Facetten van het Boeddhisme


naar Index


5.2.4.1. Anguttara Nikaya,
Ekaka-nipata, het boek van een.

A.1.1.     A.1.2.     A.1.3.     A.1.4.     A.1.5.     A.I.6.     A.1.7.     A.1.8.     A.1.9.     A.1.10.     A.1.11.     A.1.12.     A.1.13.     A.1.14.     A.1.15.     A.1.16.     A.1.17.     A.1.18.     A.1.19.     A.1.20.      A.1.21.     A.1.22.     A.1.23.     A.1.24.     A.1.25.     A.1.26.     A.1.27.     A.1.28.     A.1.29.     A.1.30.     A.1.31.     A.1.32.     A.1.33.     A.1.34.     A.1.35.     A.1.36.     A.1.37.  



Ekaka-Nipata, het boek van een



Het boek van een is verdeeld in 20 vaggas.


1. rūpādi-vagga (I.1-10)

2. nīvaranappahāna-vagga (II.1-10)

3. akammaniya-vagga (III.1-10)

4. adanta-vagga (IV.1-7)

5. panihita-accha-vagga (V.1-10)

6. acharā-sanghāta-vagga (VI.1-7)

7. viriyārambhādi-vagga (VI.10; VII.1-10; VIII.1-3)

8. kalyānamittādi-vagga (VIII.4-10; IX.1)

9. pamādādi-vagga (IX.2-17)

10. dutiya-pamādādi-vagga (X.1-32)

11. adhamma-vagga (X.33-42; XI.1-10)

12. anāpatti-vagga (XII.1-20)

13. ekapuggala vagga – (Pali) (XIII.1-17)

14. etadagga vagga – (Pali) (XIV.1-7)

15. atthana-pali (XV.1-28)

16. ekadhamma-pâli – (Pali) (XVI.1-4)

17. pasāda-kara-dhamma-vagga (XVII.1-16)

18. apara-accharāsanghāta-vagga (XVIII)

19. kāyagatāsati-vagga (XIX)

20. amata-vagga (XX)



A.I. Ekaka-Nipāta

De geconcentreerde en niet geconcentreerde geest; de geoefende en niet-geoefende geest; de ontplooide en niet-ontplooide geest, inspanning, vlijt, de Boeddha, Sāriputta, Moggallāna, Mahākassapa, juiste en onjuiste inzichten, juiste en verkeerde concentratie. Opsomming van de belangrijkste monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke leken-volgelingen. Van ieder wordt opgesomd waarin hij of zij uitblonk.1

Het Ekaka Nipāta bevat suttas te Sāvatthi gesproken door de Boeddha, door de eerwaarde Sāriputta en door de eerwaarde Ānanda.2


Hoofdstuk 1. Rûpâdi Vagga (A.I.1)
A. I. 1-10.

Een vrouw kan de geest van een man in de war brengen, en omgekeerd kan een man de geest van een vrouw in de war brengen.3

A.I.1. (A.I.1-10) Man en vrouw

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster.

"De geest van de man wordt zeer geboeid door de vorm, de stem, de geur, de smaak en de aanraking van de vrouw. Niets anders boeit de geest van de man meer.

De geest van de vrouw wordt zeer geboeid door de vorm, de stem, de geur, de smaak en de aanraking van de man. Niets anders boeit de geest van de vrouw meer."


Hoofdstuk 2. Nīvaranappahāna-vagga (II.1-10)


A.I.2. (A.I.2.1-10) De vijf geestelijke hindernissen

“Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane begeerte zozeer tot ontstaan komt en de reeds ontstane begeerte tot groei en ontwikkeling komt dan een aantrekkelijk object.

Want bij degene die over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte krijgt groei en ontwikkeling.

Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane afkeer (vyâpâda) zozeer tot ontstaan komt en de ontstane afkeer tot groei en ontwikkeling komt, daneen afstotend object.4

Want wie onwijs nadenkt over een afstotend object, bij hem komt de niet ontstane afkeer tot ontstaan en de ontstane afkeer krijgt groei en ontwikkeling.

Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane starheid en luiheid zozeer tot ontstaan komt en de ontstane starheid en luiheid tot groei en ontwikkeling komt, dan lusteloosheid en traagheid, het luie strekken van de ledematen, de sufheid na de maaltijd en geestelijke slapheid.

Want bij degene die geestelijk slap is komt de niet ontstane starheid en luiheid tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid krijgt groei en ontwikkeling.

Niets anders ken ik waardoor de nog niet ontstane opwinding en gewetensonrust zozeer tot ontstaan komt en de ontstane opwinding en gewetensonrust tot groei en ontwikkeling komt, dan de innerlijke ontevredenheid.

Want bij degene die innerlijk onrustig is, bij hem komt de niet ontstane opwinding en gewetensonrust tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust krijgt groei en ontwikkeling.

Niets anders ken ik waardoor zozeer de niet ontstane twijfel tot ontstaan komt en de ontstane twijfel tot groei en ontwikkeling komt, dan onwijs nadenken.

Want wie onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel tot ontstaan en de ontstane twijfel krijgt groei en ontwikkeling.


Niets anders [niets beters] ken ik waardoor de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en de ontstane begeerte verdwijnt, dan een afstotend object (asubha-nimitta).

Want wie wijs nadenkt over een afstotend object,5 bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt.

Niets anders ken ik waardoor de niet ontstane afkeer niet tot ontstaan komt en de ontstane afkeer verdwijnt dan metta, de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart.

Want wie wijs nadenkt over metta, de goedheid, de bevrijding van het hart, bij hem komt de niet ontstane afkeer niet tot ontstaan en de ontstane afkeer verdwijnt.

Geen ander middel ken ik waardoor de ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan komt en de ontstane starheid en luiheid verdwijnt, dan de geestelijke houding van de wilskracht, het vooruitstreven, en de energieke volharding.

Want wie zijn wilskracht inzet, bij hem komt de niet ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid verdwijnt.

Niets anders ken ik waardoor de niet ontstane opgewondenheid en geestelijke onrust niet tot ontstaan komt en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt, dan de innerlijke rust.

Want bij degene die innerlijk rustig is, komt de niet ontstane opgewondenheid en gewetensonrust niet tot ontstaan en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt.

Niets anders ken ik waardoor de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan komt en de ontstane twijfel verdwijnt dan wijs nadenken.

Want wie wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan en de ontstane twijfel verdwijnt.6


Hoofdstuk 3. Akammaniya Vagga


A.I.3. (A.I.3.1-10) De ongetemde en de getemde geest


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo weerspannig is

als de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest is inderdaad

een weerspannig ding.”

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo gedwee is

als de bedwongen geest;

de bedwongen geest is inderdaad

een gedwee ding.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert tot groot verlies

dan de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest voert inderdaad

tot groot verlies.”

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert naar groot voordeel

dan de bedwongen geest;

de bedwongen geest voert inderdaad

naar groot voordeel.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel ellende brengt

dan de geest die onbedwongen is,

onbeheerst, onbewaakt

en die niet weerhouden wordt;

zo'n geest brengt inderdaad groot leed.”

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel geluk brengt

dan de geest die bedwongen is,

beheerst, bewaakt

en die weerhouden wordt;7

zo'n geest brengt inderdaad een groot geluk.”


Hoofdstuk 4. Adanta Vagga – (Pali)


A.I.4. (A.I.4.1-7) Temmen van de geest

Tot grote onzegen voert de geest die onbedwongen is, onbewaakt.

Tot grote zegen voert de geest die bedwongen is en bewaakt.


Hoofdstuk 5. Panihita-accha-vagga (V.1-10)


A.I.5. (A.I.5.1-2) Verkeerd en juist gerichte geest

Iemand met verkeerd gerichte geest kan de onwetendheid niet doorbreken. Hij kan weten niet opwekken en kan Nibbana niet verwerkelijken. Want zijn geest is verkeerd gericht.

