?>Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.3. Samyutta nikaya


Overzicht van  Samyutta Nikaya   
 
Sectie 1 = S.I. Sagatha-vagga      
S.I.1 = S.I = S.1. Devatā-Samyutta       S.I.2 = S.II = S.2. Devaputta Samyutta       S.I.3 = S.III = S.3. Kosala-Samyutta       S.I.4 = S.IV = S.4. Māra-Samyutta       S.I.5 = S.V = S.5. Bhikkhunī-Samyutta       S.I.6 = S.VI = S.6. Brahma-Samyutta       S.I.7 = S.VII = S.7. Brāhmana-Samyutta       S.I.8 = S.VIII = S.8. Vangīsathera-Samyutta       S.I.9 = S.IX = S.9. Vana-Samyutta       S.I.10 = S.X = S.10. Yakkha-Samyutta       S.I.11 = S.XI = S.11. Sakka-Samyutta
Sectie 2 = S.II. Nidana-vagga       S.II.1 = S.XII = S.12. Nidāna-Samyutta       S.II.2 = S.XIII = S.13. Abhisamaya-Samyutta       S.II.3 = S.XIV = S.14. Dhātu-Samyutta       S.II.4 = S.XV = S.15. Anamatagga-Samyutta       S.II.5 = S.XVI = S.16. Kassapa-Samyutta       S.II.6 = S.XVII = S.17. Lābhasakkāra Samyutta       S.II.7 = S.XVIII = S.18. Rāhula-Samyutta       S.II.8 = S.XIX = S.19. Lakkhana-Samyutta       S.II.9 = S.XX = S.20. Opamma-Samyutta       S.II.10 = S.XXI = S.21. Bhikkhu-Samyutta
Sectie 3 = S.III. Khandha-vagga       S.III.1 = S.XXII = S.22. Khandha-Samyutta       S.III.2 = S.XXIII = S.23. Rādha-Samvutta       S.III.3 = S.XXIV = S.24. Ditthi-Samyutta       S.III.4 = S.XXV = S.25. Okkantika-Samyutta       S.III.5 = S.XXVI = S.26. Uppāda-Samyutta       S.III.6 = S.XXVII = S.27. Kilesa-Samyutta       S.III.7 = S.XXVIII = S.28. Sāriputta-Samyutta       S.III.8 = S.XXIX = S.29. Nāga-Samyutta       S.III.9 = S.XXX = S.30. Supanna-Samyutta       S.III.10 = S.XXXI = S.31. Gandhabbakāya-Samyutta       S.III.11 = S.XXXII = S.32. Valāha-Samyutta       S.III.12 = S.XXXIII = S.33. Vacchagotta-Samyutta       S.III.13 = S.XXXIV = S.34. Samadhi-Samyutta
Sectie 4 = S.IV. Salayatana-vagga       S.IV.1 = S.XXXV = S.35. Salāyatana-Samyutta       S.IV.2 = S.XXXVI = S.36. Vedanā-Samyutta       S.IV.3 = S.XXXVII = S.37. Matugāma-Samyutta       S.IV.4 = S.XXXVIII = S.38. Jambukhādaka-Samyutta       S.IV.5 = S.XXXIX = S.39. Sāmandaka-Samyutta       S.IV.6 = S.XL = S.40. Moggallāno Samyutta       S.IV.7 = S.XLI = S.41. Citta-Samyutta       S.IV.8 = S.XLII = S.42. Gāmani-Samyutta       S.IV.9 = S.XLIII = S.43. Asankhata-Samyutta       S.IV.10 = S.XLIV = S.44. Avyākata-Samyutta
Sectie 5 = S.V. Maha-vagga       S.V.1 = S.XLV = S.45. Magga-Samyutta       S.V.2 = S.XLVI = S.46. Bojjhanga-Samyutta       S.V.3 = S.XLVII = S.47. Satipatthāna-Samyutta       S.V.4 = S.XLVIII = S.48. Indriya-Samyutta       S.V.5 = S.IL = S.49. Samma-ppadhāna-Samyutta       S.V.6 = S.L = S.50. Bala-Samyutta       S.V.7 = S.LI = S.51. Idhipāda-Samyutta       S.V.8 = S.LII = S.52. Anuruddha-Samyutta       S.V.9 = S.LIII = S.53. Jhāna-Samyutta       S.V.10 = S.LIV = S.54. Ānāpāna-Samyutta       S.V.11 = S.LV = S.55. Sotāpatti-Samyutta       S.V.12 = S.LVI = S.56. Sacca-Samyutta
Geraadpleegde bronnen voor Samyutta nikaya


Samyutta Nikaya

 

    Na het overlijden van de Boeddha werd een concilie gehouden. De leerreden werden er gereciteerd en ingedeeld; de collecties werden door diverse groepen monniken onthouden. De Samyutta Nikāya was voor de eerwaarde Maha Kassapa en diens leerlingen.

    De Samyutta Nikāya is de samengestelde of gegroepeerde collectie van suttas die handelen over een specifieke leerstelling of over een bepaalde persoon. Hierin zijn 56 groepen of methoden van rangschikking (samyuttas), verdeeld in vijf secties (vaggas) die samen 2.889 leerreden (suttas) bevatten. U Ko Lay schreef dat het Samyutta Nikāya 7762 suttas bevat. Volgens hem is elke sektie (vagga) verdeeld in 55 groepen (samyuttas). De samyuttas zijn genoemd naar de onderwerpen waarover zij gaan, of naar belangrijke personen.

    Bij de vermelding van deze leerreden wordt het volgende systeem aangehouden: het eerste nummer verwijst naar de vagga (sectie), het tweede naar de samyutta (groep), en het derde nummer verwijst naar het sutta (leerrede). Zo is bijvoorbeeld S.II,3,10 het 10e sutta uit de 3e samyutta van de 2e vagga van Samyutta-Nikaya.

    Anderen vermelden eerst het nummer van de vagga waarna het nummer van de sutta volgt. De suttas zijn bij die indeling doorlopend genummerd.

    Een andere indeling is de numerieke vermelding van het samyutta in Romeinse cijfers (soms ook in Arabische cijfers), gevolgd door het nummer van het sutta.

    Zo wordt de leerrede over het oorzakelijk ontstaan vermeld als S.II.12.1 of als S.12.1 of als S.II.1 (S.2.1).

    Bhikkhu Bodhi vermeldt in zijn vertaling eerst het samyutta en dan het sutta. Deze vermelding wordt ook hier gebruikt.

    Omdat de Romeinse cijfers niet gebruikelijk zijn en voor menigeen moeilijk te lezen, heb ik de vermelding van de suttas ook in Arabische cijfers erbij gezet.

    De Samyuttas zijn vaak onderverdeeld in groepen (vaggas). Maar met die nadere onderverdeling wordt geen rekening gehouden bij de vermelding van het sutta.


Overzicht van Samyutta Nikaya


A. De namen van de secties (vaggas) zijn:


Sectie I. Sagātha-vagga.

De sectie met de verzen. Deze groep bestaat uit 11 samyuttas, verdeeld naar de personages die in de suttas voorkomen, zoals goden, de koning van Kosala, Brahmā, Māra. Elk sutta van deze groep heeft een of meer verzen. De naam van dit vagga is ontleend aan het feit dat verscheidene persoonlijkheden die in deze suttas voorkomen, hun gesprekken met de Boeddha meestal in versvorm hielden. De onderwerpen zijn zeer bont.


Sectie II. Nidāna-vagga.

De sectie van oorzakelijk ontstaan. Deze groep bevat 10 samyuttas. Ze is genoemd naar de eerste van de tien samyuttas welke begint met suttas over de nidānas, de twaalf schakels in de keten van oorzakelijkheid.


Sectie III. Khandha-vagga.

De sectie van de groepen van bestaan. Deze groep bevat 13 samyuttas, beginnende met suttas over de vijf khandhas.


Sectie IV. Salāyatana-vagga.

De sectie van het zesvoudige gebied. Deze sectie bevat 10 samyuttas. Ze handelen over de zes zintuigen.


Sectie V. Mahā-vagga.

De grote sectie met 12 samyuttas. Deze serie begint met suttas over het achtvoudige pad en eindigt met de vier edele waarheden. Daartussen liggen de hoofdthema's van de meditatie praktijk.


B. De namen van de samyuttas zijn:


Sectie 1 = Sagatha-vagga (11 samyuttas

S.I.1 = S.I = S.1. Devatā-Samyutta.  81 suttas. - Vragen van of over godheden.

                  S.I.1-10 = Najavagga - de groep van het riet. 
            S.I.11-20 = Nandanavagga - de groep van het Nandanapark. 
            S.I.21-30 = Sattivagga - de groep van het spit.
            S.I.31-40 = Satullapakāyikavagga - de sectie over de Satullapa-devatas
            S.I.41-50 = Ādittavagga - het gedeelte van de vlammen.
            S.I.51-60 = Jarāvagga - het gedeelte over ouderdom.
            S.I.61-70 = Addhavagga - het gedeelte van de meesters.
            S.I.71-81 = Chetvāvagga - het gedeelte van afsnijden.

S.I.2 = S.II = S.2. Devaputta Samyutta 30 suttas. - Van de godenzonen.

                  S.II.1-10 = Pathama vagga - het eerste deel
            S.II.11-20 = Anāthapindikavagga - het gedeelte over Anāthapindika
            S.II.21-30 = Nānātitthiyavagga - over de leerstellingen van de verschillende scholen

S.I.3 = S.III = S.3. Kosala-Samyutta.  25 suttas. - In het land Kosala. 

            S.III.1-10 = Pathama vagga - het eerste gedeelte 
            S.III.11-20 = Dutiya vagga - het tweede gedeelte
            S.III.21-25 = Tatiya vagga - het derde gedeelte

S.I.4 = S.IV = S.4. Māra-Samyutta.  25 suttas. - De vijandige daden van Māra jegens de Boeddha en zijn discipelen. 

            S.IV.1-10 = Pathama vagga - het eerste deel
            S.IV.11-20 = Dutiya vagga - het tweede deel
            S.IV.21-25 = Tatiya vagga - het derde deel 

S.I.5 = S.V = S.5. Bhikkhunī-Samyutta.  10 suttas. De vergeefse verleiding van nonnen door Māra en zijn woordentwist met haar. 

S.I.6 = S.VI = S.6. Brahma-Samyutta. 15 suttas. - Brahma Sahampati richt tot de Boeddha het verzoek om de leer aan de wereld te verkondigen. 

S.I.7 = S.VII = S.7. Brāhmana-Samyutta.  22 suttas. - De ontmoeting van de brahmaan Bhāradvāja met de Boeddha; en hun gesprek. 

            S.VII.1-10 = Arahantavagga - het gedeelte over de volmaakte heilige.
            S.VII.11-22 = Upasakavagga - het gedeelte over de lekenvolgelingen.

S.I.8 = S.VIII = S.8. Vangīsathera-Samyutta.  12 suttas. - Vangisa's uitroeiing van begeerte. 

S.I.9 = S.IX = S.9. Vana-Samyutta. 14 suttas. - Woudgodheden voeren onontwikkelde monniken op het juiste pad. 

S.I.10 = S.X = S.10. Yakkha-Samyutta.  12 suttas. - De ontmoeting van demonen met de Boeddha en met nonnen. 

S.I.11 = S.XI = S.11. Sakka-Samyutta. 25 suttas. - De Boeddha somt de eigenschappen op van Sakka, de koning der goden. 

                S.XI.1-10 = Pathama vagga - het eerste deel
                S.XI.11-20Dutiya vagga - het tweede deel
                S.XI.21-25 = Tatiya vagga - het derde deel 

Sectie 2 = Nidana-vagga (10 samyuttas)    

S.II.1 = S.XII = S.12. Nidāna-Samyutta.  93 suttas. - De uitleg van paticcasamuppāda (de leer van oorzakelijk ontstaan).

            S.XII.1-10 =  Buddhavagga - het deel van de Boeddha
            S.XII.11-20 = Āhāra-vagga - over de voedingsstoffen
            S.XII.21-30 = Dasabalavagga - over de 10 krachten
            S.XII.31-40 = Kalārakhattiya-Vagga
            S.XII.41-50 = Gahapativagga - van het gezinshoofd
            S.XII.51-60 = Rukkhavagga - van de boom
            S.XII.61-70 = Mahāvagga - het grote deel
            S.XII.71-81 = Samana-Brāhmana-Vagga – van samanas en brahmanen
            S.XII.82-93 = Antara-peyyāla-Vagga – van de afgekorte stukken 

 S.II.2 = S.XIII = S.13. Abhisamaya-Samyutta11 suttas. - De aansporing om de belemmeringen volledig te verwijderen

S.II.3 = S.XIV = S.14. Dhātu-Samyutta39 suttas. - De beschrijving van fysieke, mentale en abstracte elementen. 

           S.XIV.1–10   = Nānattavagga – het eerste deel - het deel van de verscheidenheid
                S.XIV.11-22 =  Dutiya vagga het tweede deel
                S.XIV.23–29 = Kammapathavagga – derde deel – het deel van het pad van handelen
                S.XIV.30–39 = Catuttha vagga vierde deel – de vier elementen 

S.II.4 = S.XV = S.15. Anamatagga-Samyutta20 suttas. - Over het ontelbare begin (van samsāra)

            S.XV.1-10 = Pathama vagga – eerste deel 
            S.XV.11-20 = Dutiya vagga tweede deel 

S.II.5 = S.XVI = S.16. Kassapa-Samyutta. 13 suttas. -  Over de eerwaarde Kassapa. 

S.II.6 = S.XVII = S.17. Lābhasakkāra Samyutta.  43 suttas. - Winst, eer en roem zijn een hindernis, een gevaar voor de bhikkhu. 

S.II.7 = S.XVIII = S.18. Rāhula-Samyutta 22 suttas. - Instructie van Rāhula.

 S.II.8 = S.XIX = S.19. Lakkhana-Samyutta 21 suttas. - Vragen van Lakkhana 

S.II.9 = S.XX = S.20. Opamma-Samyutta12 suttas. - Gelijkenissen. Onbekwame daden ontstaan uit onwetendheid 

 S.II.10 = S.XXI = S.21. Bhikkhu-Samyutta. 12 suttas. - Aanmaningen van de Boeddha en de eerwaarde Maha Moggallāna tot de monniken. 

Sectie 3 Khandha-vagga (13 samyuttas). - De sectie van de groepen van bestaan. 

S.III.1 = S.XXII = S.22. Khandha-Samyutta158 suttas. - De lichamelijke en geestelijke aggregaten die het “individu” vormen.

            S.XXII.1-11 = groep 1.
            S.XXII.12-30 = groep 2.
            S.XXII.31-50 = groep 3.
            S.XXII.51-60 = groep 4.
            S.XXII.61-80 = groep 5.
            S.XXII.81-90 = groep 6.
            S.XXII.91-120 = groep 7.
            S.XXII.121-158  groep 8.

S.III.2 = S.XXIII = S.23. Rādha-Samvutta. 46 suttas. - Vragen van Radha.

S.III.3 = S.XXIV = S.24. Ditthi-Samyutta. 96 suttas. - Misleidende visies ontstaan door het hechten aan de aggregaten.

S.III.4 = S.XXV = S.25. Okkantika-Samyutta. 10 suttas. - Het betreden van het pad door vertrouwen (saddha).

S.III.5 = S.XXVI = S.26. Uppāda-Samyutta. 10 suttas. - Het ontstaan van de aggregaten voert tot onvoldaanheid, lijden.

S.III.6 = S.XXVII = S.27. Kilesa-Samyutta.  10 suttas. - Verontreinigingen ontstaan vanuit de zesvoudige zintuiglijke basis en zinsbewustzijn.

S.III.7 = S.XXVIII = S.28. Sāriputta-Samyutta.  10 suttas. - De eerwaarde Sāriputta beantwoordt de vraag van de eerwaarde Ananda betreffende het tot rust brengen van de zintuigen. 

S.III.8 = S.XXIX = S.29. Nāga-Samyutta.  50 suttas. - Opsomming van vier soorten nagas.

S.III.9 = S.XXX = S.30. Supanna-Samyutta.  46 suttas. - Opsomming van vier soorten garudas.

S.III.10 = S.XXXI = S.31. Gandhabbakāya-Samyutta.  112 suttas. - Beschrijving van de gandhabba godheden.

S.III.11 = S.XXXII = S.32. Valāha-Samyutta.  57 suttas. - Beschrijving van de geesten in de wolken.

S.III.12 = S.XXXIII = S.33. Vacchagotta-Samyutta.  55 suttas. - Vacchagotta's metafysische vragen.

S.III.13 = S.XXXIV = S.34. Samadhi-Samyutta.  55 suttas. - Opsomming van de vier typen van beoefenaars van de meditatieve verdiepingen (jhanas). 

Sectie 4 = Salayatana-vagga (10 samyuttas) - De sectie van het zesvoudige gebied, de zes zintuigen.

S.IV.1 = S.XXXV = S.35. Salāyatana-Samyutta.  207 suttas. - De zesvoudige basis der zintuigen en de juiste houding ten opzichte ervan. 

            S.XXXV.1-30 = groep 1.
            S.XXXV.31-80 = groep 2.
            S.XXXV.81-100 = groep 3.
            S.XXXV.101-130 = groep 4.
            S.XXXV.131-150 = groep 5.
            S.XXXV.151-200 = groep 6.
            S.XXXV.201-207 = groep 7.

S.IV.2 = S.XXXVI = S.36. Vedanā-Samyutta29 suttas. - De drie soorten van gevoelens en de juiste houding ten opzichte ervan.

S.IV.3 = S.XXXVII = S.37. Matugāma-Samyutta.  34 suttas. - De bestemmingen van vrouwen overeenkomstig haar eigenschappen.

S.IV.4 = S.XXXVIII = S.38. Jambukhādaka-Samyutta.  16 suttas. - Vragen van de rondtrekkende asceet, de roze-appel-eter, aan de eerwaarde Sāriputta.

S.IV.5 = S.XXXIX = S.39. Sāmandaka-Samyutta 16 suttas. - Vragen van de rondtrekkende asceet Sāmandaka aan de eerwaarde Sāriputta.

S.IV.6 = S.XL = S.40. Moggallāna Samyutta 11 suttas. - De eerwaarde Moggallāna legt de meditatieve verdiepingen uit aan de monniken.

S.IV.7 = S.XLI = S.41. Citta-Samyutta 10 suttas. - Zintuigen en zinsobjecten zijn niet innerlijk slechts; alleen de onheilzame gedachten (verlangens) die ontstaan door contact ermee zijn slecht.

S.IV.8 = S.XLII = S.42. Gāmani-Samyutta.  13 suttas. - De definities van “toornig” en “vriendelijk”.

S.IV.9 = S.XLIII = S.43. Asankhata-Samyutta.   44 suttas. - Het niet-samengestelde (Nibbāna).

S.IV.10 = S.XLIV = S.44. Avyākata-Samyutta.  11 suttas. - Bespiegelende (speculatieve) vragen gesteld door koning Pasenadi aan de eerwaarden Khemā, Anuruddha, Sāriputta en Moggallāna. 


Sectie 5 = Maha-vagga (12 samyuttas) 

S.V.1 = S.XLV = S.45. Magga-Samyutta 180 suttas. - Het achtvoudige pad.

S.V.2 = S.XLVI = S.46. Bojjhanga-Samyutta.  187 suttas. -De zeven factoren van Verlichting (oplettendheid, onderzoek van de leer, inspanning met volharding, vervoering, kalmte, concentratie, gelijkmoedigheid).

S.V.3 = S.XLVII = S.47. Satipatthāna-Samyutta.  50 suttas. - De vier grondslagen van oplettendheid.

S.V.4 = S.XLVIII = S.48. Indriya-Samyutta 185 suttas. - Krachten, voornamelijk de vijf vermogens (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie, wijsheid). 

S.V.5 = S.IL = S.49. Samma-ppadhāna-Samyutta.  - De vier juiste inspanningen.

S.V.6 = S.L = S.50. Bala-Samyutta.  - De vijf vermogens of krachten. (Als in S.XLVIII) 

S.V.7 = S.LI = S.51. Idhipāda-Samyutta.  86 suttas. - Iddhi-pada; wegen naar macht (succes), namelijk de vier psychische vermogens (wil, energie, denken, onderzoek).

S.V.8 = S.LII = S.52. Anuruddha-Samyutta.   24 suttas. - Bovennatuurlijke krachten verworven door de eerwaarde Anuruddha door oplettendheid. 

S.V.9 = S.LIII = S.53. Jhāna-Samyutta- De vier meditatieve verdiepingen (jhānas).

S.V.10 = S.LIV = S.54. Ānāpāna-Samyutta.  20 suttas. - Oplettendheid bij het ademhalen. 

S.V.11 = S.LV = S.55. Sotāpatti-Samyutta 74 suttas. - Beschrijving van de in de stroom getredene.  

S.V.12 = S.LVI = S.56. Sacca-Samyutta.  131 suttas. - De edele waarheden.

Sectie 1. Sagatha-vagga


S.I. Devatā-Samyutta

Vragen of uitingen van godheden. 81 suttas. (S.I.1 – S.I.81)


            S.I.1-10 = Najavagga, de groep van het riet


S.I.1. = S.1.1. Ogharatana sutta. De vloed.

    Te Savatthi, in het Jetavana klooster. Een devata kwam in de nacht naar de Boeddha toe, begroette hem vol eerbied en vroeg hoe de Boeddha de vloed had overgestoken.

    De Boeddha: zonder stilstand en zonder strijd heb ik de vloed overgestoken. Als ik stilstond, zonk ik; als ik streed, werd ik afgedreven.

    De Devata: U bent voorwaar een brahmaan die al lang in het Nibbana is ingetreden. U hebt het hechten aan de wereld overwonnen.


* De Boeddha legt uit dat hij de vloed van zinsverlangens, van bestaan, van verkeerde inzichten en van onwetendheid overgestoken is niet door inactief te blijven noch door te grote inspanningen. Door inactief te blijven zou hij in de draaikolk zijn opgezogen. Door te grote inspanningen zou hij weggesleept zijn in de stroming. Hij volgde het middenpad.


S.I.2. = S.1.2.  Bevrijding

    Te Savatthi. In de nacht kwam een Devata naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg wat de bevrijding van de wezens is, wat het losmaken, afzondering.

    De Boeddha: door het ophouden van vreugde en worden, door vernietiging van voorstelling en bewustzijn, door opheffing en tot stilstand komen van de gevoelens – dat is de bevrijding van de wezens, het losmaken, afzondering.


S.I.3. = S.1.3. 

    De Devata: Het bestaan vergaat; de levenstijd is kort. Voor wie ouder wordt, voor hem is er geen bescherming. Men moet daarom geluk brengende verdienstelijke werken doen.

    De Verhevene: Het bestaan vergaat; de levenstijd is kort. Voor degene die ouder wordt, is er geen bescherming. Het gevaar van de dood in het oog houdend, moet men de verlokking van de wereld vermijden, naar de zalige vrede uitzien.

(zie ook S.2.19 = S.1.55; en A.III.52-53)


S.I.4. = S.1.4. 

    De Devata: Dagen en nachten vergaan. De etappes van het leven verdwijnen de ene na de andere. Daarom moet men gelukbrengende verdienstelijke werken doen.

    De Boeddha: Dagen en nachten vergaan; de etappes van het leven verdwijnen achter elkaar. Het gevaar van de dood in het oog houdend, moet men de verlokking van de wereld vermijden, naar de zalige vrede uitzien.


S.I.5. = S.1.5. 

    De Devata: hoeveel moet men afsnijden, hoeveel opgeven? Hoeveel moet men verzorgen; hoeveel verbindingen moet men overwinnen om de vloed te overschrijden?

    De Boeddha: Vijf moet men afsnijden, vijf moet men opgeven, vijf moet men ontplooien, vijf verbindingen moet men overwonnen hebben om de vloed te overschrijden.


* Commentaar: Vijf boeien moet men afsnijden; vijf boeien moet men opgeven. (samyojana).

    Vijf sangâ (contacten, aanrakingen) moet men overwinnen, nl. rāga, begeerte, dosa, afkeer, haat, moha, waan, illusie, māna, hoogmoed, en ditthi verkeerd inzicht.

    Vijf krachten (indriyāni) moet men onderhouden, nl. saddhā [vertrouwen], viriya [energie], sati [bezonnenheid], samādhi [geestelijke concentratie] en paññā [inzicht].


S.I.6. = S.1.6

    De Devata: hoeveel belemmeringen zijn er; door hoeveel wordt men gereinigd?

    De Verhevene: Er zijn vijf belemmeringen; door vijf [krachten] wordt men bevrijd.


* Commentaar: Bedoeld zijn de vijf belemmeringen (pañca nīvaranāni), nl. kāma [zinnelijke lust], vyāpāda [boosheid], thīna [traagheid], uddhacca [hoogmoed] en vicckicchā [twijfel]


S.I.7-8 = S.1.7-8. 

    De Devata: Zij die de waarheden niet hebben begrepen, zij laten zich verleiden om naar andere leraren te gaan.

    De Boeddha: Zij die de waarheden goed hebben begrepen, zij laten zich niet verleiden om naar andere leraren te gaan. Zij zijn volmaakt ontwaakt, door juist inzicht. Zij lopen effen ook op oneffen grond.


S.I.9. = S.1.9. 

    De Devatā: Er is geen zelfbeheersing bij iemand die de illusies liefheeft. Er is geen wijsheid bij iemand die niet geestelijk geconcentreerd is. Wie alleen in de wildernis verblijft en er nonchalant is, die kan niet aan de reddende oever komen.

    De Boeddha: Wie de illusies vermijdt en wie steeds geconcentreerd is, wie met een goed hart beslist bevrijd is en alleen in de wildernis vertoeft, onvermoeibaar, die zal over het bereik van de dood heen aan de reddende oever aankomen.


S.I.10 = S.1.10.  Vredig en stralend

    Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. Toen naderde tegen het einde van de nacht een zekere godheid de Verhevene en verlichtte daarbij met zijn onvergelijkbare schoonheid heel Jetavana. Naderbij gekomen, begroette hij hem en ging terzijde staan. En de godheid vroeg:

        “Diegenen die in het woud leven,

        die vredig zijn en kalm, met een zuiver leven,

        die slechts één maaltijd per dag eten:

        hoe komt het dat zij er zo stralend uitzien?”

    De Verhevene gaf ten antwoord:

       “Zij treuren niet om het verleden;

        zij hebben geen verlangens naar de toekomst;

        het heden is voldoende voor hen.

        Daarom zien zij er zo stralend uit.

        Door naar de toekomst te verlangen,

        door bedroefd te zijn over het verleden,

        hierdoor kwijnen dwazen weg

        zoals een afgesneden zachte rietstengel.”10


           

            S.I.11-20 = Nandanavagga, de groep van het Nandanapark. 


S.I.11 = S.1.11.

    Te Savatthi. Zinnelijke genietingen voeren niet naar geluk. Alle formaties zijn vergankelijk, aan ontstaan en vergaan onderworpen. De uitdoving ervan is heilzaam.


S.I.12 = S.1.12.

    Wie zonen heeft, heeft zorgen vanwege de zonen. Wie vee heeft, heeft zorgen vanwege het vee. Door de levensbenodigdheden komen de zorgen van de mens. Wie geen levensbenodigdheden heeft, heeft geen zorgen.

(Zie ook S.4.8 en Sn v. 33 e.v.)


S.I.13 = S.1.13.

    Er is geen liefde die gelijk is aan die tot het eigen zelf. Er is geen glans die gelijk is aan die van inzicht.


S.I.14 = S.1.14.

    De Boeddha is de beste onder de tweevoeters. Een edel paard is het beste onder de viervoeters. Een gehoorzame vrouw is de beste van de echtgenoten, De beste zoon is de volgzame.


S.I.15 = S.1.15.

    De Boeddha: Als het middag is, als de vogels in de takken zitten, dan ruist de wildernis. Dan krijg ik geen angst, maar dan komt gelukzaligheid.

(Zie ook S.9.12)


S.I.16 = S.1.16.

    Traagheid, luiheid, geeuwen, onlust na het eten moet men met energie overwinnen; daardoor wordt het edele pad naar heil gezuiverd.


S.1.17 = S.I.17.

    Moeilijk te volbrengen is het leven van de samana voor de onwetende. Voor de dwaas zijn er veel moeilijkheden. Maar degene die zich nergens aan hecht, die anderen geen schade toebrengt, die zal, na in Nibbana ingetreden te zijn, zich over niets beklagen.

* Volgens het commentaar mag men zich niet hechten aan dorst, hevig verlangen, en niet aan verkeerde meningen.


S.1.18 = S.1.18.

    Degene die gewapend is met nauwgezetheid, steeds bezonnen, die is onberispelijk, die heeft het einde van lijden bereikt.


* Commentaar: door nauwgezetheid weert die persoon het boze af.

(zie ook Dhp. 143).


S.I.19 = S.1.19.

    De Boeddha heeft geen verlangen naar iets of iemand; hij is vrij van alle boeien.


S.I.20 = S.1.20. Samiddhi

    Te Rajagaha. De eerwaarde Samiddhi nam er 's morgens een bad in de warme bron. Een Devata ging naar hem toe en verlichtte het park met haar stralende schoonheid. Zij zei dat hij ging bedelen zonder genoten te hebben van de zinnelijke genietingen.

    De eerwaarde Samiddhi: "Tijdelijk zijn zinnelijke genietingen, vol lijden. Het schadelijke ervan is overwegend. De leer van de Boeddha is aan geen tijd gebonden; ze voert naar het doel; ze is op eigen kracht te begrijpen door de wijzen."

    De Devata vroeg nadere uitleg. De eerwaarde Samiddhi zei dat hij pas was ingetreden in de Orde en de leer niet uitvoerig kon uitleggen. Hij zei dat de Boeddha het kon uitleggen. Samen gingen zij toen naar de Verhevene toe en de eerwaarde Samiddhi vertelde wat er gebeurd was.

    De Boeddha: "De wezens stellen zich voor wat een naam moet hebben.11 Daarop baseren zij zich. Omdat zij dat niet begrijpen raken zij in het bereik van de dood.

    Maar wie datgene wat een naam moet hebben, begrijpt, die denkt met betrekking tot degene die benoemt dat het niets met hem te maken heeft. Het is geen deel van hem."

    "Wie denkt aan hoger of lager, komt daardoor tot ruzie. Maar wie in alle drie niveaus onwrikbaar blijft, voor hem is er geen gelijk of hoger. Hij heeft alle naamgeving opgegeven,12 is in geen tehuis ingegaan. Hij heeft de dorst naar naam en vorm afgesneden. Goden en mensen zoeken hem maar hij heeft de boeien doorgesneden, is vrij van leed en hoopvolle verwachtingen. Daarom vinden zij hem nergens.13

    De Devata: Ik begrijp het als volgt: men moet geen kwaad doen in daden, woorden of gedachten. Men moet de zinnelijke genietingen opgeven, bezonnen, vol bewust, en men moet het lijden niet najagen; het is met onheil verbonden."

(vgl. S.1.40)


            S.I.21-30 = Sattivagga, de groep van het spit. 


S.I.21 = S.1.21.

    Te Savatthi. "Men moet niet menen dat het lichaam iets blijvends is. Men moet zich van de wereld afkeren."


S.I.22 = S.1.22.

    Wie slecht doet jegens iemand die niet slecht gehandeld heeft, een reine, smetteloze man, op die dwaas valt het boze terug zoals stof dat tegen de wind gestrooid wordt.

(Zie ook Dhp. 125 en Sn v. 662 en S.7.4)


S.I.23 = S.1.23. Het kluwen

    "Degene die in deugdzame discipline vast staat, de wijze, die denken en inzicht ijverig oefent, zal het kluwen ontwarren. De volmaakte heiligen bij wie begeerte en haat en onwetendheid verdwijnen, bij wie wereldse invloeden vernietigd zijn, zij hebben het kluwen ontward. Waar naam en vorm en innerlijk tegenstreven en voorstelling van vorm zonder rest worden opgeheven, daar wordt het kluwen doorgesneden.14

(Zie ook S.7.6)

* De Boeddha onderwijst dat alle wezens verstrikt zijn in de hoop van gehechtheden die door de zintuigen en de objecten ervan teweeggebracht worden. Om eruit te ontsnappen moet men de weg volgen van sīla, concentratie en inzicht-meditatie ontwikkelen om volmaakt te worden in de hogere kennis van bevrijding.


S.I.24 = S.1.24.

    Men moet de geest niet van alles terughouden als hij bedwongen is. Maar men moet de geest terughouden van het kwade.


S.I.25 = S.1.25. De Volmaakte

    De Devata vraagt of de bhikkhu die een Volmaakte is, die de wereldse invloeden vernietigd heeft, "ik" en "mij" mag zeggen.

    De Boeddha: De bhikkhu die een Volmaakte is, die mag de uitdrukking "ik" en "mij" gebruiken. Hij weet dat het de normale manier van spreken is in de wereld. Hij heeft de onwetendheid opgegeven en voor hem zijn er geen boeien meer. Degene met inzicht heeft de sterfelijkheid opgegeven. Hij mag de zegswijze van "ik" en "mijn" gebruiken.


S.I.26 = S.1.26.

    De Devata vroeg hoeveel lichtpunten er in de wereld zijn. De Boeddha gaf ten antwoord dat er niet meer dan vier lichtpunten zijn, namelijk: overdag straalt de zon; 's nachts schijnt de maan; het vuur glanst hier en daar overdag en 's nachts; maar de Boeddha is de beste onder de stralenden, zijn glans is onvergelijkbaar.

(Zie ook S.2.4 en Dhp. 387)


S.I.27 = S.1.27.

    De Devata vroeg verder waar de de stromen [van wedergeboorten] omkeren, en waar naam en vorm zonder rest worden opgeheven.

    De Boeddha: "Waar water en aarde, vuur en lucht geen houvast hebben, daar is geen kringloop meer van bestaan, daar keren de stromen om, daar wordt naam en vorm zonder rest opgeheven."

(Zie ook D. 11 op het einde)


S.I.28 = S.1.28.

    De Devata vraagt verder: "De rijke mensen zijn jaloers op elkaar, onverzadigd in hun begeerten. Wie van hen die in de stroom van het bestaan drijven, hebben begeerte en dorst opgegeven?"

    De Boeddha: "Degenen die zich hebben afgewend van de wereld, die kinderen en bezit hebben opgegeven, die begeerte en haat hebben opgegeven en zich hebben losgemaakt van onwetendheid, die Volmaakten bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, zij zijn in de wereld vrij van begeerte."

S.I.29 = S.1.29.

    De Devata vraagt hoe er een ontkomen kan zijn voor de mens.

    De Boeddha: "Wanneer men wens en begeerte die onheilzamen met wortel en al heeft uitgeroeid, en ook de dorst, dan zal er een ontkomen zijn."

(Zie ook S.2.28 en Dhp. 398).


S.I.30 = S.1.30.

    De Devata vraagt hoe men verlost wordt van het lijden.

    De Boeddha: "Er zijn in de wereld zes soorten van zinnelijke lust inclusief de geest. Wanneer men daar de begeerte laat afnemen en verdwijnen, dan wordt men verlost van het lijden."

            S.I.31-40 = Satullapakāyikavagga – de sectie over de Satullapa-devatas 


S.I.31 = S.1.31.

    Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen veel Satullapa-godheden naar de Verhevene. Zij verlichtten met hun glans het hele kloostergebied. Zij groetten de Boeddha eerbiedig en enkelen van haar zeiden dat men met de goeden samen moet zijn, met de goeden omgang met hebben. Want als men de leer van de goeden heeft ingezien, wordt men er beter van. Men wint wijsheid. Men ondervindt geen leed. Men straalt temidden van de verwanten. Men gaat naar een gelukkig bestaan. Men verkrijgt eeuwig heil.

    Een andere Devata vroeg toen aan de Boeddha wie van haar goed had gesproken.

    De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Maar luistert nu naar mij. Met de goeden moet men samen zijn; met de goeden moet men omgaan. Heeft men de leer van de goeden ingezien, dan wordt men van alle lijden bevrijd."

S.I.32 = S.1.32. Geven

    Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden:

    "Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."

    "Waarvoor de gierigaard bang is en daarom niets geeft, dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven, het vuil van de hebzucht overwinnen en gaven geven. Verdienstelijke werken zijn in de andere wereld een vast steunpunt voor de levende wezens."

    "Het is een eeuwige wet dat diegenen niet dood zijn onder de doden,15 die iets geven van gering bezit. En anderen willen niets geven hoewel ze rijk zijn. Een gave van iemand die weinig heeft, wordt aan duizend gelijk geschat."

    "Degenen die geven wat moeilijk te geven is, die iets doen wat moeilijk te doen is, worden door de slechte mensen niet nagevolgd. Moeilijk te volgen is de goede leer. Daarom is het heengaan uit deze wereld bij goeden en slechten verschillend. De slechte mensen gaan naar de hel, de goeden hebben de hemel als doel."

    Een Devata vroeg toen aan de Verhevene wie goed had gesproken.

    De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. In vroomheid leeft degene die, hoewel arm, zijn vrouw onderhoudt en van zijn kleine bezit iets geeft. Honderdduizend van degenen die duizend offeren zijn niet het zestiende deel waard van een dergelijke gever."

    Een andere Devata vroeg toen: "Waarom komt een rijk offer van zulke mensen aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd?"

    De Verhevene: "Velen geven, verstrikt in het kwaad, nadat zij geslacht, gedood en leed veroorzaakt hebben. Zo'n gave vol tranen en kwelling komt aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd. Daarom zijn 100.000 van degenen die 1000 offeren, niet het zestiende waard van een dergelijke gever."

S.I.33 = S.1.33.

    Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden:

    "Goed is het geven. Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."

    "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Sommigen geven ook al hebben ze niet veel. Anderen willen niets geven ook al zijn ze rijk. Een gave die gegeven wordt uit een klein bezit, wordt gelijk aan duizend geschat."

    "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Wanneer het geven gebeurt in vertrouwen, dan is het geven goed. Men zegt dat geven en strijden gelijk zijn. Hoewel er weinigen zijn, behalen zij de zege (overwinning) over velen. Wanneer men vroom ook maar weinig geeft, dan wordt men daardoor al gelukkig in de andere wereld."

    "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. Iemand die uit rechtvaardig verworven bezit een gave geeft, van datgene wat door inspanning en energie gewonnen werd, die komt over de stroom van de dodengod Yama heen, en gaat na de dood naar hemelse sferen."

    "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Dat is door de Verhevene aanbevolen.16 Wat aan hen die de gave waardig zijn, in dit leven gegeven werd, dat draagt rijke vrucht."

    "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Goed is ook zelfbeheersing tegenover de levende wezens. Wie leeft zonder levende wezens te kwetsen, en niets kwaads doet, omwille van de berisping van anderen, de angstige prijst men daar, niet de vrijpostige. Want uit angst [voor de zonde] doen de vromen niets kwaads."

    Een andere Devata vroeg toen wie van de vorige sprekers goed had gesproken.

    De Boeddha: Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. Het geven in geloof (vertrouwen) is veelvuldig geprezen. Maar beter dan een gave is een woord van waarheid. Vroeger al, en nog veel vroeger zijn de goeden die inzicht hadden, tot Nibbana gekomen."17

S.I.34 = S.1.34.

    Te Savatthi. Satullapa Devata zeiden aan de Boeddha:

    "Zinnelijke genietingen bij de mensen zijn niet blijvend. Door er aan gebonden te zijn, erdoor verlamd, kan men niet tot komen tot niet meer wederkeer uit het bereik van de dood."

    "Uit begeerte stamt het kwaad; uit begeerte stamt het lijden. Uit de opheffing van begeerte volgt opheffing van het kwaad; uit de opheffing van het kwaad volgt opheffing van lijden."

    "Niet de veelvuldige zinnelijke genietingen die er in de wereld zijn, maar het willen en verlangen van de mens is de lust der zinnen. De veelvuldige genietingen in de wereld blijven bestaan, maar de wijze verwijdert de begeerte ernaar."18

    "De toorn moet men opgeven; de onwetendheid moet men laten gaan. Over alle boeien moet men heen komen. Degene die niet hecht aan naam en vorm, die niets bezit, hij wordt niet door lijden vervolgd."19

    "Alle naamgeving heeft hij opgegeven, is in geen woning ingekeerd. Hij heeft de dorst naar naam en vorm afgesneden. Hij heeft de boeien doorgesneden en is vrij van lijden en hoopvolle verwachtingen. Hem hebben goden en mensen hier en hiernamaals gezocht maar nergens gevonden."

    De bhikkhu Mogharaja: "Wanneer zij niemand zagen die zo bevrijd is, de voortreffelijkste van de mensen, die de mensen zegen brengt, zijn dan degenen te loven die hem vereren?"

    De Boeddha: "Ook zij zijn te loven die hem vereren. Zij hebben de waarheid ingezien en hebben de twijfel opgegeven. Daarom zullen ook zij de boeien overwinnen."


S.I.35 = S.1.35. De Ujjhānasaññinaka devata

    Te Savatthi. De Ujjhānasaññika devata20 bezochten de Boeddha. Zij zeiden dat hij anders handelde dan hij onderwees. De Verhevene gaf ten antwoord dat de wijze mensen het hechten aan de wereld hebben opgegeven. De devata vroegen toen om vergiffenis omdat zij verkeerd gedacht hadden.

    De Boeddha glimlachte en de goden legden dat zo uit dat de Boeddha hun verzoek om vergiffenis niet aannam. Zij zeiden toen dat de Boeddha nog toorn in zijn hart had.

    De Verhevene zei dat bij de Volmaakte geen fouten voorkomen. Hij is wijs en steeds bezonnen. Hij had geen toorn in zijn hart en nam hun verzoek om vergiffenis aan.

S.I.36 = S.1.36. Vertrouwen

    Te Savatthi. Veel goden die tot de groep van de Satullapa devata behoorden, bezochten de Boeddha. Een van hen zei dat vertrouwen de beste metgezel van de mensen is. Eer en roem en een hemelse wedergeboorte stonden hem dan te wachten. Woede en onwetendheid moet men opgeven, en alle boeien moet men overwinnen. Aan naam en vorm moet men niet hechten. Wie niets bezit, wordt niet door lijden gevolgd.

    De Verhevene: "Onachtzaam leven de dwaze, onwijze mensen. De wijze heeft onvermoeibaarheid als zijn beste rijkdom. Geef de neiging naar zinnelijke lust en naar genot op. De onvermoeibare die geestelijke verdieping oefent, bereikt het hoogste geluk."

(Zie ook Dhp. 26 en Theragāthā verzen 883 e.v.)


S.I.37 = S.1.37. 

    Te Kapilavatthu. De Verhevene vertoefde er met 500 bhikkhus, allen Arahants. Veel devata kwamen er samen om de Boeddha en zijn gevolg te bezoeken. Ook vier devata uit de groep van de Suddhāvāsas bezochten de Boeddha en zeiden in verzen:

    "Een grote bijeenkomst van devata is hier samen gekomen. Ook wij bezoeken de gemeenschap van de onoverwinnelijken.

    De bhikkus hebben geestelijke verdieping onderhouden en hebben hun denken juist gevormd. De wijzen leiden hun zintuigen zoals de wagenmenner de teugels.

    Zij verbreken de boeien en gaan vrij van zinnelijke lusten zuiver en zonder smetten.

    Allen die hun toevlucht hebben genomen tot de Boeddha komen niet op het niveau van een lagere vorm van bestaan. Na de dood krijgen zij een hemels lichaam."

S.I.38 = S.1.38. De splinter.

    Te Rajagaha. De voet van de Verhevene was gewond door een splinter van een rotsblok. De lichamelijke pijn was erg groot. Maar de Verhevene verdroeg ze bezonnen, vol bewust.

    Zevenhonderd godheden die tot de groep van de Satullapa devata behoorden, bezochten de Boeddha. Zij zeiden: "Als een olifant, als een leeuw, als een edel paard, als een stier, als een os verdraagt de Samana Gotama bezonnen, vol bewust de lichamelijke pijn. Hij is bedwongen en verdraagt de lichamelijke pijn bezonnen, vol bewust. De goed geoefende geestelijke verdieping en het goed bevrijde denken dwalen niet af. De oefening ervan is niet gehinderd door de onderdrukking van de eigen formaties. Wie meent dat zo iemand veronachtzaamd kan worden, die is blind. Vele kenners van de vijf Vedas, boetelingen en brahmanen, hebben een ascetisch leven geleid. Maar hun denken werd niet volledig bevrijd. Maar wie de onwetendheid vermijdt, steeds geconcentreerd is, met een goed hart, volledig bevrijd, alleen in de wildernis levend, onvermoeibaar, die komt over het bereik van de dood heen aan de reddende oever.

            S.I.41-50 = Ādittavagga, het gedeelte van de vlammen 


S.I.41 = S.1.41. In brand

    Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven werd, is wel gered. Wat gegeven werd, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven werd. Dieven of de koning nemen het weg.

    Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel.


S.I.42 = S.1.42. Geven

    Een devata vroeg aan de Verhevene wat men moet geven om kracht, schoonheid, welvaart, inzicht te verkrijgen.

    De Verhevene gaf ten antwoord:

"Voedsel geeft degene die kracht wil schenken;

kleding geeft degene die schoonheid wil schenken;

een vervoermiddel geeft degene die welvaart wil schenken;

een lamp geeft degene die inzicht wil schenken.

Maar wie een tehuis schenkt

is iemand die alles geeft.

En niet sterven geeft degene

die de leer van de waarheid verkondigt."


S.I.43 = S.1.43. Geven

    Een devata vroeg aan de Verhevene: "Goden en mensen verheugen zich beiden over voedsel. Maar wie is de yakkha die zich niet over voedsel verheugt?"

    De Verhevene gaf ten antwoord:

    "Het voedsel dat men in vertrouwen geeft met een verheugd gemoed, dat volgt iemand na in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven en gaven geven, en de onreinheid van hebzucht overwinnen. Verdienstelijke werken zijn voor de levende wezens een vaste basis in de andere wereld."

S.I.44 = S.1.44. Redden door geven

    Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven wordt, is wel gered. Wat gegeven wordt, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven wordt. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel.

S.I.47 = S.1.47. Verdienste

    Een devata vroeg aan de Verhevene: "Bij welke mensen neemt dag en nacht de verdienste toe? Welke mensen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel?"

    De Verhevene gaf ten antwoord:

    "Degenen die parken aanleggen, bossen planten, die bruggen bouwen, en cisternen en bronnen aanleggen, die een tehuis gereed maken: bij deze mensen neemt dag en nacht de verdienste toe. Deze personen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel."

S.I.49 = S.1.49. Vrij van gierigheid

    Degenen die als mens geboren barmhartig zijn en vrij van gierigheid, vertrouwen hebben in de Boeddha, zijn leer en de gemeenschap [van de heiligen], zij stralen in de hemel waar zij wedergeboren worden. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij ter wereld in een welgesteld gezin waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning zonder moeite verkregen worden.


            S.I.51-60 = Jarāvagga, gedeelte over ouderdom 


S.I.51 = S.1.51. Wat is goed?

    De godheid vroeg: Wat is goed tot op hoge leeftijd. Wat is vast gegrondvest? Wat is het juweel van de mens en wat is door dieven moeilijk te stelen?

    De Verhevene: "Deugdzaamheid is goed tot op hoge leeftijd. Vertrouwen is vast gegrondvest. Wijsheid is het juweel van de mens. En verdienste is moeilijk door dieven te stelen."


            S.I.61-70 =  Addhavagga, het gedeelte van de meesters 


            S.I.71-81 = Chetvāvagga, het gedeelte van afsnijden 



S.II = S.2 Devaputta Samyutta.

Vragen van de zonen van godheden.21 30 suttas. (S.II.1-30)

            S.II.1-10 = Pathama vagga – Het eerste deel  

S.II.8.=S.2.8. Tāyana

Devaputta Tayana, voorheen een secteleider, sprak tot de Boeddha aldus:

"Snij met kracht de stroom af,22 wijs de zinnelijke lusten af.

Wanneer de wijze de zinnelijke lusten niet heeft opgegeven, dan bereikt hij de eenheid23 niet.

Wanneer men doet wat gedaan moet worden, moet men het met energie doen.24

Wat slecht gedaan is, is beter niet gedaan; het brengt groot verdriet.

Wat goed gedaan is, is beter als het gedaan is, omdat men er geen spijt van heeft.

Het beroep van de samana, slecht uitgeoefend, voert naar de hel.

Slappe daden en geloften die niet rein gehouden worden, en heilige levenswandel die onbetrouwbaar gevoerd is: dat brengt nooit rijke vrucht."


De Boeddha keurde deze woorden goed en wees de monniken erop deze woorden goed te onthouden.


S.II.9 = S.2.9. Candima

De bede van de maangod om bescherming


Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. In die tijd werd de maangod Candima gegrepen door Rāhu,25 heer van de Asuras. Candima herinnerde zich toen de Gezegende en sprak dit vers:

“U Boeddha, held, u bent geheel vrij van alle kwaad. Ik vereer u. Ik ben in een benarde positie terechtgekomen. Weest u mijn toevlucht.”

Hierop richtte de Gezegende zich ten behoeve van de maangod Candima tot Rāhu, heer van de Asuras, met de woorden: “Rāhu, de maangod Candima heeft zijn toevlucht genomen tot de Tathagata, de Volmaakte. Laat Candima vrij. De Boeddhas stralen mededogen uit over de hele wereld.”

Na deze woorden liet Rāhu, heer van de Asuras, de maangod Candima los. Terstond ging hij naar Vepacitta, heer van de Asuras, en ging trillend van angst en met de haren overeind naast hem staan. Toen richtte Vepacitta zich tot Rāhu met de woorden:

“Rāhu, waarom heb je zo plotseling de maangod Candima vrijgelaten? Waarom sta je hier zo te trillen en waarom ben je zo bang?”

“De Boeddha heeft tot mij gesproken met de vraag Candima vrij te laten. Indien ik de maangod Candima niet had vrijgelaten, zou mijn hoofd in zeven stukken zijn gespleten. En ik zou niet gelukkig zijn geweest. Daarom liet ik Candima vrij.”


S.II.10 = S.2.10. Suriya paritta

De bede van de zonnegod om bescherming 26


Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. In die tijd werd de zonnegod Suriya gegrepen door Rāhu, heer van de Asuras. Suriya herinnerde zich toen de Gezegende en sprak dit vers:

“U Boeddha, held, u bent geheel vrij van alle kwaad. Ik vereer u. Ik ben in een benarde positie terechtgekomen. Weest u mijn toevlucht.”

Hierop richtte de Gezegende zich ten behoeve van de zonnegod Suriya tot Rāhu, heer van de Asuras, met de woorden: “Rāhu, de zonnegod Suriya heeft zijn toevlucht genomen tot de Tathagata, de Volmaakte. Laat Suriya vrij. De Boeddhas stralen mededogen uit over de hele wereld. Rāhu, verslindt niet de verdrijver van de duisternis, de stralende, die vol majesteit door de lucht reist. Rāhu, laat Suriya, mijn zoon, vrij.”

Na deze woorden liet Rāhu, heer van de Asuras, de zonnegod Suriya los. Terstond ging hij naar Vepacitta, heer van de Asuras, en ging trillend van angst en met de haren overeind naast hem staan. Toen richtte Vepacitta zich tot Rāhu met de woorden:

“Rāhu, waarom heb je zo plotseling de zonnegod Suriya vrijgelaten? Waarom sta je hier zo te trillen en waarom ben je zo bang?”

“De Boeddha heeft tot mij gesproken met de vraag Suriya vrij te laten. Indien ik de zonnegod Suriya niet had vrijgelaten, zou mijn hoofd in zeven stukken zijn gespleten. En ik zou niet gelukkig zijn geweest. Daarom liet ik Suriya vrij.”

            S.II.11-20 = Anāthapindikavagga – Het gedeelte over Anāthapindika 


S.II.12 = S.2.12. Vendu

Degenen die zich oefenen in overeenkomst met de door de Boeddha verkondigde leer, onvermoeibaar, die zullen niet door de dood overweldigd worden.


S.II.13 = S.2.13. Dīghalatthi

Te Rajagaha in het Veluvanapark sprak Devaputta Dīghalatthi tot de Boeddha het volgende.

De Bhikkhu moet meditatie oefenen, met losgemaakt denken. Hij moet streven naar het bereiken van (het hoogste verlangen van) zijn hart.

Wanneer hij het ontstaan en vergaan van de wereld heeft ingezien, met goed gemoed, onafhankelijk, de hoogste zegen inziende.


S.II.14 =S.2.14. Nandana

De Devaputta Nandana vroeg aan de Boeddha wie deugdzaam is, wijs; wie heeft het lijden overwonnen, wie wordt door de devatas geëerd?

(De Verhevene)

Wie deugdzaam is en wijs, met volmaakte ziel, met geconcentreerde geest, zich verheugend over meditatieve verdieping, bezonnen, degene bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, die het laatste lichaam draagt, – zo iemand noemt men deugdzaam, zo iemand noemt men wijs. Hij of zij heeft het lijden overwonnen. Die persoon wordt door de godheden geëerd.


S.II.15 = S.2.15. Candana

De Devaputta Candana vroeg aan de Verhevene: "Hoe steekt men de stroom over zonder te verlammen, dag en nacht? Hoe zinkt men niet in de diepte waar men geen vaste voet en geen steun vindt?"

De Verhevene:

"Wie deugdzaam is, wijs, met goed geconcentreerde geest, energiek, met vastbesloten ziel, die persoon steekt de stroom over die moeilijk is over te steken. Wie zich onthoudt van de gedachten aan zinnelijke lust, wie leeg is van de boeien van de vorm, wie vreugde (aan het bestaan) en het bestaan heeft opgegeven,27 die zinkt niet naar de diepte."


S.II.19 = S.2.19. Uttara

Te Rajagaha, gesprek van Devaputta Uttara met de Verhevene.


De Verhevene:

Het bestaan vergaat, de levenstijd is kort. Wie dichter bij de ouderdom komt, voor hem is er geen bescherming.

Wie het gevaar van de dood in het oog houdt, moet de verlokking van de wereld vermijden en uitzien naar de zalige vrede.


            S.II.21-30 = Nānātitthiyavagga – Over de leerstellingen van de verschillende scholen 


S.II.26 = S.2.26. Rohitassa

Te Savatthi. De godheid Rohitassa komt naar de Boeddha met een probleem. Hij vertelt hem dat hij in een vroeger bestaan een kluizenaar was geweest begiftigd met bovennatuurlijke kracht waardoor hij in staat was door het universum te reizen met enorme snelheid. Hij reisde met die grote snelheid meer dan 100 jaren om het einde van de wereld te bereiken. Maar hij had geen succes. Hij wilde weten of het mogelijk was het einde van de wereld te kennen of te zien, dat einde waar geen geboorte en geen dood is.

De Boeddha geeft ten antwoord dat hij niet verklaart dat er een einde van de wereld zonder geboorte en dood is dat men door reizen kan kennen of zien. En hij zegt ook niet dat er een einde aan het lijden is zonder nibbāna te bereiken. In dit lange lichaam van iemand zelf met waarneming en geest beschrijft de Boeddha de wereld, het ontstaan van de wereld, het ophouden ervan en de weg die voert naar het verdwijnen van de wereld. De weg van de Boeddha die naar het einde van de wereld voert, is het edele achtvoudige pad. "De wijze die de wereld kent, zal aan het einde van de wereld komen. Wanneer hij tot rust is gekomen, verlangt hij niet meer naar deze wereld noch naar de andere wereld."28


S.III = S.3. Kosala-Samyutta

Verhalen over koning Pasenadi van Kosala. 25 suttas. (S.III.1-25)


            S.III.1-10 = Pathama vagga – Het eerste gedeelte 


S.III.1 = S.3.1

Te Savatthi. Koning Pasenadi vraagt of de Boeddha – hoewel nog jong – beweert de hoogste Verlichting te hebben verkregen. De Boeddha bevestigt dit. Vier dingen moeten niet gering geacht worden omdat zij jong zijn: een edelman, een slang, een vuur en een bhikkhu. De edelman kan een koning worden en iemand straffen; de slang kan kind, man of vrouw bijten; het vuur kan groot worden en kind, vrouw of man verbranden; wie door de gloed van een deugdzame bhikkhu verteerd wordt, die is arm en kinderloos.


S.III.2 = S.3.2

Te Savatthi. Drie eigenschappen voeren naar onheil: begeerte, haat, onwetendheid.


S.III.3 = S.3.3

Te Savatthi. De dood komt voor iedereen, arm en rijk.


S.III.4 = S.3.4

Te Savatthi. Allen die in daad, woorden en gedachten zich slecht gedragen, zij zijn hun eigen vijanden. Na de dood neemt men alleen verdienste en niet-verdienste mee.


S.III.5 = S.3.5

Te Savatthi. Men is niet bewaakt als men zich slecht gedraagt in daden, woorden en gedachten. Zelfbeheersing in daden, woorden en gedachten is goed.


S.III.6 = S.3.6

Te Savatthi. Talrijk zijn de wezens die, wanneer zij grotere rijkdom hebben verworven, zich daardoor laten meeslepen en overmoedig worden; zij vervallen tot begeerte naar zinnelijke genietingen en bezondigen zich aan de (andere) wezens.

Wie welgevallen vinden aan de vreugde van zinnelijke lust, ernaar verlangen, erdoor geboeid zijn, die merken hun misstap niet. Later ondervinden zij er leed; de gevolgen ervan zijn onheilzaam.


S.III.7 = S.3.7

Wie omwille van zinnelijk genot leugens vertelt, hem zal dat lang tot leed en onheil strekken. Zij merken hun misstap niet; maar later ondervinden zij er leed; de gevolgen ervan zijn onheilzaam.


S.III.8 = S.3.8

Te Savatthi. Koning Pasenadi van Kosala sprak er met zijn vrouw koningin Mallika. Is er iets dat je liever is dan je eigen zelf? De koningin zei dat het eigen zelf haar het liefste was. En ook de koning zei dit. Hierna ging koning Pasenadi naar de Boeddha toe en vertelde hem over het gesprek.

De Boeddha zei toen dat iedereen zijn eigen zelf het liefste heeft. Daarom moet degene die zijn eigen zelf liefheeft, de ander niet kwetsen, geen lijden en leed toebrengen.


S.III.9 = S.3.9

Te Savatthi. Koning Pasenadi wilde mensen en dieren offeren om onheil te voorkomen. Maar de Boeddha onderwees hem dat dieren- en mensenoffers nutteloos zijn, dat zij niet goed zijn. Ze dragen geen heilzame vruchten.

Maar offers waar geen levende wezens gedood worden, zijn heilzaam en brengen rijke vrucht.


S.III.10 = S.3.10

Te Savatthi. De monniken vertellen aan de Boeddha dat koning Pasenadi veel mensen heeft laten boeien. De Boeddha zegt dan dat die boeien niet sterk zijn. Maar de begeerte naar zonen en vrouwen is een sterke boei. Ze trekt ons mee en is moeilijk los te maken. Wie deze boei heeft verbroken, die gaat zonder begeerte rond; hij heeft zinnelijke lust en vreugde achter zich gelaten. (Zie ook Dhp. 345-346).


            S.III.11-20 = Dutiya vagga – Het tweede gedeelte 


S.III.11 = S.3.11

Te Savatthi. De Boeddha vertoefde er in het klooster Pubbarama, gesticht door Visakha, de moeder van Migara. Hij werd er bezocht door koning Pasenadi. Deze vroeg of er veel mensen zijn die de volmaakte Verlichting bereikt hebben en of er veel mensen zijn die het pad naar de Volmaaktheid betreden hebben. De Boeddha gaf ten antwoord dat het moeilijk was in te zien door de koning omdat deze omringd was door zinnelijke genietingen. Door samenleven, door omgang is de zedelijke discipline van iemand te onderkennen, en dat alleen na lange tijd door iemand die nauwkeurig onderzoekt, door een wijze.

In tegenspoed is hun sterke van geest te onderkennen, en dat alleen na lange tijd door iemand die nauwkeurig onderzoekt, door een wijze. In tweegesprek is hun wijsheid te onderkennen, en dat alleen na lange tijd door iemand die nauwkeurig onderzoekt, door een wijze.


S.III.12 = S.3.12

Te Savatthi. Vijf koningen met koning Pasenadi aan het hoofd discussieerden er over de vraag wat het hoogste van de zinnelijke genietingen was. Omdat zij niet tot een overeenstemming kwamen, gingen zij op voorstel van koning Pasenadi naar de Boeddha toe en stelden hem de vraag welk het hoogste zinnelijk genot is. De Boeddha gaf ten antwoord dat het hoogste zinnelijke genot daar is waar de hoogste grens van welbehagen bereikt wordt. Voor de een zijn dat vormen, voor de ander geluiden, of geuren, of smaken, of aanrakingen. Waardoor iemand bevredigd wordt en zijn wensen vervuld ziet, dat is het hoogste voor hem.


S.III.13 = S.3.13

Matig bij eten. Koning Pasenadi at te veel. De Boeddha zei hem toen: Iemand die steeds bezonnen is, die maat weet te houden bij de maaltijd, voor hem zijn er slechts weinig klachten; langzaam wordt hij ouder en hij bewaart zijn levenskracht.


S.III.14 = S.3.14.

Ajatasatta, koning van Magadha, was met zijn leger tegen koning Pasenadi van Kosala opgetrokken tot aan Kasi. Het kwam tot een slacht waarin koning Pasenadi overwonnen werd door Ajatasattu. Na de nederlaag ging koning Pasenadi naar zijn hoofdstad Savatthi.

Veel bhikkhus gingen voor aalmoezen rond in Savatthi. Na de maaltijd gingen zij naar de Boeddha toe en vertelden hem over de nederlaag van koning Pasenadi. De Verhevene zei dat Ajatasattu slechte vrienden had en dat Pasenadi goede vrienden had maar nu de nederlaag had geleden. Overwinning produceert vijandschap. De vredige die overwinning en nederlaag heeft opgegeven, rust in geluk. (zie Dhp. 201)


S.III.15 = S.3.15

Na een andere slacht tussen koning Ajatasattu en koning Pasenadi werd koning Ajatasattu gevangen genomen. Koning Pasenadi wilde toen zijn neef, koning Ajatasattu ontdoen van zijn troepen olifanten, paarden, wagens en voetvolk; hij wilde koning Ajatasattu zonder die troepen alleen laten gaan. De Boeddha zei toen:

Iemand rooft zoveel als het hem behaagt. Wanneer dan anderen roven, rooft de beroofde mee. Want dat is een gelegenheid, denkt de dwaas, zolang zijn zonde nog niet rijpt. Maar wanneer de zonde rijpt, dan raakt de dwaas in onheil. De moordenaar wordt de baas over de moordenaar. Door omkering van het doen rooft degene die voorheen beroofd was.


* De gedachte is zo: in gewelddaden is een eeuwige kringloop. De een overwint, of rooft, of vermoordt; op een andere tijd wordt de overwinnaar overwonnen, wordt de rover beroofd, wordt de moordenaar vermoord. De Boeddha zinspeelt erop dat eerst Pasenadi door Ajatasattu overwonnen was en nu andersom.


S.III.16 = S.3.16.

Te Savatthi. Na de geboorte van zijn dochter had koning Pasenadi een gesprek met de Boeddha. Een vrouw kan meer waard zijn dan een man, als zij verstandig is, deugdzaam, haar schoonmoeder eert, haar echtgenoot trouw is. "Zij kan een zoon ter wereld brengen die een held wordt, een wereldbeheerser. Hij kan ook over een koninkrijk heersen."


S.III.17 = S.3.17.

Te Savatthi. Koning Pasenadi vraagt aan de Boeddha of er iets is dat een zegen is voor in dit leven en voor het toekomstige bestaan.

De Boeddha: "Onvermoeibaarheid brengt zegen voor nu en later."

(Zie ook M.I.184)


S.III.18 = S.3.18. Volharding

Vriendschap met het goede is het hele heilige leven.


Te Savatthi. Koning Pasenadi van Kosala bezocht de Boeddha en zei: "Heer, toen ik in eenzame meditatie helemaal in de stilte verdiept was, kwam de volgende gedachte bij me op: 'De leer is door de Verhevene goed verkondigd, maar (alleen) voor de vriend van het goede, niet voor de vriend van het kwade.'”

De Verhevene: "Zo is het koning. Eens vertoefde ik in een marktplaats van de Sakyas. De Bhikkhu Ananda kwam naar me toe, groette eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Hij zei: 'De helft van de heilige levenswandel bestaat in de vriendschap met de goeden, in het gezelschap van de goeden.'

Ik zei toen tot hem dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap van de goeden, in het gezelschap van de goeden. Van een bhikkhu die een vriend van de goeden is, is te verwachten dat hij voor een vriend van de goeden het edele achtvoudige pad zal vervolmaken, dat pad zal verbreden."

"En hoe, Ananda, doet men dat? – De bhikkhu vervolmaakt het juiste inzicht, dat op afzondering gebaseerd is, op gelijkmoedigheid gebaseerd is, op opheffing gebaseerd is, dat eindigt in afkeer. Hij vervolmaakt het juiste willen en het juiste spreken. Hij vervolmaakt het juiste handelen en de juiste levenswijze. Hij vervolmaakt het juiste zich inspannen. Hij vervolmaakt de juiste meditatie (geestelijke concentratie) die op afzondering berust, op gelijkmoedigheid, op opheffing, en die eindigt in afkeer. Op die manier, Ananda, vervolmaakt een bhikkhu die een vriend van de goeden is, het edele achtvoudige pad, verbreedt dat pad.

En in die zin, Ananda, moet je ook begrijpen dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap van de goeden, in het gezelschap van de goeden."

Daarom, grote koning, moet u zich hierin oefenen: ik wil een vriend van de goeden zijn. Aan deze ene eigenschap moet u vasthouden: aan de onvermoeibaarheid in goede dingen. Als u dan als voorbeeld bent en onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, dan zullen ook de hofdames, de dienstplichtige edelen, de lieden in de stad en in het land, onvermoeibaar aan de onvermoeibaarheid vasthouden.

Als u onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, wordt uw eigen zelf beschermd, en ook worden de hofdames beschermd en de schatkamer en voorraadkamers.

Samen met degene die naar bijzondere genietingen verlangt, prijzen de wijzen de onvermoeibaarheid bij verdienstelijke daden.

De wijze die onvermoeibaar is, krijgt beide zegeningen: zegen in het tegenwoordige leven en zegen voor zijn toekomstig bestaan.

Omdat hij de zegen verkrijgt, daarom heet degene met volharding een wijze."


S.III.19 = S.3.19.

Te Savatthi. Gesprek van koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha. Een goed persoon met rijkdom verheugt zich zelf over de rijkdom en hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de samanas en brahmanen brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel voert. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de koning, noch door rovers, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd.


S.III.20 = S.3.20.

Te Savatthi. Gesprek van koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha.

Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens.


            S.III.21-25 = Tatiya vagga – Het derde gedeelte 


S.III.21 = S.3.21.

Vier soorten van personen: Degene (arm of rijk) die zich slecht gedraagt, wordt in een lagere sfeer van bestaan wedergeboren. Degene (arm of rijk), die zich goed gedraagt, wordt in een hogere sfeer wedergeboren, in de hemel.

Te Sāvatthī. Gesprek tussen de Boeddha en koning Pasenadi.

Er zijn vier soorten personen in de wereld, namelijk:

De donkere die het donkere tot doel heeft is iemand die in een lage familie is wedergeboren, als uitgestotene of in een lagere kaste, in een arme familie waar weinig aan eten en drinken is, waar het levensonderhoud moeizaam is, waar voedsel en kleding met moeite verschaft worden. Hij is lelijk, onaanzienlijk, vol gebreken, mismaakt. Hij krijgt geen eten en drinken aangeboden, noch kleding of voertuig, geen bloemen, parfums en zalven, geen slaapplaats en geen licht. In daden, woorden en gedachten heeft hij een slecht gedrag. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een lagere sfeer van bestaan, vol leed.


De donkere die het licht tot doel heeft, is degene die in een lage familie is wedergeboren, als verschoppeling of in een lage kaste, in een arme familie. Hij is lelijk, onaanzienlijk, mismaakt. Hij krijgt geen eten en drinken aangeboden, noch kleding of voertuig, geen bloemen, parfums en zalven, geen slaapplaats en geen licht. Maar hij heeft in daden, woorden en gedachten een goed gedrag. Na de dood zal hij daarom in een gelukkige sfeer van bestaan wedergeboren worden, in de hemel.


De lichte die het donkere tot doel heeft is iemand die in een hoge familie is wedergeboren, in een rijke familie met aanzien. Zijn lichaam is goed gevormd, mooi. Hij krijgt eten en drinken, kleding en voertuig, bloemen, parfums en zalven, slaapplaats en verlichting aangeboden. Maar hij gedraagt zich slecht in daden, woorden en gedachten. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een lagere sfeer van bestaan, in een leedvol bestaan, in de hel.


De lichte die het licht tot doel heeft, is iemand die in een hoge familie is wedergeboren, in een rijke familie met aanzien. Zijn lichaam is goed gevormd, mooi. Hij krijgt eten en drinken, kleding en voertuig, bloemen, parfums en zalven, slaapplaats en verlichting aangeboden. En hij gedraagt zich goed in daden, woorden en gedachten. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een gelukkige sfeer van bestaan, in de hemel.


Dat zijn de vier soorten van personen.

Iemand die arm is, ongelovig en gierig, vol boze gedachten, met verkeerde visies, zonder eerbied; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken hoont en beschimpt; die een nihilist is, opvliegend; die anderen ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hel.


Iemand die arm is, gelovig en niet gierig, die aalmoezen geeft, die vol is met de beste gedachten, met bezonnen geest; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken eerbiedig begroet door opstaan; die een rechtschapen levenswandel voert; die anderen niet ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hemel.


Iemand die rijk is, ongelovig en gierig, vol boze gedachten, met verkeerde visies, zonder eerbied; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken hoont en beschimpt; die een nihilist is, opvliegend; die anderen ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hel.

Iemand die rijk is, gelovig en niet gierig, die aalmoezen geeft, die vol is met de beste gedachten, met bezonnen geest; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken eerbiedig begroet door opstaan; die een rechtschapen levenswandel voert; die anderen niet ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hemel.


S.III.22 = S.3.22.

Dood komt voor iedereen.


Te Savatthi. De grootmoeder van koning Pasenadi was op hoge leeftijd gestorven. De koning ging toen in de namiddag naar de Boeddha en vertelde hem dat hij het kostbaarste wat hij had, zou willen geven als hij daarmee de dood van zijn grootmoeder had kunnen verhinderen. Want zij was hem lief en dierbaar.

