiek en is dankbaar en hoffelijk bij het aannemen van raad. Iemand die gedwee is wanneer hij verbeterd wordt, heeft de gelegenheid om de Dhamma te leren, dit in tegenstelling tot degene die moeilijk is toe te spreken.

 



1.3.12. aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit





1.3.13. eigendunk, verwaandheid



Zie ook § 1.5.8.

Deze smet wordt samen met de volgende § 1.3.14 besproken.



1.3.14. hoogmoed, laatdunkendheid



Hoogmoed, status-bewustzijn is bewustzijn van superioriteit of inferioriteit, het waanidee van het hebben van deze of gene status ten opzichte van een ander. Het bestaat uit de gedachten: "Ik ben niet zo goed als hij is", of "Ik ben net zo goed als hij is", of "Ik ben beter of hoger dan hij is."

Deze hindernis is moeilijk op te geven. Het idee dat men beter is dan, of gelijk is aan, of niet zo goed is als de ander, komt voort uit een bepaalde soort van gehechtheid. Maar wanneer de geest volledig goed en slecht heeft overstegen, kunnen dergelijke ideeën van minderwaardigheid, superioriteit of gelijkheid niet bestaan.33 Deze hindernis komt ook voort uit het niet begrijpen van de waarheid van anattâ.


"Hoogmoed is niet heilzaam. Geef ze op. Hoogmoed brengt iemand op het neerwaartse pad, tot zelfs in de hel. Maar degene die volmaakt heilig is, geniet roem en geluk. Hij ziet de waarheid en heeft de belemmeringen overwonnen." (S.VIII.3)



Wie zichzelf roemt en anderen geringschat, wie zich door zo'n hoogmoed zelf vernederd heeft, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 132)





1.3.15. pronkzucht, ijdelheid





1.3.16. nalatigheid, onoplettendheid



Niets anders dan de verwaarlozing (pamâda) ken ik waardoor de niet ontstane onheilzame dingen zodanig tot ontstaan komen en de ontstane heilzame dingen verdwijnen. (A.I.14)

Niets anders dan de energie, ijver ken ik waardoor de niet ontstane heilzame dingen zodanig tot ontstaan komen en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen. Bij de ijverige, energieke namelijk komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane onheilzame dingen. (A.I.14)

1.3.17. Ontplooien



Tot volledige onderkenning van begeerte, haat, onwetendheid, van toorn, woede, kleineren, verachten, overheersen, afgunst, gierigheid, huichelarij, misleiding, koppigheid, wedijveren, eigendunk, hoogmoed, roes en nalatigheid; en ook tot het doorzien, overwinnen, vernietigen, uitdoven, zich afwenden, verwoesten, verzaken en tot bevrijding ervan moeten drie dingen ontplooid worden, en wel de concentratie van de geest op de leegheid, de concentratie van de geest op de kenmerkloosheid, en de concentratie van de geest op de wensloosheid. (A.III.184)





1.4. Geestelijke boeien voor de discipel



De volgende geestelijke boeien werden in het Cetokhila sutta (M.16) speciaal vermeld voor monniken en nonnen. Die geestelijke boeien zijn:

(1) twijfel over de Boeddha; (2) twijfel over de Dhamma; (3) twijfel over de Sangha; (4) twijfel over de oefening; (5) onvriendelijkheid jegens medevolgelingen. Verder vijf andere boeien: gehechtheid aan zinnelijke verlangens, gehechtheid aan het lichaam, gehechtheid aan vorm (materiële objecten), onmatigheid in eten en drinken, monnik of non worden enkel om in een hemelse sfeer van bestaan wedergeboren te worden.

Wie deze boeien heeft overwonnen, die kan in de Dhamma tot groei, toename en vervulling komen.

Hij ontplooit denken en inspanning, energie en vastbeslotenheid, concentratie, onderzoek en enthousiasme. Hij is in staat om Nibbāna te verwerkelijken.




1.5. De tien boeien

Om volmaakte heiligheid te bereiken, moeten tien boeien verbroken worden. Die boeien worden verdeeld in vijf lagere boeien en vijf hogere boeien. (zie: A.IX.70; A.X.12-13; D.2; M.64)



1.5a. De vijf lagere boeien


De vijf lagere boeien zijn:

1. sakkāyaditthi, geloof in persoonlijkheid; de verkeerde opvatting dat geestlichamelijkheid iets zelfstandigs is, gebaseerd op de idee van een "ik".

2. vicikicchā, twijfel.

3. sīlabbataparāmāsa, bijgeloof; vasthouden, gehechtheid aan regels en rituelen.

Verdere boeien zijn:

4. kāma-rāga, begeerte naar zintuiglijk genot, zintuiglijke verlangens.

5. patigha, afkeer, kwaadwil, innerlijk tegenstreven. (M.64; A.III.95)


“Na het verdwijnen van de drie lagere boeien 1-3 heeft men de stroom naar nibbāna bereikt. Men is dan niet meer onderhevig aan wedergeboorte in lagere sferen van bestaan. Men is goed gevestigd, bestemd voor volledige Verlichting.” (zie M.6, M.22, S.LV.24-25)


Degenen die de boeien 1-3 hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog één keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. (M.22)



Door de vernietiging van de vijf lagere boeien wordt het derde niveau van Verlichting bereikt. Men is dan een niet meer wederkerende (anāgāmī). (A.III.95)

Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. (M.22)

Noch de in de stroom getredene noch de eenmaal wederkerende heeft zin-genot en het ik-bewustzijn volledig opgegeven. In beiden is nog een rest van bevrediging in attractieve en begerenswaardige objecten.