Maar iemand met juist gerichte geest kan de onwetendheid doorbreken, kan weten opwekken en kan Nibbana verwerkelijken. Want zijn geest is juist gericht.


A.I.6. (A.I.5.3-4) Doorschouwen van de geest

"Ik doorschouw met mijn geest een slechtgezind mens. Als hij nu zou sterven, zou hij overeenkomstig zijn daden in de hel geraken. En wel omdat zijn denken slecht is. Wegens slecht denken namelijk verschijnen sommige wezens na de dood in de lagere wereld (apâya), op een spoor van lijden (duggati), in de afgronden van bestaan (vinipâta), in een hel."

"Ik doorschouw met mijn geest een edelgezind mens. Als hij nu zou sterven, zou hij overeenkomstig zijn daden in een hemelse sfeer geraken. En wel omdat zijn denken edel is. Want vanwege een edel denken verschijnen sommige wezens na de dood op een goed spoor van bestaan, in een hemelse wereld."


A.I.7. (A.I.5.5-6) De poel water

Als iemand aan de oever van een troebele poel water staat, kan hij – hoewel hij kan zien - door de troebelheid van het water de vissen, de mossels, de kiezelsteentjes in het water niet zien. Juist zo kan iemand met troebele geest noch het eigen heil inzien noch het heil van iemand anders, noch het heil van beiden. Hij is ook niet in staat om die bovenmenselijke (uttara-manussa) eigenschap van het naar heiligheid voerende inzicht te verwerkelijken, vanwege die troebele geest.

Als iemand aan de oever van een heldere poel water staat, kan hij daarin de vissen, de mossels, de kiezelsteentjes zien, omdat het water helder en niet troebel is. Juist zo kan iemand met heldere geest het eigen heil onderkennen, het heil van iemand anders en het heil van beiden. Hij is ook in staat om de bovenmenselijke eigenschap van het naar heiligheid voerende inzicht te verwerkelijken, vanwege zijn heldere geest.


A.I.8. (A.I.5.7) Ontplooide geest

Niets anders ken ik dat zo zacht en kneedbaar is als de geest wanneer ze ontplooid is en niet verwaarloosd wordt.


A.I.9. (A.I.5.8) De snelle wisseling van het bewustzijn

Niets anders dan het bewustzijn verandert zo snel.8


A.I.10. (A.I.5.9-10) Het heldere bewustzijn

“Het bewustzijn is helder, maar het wordt verontreinigd door erbij komende smetten.9

Helder is dit bewustzijn en het is vrij van erbij komende smetten."


Hoofdstuk 6. Acharā-sanghāta-vagga (VI.1-7)


A.I.11. (A.I.6.1-2) Het heldere bewustzijn II

Helder is het bewustzijn, maar het wordt verontreinigd door erbij komende smetten. Voor de wereldling die dit niet begrijpt,10 is er geen ontplooiing van de geest.11

Helder is het bewustzijn, en het is vrij van erbij komende smetten. De bekwame, edele volgeling begrijpt dit overeenkomstig de werkelijkheid. Daarom kan hij de geest ontplooien.


A.I.12. (A.I.6.3-5) Metta

Wanneer iemand slechts voor een oogwenk de gedachte van Metta koestert, die gedachte ontplooit en overdenkt, dan geldt hij als iemand die niet tevergeefs de leer van de Boeddha navolgt.

Wat kan dan wel gezegd worden van iemand die deze gedachte van metta vaak koestert.


A.I.13. (A.I,6.6-7) De bron van alle goed en kwaad

De geest is de voorloper van alle onheilzame dingen.12 Want de geest, het geestelijke (mano) stijgt eerst op, en dan volgen de onheilzame dingen.

De geest is de voorloper van alle heilzame dingen. Want het geestelijke, de geest stijgt eerst op, en dan volgen de heilzame dingen.


Hoofdstuk 7. Vîriyârambhâdi Vagga – (Pali)


A.I.14. (A.I.6,10; A.I.7,1-10; A.I.8,1-3) Verwaarlozing en energie I

Niets anders dan de verwaarlozing (pamâda) ken ik waardoor de niet ontstane onheilzame dingen zodanig tot ontstaan komen en de ontstane heilzame dingen verdwijnen.

Niets anders dan de energie, ijver ken ik waardoor de niet ontstane heilzame dingen zodanig tot ontstaan komen en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen.13 Bij de ijverige, energieke, namelijk komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane onheilzame dingen.

Niets anders dan de traagheid ken ik waardoor zodanig de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan komen en de ontstane heilzame dingen verdwijnen.

Dit geldt ook wat betreft de veeleisendheid, de ontevredenheid, het onwijze nadenken, de geestelijke onzuiverheid, de slechte omgang, de uitoefening van onheilzame dingen en het niet uitoefenen van heilzame dingen.

Niets anders ken ik waardoor zodanig de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan komen en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen, dan het inzetten van de wilskracht, de tevredenheid, het wijze nadenken, de helderheid van weten, edele omgang, het uitoefenen van heilzame dingen en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.


Hoofdstuk 8. Kalyânamittâdi Vagga – (Pali)


A.I.15. (A.I.8.4-5) De factoren van Verlichting

Onwijs nadenken is een grote hindernis bij het ontstaan van niet ontstane verlichtingsfactoren14 en bij de volledige ontplooiing van de ontstane verlichtingsfactoren. Want bij degene die onwijs nadenkt komt het niet tot het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactoren en de ontstane factoren komen niet volledig tot ontplooiing.

Wijs nadenken is zeer bevorderlijk voor het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactoren en voor de volledige ontplooiing van de ontstane verlichtingsfactoren. Want bij degene die wijs nadenkt ontstaan de niet ontstane verlichtingsfactoren en de ontstane factoren komen tot volle ontplooiing.


A.I.16. (A.I.8.6-10; A.I.9.1) De hoogste winst

Klein is het verlies van verwanten, rijkdom en eer. Maar het verlies van inzicht is het ergste verlies.

Klein is de winst aan verwanten, rijkdom en eer. Maar de winst aan inzicht is de hoogste winst.

Daarom moeten jullie ernaar streven om inzicht te verkrijgen.15


Hoofdstuk 9. Pamâdâdi Vagga - (Pali)


A.I.17. (A.I.9.2-17) Achteloosheid en deugden II

Monniken, niets anders ken ik dat tot grote tegenspoed voert dan achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.

Monniken, niets anders ken ik dat tot zo'n hoge zegen voert dan ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid, - tevredenheid, – wijs nadenken, – edele omgang, – het uitoefenen van heilzame dingen, -en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.


Hoofdstuk 10. Dutiyapamâdâdi Vagga – (Pali)


A.I.18. (A.I.10.1-16) Achteloosheid en deugden III

Monniken, geen andere innerlijke oorzaak voert tot zo'n grote tegenspoed dan achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.

Monniken, geen andere uiterlijke oorzaak voert tot zo'n grote tegenspoed dan slechte omgang.

Monniken, geen andere innerlijke oorzaak voert tot zo'n grote zegen dan ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid, - tevredenheid, – wijs nadenken, – helderheid van weten, – het uitoefenen van heilzame dingen, - en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.

Monniken, geen andere uiterlijke oorzaak voert tot zo'n grote zegen dan edele omgang.

A.I.19. (A.I.10.17-32) Achteloosheid en deugden IV

Monniken, niets anders ken ik dat zozeer voert naar het verdwijnen en de ondergang van de goede leer dan

achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.

Monniken, niets anders ken ik dat zozeer voert naar het voortbestaan van de goede leer en niet naar het verdwijnen ervan dan ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid, - tevredenheid, – wijs nadenken, – helderheid van weten, – de edele omgang, – het uitoefenen van heilzame dingen, -en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.