De Boeddha wees de koning erop dat alle wezens aan de wet van sterven onderhevig zijn; de dood is het einde van het leven.

Na de dood gaan de wezens naar goede of slechte sferen van bestaan overeenkomstig hun daden. Daarom moet men goede daden verrichten als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste steun voor de levende wezens.

S.III.23 = S.3.23.

Te Savatthi. Gesprek tussen koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha. Drie eigenschappen voeren naar onheil en lijden, namelijk begeerte, haat en onwetendheid. (vergelijk S.3.2).


S.III.24 = S.3.24.

Geven aan monniken en heiligen brengt rijke vrucht.


* Volgens het commentaar verspreidde zich na de Verlichting van de Boeddha het gerucht dat hij de mensen vroeg voortaan alleen aan hem en zijn discipelen aalmoezen te geven en niet meer aan aanhangers van andere scholen. Koning Pasenadi geeft de Boeddha gelegenheid om in een openbare bijeenkomst waartoe de leraren van de andere scholen uitgenodigd zijn, dat gerucht te weerleggen.

Te Savatthi. Koning Pasenadi vroeg aan de Verhevene wanneer men aalmoezen moet geven.

De Boeddha: "Wanneer het hart er vreugde aan heeft."

Pasenadi: "Wanneer draagt het gegevene rijke vrucht?"

De Boeddha: "Wat iemand die deugdzaamheid beoefent, gegeven werd, draagt rijke vrucht; het is niet zo bij een ondeugdzame.

Wat gegeven wordt aan iemand bij wie de vijf eigenschappen zijn verdwenen, de bhikkhu die vijf eigenschappen bezit, dat draagt rijke vrucht.

De verdwenen eigenschappen zijn: begeerte naar zinnelijke lust; traagheid en slapheid; boosheid; hoogmoed en weifelen; twijfel.

Hij is voorzien van de volgende eigenschappen:

(1) Met alles wat tot het begrip van de zedelijke discipline behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(2) Met alles wat tot het begrip geestelijke concentratie behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(3) Met alles wat tot het begrip inzicht behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(4) Met alles wat tot het begrip bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(5) Met alles wat tot het wetende schouwen van de bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

Wat aan iemand bij wie die vijf eigenschappen verdwenen zijn en die met die vijf eigenschappen voorzien is, gegeven is, dat draagt rijke vrucht.

Degene met inzicht zal diegene door gaven eren bij wie de eigenschappen geduld en liefdevolle vriendelijkheid ingeworteld zijn, de edele, ook als hij van lage afkomst is.

Hij zal kluizen oprichten en de goed onderwezen monniken daar laten wonen. Hij zal waterputten aanleggen in waterloze wildernis en wegen in ontoegankelijk gebied. Eten en drinken, kleren en bedden zal hij aan de rechtschapene geven met vroom hart.

De wijze zal de monniken verkwikken met spijs en drank. Vreugde brengend deelt hij uit, met de woorden: 'geeft aalmoezen.' Deze rijke vloed van zijn verdienstelijke werken overstroomt de gever."


S.III.25 = S.3.25.

Te Savatthi. Gesprek van koning Pasenadi met de Boeddha.

Wedergeboorte als mens is moeilijk te bereiken; voer een vroom en rechtschapen leven, doe goede werken, verdienstelijke handelingen.



S.IV = S.4. Māra-Samyutta

De vijandige daden van Māra jegens de Boeddha en zijn discipelen. 25 suttas. (S.IV.1-25)

Ze zijn verdeeld in drie delen:

            S.IV.1-10 = Pathama vagga – eerste deel 


S.IV.1 = S.4.1.

Te Uruvela. Ascese, zelfkwelling is niet goed, is nutteloos.


S.IV.2-3 = S.4.2-3.

Te Uruvela. Door de gedaante van een olifant aan te nemen probeert Mara de Boeddha angst aan te jagen.


S.IV.4 = S.4.4.

Te Isipatana. Mara probeert de Boeddha bang te maken.


S.IV.5 = S.4.5.

Te Isipatana. De Boeddha is verlost van alle boeien. Hij zond de monniken uit in alle richtingen om de leer te verkondigen. Zelf ging hij naar Senanigama, nabij Uruvela. Weer komt Mara, maar tevergeefs.


S.IV.6-7 = S.4.6-7.

Te Rajagaha. Tevergeefs probeert Mara de Boeddha angst aan te jagen.


S.IV.8 = S.4.8.

Geen zorgen heeft degene die niets zijn eigen noemt. (zie ook S.1.12).


(De Verhevene)

Wie zonen heeft, heeft zorgen vanwege de zonen;

de koeienherder heeft zorgen om zijn koeien;

door de levensgoederen komen de zorgen van de mens.

Maar wie geen levensgoederen heeft, heeft geen zorgen.


S.IV.9-10 = S.4.9–10.

Te Rajagaha. Dood komt voor iedereen; het leven is kort, doe daarom goede werken, voer het heilige leven. Mara komt er tevergeefs.


            S.IV.11-20 = Dutiya vagga – tweede deel  


S.IV.11 = S.4.11.

Te Rajagaha. Mara probeert de Boeddha angst aan te jagen.


S.IV.12 = S.4.12.

Te Savatthi, in het Jetavana. De Boeddha verkondigt er zijn leer aan een grote menigte monniken. Mara komt er tevergeefs.


S.IV.13 = S.4.13.

Te Rajagaha. De voet van de Verhevene was door een splinter gewond; de Boeddha verdroeg de hevige pijn bezonnen, vol bewust. Mara komt er tevergeefs.

"Omdat ik mijn opgave heb vervuld, ben ik vrij van zorgen."

(zie ook S.I.38)


S.IV.14 = S.4.14.

In Kosala in het dorp Ekasala verkondigt de Verhevene aan een grote menigte leken zijn leer. Mara komt en zegt dat het niet passend is. De Boeddha geeft ten antwoord dat hij onderwijst uit mededogen, lettend op het heil van anderen. Hij is zonder sympathie en zonder antipathie, zonder voorkeur en zonder afkeer.


S.IV.15 = S.4.15.

De Boeddha heeft geen verlangen meer naar wat de zintuigen behaagt.


De Boeddha:

Vormen, geluiden, smaken, geuren,

aanrakingen, wat de zintuigen behaagt,

daarnaar koester ik geen verlangen meer.


S.IV.16 = S.4.16.

Vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn, en datgene wat formatie heeft, dat ben niet ik, dat behoort mij niet toe. Door zo te denken wordt men vrij ervan. Iemand die op die manier vrij geworden is, rustig van gemoed, van alle boeien bevrijd; hem heeft de legerschare van Mara niet gevonden.29


S.IV.17 = S.4.17.

En de Verhevene voegde toe:

Vormen, geluiden, smaken, geuren, aanrakingen en al die dingen, ze zijn een boos lokmiddel voor de wereld; daarin is de wereld verstrikt. Daaroverheen is de leerling van de Verlichte gekomen. Overheen het bereik van de dood straalt hij zoals de zon.


S.IV.18 = S.4.18.

In het land Magadha, in het dorp Pañcasālā. De Boeddha kreeg er (door toedoen van Mara) geen aalmoezen en kwam met lege nap weer terug. Maar hij was niet bedroefd. "Wie niets zijn eigen noemt, leeft gelukkig."


S.IV.19 = S.4.19.

De zintuigen en de zintuiglijke objecten zijn van Mara. Waar geen zintuigen en bijhorende objecten zijn, is Mara niet.


Het oog, de (zichtbare) vormen, het door contact van het oog met de vormen ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen oog is, geen vorm, geen door contact van het oog ontstaan bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.

Het oor, geluiden, het door contact van het oor met de geluiden ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen oor is, geen geluiden, geen door contact van het oor met geluiden ontstaan bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.

De neus, de geuren, het door contact van de neus met de geuren ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen neus is, geen geuren, geen door contact van de neus met de geuren ontstaan bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.

De tong, de smaken, het door contact van de tong met de smaken ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen tong is, geen smaken, geen door contact van de tong met de smaken ontstaan bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.

Het lichaam, het tastgevoel, het door contact van het lichaam met het tastgevoel ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen lichaam is, geen tastgevoel, geen door contact van het lichaam met het tastgevoel ontstane bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.

Het denkzintuig, de gedachten, het door contact van het denkzintuig ontstane bewustzijn, dat is van Mara. Maar waar geen denkzintuig is, geen gedachten, geen door contact van het denkzintuig ontstane bewustzijn, daar is voor Mara geen toegang.


* De empirische dingen waaraan de mensen hangen, raken de volmaakte heilige niet; zijn denken heeft het contact met de empirische wereld opgegeven.


S.IV.20 = S.4.20.

Eens vertoefde de Verhevene in het gebied van de Kosālā, in de buurt van de Himavant, in een berghut.

De volgende gedachte ontstond bij hem: Is het mogelijk koningschap uit te oefenen zonder te doden of te laten doden, zonder te veroveren of te laten veroveren, zonder leed toe te brengen of te laten toebrengen?

Mara merkte de gedachten, ging naar de Verhevene toe en vroeg hem het koningschap uit te oefenen. De Boeddha had immers zulke bovennatuurlijke krachten dat hij de Himavant in goud kon veranderen.

(De Verhevene)

            S.IV.21-25 = Tatiya vagga – derde deel 


S.IV.21 = S.4.21.

Mara probeerde jonge bhikhus te verleiden om weer het leven van leek aan te nemen. Maar de bhikkhus wisten dat zintuiglijke genietingen tijdelijk zijn, vol leed. De leer van de Boeddha is tijdloos, voert naar het doel, is te begrijpen door de wijze, op eigen kracht.

Zij gingen naar de Boeddha en vertelden hem het voorval.

De Boeddha:

Wie het lijden heeft gezien en de oorzaak ervan, die eigent zich de zinnelijke genietingen niet toe.

Het hechten aan de levensgoederen is een boei. Wie dat inziet zal zich inspannen om die boei te verwijderen.


S.IV.22 = S.4.22.

Te Silavati. Bij de eerwaarde Samiddhi kwam de gedachte op dat het een groot voordeel voor hem was dat de Boeddha zijn leermeester was. Mara maakte toen veel kabaal. Maar hij kon de eerwaarde Samiddhi niet bang maken.


S.IV.23 = S.4.23.

Te Rajagaha. De monnik Godhika pleegt zelfdoding om Nibbana te verwerkelijken.


* Volgens het commentaar maakte zijn lichamelijke toestand het hem onmogelijk om in cetovimutti te blijven.


S.IV.24 = S.4.24.

Te Uruvela. Zeven jaren had Mara de Verhevene gevolgd om iets slechts bij hem te ontdekken; tevergeefs. (vergelijk Sn.III.4. vv 446-449).


S.IV.25 = S.4.25.

De dochters van Mara proberen de Verhevene te verleiden; tevergeefs.


(De Verhevene)

"Na het overwinnen van het vijandige leger dat de gestalte van iets liefs en iets treurigs heeft, geniet ik het geluk van het bereiken van het doel, de bevrijding van het gemoed. Ik beoefen alleen meditatieve verdieping.

Daarom sluit ik geen vriendschap met de mensen, is er voor mij met niemand vriendschap."


Op welke manier kan men de golven overschrijden. Hoe moet men oefenen ?


(De Verhevene)

"Met een tot rust gekomen lichaam, met een helemaal vrijgemaakt denken, niets meer scheppend, bezonnen, zonder heem, de waarheid kennende, meditatieve verdieping zonder overwegingen oefenend, koestert hij geen wrok, herinnert zich niet, is vrij van geestelijke starheid:30

Door zo'n standvastige handelwijze is hier de bhikkhu, nadat hij de vijf golven heeft overschreden, ook over de zesde heen gekomen.31

Zo moet hij standvastig meditatie oefenen opdat waarnemingen van lust uitgesloten zijn, zonder hem te bereiken."



S.V = S.5. Bhikkhunī-Samyutta

De vergeefse verleiding van Māra van nonnen en zijn woordentwist met haar. 10 suttas. (S.V.1-10)


S.V.1-10 = S.5.1-10.

Getuigenissen van heilige nonnen.

Er is een ontkomen aan de wereld. Zinnelijk genot is gelijk aan kwelling. Iemand die bevrijd is denkt niet meer in termen van "man" of "vrouw" of "ik ben". De bevrijde is vrij van verdriet en angst. Er is geen verlangen meer naar vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen. Ze zijn vergankelijk. Er is geen verlangen meer naar zinnelijk genot. De onwetendheid is opgeheven. De bevrijde is beheerst in denken, van alle boeien bevrijd. Over het onbeweeglijke verheugt zich het gemoed. Er is geen zelf. Oorzakelijk ontstaan is het lijden en door vernietiging van de oorzaken wordt het opgeheven.


Bhikkhunī Ālavikā: Het genot van de zintuigen is laag. Veel hoger is de zaligheid van afzondering. Er bestaat een ontkomen aan deze wereld van lijden. (S.5.1)


Bhikkhunī Somā (een volmaakte heilige): Ik denk niet meer in termen van “ben ik een man of een vrouw of ben ik eigenlijk iets. Ik denk niet meer aan een “zelf”. (S.5.2)


Bhikkhunī Kisā Gotamī: Ik heb het gevoel naar lust vernietigd. De duisternis is doorbroken. Het leger van de dood is overwonnen. Ik ben vrij van wereldse invloeden. (S.5.3)


Bhikkhunī Vijayā (volmaakt heilig): Ik heb geen verlangen meer naar aangename vormen, geluiden, smaken, geuren en aanrakingen. Overal is de onwetendheid verdreven. (S.5.4)

Bhikkhunī Uppalavannā: Ik ben vrij van angst. Ik ben beheerst in denken, de wegen van de wonderkracht zijn geeffend. Ik ben bevrijd van alle boeien. (S.5.5)


Bhikkhunī Cālā: Wie geboren wordt, zal sterven. Ik verheug me niet over de geboorte. De leer van de Boeddha toont de weg om aan geboorte te ontkomen. Wie de opheffing van lijden niet kent, die wordt wedergeboren.(S.5.6)


Bhikkhunī Upacālā: De werelden van de goden zijn verbonden met zinnelijke lust. De hele wereld staat in brand, staat in vlammen; ze is geschokt. Wat onwrikbaar en onbewogen is, daarover verheugt zich mijn gemoed. (S.5.7)


Bhikkhunī Sīsūpacālā: Ik heb vertrouwen in de Boeddha en in zijn leer. De Boeddha is zonder weerga, de al-overwinnaar, in alles onoverwonnen. Van alles bevrijd, zonder boeien, hij overziet alles met zijn oog. Hij is gekomen tot opheffing van alle daden (wilsacties). Verlost door vernietiging van alle bestaans-substraten. Hij is de mijn leraar; zijn leer bevalt me. (S.5.8)


Bhikkhunī Selā: Ik weet ”het lichaam is zonder een zelfstandig iets; is ontstaan uit oorzaken; door opheffing van de oorzaken wordt het opgeheven.” (S.5.9)


Bhikkhunī Vajirā: De uitdrukking “levend wezen” is een verkeerde term. Een levend wezen is een opeenhoping van losse vormen. Als de bestanddelen ervan aanwezig zijn, ontstaat slechts lijden. En niets anders dan lijden wordt opgeheven. (S.5.10)



S.VI = S.6. Brahma-Samyutta

Brahma Sahampati richt tot de Boeddha het verzoek om de leer aan de wereld te verkondigen.32 15 suttas. (S.VI.1-15)


S.VI.1 = S.6.1.

Te Uruvela. Vlak na de Verlichting. Overweging dat de leer moeilijk te begrijpen is, namelijk oorzakelijk ontstaan. Ze is ook zo moeilijk te begrijpen, namelijk de opheffing van alle formaties, het opgeven van alle bestaanssubstraten, de vernietiging van de dorst, de gelijkmoedigheid, de opheffing, het Nibbana. Verkondiging ervan en de wezens begrijpen het niet, zou smartelijk zijn voor de Verhevene. Brahma Sahampati33 overtuigde de Boeddha ervan de leer te verkondigen. De Boeddha zag dat er wezens zijn met weinig onreinheden. Zij zullen de leer begrijpen. En hij besloot de leer te verkondigen.


S.VI.2 = S.6.2.

Te Uruvela, aan de oever van de rivier Nerañjarā, vlak na de Verlichting.34 De Boeddha had geen leraar om te vereren. Daarom diende en vereerde hij de waarheid die door hem was ingezien.


S.VI.3 = S.6.3.

Te Savatthi. De eerwaarde Brahmadeva bereikte volmaakte heiligheid. Daarna bezocht hij zijn moeder die offers placht te geven aan Brahma. Brahma Sahampati zei haar dat zij nu gaven kon geven aan haar zoon die hoger was dan een god.

"Hij is leeg van bestaanssubstraten, meer dan een god, iemand die niets zijn eigen noemt, die voor niemand anders hoeft te zorgen.35

Gelaten gaat hij op zoek naar eten.

Voor hem is er geen vroeger en geen later.36

Hij is in vrede, zonder toorn, onschuldig, zonder wens.

Hij heeft de staf tegenover de hele wereld neergelegd.37

Hij is vrij van wereldse invloeden, met een vredig hart,

Als een tamme olifant gaat hij, zonder fouten,

een bhikkhu van hoge zedelijke discipline, met een bevrijd hart."


S.VI.4 = S.6.4.

Te Savatthi. De Brahma Baka was van mening dat wereld en ziel eeuwig zijn. De Boeddha weerlegde deze visie.

(Zie ook M.I.326)


            S.VI.5-10 = Pathama vagga – Eerste deel 


S.VI.5 = S.6.5.

Te Savatthi. Te dien tijde was bij de een of andere Brahma de volgende kwade visie ontstaan: "Er is geen samana of Brahmana die tot hier [in de Brahmawereld] kan komen."

De Verhevene zag in zijn hart de gedachten van die brahmaan en ging in een oogwenk vanuit het Jeta-park naar de wereld van Brahma. Daar liet hij zich in de lucht met gekruiste benen boven die Brahma neer, terwijl hij het vuurelement verwerkelijkte.38

Bij de eerwaarde Mahamoggallana ontstond toen de gedachte: "Waar vertoeft de Verhevene nu?" En hij zag met zijn hemelse oog hoe de Verhevene zich in de lucht boven die brahmaan had gevestigd.

De eerwaarde Mahamoggallana liet zich toen in de oostelijke hemelsrichting boven die Brahma neer, het vuurelement verwerkelijkend, iets lager dan de Verhevene.

Ook bij de eerwaarde Mahakassapa, de eerwaarde Mahakappina en de eerwaarde Anuruddha ontstond de gedachte: "Waar vertoeft de Verhevene nu." Zij zagen met hun hemelse oog hoe de Verhevene zich in de lucht boven die Brahma had gevestigd.

Zij lieten zich toen respectievelijk in de zuidelijke, de noordelijke en de westelijke hemelsrichting boven die Brahma neer, het vuurelement verwerkelijkend, iets lager dan de Verhevene.

De eerwaarde Mahamoggallana sprak toen tot de Brahma dit vers:

"Geachte heer, hebt u ook vandaag die visie die u vroeger hebt gehad? Ziet u de glans die de glans in de Brahmawereld overtreft? "


De Brahma:

"Eerwaarde, ik heb de visie die ik vroeger had, niet meer. Ik zie de glans die de glans van de Brahmawereld overtreft. Hoe zou ik vandaag nog kunnen zeggen dat ik blijvend en eeuwig ben?"


De Verhevene wekte de Brahma op [en sprak volgens het commentaar ook een leerrede tot hem] en verdween in een oogwenk uit de Brahmawereld en verscheen in het Jetavana-park.

De Brahma vroeg toen aan een god uit het gevolg van Brahma om naar de eerwaarde Mahamoggallana te gaan en hem te vragen of er nog andere discipelen van de Verheven waren die zo wonderkrachtig, zo machtig waren als Moggallana, Kassapa, Kappina en Anuruddha.

De god ging naar de eerwaarde Mahamoggallana toe en stelde bovenvermelde vraag. Het antwoord van de eerwaarde Mahamoggallana luidde, in vers:

"Ervaren in de drie wetenschappen,39 met wonderkracht [iddhi] voorzien, in staat om de gedachten van anderen te lezen, zulke discipelen bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, volmaakt zijn vele discipelen van de Boeddha."


De god uit het gevolg van Brahma verheugde zich met dank over de woorden van de eerwaarde Mahamoggallana, ging naar de grote Brahma en zei tot de Brahma de woorden die de eerwaarde Mahamoggallana had gezegd. De Brahma was tevreden en verheugde zich over die woorden.


S.VI.6 = S.6.6.

Te Savatthi. Twee Brahmas gingen naar een andere Brahma en zeiden hem dat zij de Boeddha vereerd hadden. Zij vroegen hem om ook de Boeddha te gaan vereren. Maar de andere Brahma was hoogmoedig. Op een andere tijd echter ging hij de Boeddha vereren.


S.VI.7-8 = S.6.7-8.

Te Savatthi. De twee Brahmas gingen weer naar de Boeddha en zeiden dat hij onmeetbaar is.


S.VI.9 = S.6.9.

Te Savatthi. De Brahma Tudu ging naar de bhikkhu Kokaliha en vroeg hem vertrouwen te hebben in de eerwaarden Sariputta en Mahamoggallana. De Brahma zei verder dat vijandelijke gezindheid jegens heiligen lange tijd leed brengt, tot in de hel.


S.VI.10 = S.6.10.

Bhikkhu Kokaliha ging toen naar de Verhevene en vertelde kwaad over de eerwaarden Sariputta en Mahamoggallana. De Boeddha zei dat de bhikkhu niet zo moest spreken. Sariputta en Mahamoggallana waren bekwaam. De bhikkhu vertrok en zijn lichaam werd bedekt met puisten. Hij stierf en werd wedergeboren in de hel.


(Dit verhaal staat ook in Sn. III.10 (verzen 657-678); en in AN. V. 170. De verzen staan ook in AN. II. 3)

            S.VI.11-15 = Dutiya vagga – Tweede deel 

S.VI.11 = S.6.11.

Te Rajagaha, aan de oever van de rivier Sappini. Brahma Sanamkumara eert de Boeddha.


S.VI.12 = S.6.12.

Te Rajagaha. Brahma Sahampati spreekt aangaande Devadatta's schisma dat diens handelwijze slechte resultaten heeft.


S.VI.13 = S.6.13.

In het land van Magadha te Andhakavinda. De Verhevene zat 's nachts in de stromende regen. Brahma Sahampati sprak lovend over de Boeddha en zijn heilige volgelingen.


S.VI.14 = S.6.14.

Te Savatthi. Over de Boeddha Sikhin en de bhikkhu Abhibhu. Beiden gingen naar de Brahma-wereld en de bhikkhu hield er een leerrede op verzoek van de Boeddha Sikhin. De Brahma-goden vonden het niet passend dat een leerling de leerrede hield in tegenwoordigheid van zijn Meester. De Boeddha Sikhin zei toen aan de bhikkhu Abhibhu dat hij de Brahma-goden moest aansporen. En de bhikkhu preekte de leer, nu eens met zichtbaar lichaam, dan met onzichtbaar lichaam, nu eens was alleen het bovenste deel van zijn lichaam zichtbaar, dan weer was alleen het onderste deel van zijn lichaam zichtbaar. De Brahma-goden waren verwonderd over de grote macht en wonderkracht van de bhikkhu.

De bhikkhu Abhibhu zei toen aan de Boeddha Sikhin dat hij tot de Brahmas gesproken had alsof hij midden onder de bhikkhugemeenschap was. Maar hij was in staat om in de Brahma-wereld te spreken met een stem die verneembaar was tot over de wereld van de Brahma Sahassin heen.40

De Boeddha Sikhin zei dat het dan nu de juiste tijd ervoor was. De bhikkhu zei toen:

"Spant u in, wordt een volgeling van de Boeddha. Vernietigt het leger van de dood.

Wie bij deze leer en discipline van de Boeddha onvermoeibaar volhardt, die geeft de kringloop van wedergeboorten op en zal het einde van lijden verwerkelijken."


Hierna verdwenen de Boeddha Sikhin en de bhikkhu Abhibhu uit de Brahma-wereld.


S.VI.15 = S.6.15.

Te Kusinara. Het Mahaparinibbana.

[Dit suttas is voor een groot deel in het Mahaparinibbana sutta D.16 opgenomen]


Eens vertoefde de Verhevene te Kusinara tussen de twee salabomen, in het salabos Upavattana van de Mallas. Hij sprak er de bhikkhus toe met de woorden: "Streeft met volharding. Aan de wet van vergankelijkheid onderworpen zijn de vormingen." Dat was het laatste woord van de Tathagata.

Toen trad de Verhevene in de eerste meditatieve verdieping. Hieruit dook hij op en trad in de tweede meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de derde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de vierde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van 'oneindige ruimte'. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van 'oneindig bewustzijn'. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van 'niets is er'. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van 'noch waarneming noch niet waarneming'.41

Uit de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming opduikend trad hij in de sfeer van niet is er. Uit die sfeer opduikend trad hij in de sfeer van oneindig bewustzijn. Uit die sfeer opduikend trad hij in de sfeer van oneindige ruimte. Uit die sfeer opduikend trad hij in de vierde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de derde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de tweede meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de eerste meditatieve verdieping.

Uit de eerste meditatieve verdieping opduikend trad hij weer in de tweede meditatieve verdieping, de derde meditatieve verdieping en de vierde meditatieve verdieping.42 En hieruit opduikend is dan de Verhevene volledig uitgedoofd.43


En Brahma Sahampati sprak bij het heengaan van de Verhevene, tegelijkertijd met diens volledige uitdoving, dit vers:

"Alle wezens in de wereld zullen hun lichamelijkheid afwerpen,44 zoals de Meester hier, zonder weerga in de gehele wereld. De Tathagata, de machtige, de volmaakt Verlichte, is in Nibbana heengegaan."


En Sakka, de koning van de goden, sprak bij het heengaan van de Verhevene, tegelijkertijd met diens volledige uitdoving, dit vers:

"Vergankelijk, waarlijk, zijn de vormingen;45 zij komen tot ontstaan en vergaan dan weer.46 Zegensrijk is het ophouden ervan.47


En de eerwaarde Ananda sprak bij het heengaan van de Verhevene, tegelijkertijd met diens volledige uitdoving, dit vers:

"Toen was er ontzetting en de haren rezen te berge,48 toen de geheel Volkomene, de volledig Ontwaakte heenging in Nibbana."49


En de eerwaarde Anuruddha50 sprak bij het heengaan van de Verhevene, tegelijkertijd met diens volledige uitdoving, dit vers:

"Er was geen inademen meer en geen uitademen bij de Volmaakte, standvastig van gemoed. Vrij van verlangens en vredig, zo is de Alziende51 in Nibbana heengegaan.

Met een hart dat aan niets meer hechtte, verdroeg hij de pijn. Zoals het uitdoven van een lamp, zo was de bevrijding van zijn geest."52



S.VII = S.7 Brāhmana-Samyutta

De ontmoeting van de brahmaan Bhāradvāja met de Boeddha; en hun gesprek.53 22 suttas. (S.VII.1-22)

            S.VII.1-10 = Arahantavagga – Het gedeelte over de volmaakte heilige 


S.VII.1 = S.7.1.

In het commentaar staan bijzonderheden waarop dit sutta gebaseerd zou zijn. Mevrouw Dhanañjānī stamde uit een heel bijzondere brahmanenfamilie die niet uit de mond maar uit de schedel van de Brahma was ontsproten. Haar man was een trouwe aanhanger van het brahmaanse geloof en gaf regelmatig aalmoezen aan arme brahmanen. Maar zij was een devote volgelinge van de Boeddha en reciteerde steeds de formule: "Eer aan de Boeddha, de leer en de gemeenschap."

Toen eens een feest in het huis van de brahmaan werd voorbereid, probeerde deze haar ertoe te bewegen hem te beloven het feest niet te storen door het reciteren van de formule. Maar zij beloofde niets. Midden onder het feest kwam bij mevrouw Dhanañjānī door omstandigheden de gedachte aan de Verhevene en zei reciteerde plechtig met samengevoegde handen drie keer de formule. De aanwezige brahmanen werden toornig en verlieten het huis. De gastgever maakte zijn vrouw voorwerpen en ging naar de Boeddha om met hem hierover te praten.


De Verhevene zei toen:

"Om gelukkig te leven moet men de woede en de toorn afsnijden. De vernietiging van woede en toorn wordt door de edelen geprezen. Want dan heeft men geen lijden meer."


S.VII.2 = S.7.2

Wanneer iemand op ons scheldt, ons beschimpt, dan nemen wij dat niet aan. Het valt terug op degene die scheldt of beschimpt.

Wie niet boos wordt op degene die boos is op ons, die wint de zware strijd. Wie rustig blijft, werkt voor de zegen van beiden, voor de eigen zegen en voor die van de ander. Alleen de mensen die onkundig zijn van de ware leer houden hem voor een dwaas.


S.VII.3 = S.7.3.

Wanneer de dwaas met ruwe woorden scheldt, meent hij te winnen. Maar gewonnen heeft degene die verdraagzaam is. Als men op de toornige weer toornig is, is dat alleen maar erger. Maar wie niet toornig wordt op de toornige, die wint de zware strijd. Degene die rustig blijft, werkt voor beider heil, voor eigen heil en voor dat van de ander. De mensen die de leer niet kennen, houden hem voor een dwaas. Maar hij brengt genezing voor beiden.


S.VII.4 = S.7.4.

Wie slecht handelt tegenover iemand die niet slecht gehandeld heeft, een reine smetteloze man, op zo’n dwaas valt het boze terug als fijn stof dat in de wind is gestrooid.


S.VII.5 = S.7.5.

Te Savatthi. De Boeddha zei er aan de brahmaan Ahimsaka-Bhāradvāja dat deze moest zijn zoals zijn naam, namelijk iemand die geen letsel toebrengt in daden, woorden of gedachten.


S.VII.6 = S.7.6.

Te Savatthi. De brahmaan Jatā-Bhāradvāja vroeg aan de Boeddha hoe men het kluwen kan ontwarren. Het antwoord van de Verhevene luidde: "Degene die in deugdzame discipline vast staat, de wijze, die denken en inzicht oefent, zal het kluwen ontwarren. De volmaakte heiligen bij wie begeerte en haat en onwetendheid verdwijnen, bij wie wereldse invloeden vernietigd zijn, zij hebben het kluwen ontward."

De erwaarde Bhāradvāja bereikte toen de volmaakte heiligheid.

(Zie ook S.I.23)


S.VII.7 = S.7.7.

Te Savatthi. De brahmaan Suddhika Bhāradvāja zei aan de Boeddha dat men rein wordt niet door deugdzaamheid, maar door veel weten. Het antwoord van de Verhevene luidde dat men niet door afkomst een brahmaan wordt. Maar ongeacht kaste bereikt diegene de hoogste reinheid, die energiek is, geconcentreerd, innerlijk standvastig.

De eerwaarde Bhāradvāja bereikte de volmaakte heiligheid.


S.VII.8 = S.7.8.

Te Rajagaha. De brahmaan Aggika-Bhāradvāja had rijstebrei klaargemaakt voor een offer. Toen hij de Boeddha zag aankomen, zei hij dat die rijstebrei bestemd was voor iemand die kundig was in de drie wetenschappen, met een reine afkomst. De Boeddha gaf ten antwoord dat men niet door afkomst een brahmaan wordt, ook al mompelt men veel spreuken. Als men innerlijk verontreinigd is en in huichelarij verstrikt, is men geen brahmaan. Maar wie de vroegere sferen van bestaan kent, hemel en lagere sferen van bestaan, wie aangekomen is bij de vernietiging van geboorte, een wijze, volmaakt in wonderkrachten, door deze drie wetenschappen wordt men een brahmaan.

De brahmaan Aggika Bhāradvāja werd een arahant.


S.VII.9 = S.7.9.

In het land Kosala aan de oever van de rivier Sundarika. De brahmaan Sundarika Bhāradvāja bracht er een vuuroffer. De rest van het offer wilde hij aan iemand geven, samen met een kruik water. Hij zag de Boeddha aankomen en vroeg naar diens afkomst. De Boeddha zei dat hij niet naar afkomst moest vragen maar naar de levenswijze. Een standvastige wijze, ook al is hij van lage afkomst, is edel, nauwgezet. Zijn zintuigen zijn beheerst; hij is aangekomen aan het doel van het weten. Hij is verering waard.

De brahmaan Sundarika Bhāradvāja werd een arahant.

(Dit staat ook in Sn. III.4. (verzen 455-486)


S.VII.10 = S.7.10.

In het land Kosala. Bij de brahmaan Bhāradvāja waren 14 ossen verloren gegaan. Op zoek naar die ossen zag de brahmaan de Boeddha zitten. En de volgende gedachten kwamen bij de brahmaan op: "Deze samana heeft geen zorgen over ossen, zaadgoed, gebouwen, vrouw en kinderen, schuldeisers e.d."

De Boeddha: "Inderdaad, ik heb geen zorgen."

De brahmaan Bhāradvāja trad in de Orde in. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.


            S.VII.11-22 = Upāsakavagga Het gedeelte over de lekenvolgelingen 


S.VII.11 = S.7.11.

Te Ekalana in het land Magadha, in het Dakkhinagiri-klooster. De brahmaan Kasi Bhāradvāja had veel ploegen laten klaarmaken in de tijd van het eerste zaaien. De Verhevene nam zijn nap en ging naar de plek waar de brahmaan werk liet verrichten. Op die tijd was de brahmaan bezig eten voor de werklieden uit te delen. De Verhevene ging ernaar toe en bleef terzijde staan. De brahmaan zei dat hij ploegde en zaaide en daarna at.

De Boeddha: "Ook ik ploeg en zaai en daarna eet ik."

De brahmaan zei dat hij bij de Verhevene geen juk of ploeg noch ploegschaar of drijfstok en geen ossen zag. Hoe kon hij dan ploegen en zaaien? Waar was het zaaizaad?

De Boeddha: "Vertrouwen is het zaaigraan, ascese de regen, inzicht is juk en ploeg, nauwgezetheid is de disselboom, het denken is het juk, bedachtzaamheid is voor mij ploegschaar en drijfstok. Beheerst in lichaam en taalgebruik, bedwongen met de opname van voedsel in de buik oogst ik waarheid. Zalige rust is mijn uitspannen; energie is mijn os die mij naar innerlijke vrede draagt. Hij gaat daarheen waar men vrij is van zorgen. Dit zaadgoed heeft het niet sterven tot vrucht en men is van alle lijden bevrijd."

De brahmaan zei dat de Boeddha inderdaad ploegde en zaaide; en hij wilde de Boeddha nu te eten geven. Maar de Verhevene weigerde het voedsel aan te nemen omdat hij voor het verkondigen van de leer niets kon aannemen. In andere gevallen mocht de Boeddha wel voedsel aannemen.

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.

(ook in Sn. I.4. (verzen 76-82)


S.VII.12 = S.7.12.

Te Savatthi. De Verhevene ging naar de woning van de brahmaan Udaya die de nap van de Boeddha vulde met gekookte rijst. De volgende dag gebeurde hetzelfde, en ook op de derde dag. Maar toen zei de brahmaan Udaya dat hij vond dat de Boeddha nu opdringerig werd door steeds weer te komen.