1.5.a1. Mahā Mālunkya sutta – Het ontkomen aan de vijf lagere boeien

Hoe men de vijf lagere boeien kan overwinnen, is uitgelegd in het Mahā Mālunkya sutta (M.64).


Wanneer de persoonlijkheidsvisie tot een gewoonte is geworden en in iemand geworteld is, dan is zij een lagere boei.

Wanneer de twijfel tot gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei.

Wanneer het vasthouden aan regels en rituelen tot een gewoonte is geworden en in iemand niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

Wanneer de zinsbegeerte tot een gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

Wanneer de kwaadwil tot een gewoonte is geworden en in iemand niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.



Een goed onderwezen edele volgeling begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan die lagere boeien kan ontkomen.

Er is een pad, een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Door dat pad te begaan is het mogelijk de vijf lagere boeien te kennen of te zien of te overwinnen.

Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, maar als zijn geest niet daarin intreedt en geen vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een zwak iemand.

Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, en als zijn geest daarin intreedt en vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een sterk iemand.

Het pad, de weg naar de overwinning van de vijf lagere boeien is als volgt. Na het overwinnen van onheilzame toestanden van de geest treedt men binnen in de eerste jhana en men vertoeft erin.

Wat er ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.34

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de 2e jhana en vertoeft erin.

Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de 3e jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de 4e jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien

Verder treedt men binnen in de vormloze sfeer van 'ruimte is oneindig' en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn,35 men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de sfeer van 'oneindig is het bewustzijn' en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de sfeer van 'er is niets' en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: "Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana." Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Verblijven) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Hoe is het mogelijk dat men van enkele monniken zegt dat zij de bevrijding van het hart bereiken en van anderen dat zij de bevrijding door wijsheid bereiken?

Het verschil ligt in de vaardigheden.36 (M.64)




1.5.a2. De volgeling Dighavu


Behalve voorgaande methode om de vijf lagere boeien te overwinnen (zie § 1.5.a1) kan men ook het vergankelijke, het onvoldane van vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn beschouwen, en dat zij leeg zijn van een zelf, dat zij niet-zelf, niet ik zijn. Dit blijkt uit de leerrede tot Dighavu.


De volgeling Dighavu was zwaar ziek. De Verhevene bezocht hem en gaf hem de volgende raad. “Oefen je in vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Beoefen de deugden die door wijzen geprezen worden.” – "Die vier delen van stroomintrede zijn bij mij te vinden,” zei Dhigavu. – "Dan moet je nog zes dingen ontplooien. Vertoef bij alle vormen bij de vergankelijkheid ervan. Zie het lijden van vergankelijkheid. Beschouw niet-ik bij het lijden. Neem de overwinning ervan waar, het onthechten, de opheffing.” – Dhigavu stierf kort daarna. Hij had toen het niveau van niet meer wederkeer bereikt. (S.LV.3)



1.5b. De vijf hogere boeien



De vijf hogere boeien zijn:



6. rūparāga, begeerte naar fijnstoffelijk bestaan.

7. arūparāga, begeerte naar onstoffelijk bestaan.

8. māna, verwaandheid.

9. uddhacca, rusteloosheid en zich te veel zorgen maken.

10. avijjā, onwetendheid.

(zie: A.IX.70; A.X.13; A.X.12; D.2; M.64)



"Door deze onzuiverheden is de geest niet buigzaam en hanteerbaar; ze mist dan de stralende helderheid. Maar als de geest ervan vrij is, dan is ze buigzaam en hanteerbaar; ze heeft dan de stralende helderheid. Als men dan de geest richt op een staat die gerealiseerd kan worden door de hogere geestelijke vermogens, dan kan die verwerkelijkt worden indien aan de andere voorwaarden voldaan wordt." (A.V.23).



Als men de volmaakte heiligheid (arahatta) heeft bereikt, is men verder volledig vrij van de vijf hogere boeien.



1.5.1. geloof in persoonlijkheid



Deze boei bestaat in het geloof in persoonlijkheid; de verkeerde opvatting dat geestlichamelijkheid iets zelfstandigs is.



"Wie denkt dat geestlichamelijkheid zijn persoonlijkheid is, hem toebehoort, een zelf is, die is nog onderhevig aan deze boei.

En wat is geestlichamelijkheid, naam en vorm? – Gevoel, waarneming, motivatie, voorstelling, denken, aanraking, oplettendheid, overweging: dat heet naam (geest). De vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die afhankelijk is van die grofstoffelijke elementen, dat heet vorm (lichaam)."

"Onderhevig aan de boei van persoonlijkheid is degene die aldus denkt: 'Materiële dingen zijn blijvend, en ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn blijvend. Materiële dingen zijn op zichzelf staand, zij hebben een zelfstandig bestaan. En ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn zelfstandig. Alle formaties zijn blijvend; alle dingen zijn op zichzelf staand; zij hebben een zelfstandigheid.'” (M.35).