Hoofdstuk 11. Adhamma-vagga


A.I.20. (A.I.10.33-42; A.I.11.1-10) Leer en discipline

Er zijn monniken die velen tot verderf zijn. En er zijn monniken die velen tot heil zijn.

De monniken die velen tot verderf zijn, zijn:

- degenen die een verkeerde leer als de juiste beschouwen en de juiste leer als verkeerd;

- degenen die een verkeerde discipline als de juiste beschouwen en de juiste als de verkeerde;

- degenen die het door de Volmaakte niet gezegde en onderwezene beschouwen als door hem wel gezegd en onderwezen en die het door hem gezegde en onderwezene beschouwen als door hem niet gezegd en onderwezen;

- degenen die het door de Volmaakte niet gedane en niet opgedragene beschouwen als door hem wel gedane en opgedragene en die het door hem wel gedane en opgedragene beschouwen als door hem niet gedane en opgedragene.

Al deze monniken zijn velen tot verderf, ongeluk en onheil, tot verderf en lijden van goden en mensen; die monniken verwerven voor zich grote schuld en brengen deze goede leer tot ondergang.


Maar de monniken die een verkeerde leer als verkeerd en de juiste leer als juist beschouwen;

- die verkeerde discipline als verkeerd en juiste discipline als juist beschouwen;

- die het door de Volmaakte niet gesprokene en niet onderwezene beschouwen als door hem niet gesproken en niet onderwezen en die het door de Volmaakte gesprokene en onderwezene beschouwen als door hem gesproken en onderwezen;

- die het door de Volmaakte niet gedane en niet opgedragene beschouwen als door hem niet gedaan en niet opgedragen, en die het door hem gedane en opgedragene beschouwen als door hem gedaan en opgedragen.

Al deze monniken dienen velen tot zegen, heil en welzijn, tot zegen en heil voor goden en mensen. Zij verwerven voor zich grote verdienste en vestigen deze goede leer.

Hoofdstuk 12. Anapatti Vagga - (Pali)


A.I.21. (A.I.12.1-20) Leer en discipline II

De monniken die iets wat geen fout is, als een fout beschouwen, en die iets wat een fout is als geen fout beschouwen; die een lichte misstap voor een zware houden en een zware voor een lichte; die een aanzienlijk vergrijp als niet aanzienlijk beschouwen en die een niet aanzienlijk vergrijp beschouwen als aanzienlijk; die een volledig vergrijp houden voor een niet volledig vergrijp, en die een niet volledig vergrijp houden voor een volledig vergrijp, die een zoenbaar vergrijp beschouwen als niet zoenbaar en die een niet zoenbaar vergrijp beschouwen als zoenbaar; al deze monniken dienen velen tot verderf, tot ongeluk en onheil, tot verderf en lijden voor goden en mensen. Zij verwerven voor zich grote schuld en brengen deze goede leer tot ondergang.


Maar die monniken die iets wat geen fout is, als geen fout beschouwen, en een fout voor een fout houden, die een lichte fout als lichte fout en niet als zware fout beschouwen, die een aanzienlijk vergrijp als aanzienlijk vergrijp beschouwen, die een volledig vergrijp als volledig vergrijp beschouwen, die een zoenbaar vergrijp als zoenbaar en een niet zoenbaar vergrijp als niet zoenbaar beschouwen, - al die monniken dienen velen tot heil, welzijn en zegen, tot zegen en heil van goden en mensen; zij verwerven voor zich grote verdienste en vestigen deze goede leer.


Hoofdstuk 13. Ekapuggala Vagga – (Pali)


A.I.22. (A.I.13.1-16) Het enige wezen

Er is één wezen dat in de wereld verschijnt en dat veel mensen tot heil en zegen strekt, uit medelijden met de wereld, tot heil en zegen en welzijn voor goden en mensen. Dat ene wezen is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat zelden in de wereld geboren wordt. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat in de wereld verschijnt en er als een wonderbaarlijk mens ontstaat. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Het heengaan van één wezen vervult velen met droefenis. Het is het heengaan van de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat in de wereld ontstaat zonder weerga, zonder een tweede, zonder een metgezel, zonder iemand die hem gelijk is, helemaal onvergelijkbaar. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Bij het verschijnen van één wezen openbaart zich het grote oog [van de wereld], openbaart zich grote helderheid, groot licht. De zes onovertreffelijke goede dingen openbaren zich,16 de vier analytische soorten weten worden verwerkelijkt,17 de veelsoortige en verschillende elementen worden begrepen,18 de vrucht van weten en bevrijding wordt verwerkelijkt. Verwerkelijkt worden de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet wederkeer en van heiligheid. Het is bij het verschijnen van de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.


A.I.23. (A.I.13.17) Sāriputta

“Niemand anders ken ik die de leer van de Boeddha zo duidelijk kan uitleggen dan Sâriputta.” 19


Hoofdstuk 14. Etadagga Vagga – (Pali)


A.I.24. (A.I.14.1-7) De top van de discipelen


I. Monniken

Añña-Kondañña staat aan het hoofd van de monniken die het langste in de Orde zijn.

Sariputta staat aan het hoofd van de monniken die heel wijs zijn (mahapañña).

Maha-Moggallana staat aan het hoofd van de monniken die met magie begaafd zijn (iddhimanta).

Maha-Kassapa staat aan het hoofd van de monniken die strenge ascese onderwijzen.

Anuruddha staat aan het hoofd van de monniken die met het hemelse oog begiftigd zijn.

Bhaddiya, de zoon van Kaligodha, staat aan het hoofd van de monniken die van voorname afkomst zijn.

Bhaddiya, de dwerg, staat aan het hoofd van degenen die met een lieflijke stem begiftigd zijn.

Pindola-Bharadvaja staat aan het hoofd van degenen die de roep van de leeuw verheffen.

Punna Mantaniputta staat aan het hoofd van degenen die de leer verkondigen.

Maha-Kaccana staat aan het hoofd van degenen die korte samenvattingen uitvoerig kunnen uitleggen.


b) Aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken


Cula-Panthaka staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een door de geest verwekt lichaam kunnen scheppen.

Cula-Panthaka staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die bekwaam zijn om in meditatieve geestelijkheid afkeer te produceren.20

Maha-Panthaka staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die bekwaam zijn om afkeer van waarnemingsbeelden te produceren.21

Subhuti staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die in geweldloosheid vertoeven.

Subhuti staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die gaven waard zijn.

Revata-Khadiravaniya (Revata van het acasia-bos) staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die in ascese in het woud leven.

Kankha-Revata (Revata de twijfelaar) staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die zich concentreren [die mediteren].

Sona de Koliviser staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een sterke wil hebben.

Sona Kutikanna staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die mooie voordrachten houden.

Sivali staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die aalmoezen ontvangen.

Vakkali staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die vol vertrouwen zijn.

Rahula staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die graag oefenen.

Ratthapala staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die vol vertrouwen het huisloze leven aannamen.

Kunda-Dhana staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die als eerste aanwijzingen kregen voor een regelmatig aalmoezen eten.

Vangisa staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die slagvaardig zijn.

Upasena, de zoon van Vaganta, staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die steeds charmant zijn.

Dabba van Malla staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een woonplaats toewijzen.

Pilinda-Vaccha staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die aan de goden lief en dierbaar zijn.

Bahiya Daruciriya staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een snel opvattingsvermogen hebben.

Kumara-Kassapa staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die uitstekende sprekers zijn.

Maha-Kotthita staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de vier soorten analytisch weten bezitten.

Ananda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die veel weten.

Ananda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een sterk geheugen hebben.

Ananda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de volgorde van de teksten beheersen.

Ananda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die geestelijk bewegelijk zijn.

Ananda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die zorgzaam zijn, die verzorgen.

Uruvela-Kassapa staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die een grote schare leerlingen hebben.

Kaludayi staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die bij de gezinnen vertrouwen kunnen opwekken.