De Boeddha: "Steeds weer strooit men het zaad uit; steeds weer komt er regen; steeds weer ploegen de boeren hun veld. Steeds weer wordt men geboren en sterft men. Maar als de wijze de weg naar niet meer wedergeboorte heeft gevonden, wordt hij nooit meer geboren."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.13 = S.7.13.

Te Savatthi. De Verhevene leed aan een ziekte en de eerwaarde Upavana was zijn helper. De Verhevene vroeg om warm water en Upavana ging naar de woning van de brahmaan Devahita waar hij zwijgend bleef staan. De brahmaan vroeg wat hij wenste. Upavana zei toen dat hij graag warm water voor de Verhevene had omdat deze ziek was. De brahmaan liet warm water halen en gaf aan Upavana ook nog een zak suikerstroop.

De Eerwaarde Upavana ging terug naar de Verhevene, baadde hem in warm water en gaf hem water met suikerstroop te drinken. De ziekte van de Verhevene nam af.

De brahmaan Devahita ging naar de Boeddha toe, groette hem eerbiedig en vroeg waar men volgens de voorschriften gaven zou geven en waar het gegevene rijke vrucht brengt. Hoe wordt het de gevende tot zegen?

De Boeddha: "Wie de vroegere levens kent, wie de weg naar hemel en hel ziet, wie de vernietiging van geboorte heeft bereikt als de wijze die volmaakt is in wonderkracht: daar moet men de gave geven, daar brengt het gegevene rijke vrucht. Zo wordt de gave voor de gevende tot zegen."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.14 = S.7.14.

Te Savatthi. (De rijke brahmaan Dhanapala had uit goedheid zijn hele vermogen geschonken aan zijn vier zonen). In armoedige kleding ging hij naar de Verhevene die hem vroeg waarom hij zo armoedig gekleed was. De brahmaan vertelde toen dat hij door zijn zonen en hun vrouwen uit het huis gejaagd was. De Boeddha zei toen dat de brahmaan in de bijeenkomst als ook zijn zonen aanwezig waren, het volgende moest zeggen:

"Ik verheugde me over hen toen zij geboren werden. Ik wenste hun bestaan. Zij en hun vrouwen jagen me weg. De bozen spreken me aan met "vadertje" maar zij, duivel in de gestalte van zonen, laten de oud gewordene in de steek. De grijze vader moet aalmoezen zoeken in de huizen van anderen. De stok is voor mij beter dan deze ontaarde zonen. Met de stok kan ik een woedende os of hond wegjagen, ik voel ermee of er een kuil is, en ik houd me ermee op de been als ik struikel."

De brahmaan zei die woorden in de bijeenkomst van de brahmanen en zijn zonen brachten hem terug in het huis, gaven hem een bad en gaven hem goede gewaden.

De brahmaan gaf gewaden aan de Boeddha die ze uit mededogen aannam. De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Verhevene.


S.VII.15 = S.7.15.

Te Savatthi. De brahmaan Mānatthaddha groette zijn ouders niet, en ook zijn leraar en oudste broer groette hij niet.

De Verhevene preekte toen de leer. De brahmaan ging naar die plek toe en dacht: "Als de samana Gotama tot mij spreekt, zal ik tot hem spreken; maar als hij niet tot mij spreekt, zal ik niet tot hem spreken."

De Verhevene sprak niet tot de brahmaan. Deze dacht toen dat de Verhevene niets wist. Hij wilde omkeren. De Verhevene kende de gedachten van de brahmaan en hij zei tot hem dat hoogmoed niet goed is. Hij moest het doel volgen waarom hij gekomen was.

De brahmaan zag dat de Boeddha zijn gedachten kende. Met zijn hoofd op de grond groette hij de Boeddha en noemde zijn eigen naam.

De mensen uit zijn gevolg waren verwonderd erover dat de brahmaan die zijn ouders, leraar en oudste broer niet groette, nu aan de samana Gotama zo'n hoogste verering bewees.

De Boeddha zei dat de brahmaan kon gaan zitten omdat zijn hart vol vertrouwen jegens de Boeddha was.

De brahmaan ging zitten en stelde vragen over hoogmoed en eerbied, hoogachting, verering.

De Boeddha: "Men moet niet hoogmoedig zijn jegens ouders, oudste broer en leraar. Zij moeten eerbiedig bejegend worden, zij moeten hooggeacht worden en vereerd. De Volmaakten die gelijkmoedig, koel geworden zijn, die hun opgave volbracht hebben, die vrij zijn van wereldse invloeden, die Onvergelijkbaren moet men, hoogmoed onderdrukkend, zonder hoogmoed vereren."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.16 = S.7.16.

Te Savatthi. De brahmaan Paccanīka ging naar de Boeddha om hem tegen te spreken. Hij zei: "Samana, verkondig je leer."

De Boeddha: "Het goed verkondigde wordt niet juist begrepen door iemand die graag tegenspreekt, wiens denken verontreinigd is, die vol twistzucht is. Maar wie de twistzucht ter zijde zet en de kwaadwil van het hart, die kan nadat alle vijandelijkheden zijn opgegeven, het goed verkondigde begrijpen."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.17 = S.7.17.

In het land Kosala. De brahmaan Navakammika liet in een bos werk verrichten. In dat bos vertoefde toen de Verhevene. De brahmaan zag de Boeddha aan de voet van een boom zitten en hij vroeg welke arbeid door de Boeddha verricht werd dat hij eenzaam in de wildernis zich erover verheugde.

De Boeddha: "Voor mij is er niets te doen in het bos. Met de wortel uitgeroeid is het woud [van wereldse verontreinigingen]. Hier in het woud, zonder verlangen, zonder leed, verheug ik mij eenzaam, na alle onbehagen te hebben opgegeven."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.18 = S.7.18.

In het land Kosala. De Verhevene vertoefde er in een bos. Talrijke leerlingen van een brahmaan gingen naar dat bos om er hout te sprokkelen. Zij zagen er de Verhevene in de lotushouding zitten, bezonnen.

De leerlingen gingen naar de brahmaan en vertelden hem wat zij gezien hadden. De brahmaan ging toen met de jongelui naar het bos en zei aan de Boeddha: "Bhikkhu, je oefent in onbeweeglijke waardige houding heerlijke verdieping. Waar geen muziek is en gezang daar vertoef je, wijze. Wonderbaarlijk is het voor mij dat je met blij gemoed eenzaam in het bos woont. Verlang je naar vereniging met de Grote Brahma, of naar de hoogste hemel. Waarom oefen je hier, tenzij voor het verkrijgen van het eeuwige heil?"

De Boeddha: "Datgene wat er aan wensen en verlangen is, wat steeds sterk hecht aan vele voorwerpen, wat ontsproten is uit de wortel van onwetendheid, wat men vurig verlangt, dat alles is door mij verwijderd met wortel en al. Brahmaan, zonder wensen, zonder begeerte, zonder belangstelling, met gezuiverde blik voor alle dingen, oefen ik – nadat ik deelachtig ben geworden aan de hoogste heerlijke Verlichting – meditatieve verdieping, in de stilte van vertrouwen."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.19 = S.7.19.

Te Savatthi. Een brahmaan die voor zijn moeder zorgde, ging naar de Boeddha en vroeg of hij zijn plicht deed nu hij voor moeder en vader zorgde.

De Boeddha: "Zeer zeker doe je je plicht, brahmaan. Wie voor vader en moeder zorgt die krijgt veel verdienste. Hij wordt door de wijzen hier geprezen en na de dood gaat hij naar de hemel."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.20. = S.7.20.

Te Savatthi. Een brahmaan die van aalmoezen leefde, ging naar de Boeddha toe en zei dat hij een bedelaar was en de Boeddha ook. Hij vroeg wat het verschil was tussen beiden.

De Boeddha: "Men wordt geen bedelmonnik door te bedelen. Als men een verkeerde leer heeft aangenomen, dan wordt men daarom nog geen bedelmonnik. Maar wie afwijst wat verdienstelijk en slecht is, en het heilige leven voert met overleg, die wordt een bedelmonnik genoemd."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.

(Zie ook Dhp 266-267)


S.VII.21 = S.7.21.

Te Savatthi. De brahmaan Sangārava zag in het water de reinheid. 's Morgens en 's avonds ging hij omlaag in het water.54

De Eerwaarde Ananda ging met zijn nap naar Sravasti en ging er rond voor aalmoezen. Daarna keerde hij terug naar de Boeddha, vertelde hem over de brahmaan Sangarava en vroeg hem uit mededogen naar de brahmaan te gaan.

De Boeddha ging naar het huis van de brahmaan en ging er op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan de brahmaan of hij inderdaad in het water de reinheid zag. Welk einddoel zag de brahmaan erin om steeds weer in het water te gaan?

De brahmaan zei dat hij de verkeerde daden die hij gedaan had, afwaste door een bad te nemen.

De Boeddha: "De ware leer is een vijver met deugdzaamheid als badplaats, niet verontreinigd, door de vromen geprezen. Waarlijk waar zij aankwamen aan het doel van het weten, wanneer zij er hun bad genomen hadden. Zonder nat te worden komen zij aan de andere oever aan."

De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.VII.22 = S.7.22.

Te Khomadussa in het land van de Sakyas. De Verhevene ging er met zijn nap rond voor aalmoezen. De brahmaanse gezinshoofden waren toen ter vergadering bijeen in de hal en het regende onafgebroken. De Verhevene ging naar de vergaderhal; de brahmaanse gezinshoofden zagen hem aankomen en zeiden dat kaalhoofden en samanas zeker niets begrepen van de in de hal geldende voorschriften.

De Boeddha: "Dat is niet de juiste plek voor raad waar geen goede mensen zijn. En zij die niet de waarheid spreken, zijn niet de goeden. Maar degenen die de waarheid spreken nadat zij begeerte, haat en onwetendheid verwijderd hebben, dat zijn de goeden."

De brahmanen werden lekenvolgelingen.

S.VIII = S.8 Vangīsa-Samyutta

Vangisa's uitroeiing van begeerte.55 12 suttas. (S.VIII.1-12)


S.VIII.1 = S.8.1.

Te Alavi, in het klooster Aggalava-cetiya. De eerwaarde Vangīsa vertoefde er samen met zijn leermeester de eerwaarde Nigrodhakappa. Vangisa was een nieuweling in de Orde en moest als oppasser in het klooster blijven. Talrijke vrouwen bezochten toen het klooster en begeerte ontstond bij Vangisa. Maar vastberaden en met energie verdreef hij die begeerte.


S.VIII.2 = S.8.2.

In hetzelfde klooster. De eerwaarde Nigrodhakappa ging na de maaltijd altijd in de kloostercel om die pas 's avonds of de volgende dag weer te verlaten. In die tijd kwam er onbehagen bij Vangisa; zijn denken werd door begeerte in de war gebracht. Maar vastberaden verdreef hij die begeerte.

Onbehagen en lust gaf hij op en ook de gedachten aan een leven in huis. Hij koesterde geen enkel verlangen meer naar iets in de wereld. Hij was zonder verlangen, zonder neiging. Elke vorm is vergankelijk. Zonder wensen, zich nergens aan hechtend, hem noemt men een wijze.

S.VIII.3 = S.8.3.

In hetzelfde klooster. De eerwaarde Vangisa was erg bedreven in discussiëren. Vanwege deze vaardigheid dacht hij meer te zijn dan andere bhikkhus. Maar hij besefte dat hoogmoed niet heilzaam is. En hij gaf de hoogmoed op.

Hoogmoed brengt iemand op het neerwaartse pad, tot zelfs in de hel. Maar de bhikkhu die volmaakt heilig is, geniet roem en geluk. Hij ziet de waarheid en heeft de belemmeringen overwonnen.


S.VIII.4 = S.8.4.

Te Savatthi. De eerwaarde Ananda en de eerwaarde Vangisa vertoefden er in het Jetavanaklooster. Beiden gingen op een morgen naar Savatthi om er voedsel te vergaren.56 De eerwaarde Vangisa werd toen bevangen door begeerte en lust. Zijn denken was erdoor in de war. Hij vroeg daarom aan Ananda hoe hij die begeerte naar zinnelijk genot kon doven. Het antwoord van Ananda luidde: "Door een verkeerde voorstelling van zaken brandt in jou het vuur van begeerte. Vermijdt daarom gedachten die aangenaam zijn en die met begeerte gepaard gaan. Beschouw de wordingen als iets vreemds, als lijden, niet als iets dat tot jezelf behoort. Doof de begeerte; richt je denken geconcentreerd op iets onaangenaams. Wees bezonnen en beoefen gelijkmoedigheid. Oefen je erin van de gedachten los te komen, geef de neiging naar hoogmoed op. Dan zul je in vrede gaan."

S.VIII.5 = S.8.5.

Te Savatthi. De Boeddha sprak er in het Jetavanaklooster tot de monniken. "Iets is goed gesproken, onberispelijk, als het vier eigenschappen heeft, en wel: Iemand spreekt iets goeds, niet iets slechts. Iemand spreekt in overeenkomst met de leer, niet tegen de leer. Hij spreekt iets aangenaams, niet iets onaangenaams. Hij spreekt wat waar is, niet wat verkeerd is."

De eerwaarde Vangisa prees toen de Boeddha en zei: "Men moet datgene zeggen waardoor men zichzelf en anderen niet pijnigt.

Men moet datgene zeggen wat aangenaam is, iets waarover men zich verheugt, zonder op fouten te wijzen. In de waarheid, in de juiste leer zijn de goede lieden vast gegrondvest. Het hoogste van de woorden is het woord vol vrede van de Verhevene om Nibbana te verkrijgen, tot beëindiging van het lijden."

(Dit sutta is ook in Sn.III.3, verzen 450-454).


S.VIII.6 = S.8.6.

Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta verbleef er in het Jetavanaklooster. Hij sprak er de monniken toe en maakte de leer duidelijk zodat iedereen het begreep. De eerwaarde Vangisa prees daarna de eerwaarde Sariputta met de woorden: "De eerwaarde Sariputta heeft diep inzicht en is wijs; hij weet het juiste en het verkeerde pad. Hij preekt in het kort en hij preekt uitvoerig. Als hij spreekt dan verheugen zich de bhikkhus."


S.VIII.7 = S.8.7.

Te Savatthi, in het Pubbarama-klooster. De Verhevene vertoefde er op het einde van de regentijd met een groot aantal Arahants op de 15e dag van de maand om de Pavarana ceremonie te houden.57 De Boeddha vroeg aan de monniken of zij iets op hem hadden aan te merken, of hij met daden of woorden iets verkeerds gedaan had. De eerwaarde Sariputta zei dat hij niets had aan te merken. En de Boeddha had niets aan te merken op Sariputta en ook niet op de andere heilige monniken. Zestig bhikkhus waren meester in de drie wetenschappen; zestig bhikkhus bezaten de zes wonderkrachten; zestig bhikkhus waren op dubbele manier bevrijd; en de overigen waren bevrijd door inzicht. De eerwaarde Vangisa prees daarna de Boeddha.


S.VIII.8 = S.8.8.

Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot een zeer grote menigte monniken over Nibbana. De eerwaarde Vangisa prees toen de Boeddha.


S.VIII.9 = S.8.9.

Te Rajagaha. De eerwaarde Aññāsi-Kondañña, een arahant, ging naar de Boeddha, viel met zijn hoofd voor de voeten van de Verhevene neer, kuste de voeten van de Verhevene, omarmde ze en verkondigde zijn naam. De eerwaarde Vangisa prees daarna de eerwaarde Kondañña.


S.VIII.10 = S.8.10.

Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er met een groot aantal monniken, allen Arahants. Onder hen was ook de eerwaarde Maha Moggallāna. Deze zag in zijn hart dat allen volmaakte heiligen waren. De eerwaarde Vangisa prees daarom de eerwaarde Maha Moggallāna.


S.VIII.11 = S.8.11.

Te Campa. De Verhevene vertoefde er met 500 bhikkhus, 700 mannelijke en 700 vrouwelijke lekenvolgelingen. Er waren ook vele duizenden devatas (godheden). Maar de Verhevene overtrof hen met zijn stralende schoonheid en roem. De eerwaarde Vangisa prees toen de Boeddha.

S.VIII.12 = S.8.12.

Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De eerwaarde Vangisa had pas de volmaakte heiligheid bereikt. In versvorm prees hij toen de Boeddha.

"Wij zagen de Verlichte, vertrouwen ontstond in ons. Nadat ik zijn leer vernomen had, trad ik in de Orde in. Waarlijk, tot zegen van velen heeft de Wijze de hoogste Verlichting bereikt. In de nabijheid van de Boeddha heb ik de drie wetenschappen begrepen, het voorschrift van de Boeddha uitgevoerd. Ik ken mijn vroegere vormen van bestaan, het hemelse oog is gezuiverd. Ik beheers de drie wetenschappen, kan wonderen doen en ken de gedachten van anderen."


/////

S.IX = S.9. Vana-Samyutta

Woudgodheden voeren onontwikkelde monniken op het juiste pad.58 14 suttas. (S.IX.1-14)


S.IX.1 = S.9.1.

In het land Kosala. Een bhikkhu leefde er in een bos en koesterde onheilzame wereldse gedachten. De godheid die in dat bos woonde, ging toen uit mededogen naar die bhikhu toe. Zij sprak tot hem dat hij naar het bos was gekomen om in afzondering te leven. Maar zijn gemoed zwierf nog naar buiten. Onlust en begeerte moest hij opgeven om gelukkig te zijn. Hij moest bezonnen zijn, opdat zinnelijke lust hem niet meesleurde naar het neerwaartse pad.

De bhikkhu kwam na die woorden weer tot juiste overweging.


S.IX.2 = S.9.2.

In het land Kosala. Een bhikkhu vertoefde er in een bos en sliep in op de plek waar hij overdag verbleef. Een godheid die in dat bos woonde, ging uit mededogen naar die bhikkhu toe en vroeg hem waarom hij daar neerlag en sliep. De slaap had geen nut voor hem. Alleen zieke mensen slapen overdag. Uit vertrouwen was hij in de Orde ingetreden. Dat vertrouwen moest hij koesteren.

Onzeker zijn de zinnelijke genietingen. Wie van de boeien bevrijd is, hecht aan niets meer. Door ter zijde leggen van wens en begeerte, door overwinning van onwetendheid, is zijn inzicht gezuiverd.


S.IX.3 = S.9.3.

In het land Kosala. De eerwaarde Kassapagotta verbleef er in een bos. Hij vermaande er een jager. De in het bos wonende godheid had mededogen met de eerwaarde Kassapagotta en wenste zijn heil. Daarom ging zij naar hem toe en zei: "Een bhikkhu die een onverstandige harteloze jager vermaant op de verkeerde tijd, is dwaas. De jager begrijpt het niet. Wanneer de leer gepreekt wordt, begrijpt hij de zin ervan niet. Hij bezit het vermogen ervoor niet.

De bhikkhu kwam toen weer tot juiste overweging.


S.IX.4 = S.9.4.

In het land Kosala. Veel bhikkhus verbleven er in een bos. Na afloop van de regentijd gingen zij weer op pad. De godheid die in het bos woonden, zag de bhikkhus niet meer en klagend vroeg zij zich af waar de bhikkhus heengegaan waren. Een andere godheid zei toen tot haar dat de meesten van hen naar Magadha gegaan waren en enigen naar het gebied van de Vajji. De bhikkhus leefden zonder vaste woonplaats.


S.IX.5 = S.9.5.

In het land Kosala. De eerwaarde Ananda verbleef er in een bos. In die tijd was hij echter veel te veel bezig met het troosten van leken. De in het bos wonende godheid ging uit medelijden naar Ananda en zei hem dat hij energiek naar Nibbana moest streven.

Toen kwam de eerwaarde Ananda, door de godheid aangespoord, weer tot juiste overweging.59


S.IX.6 = S.9.6.

In het land Kosala. De eerwaarde Anuruddha verbleef er in een bos. De godheid Jalini uit de hemel van de Drieëndertig goden was in een vroeger bestaan de vrouw van de eerwaarde Anuruddha geweest. Zij ging naar de eerwaarde Anuruddha toe en zei dat hij moest denken aan de Drieëndertig Goden. Daar kon hij leven omgeven door hemelse meisjes.

Anuruddha antwoordde dat hemelse meisjes ongelukkig zijn omdat haar lichaam vergankelijk is. En ook de wezens die naar hemelse meisjes verlangen, zijn ongelukkig. Want alle formaties zijn veranderlijk en vergankelijk. De opheffing ervan is rijk aan zegen. Er was geen nieuw leven meer in een godenwereld voor de eerwaarde Anurudda. Geen enkele wedergeboorte meer voor hem.


S.IX.7 = S.9.7.

In het land Kosala. De eerwaarde Nagadatta verbleef er in een bos. Het was zijn gewoonte veel te vroeg naar het dorp te gaan en veel te laat terug te keren [zodat voor meditatie geen tijd meer over bleef]. De godheid die in het bos woonde, ging uit medelijden naar de eerwaarde Nagadatta toe en zei dat hij veel te veel tijd doorbracht bij de leken. Hij kon wel eens in de macht van de boze geraken. De eerwaarde Nagadatta kwam toen weer tot juiste overwegingen.


S.IX.8 = S.9.8.

In het land Kosala. Een bhikkhu verbleef er in een bos. Hij had met een gezin heel lang vertrouwde omgang. De in het bos wonende godheid had medelijden met de Bhikkhu en wenste zijn heil. In de gedaante van de vrouw van dat gezin ging zij naar de bhikkhu toe en zei dat de mensen in het dorp over hem en haar praatten.

De Bhikkhu [die een Arahant was] zei: "Veel woorden zijn onaangenaam, maar de asceet moet ze verdragen. Hij wordt er immers niet door verontreinigd.


S.IX.9 = S.9.9.

Te Vesali. Een bhikkhu uit de stam van de Vajji verbleef er in een bos. Te Vesali was toen een feest dat de hele nacht duurde. De bhikkhu hoorde de muziek van strijkinstrumenten en pauken. Hij werd bedroefd en zei dat hij eenzaam in het bos vertoefde en dat er in een dergelijke nacht niemand was die er erbarmelijker was dan hij. De in het bos wonende godheid ging uit medelijden naar de bhikkhu toen en zei dat velen hem beneidden omdat hij eenzaam in het bos vertoefde.

De bhikkhu kwam na die woorden weer tot juiste overweging.


S.IX.10 = S.9.10.

In het land Kosala. Een bhikkhu verbleef er in een bos. Vroeger reciteerde hij urenlang de heilige teksten. Maar nu trok hij zich zwijgend in zich terug, zonder iets te doen. De in het bos wonende godheid ging naar de bhikkhu toen en vroeg hem waarom hij de leerrreden niet meer reciteerde. Want als men de ware leer hoort, verkrijgt men vertrouwen in en welgevallen aan de leer. En al in dit leven wordt men geprezen.

De bhikkhu: "Vroeger had ik verlangen naar de woorden van de waarheid, maar nu is begeerteloosheid bereikt."

[Hij had de volmaakte heiligheid bereikt. Het was voor hem niet meer belangrijk de teksten te reciteren].


S.IX.11 = S.9.11.

In het land Kosala. Een bhikkhu verbleef er in een bos. Hij had slechte gedachten, gedachten van zinnelijke lust, van boosheid en gewelddadigheid. De in dat bos wonende godheid ging uit mededogen naar die bhikkhu toe en zei dat hij niet goed overwogen had. Daarom was hij vol van slechte gedachten. Zij vroeg hem die gedachten op te geven en na te denken over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Hij moest de deugdzaamheid niet opgeven. Hij zou dan zaligheid, geluk en vreugde krijgen. En dan kon hij aan het lijden een einde maken.

Na die woorden van de godheid kwam de bhikkhu weer tot juist overwegen.


S.IX.12 = S.9.12.

In het land Kosala. Een bhikhu verbleef er in een bos. De in dat bos wonende godheid ging naar hem toe en zei: "'s Middags zitten de vogels in de takken, de wijde wildernis ruist en ik word bang."

De bhikkhu: "'s Midags ruist de wijde wildernis; en gelukzaligheid overkomt mij."


(Vgl. S.I.15 waar beide verzen gewisseld worden tussen een Devata en de Boeddha).


S.IX.13 = S.9.13.

In het land Kosala. Talrijke bhikkhus verbleven er in een bos. Zij waren hoogmoedig en maakten veel lawaai; zij praatten veel, waren vergeetachtig, onbezonnen, niet geconcentreerd, verstrooid en onbeteugeld. De in dat bos wonende godheid ging uit mededogen naar die bhikkhus toe en zei: "Vroeger waren de bhikkhus, de leerlingen van de Verhevene, genoegzaam. Zonder begeerte gingen zij op weg voor aalmoezen. Omdat zij de vergankelijkheid van de wereld hadden ingezien, maakten zij aan het lijden een einde.

Maar veranderd in onverzadigbare mensen liggen zij nu daar, steeds weer etend, geboeid aan het huiselijke goed van anderen. Uitgestoten zijn zij die onverschillig zijn.

Slechts enkele streven onvermoeibaar; zij zijn het waard eerbiedig gegroet te worden."

Na deze woorden van de godheid kwamen de bhikkhus weer tot juiste overweging.


S.IX.14 = S.9.14.

In het land Kosala. Een bhikkhu verbleef er in een bos en nam er na de maaltijd een bad in een lotusvijver en rook aan een lotusbloem. De in dat bos wonende godheid ging uit mededogen naar hem toe en zei: "Als je aan een bloem ruikt die je niet gegeven is, dan ben je een dief van de geur."60

De bhikkhu: "Ik neem die bloem niet en ruik van verre. Waarom word ik dan een dief genoemd?

De godheid: "Iemand die bevuild is, voor hem geldt mijn woord niet. Maar voor iemand die smetvrij is, die steeds naar het zuivere op zoek is, voor hem is een heel kleine zonde, zo groot als de punt van een haar, zoveel als een grote wolk."

De bhikkhu: "Waarschuw me weer, uit mededogen, als je nog eens zoiets ziet."

De godheid: "Bhikkhu, je moet zelf weten hoe je tot een gelukkig bestaan komt."



S.X = S.10 Yakkha-Samyutta

De ontmoeting van demonen met de Boeddha en met nonnen.61 12 suttas. (S.X.1-12)


S.X.1. = S.10.1.

Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er op de berg Indakuta in de woning van de yakkha Indaka. De Verhevene onderwees de yakkha dat de mens eerst als foetus in de moederschoot ontstaat en dat het voedsel van de moeder ook voedsel is voor de foetus.


S.X.2. = S.10.2.

Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er op de berg Gijjhakuta. De yakkha met naam Sakka ging naar de Boeddha toe en zei dat de Boeddha van alle boeien vrij was en dat het niet juist was dat hij iemand anders onderwees.

De Verhevene zei dat wanneer hij iemand anders uit mededogen onderwees, hij daardoor niet aan de ander geboeid werd.


S.X.3. = S.10.3.

Te Gaya. De Verhevene verbleef er in de woning van de yakkha Sūciloma. Deze vroeg aan de Verhevene of hij bang was voor hem. De Boeddha antwoordde dat hij niet bang was. De yakkha vroeg toen: “Waar hebben begeerte en haat hun oorsprong? Waaruit zijn onlust, lust, vrees ontstaan? Vanwaar zijn de gedachten ontstaan?”

De Verhevene: “Begeerte en haat hebben hier hun oorsprong. Onlust, lust, vrees zijn hier ontstaan. Gedachten zijn hier ontstaan. Uit begeerte zijn ze voortgekomen, in het eigen ik ontstaan. In groot aantal hechten zij aan de zinnelijke genietingen. Maar degenen die weten waar ze hun oorprong hebben, die verdrijven ze. Zij overschrijden de rivier die moeilijk te overschrijden is, om niet meer wedergeboren te worden.

(Vgl. Sn. Suciloma-sutta)


S.X.4. = S.10.4.

In het land Magadha. De Verhevene verbleef er in de woning van de yakkha Manibhadda. De yakkha zei dat de bezonnene niet vrij van vijandschap wordt.

De Boeddha: “Degene wiens gemoed steeds, dag en nacht, zich verheugt over niet-kwetsen, die heeft welwillendheid jegens alle wezens, hij heeft geen vijandschap tegen iemand.”


S.X.5. = S.10.5.

Te Savatthi. Sanu, de zoon van een lekenvolgelinge van de Boeddha was er door een yakkha bezeten. [Sanu was een novice die het kloosterleven wilde opzeggen]. Zijn moeder zei klagend dat monniken niet door yakkhas lastig gevallen worden. Maar nu viel een yakkha haar zoon lastig.

De yakkha die bezit van Sanu had genomen, zei: “Inderdaad, yakkhas vallen monniken niet lastig. Zeg aan Sanu dat hij geen onheilzame daden moet verrichten, noch openljk noch in het geheim. Want dan is er geen bevrijding van lijden.” [De yakkha had geen bezit van hem genomen om hem te kwellen, maar om hem weer op het juiste pad te brengen]

Sanu werd wakker en vroeg waarom zijn moeder weende. Zij zei dat zij huilde omdat hij weer als leek wilde leven. Eerst was hij uit de brand, nu wilde hij weer verbranden.

S.X.6. = S.10.6.

Te Savatthi. De eerwaarde Anuruddha vertoefde er in het Jetavana klooster. Heel vroeg in de morgen reciteerde hij heilige teksten. Een yakkhini zei toen tot haar zoontje dat hij stil moest zijn. Als zij de woorden begrepen die gereciteerd werden en ernaar leefden, dan kon dat tot hun heil en zegen strekken. Als zij andere wezens niet meer doodden en geen leugens meer vertelden, als zij deugdzaam leefden, dan zouden zij van het bestaan als demon bevrijd kunnen worden.


S.X.7. = S.10.7.

Te Savatthi. De Verhevene vertoefde er in het Jetavana klooster. Hij onderwees er de bhikkhus met een leerrede over Nibbana. Een yakkhini zei toen aan haar zoon dat hij stil moest zijn. Zij wilde naar de leerrede luisteren want zij had welbehagen gevonden aan de ware leer. Het navolgen ervan voerde naar de bevrijding van lijden.

Haar zoon zei toen dat het luisteren naar de ware leer gelukkig maakt. Omdat zij de ware leer niet begrepen, leefden zij nu vol lijden.

De yakkhini was blij met haar wijze zoon.


S.X.8. = S.10.8.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in het Sitabos. Anathapindika was toen naar Rajagaha gekomen voor zaken. Hij hoorde dat de Boeddha er vertoefde en wilde de Verhevene graag ontmoeten. 's Morgens vroeg ging hij naar het Sitabos. Maar demonen hielden de poort gesloten. Het werd erg duister en Anathapindika werd bang. Hij wilde weer omkeren.

De yakkha Sīvaka zei toen dat hij niet terug moest gaan maar dat het heel veel waard was om naar de Boeddha te gaan. De duisternis verdween en Anathapindika kalmeerde. Dit gebeurde een tweede en een derde keer. En Anathapindika ging naar het Sitabos.

De Verhevene zag hem in de verte aankomen. Hij ging op een voor hem gereed gemaakte zitplaats neerzitten en vroeg Anathapindika naderbij te komen. De Boeddha sprak hem aan met zijn eigen naam: Sudatta.62 Anathapindika viel met zijn hoofd neer aan de voeten van de Boedddha en vroeg of hij goed geslapen had.
De Boeddha: “De Brahmaan die in Nibbana intrad, rust steeds werkelijk goed; hij die niet kleeft aan zinnelijke genietingen, koel geworden, zonder levensgoederen. Nadat alle begeerten zijn afgesneden en de pijn van het gemoed terzijde is gelegd, rust de tot vrede gekomene goed, hij die de vrede van het gemoed bereikt heeft.”

(Vgl. Cullavagga VI.4 = Vin.II, 154 e.v.)


S.X.9. = S.10.9.

Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er in een bamboebos. De bhikkhuni Sukkā preekte er de leer. Een yakkha die de bhikkhuni gelovig toegedaan was, ging toen in Rajagaha rond en zei dat de mensen er niet aandachtig naar de bhikkhuni luisterden nu zij de weg naar onsterfelijkheid predikte. Men kon er niet genoeg van krijgen naar die leer te luisteren.
(Zie ook Therigāthā 54-55)

[m.a.w. zij spoorde de mensen aan naar de bhikkhuni te gaan en er te luisteren naar de gave van de leer].


S.X.10. = S.10.10.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf toen voedsel aan de bhikkhuni Sukkha. Een yakkha ging in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste had verworven door zijn gave aan de bhikkhuni Sukka, tot bevrijding van alle boeien.


S.X.11. = S.10.11.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf aan de bhikkhuni Cira voedsel. Een yakkha ging toen in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste had verworven met die gave aan de bhikkhuni Cira, tot bevrijding van alle boeien.


S.X.12. = S.10.12.

Te Alavi. De Verhevene vertoefde er in de woning van de yakkha Ālavaka. De yakkha vroeg de Verhevene naar buiten te gaan. De Verhevene ging naar buiten. De yakkha vroeg hem toen weer naar binnen te gaan. De Verhevene ging naar binnen. Een tweede en een derde keer gebeurde dat zo. Toen de yakkha voor de vierde keer vroeg dat de Verhevene naar buiten moest gaan, zei deze dat hij niet naar buiten ging. De yakkha zou maar doen wat hij moest doen. De yakkha stelde toen enkele vragen aan de Boeddha.

Yakkha: “Wat is het beste bezit van een man? Wat brengt hem, juist uitgevoerd, geluk? Wat is het zoetste genot en hoe moet men leven zodat men dat het beste leven noemt?”

De Verhevene: “Vertrouwen is het beste bezit van de man; de goede leer brengt geluk als ze juist wordt uitgevoerd.De waarheid is het zoetste genot. Met inzicht moet men leven zodat men dat het beste leven noemt.”

De yakkha: “Hoe steekt men de vloed over en hoe de oceaan? Hoe komt men over het lijden heen? Hoe wordt men gezuiverd?”

De Boeddha: “Door vertrouwen steekt men de vloed over; door onvermoeibaarheid de oceaan. Door energie komt men over het lijden heen. Door inzicht wordt men gezuiverd.”

De yakkha: “Hoe krijgt men inzicht? Hoe vindt men rijkdom? Hoe krijgt men roem? Hoe bindt men de vrienden aan zich? Hoe lijdt men geen verdriet nadat men uit deze wereld naar een andere is heegegaan?”
De Boedda: “ Wie vertrouwen heeft in de goede leer van de Volmaakte tot verkrijgen van Nibbana, die bereikt door bereidwillig luisteren hoger inzicht wanneer hij onvermoeibaar is en vol begrip. Wie doet wat gepast is, plichten op zich neemt. De arbeidzame vindt rijkdom. Door waarachtigheid bereikt men roem. Wie geeft die boeit de vrienden aan zich. Wie de eigenschappen waarachtigheid, zelfbeheersing, vastbeslotenheid en ontzegging bezit, die lijdt geen verdriet als hij is heengegaan naar een andere wereld.

Je kunt andere samanas en brahmanen vragen of er iets hogers is dan die vier eigenschappen.”

De yakkha: “Waarom zou ik anderen vragen. Ik weet nu wat het heil is in de andere wereld. Tot mijn heil is de Boeddha naar mijn woning hier gekomen. Ik weet nu welke rijke vrucht een gave heeft. Ik zal rondtrekken de de Verhevene eren en de heerlijkheid van de ware leer.”

