?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index    

5.2.5.14 - 15.  Buddhavamsa en Cariyapitaka

Buddhavamsa     Cariyapltaka



Buddhavamsa

 

      Het Buddhavamsa, de kroniek van Boeddhas is het 14e boek van het Khuddaka Nikāya. Hierin staan in versvorm legenden van de 24 Boeddhas die de voorgangers waren van de Boeddha Gotama. Het laatste hoofdstuk ervan handelt over de Boeddha Gotama en over de verdeling van zijn relieken.[1]

      Volgens het commentaar erop is het werk door de Boeddha zelf gesproken tot de Eerwaarde Sāriputta in het Nigrodhārāma te Kapilavatthu.[2] Maar dat die legenden van de Boeddha zelf stammen, is ongeloofwaardig. In de Vinaya Pitaka en Digha-Nikaya worden alleen zes voorgangers van de Boeddha genoemd. De Boeddha-leer ontwikkelde zich en het aantal Boeddhas vóór de Boeddha Gotama werd 24. Het Buddhavamsa is pas laat in de Pāli Canon opgenomen. Het werk is vol aanbidding en vergoddelijking van de Boeddha. En zoiets is niet bekend in de oudste Tipitaka teksten. Het is wel gebruikelijk in de Boeddhistische Sanskriet literatuur.[3]

      Het Buddhavamsa begint met het wonder dat de Boeddha een juwelen-looppad creëerde in de lucht en er op en neer liep om zijn Sakya-verwanten te overtuigen van zijn Boeddhaschap.

      Sāriputta hoort het lawaai dat de Sakyas dan maken, gaat met 500 arahants naar de Boeddha toe en vraagt hem welk voornemen en aspiratie voor Boeddhaschap hij had gemaakt. Ook vraagt Sāriputta over de vervulling van de volmaaktheden. De Boeddha vertelt dan over de vierentwintig eerdere Boeddhas te beginnen met Dīpankara. Hij vertelt wat hij als Bodhisatta deed voor elke Boeddha.[4]

      Het Buddhavamsa is niet alleen een kroniek van die vierentwintig Boeddhas, maar ook een verhaal over Gotama tijdens al die Boeddhas die hem voorafgingen. In tegenstelling tot de suttas gebruikt de Boeddha er de ik-vorm.[5]

      Een latere ontwikkeling van de Boeddha-leer is te zien in hoofdstuk 27. Daar vertelt de Boeddha Gotama over drie Boeddhas die voorafgingen aan de Boeddha Dīpankara. Zij werden misschien niet zo belangrijk gevonden omdat de Boeddha Gotama er geen besluit en aspiratie maakte. Verder is er nog sprake van de toekomstige Boeddha Metteyya.[6]

      In hoofdstuk 28 is een verslag van de verdeling van de relieken van de Boeddha Gotama.[7]

      De reden voor het samenstellen van het Buddhavamsa is waarschijnlijk dat men wilde aantonen dat de Boeddha Gotama niet uniek is en dat zijn Verlichting alleen verkregen werd na vele levens lang te streven naar het vervullen van de tien volmaaktheden. Het Buddhavamsa is daarom een ontwikkelde Bodhisatta-leer, maar die is er niet verder ontwikkeld.[8]

      Het Buddhavamsa werd niet als canoniek aangenomen door de Digha-bhanakas.[9]


naar boven   of  naar 5. De Pali canon  

Cariyāpitaka

 

      Het Cariyāpitaka is het 15e en laatste boek van de Khuddaka Nikāya. Naar men aanneemt, is het ontstaan in de tijd na Asoka. Het is een collectie van 35 verhalen, in versvorm, over vroegere levens van de Boeddha, toen hij ernaar streefde de tien volmaaktheden te verkrijgen. Het werk is niet compleet. Alleen zeven van de tien volmaaktheden (dasa pārami) zijn er getoond.

      Elk verhaal ervan beschrijft in de eerste persoon (ik-vorm) het gedrag van de Bodhisatta toen hij leefde als deva (godheid), mens, dier, slang, vogel of vis. Deze verhalen zijn verdeeld in drie groepen (vaggas). De eerste groep bevat tien verhalen over de Volmaaktheid van geven (dāna). De tweede groep bevat tien verhalen over de volmaaktheid van deugdzaamheid (sīla). De derde groep bevat vijftien verhalen. De eerste vijf ervan handelen over de volmaaktheid van ontzegging (nekkhamma). Dan volgt een verhaal over de volmaaktheid van vastberadenheid (adhitthāna). De volgende zes gaan over de volmaaktheid van waarheid (sacca). De volgende twee verhalen handelen over de volmaaktheid van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). En het laatste verhaal uit deze groep gaat over de volmaaktheid van gelijkmoedigheid (upekkhā). In de slotverzen wordt dan nog vermeld dat de volmaaktheden van wijsheid, energie en verdraagzaamheid eveneens bereikt zijn.[10]


      Het doel van het Cariyāpitaka is aan te tonen dat de Bodhisatta de volmaaktheden, pāramī of pāramitās, bezat in meerdere van zijn vroegere levens. Volgens de traditie werd het Cariyāpitaka door de Boeddha gepreekt tot Sāriputta na het Buddhavamsa, op dezelfde plek te Kapilavatthu. Het is voor een groot deel gebaseerd op de Jatakas. Het is vermoedelijk een late tekst. Door de Digha-bhanakas werd het als niet-canoniek beschouwd.[11]

naar boven   of  naar 5. De Pali canon  


1Malalasekera 1974, DPPN II, p. 310.

2Horner, I.B. (tr.): The Clarifier of the Sweet meaning (Madhuratthavilâsinî : Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London 1978, p. 35.

3Kashyap 1959, p. v; Webb 1975, p. 41; Winternitz 1983, p. 155-156; Thomas 1992, p. 275; Grönbold 1984, p. 384; Bareau 1964, p. 26-27; Horner, I.B. (tr.): Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa). London 1975 (a), p. ix-xv; Norman 1983, p. 92-93.

4Horner 1975 (a), p. 1; Norman 1983, p. 92-94.

5Horner 1975 (a), p. xv.

6Norman 1983, p. 93.

7Idem.

8Norman 1983, p. 92-94; Horner 1975 (a), p. xiii; Horner, I.B. (tr.): Basket of Conduct (Cariyāpitaka). London 1975 (b), p. vii.

9Norman 1983, p. 94.

10Horner 1975 (b), p. vi.

11Webb 1975, p. 41; Winternitz 1983, p. 156-157; Thomas 1992, p. 275; Kashyap 1959, Ap.II, p. v; Malalasekera 1974, DPPN I, p. 859; Norman 1983, p. 94-95.


naar boven   of  naar 5. De Pali canon