Facetten van het Boeddhisme


naar Index


5.2.4.11. Ekadasaka-nipata; het boek van elf.

I. nissaya-vagga (XI.1-11);  II. anussati-vagga (XI.12-22);  III. sāmañña-vagga (XI.23);  IV. rāga-peyyāla (XI.24)

A.XI.1-5; A.XI.6; A.XI. 12-13; A.XI. 14A.XI.16; A.XI.17; A.XI.18; A.XI.24


Anguttara Nikāya XI,

Ekadasaka-nipata; het boek van elf.

Verdeeld in vier hoofdstukken: 

I. nissaya-vagga (XI.1-11)

II. anussati-vagga (XI.12-22)

III. sāmañña-vagga (XI.23)

IV. rāga-peyyāla (XI.24)


Het Ekadasaka-Nipāta gaat over elf soorten van geluk; elf wegen naar Nibbāna; elf goede en slechte eigenschappen van een herder en van een monnik;  elf soorten van achteruitgang die iemand kunnen overkomen die medemonniken beschimpt; elf voordelen van de ontwikkeling van mettā.1

I. nissaya-vagga (XI.1-11)


A.XI. 1-5 (Gelijkluidend met eerdere teksten)

De teksten 1-4 komen precies overeen met de eerste vijf teksten van het boek van 10. Hier echter worden "afwending" en "vrij zijn van verslaving" die daar een dubbel begrip vormen, afzonderlijk vermeld zodat een groep van elf gevormd wordt.


A.XI. 6 De toekomst van degene die heiligen beschimpt

Monniken, het is onmogelijk dat een monnik die zijn medemonnik beledigt en beschimpt, en die een beschimper van de heiligen is, niet een van de volgende elf soorten van tegenspoed zal ondervinden.

Wat nog niet bereikt is, bereikt hij niet. Wat al bereikt is, verdwijnt bij hem. In de goede leer krijgt hij geen helderheid. Of hij is vol zelfoverschatting wat betreft de goede leer. Of hij leeft het reinheidsleven zonder vreugde (eraan). Of hij begaat een van de besmettende vergrijpen. Of hij geeft de ascese op en keert naar het lagere leven in de wereld terug. Of hij krijgt een zware ziekte. Of hij wordt waanzinnig of raakt geestelijk in de war. Of hij sterft een onrustige dood. Na de dood komt hij in de lagere werelden van bestaan, in verderfenis, in een hel.


*A.XI. 7-8
*A.XI. 9
*A.XI. 10
2. anussati-vagga


A.XI. 12-13 juiste contemplaties voor leken

contemplatie over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha, eigen deugdzaamheid, vrijgevigheid; denken aan de godheden.



Denken aan de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha

‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’


‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is gaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’



Bespiegeling over deugd

'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed2; ze bevordert geestelijke concentratie.' (zie ook A.III.71)



Bespiegeling over vrijgevigheid

Mijn gemoed is vrij van de ondeugd van gierigheid; ik ben vrijgevig en geef met open handen; ik geef graag, ben de behoeftigen toegedaan en heb vreugde aan het uitdelen van gaven.

‘Goed heb ik het getroffen dat ik temidden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'



Bespiegeling over godheden

“Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn de goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook bij mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.” (zie ook A.III.287; A.III.71)



*A.XI. 14 Nandiya

juiste overwegingen voor de leek; kenmerken van vertrouwen



*A.XI. 15  De kenmerken van vertrouwen



A.XI.16. De zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid

Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken toe met de leerrede over de zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid:

Monniken, elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door zichzelf vertrouwd te maken met de gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (mettā), door het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, door deze gedachten steeds te laten toenemen, door liefdevolle vriendelijkheid te beschouwen als een voertuig van uitdrukking, en eveneens als iets dat gewaardeerd moet worden, door in overeenstemming met deze gedachten te leven, door deze denkbeelden in praktijk te brengen en door ze te vestigen. Die elf zegeningen zijn:

1) men slaapt aangenaam;

2) men ontwaakt aangenaam;

3) men heeft geen boze dromen;

4) men is dierbaar aan de mensen;

5) men is dierbaar aan niet-menselijke wezens;

6) de hemelse wezens waken over iemand;

7) vuur, vergif en wapens kunnen iemand niet deren;

8) de onrustige geest concentreert zich;

9) de gelaatsuitdrukking is helder;

10) men sterft met onverward gemoed;

11) en als men hier en nu niet de hoogste heiligheid bereikt, dan komt men in de Brahma-wereld weer tot bestaan.

Monniken, deze elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid.”



Aldus sprak de Gezegende. En die monniken verheugden zich over zijn woorden.



*A.XI.17 De elf poorten van het doodloze

(Ook in M.52, Atthakanagara-Sutta)


*A.XI.18 De koeherder I

(Ook in  M.33)



*A.XI.19-22 (Gelijkluidend met eerdere teksten)

De hoofdinhoud van deze vier teksten is gelijk aan die van A.XI, 7 (I); alleen de personen die vragen en die antwoorden wisselen.



3. sāmañña-vagga



*A.XI.23 De koeherder II



4. rāga-peyyāla



A.XI.24  De reeks over het inzien van begeerte

Tot het volledige inzien van begeerte, haat en onwetendheid, van toorn, woede, minachting, overheersing, jaloezie, gierigheid, bedrog, valsheid, hardnekkigheid, opgewondenheid, eigenwaan, hoogmoed, overmoed en nalatigheid; alsook tot het doorzien ervan, de overwinning ervan, de vernietiging en uitdoving ervan, afkeer, verwoesting, ontzegging en bevrijding ervan, moeten elf dingen ontplooid worden, en wel:

de eerste, tweede, derde en vierde jhana; de bevrijding van het gemoed door liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid; alsmede de meditatieve gebieden van ruimte-oneindigheid, van bewustzijn-oneindigheid en van nietsheid.

Einde van het boek van elf van de Anguttara Nikaya



1 U Ko Lay 1985, p. 124; Webb 1975, p. 29.

2 Onbeïnvloed, d.w.z. de deugdzaamheid is niet door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel beïnvloedt, noch door verkeerde meningen (ditthi).


naar 5. De Pali canon