(Vgl. Sn. Urugavagga, vv. 181 e.v.)



S.XI = S.11. Sakka-Samyutta

De Boeddha somt de eigenschappen op van Sakka, de koning der goden.63 25 suttas. (S.XI.1-25)


            S.XI.1-10 = Pathama vagga – Eerste deel 


S.XI.1. =S.11.1.

Te Savatthi. De Verhevene sprak er tot de monniken over de strijd tussen goden en demonen. In die strijd sprak Sakka, de koning der goden, tot de godheid Suvira dat hij de demonen moest tegenhouden. Maar Suvira verzuimde dat te doen. Dit gebeurde een 2e en een 3e keer. Sakka zei toen aan Suvira dat hij hem daarheen moest brengen waar men niets-doende tot hoogste geluk komt. Suvira vroeg waar dat was en Sakka antwoordde dat iemand die vrij is van handelen en die nergens meer aan hecht, op weg is naar Nibbana.

De Boeddha zei verder dat de monniken in de Orde zullen schitteren wanneer zij zich inspannen om te verkrijgen wat nog niet verkregen is, om te verwerkelijken wat nog niet verwerkelijkt is.


S.XI.2. = S.11.2.

Deze leerrede is gelijk aan de vorige. Alleen is de naam Suvira er vervangen door Susima.

S.XI.3. = S.11.3.

De vaandelbescherming. Te Savatthi in het Jetavana klooster. De Boeddha sprak er tot de monniken. “Monniken, eens was er een oorlog tussen de devas en de asuras. Toen richtte Sakka, koning van de goden, zich tot de devas van de Tavatimsa-hemel met de volgende woorden: ‘Devas, als er angst of vrees of ontzetting bij jullie ontstaat, ziet dan op naar mijn eigen vaandel of naar het vaandel van Pajapati of naar dat van Varuna.’

Welnu, monniken, die goden zijn zelf niet vrij van angst, want zij zijn nog onderhevig aan begeerte, afkeer en illusie. Indien angst of vrees of ontzetting bij jullie ontstaat, dan moeten jullie allereerst aan mij denken, en wel aldus:

‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

Monniken, als jullie aan mij denken, verdwijnt elke angst of vrees of paniek die mogelijk bij jullie ontstaat. En wat is de reden hiervoor? – Monniken, de Verhevene die heilig is, volkomen verlicht, is vrij van begeerte, vrij van afkeer, is vrij van onwetendheid en is niet onderhevig aan vrees, paniek, angst of vlucht.

En indien jullie niet aan mij denken, denkt dan aan de leer, aldus:

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

Monniken, als jullie aan de leer denken, verdwijnt elke angst of vrees of paniek die mogelijk bij jullie ontstaat. En wat is de reden hiervoor? – Monniken, de Verhevene die heilig is, volkomen verlicht, is vrij van begeerte, vrij van afkeer, is vrij van onwetendheid en is niet onderhevig aan vrees, paniek, angst of vlucht.

En indien jullie niet aan de leer denken, denkt dan aan de Orde, aldus:

‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

Monniken, als jullie aan de Orde denken, verdwijnt elke angst of vrees of paniek die mogelijk bij jullie ontstaat. En wat is de reden hiervoor? – Monniken, de Verhevene die heilig is, volkomen verlicht, is vrij van begeerte, vrij van afkeer, is vrij van onwetendheid en is niet onderhevig aan vrees, paniek, angst of vlucht.”

Zo sprak de Gezegende. En hij vatte deze leerrede nog eens samen met de woorden:

“Als u de Boeddha voor uw geest roept,

zal er helemaal geen vrees voor u zijn.

En als u niet aan de Boeddha denkt,

denkt dan aan de leer die goed verkondigd is

en die naar nibbāna voert.

En als u niet aan de leer denkt,

denkt dan aan de Orde, dat prachtig veld

van verdienste voor allen.

Diegenen die de verheven Boeddha,

de edele leer en de Ariyasangha

zich voor de geest roepen,

zal geen angst noch vrees doen beven.”

S.XI.4-5 = S.11.4-5.

Er is niets hoger dan verdraagzaamheid. De hoogste zegen voor de goede mens is wanneer hij die sterk is, iets verdraagt van een zwakkere. Diegene wint de zware strijd die boosheid niet terugkaatst. Hij werkt voor beiden, voor zichzelf en voor de ander, wanneer hij rustig blijft. De dwazen houden hem voor zwak.


S.XI.6. = S.11.6.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er over een oorlog tussen de goden en de demonen. De demonen waren aan de winnende hand en de goden namen de vlucht. Sakka zei toen tegen zijn wagenmenner dat deze moest oppassen en met de wagen niet de jonge vogels in een boom moest storen. Liever wilde hij zijn leven opofferen dan het nest te verwoesten. Daarop keerde de wagenmenner de wagen. De demonen dachten dat Sakka weer wilde aanvallen en zij sloegen op de vlucht. Door zijn rechtvaardigheid werd Sakka de overwinnaar.

S.XI.7. = S.11.7.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat bij Sakka de volgende gedachte ontstond: "Ook als iemand mijn tegenstander is, zal ik hem (of haar) geen letsel toebrengen."

Vepacitti de demonenvorst merkte die gedachte van Sakka en ging naar hem toe. Sakka zei tot de demonenvorst: "Halt, je bent gevangen."

De demonenvorst: "Wat je zojuist hebt gedacht, moet je niet opgeven."

Sakka vroeg toen dat de demonenvorst hem geen kwaad zou doen.

De demonenvorst: "De zonde van liegen en van het beschimpen van edelen, de zonde van verraad en van ondankbaarheid, aan die zonden raakt de zonde wie jouw kwaad toevoegt."


S.XI.8. = S.11.8.

Te Savatthi. De demonenvorst Verocana en Sakka, de koning der goden, gingen naar de Boeddha. De demonenvorst en Sakka spraken toen erover dat de mens zich moet inspannen totdat het doel bereikt is.

Sakka zei daarop: "De mens moet zich inspannen tot het doel bereikt is. Iets hogers dan geduld, verdraagzaamheid bestaat er niet."


S.XI.9. = S.11.9.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde dat vroeger veel deugdzame wijzen in vrede in het bos vertoefden. Sakka, de koning van de goden, en de demonenvorst Vepacitti gingen naar die wijzen toe. De demonenvorst liep niet ver van de wijzen aan hen voorbij (zonder hen te groeten). Sakka ging van een andere kant naar de wijzen toe en groette hen eerbiedig.

De wijzen zeiden aan Sakka dat de geur van gewijde wijzen (voor goden) onrein is. Zij vroegen hem om te keren.

Sakka: "De geur van gewijde wijzen is als een bloemenkrans op het hoofd. Daarnaar verlangen wij. De goden hebben er geen onlief gevoel."


S.XI.10. = S.11.10.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat vroeger veel deugdzame wijzen in vrede aan de oever van de zee vertoefden. In die tijd was een oorlog tussen de goden en de demonen op komst.

De wijzen dachten eraan dat de goden vroom zijn en de demonen niet. Die demonen konden een gevaar voor hen worden. Daarom gingen zij naar de demonenvorst Sambara en vroegen hem om bevestiging van zekerheid. Sambara zei dat er voor de wijzen geen zekerheid was omdat zij Sakka dienden. Hij kon hun gevaar aanbieden.

De wijzen zeiden dat het gevaar van Sambara eindeloos is. Wie goed doet, goed ontmoet; wij kwaad doet, kwaad ontmoet. Het zaad dat Sambara had gezaaid, daarvan zou hij de vruchten oogsten.

De wijzen verdwenen snel en keerden terug in de loofhutten aan de oever van de zee.

De demonenvorst Sambara schrok drie keer in die nacht wakker.


            S.XI.11-20 = Dutiya vagga – Tweede deel 


S.XI.11 = S.11.11.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat Sakka vroeger, toen hij een mens was, zeven geloften had aangenomen en vervuld. Daarom werd hij als Sakka, koning der goden, wedergeboren.

Die zeven geloften zijn:

  1. Zolang ik leef zal ik vader en moeder steunen.

  2. Zolang ik leef zal ik de oudsten in de familie hoogachten en vereren. (d.w.z. grootouders, ooms, tantes; eventueel ook nog oudste broer).

  3. Zolang ik leef zal ik vriendelijke, zachtmoedige taal gebruiken.

  4. Zolang ik leef zal ik niet lasteren.

  5. Zolang ik leef zal ik thuis wonen met een geest die vrij is van onreinheden en gierigheid; vrijgevig zal ik zijn, mij aan gaven verheugend, toegankelijk voor de vragenden, mij verheugend aan het verdelen van aalmoezen.

  6. Zolang ik leef zal ik de waarheid spreken.

  7. Zolang ik leef zal ik niet toornig zijn. Als toorn in mij ontstaat zal ik die direct onderdrukken.


Een goed mens noemen de Tavatimsa goden degene die vader en moeder ondersteunt, die de oudsten in de familie hoog vereert, die zachtmoedig is en vriendelijk spreekt, die lasterpraat vermijdt, die zich inspant om de gierigheid te onderdrukken, en die de toorn overwint.

S.XI.12. = S.11.12.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat Sakka vroeger als mens een brahmaan was met naam Magha. Daarom heet hij Maghavan. Als mens gaf hij veel aalmoezen. Daarom heet hij Purindada. Als mens gaf hij de aalmoezen op de juiste manier. Daarom heet hij Sakka. Hij schonk boerderijen. Daarom heet hij Vasava. Hij overdenkt in één ogenblik duizend dingen. Daarom heet hij Sahassakkha. Hij had als vrouw de demonendochter Suja. Daarom heet hij Sujampati. Bij de Tavatimsa-goden oefende hij de heerschappij uit, de waarde van koning. Daarom heet hij koning van de goden. Vroeger zijn door hem zeven geloften aangenomen (zie S.11.11). Door het vervullen ervan kreeg hij de waarde van Sakka.


S.XI.13. = S.11.13.

Te Vesali. De Licchavi Mahali ging naar de Boeddha toe, groette hem eerbiedig en vroeg of de Verhevene Sakka gezien had.

De Boeddha bevestigde dat hij Sakka gezien had en dat hij wist waarom Sakka koning van de goden was geworden.

(verder gelijk aan S.11.12)

S.XI.14. = S.11.14.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos en vertelde er dat te Rajahaga vroeger een arme man leefde. Deze vatte vertrouwen in de leer van de Verhevene, nam de geboden van zedelijke discipline aan, nam het onderricht aan, nam vrijgevigheid aan, nam inzicht aan. Na de dood werd hij wedergeboren in de hemelse wereld van de Tavatimsa-goden. Hij overtrof er de andere goden aan schoonheid en heerlijkheid. De Tavatimsa-goden waren verontwaardigd dat iemand die vroeger als mens arm en ongelukkig was geweest, nu de andere goden overtrof aan schoonheid en heerlijkheid.

Sakka zei toen dat de nieuwe god vroeger de leer van de Boeddha had aangenomen, de geboden van zedelijke discipline had aangenomen, onderricht had aangenomen, vrijgevigheid had uitgeoefend, inzicht had aangenomen. Om die redenen was hij in de hemel van de Tavatimsa-goden wedergeboren met zo'n heerlijkheid.

En verder zei Sakka:

Wie rotsvast, stevig gegrondvest vertrouwen in de Tathagatha heeft, en wie de mooie zedelijke tucht oefent, die aan de edelen dierbaar is en door hen geprezen wordt, en wie vreugdevol vertrouwen heeft tot de gemeenschap en de juiste mening heeft, die persoon noemt men niet arm. Zijn leven is niet tevergeefs.

S.XI.15. = S.11.15.

Te Savatthi. Sakka, de koning der goden, ging naar de Verhevene in het Jetavana klooster. Hij groette de Verhevene eerbiedig en vroeg wat een bekoorlijk stuk land was.

De Boeddha: "Heiligdommen in park of bos, mooie badplaatsen, ze zijn niet een zestiende waard van de plek waar Volmaakten wonen, in dorp of bos, in laagland of hoogland.


S.XI.16. = S.11.16.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er op de berg Gijjhakūta. Sakka ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg aan wie de mensen die verdiensten willen verwerven gaven moeten geven zodat het rijke vrucht draagt.

De Verhevene: "De vier die zich op het pad bevinden, de vier die de vrucht ervan genieten, de oprechte gemeenschap, die voorzien is van inzicht en zedelijke discipline, degenen die offeren, de levende wezens die verdienste willen verwerven, deze verdienstelijke daad is als een substraat voor een beter bestaan. Geef aan de gemeenschap zodat het rijke vrucht draagt.


S.XI.17. = S.11.17.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster in eenzame meditatie. Sakka, de koning der goden, en Brahma Sahampati gingen naar de plaats waar de Verhevene zich bevond en bleven er aan de deurstijl staan.

Sakka zei toen aan de Boeddha: "Sta op, held, overwinnaar in de strijd. U hebt de last afgegooid. U, zonder schuld, beweegt u vrij in de wereld. Uw denken is volledig losgemaakt (en helder als de volle maan).

Brahma Sahampati zei toen: "De Tathagata moet als volgt gehuldigd worden: Sta op, held, overwinnaar in de strijd. Gij, leider van de karavaan, zonder schuld, beweegt u vrij in de wereld. De Verhevene moet de ware leer verkondigen; er zijn wezens die ze begrijpen."


S.XI.18. = S.11.18.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster en sprak er tot de monniken over Sakka, de koning der goden. Eens vereerde Sakka de vier windrichtingen en de tussenliggen richtingen. Gezegd werd toen dat hem de kenners van de drie wetenschappen vereerden en alle edellieden op aarde, de Vier Grote Koningen en de goden van de Drieëndertig. Gevraagd werd wie door Sakka vereerd werd.

Sakka: "Ik huldig degenen die met zedelijke discipline zijn voorzien, die lang geestelijke concentratie hebben beoefend, die op volmaakte manier zich van de wereld hebben afgekeerd, met het heilige leven als doel. De gezinshoofden die verdienstelijke daden verrichten, de deugdzame leken, die in vroomheid hun vrouw onderhouden."

S.XI.19. = S.11.19.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. Hij vertelde er dat Sakka eens uit zijn paleis afdaalde en de Boeddha vereerde. En wel omdat de Boeddha de volmaakt Verlichte is in deze wereld; hij is de meester die de naam van het hoogste draagt. De volmaakten bij wie begeerte en haat en onwetendheid verdwenen is, bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, zij worden door Sakka vereerd. Ook worden door Sakka vereerd degenen die na opheffing van begeerte en haat, na overwinning van onwetendheid nog in de voorbereiding zich verheugen over de afname (van de wereldse invloeden) en die zich onvermoeibaar oefenen.

S.XI.20. = S.11.20.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. Hij vertelde er dat Sakka eens uit zijn paleis afdaalde en met samengevoegde handen de gemeenschap van de bhikkhus vereerde. Sakka zei toen: "Degenen zonder huis gaan huns weegs wanneer zij het dorp verlaten, zonder iets in het oog te houden. Zij verzamelen niet in schuur of kruik of korf. Wat door anderen is klaargemaakt, proberen zij te krijgen (of: zoeken zij); en zij leven daarvan, plichtgetrouw. Zij bidden vrome spreuken, standvastig, zwijgzaam, gelaten. Zij zijn niet vijand van hun vijanden, maar vriendelijk zijn zij jegens de gewelddadigen."


            S.XI.21-25 = Tatiya vagga – derde deel 


S.XI.21. = S.11.21.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. Sakka ging naar hem toe, groette hem eerbiedig en vroeg wat men moet moet afsnijden om gelukkig te leven, om geen verdriet te hebben. Wat was het enige waarvan de Boeddha de vernietiging toestond?

De Boeddha gaf ten antwoord: “De toorn moet men afsnijden om gelukkig te leven, om geen zorgen te hebben. De vernietiging van de toorn wordt door de edelen geprezen. Want als men de toorn heeft afgesneden lijdt men geen zorgen meer.”


S.XI.22. = S.11.22.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster en vertelde er over een lelijke, kreupele yakkha die op de troon van Sakka was gaan zitten. De Tavatimsa goden werden er boos over en zeiden dat het onpassend was wat die yakkha deed. Maar hoe langer de Tavatimsa goden boos waren, des te mooier werd de yakkha. Het was beslist een toornetende yakkha. De Tavatimsa goden vertelden het aan Sakka.

Sakka ging naar de yakkha toe en noemde drie keer zijn naam. De yakkha werd toen steeds lelijker en verdween. Sakka zei toen tot de Tavatimsa goden: "Mijn denken wordt niet gemakkelijk verstoord. Door de wervel van de toorn ben ik niet gemakkelijk te vatten. De toorn heeft in mij geen houvast. Als ik boos ben, dan gebruik ik geen barse taal; en ik poch niet met mijn eigenschappen. Ik houd mezelf in bedwang en let op mijn eigen welzijn."


[Het kwaad moet niet door woede maar door goedheid bestreden worden.]


S.XI.23. = S.11.23.

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat de demonenvorst Vepacitti eens zwaar ziek was [volgens het commentaar door een vloek van wijzen]. Sakka, de koning der goden, ging toen bij hem op ziekenbezoek.64 De demonenvorst groette Sakka en Sakka vroeg of de demonenvorst hem de Sambara-betovering kon meedelen. De demonenvorst vroeg eerst de demonen die weigerden de Sambara-betovering mee te delen.65

De demonenvorst zei toen aan Sakka dat ook de betovering (vloek) in de hel komt.

S.XI.24. = S.11.24.

Te Savatthi. Twee bhikkhus twistten over iets. De ene bhikkhu maakte een fout en bekende die fout aan de andere bhikkhu. Maar de andere bhikkhu nam dat niet aan. Veel bhikkhus gingen toen naar de Verhevene en vertelden wat er gebeurd was.

De Verhevene zei toen: "Degene die een fout niet als fout inziet, is een dwaas. En wie de bekentenis dat een fout gemaakt is, niet aanneemt, is eveneens een dwaas.

Wie een fout als fout inziet, is wijs. Wie de bekentenis dat een fout gemaakt is, aanneemt, is wijs."

Verder vertelde de Verhevene over Sakka die eens in de vergaderzaal van de Tavatimsa goden het volgende zei:

"De toorn moeten jullie beheersen; jullie moeten niet hevig zijn tegen de vrienden. Jullie moeten diegene niet berispen die niet te berispen is. Jullie moeten niet kwaad spreken. De booswicht wordt door zijn toorn verpletterd."


S.XI.25. = S.11.25.

Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster en vertelde de bhikkhus dat Sakka eens in de vergaderzaal van de Tavatimsa goden het volgende zei:

"Toorn mag u niet overmannen; jullie moeten niet boos worden op iemand die boos is. Niet boos worden en geen letsel toebrengen is in de edele. Maar de booswicht wordt bedolven door zijn toorn."



Sectie II. Nidana-vagga

S.XII = Nidāna-Samyutta

De uitleg van paticcasamuppāda (de leer van afhankelijk ontstaan). 93 suttas. (S.XII.1-93)


[Zie: Oorzakelijk ontstaan en oorzakelijke opheffing van lijden]



            S.XII.1-10 = Buddhavagga – het deel van de Boeddha 


S.XII.1 = S.12.1. Oorzakelijk ontstaan

Te Sāvatthi, in het Jetavana park. De Boeddha sprak er tot de monniken: “Monniken, ik zal jullie de wet van oorzakelijk ontstaan onderwijzen. Luistert goed en past goed op.” – “Jawel, heer,” zeiden de monniken.

De Boeddha zei toen: De wet van oorzakelijk ontstaan is als volgt: Uit het niet-weten als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn. Uit het bewustzijn als oorzaak ontstaat naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand. Monniken, dit heet ontstaan.

Uit het restloze verdwijnen van niet weten en de opheffing ervan volgt opheffing van de vormingen. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn. Uit de opheffing van het bewustzijn volgt opheffing van naam en vorm. Uit de opheffing van naam en vorm volgt opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


S.XII.2-10 over oorzakelijk ontstaan

[Zie: Oorzakelijk ontstaan en oorzakelijke opheffing van lijden]


            S.XII.11-20 = Āhāra-vagga – over de voedingsstoffen 


S.XII.11 = S.12.11

Te Savatthi, in het Jetavana sprak de Boeddha over de voedingsstoffen en oorzakelijk ontstaan.

Vier soorten voedsel dienen de wezens die (al) geboren zijn, tot onderhoud. En zij dienen de wezens die naar wedergeboorte zoeken, tot steun.

Die vier soorten voedsel zijn: eetbare spijzen, aanraking, het denken van de geest, het bewustzijn.

De oorzaak, de oorsprong van die vier soorten voedsel is de dorst.

De dorst heeft als oorzaak de gewaarwording, het gevoel.

De gewaarwording heeft als oorzaak de aanraking.

De aanraking heeft als oorzaak de zes zintuigen.

De zes zintuigen hebben als oorzaak naam en vorm.

Naam en vorm hebben het bewustzijn als oorzaak.

Het bewustzijn heeft als oorzaak de formaties.

De formaties hebben als oorzaak het niet weten.


Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van begeerte volgt opheffing van de formaties. Uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn. (etc)

Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


S.XII.12 = S.12.12

Te Savatthi, de Boeddha spreekt er over de vier voedingsstoffen.

"Er zijn vier voedingsstoffen die dienen tot onderhoud van de wezens die al geboren zijn, namelijk eetbaar voedsel; aanraking, contact; het denken van de geest; het bewustzijn."

De eerwaarde Moliya-Phagguna vroeg toen wie de voedingsstof bewustzijn tot zich nam. De Boeddha gaf ten antwoord dat de vraag niet juist was. Hij had niet gezegd: "Hij neemt tot zich." Juist is de vraag: Waartoe dient de voedingsstof bewustzijn?" En dan luidt het antwoord:

"Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan. Wanneer die geworden zijn, (ontstaan) de zes zintuigen.Uit de zes zintuigen ontstaat aanraking. Uit de aanraking ontstaat de gewaarwording. Uit de gewaarwording ontstaat de dorst. Uit de dorst ontstaat het grijpen. Uit het grijpen ontstaat het worden. Zo komt de hele massa van lijden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gewaarwording. Uit de opheffing van gewaarwording volgt opheffing van de dorst. Uit opheffing van de dorst volgt opheffing van grijpen. Uit opheffing van grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van worden volgt opheffing van geboorte. Uit de opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag opgeheven.

Zo is de opheffing van de hele massa van lijden."


S.XII.13-14 = S.12.13-14

Allen die ouderdom en dood niet kennen, de oorsprong ervan niet kennen, de opheffing ervan niet kennen, die het pad dat voert naar opheffing van ouderdom en dood niet kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die de weg niet kennen die voert naar de opheffing ervan, – zij allen hebben het doel niet bereikt. Zij komen niet over ouderdom en dood heen.

Maar allen die ouderdom en dood wel kennnen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties wel kennen, die de opheffing ervan kennen, die de weg kennen die naar de opheffing ervan voert, die hebben het doel hier al bereikt.


S.XII.16 = S.12.16.

Te Savatthi. De Boeddha legde er uit wie een verkondiger der waarheid is.

Wanneer iemand tot afkeer van ouderdom en dood, tot het verdwijnen en de opheffing ervan de ware leer verkondigt, dan is hij een verkondiger der waarheid.

Wanneer iemand streeft naar afkeer van ouderdom en dood, naar het verdwijnen en de opheffing ervan, dan is hij een iemand die in overeenkomst met de juiste leer leeft.

Wanneer iemand door afkeer van ouderdom en dood, door het verdwijnen en de opheffing ervan, zonder aan iets te hechten, bevrijd is, dan heeft hij in dit leven al Nibbana bereikt.

Wanneer iemand de ware leer verkondigt tot afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, tot afkeer van onwetendheid, tot het verdwijnen en opheffen ervan, dan is hij een verkondiger van de waarheid.

Wanneer iemand streeft naar de afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, onwetendheid, naar het verdwijnen en opheffen ervan, dan is hij iemand die in overeenkomst met de ware leer leeft.

Wanneer iemand door de afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, onwetendheid, door het verdwijnen en opheffen ervan, zonder ergens aan te hechten bevrijd is, dan is hij iemand die al in dit leven Nibbana heeft bereikt.


S.XII.17 = S.12.17.

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. 's Morgens ging hij naar de stad voor aalmoezen. De naakte asceet Kassapa zag van verre de Boeddha aankomen, ging naar hem toe, groette eerbiedig en vroeg of het lijden zelf veroorzaakt is of door iemand anders of zowel door iemand zelf als door iemand anders of door toeval. De Boeddha legde hem toen de oorzaak van lijden uit.

"Als men beweert dat het dezelfde is die de daad verricht en die de gevolgen ervan ondervindt, dan is er iemand die vanaf het begin bestaat; beweert men dan dat het lijden zelf veroorzaakt is, dan komt men tot de conclusie van een eeuwig blijvend iets.

Als men beweert dat het iemand anders is die de daad verricht en die de gevolgen ervan ondervindt, dan bestaat er iemand die te maken heeft met gevoel; beweert men dan dat het lijden door iemand anders is veroorzaakt, dan komt men tot de conclusie van volledige vernietiging.

De Tathagata verkondigt de leer van het midden: uit onwetendheid onstaan de formaties, uit de formaties ontstaat het bewustzijn, (etc). Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van leiden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de formaties; uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van bewustzijn (etc.). Op die manier komt de hele massa van leiden tot stand."

De naakte asceet nam toen zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha. Hij kreeg van de Boeddha de wijding in de Orde. Na niet lange tijd bereikte hij het hoge doel, hij werd een volmaakte heilige.

(Zie ook: D.8; M.124; S.41,9)


S.XII.18 = S.12.18.

(Dit sutta is een variatie op het voorgaande sutta)


Te Savatthi. De asceet Timbaruka ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg of lust en lijden zelf veroorzaakt zijn of door iemand anders veroorzaakt zijn.

De Boeddha zei dat hij zoiets niet onderwees, maar dat hij die uitersten vermeed. [Dan volgt de keten van oorzakelijkheid in directe en omgekeerde volgorde].

Hierna na de asceet Timbaruka zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha. Hij werd een lekenvolgeling van de Boeddha.


S.XII.19 = S.12.19.

Hoe zich de wijze van de dwaas onderscheidt.


Te Savatthi. Een dwaas die de hindernis van onwetendheid bezat en die met dorst begiftigd was, heeft daardoor dit tegenwoordige lichaamgekregen. Zo is dit lichaam van thans ontstaan en behalve dit is er naam en vorm. Op die manier is er een paar aanwezig en ten gevolge daarvan is er contact, namelijk het bereik van de zes zintuigen; door het contact daarmee of door één ervan ondervindt de dwaas lust en lijden.

Een wijze die de hindernis van onwetendheid bezat en die met dorst begiftigd was, heeft daardoor dit tegenwoordige lichaam gekregen. Zo is dit lichaam van thans ontstaan en behalve dit is er naam en vorm. Op die manier is er een paar aanwezig en ten gevolge daarvan is er contact, namelijk het bereik van de zes zintuigen; door het contact daarmee of door één ervan ondervindt de wijze lust en lijden.

Het verschil tussen de wijze en de dwaas is als volgt:

De dwaas heeft de onwetendheid niet opgegeven en heeft de dorst niet onderdrukt. Hij heeft geen heilig leven gevoerd om het lijden volledig te vernietigen. Daarom gaat de dwaas na de dood weer in een lichaam. Hij wordt niet verlost van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, leed, verdriet en wanhoop. Hij wordt niet bevrijd van lijden.

Maar de wijze heeft onwetendheid opgegeven en heeft de dorst onderdrukt. Hij heeft het heilige leven gevoerd om het lijden volledig te vernietigen. Daarom gaat de wijze na de dood niet meer in een lichaam. Daardoor wordt hij bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, leed, verdriet en wanhoop. Hij wordt bevrijd van lijden.

Het verschil tussen de wijze en de dwaas is het wel of niet voeren van een heilig leven.


S.XII.20 = S.12.20.

Te Savatthi. De wet van oorzakelijk ontstaan.

[Zie: Oorzakelijk ontstaan en oorzakelijke opheffing van het lijden]


            S.XII.21-30 = Dasabalavagga – Over de 10 krachten 


S.XII.21 = S.12.21. De tien krachten.

Te Savatthi. De Tathagata is voorzien van de tien krachten, met de vier redenen voor zelfvertrouwen. Daarom is hij de leider, en zet hij het wiel van de bevrijding in beweging.

[Dan volgt de keten van oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde].


S.XII.22 = S.12.22. De tien krachten.

Te Savatthi. De Tathagata is voorzien van de tien krachten, met de vier redenen voor zelfvertrouwen. Daarom is hij de leider, en zet hij het wiel van de bevrijding in beweging.

Slecht leeft de trage. Verstrikt in slechte dingen mist hij het grote zegensrijke doel. De energieke echter leeft goed. Vrij van slechte dingen bereikt hij het grote zegensrijke doel.

Het bereiken van het hoogste is niet mogelijk voor een lage, maar wel voor een hoge. Streeft daarom ijverig om te bereiken wat nog niet bereikt is. Op die manier zal de afkeer van de wereld niet tevergeefs zijn. Ze zal resultaat hebben en de goede daden van de mensen die ons kleding, voedsel en drank, medicijnen en onderdak geven, zullen rijke vrucht dragen.

Als men het eigen heil voor ogen heeft, moet men onvermoeibaar streven. Als men het heil van anderen voor ogen heeft, dan moet men onvermoeibaar streven. En dat geldt ook als men het heil van beiden voor ogen heeft.

S.XII.23 = S.12.23.

Te Savatthi. Bij de wetende treedt vernietiging van de invloeden (āsavā) op, niet bij de onwetende. Men moet weten: zo is vorm, zo is de oorsprong van vorm, zo is het verdwijnen van vorm. Zo is gevoel, de oorsprong ervan, het verdwijnen ervan. Zo zijn de vormingen, de oorsprong ervan, het verdwijnen ervan. Zo is bewustzijn, het ontstaan ervan, het verdwijnen ervan.

Het weten van de vernietiging van wereldse invloeden is afhankelijk van de bevrijding. De bevrijding is afhankelijk van het verdwijnen. Het verdwijnen is afhankelijk van de afkeer. De afkeer is afhankelijk van het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn is afhankelijk van de geestelijke concentratie. De geestelijke concentratie is afhankelijk van de gelukzaligheid. De gelukzaligheid is afhankelijk van de gemoedsrust (vrede van gemoed). De gemoedsrust is afhankelijk van de vreugde. De vreugde is afhankelijk van het welbehagen. Het welbehagen is afhankelijk van het vertrouwen. Het vertrouwen is afhankelijk van het lijden. Het lijden is afhankelijk van geboorte. Geboorte is afhankelijk van worden. Worden is afhankelijk van grijpen. Grijpen is afhankelijk van dorst. Dorst is afhankelijk van gevoel. Gevoel is afhankelijk van contact. Contact is afhankelijk van de zes zintuigen. De zes zintuigen zijn afhankelijk van naam en vorm, geestlichamelijkheid. Naam en vorm is afhankelijk van bewustzijn. Bewustzijn is afhankelijk van de vormingen. De vormingen zijn afhankelijk van het niet weten (onwetendheid).

Zo hebben de vormingen onwetendheid als voorwaarde; het bewustzijn heeft de vormingen als voorwaarde; naam en vorm hebben bewustzijn als voorwaarde; de zes zintuigen hebben naam en vorm als voorwaarde; contact heeft naam en vorm als voorwaarde; gevoel heeft contact als voorwaarde; de dorst heeft contact als voorwaarde; het grijpen heeft de dorst als voorwaarde; het worden heeft het grijpen als voorwaarde; geboorte heeft het worden als voorwaarde; het lijden heeft geboorte als voorwaarde; het vertrouwen heeft het lijden als voorwaarde; het welbehagen heeft het vertrouwen als voorwaarde; de vreugde heeft het welbehagen als voorwaarde; de gemoedsrust heeft de vreugde als voorwaarde; de zaligheid heeft de gemoedsrust als voorwaarde; de geestelijke concentratie heeft de gemoedsrust als voorwaarde; het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, heeft de geestelijke concentratie als voorwaarde; de afkeer heeft het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, als voorwaarde; het verdwijnen heeft de afkeer als voorwaarde; de bevrijding heeft het verdwijnen als voorwaarde; het weten van de vernietiging van wereldse invloeden heeft de bevrijding als voorwaarde.

Het niet weten als voorwaarde hebben de vormingen. De vormingen als voorwaarde heeft het bewustzijn. (etc). … De bevrijding als voorwaarde heeft het weten van de vernietiging [van wereldse invloeden].


S.XII.24 = S.12.24.

Te Rajagaha. De eerwaarde Sariputta verbleef er in het Veluvana park. In de voormiddag ging hij op weg naar de stad om aalmoezen te vergaren. Maar hij vond het nog te vroeg en hij ging daarom naar het park waar asceten met een ander geloof vertoefden. Na onderlinge begroetingen ging hij er neerzitten. De asceten stelden hem vragen over kamma.

"Er zijn mensen die beweren dat het lijden zelf veroorzaakt is. Anderen beweren dat het lijden door iemand anders veroorzaakt is. Weer anderen beweren dat het lijden zowel zelf als door anderen veroorzaakt is. En sommigen beweren dat het lijden niet zelf en niet door anderen veroorzaakt is maar door toeval ontstaat. Wat is de leer van de Boeddha hierover?"

De eerwaarde Sariputta antwoordde dat het lijden oorzakelijk ontstaan is, en wel door contact.

De eerwaarde Ananda had het gesprek gehoord. Na de maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem over het gesprek van de eerwaarde Sariputta met de asceten.

De Boeddha bevestigde de woorden van de eerwaarde Sariputta.

De eerwaarde Ananda sprak toen over de keten van oorzakelijk ontstaan, in directe en omgekeerde volgorde.

S.XII.25 = S.12.25.

Te Sāvatthi. De eerwaarde Bhūmija ging ΄s avonds naar de eerwaarde Sāriputta, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Hij zei: “Vereerde Sāriputta, sommige samanas en brahmanas, aanhangers van de leer van kamma, verkondigen dat lust en lijden zelf veroorzaakt is. Anderen verkondigen dat lust en lijden door iemand anders veroorzaakt is. Weer anderen verkondigen dat lust en lijden zowel zelf als door iemand anders veroorzaakt is. En nog anderen verkondigen dat lust en lijden niet zelf en niet door iemand anders verkondigd is maar door toeval ontstaat. – Wat onderwijst de Verhevene daarover?”

De eerwaarde Sāriputta gaf ten antwoord: “Oorzakelijk ontstaan is lust en lijden. De oorzaak is contact. In alle voornoemde gevallen is lust en lijden ontstaan ten gevolge van contact als oorzaak.”

De eerwaarde Ānanda had naar het gesprek tussen de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Bhūmija geluisterd. Hij ging naar de Verhevene toe en berichtte dat gesprek.

De Boeddha zei: “Goed, Ānanda, oorzakelijk ontstaan is lust en lijden. De oorzaak is contact.

Wanneer lichamelijke actie plaats heeft, dan ontstaat wegens het bewust worden van lichamelijke actie voor de eigen persoon lust en lijden. Of wanneer praten plaats vindt, dan ontstaat wegens het bewust worden van het praten voor de eigen persoon lust en lijden. Of wanneer denken plaats vindt, dan ontstaat wegens het bewust worden van het denken voor de eigen persoon lust en lijden.66

Door het niet weten als oorzaak produceert men zelf een vorm van het lichamelijke doen. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het lichamelijke doen. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het lichamelijke doen of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.