Bakkula staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die zelden ziek zijn.

Sobhita staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die zich aan een vroeger bestaan herinneren.

Upali staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de discipline van de Orde kennen.

Nandaka staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de nonnen onderwijzen.

Nanda staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de deuren van de zintuigen bewaken.

Maha-Kappina staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die de monniken onderrichten.

Sagata staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die het vuurelement beheersen.

Radha staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die scherpzinnige vragen stellen.

Mogharaja staat aan het hoofd van de volgelingen van mijn monniken die het grove gewaad dragen.


II. Nonnen


Maha-Pajapati Gotami staat aan het hoofd van de nonnen met de meeste jaren in de Orde.

Khema staat aan het hoofd van de nonnen die zeer wijs zijn.

Uppalavanna staat aan het hoofd van de nonnen met

magische krachten.

Patacara staat aan het hoofd van de nonnen die de discipline goed kennen.

Dhammadinna staat aan het hoofd van de nonnen die de leer preken.

Nanda staat aan het hoofd van de nonnen die zich concentreren, die mediteren.

Sona staat aan het hoofd van de nonnen met sterke wil.

Sakula staat aan het hoofd van de nonnen die het hemelse oog bezitten (die helderziend zijn).

Bhadda Kundalakesa staat aan het hoofd van de nonnen met een snel opvattingsvermogen.

Bhadda Kapilami staat aan het hoofd van de nonnen die zich aan een vroeger bestaan kunnen herinneren.

Bhaddakaccana staat aan het hoofd van de nonnen die met bovennatuurlijke krachten zijn begiftigd.

Kisa Gotami staat aan het hoofd van de nonnen die een grof gewaad dragen.

Sigala Matati staat aan het hoofd van de nonnen die vol vertrouwen zijn.


III. Leken


De kooplieden Tapussa und Bhallika staan aan het hoofd van de leken die als eerste hun toevlucht namen.

Het gezinshoofd Sudatta, genaamd Anathapindika staat aan het hoofd van de leken die gaven aanbieden.

Het gezinshoofd Citta uit Macchikasanda staat aan het hoofd van de leken die de leer preken.

Hatthaka uit Alavi staat aan het hoofd van de leken die aanhangers werven door de vier gunsten.

Mahanama de Sakkier staat aan het hoofd van de leken die uitgelezen spijzen geven.

Het gezinshoofd Ugga uit Vesali staat aan het hoofd van de leken die aangename dingen geven.

Het gezinshoofd Ugga uit het Olifantendorp (Hatthigama) staat aan het hoofd van de leken die de gemeenschap van de monniken ondersteunen.

Sura Ambattha staat aan het hoofd van de leken die een onwrikbaar vertrouwen hebben.

Jivaka Komarabhacca staat aan het hoofd van de leken die onder de mensen geliefd zijn.

Het gezinshoofd Nakulapita staat aan het hoofd van de leken die trouw zijn.


IV. Vrouwelijke leken


Sujata, de dochter van Senani, staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die het eerst haar toevlucht namen.

Visakha, de moeder van Migara , staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die gaven geven.

Uttara, de gebochelde , staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die veel weten.

Samavati staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die in liefdevolle vriendelijkheid vertoeven.

Uttara, de moeder van Nanda, staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die zich concentreren, die mediteren.

Suppavasa uit Koliyea staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die uitgelezen spijs geven.

Suppiya staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die voor de zieken zorgen.

Katiyani staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die een onwrikbaar vertrouwen hebben.

Nakulamata staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die trouw zijn.

Kali uit Kuraraghara staat aan het hoofd van de vrouwelijke leken die vertrouwen kregen enkel door luisteren.


Hoofdstuk 15. Atthana-pali


A.I.25. (A.I.15.1-28) Onmogelijk en mogelijk

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht22 iets dat ontstaan is beschouwt als onvergankelijk. Wel is het mogelijk dat een wereldling iets dat ontstaan is beschouwt als onvergankelijk.

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht iets dat gevormd is beschouwt als gelukbrengend. Maar een wereldling kan iets dat gevormd is wel als gelukbrengend beschouwen.

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht iets als een zelf beschouwt.23 Maar een wereldling kan iets wel als zelf beschouwen.24

Het is onmogelijk dat iemand met inzicht

- zijn moeder van het leven zal beroven,

- zijn vader van het leven zal beroven,

- een heilige van het leven zal beroven,

- met verdorven hart het bloed van de Volmaakte zal vergieten,

- de gemeenschap van de monniken zal splitsen [een schism zal veroorzaken].25

Zo’n mogelijkheid bestaat niet. Maar een wereldling kan dat wel.


Het is onmogelijk dat iemand met inzicht een andere meester [dan de Boeddha] zal kiezen.

Het is onmogelijk dat in hetzelfde wereldsysteem, op dezelfde tijd twee heilige en volmaakt ontwaakten (d.w.z. twee Boeddhas) ontstaan. Wel is het mogelijk dat in hetzelfde wereldsysteem een enkele heilige en volmaakt ontwaakte ontstaat.

Het is onmogelijk dat in hetzelfde wereldsysteem, op dezelfde tijd twee wereldbeheersers (cakkavatti) ontstaan. Wel is het mogelijk dat in hetzelfde wereldsysteem een enkele wereldbeheerser ontstaat.

Het is onmogelijk dat een vrouw een volmaakt Ontwaakte [een Boeddha] wordt.

Het is onmogelijk dat een vrouw een wereldbeheerser wordt, dat zij de heerschappij over de (drieëndertig) goden uitoefent,26 over de wezens in de hemelen van Mara of van Brahma.27

Wel is het mogelijk dat een mannelijk wezen een Boeddha wordt of een wereldbeheerser, of heerschappij uitoefent over de wereld van de Drieëndertig goden, over de hemelen van Mara of van Brahma.

Het is onmogelijk dat iemand die zich slecht gedraagt in daden, woorden en gedachten, deelachtig wordt aan een gewenst, blij, aangenaam resultaat van dat gedrag. Wel is het mogelijk dat hij een ongewenst, onaangenaam en niet blij resultaat van dat gedrag krijgt.

Het is onmogelijk dat iemand die in daden, woorden en gedachten juist handelt, een ongewenst, onaangenaam resultaat van dat gedrag krijgt. Wel is het mogelijk dat hem een gewenst en aangenaam resultaat ten deel valt.

Het is onmogelijk dat iemand die zich verkeerd gedraagt in daden, woorden en gedachten, ten gevolge daarvan na de dood in een gelukkige sfeer, in een hemelse wereld wedergeboren wordt. Wel is het mogelijk dat hij in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel.

Het is onmogelijk dat iemand die een juist gedrag heeft in daden, woorden en gedachten, ten gevolge daarvan na de dood in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel. Wel is het mogelijk dat hij in een gelukkige sfeer komt, in een hemelse wereld.


Hoofdstuk 16. Ekadhamma-pâli – (Pali)


A.I.26. (A.I.16.1. 1-10) De tien overwegingen

Er is een overweging die, wanneer ze ontplooid en vaak beoefend wordt, voert tot volledige afkeer, tot bevrijding, uitdoven, vrede, tot inzicht, tot Verlichting, tot Nibbâna. Het is de overweging over de Volmaakte.

Eenzelfde resultaat heeft de overweging over de leer, en de overweging over de gemeenschap van de monniken.

Eenzelfde resultaat heeft de overweging over de zedelijkheid, over vrijgevigheid, over de hemelse wezens, over in- en uitademen, over de dood, over het lichaam, en de overweging over de vrede.28 29


* Zie ook: A.VI.9-10, 25; A.XI.13; A.III.71; overweging over de dood zie: A.VIII.73-74.