"Deze boei bestaat ook uit het denken dat het oog, het oor, de neus, de tong, het lichaam en de geest niet vergankelijk, niet veranderlijk zijn, dat de zintuigen iemand toebehoren.

Wie dit obstakel nog heeft, denkt dat vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten niet veranderlijk en vergankelijk zijn, dat ze een zelf hebben, dat ze iemand toebehoren."

"De edele volgeling(e) heeft juist inzicht, namelijk: 'Materiële dingen zijn niet blijvend, en ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet blijvend. Materiële dingen zijn niet op zichzelf staand, zij hebben geen zelfstandig bestaan. En ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet zelfstandig. Alle formaties zijn niet blijvend; alle dingen zijn niet op zichzelf staand; zij hebben geen zelfstandigheid.'” (M.35).

Het oog is ontstaan. De zichtbare vormen zijn ontstaan. Het zienbewustzijn is ontstaan door contact van oog en zichtbare vorm. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik zie”. Maar in feite is er niemand die ziet. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van zienbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het oor is ontstaan. De hoorbare geluiden zijn ontstaan. Het hoorbewustzijn is ontstaan door contact van oor en hoorbare geluiden. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik hoor”. Maar in feite is er niemand die hoort. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van hoorbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

De neus is ontstaan. De ruikbare geuren zijn ontstaan. Het ruikbewustzijn is ontstaan door contact van neus en ruikbare geuren. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik ruik”. Maar in feite is er niemand die ruikt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van ruikbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

De tong is ontstaan. De proefbare smaken zijn ontstaan. Het smaakbewustzijn is ontstaan door contact van tong en proefbare smaken. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik proef”. Maar in feite is er niemand die proeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van smaakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het lichaam is ontstaan. De aanraakbare voorwerpen zijn ontstaan. Het aanraakbewustzijn is ontstaan door contact van lichaam en aanraakbare voorwerpen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik raak aan”. Maar in feite is er niemand die aanraakt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van aanraakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het geestelijke is ontstaan en zal weer vergaan. Het geestelijke is niet blijvend, het is zonder een zelfstandig iets.

Gedachten zijn ontstaan. De denkbare dingen zijn ontstaan. Het denkbewustzijn is ontstaan door contact van geest en denkbare dingen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik denk”. Maar in feite is er niemand die denkt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van denkbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Emoties, een glimlach, een traan, ze zijn oorzakelijk ontstaan. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Herinneringen zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik herinner me”. Maar in feite is er niemand die zich iets herinnert. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van herinneringen. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet ik dat loslaten, mij ervan afkeren. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.

"De edele volgeling(e) ziet in: 'Het zien-bewustzijn, het hoor-bewustzijn, het ruik-bewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn en het geest-bewustzijn zijn eveneens veranderlijk en vergankelijk.

Het contact door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en door de geest is veranderlijk en vergankelijk.

Het gevoel dat ontstaat door de verschillende bovengenoemde contacten is veranderlijk en vergankelijk.

De waarneming van vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en van de geest is veranderlijk en vergankelijk.

De wil naar vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en naar geestelijke objecten is veranderlijk en vergankelijk.

Het verlangen naar vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en naar geestelijke objecten is veranderlijk en vergankelijk.

Het aarde-element, het vloeibare element, het hitte-element, het lucht-element, het ruimte-element, het bewustzijn-element – ze zijn veranderlijk en vergankelijk.

De lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn – dat alles is veranderlijk en vergankelijk.'

Wie deze dingen zo begrijpt en inziet, die wordt een in de stroom getredene genoemd. Hij kan niet meer terugvallen in lagere werelden van bestaan. Hij is veilig en gaat de Verlichting tegemoet.” (S.XXVI.1-10)


"Vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn, en datgene wat formatie heeft, dat ben niet ik, dat behoort mij niet toe. Door zo te denken wordt men vrij ervan." (S.IV.16).


"Vormen, geluiden, smaken, geuren, aanrakingen en al die dingen, ze zijn een boos lokmiddel voor de wereld. Wie ze heeft overwonnen, straalt zoals de zon." (S.IV.17).


"De zintuigen en de zintuiglijke objecten zijn van Mara. Waar de zintuigen en bijhorende objecten niet als eigen worden beschouwd, daar is voor Mara geen toegang." (S.IV.19).


De zintuigen zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. De zintuiglijke objecten zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. Het bewustzijn ontstaan door contact van zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het gevoel ontstaan door contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. De dorst ontstaan door het gevoel, is niet zelf, die ontstaat en vergaat. Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. - Zo weet men dan, zo ziet men in. En men hecht nergens meer aan. Dat is het opheffen van persoonlijkheid. Wanneer men onthecht is, is men vrij. (zie: M.148)



1.5.2. Twijfel


Deze boei is gedeeltelijk besproken bij: De vijf hindernissen, § 1.1.5.