Men produceert zelf een vorm van het praten. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het praten. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het praten of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.


Men produceert zelf een vorm van het denken. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het denken. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het denken of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.


Ānanda, In al deze gevallen is men tot niet-weten (als laatste oorzaak) gekomen. Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen lichamelijke actie ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.


Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen praten ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.


Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen denken ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.


Er is dan geen veld, geen basis, geen bereik, geen betrekking ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat. [m.a.w. alle voorwaarden voor verder ontstaan van lust en lijden ontbreken].


S.XII.27-30 = S.12.27-30.

Oorzakelijk ontstaan.


           

            S.XII.31-40 = Kalārakhattiya-Vagga 


S.XII.31 = S.12.31. Geworden

Te Savatthi.

'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht van de werkelijkheid. En wanneer men dat juist ingezien heeft, dan is men op de weg naar afkeer van het gewordene, op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Het ontstaan ervan is door zijn voedingsstof,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht gezien heeft, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat ontstaan door een voedingsstof heeft. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat ondergevig is aan de wet van beëindigen. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.


Op die manier is men iemand die ijverig streeft.


Hoe evenwel wordt men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld?

'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men ten gevolge van de afkeer van het gewordene, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan, bevrijd door niet hechten, door niet inbezitname.67

'Het gewordene heeft zijn ontstaan door zijn voedingsstof,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat ontstaan is door een voedingsstof, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan door niet inbezitname, niet hechten.

Op die manier is men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld.


S.XII.32 = S.12.32.

Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta spreekt er over oorzakelijk ontstaan en over volmaakte heiligheid.


Bhikkhu Kalarakhattiya68 ging naar de eerwaarde Sariputta, groette hem eerbiedig en zei dat de bhikkhu Moliya-Phagguna de training had opgegeven en tot het lage leven was teruggekeerd.

Sariputta: "Dan heeft die eerwaarde in onze leer en discipline geen troost gevonden."

Kalara: "Dan heeft dus de eerwaarde Sariputta in deze leer en discipline troost gevonden?"

Sariputta: "Ik koester daarover geen enkele twijfel."

Kalara: "Maar misschien in de toekomst?"

Sariputta: "Ik maak me daarover geen zorgen."


De bhikkhu Kalara stond op, nam afscheid, ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei: 'De eerwaarde Sariputta heeft verklaard dat hij het hoogste inzicht heeft bereikt:69 'Vernietigd is geboorte; gedaan is wat gedaan moet worden; er is verder niets meer te doen.'

De Verhevene vroeg toen aan een bhikkhu om aan de eerwaarde Sariputta te zeggen dat hij hem wilde spreken.

De eerwaarde Sariputta ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg hem toen of hij inderdaad had verklaard dat hij het hoogste inzicht had bereikt [door te zeggen]: 'Vernietigd is geboorte, volbracht is wat volbracht moest worden, er is verder niets meer te doen.' De eerwaarde Sariputta antwoordde dat hij dat niet met deze woorden had uitgesproken.

De Verhevene: "In welke vorm iemand het bereiken van het hoogste inzicht verklaart, die verklaring moet als een dergelijke begrepen worden.

Sariputta, wanneer men je zou vragen op grond van welk weten en welk inzicht heb je het bereiken van het hoogste inzicht verklaard: 'vernietigd is geboorte,' wat zou je dan antwoorden?"

"Heer, ik zou dan het volgende als antwoord geven:

'Vernietigd is geboorte, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden. Niet meer heb ik voortaan iets te maken met het wereldse bestaan. Ik heb ingezien dat wanneer de oorzaak vernietigd is, het resultaat ervan vernietigd is, en daarmee is geboorte vernietigd.'

'De geboorte heeft als oorzaak het worden. Het worden heeft als oorzaak het grijpen. Het grijpen heeft als oorzaak de dorst. De dorst heeft als oorzaak het gevoel.'

'Er is bij mij geen aangenaam gevoel ontstaan, op grond van het volgende. Er zijn drie soorten gevoel: aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam noch onaangenaam is (neutraal gevoel). Die drie soorten gevoel zijn vergankelijk. Wat vergankelijk is, is vol lijden. Omdat ik dat ingezien heb, is bij mij geen aangenaam gevoel ontstaan.'

De Boeddha gaf ten antwoord: "Goed, Sariputta. Men kan het ook kort omschrijven: 'wat gevoeld, waargenomen wordt, dat behoort tot het smartelijke.

Wie de volmaakte heiligheid heeft bereikt, heeft niets meer te maken met het wereldse bestaan.'"


Sariputta: Op grond van de bevrijding van de eigen persoon70 leef ik door vernietiging van alle grijpen in zo'n zelfbezinning dat mij daardoor de wereldse invloeden niet overstromen, en ik laat mij zelf niet zonder oplettendheid.71

De Boeddha: Dit kan ook kort gezegd worden: 'Over wereldse invloeden koester ik geen twijfel. Ze zijn bij mij beëindigd. Ik maak me daarover geen zorgen.'"


Na deze woorden stond der Verhevene op en ging in de Vihara. Een korte tijd daarna sprak de eerwaarde Sariputta tot de bhikkhus aldus:

"Toen de Verhevene de eerste vraag tot mij richtte, raakte ik in verlegenheid omdat ik zijn bedoeling niet begreep. Maar toen de Verhevene mijn antwoord op die vraag genadig aannam, toen dacht ik: 'Als de Verhevene mij de hele dag en de hele nacht – ja zeven dagen en zeven nachten - over dit onderwerp vragen zou stellen, zou ik hem hetzelfde antwoord geven, steeds met andere woorden.'

Bhikkhu Kalara stond toen op en ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei: "Heer, de eerwaarde Sariputta heeft het gebrul van een leeuw laten klinken."72 [Dan volgen de woorden van de eerwaarde Sariputta].

De Boeddha: "Bhikkhu, het wezen van de waarheid is door Sariputta zo volmaakt doordrongen, dat hij mij steeds hetzelfde antwoord zou geven."


S.XII.37 = S.12.37.

Te Savatthi.

Dit lichaam behoort ons niet toe, noch behoort het anderen toe.

Het lichaam is te verstaan als het vroegere kamma,73 door daden voortgebracht, door denken voortgebracht, door gevoel voortgebracht.

Daarom overweegt een onderwezen edele volgeling de wet van het oorzakelijk ontstaan, namelijk: als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dat niet is, volgt dat niet; uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere.

D.w.z. uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn … etc.

Op zo'n manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand. Maar uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de vormingen. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn … etc.

Op zo'n manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


S.XII.38 = S.12.38. Het denken (1)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn.74

Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan doet zich voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan voor. Wanneer voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan aanwezig zijn, dan ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, maar wel bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dat doet zich voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan voor. Wanneer voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan aanwezig zijn, dan ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.


Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, komt er geen voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan treedt voor de toekomst geen wedergeboorte en geen nieuw bestaan in. Wanneer wedergeboorte en nieuw bestaan niet aanwezig zijn, dan worden voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


S.XII.39 = S.12.39. Het denken (2)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn.

Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan openbaart zich naam en vorm.

Uit naam en vorm als voorwaarde ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Uit naam en vorm als voorwaarde ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, komt er geen voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan openbaart zich niet naam en vorm.

Uit de opheffing van naam en vorm volgt opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gevoel. Uit de opheffing van gevoel volgt opheffing van dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van grijpen. Uit de opheffing van grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


S.XII.40 = S.12.40. Het denken (3)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan openbaart zich toeneiging75 (naar de dingen). Wanneer toeneiging aanwezig is, ontstaat komen en gaan. Wanneer komen en gaan aanwezig is, ontstaat uittreden en weer ontstaan. Wanneer uittreden en weer ontstaan aanwezig is, ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Wanneer iemand echter niet denkt, en niets van plan is, maar toch bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op.

Wanneer het bewustzijn voortduurt en toeneemt, dan openbaart zich toeneiging (tot de dingen). Wanneer toeneiging aanwezig is, ontstaat komen en gaan. Wanneer komen en gaan aanwezig is, ontstaat uitscheiden en weer ontstaan. Wanneer uitscheiden en weer ontstaan aanwezig is, dan ontstaat voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, dan openbaart zich geen voortbestaan van het bewustzijn.

Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan openbaart zich geen toeneiging (tot de dingen). Wanneer geen toeneiging aanwezig is, ontstaat geen komen en gaan. Wanneer komen en gaan niet aanwezig is, ontstaat geen uitscheiden en weer ontstaat. Wanneer uitscheiden en weer ontstaan niet aanwezig is, dan worden voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


            S.XII.41-50 = Gahapativagga – van het gezinshoofd 


S.XII.41 = S.12.41. Stroomintrede

De Boeddha:

Wanneer een edele volgeling de vijfvoudige vrees en vijandigheid heeft overwonnen, en met de vier kenmerken van de stroomintrede is voorzien, en de edele methode76 met het verstand goed heeft gezien en volledig heeft doordrongen, dan kan hij wanneer hij dat wenst, van zichzelf zeggen: 'Verwijderd is voor mij de hel, verwijderd is voor mij wedergeboorte als dier, verwijderd is voor mij de sfeer van de ongelukkige geesten, verwijderd is voor mij een lage vorm van bestaan, een smartelijk bestaan en verdoemenis. Ik ben iemand die in de stroom is ingetreden. Het is onmogelijk voor mij om terug te vallen in de verdoemenis. Ik ben veilig; de volmaakte Verlichting is mijn doel.'

Welke vijfvoudige vrees en vijandigheid heeft hij overwonnen?

1. De angst en vijandigheid die iemand die levende wezens doodt, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het doden. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van het doden van levende wezens, dan overwonnen.


2. De angst en vijandigheid die iemand die iets neemt wat niet gegeven is, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het stelen. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet die hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van stelen dan overwonnen.


3. De angst en vijandigheid die iemand die sexueel niet goed handelt,77 voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van sexueel onjuist gedrag. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van sexueel onjuist gedrag dan overwonnen.

4. De angst en vijandigheid die iemand die liegt voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het liegen. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

- Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van liegen dan overwonnen.


5. De angst en vijandigheid die iemand die alcoholische dranken geniet, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het genot van alcoholische dranken. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van het genot van alcoholische drank, dan overwonnen.


Deze vijfvoudige angst en vijandigheid heeft hij dan overwonnen.

En met welke vier kenmerken van stroomintrede is hij dan voorzien?

Een edele volgeling is voorzien van het op ervaring gebaseerde vertrouwen in de Boeddha, in de Dhamma en in de (Ariya)Sangha, namelijk zo: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

Verder is hij voorzien van de deugden van zedelijk goed gedrag, welke deugden door de edelen hoog geprezen worden. Die deugden maken vrij, worden van buiten niet beïnvloed, ze voeren naar geetelijke concentratie.


Verder overweegt hij met het verstand de edele methode en heeft die volledig doordrongen, namelijk de wet van oorzakelijk ontstaan.

Als dit is, volgt dat; als dit niet is, volgt dat niet. (etc).


Wanneer iemand deze vijfvoudige angst en vijandigheid heeft overwonnen, en wanneer hij met die vier kenmerken van stroomintrede is voorzien, en wanneer hij deze edele methode met het verstand goed heeft gezien en volledig heeft doordrongen, dan kan hij, wanneer hij dat wenst, van zichzelf beweren: 'Verwijderd is voor mij de hel, verwijderd is voor mij wedergeboorte als dier, verwijderd is voor mij de sfeer van de ongelukkige geesten, verwijderd is voor mij een lage vorm van bestaan, een smartelijk bestaan en verdoemenis. Ik ben iemand die in de stroom is ingetreden. Het is onmogelijk voor mij om terug te vallen in de verdoemenis. Ik ben veilig; de volmaakte Verlichting is mijn doel.'

* Dit sutta is bijna gelijkluidend met S.V.387 e.v. en met A.V. 183F e.v. Vergelijk ook A.IV.405 en A.III.204.

S.XII.43 = S.12.43. Het lijden

De oorsprong van het lijden en het beëindigen ervan is als volgt.


De oorsprong van het lijden:

Ten gevolge van het oog (het zien) en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van het oor (het horen) en de geluiden ontstaat het hoor-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van de neus (het ruiken) en de geuren ontstaat het ruik-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van de tong (het proeven) en de smaken ontstaat het proef-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van het lichaam (het voelen, aanraken en de voelbare (aan te raken) voorwerpen ontstaat het voel-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van de geest (het denken) en de gedachten ontstaat het denk-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.


De beëindiging van het lijden:

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.

Evenzo met horen en geluiden en hoorbewustzijn; ruiken en geuren en ruikbewustzijn; proeven en smaken en smaakbewustzijn; voelen en voelbare voorwerpen en aanrakingsbewustzijn; denken en gedachten en denkbewustzijn. - De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.


S.XII.44 = S.12.44. De wereld

De oorsprong van de wereld en de ondergang ervan.

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Dat is de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het oog (het zien) en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het oor (het horen) en de geluiden ontstaat het hoor-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de neus (het ruiken) en de geuren ontstaat het ruik-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de tong (het proeven) en de smaken ontstaat het proef-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het lichaam (het voelen, aanraken en de voelbare (aan te raken) voorwerpen ontstaat het aanrakingsbewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de geest (het denken) en de gedachten ontstaat het denk-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.


De beëindiging van het lijden:

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.

Evenzo met horen en geluiden, ruiken en geuren, proeven en smaken, voelen en voelbare voorwerpen, denken en gedachten.


S.XII.45 = S.12.45. Nātika

[tekst nagenoeg gelijk aan S.XII.43]

De Boeddha onderwees dat het leren van deze uitleg tot heil en zegen strekt. Ze leidt binnen in het pad van de heilige levenswandel.


S.XII.46 = S.12.46.

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)


S.XII.47 = S.12.47.

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)


S.XII.48 = S.12.48.

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)


S.XII.49 = S.12.49.

Te Savatthi.

Wie oorzakelijk ontstaan en oorzakelijk vergaan overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heet een edele volgeling(e), iemand met juist inzicht, iemand die het weten van de ijverige heeft. Hij klopt aan aan de poort van Nibbana.


S.XII.50 = S.12.50.

Te Savatthi.

(oorzakelijk ontstaan)


Dit sutta verschilt van het voorgaande slechts hierin dat in sutta S.XII.49 de keten van oorzakelijkheid begint met viññāna, het bewustzijn, terwijl in sutta S.XII.50 onwetendheid als de eerste schakel in die keten genoemd wordt.

            S.XII.51-60 = Rukkhavagga – van de boom 


S.XII.51 = S.12.51. Oorzakelijk ontstaan en kamma

Wanneer een onwetend persoon vormingen (wilsacties) teweegbrengt, die verdienstelijk zijn, dan is dat bewustzijn met verdienste voorzien.

Wanneer een onwetend persoon vormingen teweegbrengt die niet verdienstelijk zijn, dan is dat bewustzijn met niet-verdienste voorzien.

Wanneer die persoon vormingen teweegbrengt waar evenwicht (van verdienste en niet-verdienste) bestaat, dan is dat bewustzijn met evenwicht voorzien.

Wanneer echter bij iemand de onwetendheid is opgeheven en het weten is ontstaan, dan brengt hij ten gevolge daarvan geen verdienstelijke vormingen teweeg. Hij brengt geen niet-verdienstelijke vormingen teweeg; en hij brengt geen vormingen teweeg waarin evenwicht bestaat.

Wanneer hij niet door daden [vormingen] teweegbrengt en niet door denken [vormingen] teweegbrengt, dan grijpt hij niets in de wereld. Wanneer hij niets grijpt, ondervindt hij geen dorst. Wanneer hij geen dorst ondervindt, treedt hij uit eigen kracht binnen in het Nibbana. Hij ziet in: vernietigd is de geboorte; het heilige leven is geleefd; voltooid is wat gedaan moest worden; niets meer heb ik voortaan te maken met het wereldse bestaan.


Wanneer hij een gevoel vol begeerte ondervindt, dan ziet hij in dat het niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat dat gevoel geen is waaraan men hecht, geen waaraan men vreugde heeft.

Wanneer hij een gevoel met pijn ondervindt, dan ziet hij in dat het gevoel niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat men er niet aan hecht, dat men er geen vreugde aan heeft.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat niet vol pijn noch vol begeerte is, dan ziet hij in dat het gevoel niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat men er niet aan hecht, dat men er geen vreugde aan heeft.


Wanneer hij een gevoel vol begeerte ondervindt, dan ondervindt hij dat als iemand die [van de wereld] losgemaakt is.78 Evenzo met een pijnlijk gevoel en met een gevoel dat niet pijnlijk noch vol begeerte is. Hij ondervindt dat alles als iemand die van de wereld losgemaakt is.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat de lichaamskrachten ten einde gaan, dan ziet hij in dat hij een dergelijk gevoel heeft.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat het leven ten einde gaat, dan ziet hij dat gevoel in. Hij ziet in dat na het beëindigen van het leven al zijn gevoelens waaraan hij geen vreugde had, ten gevolge van de oplossing van het lichaam koud zullen worden; hij ziet in dat alleen de lichamelijke bestanddelen over zullen blijven.


Iemand bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, zal geen formaties meer teweegbrengen die verdienstelijk, of niet-verdienstelijk of in evenwicht zijn.

Wanneer helemaal geen formaties aanwezig zijn, zal er – na opheffing van de formaties – geen bewustzijn meer verschijnen.

Wanneer helemaal geen bewustzijn aanwezig is, zal er – na opheffing van het bewustzijn – geen naam en vorm verschijnen.

Wanneer naam en vorm helemaal niet aanwezig is, zal – na opheffing van naam en vorm – het bereik van de zes zintuigen niet verschijnen.

Wanneer het bereik van de zes zintuigen helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het bereik van de zes zintuigen – geen contact, aanraking verschijnen.

Wanneer aanraking, contact helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van de aanraking – geen gevoel verschijnen.

Wanneer gevoel helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van gevoel – geen dorst verschijnen.

Wanneer dorst helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van de dorst – geen grijpen verschijnen.

Wanneer grijpen helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het grijpen – geen worden verschijnen.

Wanneer worden helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het worden – geen geboorte verschijnen.

Wanneer geboorte helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van geboorte – geen ouderdom en dood verschijnen.

De Boeddha sluit dan af met de woorden: "Zo is dat. Gelooft mij, hebt vertrouwen. Koester geen twijfel eraan en hebt geen bezwaar. Dit is het einde van het lijden."


S. XII.52 = S.12.52

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.


Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


S. XII. 53 = S.12.53.

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.


Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


S.XII. 54-56 = S.12.54-56

Te Sāvatthi. (inhoud gelijk aan S.XII.52, maar andere vergelijkingen).


S.XII.57 = S.12.57

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.


Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


S.XII.58 = S.12.58

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm niet. Uit de opheffing van naam en vorm volgt de opheffing van het bereik van de zes zintuigen.

Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt de opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt de opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt de opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


S.XII.59 = S.12.59

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn. Uit bewustzijn als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn niet. Uit de opheffing van bewustzijn volgt de opheffing van het bereik van de zes zintuigen.

Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt de opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt de opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt de opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


S.XII.60 = S.12.60

Eens verbleef de Verhevene in het land van de Kurus79 in het dorp met naam Kammāsadamma. De eerwaarde Ānanda ging er naar de Verhevene toe en zei: “Wonderbaarlijk, onvergelijkbaar hoe diep deze wet van oorzakelijk ontstaat is. Toch komt ze mij heel helder voor.”

De Boeddha antwoordde: “Ānanda, diep is deze wet van oorzakelijk ontstaan. Ten gevolge van het niet begrijpen ervan is dit geslacht in de war geraakt zoals een verwaarloosd stuk weefsel of een knot garen vol knopen. Daarom komt dit geslacht niet uit boven de lage vorm van bestaan, leedvol bestaan, verdoemenis, kringloop der wedergeboorten.

Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen.


Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.


            S.XII.61-70 = Mahāvagga – het grote deel 


S.XII.61 = S.12.61.

Te Savatthi, in het Jetavana.

Een niet onderwezen gewoon mens (d.w.z. iemand die de stroom nog niet heeft betreden) kan t.o.v. het lichaam dat uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht gevormd is, een afkeer koesteren. Hij kan er onverschillig tegen worden, kan zich ervan losmaken.

En waarom? – Omdat men aan dit lichaam dat uit de vier grove elementen gevormd is, toename en afname ziet, groter en kleiner worden. Daarom kan men er een afkeer van krijgen.

Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daartegen is een niet onderwezen gewoon mens niet in staat afkeer te koesteren, onverschillig ertegen te worden, is niet in staat zich ervan los te maken.

En waarom? – Omdat de niet onderwezen gewone mens lange tijd ernaar heeft gestreefd, gewenst, verlangd: 'Dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.'

Men kan beter het lichaam als zelf aannemen, maar niet het denken.

En waarom? – Men ziet dat het lichaam een jaar, twee jaren, 3 – 4 – 5 -10 – 20 – 50 – 80 - 100 jaren of nog langer bestaat. Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daar ontstaat 's nachts en overdag het ene en iets anders wordt opgeheven.80

Zoals een aap een tak grijpt en weer loslaat en een andere tak grijpt. Evenzo is het met denken, geest en bewustzijn. Het ene ontstaat en het andere wordt opgeheven.


Maar een onderwezen vrome volgeling overweegt de wet van oorzakelijk ontstaan goed en grondig. Als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dit niet is, volgt dat niet.

Uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere. D.w.z. uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de formaties. (etc)

Op zo'n manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de formaties. Uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn (etc).

Op zo'n manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.


Wanneer een onderwezen vrome volgeling zo ziet, dan vat hij afkeer tegen de vorm, vat afkeer tegen het gevoel, vat afkeer tegen de waarneming, vat afkeer tegen de formaties, vat afkeer tegen het bewustzijn.

En wanneer hij afkeer vat, wordt hij kalm, koel, en ten gevolge van de kalmte maakt hij zich los.

Wanneer hij zich heeft losgemaakt, ontstaat in hem het inzicht: 'ik heb me losgemaakt.' Hij ziet in dat geboorte vernietigd is, dat het heilige leven geleefd is. Voltooid is wat te doen was; niets meer heeft hij verder te maken met werelds bestaan.


S.XII.62 = S.12.62.

Te Savatthi.

Ten gevolge van een aanraking met iets dat vol begeerte te ervaren is, ontstaat een gevoel vol begeerte. Na opheffing van die aanraking met iets dat vol begeerte is, zal ook het gevoel dat door aanraking is ontstaan, worden opgeheven.

Ten gevolge van contact met iets dat smartelijk te ervaren is, ontstaat een smartelijk gevoel. Na opheffing van dat contact met wat als smartelijk te ervaren is, wordt ook het gevoel dat door dat contact veroorzaakt wordt, opgeheven.

Ten gevolge van een contact met iets dat niet aangenaam en niet onaangenaam te ervaren is, ontstaat een niet aangenaam noch onaangenaam gevoel. Na opheffing van dat contact wordt ook het gevoel dat door dat contact veroorzaakt is, opgeheven.

S.XII.63 = S.12.63.

Er zijn vier voedingsstoffen voor wezens die al geboren zijn en voor wezens die naar geboorte zoeken, nl.

  1. eetbare spijs, grof of fijn;

  2. aanraking, contact;

  3. het denken van de geest;

  4. bewustzijn.


(1) Eetbare spijzen moeten beschouwd worden als vlees van de eigen zoon. Men moet die spijzen eten zonder er vreugde en genot aan hebben; maar alleen tot behoud van het lichaam.

Wanneer eetbare spijs juist is onderkend, is ook de begeerte naar de vijfvoudige zintuiglijke genietingen juist onderkend. Wanneer de begeerte naar de vijfvoudige genietingen juist is onderkend, dan zijn er ook geen boeien waardoor een vrome volgeling weer in deze wereld zou terugkeren.


(2) Aanraking moet beschouwd worden als de open gescheurde huid van een koe. Steeds heeft die koe last van diertjes die in en aan de huid eten.

Wanneer het voedsel aanraking juist is onderkend, zijn ook de drie vormen van gevoel juist onderkend. Wanneer de drie vormen van gevoel juist zijn onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.


(3) Het denken van de geest moet beschouwd worden als een diepe kuil met gloeiende kolen. Men doet alle moeite om er niet in te vallen.

Wanneer het voedsel denken van de geest juist is onderkend, zijn ook de drie vormen van dorst juist onderkend. Wanneer de drie vormen van dorst juist zijn onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.


(4) Bewustzijn moet beschouwd worden als de pijnlijke straf voor een misdadiger.

Wanneer het voedsel bewustzijn juist is onderkend, is ook naam en vorm juist onderkend. Wanneer naam en vorm juist is onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.


S.XII.64 = S.12.64.

Er zijn vier voedingsstoffen voor wezens die al geboren zijn en voor wezens die naar geboorte zoeken, nl.

  1. eetbare spijs, grof of fijn;

  2. aanraking, contact;

  3. het denken van de geest;

  4. bewustzijn.


Wanneer begeerte naar het voedsel eetbare spijs aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen.81 Waar het bewustzijn een steunpunt gevonden heeft en tot groei gekomen is, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel aanraking aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel denken van de geest aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel bewustzijn aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.


Wanneer naar eetbare spijs, naar aanraking, naar denken van de geest en naar bewustzijn geen begeerte aanwezig is, wanneer geen vreugde eraan aanwezig is, wanneer geen dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn geen steunpunt gevonden en is niet tot groei gekomen. Waar het bewustzijn geen steunpunt gevonden heeft en niet tot groei gekomen is, daar verschijnt geen naam en vorm. Waar naam en vorm niet verschijnen, daar vindt geen vermeerdering van de formaties plaats. Waar geen vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt geen wedergeboorte en nieuw ontstaan. Waar geen wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar komen geen geboorte, ouderdom en dood. Waar geen geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is vrij van pijn, angst, wanhoop.


S.XII.65 = S.12.65.

Oorzakelijk ontstaan

en het edele achtvoudige pad


S.XII.66-67 = S.12.66-67.

Oorzakelijk ontstaan


S.XII.68 = S.12.68.

Behalve vertrouwen in de Boeddha, welbehagen in de leer, herhalen van het gehoorde, overwegen van de leer, en geestelijke verdieping in juist inzicht had de eerwaarde Musila ook inzicht in oorzakelijk ontstaan.

Maar de eerwaarde Musila was toen nog geen arahant.

S.XII.69 = S.12.69.

Oorzakelijk ontstaan/vergaan


S.XII.70 = S.12.70.

De magische krachten


Niet alle arahants hebben de magische krachten. Degenen die door inzicht bevrijd zijn,82 hebben die krachten niet.

Eerst komt het weten van de wetmatigheid, daarna komt het weten van Nibbana.

Vorm is niet blijvend, is vergankelijk.

Wat niet blijvend, wat vergankelijk is, dat is vol lijden. 'Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.'

Gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – ze zijn niet blijvend, zijn vergankelijk. Men moet juist denken: 'Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. '

Zo ziende ondervindt een goed onderwezen edele volgeling van de Boeddha afkeer t.o.v. vorm, t.o.v. waarneming, t.o.v. formaties, t.o.v. bewustzijn. Zo wordt hij onverschillig. Ten gevolge daarvan wordt hij bevrijd. Het weten ontstaat in de bevrijde: 'Dat is bevrijding; geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd; gedaan is wat gedaan moest worden; niets meer heb ik verder te maken met werelds bestaan.'


(Dan volgt de keten van oorzakelijk ontstaan/oorzakelijk opheffen).


            S.XII.71-81 = Samana-Brāhmana-Vagga – van samanas en brahmanen 


            S.XII.82-93 = Antara-peyyāla-Vagga – van de afgekorte stukken 



S.XIII = S.13. Abhisamaya-Samyutta

De aansporing om de belemmeringen volledig te verwijderen.83 Elf suttas. (S.XIII.1-11)


S.13.1-11. Stroomintrede

Degene die in de stroom is getreden, wordt ten hoogste nog 7x herboren. Zijn/haar lijden is nagenoeg voorbij.


S.XIV = S.14 . Dhātu-Samyutta.

De beschrijving van fysieke, mentale en abstracte elementen. 39 suttas. (S.XIV.1-39)


[Zie: Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden. 4. De elementen I, en 7. Soort zoekt soort, en

10, De elementen II.]


            S.XIV.1–10 = Nānattavagga – het eerste deel - het deel van de verscheidenheid 


S.XIV.1 = S.14.1

Er zijn verschillende elementen.

Het element oog (zien), het element vorm, het element bewustzijn van het zien.

Het element oor (horen), het element geluid, het element bewustzijn van het horen.

Het element neus (ruiken), het element geur, het element bewustzijn van het ruiken.

Het element tong (proeven), het element smaak, het element bewustzijn van het proeven.

Het element lichaam (voelen), het element voelbaar voorwerp, het element bewustzijn van het lichaam.

Het element geest (denken), het element gedachte, het element bewustzijn van het denken.


S.XIV.2 = S.14.2. Contact

Ten gevolge van de verschillende elementen ontstaat verscheidenheid van contact.

Ten gevolge van het element zien ontstaat het contact van het zien.

Ten gevolge van het element horen ontstaat het contact van het horen.

Ten gevolge van het element ruiken ontstaat het contact van het ruiken.

Ten gevolge van het element proeven ontstaat het contact van het proeven.

Ten gevolge van het element voelen ontstaat het contact van het voelen.

Ten gevolge van het element denken ontstaat het contact van het denken.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen de verscheidenheid van de contacten.


S.XIV.3 = S.14.3.

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten. Maar niet andersom. Uit de verscheidenheid van de contacten ontstaat niet de verscheidenheid van de elementen.


S.XIV.4 = S.14.4.

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten.

Ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen).

En hoe ontstaat dat alles? –

Ten gevolge van het element zien ontstaat het contact van het zien. Ten gevolge van het contact van het zien ontstaat het gevoel dat door het contact van het zien veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element horen ontstaat het contact van het horen. Ten gevolge van het contact van het horen ontstaat het gevoel dat door het contact van het horen veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element ruiken ontstaat het contact van het ruiken. Ten gevolge van het contact van het ruiken ontstaat het gevoel dat door het contact van het ruiken veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element proeven ontstaat het contact van het proeven. Ten gevolge van het contact van het proeven ontstaat het gevoel dat door het contact van het proeven veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element voelen ontstaat het contact van het voelen. Ten gevolge van het contact van het voelen ontstaat het gevoel dat door het contact van het voelen veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element denken ontstaat het contact van het denken. Ten gevolge van het contact van het denken ontstaat het gevoel dat door het contact van het denken veroorzaakt is.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen de verscheidenheid van de contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen).


S.XIV.5 = S.14.5.

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen). Maar niet andersom.


S.XIV.6 = S.14.6.

De verscheidenheid der elementen vorm, geluid, geur, smaak, voelbaar voorwerp, en gedachte.

S.XIV.7 = S.14.7.

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat verscheidenheid van de voorstelling. Ten gevolge van de verscheidenheid van de voorstelling ontstaat verscheidenheid van het willen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het willen ontstaat verscheidenheid van de begeerte. Ten gevolge van de verscheidenheid van de begeerte ontstaat verscheidenheid van het vurig verlangen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het vurig verlangen ontstaat verscheidenheid van het opzoeken.

Hoe ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen verscheidenheid van de voorstelling? En hoe ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid van de voorstelling verscheidenheid van het willen … de begeerte …. vurig verlangen … opzoeken?


Ten gevolge van het element vorm ontstaat voorstelling van vorm. Ten gevolge van de voorstelling van vorm ontstaat willen van vorm. Ten gevolge van het willen van vorm ontstaat begeerte naar vorm. Ten gevolge van begeerte naar vorm ontstaat vurig verlangen naar vorm. Ten gevolge van vurig verlangen naar de vorm ontstaat opzoeken van de vorm.

Ten gevolge van het element geluid ontstaat voorstelling van geluid. Ten gevolge van de voorstelling van geluid ontstaat willen van geluid. Ten gevolge van het willen van geluid ontstaat begeerte naar geluid. Ten gevolge van begeerte naar geluid ontstaat vurig verlangen naar geluid. Ten gevolge van vurig verlangen naar geluid ontstaat opzoeken van geluid.

Ten gevolge van het element geur ontstaat voorstelling van geur. Ten gevolge van de voorstelling van geur ontstaat willen van geur. Ten gevolge van het willen van geur ontstaat begeerte naar geur. Ten gevolge van begeerte naar geur ontstaat vurig verlangen naar geur. Ten gevolge van vurig verlangen naar geur ontstaat opzoeken van geur.

Ten gevolge van het element smaak ontstaat voorstelling van smaak. Ten gevolge van de voorstelling van smaak ontstaat willen van smaak. Ten gevolge van het willen van smaak ontstaat begeerte naar smaak. Ten gevolge van begeerte naar smaak ontstaat vurig verlangen naar smaak. Ten gevolge van vurig verlangen naar smaak ontstaat opzoeken van smaak.

Ten gevolge van het element voelbaar object ontstaat voorstelling van voelbaar object. Ten gevolge van de voorstelling van voelbaar object ontstaat willen van voelbaar object. Ten gevolge van het willen van voelbaar object ontstaat begeerte naar voelbaar object. Ten gevolge van begeerte naar voelbaar object ontstaat vurig verlangen naar voelbaar object. Ten gevolge van vurig verlangen naar voelbaar object ontstaat opzoeken van voelbaar object.

Ten gevolge van het element gedachte ontstaat voorstelling van gedachte. Ten gevolge van de voorstelling van gedachte ontstaat willen van gedachte. Ten gevolge van het willen van gedachte ontstaat begeerte naar gedachte. Ten gevolge van begeerte naar gedachte ontstaat vurig verlangen naar gedachte. Ten gevolge van vurig verlangen naar gedachte ontstaat opzoeken van gedachte.


Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen verscheidenheid van de voorstelling, van het willen, van de begeerte, van vurig verlangen, verscheidenheid van opzoeken.


S.XIV.8 = S.14.8.

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat verscheidenheid van de voorstelling, van het willen, van de begeerte, van vurig verlangen, verscheidenheid van opzoeken. Maar het is niet andersom.


            S.XIV.11-22 Dutiya vagga het tweede deel 

            S.XIV.23–29 = Kammapathavagga – derde deel – het deel van het pad van handelen 


S.XIV.11 = S.14.11. De zeven

Te Savatthi. Zeven meditatieve verdiepingen.


Zeven elementen zijn er, namelijk: het element lichtglans, het element mooi, het element sfeer van ruimte-oneindigheid, het element sfeer van bewustzijnsoneindigheid, het element sfeer van nietsheid, het element sfeer waar geen voorstelling noch niet voorstelling is, het element opheffing van voorsteling en gevoel. Dat zijn de zeven elementen.

Hoe komen die elementen te voorschijn?

  Het element lichtglans komt te voorschijn ten gevolge van de duisternis.84

Het element iets moois komt te voorschijn ten gevolge van iets dat niet mooi is.

Het element sfeer van ruimte-oneindigheid komt te voorschijn ten gevolge van de vorm.85

Het element sfeer van bewustzijnsoneindigheid komt te voorschijn ten gevolge van de sfeer van ruimteoneindigheid.

Het element sfeer van nietsheid komt te voorschijn ten gevolge van de sfeer van bewustzijnsoneindigheid.

Het element sfeer waar geen voorstelling noch niet voorstelling is, komt te voorschijn ten gevolge van de sfeer van nietsheid.