A.I.27. (A.I.16.2. 1-8) Juist inzicht en verkeerde opvatting

Niets anders ken ik, waardoor zodanig de niet ontstane onheilzame dingen ontstaan en de ontstane tot groei en ontwikkeling komen, dan de verkeerde opvatting.30 Bij iemand die een verkeerde opvatting heeft, komen de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan en krijgen de ontstane onheilzame dingen groei en ontwikkeling.

Niets anders ken ik waardoor zodanig de niet ontstane heilzame dingen ontstaan en de ontstane tot groei en ontwikkeling komen dan juist inzicht. Bij iemand die juist inzicht heeft, komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en de ontstane krijgen groei en ontwikkeling.

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de niet ontstane heilzame dingen niet ontstaan en de ontstane verdwijnen, dan verkeerde opvatting.

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de niet ontstane onheilzame dingen niet ontstaan en de ontstane verdwijnen, dan juist inzicht.

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de niet ontstane verkeerde opvatting ontstaat, dan onwijs nadenken.

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat het niet ontstane inzicht ontstaat, dan wijs nadenken.31

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de wezens na de dood in een lager bestaan komen, op een spoor van lijden, in afgronden van bestaan, in een hel, dan de verkeerde opvatting.

Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de wezens na de dood op een gelukkig spoor van bestaan komen, in een hemelse wereld komen, dan juist inzicht.


A. I. 28-31:

Een onontwikkelde geest brengt tegenspoed en geen geluk. Een ontwikkelde geest brengt voorspoed en geluk.


A.I.28. (A.I.16.2. 9-10) Juist inzicht

Als iemand met verkeerde opvatting die verkeerde opvatting volgt en dan handelingen verricht in daad, woorden en gedachten, wat daarbij zijn wil is, zijn wens en verlangen, en zijn [andere] geestelijke functies , – dat alles brengt ongewenste, onaangename dingen, brengt onheil en leed. De reden is dat zijn bedoeling niet goed is.

Als iemand met juist inzicht dat juist inzicht volgt en dan acties uitvoert in daden, woorden en gedachten, wat daarbij zijn wil is, zijn wens en verlangen en zijn [andere] geestelijke functies, – dat alles brengt gewenste, blijde en aangename dingen, brengt zegen en geluk. De reden is dat zijn inzicht juist is.

Als men iets met verkeerde bedoelingen doet, hetzij in daad, woorden of gedachten, dat brengt iets onaangenaams, geen zegen maar leed.

Als men iets met juist inzicht doet, hetzij in daad, woorden of gedachten, dat brengt iets aangenaams, brengt zegen en geluk.


A.I.29. (A.I.16.3. 1-3) De invloed van verkeerde opvatting en van juist inzicht

Er is een wezen dat, als het in de wereld verschijnt, vele mensen onheil, ongeluk en schade brengt, dat tot onheil en lijden ontstaat voor goden en mensen. Het is het wezen met verkeerde opvatting, met een verkeerd

denkbeeld. Zo iemand brengt vele mensen af van het goede en versterkt hen in het slechte.

Er is een wezen dat, als het in de wereld verschijnt, velen zegen brengt, voor velen tot welzijn, heil en zegen ontstaat, voor goden en mensen. Het is het wezen dat juist inzicht, juiste opvatting, een juist denkbeeld heeft. Zo iemand brengt namelijk veel mensen af van het kwade en versterkt hen in het goede.

Niets anders ken ik dat een zo groot kwaad is dan de verkeerde opvatting. Van alle kwaad is verkeerde opvatting, verkeerde mening het grootste.


A.I.30. (A.I.16.3. 4) Makkhali Gosâla

Niemand anders dan Makkhali brengt het volk zoveel onheil en schade.32


A.I.31. (A.I.16.3. 5-12) Goede en slechte heilsleer

Wie tot een slecht verkondigde leer en discipline aanspoort of zich laat aansporen, en dan dienovereenkomstig leeft, hij verschaft zich grote

schuld. Want die leer is slecht verkondigd.

Maar wie tot een goed verkondigde leer en discipline aanspoort of zich laat aansporen, en dan dienovereenkomstig leeft, hij verschaft zich grote verdienste. Want die leer is goed verkondigd.

In een slecht verkondigde leer en discipline moet de gever [bij het geven aan asceten of priester] de maat kennen, niet de ontvanger. En wel omdat de leer slecht verkondigd is.

In een goed verkondigde leer en discipline moet de ontvanger de juiste maat kennen, niet de gever. En wel omdat de leer goed verkondigd is.

Wie in een slecht verkondigde leer en discipline zijn wilskracht inspant, leeft vol lijden.33 En wel omdat de leer slecht verkondigd is.

Wie in een goed verkondigde leer en discipline traag is, leeft vol lijden. En wel omdat de leer goed verkondigd is.

Wie in een slecht verkondigde leer en discipline traag is, leeft gelukkig. En wel omdat de leer slecht verkondigd is.

Wie in een goed verkondigde leer en discipline zijn wilskracht inspant, leeft gelukkig. En wel omdat de leer goed verkondigd is.


A.I.32. (A.I.16.3. 13-14) De gelijkenis van uitwerpselen

Net zoals een beetje van uitwerpselen, urine, slijm, etter of bloed kwalijk ruikt, net zo min prijs ik een kort bestaan, zelfs niet voor een ogenblik.


A.I.33. (A.I.16.4. 1-44) Wedergeboorte. De gelijkenis van de Indiase aarde

Zoals er op deze Indiase aarde slechts weinig lieflijke tuinen, parken, velden en vijvers zijn, maar meer hellingen en ravijnen, moeilijk begaanbare rivieren, stoppelig en doornig land en onbegaanbaar gebergte,

– evenzo zijn er slechts weinig wezens op het land en veel meer in het water.

- Evenzo worden slechts weinig wezens onder de mensen wedergeboren en veel meer buiten het mensdom.

- Evenzo worden slechts weinig wezens in het middengebied [van India] wedergeboren en veel meer in de grensgebieden onder onverstandige barbaren.

- Evenzo zijn er weinig wezens die verstandig zijn, niet stompzinnig, niet doof of stom, en die in staat zijn onderscheid te maken tussen een goed gesproken redevoering en een niet goed gesproken redevoering. Veel meer wezens zijn er die niet in staat zijn om onderscheid te maken tussen een goed gesproken en niet goed gesproken redevoering.

- Evenzo zijn er maar weinig mensen die het heilige oog van de wijsheid bezitten, en veel meer die vol onwetendheid zijn en verblind.

- Evenzo krijgen slechts weinig wezens de Volmaakte te zien, en veel meer krijgen hem niet te zien.

- Evenzo krijgen slechts weinig wezens de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline te horen, en veel meer krijgen die niet te horen.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die zich de vernomen leer inprenten, en veel meer die ze zich niet inprenten.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die de zin van de ingeprente leer onderzoeken, en veel meer die de zin ervan niet onderzoeken.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die de leer en de betekenis ervan begrijpen en overeenkomstig de leer leven. Maar veel meer wezens zijn er die de leer en de betekenis ervan niet begrijpen en ook niet overeenkomstig de leer leven.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die bij ontroerende gelegenheden ontroerd worden, en veel meer die daarbij niet ontroerd worden.

– Evenzo zijn er maar weinig wezens die, wanneer ze ontroerd zijn, wijs hun best doen, en veel meer die, wanneer ze ontroerd zijn, niet wijs hun best doen.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die, met de bevrijding als hun doel, concentratie en eenheid van de geest verkrijgen, en veel meer die, met de bevrijding als doel, geen concentratie en eenheid van de geest verkrijgen.

- Evenzo krijgen slechts weinig wezens goede spijzen en drank. Veel meer wezens ontberen goede spijzen en drank en zij moeten in hun bestaan voorzien met vergaard en gebedeld eten.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die het wezenlijke van de leer, het wezenlijke van de zin ervan en het wezenlijke van de bevrijding34 deelachtig zijn, en veel meer zijn er die daaraan niet deelachtig zijn.