Twijfel als hogere boei heeft betrekking op dingen uit het verleden en in de toekomst, en op oorzakelijk ontstaan. Er hoort ook toe onzekerheid of iets heilzaam is of niet, of iets beoefend moet worden of niet, of iets van hoge of van lage waarde is, etc. Ze uit zich in besluiteloosheid en in een verdeelde geesteshouding.37

Twijfel, besluiteloosheid (viccikacchā, kankhā) is te verwerpen als karmisch onheilzaam wanneer erdoor het denken verlamd wordt en wanneer erdoor de innerlijke ontwikkeling van de mens gehinderd wordt. Kritische twijfel in onzekere gevallen is toegestaan. In de toespraak tot de Kalamas heeft de Boeddha aanbevolen iets onbekends kritisch te onderzoeken, ook als het de leer betreft.


"Niets anders ken ik waardoor zozeer de niet ontstane twijfel tot ontstaan en de ontstane twijfel tot groei en ontwikkeling komt dan onwijs nadenken. Want wie onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel tot ontstaan en de ontstane twijfel krijgt groei en ontwikkeling." (A.1.2)


"Niets anders ken ik waardoor de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan komt en de ontstane twijfel verdwijnt dan wijs nadenken. Want wie wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan en de ontstane twijfel verdwijnt." (A.1.2)


Oplettendheid, aanhoudend denken is het tegendeel van twijfel.



De hindernis van twijfel wordt volledig opgeheven op het pad van niet-wederkeer (A.VI.65)

Het commentaar bij M.7 zegt: “Als hij terugblikt op het opgeven van de smetten en op zijn onwankelbaar vertrouwen, ontstaat er sterke vreugde in degene-die-niet-wederkeert met de gedachte: ‘Dergelijke smetten zijn nu door mij opgegeven.’ Het is als de vreugde van een koning die verneemt dat een opstand in het grensgebied is onderdrukt.”



1.5.3. Bijgeloof; gehechtheid aan regels en rituelen



Dit is het geloof dat door het volgen van bepaalde regels en rituelen iets veroorzaakt kan worden, met name door bovennatuurlijke krachten of machten. De eigenlijke betekenis van de regels en van de rituelen wordt dan niet begrepen. Het is het verkeerd opvatten van rites en ceremonies als zou dit de juiste manier zijn om iets te bereiken. Het is gehechtheid aan verkeerde praktijk.


1.5.4. Begeerte naar zintuiglijk genot, zintuiglijke verlangens

Deze boei is besproken bij: De vijf hindernissen, § 1.1.1.



1.5.5. Afkeer, innerlijk tegenstreven

Deze hindernis is besproken bij: De vijf hindernissen, § 1.1.2.



1.5.6. Begeerte naar fijnstoffelijk bestaan

Begeerte naar fijnstoffelijk bestaan bestaat in het verlangen naar de toestanden die bereikt worden tijdens de eerste t/m de vierde meditatieve verdieping.


1.5.7. Begeerte naar onstoffelijk bestaan

Dit is verlangen naar de toestand in de vier onstoffelijke meditatieve verdiepingen (het gebied van de ruimte-oneindigheid, het gebied van de bewustzijn-oneindigheid, het gebied van de niets-is-er sfeer, het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming).

1.5.8. Verwaandheid

Hoogmoed, status-bewustzijn is bewustzijn van superioriteit of inferioriteit; het waanidee van het hebben van deze of gene status ten opzichte van een ander. Het bestaat uit de gedachten: "Ik ben niet zo goed als hij is", of "Ik ben net zo goed als hij is", of "Ik ben beter of hoger dan hij is."

Deze hindernis is moeilijk op te geven. Het idee dat men beter is dan, of gelijk is aan, of niet zo goed is als de andere, komt voort uit een bepaalde soort van gehechtheid. Maar wanneer de geest volledig goed en slecht heeft overstegen, kunnen dergelijke ideeën van minderwaardigheid, superioriteit of gelijkheid niet bestaan.38 Deze hindernis komt ook voort uit het niet begrijpen van de waarheid van anattâ.


"Hoogmoed is niet heilzaam. Geef ze op. Hoogmoed brengt iemand op het neerwaartse pad, tot zelfs in de hel. Maar degene die volmaakt heilig is, geniet roem en geluk. Hij ziet de waarheid en heeft de belemmeringen overwonnen." (S.VIII.3)




1.5.9. Rusteloosheid en zich te veel zorgen maken


Deze boei is besproken bij: De vijf hindernissen, § 1.1.4.



1.5.10. Onwetendheid


Deze boei werd ook vermeld bij § 1.2.3.


Onder onwetendheid (moha, avijjā) verstaat men dat men de vier edele waarheden niet weet, namelijk: lijden, het ontstaan ervan, het verdwijnen ervan en de weg die voert naar het verdwijnen ervan (M.9; S.II.4; A.III.74; A.III.141).

Ook verstaat men onder onwetendheid dat men de lichamelijkheid niet begrijpt; dat men niet begrijpt dat lichamelijkheid onderhevig is aan ontstaan en vergaan. Men begrijpt niet het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert.

Men begrijpt niet het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Zij zijn allemaal aan ontstaan en vergaan onderhevig. Men begrijpt niet het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert. - Dat is onwetendheid en in zoverre is men in onwetendheid geraakt. (S.22.113, 126-128, 130-132)

Onwetend is men als men geen weet heeft van oorzakelijk ontstaan, van niet-zelf (ego-loosheid), van vergankelijkheid.