Het element opheffing van voorstelling en gevoel komt te voorschijn ten gevolge van de opheffing.86


Die voorgaande elementen, als wat voor bereiking kunnen ze verkregen worden?

  De elementen lichtglans tot en met het element nietsheid kunnen verkregen worden als resultaat van de meditatieve voorstelling.

Het element sfeer waar geen voorstelling is noch niet voorstelling, kan verkregen worden als 'het bereiken van de laatste rest der formaties'.

Het element opheffing van voorstelling en gevoel kan verkregen worden als 'het bereiken van de opheffing'.

S.XIV.12 = S.14.12.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van zinnelijke lust (kāma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van boosheid (vyāpāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van gewelddadigheid; ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Hoe ontstaan zulke gedachten?


Ten gevolge van het element zinnelijke lust ontstaat de voorstelling van zinnelijke lust. Ten gevolge van de voorstelling van zinnelijke lust ontstaat het willen van de zinnelijke lust. Ten gevolge van het willen van de zinnelijke lust ontstaat begeerte naar zinnelijke lust. Ten gevolge van begeerte naar zinnelijke lust ontstaat vurig verlangen naar zinnelijke lust. Ten gevolge van het vurig verlangen naar zinnelijke lust ontstaat opzoeken van de zinnelijke lust.

De niet onderwezen gewone mens die zinnelijke lust opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element boosheid ontstaat de voorstelling van boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van boosheid ontstaat het willen van de boosheid. Ten gevolge van het willen van de boosheid ontstaat begeerte naar boosheid. Ten gevolge van begeerte naar boosheid ontstaat vurig verlangen naar boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar boosheid ontstaat opzoeken van de boosheid.

De niet onderwezen gewone mens die boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van gewelddadigheid ontstaat het willen van de gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van de gewelddadigheid ontstaat begeerte naar gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar gewelddadigheid ontstaat opzoeken van de gewelddadigheid.

De niet onderwezen gewone mens die gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Wie deze verkeerde soorten van gedrag niet opgeven, verwijderen, die hebben in dit leven al pijn en leed en wanhoop. En na de dood is een bestaan in lijden te verwachten.


Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van ontzegging (nekkhhamma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-boosheid (avyapāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-gewelddadigheid (avihimsā-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Hoe ontstaan zulke gedachten?


Ten gevolge van het element ontzegging ontstaat de voorstelling van ontzegging. Ten gevolge van de voorstelling van ontzegging ontstaat het willen van de ontzegging. Ten gevolge van het willen van de ontzegging ontstaat begeerte naar ontzegging. Ten gevolge van begeerte naar ontzegging ontstaat vurig verlangen naar ontzegging. Ten gevolge van het vurig verlangen naar ontzegging ontstaat opzoeken van ontzegging.

De onderwezen edele volgeling die ontzegging opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.


Ten gevolge van het element niet-boosheid ontstaat de voorstelling van niet-boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-boosheid ontstaat het willen van niet-boosheid. Ten gevolge van het willen van niet-boosheid ontstaat begeerte naar niet-boosheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-boosheid ontstaat vurig verlangen naar niet-boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-boosheid ontstaat opzoeken van niet-boosheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element niet-gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-gewelddadigheid ontstaat het willen van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van niet-gewelddadigheid ontstaat begeerte naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid ontstaat opzoeken van niet-gewelddadigheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.


Allen die verkeerde voorstellingen die bij hen ontstaan, direct opgeven, verwijderen, die leven hier in dit leven al gelukkig. En na de dood is een gelukkig bestaan te verwachten.


S.XIV.13 = S.14.13.

Het element onwetendheid is heel groot.

Ten gevolge van een laag element ontstaat een lage voorstelling, een lage gedachte, laag wensen, een lage persoonlijkheid, laag taalgebruik. Wat laag is deelt hij mee. Laag is zijn wedergeboorte.

Ten gevolge van een middelmatig element ontstaat een middelmatige voorstelling, een middelmatige gedachte, middelmatig wensen, een middelmatige persoonlijkheid, middelmatig taalgebruik. Wat middelmatig is deelt hij mee. Middelmatig is zijn wedergeboorte.

Ten gevolge van een voortreffelijk element ontstaat een voortreffelijke voorstelling, een voortreffelijke gedachte, voortreffelijk wensen, een voortreffelijke persoonlijkheid, voortreffelijk taalgebruik. Wat voortreffelijk is deelt hij mee. Voortreffelijk is zijn wedergeboorte.


S.XIV.14 = S.14.14.

Te Sāvatthī. De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen. Degenen met lage neigingen komen samen met anderen die lage neigingen hebben. Degenen met voortreffelijke neigingen komen samen met anderen die voortreffelijke neigingen hebben.

Dat was vroeger zo. Ook in de toekomst zal dat zo zijn. En ook tegenwoordig is dat zo.


S.XIV.15 = S.14.15.

Eens vertoefde de Verhevene te Râjagaha op de berg Gijjhakûta. In de buurt liep toen de eerwaarde Sâriputta met talrijke monniken heen en weer. En ook de eerwaarden Mahâ-Moggallana, Mahâ-Kassapa, Anuruddha, Punna, de zoon van Mantâni, Upâli, en Ananda liepen er in de buurt met talrijke monniken heen en weer.

En ook Devadatta liep er met talrijke monniken heen en weer.

De Verhevene sprak toen tot de monniken:

'Alle monniken die met de eerwaarde Sariputta heen en weer lopen zijn begiftigd met hoog inzicht.

Alle monniken die met de eerwaarde Moggallana heen en weer lopen, zijn begiftigd met hoge bovennatuurlijke krachten.

Alle monniken die met de eerwaarde Maha Kassapa heen en weer lopen houden zich aan de strenge praktijken.

Alle monniken die met de eerwaarde Anuruddha heen en weer lopen, bezitten het hemelse oog.

Alle monniken die met de eerwaarde Punna heen en weer lopen zijn verkondigers van de leer.

Alle monniken die met de eerwaarde Upali heen en weer lopen zijn kenners van de regels (van discipline).

Alle monniken die met de eerwaarde Ananda heen en weer lopen zijn goed onderwezen.

En alle monniken die met Devadatta heen en weer lopen zijn kwaadaardig.

Want de wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk.


S.XIV.16-29 = S.14.16-29

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk.

Vermijdt de trage die een zwakke wil ontplooit.

Sluit je aan bij de edelen die eenzaam leven, met vastbesloten geest, die meditatieve verdieping uitoefenen, die hun wilskracht inspannen.

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich verkeerd moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen.

Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens met nauwgezette; fijngevoeligen met fijngevoeligen; goed onderwezenen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen.


            S.XIV.30–39 = Catuttha vagga – vierde deel – de vier elementen 


S.XIV.30-39 = S.14.30-39

Er zijn vier elementen, nl. aarde, water, vuur en lucht. (S.14.30) – Wat is het aangename ervan, wat is het nadelige ervan en wat is het ontkomen eraan?

Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename ervan.

Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat ten gevolge van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan.

Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.

Als er bij die elementen niets aangenaams was, zouden de wezens er geen welbehagen in vinden.

Als er bij die elementen niets nadeligs was, zouden de wezens er geen afkeer van hebben.

Als er bij die elementen geen ontkomen was, zouden de wezens er niet aan ontkomen.

Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang zijn zij nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan, zijn er dan nog niet van losgeraakt, afgescheiden.

Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

Wanneer de elementen alleen maar lijden waren, gevolgd door lijden, begeleid door lijden, wanneer ze niet ook begeleid werden door lust, dan zouden de wezens geen welgevallen eraan vinden. Maar ze zijn begeleid door lust en daarom vinden de wezens er welbehagen aan.

Wanneer de elementen alleen maar lust waren, begeleid door lust, wanneer ze niet ook door lijden begeleid werden, dan zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Maar ze zijn begeleid door lijden en daarom vinden de wezens er afkeer van. (S.14.34)


Wie vreugde heeft aan de elementen, die heeft vreugde aan het lijden. En die is niet bevrijd van lijden. Wie geen vreugde heeft aan de elementen, die heeft geen vreugde aan het lijden. En die is bevrijd van lijden. (S.14.35)


Het ontstaan van de elementen dat is ontstaan van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood.

De opheffing van de elementen, het tot rust komen ervan, dat is de opheffing van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood. (S.14.36)


Wie bij de vier elementen het aangename, het schadelijke en het ontkomen niet overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die hebben het doel niet bereikt.

Maar wie bij de vier elementen het aangename, het schadelijke en het ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die hebben het doel begrepen en verwerkelijkt. (S.14.37-38).

Wie de elementen niet kent, wie de oorsprong ervan niet kent, wie de opheffing ervan niet kent en wie het pad niet kent dat voert naar de opheffing ervan, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie de elementen wel kent, de oorsprong ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, die heeft het doel door eigen inzicht bereikt. (S.14.39)



S.XV = S.15. Anamatagga-Samyutta

Over het ontelbare begin (van samsāra).87 20 suttas. (S.XV.1-20)

            S.XV.1-10 = 1e deel


Het begin van de kringloop van geboorten is onbekend. Men kent geen eerste begin van de wezens die door onwetendheid gevangen zijn in de boei van de dorst. (S.15.1-4)


De lengte van een aeon (wereldperiode) is niet gemakkelijk uit te rekenen. Als iemand om de honderd jaren een grote berg aanraakte met een zijden doekje, dan zou die berg sneller ten einde komen dan een aeon. Of, als er een plek was van 1 km lang, 1 km breed en 1 km hoog, gevuld met mosterdzaadjes. Als nu iemand om de honderd jaar één zaadje wegneemt, dan zouden die zaadjes opgebruikt zijn, verdwenen voordat een aeon ten einde is.

En veel aeonen, honderden, duizenden, werden doorlopen, en wel omdat het begin van geboorte onbekend is. (S.15.5-6)

Hoeveel aeonen er al doorlopen zijn, maken de volgende gelijkenissen duidelijk. Er waren eens vier leerlingen, ieder honderd jaren oud. Zij herinnerden zich elke dag aan 100.000 aeonen. En op een leeftijd van honderd jaar stierven zij. Zoveel aeonen zijn al doorlopen. Het is niet gemakkelijk ze uit te rekenen. Of, de zandkorrels tussen de oorsprong van de Ganges en de plek waar ze in de zee uitmondt, zijn niet gemakkelijk uit te rekenen. Nog veel meer aeonen zijn al doorlopen. (S.15.7-8).


Het begin van de kringloop van bestaan is onbekend. Juist zoals een stok die in de lucht omhoog gegooid is, nu eens met het benedeneinde op de grond valt, dan weer met het boveneinde, en dan weer met het middenstuk, evenzo komen de wezens die in de hindernis van onwetendheid, in de boei van de dorst gevangen zijn en die van geboorte naar geboorte rondtrekken, nu eens uit deze wereld in een andere wereld en dan weer uit een andere wereld in deze wereld. En wel omdat de oorsprong van de geboorten onbekend is. Op die manier hebben jullie lange tijd lijden en pijn ondervonden, is verlies geleden, is het lijkenveld toegenomen. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.(S.15.9).


S.XV.10 = S.15.10.

Te Rājagaha op de Gijjhakūta berg. Het begin van de kringloop van bestaan is onbekend. Als iemand een aeon rondging (van geboorte naar geboorte), dan zou een hoop beenderen ontstaan zo groot als de Vepullaberg, indien die beenderen niet zouden vergaan.

Maar wanneer men de heilige waarheden op de juiste manier inziet, namelijk lijden, ontstaan ervan, overwinning ervan, het edele achtvoudige pad dat naar de overwinning ervan voert, dan zal men ten hoogste nog zeven keer wedergeboren, en dan aan het lijden een einde maken. (bijna gelijkluidend in It. nr. 24).


            S.XV.11-20 = Dutiya vagga – tweede deel 


S.XV.13 = S.15.13.

Te Rajagaha. Dertig Bhikkhus van Pava die er in de wildernis leefden, die van aalmoezen leefden, in lompen gekleed waren, die maar drie gewaden bezaten, maar allen nog gevangen in boeien, gingen op bezoek bij de Verhevene. Bij hem kwam toen de gedachte op dat zij allen nog geboeid waren en dat hij hun de leer zo moest uitleggen dat zij door niet-hechten bevrijd werden van wereldse invloeden. En hij sprak:

"Een begin van de kringloop der geboorten is onbekend. Er is in die lange tijd meer bloed van jullie vergoten door onthoofden dan het water in de vier oceanen.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als runderen geslacht werden.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als buffels, schapen, geiten, antilopen, hanen, varkens geslacht werden.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als misdadigers, wegens plundering van dorpen, wegens struikroverij, wegens verkrachting van vrouwen door anderen werden gevangen en onthoofd werden.

Waarom? - Het begin van deze kringloop van bestaan is onbekend. Op die manier hebben jullie lange tijd lijden en pijn ondervonden, is verlies geleden, is het lijkenveld toegenomen. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

De bhikkhus verheugden zich over de woorden van de Verhevene. Het denken van de bhikkhus van Pava werd door niet hechten bevrijd van de wereldse invloeden.


S.XV.14-19 = S.15.14-19.

Te Sāvatthī. Onbekend is het begin van deze kringloop van bestaan. Er is geen wezen te vinden dat niet vroeger eens moeder, vader, broer, zus, zoon, dochter is geweest tijdens die lange tijd.

S.XV.20 = S.15.20.

Eens vertoefde de Verhevene te Rajagaha op de Gijjhakūtaberg. Hij sprak er de monniken toe.

Onbekend is het begin van de kringloop van de geboorten. Men kent geen eerste begin bij de wezens die, gevangen in de hindernis van onwetendheid, in de boei van de dorst, van geboorte tot geboorte rondgaan.

Eens, lang geleden, had deze Vepullaberg de naam Pācīnavamsa gekregen. In die tijd hadden de mensen die er woonden, de naam van de Tivara mensen gekregen. Hun levensspanne bedroeg 40.000 jaren. De Tivara mensen hadden vier dagen nodig om de Pācīnavamsaberg omhoog te gaan en vier dagen om weer af te dalen.

In die tijd was in de wereld de Verheven Boeddha Kakusandha verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingenpaar met naam Vidhura en Sajiva.

De naam van die berg is verdwenen en die mensen zijn gestorven, en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.


Eens, lang geleden, had deze Vepullaberg de naam Vankaka gekregen. In die tijd hadden de er wonende mensen de naam van de Rohitassā gekregen. De levensspanne van hen bedroeg 30.000 jaren. De Rohitassa mensen hadden drie dagen nodig om de Vankakaberg omhoog te gaan en drie dagen om weer naar beneden te komen.

In die tijd was in de wereld de verheven Boeddha Konagamana verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingenpaar met naam Bhiyyosa en Uttara.

De naam van die berg hier is verdwenen, die mensen zijn gestorven, en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.


Eens, lang geleden, had deze Vepullaberg de naam Supassa gekregen. De er wonende mensen hadden de naam van de Suppiyā gekregen. Hun levensspanne was 20.000 jaren. De Suppiya mensen hadden twee dagen nodig om de Supassaberg omhoog te gaan en twee dagen om weer naar beneden te komen.

In die tijd was in de wereld de Verheven Boeddha Kassapa verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingenpaar, met naam Tissa en Bhāradvāja.

De naam van die berg hier is verdwenen, die mensen zijn gestorven en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.


In de tegenwoordige tijd heeft deze Vepullaberg de naam Vepulla gekregen. De hier wonende mensen hebben de naam van de Māgadhakā gekregen. Hun levensspanne is gering, weinig; wie lang leeft, die leeft honderd jaren of een beetje meer. De Māgadhaka mensen hebben een ogenblik nodig om de Vepullaberg omhoog te gaan en een ogenblik om weer naar beneden te komen.

Thans ben ik in de wereld verschenen, de volmaakt Verlichte. Ik heb een vortreffelijk leerlingenpaar met naam Sāriputta en Moggallāna.

Er zal echter een tijd komen waarin de naam van deze berg zal verdwijnen, deze mensen zullen sterven en ik zal in het volmaakte Nibbana ingaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden."


Zo sprak de Verhevene. En verder zei hij: "Onstandvastig, vergankelijk voorwaar zijn de formaties; ze zijn aan de wet van ontstaan en vergaan onderhevig. Nadat zij zijn ontstaan, gaan zij onder. De uitdoving ervan is vol zegen.


S.XVI = S.16. Kassapa-Samyutta

Over de eerwaarde Kassapa. 13 suttas. (S.XVI.1-13)


S.XVI.1 = S.16.1. (S.II.195)

Te Savatthi. De Boeddha spreekt tot de monniken over de eerwaarde Maha Kassapa.

"Kassapa is tevreden met elk gewaad. Hij doet geen onpassende dingen om een gewaad te krijgen. Als hij geen gewaad heeft gekregen, mist hij dat niet. En als hij een gewaad heeft ontvangen, geniet hij ervan zonder begeerte. Hij houdt het nadelige ervan in het oog, en kent de manier waarop hij (aan de boeien) kan ontkomen.

Kassapa is tevreden met elk aalmoes. Hij is tevreden met elke slaapplaats. Hij is tevreden met elke uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken. - Hij doet geen onpassende dingen om een aalmoes, een slaapplaats, gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen te krijgen. Als hij niets heeft gekregen, mist hij dat niet. En als hij iets heeft ontvangen, geniet hij ervan zonder begeerte. Hij houdt het nadelige ervan in het oog, en kent de manier waarop hij (aan de boeien) kan ontkomen.

Daarom, monniken, moeten jullie oefenen op gelijke manier.

S.XVI.2 = S.16.2. (S.II.197)

Eens vertoefden de eerwaarde Maha Kassapa en de eerwaarde Sariputta te Varanasi, te Isipatana, in het antilopenpark. In de avond stond de eerwaarde Sariputta op uit eenzame meditatie en ging naar de eerwaarde Maha Kassapa. Hij begroette hem, ging terzijde zitten en sprak hem als volgt toe.

"Kassapa, men zegt dat iemand die niet ijverig en niet fijngevoelig is, niet in staat is om de volmaakte verlichting te verkrijgen. Maar wie ijverig en fijngevoelig is, die is in staat om de volmaakte verlichting, de onvergelijkbare innerlijke vrede, te verkrijgen.

In hoeverre nu is men niet ijverig en niet fijngevoelig; in hoeverre is men niet in staat om nibbana te verwerkelijken? En in hoeverre is men dat wel?

Een bhikkhu spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het wel ontstaat, tot nadeel zijn." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die niet ijverig is.


En hoe is men iemand die niet fijngevoelig is? – Een bhikkhu heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij, als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die geen fijngevoel heeft.


Op deze manier is men niet ijverig, niet fijngevoelig, niet in staat om de volmaakte verlichting te verkrijgen, niet in staat om de onvergelijkbare innerlijke vrede te verwerven.


En hoe is men iemand die ijverig is?

Een bhikkhu spant zich ijverig in als hij denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het wel ontstaat, tot nadeel zijn." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die ijverig is.


En hoe is men iemand die fijngevoelig is? – Een bhikkhu heeft fijngevoel als hij denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij, als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die fijngevoel heeft.

Op deze manier is men ijverig, fijngevoelig, in staat om de volmaakte verlichting te verkrijgen, in staat om de onvergelijkbare innerlijke vrede te verwerven.


S.XVI.3 = S.16.3. (S.II.198)

Te Savatthi. De Boeddha sprak er de monniken als volgt toe.

"Zoals de maan moeten jullie de gezinnen opzoeken bij het vergaren van aalmoezen, het lichaam verre houdend, de geest verre houdend, steeds weer welkom, nooit onbescheiden."

"Kassapa zoekt de gezinnen op zoals de maan. Hij houdt het lichaam verre, houdt de geest verre, is steeds weer welkom bij de gezinnen, is nooit onbescheiden."

"Net zoals mijn hand niet hecht aan de lucht, niet door de lucht vastgehouden wordt, evenzo is een bhikkhu wiens denken niet aan de gezinnen hecht wanneer hij de gezinnen op de aalmoezengang opzoekt, wiens denken door de gezinnen niet vastgehouden wordt. Hij denkt dan: 'Zij die winst wensen, mogen zij winnen; zij die verdiensten wensen, mogen zij verdienstelijke werken doen.' Hij gaat rond met een tevreden hart en blij over de winst van anderen, net zoals hij een tevreden hart heeft en blij is over de eigen winst.

Een dergelijke bhikkhu mag de gezinnen opzoeken.


Als Kassapa (bij de aalmoezengang) de gezinnen opzoekt, dan hecht zijn denken niet aan de gezinnen, wordt door hen niet vastgehouden. Hij denkt dan: 'Zij die winst wensen, mogen zij winnen; zij die verdiensten wensen, mogen zij verdienstelijke werken doen.' Hij gaat rond met een tevreden hart en blij over de winst van anderen, net zoals hij een tevreden hart heeft en blij is over de eigen winst."


En verder sprak de Boeddha: "Monniken, welke leerrede is niet zuiver en welke is wel zuiver? – Wanneer een bhikkhu de leer verkondigt met de gedachte: 'Anderen horen van mij de leer, en wanneer zij van mij de leer gehoord hebben, mogen zij er dan welbehagen aan vinden; en wanneer zij er welgevallen aan gevonden hebben, mogen zij dan zo doen als degenen die welgevallen eraan gevonden hebben [d.w.z. mogen zij dan gewaden en gebruiksvoorwerpen schenken]. De leerrede van een dergelijke bhikkhu is niet volmaakt zuiver."

Maar wanneer een bhikkhu de leer aan anderen verkondigt met de gedachte: 'De Verhevene heeft de leer goed uitgelegd, ze heeft al in de tegenwoordige tijd haar uitwerking, ze is tijdloos, ze nodigt uit tot onderzoek, leidt naar het doel, is door wijzen op eigen kracht te begrijpen. Welnu, de anderen mogen van mij de leer horen. En wanneer ze die leer gehoord hebben, mogen zij de leer dan begrijpen. En wanneer zij de leer begrepen hebben, mogen zij dan ernaar streven zo te worden (zoals de leer het voorschrijft). Hij preekt de leer aan anderen uit mededogen, uit medelijden. De leerrede van een dergelijke bhikkhu is volkomen zuiver.

Bhikkhus, Kassapa preekt de leer aan anderen uit mededogen, uit medelijden. Met het voorbeeld van Kassapa wil ik jullie vermanen. Streeft ernaar zo te worden als Kassapa of zoals iemand die gelijk is aan Kassapa."


S.XVI.4 = S.16.4. (S.II.201)

Te Savatthi. De Boeddha sprak er tot de bhikkhus wie een gezinnenbezoeker88 mag worden en wie niet.

Als een monnik gezinnen opzoekt met de gedachte: "Mogen zij mij geven, mogen zij de gave niet weigeren, mogen zij mij veel geven, niet weinig; mogen zij mij iets voortreffelijks geven; mogen zij snel geven, niet langzaam; mogen zij met achting geven."

Als een monnik met zulke gedachten de gezinnen opzoekt en hij krijgt niets, dan wordt hij onwillig. Hij ondervindt op grond daarvan leed en droefheid. Evenzo als hij weinig krijgt, iets slechts krijgt, iets langzaam krijgt of onachtzaam. Hij wordt dan onwillig. Op grond daarvan ondervindt hij leed en droefheid. Een dergelijke monnik mag geen gezinnenbezoeker worden.

Maar wanneer een monnik de gezinnen opzoekt met de gedachten: "Hoe zou het toch mogelijk zijn bij andere gezinnen te denken: 'Mogen zij mij geven, mogen zij mij veel geven (etc).'

Wanneer de mensen hem dan bij de aalmoezenrondgang niets geven, dan wordt die monnik niet onwillig. Hij ondervindt op grond daarvan geen leed en geen droefheid. Een dergelijke monnik mag een gezinnenbezoeker worden.

Kassapa zoekt de gezinnen op met de laatstgenoemde gedachten. Als hij niets krijgt, is hij niet onwillig. Op grond daarvan ondervindt hij geen leed en geen droefheid.


Met het voorbeeld van Kassapa wil ik jullie vermanen. Streeft ernaar te worden zoals hij of iemand die op hem lijkt."


S.XVI.5 = S.16.5. (S.II.202)

Te Rajagaha in het bamboepark.

De eerwaarde Maha Kassapa ging naar de Boeddha toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha zei tot hem: "Kassapa, je bent oud geworden. De versleten lompenkleren zijn lastig voor je. Draag daarom gewaden die door leken geschonken zijn, geniet van hun uitnodigingen en woon in mijn nabijheid."

Kassapa: "Heer, ik ben al lang een bosbewoner en ik prijs het leven in een bos. Ik leef van aalmoezen en ik prijs dat leven. Ik ben iemand die [slechts] de drie gewaden bezit en prijs het bezit van drie gewaden. Ik ben tevreden en prijs de tevredenheid. Ik ben eenzaam en prijs de eenzaamheid. Ik ben zonder omgang en prijs een dergelijk leven. Ik ben energiek en prijs de energie."

De Boeddha: "Waarom ben je sedert lange tijd een bosbewoner (etc.)?"

Kassapa: "Vanwege twee omstandigheden, Heer; omwille van mijn eigen welbevinden in dit leven en uit medelijden met het latere geslacht. Misschien sluiten de latere geslachten zich aan bij de gedachte: 'Allen die discipelen van de Boeddha of van zijn navolgers waren, zijn lange tijd bosbewoners geweest en hebben het leven in een bos geprezen; zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen; zij droegen lompenkleren en hebben dat geprezen; zij droegen slechts drie gewaden en hebben het bezit van slechts drie gewaden geprezen; zij waren tevreden en prezen de tevredenheid; zij waren eenzaam en prezen de eenzaamheid; zij waren zonder omgang en prezen een celibatair leven; zij waren energiek en prezen de energie.' Het latere geslacht zal dan ernaar streven zo te worden; dat zal hen uiteindelijk tot heil en zegen strekken."

De Boeddha: "Goed, Kassapa. Je hebt gestreefd naar het heil en geluk van veel mensen, uit medelijden met de wereld, tot zegen, heil en geluk van goden en mensen. Daarom, Kassapa, houdt de versleten lompenkleren, ga op aalmoezenrondgang en leef in het bos."


S.XVI.6 = S.16.6. (S.II.203)

Te Rajagaha, in het bamboepark.

De eerwaarde Maha Kassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk [niet geduldig iets aan te nemen]. Ze tonen geen eerbied voor een toespraak. [Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak gehoord hebben].

Heer, ik heb twee monniken gezien die elkaar uitnodigden voor een wedstrijd wie van hen het beste kan preken, wie van hen meer, mooier en langer kan praten. Die twee monniken waren Bhanda, de celgenoot van Ananda, en Abhinjika, de celgenoot van Anuruddha."

De Boeddha vroeg toen aan een bhikkhu om die twee monniken te gaan halen. Die twee werden gehaald. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en gingen terzijde neerzitten.

De Verhevene vroeg of zij inderdaad elkaar hadden uitgenodigd voor een spreek-wedstrijd. De twee bhikkhus bevestigden het. De Verhevene zei: "Leggen jullie mijn leer zó uit dat jullie willen weten wie van jullie meer, mooier en langer kan praten?"

De twee bhikkhus: "Neen, Heer."

De Boeddha: "Waarom nodigden jullie elkaar dan uit voor zo'n wedstrijd?"

De twee bhikkhus wierpen zich voor de voeten van de Verhevene neer en zeiden dat zij een fout hadden gemaakt. Zij vroegen vergiffenis.

De Verhevene: "Het is van voordeel als iemand zijn fout als fout inziet, er volgens de voorschriften voor boet en verder ernaar streeft die fout niet meer te maken."


S.XVI.7 = S.16.7. (S.II.205)

Te Rajagaha, in het bamboepark.

De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk [niet geduldig iets aan te nemen]. Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak gehoord hebben."

Kassapa zei verder: "Alwie geen geloof heeft in het goede, wie niet nauwgezet is, wie geen fijngevoeligheid, energie en inzicht heeft in het goede, bij die persoon is elke dag en nacht afname in het goede te verwachten, geen toename.

Afname is het volgende: iemand die ongelovig is, gewetenloos, niet fijngevoelig, traag, onwijs, opvliegend, hatelijk, dat is teruggang. De bhikkhu die niet toegankelijk is voor een vermaning, dat is teruggang.

Maar wie geloof heeft in het goede, wie nauwgezet is, wie fijngevoeligheid, energie en inzicht in het goede bezit, bij die persoon is dag en nacht een toename in het goede te verwachten.

Vooruitgang is het volgende: iemand die gelovig is, nauwgezet, energiek, wijs, niet opvliegend, niet hatelijk, dat is vooruitgang. De bhikkhu die toegankelijk is voor een vermaning. Dat is vooruitgang."

De Boeddha zei: "Goed, Kassapa, goed." Hij herhaalde de woorden van Kassapa en bevestigde ze daarmee.


S.XVI.8 = S.16.8. (S.II.208)

Te Rajagaha, in het Kalandakanivapa.

De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken om tot hen te praten. Ze zijn niet geduldig iets aan te nemen. Ze tonen geen eerbied voor een toespraak.

De Boeddha: "Maar vroeger, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus bosbewoners geweest en hebben het bosleven geprezen. Zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij droegen lompenkleren en prezen het dragen van lompenkleren. Zij bezaten slechts drie gewaden en prezen het bezit van drie gewaden. Zij waren genoegzaam en hebben genoegzaamheid geprezen. Zij waren tevreden en hebben tevredenheid geprezen. Zij leefden alleen en hebben het alleen leven geprezen. Zij waren zonder seksuele omgang en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij waren energiek en hebben de energie geprezen.

Wanneer dan een bhikkhu die een bosbewoner was en het bosleven prees, of een bhikkhu die van aalmoezen leefde en dat leven prees, of iemand die lompenkleren droeg en het dragen ervan prees, of iemand die slechts drie gewaden bezat en het bezit ervan prees, of iemand die genoegzaam was en de genoegzaamheid prees, of iemand die tevreden was en de tevredenheid prees, of iemand die alleen leefde en dat leven prees, of iemand die zonder seksuele omgang was en dat leven prees, wanneer een bhikkhu energiek was en de energie prees, – dan plachten de eerwaarde bhikkhus hem uit te nodigen om te gaan zitten. Zij vroegen dan naar zijn naam en prezen hem, denkende dat hij naar onderricht verlangde.

Dan kwam bij de jonge bhikkhus de volgende gedachte op: "Wanneer een bhikkhu een bosbewoner is ...van aalmoezen leeft ...lompenkleren draagt ...slechts drie gewaden bezit. ..genoegzaam is. ..tevreden is. ..alleen leeft. ..geen seksuele omgang heeft ...energiek is ...en dat leven prijst, dan plegen de ouderlingen hem uit te nodigen om te gaan zitten. En die jonge bhikkhus zullen dan ernaar streven zoals die bosmonniken te worden. En dat zal hem lang tot heil en zegen strekken.

Maar tegenwoordig, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus geen bosbewoners meer en prijzen het leven in een bos niet. Zij leven niet van aalmoezen. ..dragen geen lompenkleren (etc) ...Zij zijn niet energiek en prijzen de energie niet.

Wanneer dan een bhikkhu welbekend is en beroemd, en wanneer hij gewaden, aalmoezenspijs, bed en uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken (rijkelijk) ontvangt, dan nodigen de eerwaarde bhikkhus hem uit om te gaan zitten. De jonge bhikkhus zien dat en bij hen komt de gedachte op dat beroemde bhikkhus uitgenodigd worden te gaan zitten. Zij streven er dan naar om zo te worden zoals die welbekende bhikkhus. En dat zal hen lang tot onheil en leed strekken.

Kassapa, terecht kan men dan zeggen: 'Schade hebben de vrienden van het heilige leven ondervonden door datgene wat het heilige leven schaadt,89 geteisterd zijn zij daardoor.'"


S.XVI.9 = S.16.9. (S.II.211)

Te Savatthi.

[De Boeddha:] "Ik, monniken, treed helemaal naar believen binnen in de eerste meditatieve verdieping (jhana), afgezonderd van zinnelijke begeerten, afgezonderd van het kwade. Die eerste jhana is verbonden met gedachten en overwegingen, is uit eenzaamheid ontstaan, maakt gelukkig vol vreugde. En ik verblijf daarin.90

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in de eerste jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, na het tot rust komen van gedachten en overwegingen, binnen in de tweede jhana. Zij heeft innerlijke vrede, concentratie (eenwording) van het denken, is vrij van gedachten en overwegingen, ontstaan door geestelijke concentratie. Ze maakt gelukkig, vol vreugde. En daarin verblijf ik.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in de tweede jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, verblijf helemaal naar believen, na het verdwijnen van de vreugde, in gelijkmoedigheid; en bezonnen en volbewust ondervind ik lichamelijk het geluk en treed binnen in de derde jhana. De edelen noemen die jhana gelijkmoedig, bezonnen, gelukkig. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, verblijft helemaal naar believen in gelijkmoedigheid en treedt op gelijke wijze binnen in de derde jhana.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, – na het opgeven van de begeerte en na het opgeven van leed, nadat voordien met succes de ervaringen van gevoelens van geluk en pijn vernietigd zijn, – binnen in de vierde jhana. Deze jhana is vrij van leed, vrij van geluk, is in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverd. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die vierde jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, na volledige overwinning van de vormvoorstellingen, na vernietiging van voorstellingen van innerlijk tegenstreven, na onderdrukking van de voorstellingen van verscheidenheid, (met de gedachten) oneindelijk is de ruimte, binnen in de sfeer van de ruimte-oneindigheid. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer, en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van de ruimte-oneindigheid volledig overwonnen heb, (met de gedachte) oneindig is het bewustzijn, binnen in de sfeer van bewustzijnsoneindigheid.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van de bewustzijnsoneindigheid volledig heb overwonnen, (met de gedachte) niets is er, binnen in de sfeer van niets is er. En daarin verblijf ik.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van niets is er volledig heb overwonnen, binnen in de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze in die meditatieve sfeer binnen en verblijft erin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming volledig heb overwonnen, binnen in de sfeer van opheffing van waarneming en gevoel. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft erin.


Ik, monniken, geniet helemaal naar believen van de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten. Uit één word ik veel, en uit veel word ik één. Ik maak me zichtbaar en onzichtbaar. Ongehinderd ga ik door wanden, muren, bergen zoals in de vrije ruimte. Ik duik in de aarde op en onder, zoals in het water. Ik loop op het water zonder dat het uiteen gaat zoals op vaste bodem. Ik beweeg me in zittende houding in de lucht zoals een vogel. Ik raak met de hand de machtige maan en zon aan en aai ze. Zelfs tot in de Brahma-wereld oefen ik lichamelijke invloed uit.

En ook Kassapa, monniken, geniet op gelijke wijze de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten.

Ik, monniken, hoor helemaal naar believen met het hemelse oor, het zuivere, bovenmenselijke, beide geluiden, hemelse en aardse, geluiden die ver weg zijn en geluiden die nabij zijn.

En ook Kassapa, monniken, heeft het hemelse oor.