Daarom moeten jullie ernaar streven het wezenlijke van de leer, het wezenlijke van de zin en het wezenlijke van de bevrijding te verkrijgen.

Zoals er op deze Indiase aarde slechts weinig lieflijke tuinen, parken, velden en vijvers zijn, maar meer hellingen en ravijnen, moeilijk begaanbare rivieren, stoppelig en doornig land en onbegaanbaar gebergte –

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die, na de dood als mens, onder de mensen of de hemelse wezens wedergeboren worden. Veel meer wezens zijn er die, na de dood als mens, wedergeboren worden in een hel, in de dierenwereld of in het rijk van de geesten.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die vanuit een hemelse sfeer wedergeboren worden onder de hemelbewoners of onder de mensen. Veel meer wezens zijn er die vanuit een hemelse sfeer wedergeboren worden in een hel, in de dierenwereld of in het rijk van de geesten.

- Evenzo zijn er slechts weinig wezens die vanuit de hel, vanuit de dierenwereld of vanuit het rijk der geesten wedergeboren worden onder de mensen. Veel meer zijn er die vanuit de hel, vanuit de dierenwereld of vanuit het rijk der geesten weer daar wedergeboren worden.


Hoofdstuk 17. Pasāda-kara-dhamma-vagga


*A.I.34. (A.I.17.1-16) De 16 oorzaken voor geliefd zijn


Hoofdstuk 18. Apara-accharāsanghāta-vagga


A.I.35. (A.I.18) Wegen van de meditatie


De vier meditatieve verdiepingen (jhana)


Wanneer een monnik ook maar voor een ogenblik de eerste, tweede, derde of vierde jhana ontplooit, dat is niet tevergeefs. Hij volgt de regels van de Meester, handelt in overeenkomst met de instructies; en hij verteert niet onwaardig de aalmoezenspijzen van het land. Hoeveel te meer geldt dit voor diegenen die de jhanas vaak oefenen! (Zie ook A.II.13)


De vier goddelijke toestanden (brahma-vihara)

Of hij ontplooit de bevrijding van het gemoed die bestaat uit liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid. (Zie ook A.III.64)


De 37 elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma)


(1-4: De vier grondslagen van oplettendheid, satipattana)

Of hij vertoeft in de beschouwing van het lichaam – de gevoelens – de toestanden van bewustzijn – de objecten van de geest. Hij doet dat ijverig, helder bewust en oplettend, na overwinning van begeerte en verdriet.

(5-8: De vier juiste inspanningen, samma-ppadhana)

Of hij wekt in zich de wil op, streeft ernaar, zet zijn wilskracht in, drijft zijn geest aan en spant zich in om de niet ontstane slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan – om de ontstane slechte, onheilzame dingen te overwinnen – om de niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan – om de ontstane heilzame dingen te vestigen, niet te laten verdwijnen, maar ze tot groei en volle ontplooiing te brengen. (Zie ook A.IV.13-14)

(9-12: De vier krachten, iddhi-pada)


Of hij ontplooit de krachten die bestaan uit de concentratie van gedachten, de concentratie van de wilskracht, de concentratie van de geest, de concentratie van onderzoek. Die krachten worden begeleid door inspanning en vastberadenheid. (Zie A.V.67-68)

(13-17: De vijf vaardigheden, indriya)


Of hij ontplooit de geestelijke vaardigheden, namelijk: vertrouwen (saddhindriya), energie (viriya-indriya), oplettendheid (sati-indriya), concentratie (samādhindriya) en wijsheid (paññindriya).

(Zie de opmerkingen bij A.III.21 en bij A.IV.162 en bij A.VI.55)

(18-22: De vijf geestelijke krachten, bala)


Of hij ontplooit de geestelijke krachten, namelijk: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. (Zie A.V.13 en 15)


(23-29: De zeven factoren van Verlichting, bojjhanga)

Of hij ontplooit de factoren van Verlichting, namelijk: oplettendheid, het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya), energie (viriya), enthousiasme (pīti), kalmte (passaddhi), concentratie (samādhi), en gelijkmoedigheid (upekkha).

(30-37: Het achtvoudige pad, atthangika-magga)


Of hij ontplooit juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest.


(De acht overwinningsgebieden, abhibhayatana)


Of hij neemt aan het eigen lichaam vormen waar en ziet uitwendig begrensde vormen, mooie of lelijke. Die overwint hij en hij is er zich van bewust dat hij dat weet en kent.

Of hij neemt aan het eigen lichaam vormen waar en ziet uitwendig onbegrensde vormen, mooie of lelijke. Die overwint hij en hij is er zich van bewust dat hij dat weet en kent.

Of hij neemt aan het eigen lichaam geen vormen waar en ziet uitwendig blauwe vormen, of gele vormen, of rode vormen, of witte vormen, begrensde of onbegrensde vormen, mooie of lelijke. Die overwint hij en hij is er zich van bewust dat hij dat weet en kent.

Of hij neemt aan het eigen lichaam vormen waar en ziet uitwendig begrensde vormen, mooie of lelijke. Die overwint hij en hij is er zich van bewust dat hij dat weet en kent. (Zie ook A..VIII.65 en A.X.29)


(De acht bevrijdingen, vimokkha)


Of met vorm ziet hij vormen.

Of hij neemt bij het eigen lichaam geen vormen waar en ziet uitwendig vormen.

Of hij is geneigd naar waarneming van het mooie.

Of door volledige overwinning van de lichamelijkheidswaarnemingen, het verdwijnen van de (lichamelijke) reactie-waarnemingen en het niet acht slaan op de veelheidswaarnemingen verkrijgt hij, met de voorstelling 'oneindig is ruimte' het gebied van de ruimte-oneindigheid.

Of door volledige overwinning van het gebied van ruimte-oneindigheid verkrijgt hij met de voorstelling 'oneindig is het bewustzijn' het gebied van bewustzijnsoneindigheid. Of door volledige overwinning van het gebied van bewustzijnsoneindigheid verkrijgt hij, met de voorstelling 'niets is er' het gebied van nietsheid. Of door volledige overwinning van het gebied van nietsheid verkrijgt hij het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

Of door volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming verkrijgt hij de opheffing van waarneming en gevoel.

    (Zie A.X.29)


(De tien kasina-oefeningen)


Of hij ontplooit het aarde-kasina, het water-kasina, het vuur-kasina, het wind-kasina, het blauw-kasina, het geel-kasina, het rood-kasina, het wit-kasina, het ruimte-kasina, het bewustzijns-kasina. (Zie A.X.29)


(Tien voorstellingen, sañña)


Of hij ontplooit de voorstelling van de walgelijkheid, van de dood, van het walgelijke bij het voedsel, het onaantrekkelijke van het hele bestaan, het lijden bij het vergankelijke, van de ikloosheid bij het lijden, de voorstelling van de overwinning, van de bevrijding, van uitdoving. (Zie A.X.56 en A.X.60)

(Tien verdere voorstellingen, saññā)


Of hij ontplooit de voorstelling van de vergankelijkheid, van de ikloosheid, van de dood, van het walgelijke bij het voedsel, van het onaantrekkelijke van het hele bestaan, van de beenderen van lijken, van een lijk dat met wormen bedekt is, van een lijk dat blauw gekleurd is, van een doorboord lijk, van een opgezwollen lijk.


(Tien beschouwingen) (Zie A.I.26) anussati)


Of hij ontplooit de beschouwing over de Ontwaakte, de leer, de gemeenschap van de [heilige] monniken, de deugdzaamheid, de vrijgevigheid, de hemelse wezens, in- en uitademen, de dood, het lichaam, de vrede.

Of hij ontplooit de vaardigheden en krachten die met de eerste, tweede, derde of vierde jhana verbonden zijn. Die vaardigheden en krachten zijn: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.