“Het begin van onwetendheid is niet te kennen. Men kan niet zeggen dat er vóór een bepaald moment geen onwetendheid was en daarna wel. Maar het moet aldus ingezien worden dat onwetendheid veroorzaakt is. Want onwetendheid moet voedsel hebben, kan zonder voedsel niet bestaan. En wat is het voedsel van onwetendheid? Het is begeerte, haat, traagheid etc., slecht gedrag, onbezonnenheid, niets opmerken en om niets iets geven. Hierbij is steeds het ene het voedsel voor het andere. Als laatste voedingsbodem is er slecht gezelschap. Zo wordt onwetendheid gevoed en grootgebracht." (A.X.61)


Onwetendheid is de basis van alle leven-bevestigende acties, van alle kwaad en lijden. Door onwetendheid worden wezens voor de gek gehouden als zou het leven permanent, gelukkig, substantieel en mooi zijn. Die illusie voorkomt dat ze zien dat alles in werkelijkheid vergankelijk is, vatbaar voor lijden, leeg van ik en mijn, en in feite onzuiver. Onwetendheid wordt gedefinieerd als 'het niet kennen van de vier edele waarheden, namelijk lijden, de oorsprong ervan, de beëindiging ervan en de weg naar de beëindiging ervan.' Wetend daarentegen is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan.' (zie M.9)


Onwetendheid blijft bestaan, zij het op een zeer verfijnde manier, tot het bereiken van arahantschap.39


De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad. (M.9)


"Onwetendheid is een groot kwaad en moeilijk te overwinnen. De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane onwetendheid tot ontstaan komt en dat de ontstane onwetendheid steeds groter en sterker wordt, is onwijs nadenken. Want wie onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane onwetendheid tot ontstaan en de ontstane onwetendheid wordt steeds groter en sterker." (A.III.69)

Wat er aan onwetendheid bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de onwetende volvoert in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een onwetende, overweldigd door onwetendheid, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, - hetzij door terechtstelling, inkerkering, onttrekking van goederen, beschuldiging of uitwijzing, in de gedachte dat hij de macht heeft en de macht wil gebruiken, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door onwetendheid geproduceerd, door onwetendheid als voorwaarde, uit onwetendheid ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen. (A.III.70)




1.5.10.1. opheffen van onwetendheid

"De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane onwetendheid niet tot ontstaan komt en dat de ontstane onwetendheid verdwijnt, is wijs nadenken. Want wie wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane onwetendheid niet tot ontstaan en de ontstane onwetendheid verdwijnt." (A.III.69)


"Men begrijpt de lichamelijkheid; ze is aan ontstaan en vergaan onderhevig. Men begrijpt het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert.

Men begrijpt het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Ze zijn aan ontstaan en vergaan onderhevig. Men begrijpt het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert. - Dat is weten en in zoverre is men tot weten geraakt. (S.22.114, 126-128, 130-132)


De vrijheid van het weten kan alleen door voedsel tot stand komen, kan zich niet zonder voedsel ontwikkelen. Edel gezelschap is de voedingsbodem; aan edele leer gehoor geven is nuttig voor verdere groei; oplettend, helder bezonnen worden, de zintuigen goed behoeden, zuivere levenswandel uitoefenen, de vier grondslagen van oplettendheid veroveren, de zeven factoren van Verlichting leren verwerkelijken: dat laat tenslotte de vrijheid van het weten ontstaan. (A.X.61)



In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties, vormingen. Door het beëindigen van onwetendheid houden wilsformaties op. De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van onwetendheid. Na het verdwijnen van onwetendheid komen bij de volmaakte heilige geen vragen meer op over ouderdom en dood, geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, het bereik van de zes zintuigen, naam-en-vorm, bewustzijn.

Na het restloze verdwijnen en na opheffing van de onwetendheid is er geen lichamelijke activiteit, geen spreken, en geen denken ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Er is dan geen veld, geen basis, er is dan geen bereik, geen betrekking ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. (M.9)



Als onwetendheid is opgeheven, is er geen denken meer in termen van ik en mijn.


(Zie eventueel nog: De vier edele waarheden: 1.1. Sammāditthi sutta: 1. juist inzicht)


1.6. Opdroging van de neigingen


"Slechts enkele monniken zijn er die door opdroging van de neigingen al in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid, verwerkelijkt hebben. – Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van de vijf boeien wedergeboren worden in geestelijke gedaante om vandaar uit te doven, om niet meer naar deze wereld terug te keren.



Weinig monniken zijn er die na volledige opdroging van de vijf boeien in geestelijke gedaante wedergeboren worden om vandaar uit te doven. - Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van drie boeien, na verdunning van prikkeling, afkeer en waan nog één keer terugkeren naar deze wereld. Daarna maken zij aan het lijden een einde.



Weinig monniken zijn er die na volledige opdroging van drie boeien, na verdunning van prikkeling, afkeer en waan nog één keer terugkeren naar deze wereld. - Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van de drie boeien in de stroom zijn getreden, ontkomen aan het dwaalspoor. Doelbewust gaan zij voort naar volledige ontwaking." (S.LV.52)





1.7. De poel water

Als iemand aan de oever van een troebele poel water staat, kan hij – hoewel hij kan zien - door de troebelheid van het water de vissen, de mossels, de kiezelsteentjes in het water niet zien. Juist zo kan iemand met troebele geest noch het eigen heil inzien noch het heil van iemand anders, noch het heil van beiden. Hij is ook niet in staat om die bovenmenselijke (uttara-manussa) eigenschap van het naar heiligheid voerende inzicht te verwerkelijken, vanwege die troebele geest.