Of hij ontplooit de vaardigheden en krachten die verbonden zijn met liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid.


Wanneer een monnik op zo'n manier ook maar een ogenblik oefent, dan oefent hij niet tevergeefs. Hij volgt de regels van de Meester, handelt in overeenkomst met zijn instructies; en hij verteert niet onwaardig de aalmoezenspijzen van het land. Hoeveel te meer geldt dit voor diegenen die de jhanas vaak oefenen!

Hoofdstuk 19. Kāyagatāsati-vagga


A.I.36. (A.I.19) Beschouwing van het lichaam I

Wanneer iemand zijn gedachten richt op de oceaan, dan zijn daarin voor hem daarin ook ingesloten de kleine rivieren die erin uitmonden. Evenzo zijn voor degene die de beschouwing over het lichaam heeft ontplooid en vaak heeft geoefend, daarin inbegrepen alle heilzame dingen die naar het weten voeren.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze tot sterke ontroering, tot hoog heil, tot hoge zekerheid, tot oplettendheid en helder weten, tot het verkrijgen van inzicht, tot tegenwoordig welbevinden, en ze brengt de vrucht van de bevrijding door weten tot bloei.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, wordt daardoor het lichaam kalm, de geest wordt kalm, denken en overwegen worden kalm en ook zullen alle dingen die naar het weten voeren tot volle ontplooiing komen.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, komen daardoor de niet ontstane onheilzame dingen die tot ontstaan en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, dooft daardoor de onwetendheid uit, het weten ontwaakt, de waan van “ik” verdwijnt, de neigingen (anusaya) worden uitgeroeid en de boeien (samyojana) vallen af.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar de veelvuldige soorten weten en naar het Nibbana zonder hechten (anupādā-parinibbāna).

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het doordringen van de veelvuldige, verschillende elementen, tot onderscheid van de veelvuldige elementen.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, brengt ze de vrucht van stroomintrede tot rijpheid, en ook de vrucht van eenmaal wederkeer, de vrucht van niet meer wederkeer en de vrucht van heiligheid.

Wanneer de beschouwing over het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het verkrijgen van weten, tot toename en overvloed ervan, tot toestanden van het hoge, brede, grote, diepe, onvergelijkbare, uitgebreide en rijke weten, tot toestanden van het snelle, wendige, heldere, aansporende, scherpe en doordringende weten.


Hoofdstuk 20. Amata-vagga


A.I.37. (A.I.20) Beschouwing van het lichaam II

Wie het inzicht in het lichaam niet geniet, die geniet niet van het onvergankelijke (=Nibbana). Alleen degene die het inzicht in het lichaam geniet, die geniet al het onvergankelijke.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft genoten, die heeft niet van het onvergankelijke (=Nibbana) genoten. Alleen degene die het inzicht in het lichaam heeft genoten, die heeft al het onvergankelijke genoten.

Van wie het inzicht in het lichaam is geweken, van hem is het onvergankelijke geweken. Bij wie het inzicht in het lichaam niet is geweken, voor hem is het onvergankelijke niet geweken.

Wie het inzicht in het lichaam heeft verzuimd, die heeft het onvergankelijke verzuimd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft verkregen, die heeft al het onvergankelijke verkregen.

Wie het inzicht in het lichaam heeft vergeten, die heeft het onvergankelijke vergeten. Maar wie het inzicht in het lichaam niet heeft vergeten, die heeft het onvergankelijke niet vergeten.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft geoefend, die heeft niet geoefend voor het onvergankelijke. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft geoefend, die heeft voor het onvergankelijke geoefend.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft ontplooid, die heeft het onvergankelijke niet ontplooid. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft ontplooid, die heeft het onvergankelijke ontplooid.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft gekoesterd, die heeft het onvergankelijke niet gekoesterd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft gekoesterd, die koesterde ook het onvergankelijke.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft begrepen, die heeft het onvergankelijke niet begrepen. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft begrepen, die heeft ook het onvergankelijke begrepen.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft doorschouwd, die heeft het onvergankelijke niet doorschouwd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft doorschouwd, die heeft het onvergankelijke doorschouwd.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft verwerkelijkt, die heeft het onvergankelijke niet verwerkelijkt. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft verwerkelijkt, die heeft het onvergankelijke verwerkelijkt.


Einde van het boek van een.


Volgens U Ko Lay komen dan nog de volgende suttas. Volgens de Duitse vertaling is hier het einde van boek I.


A. I. 48-49: Niets verandert zo snel als de geest. De geest is innerlijk zuiver en helder; ze is besmet door begeerte, afkeer en onwetendheid.

A. I. 53-54: Als een monnik mettā-meditatie beoefent zelfs al is het zo kort als een handomdraai of een oogwenk, dan wordt hij toch als een waardige volgeling van de Boeddha beschouwd.

A. I. 170-174: Er is slechts één persoon wiens verschijnen welzijn en geluk brengt aan goden en mensen. Hij is een Tathāgata, een volledig verlichte Boeddha.

Het is onmogelijk dat twee Boeddhas tegelijk schijnen in hetzelfde wereldsysteem.

A. I. 268-270: Het is onmogelijk dat iemand met juiste visies, d.w.. een sotāpanna, samengestelde dingen als blijvend, gelukkig, zelfstandig beschouwd.

A. I. 571-576: Door oplettende contemplatie van het lichaam wordt het lichaam gekalmeerd, de geest wordt kalm, het discursieve denken wordt stil, onwetendheid wordt verjaagd, kennis ontstaat, de illusie van zelf wordt verwijderd, kwade neigingen worden uitgewist, de boeien, belemmeringen worden verwijderd.



Einde van het boek van een.


naar boven  of naar 5.2.4. Ang. Nik.  of naar 5. De Pali canon


1 Webb 1975, p. 26; U Ko Lay 1985, p. 110.

2 U Ko Lay 1985, p. 110-111.

3 U Ko Lay 1985, p. 111.

4 patigha-nimitta; letterlijk: een voorstelling van de afkeer; commentaar: een ongewenst object.

5 Commentaar: het grondige methodische nadenken (yoniso manasikâra), waarbij men het vergankelijke als vergankelijk beschouwt, etc.

6 De in de tekst vermelde vijf eigenschappen worden als hindernissen (nîvarana) aangeduid. Ze hinderen de zuivering en ontwikkeling van de geest en verhinderen de volledige concentratie ervan bij de meditatieve verdiepingen (jhâna).

7 bhâvitam. Dit heeft in het bijzonder betrekking op de meditatieve ontwikkeling van de geest door kalmte (samatha) en inzicht (vipassanâ).

8 Volgens het commentaar is er na een snel ontstaan een snel vergaan.

9 'helder, letterlijk stralend; commentaar: rein, helder (pabhassara). - De geest (citta) wordt in het commentaar met 'onderbewustzijn' (bhavanga-citta) uitgelegd. - Uit de voorgaande tekst nr. 9 over de snelle wissel van het bewustzijn wordt duidelijk dat met heldere geest niet een eeuwige heldere ziel bedoeld is. Het commentaar legt onderbewustzijn uit als het met het wedergeboorte-bewustzijn beginnende onderbewust verlopende proces van de geest dat aan de individuele levenfloop zijn continuïteit geeft. De vertaling van bhavanga-citta met onderbewustzijn is nu ingeburgerd. Maar er is niet het onderbewustzijn mee bedoeld van de moderne dieptepsychologie.

10 Puthujjana; letterlijk gewone mens. Hieronder wordt begrepen degene die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt, hetzij monnik, non, mannelijke of vrouwelijke lekenvolgeling.

11 Commentaar: hij weet niet dat het onderbewustzijn op deze manier verontreinigd kan zijn door smetten maar ook er vrij van kan zijn.

12 Vgl. Dhp.1-2.

13 appamâda. Zie het Appamâda-Vagga in het Dhp.