Als iemand aan de oever van een heldere poel water staat, kan hij daarin de vissen, de mossels, de kiezelsteentjes zien, omdat het water helder en niet troebel is. Juist zo kan iemand met heldere geest het eigen heil onderkennen, het heil van iemand anders en het heil van beiden. Hij is ook in staat om de bovenmenselijke eigenschap van het naar heiligheid voerende inzicht te verwerkelijken, vanwege zijn heldere geest. (A.I.7)



1.8. Het heldere bewustzijn

Het bewustzijn is helder, maar het wordt verontreinigd door erbij komende smetten.40

Voor de wereldling die dit niet begrijpt,41 is er geen ontplooiing van de geest.42

Helder is dit bewustzijn en het is vrij van erbij komende smetten. (A.I.9-10)

De bekwame, edele volgeling begrijpt dit overeenkomstig de werkelijkheid. Daarom kan hij de geest ontplooien. (A.I.11)


1.9. Onthechten

De hoofdzaak van het Boeddhisme is onthechten. Als men nergens meer aan gehecht is, nergens meer aan hecht, dan is er echte vrijheid. Begeerte naar iets, of afkeer van iets laat ons echter hechten aan iets of iemand anders.

De Boeddha heeft er een mooi voorbeeld voor gegeven: twee ossen zijn door een touw met elkaar verbonden. De ene os is niet de hindernis voor de andere os, maar het touw is de hindernis. Zo is het ook met de dingen en mensen om ons heen. Begeerte naar of afkeer van iets of iemand is de hindernis. Als wij in luxe leven, zouden wij dat leven kunnen voortzetten, als wij er maar niet aan hechten. Wij kunnen genieten maar we mogen ons nergens aan hechten. Het nadeel van luxe is dat men er gehecht aan raakt.

Dit in te zien en toe te passen: dat is de kunst. De Boeddha heeft daarvoor diverse methoden van geestontwikkeling (meditatiemethoden) uitgelegd. Voor ieder type persoon is er wel een passende methode.43 Het doel ervan is uiteindelijk inzicht te krijgen – uit eigen ervaring en niet door boekenkennis – in de waarheid, in de werking van de eigen geest.

oog:

Als wij iets zien, kan er begeerte ontstaan naar het geziene voorwerp of de geziene persoon. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.

oor:

Als wij iets horen, kan er begeerte ontstaan naar het gehoorde voorwerp of de gehoorde persoon. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.

neus:

Als wij iets ruiken, kan er begeerte ontstaan naar het geroken voorwerp of de geroken persoon. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.

mond (tong):

Als wij iets proeven, kan er begeerte ontstaan naar het geproefde voorwerp of de geproefde persoon. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.

lichaam (aanraking):

Als wij iets aanraken, kan er begeerte ontstaan naar het aangeraakte voorwerp of de aangeraakte persoon. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.

geest:

Als wij iets denken, kan er begeerte ontstaan naar het idee of het bedenksel. De begeerte is dan de hindernis, niet het voorwerp of de persoon.



[Idem met afkeer van iets of iemand]



Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf: door zo te denken wendt men zich af van iets. Men wordt onthecht.

Dit is vergankelijk, sterfelijk. Zich hechten aan iets of iemand is oorzaak voor leed. Door zo te denken wendt men zich af. Men wordt onthecht.

(maart 2001/2544)


naar boven   of  naar  9.3.2. De vier niveaus van heiligheid




1  Hoe ontstaat de gedachte 'Ik ben'? - Bij de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn overkomt hem het verlangen (chanda) 'Ik ben', de eigendunk (māna) 'Ik ben', de visie (ditthi) 'Ik ben.' Wanneer dat er is, dan bestaan er ook zulke uitbreidingen (papañcitāni) van zoals 'Dat ben ik', 'Precies zo ben ik' etc.

2  Commentaar: de vijf groepen van bestaan in hun geheel en zonder betrekking op andere wezens (zoals bij de volgende twee begrippen).

3  Commentaar: beter of minder.

4  Commentaar: "Van de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn in hun geheel denkt hij: 'Ik ben blijvend, eeuwig, niet aan verandering onderhevig.' Hij denkt op de volgende manier: 'Eeuwig zijnde ben ik'.

5  Commentaar: Van de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn in hun geheel denkt hij: 'Ik zal te gronde gaan, zal vernietigd worden, zal er niet meer zijn.' Hij denkt: 'Niet eeuwig zijnde ben ik.'

6  Deze groep van begrippen brengt volgens het commentaar een twijfelend nadenken tot uitdrukking.

7  Dit en de volgende drie begrippen brengen volgens het commentaar een wensend nadenken tot uitdrukking.

8  Commentaar: Vanwege deze lichamelijkheid, dit gevoel, deze waarneming, deze geestelijke vormingen, dit bewustzijn. - Vanwege het afzonderlijk nemen van deze vijf groepen. - Het is in deze samenhang heel vruchtbaar om de drie vormen waarin begeerte zich uit (verlangen, verwaandheid, visies) hier in detail toe te passen.