14 Verlichtingsfactoren, bojjhanga; zie A.I.35.

15 Vgl. A.V.130.

16 De zes onovertreffelijke goede dingen (anuttariya) zijn: 1. de aanblik van de Boeddha; 2. de klank van zijn onderwijzende woorden; 3. het verkrijgen van vertrouwen in hem; 4. het door hem verkondigde drievoudige onderricht (in zedelijkheid, concentratie en wijsheid); 5. de aan hem bewezen dienst; 6. de herinnerende overweging over de Boeddha. (zie A.VI.30.)

17 De vier analytische soorten weten (patisambhida): van het ware wezen, van de leer, van de taal; van de slagvaardigheid.

18 De veelvuldige en verschillende elementen (dhatu) zijn de 18 elementen die de basis vormen voor alle geestelijke processen, namelijk: de 5 zinsorganen, de 5 objecten ervan, de overeenkomende 5 soorten bewustzijn; verder het geestelement, het geestobject en het geestbewustzijns element.

19 Op soortgelijke wijze wordt hij geprezen in S.8.7. Zie ook M.92 en Snp vers 557.

20 Culla-Panthaka was volgens het commentaar en het subcommentaar bedreven in de geestelijke concentratie (ceto-samadhi), namelijk in de vier fijnstoffelijke jhanas (rupa-jjhana), waarin een afkeer (vivattana) van de resp. lagere tot de hogere volgt en een vermindering (sankhepa) van de erin optredende factoren van verdieping.

21 Maha-Panthaka was bedreven in de vier onstoffelijke jhanas (arupa-jjhana) voor welke de afkeer van grovere vormen van waarneming (sañña) kenmerkend is, te beginnen met de eerste waarvan men zegt: "Na volledige overwinning van de lichamelijks-waarnemingen ...", tot de vierde, het "gebied van noch-waarneming noch niet waarneming".

Maha-Panthaka was ook bedreven in inzicht (vipassana), waarin men de geest afwendt (vivatteti) van conventionele voorstellingen (sañña) zoals man, vrouw, etc., en ook van verkeerde voorstellingen zoals onvergankelijkheid (niccasañña) etc.

22 ditthi-sampanno; dit is de gebruikelijke aanduiding voor de "in de stroom getredene" (sotapanna), het eerste niveau van heiligheid. Het gaat hier dus om de niveaus van heiligheid (ariya-magga) en het daar verworven onwrikbare inzicht (magga-ditthi). Zie A.VI.89-95.

23 Iets (kañci dhammam). In de beide eerste alineas staat 'een formatie' (kañi sankharam); het derde kenteken van niet-ik heeft echter ook betrekking op nibbana dat niet gevormd is, niet geworden is, maar eveneens geen 'ik' of 'opperzelf' voorstelt of omsluit. Zie Dhp.277-279.

24 Niet-zelf, anatta. Met deze anatta-leer wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in conventionele zin ontkent. Maar alleen dat er als een onophoudelijk veranderlijke geestlichamelijk proces geen blijvende kern als basis is.

25 Dit zijn de vijf zware vergrijpen met directe gevolgen (anantarika-kamma; A.V.129). - Een schisma, het splitsen van de Orde (sangha-bheda) heeft niet betrekking op tijdelijke onenigheden, maar op een ernstige breuk.

26 sakkatam, letterlijk: de rang van een Sakka (= Indra), de heerser over de hemel van de Drieëndertig Goden. (Tavatimsa).

27 Heerschappij over de Mara-wezens. Volgens het commentaar zijn dit de bewoners van de hemel van de paranimmita-vasavatti-deva, de hemel van de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Heerser over deze hemel is Mara, die geïdentificeerd wordt met Pajapati, de heer van de schepsels.

28 Door de oplettendheid over in- en uitademen kunnen alle vier meditatieve verdiepingen bereikt worden. Door de overweging van het lichaam kan de eerste verdieping bereikt worden. Door de overige overwegingen kan alleen de aangrenzende concentratie verkregen worden.

29 Wanneer de mediterende het doel heeft de verdiepingen te bereiken en zich op een geschikt object (bijv. de adem of het lichaam) concentreert, en wanneer de geest dan onvast en ontevreden heen en weer gaat, dan moet hij voorlopig van die oefening afzien en een andere overweging oefenen. De geest wordt aangespoord en opgewekt en vrij van de vijf belemmeringen. Met een zodanig tot rust gekomen geest zal hij in staat zijn de oorspronkelijke oefening tot het gewenste doel te voeren.

Als objecten en basis voor de inzicht-meditatie kunnen de zeven overwegingen als volgt dienen:

Wanneer men na beëindiging van de overweging over de Verlichte erover nadenkt wie eigenlijk deze overweging uitoefent, dan komt men tot het inzicht dat er slechts de met de overweging verbonden gedachten aanwezig waren maar geen persoonlijkheid of ikheid en dat die gedachten gebonden zijn aan de groepen van bestaan (khandha): gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. Verder weet hij dat die vier geestelijke groepen van bestaan niet kunnen ontstaan zonder de tot de lichamelijke groep van bestaan behorende fysieke basis van de geest. De lichamelijke groep van bestaan is echter een aanduiding voor de vier elementen (vastheid, vloeibaarheid, hitte, beweging) en de daarvan afhankelijke lichamelijke verschijnselen (zoals de zinsorganen).

Terwijl nu de mediterende zo de vijf groepen van bestaan overweegt, ziet hij dat zij onderworpen zijn aan het lijden. Hij ziet in dat het wedergeboorte producerende verlangen (tanhâ) de oorzaak van het lijden is. Hij ziet in dat de uitdoving van het verlangen de uitdoving van het lijden is en dat het achtvoudige pad de weg ernaartoe is. Zo komt hij door zulke inzicht-overwegingen niveau na niveau dichter bij de heiligheid. Op die manier dienen deze overwegingen als objecten en basis van het inzicht.

30 Met verkeerde opvatting (micchâ-ditthi) zijn hier de 62 opvattingen bedoeld die in D.1 vermeld zijn. Ze kunnen in drie categorieën ingedeeld worden:

1. Spiritualisme of eternalisme (sassata-ditthi); d.i. het geloof in een ziel of ikheid die onafhankelijk van het lichaam bestaat en na de dood voortduurt.

2. Materialisme of nihilisme (uccheda-ditthi), d.i. het geloof in een ikheid of persoonlijkheid die na de dood vergaat.

3. Fatalisme of het geloof dat alles zonder oorzaak bestaat. (adhicca-samuppanna). Zie ook: ditthi.

31 Door onwijs, d.w.z. oppervlakkig nadenken (ayoniso manasikâra) kan een vroeger niet aanwezige verkeerde opvatting ontstaan en uitgroeien tot zulke zedelijk verdorven opvattingen die een “onveranderlijk resultaat” hebben (niyatâ-micchâditthi), namelijk tot wedergeboorte in een hellenwereld voeren.

Door wijs, d.w.z. zorgvuldig nadenken (yoniso manasikâra) kan een vroeger niet aanwezig juist inzicht ontstaan en uitgroeien tot het pad van heiligheid.

32 Makkhali-Gosâla was een tijdgenoot van de Boeddha en stichter van de asceten-orde van de Âjîvaka.

33 In dit leven leeft hij vol lijden wanneer hij ijverig is bij de uitoefening van de pijnlijke ascese. Na de dood leeft hij vol lijden bij wedergeboorte in een ongunstige sfeer. Als hij traag is in de uitoefening van de verkeerde leer, dan vermindert hij tegenwoordig en toekomstig leed.

34 Het wezenlijke van de leer bestaat in de vier niveaus van heiligheid. Het wezenlijke van de zin van de leer: de vier vruchten van de niveaus van heiligheid. Het wezenlijke van de bevrijding is Nibbana.

naar boven  of naar 5.2.4. Ang. Nik.