9  Commentaar: De gedachte: 'Door deze ereparasol, dit zwaard, deze wijdingsdienst, ben ik een edelman;' ; door dit vedische weten, deze positie als hofpriester etc. ben ik een brahmaan;' enz.

10  De monniken gaan gewoonlijk met tweeën op weg. (Geiger, Wilhelm (Übers.). Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg 1930, p. 294, noot 2).

11  Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy 1960. The Wheel no. 1, p. 23; Nyânaponika Thera: The Five Mental Hindrances and their Conquest. Selected Texts from the Pali Canon and the Commentaries. Comp. & transl. by Nyanaponika Thera. (repr.) Kandy 1973. The Wheel No. 26. (1st ed. Colombo 1947), p. 22-25.

12  Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy 1976. Bodhi Leaves No. B 73, p. 17.

13 Idem, p. 18-19.

14  ontevredenheid, mismoedigheid, neerslachtigheid; arati, 'lusteloosheid, tegenzin'.

15  Deze vier gemoed bevrijdende eigenschappen worden ook de goddelijke toestanden of verheven verblijven (brahma-vihâra) genoemd. - Meer hierover, zie: 10.2. De vier Brahma-viharas; de vier goddelijke verblijven.

16  animittâ cetovimutti. Volgens het commentaar is hier het intensieve inzicht (balava-vipassanâ) bedoeld. Degenen die de lange suttas uitleggen (de Dîgha-bhanaka) beweren echter dat het betrekking heeft op het bereiken van het doel van heiligheid. Want die toestand heet ‘zonder voorwaarden’ omdat daarin de voorwaarden (nimitta), (zoals begeerte, haat en onwetendheid), en lichamelijkheid (namelijk gevoel, waarneming, vormingen en bewustzijn), en blijvendheid (namelijk echt geluk en een ikheid) niet te vinden zijn. Nimitta kan hier ook als het (bedrieglijke) voorstellingsbeeld van de bestaansvorm opgevat worden.

17  Vatthupama-Sutta, M.7, in: Nyânaponika Thera (Ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy: BPS, 1964, The Wheel No. 61/62, p. 1-29.

18  Volgens het commentaar gaf de Boeddha deze gelijkenis om te tonen dat inspanning grote resultaten brengt. Als een doek besmet is door vuil dat van buiten komt en dan gewassen wordt, kan de doek weer rein worden vanwege de natuurlijke zuiverheid ervan. Maar bij iets wat van nature zwart is, kan dat zwarte niet verwijderd worden; daar is alle moeite voor niets. Evenzo is de geest bevlekt met van buiten komende smetten. Maar oorspronkelijk is de geest helemaal zuiver. Door de Volmaakt Verlichte is het als volgt gezegd: “Deze geest is stralend, maar wordt bevuild door van buiten komende smetten.” Door de geest te reinigen kan men ze stralender maken. En de inspanning daarvoor is niet tevergeefs.

19  In sociaal gedrag voert deze smet ertoe dat men geen rekening houdt met anderen.

20  Wetende (letterlijk: geweten hebbende). - Het subcommentaar zegt hierover: “Wetende hetzij door de begin-wijsheid van de wereldling (d.w.z. vóór het bereiken van het eerste pad van heiligheid), hetzij door de wijsheid van de twee lagere paden van heiligheid (in-de-stroom-treden en eenmaal-wederkeer).” Men kent dan zowel aard, oorsprong en verdwijnen van de smetten alsook de middelen die het verdwijnen ervan veroorzaken.

Geeft ze op - Volgens het commentaar geeft hij de respectievelijke smet op door het bereiken van het edele pad waar er ‘opgeven door uitroeien’ is. Het sub-commentaar zegt dat dit ‘het uiteindelijke opgeven’ is. Want voordat de edele paden bereikt worden, is elk ‘opgeven’ van de smetten van tijdelijke aard.

Het commentaar benadrukt herhaaldelijk dat steeds waar in de tekst ‘opgeven’ wordt vermeld, verwezen wordt naar iemand die een niet-wederkerende is (anagami). Want ook als de smetten opgegeven zijn bij het in-de-stroom-treden, worden de staten van de geest welke die smetten veroorzaken, enkel vernietigd door het pad van niet-wederkeer.

21  gedeeltelijk: dat is in die mate waarin de betreffende smetten zijn vernietigd door de paden van heiligheid.

22  De directe ervaring van de volgeling dat hij vrij is van deze of gene smet, wordt voor hem een levend bewijs van het voorheen nog onvolmaakt vertrouwen. Nu is zijn vertrouwen een vaste overtuiging geworden en een onwankelbaar toevertrouwen dat gebaseerd is op eigen ervaring.

23  Bedoeld is de Ariyasangha, de gemeenschap van heiligen.

24  gedeeltelijk: dat is in die mate waarin de betreffende smetten zijn vernietigd door de paden van heiligheid.

25  Het commentaar zegt: “Als hij terugblikt op het opgeven van de smetten en op zijn onwankelbaar vertrouwen, ontstaat er sterke vreugde in degene-die-niet-wederkeert met de gedachte: ‘Dergelijke smetten zijn nu door mij opgegeven.’ Het is als de vreugde van een koning die verneemt dat een opstand in het grensgebied is onderdrukt.”

26  De functie van rust is hier het kalmeren van elke geringe lichamelijke en geestelijke rusteloosheid die afkomstig is van hartstochtelijke vreugde. De rust verandert dat laatste zo in een kalm geluk gevolgd door meditatieve verzinking. - Deze vaak voorkomende passage maakt in de leer van de Boeddha het belang duidelijk van geluk als een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van concentratie en van geestelijke vooruitgang in het algemeen.

27  deugdzaamheid, concentratie, wijsheid: het commentaar zegt: “Dit heeft betrekking op de drie categorieën van het achtvoudige pad, namelijk deugd (sīla), concentratie (samadhi) en wijsheid (paññna-kkhandha), hier verbonden met het pad van niet-wederkeer.”

28  Het commentaar zegt: “Het is geen hindernis voor het bereiken van het pad en vervulling van heiligheid.” Voor iemand-die-niet-wederkeert, die de band van verlangen naar zingenot heeft vernietigd, is er geen gehechtheid aan lekker eten.

29  met een geest van liefdevolle vriendelijkheid: dit en het volgende heeft betrekking op de vier goddelijke verblijven (Brahma-vihara).

30  Het commentaar luidt: "Na de meditatie van degene-die-niet-wederkeert getoond te hebben (namelijk de meditatie over de goddelijke verblijven), toont de Gezegende nu de oefening van inzicht (vipassana) met als doel heiligheid (arahatta). En hij wijst op het bereiken ervan met de woorden: ‘Hij begrijpt wat bestaat’ (enz.). Deze persoon die niet wederkeert geeft, na te zijn opgekomen uit de meditatie over elk van de vier goddelijke verblijven, als definitie van ‘geest’ (nama) juist die staten van goddelijke verblijven en de geestelijke factoren die ermee verbonden zijn. Hij definieert dan als ‘vorm’ (rupa) de hartbasis (hadaya-vatthu) als zijnde de lichamelijke steun voor de geest; en ook de lichamelijke verschijnselen die ervan afstammen, definieert hij als vorm. Als hij op die manier ‘geest’ en ‘vorm’ omschrijft, “begrijpt hij wat bestaat.” Hierdoor is een definitie van de waarheid van lijden gegeven.

Als hij dan het ontstaan van het lijden begrijpt, verstaat hij ‘wat laag is’. Hierdoor is de waarheid van het ontstaan van lijden omschreven. Door verder de middelen om het lijden op te geven te onderzoeken, verstaat hij ‘wat verheven is’. Hierdoor is de waarheid van het pad omschreven.”

31  ...en wat voor ontsnapping ...: Het commentaar luidt: “Hij weet dat er Nibbāna is als een ontsnapping boven die waarneming van de goddelijke verblijven uit. Daardoor is de waarheid van het ophouden omschreven.”

32  Het verkondigen van de bevrijding van de kankers (asava) wijst op het bereiken van heiligheid. Die wordt ook ‘uitdoving van de kankers’ genoemd.

33  Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy 1976, Bodhi Leaves No. B 73, p. 15-16.

34  Inzicht dat berust op kalmte van de geest: zelfs in deze verheven toestanden van de geest worden de kenmerken van het bestaan ingezien.

35  Wanneer de onstoffelijke mediatieve verdiepingen als basis dienen voor inzicht, dan is vorm als object van de contemplatie niet meer aanwezig.

36  De bevrijding is in beide gevallen dezelfde. De manier waarop ze verkregen wordt, verschilt onderling, al naar gelang concentratie of wijsheid de overheersende vaardigheid is. In beide gevallen zijn zowel concentratie als wijsheid hoog ontwikkeld aanwezig.

37  Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy 1980.

38  Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy 1976, Bodhi Leaves No. B 73, p. 15-16.

39  Buddhist Dictionary (avijjâ); Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy 1976, Bodhi Leaves No. B 73, p. 19-20.

40  'helder, letterlijk stralend; commentaar: rein, helder (pabhassara). De geest (citta) wordt in het commentaar met 'onderbewustzijn' (bhavanga-citta) uitgelegd.

Door de snelle wissel van het bewustzijn wordt duidelijk dat met heldere geest niet een eeuwige heldere ziel bedoeld is.

Het commentaar legt onderbewustzijn uit als het met de wedergeboorte-bewustzijn beginnende onderbewust verlopende geestesproces dat aan de individuele levensafloop zijn continuiteit geeft.

De vertaling van bhavanga-citta met onderbewustzijn is nu ingeburgerd. Maar er is niet het onderbewustzijn mee bedoeld van de moderne dieptepsychologie.

41  puthujjana; letterlijk gewone mens. Hieronder wordt begrepen degene die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt, hetzij monnik, non, mannelijke of vrouwelijke lekenvolgeling.

42  Commentaar: hij weet niet dat het onderbewustzijn op deze manier verontreinigd kan zijn door smetten maar ook er vrij van kan zijn.

43  Meer over ontwikkeling van de geest, zie: Contemplaties.



naar boven  of  naar 9.3.2. de vier niveaus van heiligheid