Ik, monniken, onderken helemaal naar believen het hart van anderen doordat ik het met het eigen hart begrijp. Ik onderken een met begeerte vervuld denken als een met begeerte vervuld denken. Of ik onderken een van begeerte vrij denken als een van begeerte vrij denken. Ik onderken een van haat vervuld denken als een van haat vervuld denken. Of ik onderken een van haat vrij denken als een van haat vrij denken. Ik onderken een van waan vervuld denken als een van waan vervuld denken. Of ik onderken een van waan vrij denken als een van waan vrij denken. Ik onderken een geconcentreerd denken als een geconcentreerd denken. Of ik onderken een verstrooid denken als een verstrooid denken. Ik onderken een hoog strevend denken als een hoog strevend denken. Of ik onderken een niet hoog strevend denken als een niet hoog strevend denken. Ik onderken een denken met hogere doelen als een denken met hogere doelen. Of ik onderken een denken zonder hogere doelen als een denken zonder hogere doelen. Ik onderken een geestelijk kalm denken als een geestelijk kalm denken. Of ik onderken een geestelijk niet kalm denken als een geestelijk niet kalm denken. Ik onderken een bevrijd denken als een bevrijd denken. Of ik onderken een niet bevrijd denken als een niet bevrijd denken.

En ook Kassapa, monniken, onderkent helemaal naar believen het hart van andere wezens op die manier.

Ik, monniken, herinner mij helemaal naar believen aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan, zoals aan één geboorte, aan twee geboorten, aan drie geboorten, aan vier geboorten, aan vijf geboorten, aan tien geboorten, aan 20, 30, 40, 50, 100, 1000, 100.000 geboorten, aan talrijke tijdperken van wereldvergaan en aan talrijke tijdperken van wereldontstaan en aan talrijke tijdperken van wereldvergaan-wereldontstaan. Toen had ik die en die naam, was van die en die familie, van die en die kaste, voedde mij zus en zo, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo en zo oud. Nadat ik vandaar heengegaan was, werd ik daar en daar wedergeboren. Daar had ik dan weer die en die naam, was van die en die familie, voedde mij zus en zo, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo en zo oud. Nadat ik wederom van daar was heengegaan, ben ik hier wedergeboren. Zo herinner ik mij aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan met de bijzondere gebeurtenissen en details ervan.

En ook Kassapa, monniken, herinnert zich helemaal naar believen aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan, met de bijzondere gebeurtenissen en details.

Ik, monniken, overzie helemaal naar believen met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke, de wezens en onderken de wezens hoe ze heengaan en wedergeboren worden, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, zoals zij komen overeenkomstig hun kamma. 'Deze wezens daar hadden een kwade levenswandel in lichamelijk doen, en ook in spreken en denken. Zij hebben de edelen gesmaad, hadden verkeerde inzichten en hebben hun handelen gevormd volgens hun verkeerde inzichten. Zij zijn na de dood wedergeboren in een lagere vorm van bestaan, in een bestaan vol lijden, in verdoemenis en hel. Die wezens echter hadden een goede levenswandel in lichamelijk doen, hadden een goede levenswandel in spreken en ook in denken. Zij hebben de edelen niet gesmaad. Zij hadden juist inzicht en zij hebben hun handelen gevormd naar hun juist inzicht. Zij zijn na de dood wedergeboren in een gelukkig bestaan, in de hemelse wereld.' Zo overzie ik met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke de wezens en onderken hoe zij heengaan en wedergeboren worden, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, zoals zij komen overeenkomstig hun kamma.

En ook Kassapa, monniken, overziet helemaal naar believen met het hemelse oog de wezens. (etc)

En ik, monniken, heb na vernietiging van de wereldse invloeden de van wereldse invloeden vrije verlossing van het hart en verlossing van het inzicht nog in dit leven door eigen begrijpen en verwerkelijken bereikt en ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, heeft na vernietiging van de wereldse invloeden de van wereldse invloeden vrije verlossing van het hart en verlossing van het inzicht reeds in dit leven door eigen begrijpen en verwerkelijken bereikt en hij verblijft erin."


S.XVI.10 = S.16.10 (S.II.221)

Eens vertoefde de eerwaarde Maha Kassapa te Savatthi, in het Jetavana-park. Hij werd er door de eerwaarde Ananda uitgenodigd om naar een bijeenkomst van nonnen te gaan. Samen met Ananda ging Maha Kassapa in de voormiddag naar haar toe en Maha Kassapa preekte daar tot haar. De non Thullatissa was er ontevreden over en zei: "Hoe kan Kassapa het passend vinden om de leer te preken in bijzijn van de wijze Ananda." Kassapa was gekwetst91 door deze woorden. Ananda bracht hem tot rust door te zeggen: "Vrouwen zijn dwaas."92

De eerwaarde Maha Kassapa zei toen aan Ananda dat hij persoonlijk door de Boeddha aan de Orde was voorgesteld als iemand die de eerste jhana naar believen kon intreden, net zoals de Boeddha zelf dat ook kon. En hij kon eveneens de tweede. Derde en vierde jhana naar believen intreden net zoals de Boeddha. En ook de vijfde, zesde, zevende en achtste meditatieve verdieping kon hij naar believen intreden, net zoals de Boeddha. Dat was door de Boeddha aan de gemeenschap van de monniken meegedeeld.

En de Boeddha had verder Kassapa aan de Sangha voorgesteld als iemand die de bovennatuurlijke krachten bezat, die het hemelse oog en hemelse oor had, die het hart van anderen onderkende, die zich aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan herinnerde, die met het hemelse oog onderkende hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun kamma, en die na vernietiging van de wereldse invloeden de bevrijding van het gemoed had ingezien en verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had ingezien en verwerkelijkt.93

"Ananda, ben jij door de Verhevene persoonlijk aan de gemeenschap van de monniken op een dergelijke manier voorgesteld?"

(Ananda): "Neen, heer, dat is niet het geval."


De non Thullatissa trad uit de Bhikkhuni Sangha uit.


S.XVI.11 = S. 16.11. (S.II.217)

Eens vertoefde de eerwaarde Maha Kassapa te Rajagaha in het bamboepark Kalandakanivapa. In die tijd ging de eerwaarde Ananda te Dakkhinagiri94 rond met een grote gemeenschap van bhikkhus.

Dertig bhikkhus, celgenoten van de eerwaarde Ananda, van wie de meesten jongelui, hadden de opleiding opgegeven en waren naar het lagere leven teruggekeerd.

Toen de eerwaarde Ananda in Dakkhinagiri zijn ronde gemaakt had, ging hij naar Rajagaha in het bamboepark Kalandakanivapa, naar de plek waar de eerwaarde Maha Kassapa zich bevond. Hij begroette de eerwaarde Maha Kassapa eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De eerwaarde Maha Kassapa vroeg toen aan Ananda onder welke omstandigheden door de Verheven was toegestaan om met drieën in de gezinnen de maaltijd te nemen.

Het antwoord van Ananda luidde: "Drie omstandigheden zijn door de Verhevene toegestaan om met drieën in de gezinnen te eten. (1) Om mensen met een slecht karakter in toom te houden. (2) Voor het welzijn van bekwame bhikkhus opdat niet kwaadaardigen een splitsing in de gemeenschap veroorzaken. (3) Uit medelijden met de gezinnen."

Maha Kassapa zei toen: "Ananda, waarom ga je dan rond samen met die jonge bhikkhus bij wie de poorten van de zinnen nog niet behoed zijn, die bij het eten geen maat weten te houden, die niet bedacht zijn op oplettendheid. Je vernietigt de veldvuchten (gewassen), je bent een bederver van gezinnen. Je gevolg brokkelt af, je volgelingen van wie de meesten nog jong zijn, vallen af. Nog steeds weet deze knaap geen maat te houden."

Ananda gaf ten antwoord: "Kassapa, mijn hoofd is al vol met grijze haren en toch zegt u nu nog steeds 'jongen' tegen mij.


De non Thullananda hoorde dat de eerwaarde Maha Kassapa de eerwaarde Ananda terecht wees en zij ergerde zich erover. Zij zei: "Meent Maha Kassapa, die vroeger tot een andere school behoorde, de wijze Ananda te moeten berispen door hem jongen te noemen?"

Maha Kassapa zei toen tot de eerwaarde Ananda: "Waarlijk, Ananda, het woord van de bhikkhuni Thullananda is te vlug en zonder overleg gesproken. Sinds ik hoofdhaar en baard heb laten knippen en de gele gewaden heb aangelegd en uit het huiselijke in het huisloze leven ben gegaan, erken ik geen andere meester dan de Verhevene, de Volmaakte, de geheel Verlichte, tot wie ik mijn toevlucht neem.

Vroeger toen ik nog een huisbewoner was, ontstond bij mij de gedachte: 'Het huiselijke leven is eng, een stoffig pad. De open lucht is de afkeer van de wereld. Niet gemakkelijk is het voor iemand die in het huis leeft, om een heel volkomen, heel rein heilig leven te voeren. Hoe zou het zijn als ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aanleg en uit het huiselijke leven in het huisloze leven ga?'

Op een andere tijd maakte ik een ondergewaad voor me uit stukken oude kleren, en net zoals de volmaakte heiligen die er zijn, schoor ik hoofdhaar en baard af, legde de gele gewaden aan en trad uit het huiselijke leven in het huisloze leven.

Na me zo van de wereld te hebben afgekeerd,95 zag ik de Verhevene tussen Rajagaha en Nalanda zitten bij de Bahuputta-cetiya. En de gedachte kwam bij me op: 'De Meester wil ik graag zien, de Verhevene, de volmaakt Ontwaakte.'

Toen wierp ik me met het hoofd bij de voeten van de Verhevene terneer en zei: 'Mijn meester is de Verhevene, ik ben zijn leerling.'

De Boeddha gaf ten antwoord: 'Kassapa, ik weet en ik zie. Daarom moet jij je zo oefenen: pijnlijke zekerheid en fijngevoeligheid moet aanwezig zijn de ouden, de jongen en de middelen. Verder moet jij je hierin oefenen: wat voor leerreden ik ook zal horen, die het goede bevatten, die moet je allemaal opnemen en overwegen. Met oplettend oor moet je naar de leer luisteren. Ook moet jij je als volgt oefenen: De oplettendheid bij het lichaam welke oplettendheid met vreugde verbonden is, moet nooit bij je ophouden.'

Na deze aanmaning van de Verhevene stond ik op en ging weg. Ananda, nog zeven dagen genoot ik als onvolmaakte de aalmoezen van de mensen. Op de achtste dag verkreeg ik het hoogste inzicht."


"Ananda, eens ging de Verhevene van de weg af naar de voet van een boom. Daar vouwde ik toen mijn ondergewaad uit stukken stof viervoudig op en spreidde het uit met de woorden: 'Moge de verheven heer hier gaan neerzitten, opdat het mij lange tijd tot heil en zegen moge strekken.'

De Verhevene ging op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten met de woorden: 'Kassapa, je ondergewaad uit stukken stof is zacht.' Ik vroeg hem toen of hij mijn ondergewaad wilde aannemen, uit mededogen.

'Kassapa, zul jij dan mijn versleten gewaden uit lompen van hennep dragen?' – 'Jawel, heer.'

Ik gaf toen mijn ondergewaad aan de Boeddha en ontving zijn versleten gewaden.

Daarom kan men terecht van mij zeggen dat ik een echte zoon van de Verhevene ben, uit zijn mond geboren, uit de waarheid verwekt, uit de waarheid gevormd, een erfgenaam van de waarheid, iemand die versleten lompenkleren van hennep in ontvangst neemt.

Ananda, helemaal naar believen treed ik binnen in de eerste jhana, in de tweede, derde en vierde jhana, net zoals de Boeddha. En ook de [vormloze] vijfde, zesde, zevende en achtste meditatieve verdieping kan ik naar believen intreden, net zoals de Boeddha.

En net zoals de Boeddha beschik ik over de zes bovennatuurlijke krachten."

Verder zei Kassapa dat hij na vernietiging van de wereldse invloeden de bevrijding van het gemoed had ingezien en verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had ingezien en verwerkelijkt.

De bhikkhuni Thullananda trad uit de Bhikkhuni Sangha uit.


S.XVI.12 = S.16.12. (S.II.222)

Eens vertoefden de eerwaarde Maha Kassapa en de eerwaarde Sariputta in Varanasi, te Isipatana, in het Antilopenpark.

In de avond ging Sariputta na de meditatie naar Maha Kassapa, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten.

Sariputta vroeg toen aan Maha Kassapa: "Is de Tathagata na de dood?"

[Kassapa]: "De Verhevene heeft niet meegedeeld dat de Tathagata na de dood is."

[Sariputta]: "Is dan de Tathagata niet na de dood?"

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat de Tathagata na de dood is."

[Sariputta]: "Is de Tathagata dan zowel na de dood als niet na de dood?"

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat hij na de dood zowel is als niet is."

[Sariputta]: "Is de Tathagata dan niet noch is hij niet na de dood? "

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat hij niet is noch niet is na de dood."

[Sariputta]: "Waarom heeft de Verhevene daarover niets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Het is niet heilzaam en het voert niet tot het heilige leven noch leidt het naar tegenzin (tegen wereldse dingen), voert niet naar gelijkmoedigheid, niet naar opheffing, niet naar stilte, niet naar (het verkrijgen van) wonderkracht, niet naar de volmaakte verlichting, nibbana."

[Sariputta]: "Maar waarover heeft de Verhevene iets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Dit is het lijden, dit is de oorsprong van het lijden, dit is de opheffing van het lijden, dit is de weg die voert naar de opheffing van lijden, – dat is door de Verhevene meegedeeld."

[Sariputta]: Waarom heeft de Verhevene hierover iets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Dit is heilzaam, voert naar een heilig leven, leidt naar tegenzin (tegen de wereldse dingen), leidt naar gelijkmoedigheid, naar opheffing, naar stilte, naar verkrijging van wonderkracht, naar volmaakte Verlichting, nibbana."

S.XVI.13 = S.16.13. (S.II.224)

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavanapark van Anathapindika. De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. En Mahakassapa vroeg: "Heer, wat is de oorzaak dat er vroeger minder voorschriften waren maar meer bhikkhus de staat van volmaakte heiligheid bereikt hadden? En Heer, wat is de oorzaak dat er thans meer voorschriften zijn maar minder bhikkhus de staat van volmaakte heiligheid bereikt hebben?"

[De Boeddha]: "Kassapa, de oorzaak is zo: wanneer de wezens teruggaan96 en de goede leer verdwijnt, dan worden de voorschriften meer en dan bevinden zich minder bhikkhus in de staat van volmaakt inzicht.

Zolang komt er geen verdwijnen van de goede leer, zolang als er geen vervalsing97 van de goede leer ontstaat. Maar als er een vervalsing van de goede leer in de wereld ontstaat, dan komt er een verdwijnen van de goede leer.

Hier zelf (onder ons) ontstaan de dwaze mensen die de goede leer laten verdwijnen.

Vijf dingen moeten vermeden worden want die vijf dingen voeren naar het ophouden en verdwijnen van de goede leer, namelijk:

1. Er zijn bhikkhus en bhikkhunis, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de meester.

2. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de leer.

3. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de gemeenschap [van de heiligen].

4. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de training.

5. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de geestelijke concentratie.

Deze vijf dingen moeten vermeden worden. Zij voeren naar het ophouden en verdwijnen van de goede leer.


De volgende vijf dingen strekken tot het behoud, niet ophouden en niet verdwijnen van de goede leer, namelijk:

1. Er zijn bhikkhus en bhikkhunis, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen vol eerbied en vol hoogachting tegenover de meester.

2. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de leer.

3. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de gemeenschap [van de heiligen].

4. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de training.

5. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de geestelijke concentratie.

Deze vijf dingen strekken tot het behoud, niet ophouden en niet verdwijnen van de goede leer.98


S.XVII = S.17. Lābhasakkāra-Samyutta

Winst, eer en roem zijn een hindernis, een gevaar voor de bhikkhu. 43 suttas. (S.XVII.1-43)



S.XVIII = S.18. Rāhula-Samyutta

Instructie van Rāhula. 22 suttas. (S.XVIII.1-22)


S.XVIII.1-10 = S.18.1-10.

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De eerwaarde Rahula ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en vroeg om een zodanige uitleg over de leer dat hij na het vernemen ervan afgezonderd, vol ijver en vastbesloten kon vertoeven. De Boeddha zei toen:

"Rahula, zijn de zintuigen - oog, oor, neus, tong, lichaam, geest – onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de diverse soorten bewustzijn - zienbewustzijn, hoorbewustzijn, ruikbewustzijn, smaakbewustzijn, aanrakingsbewustzijn, denkbewustzijn – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is contact door de zintuigen – visueel contact, hoorcontact, ruikcontact, smaakcontact, aanrakingscontact, denkcontact – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Het is vergankelijk, Heer."

"Zijn de gevoelens veroorzaakt door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de waarnemingen van vormen, van geluiden, van geuren, van smaken, van aanrakingen, van geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is de wil naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze is vergankelijk, Heer."

"Is de begeerte, het verlangen naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze is vergankelijk, Heer."

"Is het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element, het bewustzijnselement onvergankelijk of vergankelijk?"- "Die elementen zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn lichamelijkheid, gevoel, waarneming, de formaties, bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Wat vergankelijk is, is dat smartelijk of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk.” – “Datgene wat vergankelijk is, smartelijk en veranderlijk, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rāhula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alwat aangeraakt kan worden, en van geest en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.’ Aldus weet hij.”

S.XVIII.11-20 = S.18.11-20.

(Deze leerreden zijn een herhaling van de voorgaande toespraken)


S.XVIII.21 = S.18.21.

Geen “ik” en geen “mijn”

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De eerwaarde Rahula ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg welke inzicht men moet hebben dat er bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten met alle voorstellingen geen waanidee van "ik" en "mijn" meer is.

"Rahula, wat er bestaat aan lichamelijkheid, aan gevoel, aan waarneming, aan formaties, aan bewustzijn, verleden, toekomstig of tegenwoordig, eigen of vreemd, grof of fijn, gewoon of edel, veraf of nabij, - van elke lichamelijkheid, elk gevoel, elke waarneming, elke formatie, elk bewustzijn geldt: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Zo beschouwt men dit overeenkomstig de werkelijkheid met juiste wijsheid.

Zo inziende is er bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten bij alle voorstellingen geen waanidee van ik en mijn."

S.XVIII.22 = S.18.22.

Te Savatthi. De eerwaarde Rahula vroeg aan de Verhevene welk inzicht men moet hebben om de geest vrij te hebben van de waanidee van ik en mijn. Wanneer zijn de verschillende soorten van hoogmoed overwonnen;99 wanneer is men volledig bevrijd?

"Rahula, wat er bestaat aan lichamelijkheid, aan gevoel, aan waarneming, aan formaties, aan bewustzijn, verleden, toekomstig of tegenwoordig, eigen of vreemd, grof of fijn, gewoon of edel, veraf of nabij, - van elke lichamelijkheid, elk gevoel, elke waarneming, elke formatie, elk bewustzijn geldt: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men dat overeenkomstig de werkelijkheid met juiste wijsheid inziet, is men zonder hechten bevrijd.

Met een dergelijk inzicht is de geest bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten bij alle voorstellingen vrij van de eigendunk van ik en mijn. De geest heeft dan de verschillende soorten van hoogmoed overschreden, is vol vrede en volledig bevrijd."



S.XIX = S.19. Lakkhana-Samyutta

Vragen van Lakkhana. 21 suttas. (S.XIX.1-21)



S.XX = S.20. Opamma-Samyutta. Gelijkenissen

Onbekwame daden ontstaan uit onwetendheid. 12 suttas. (S.XX.1-12)


S.XX.1 = S.20.1.

Alle onheilzame dingen komen samen in onwetendheid, eindigen in onwetendheid, verenigen zich in onwetendheid.100101 Daarom moet men zo oefenen: “niet zullen wij nalatig leven.”

S.XX.2 = S.20.2.

Er zijn weinig wezens die in de mensenwereld wedergeboren worden. Talrijker zijn de wezens die buiten de mensenwereld wedergeboren worden. Daarom moet men zo oefenen: “niet zullen wij nalatig leven.”


S.XX.3 = S.20.3. Metta

Wie de meditatie van welwillendheid (metta) niet ontplooid heeft, niet sterker gemaakt heeft, die kan gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.

Maar wie de meditatie van welwillendheid (metta), de bevrijding van het gemoed, ontplooid en versterkt heeft, die kan niet gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'


S.XX.4 = S.20.4. Metta (2)

Wie 's morgens, 's middags of 's avonds een rijkelijke maaltijd geeft, dan brengt dat niet zo'n grote vrucht als wanneer men 's morgens, 's middags of 's avonds de gedachte van welwillendheid (metta) ontplooit, al is het maar in geringe mate.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'


S.XX.5 = S.20.5. Metta (3)

Een booswicht die meent de geest te kunnen verwarren van iemand die metta ontplooid heeft, metta als basis heeft, vermeerderd en goed voltooid heeft, die booswicht zal zich alleen maar moeite en pijn bezorgen.

Daarom moet men aldus oefenen: de welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'


S.XX.6 = S.20.6. Metta (4)

De snelheid van een afgeschoten pijl is groot. De snelheid van zon en maan is veel groter. Maar nog veel sneller drogen de levenskrachten op.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'



S.XXI = S.21. Bhikkhu-Samyutta

Aanmaningen tot de monniken. 12 suttas. (S.XXI.1-12)


Sectie III. Khandha-vagga

De sectie van de groepen van bestaan. Deze groep bevat 13 samyuttas, beginnende met suttas over de vijf khandhas.



S.XXII = S.22. Khandha-Samyutta

De lichamelijke en geestelijke aggregaten die het “individu” vormen. 158 suttas. (S.XXII.1-158)


            S.XXII.1-11 = Groep 1


S.XXII.1 = S.22.1. Nakulapitā

De Boeddha zei eens aan de oude Nakulapita: "Ziekelijk is het lichaam, gebrekkelijk. Maar de geest moet niet ziekelijk zijn." De eerwaarde Sariputta legde dit later uit.

"In hoeverre is het lichaam ziekelijk en ook de geest? – Een onervaren wereldmens, die de edelen niet kent, die niet bekend is met de leer van de edelen, die er niet in geschoold is, die beschouwt lichamelijkheid als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend, of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. 'Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu die lichamelijkheid. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.


Evenzo beschouwt hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn als het zelf, of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend, of gevoel, waarneming, formaties, het bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. 'Ik ben gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn; gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu dat gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk en ook de geest.


Hoe is het lichaam ziekelijk maar niet de geest? – Een edele volgeling, die de edelen kent, die bekend is met de leer van de edelen, erin geschoold, die beschouwt de lichamelijkheid niet als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. Hij blijft niet stoer bij de mening: “Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.” Bij hem verandert de lichamelijkheid. Maar bij hem ontstaan door die verandering van de lichamelijkheid niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo met het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Hij beschouwt die niet als het zelf (etc). Hij blijft niet bij de mening dat hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn is, dat ze hem toebehoren. Er komt verandering in het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn maar door die verandering ontstaan bij hem niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk maar de geest niet."


S.XXII.2 = S.22.2. Devadaha

De eerwaarde Sariputta legde de leer uit aan andere monniken, die op reis wilden gaan. Als hen onderweg iets gevraagd werd, dan moesten zij de leer juist kunnen uitleggen om geen verwijten te krijgen.

Vraag: Wat onderwijst de Boeddha?

Antwoord: De Boeddha onderwijst de overwinning van begeerte, en wel de begeerte naar lichamelijkheid, naar gevoel, naar waarneming, naar formaties, naar bewustzijn.

Vraag: Welk kwaad is er in die soorten van begeerte?

Antwoord: Wanneer bij de lichamelijkheid, bij het gevoel, bij de waarneming, bij de formaties, bij het bewustzijn de begeerte niet is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen, niet zijn verdwenen, dan ontstaan door verandering van de lichamelijkheid, van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn zorgen, gejammer, pijn, leed en wanhoop.

Daarom onderwijst de Boeddha de overwinning van begeerte.

Welk voordeel is er in de overwinning van begeerte? – Wanneer bij lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn begeerte verdwenen is, wil, toeneiging, vurig verlangen verdwenen is, dan ontstaan niet bij hem door verandering van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn leed, gejammer, pijn, leed en wanhoop.

Dat is het voordeel ervan.


Men kan zeggen: 'Ook bij het uitoefenen van onheilzame dingen kan men al in dit leven in een gelukkige toestand vertoeven, zonder problemen, zonder wanhoop, zonder pijn. En na de dood kan men in een gelukkige sfeer terecht komen. De Verhevene zou daarom het opgeven van onheilzame dingen niet moeten aanbevelen.'

  Dan moet men antwoorden: 'Omdat men bij het uitoefenen van onheilzame dingen al in dit leven in een smartelijke toestand vertoeft, vol problemen, vol wanhoop, vol pijn, en omdat na de dood een slecht sfeer van bestaan te verwachten is, daarom raadt de Verhevene aan onheilzame dingen op te geven.'

Men kan dan zeggen: 'Ook bij het uitoefenen van heilzame dingen kan men al in dit leven in een treurige toestand vertoeven, vol problemen, vol wanhoop, vol pijn. En na de dood kan een slechte sfeer van bestaan te verwachten zijn. Daarom zou de Verhevene het uitoefenen van heilzame dingen niet moeten aanbevelen.'

Het antwoord luidt dan: 'Omdat men bij het uitoefenen van heilzame dingen al in dit leven in een gelukkige toestand vertoeft, zonder problemen, zonder wanhoop, zonder pijn, en omdat na de dood een goede sfeer van bestaan te verwachten is, daarom raadt de Boeddha het uitoefenen van heilzame dingen aan.'"

Dat was de raad van de eerwaarde Sariputta aan die monniken.


            S.XXII.12-30 = groep 2


S.XXII.20 = S.22.20. Ik-loze oorzaak

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De Boeddha sprak er tot de monniken over niet-ik.

"Monniken, de lichamelijkheid is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, ook dat is niet-ik. De door iets ikloze ontstane lichamelijkheid, hoe zou die een ik zijn?

Evenzo met gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn. Die zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. De door iets ikloze ontstane gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, hoe zouden die een ik zijn?


            S.XXII.31-50 = groep 3


S.XXII.32 = S.22.32. Het verwoestbare

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De Boeddha sprak er over het verwoestbare en het onverwoestbare.

"Monniken, het verwoestbare en het onverwoestbare zal ik jullie tonen.

Het verwoestbare is de lichamelijkheid. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is het gevoel. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is de waarneming. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare zijn de formaties. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is het bewustzijn. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare."



            S.XXII.51-60 = groep 4

 

S.XXII.53 = S.22.53. Naderen102

Eens verbleef de Verhevene te Savatthi en hij sprak aldus: “Degene die nadert, is niet bevrijd; degene die niet nadert, is bevrijd.

Monniken, als een vorm genaderd wordt,103 en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met vorm als steun, met vorm als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.104

Monniken, als gevoelens genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met gevoelens als steun, met gevoelens als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als waarneming genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met waarneming als steun, met waarneming als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als geestelijke formaties genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met geestelijke formaties als steun, met geestelijke formaties als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.105

Als verlangen naar het gebruik van vorm is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn.106 Als verlangen naar het gebruik van bewustzijn is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, daar het niet groeit en niet samenstelt.107 Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan.108 Zo is degene die nadert, niet bevrijd, en zo is degene die niet nadert, bevrijd.”

 


S.XXII.57 = S.22.57. Volleerd

Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi. Daar sprak hij de volgende leerrede:

“Monniken, een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op drie manieren, die monnik heet: ‘volleerd109 in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.’

En hoe is een monnik bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig vorm.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van vorm.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van vorm.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van vorm.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in vorm is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in vorm is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan vorm.

En wat, monniken, is vorm? - Het zijn de vier grote elementen en de vorm die afhankelijk is van die vier grote elementen. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm; van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm. En het pad dat voert naar het beëindigen van vorm is dit edele achtvoudige pad, namelijk : juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, dat is de voldoening die er in vorm is. In zoverre als vorm vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in vorm is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm zijn, dat is de ontsnapping aan vorm.

Monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in vorm is, die het lijden begrijpen dat er in vorm is en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor vorm, het zich losmaken van vorm, en het ophouden van vorm, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in vorm begrijpen en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, zij zijn, zonder zich aan vorm te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor vorm, hun zich losmaken van vorm en hun ophouden van vorm bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk110 waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig gevoelens.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van gevoelens.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van gevoelens.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van gevoelens.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in gevoelens is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in gevoelens is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan gevoelens.

En wat, monniken, zijn gevoelens? - Er zijn deze zes indelingen van gevoelens, namelijk: gevoel dat geboren is uit contact met het oog, gevoel dat geboren is uit contact met het oor, gevoel dat geboren is uit contact met de neus, gevoel dat geboren is uit contact met de tong, gevoel dat geboren is uit contact met het lichaam, en gevoel dat geboren is uit contact met de geest. Dit heet gevoel.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van gevoel; van het beëindigen van contact is het beëindigen van gevoel. En het pad dat voert naar het beëindigen van gevoel is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege gevoel, dat is de voldoening die er in gevoel is. In zoverre als gevoel vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in gevoel is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in gevoel zijn, dat is de ontsnapping aan gevoel.

Monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in gevoel is, die het lijden begrijpen dat er in gevoel is en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor gevoel, het zich losmaken van gevoel en het ophouden van gevoel, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in gevoel begrijpen en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - zij zijn, zonder zich aan gevoel te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor gevoel, hun zich losmaken van gevoel en hun ophouden van gevoel bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig waarneming.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van waarneming.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van waarneming.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van waarneming.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in waarneming is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in waarneming is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan waarneming.

En wat, monniken, is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van waarneming; van het beëindigen van contact is het beëindigen van waarneming. En het pad dat voert naar het beëindigen van waarneming is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege waarneming, dat is de voldoening die er in waarneming is. In zoverre als waarneming vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in waarneming is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in waarneming zijn, dat is de ontsnapping aan waarneming.

Monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in waarneming is, die het lijden begrijpen dat er in waarneming is en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor waarneming, het zich losmaken van waarneming en het ophouden van waarneming, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in waarneming begrijpen en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, zij zijn, zonder zich aan waarneming te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor waarneming, hun zich losmaken van waarneming en hun ophouden van waarneming bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig geestelijke activiteiten.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van geestelijke activiteiten.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van geestelijke activiteiten.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van geestelijke activiteiten.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in geestelijke activiteiten is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in geestelijke activiteiten is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

En wat, monniken, zijn geestelijke activiteiten? - Er zijn deze zes indelingen van intenties, namelijk: de intentie van vormen, de intentie van geluiden, de intentie van geuren, de intentie van smaken, de intentie van aanrakingen en de intentie van ideeën. Dit heet geestelijke activiteiten. Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van geestelijke activiteiten; van het beëindigen van contact is het beëindigen van geestelijke activiteiten. En het pad dat voert naar het beëindigen van geestelijke activiteiten is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege geestelijke activiteiten, dat is de voldoening die er in geestelijke activiteiten is. In zoverre als geestelijke activiteiten vergankelijk zijn, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in geestelijke activiteiten is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in geestelijke activiteiten zijn, dat is de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

Monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, aldegenen die aldus de voldoening begrijpen die er in geestelijke activiteiten is, die het lijden begrijpen dat er in geestelijke activiteiten is en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor geestelijke activiteiten, het zich losmaken van geestelijke activiteiten en het ophouden van geestelijke activiteiten, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in geestelijke activiteiten begrijpen en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, zij zijn, zonder zich aan geestelijke activiteiten te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor geestelijke activiteiten, hun zich losmaken van geestelijke activiteiten en hun ophouden van geestelijke activiteiten bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig bewustzijn.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van bewustzijn.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van bewustzijn.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van bewustzijn.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in bewustzijn is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in bewustzijn is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan bewustzijn.

En wat, monniken, is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van 'naam-en- vorm' komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van 'naam-en-vorm' is het beëindigen van bewustzijn. En het pad dat voert naar het beëindigen van bewustzijn is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. In zoverre als bewustzijn vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.

Monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor bewustzijn, het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in bewustzijn begrijpen en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, zij zijn, zonder zich aan bewustzijn te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor bewustzijn, hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

Op deze manier is een monnik bekwaam in de zeven punten.

En hoe is een monnik een onderzoeker op de drie manieren? Welnu, monniken, hij onderzoekt dingen:

1. via de elementen,111

2. via de zintuiglijke sferen,112

3. via afhankelijk ontstaan.113

Dat is de manier waarop een monnik een onderzoeker wordt op de drie manieren.

Een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op de drie manieren, hij heet volleerd in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.”

            S.XXII.61-80 en 81-90 en 91-120 = groepen 5, 6 en 7


S.XXII.82 = S.22.82. Op de Uposatha dag

(Gelijk aan M.109.)



S.XXIII = S.23. Rādha-Samyutta

Vragen van Rādha. 6 suttas. (S.XXIII.1-46)



S.XXIV = S.24. Ditthi-Samyutta

Misleidende visies ontstaan door het hechten aan de aggregaten. 96 suttas. (S.XXIV.1-96)



S.XXV = S.25. Okkantika-Samyutta

Het betreden van het Pad door vertrouwen (saddhā). 10 suttas. (S.XXV.1-10)



S.XXVI = S.26. Uppāda-Samyutta

Het ontstaan van de aggregaten voert tot onvoldaanheid, lijden. 10 suttas. (S.XXVI.1-10)



S.XXVII = S.27. Kilesa-Samyutta

Verontreinigingen ontstaan vanuit de zesvoudige zintuiglijke basis en zinsbewustzijn. 10 suttas. (S.XXVII.1-10)


S.XXVIII = S.28. Sāriputta-Samyutta

S.XXIX = S.29. Nāga-Samyutta

Opsomming van vier soorten nāgas. 50 suttas. (S.XXXIX.1-50)



S.XXX = S.30. Supanna-Samyutta

Opsomming van vier soorten garudas. 46 suttas. (S.XXX.1-46)



S.XXXI = S.31. Gandhabbakāya-Samyutta

Beschrijving van de gandhabba godheden. 112 suttas. (S.XXXI.1-112)



S.XXXII = S.32. Valāhaka-Samyutta

Beschrijving van de geesten in de wolken. 57 suttas. (S.XXXII.1-57)



S.XXXIII = S.33. Vacchagotta-Samyutta

Vacchagotta's metafysische vragen. 55 suttas. (S.XXXIII.1-55)



S.XXXIV = S.34. Samadhi-Samyutta

Opsomming van de vier typen van beoefenaars van de meditatieve verdiepingen (jhanas). 55 suttas. (S.XXXIV.1-55)


Sectie IV. Salayatana-vagga

De sectie van het zesvoudige gebied. Deze sectie bevat 10 samyuttas. Ze handelen over de zes zintuigen.114



S.XXXV = S.35. Salāyatana-Samyutta

De zesvoudige basis der zintuigen en de juiste houding ten opzichte ervan. 207 suttas. (S.XXXV.1-207)

Ze zijn verdeeld in 7 groepen: S.XXXV.1-30; 31-80; 81-100; 101-130; 131-150; 151-200; en 201-207.


S.XXXV.28 = S.35.28.  De vuur-toespraak

 
      Van Uruvela ging de Verhevene samen met 1000 bhikkhus naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Daar onderwees hij de monniken met de Vuur- toespraak.
     

      “Monniken, alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. De betekenis hiervan nu is als volgt. Het oog staat in brand; vormen staan in brand. In brand staat het oog-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm. In brand staat oog-contact; dit is het samenvallen van oog, vorm en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Het oor staat in brand; geluiden staan in brand. In brand staat het oor-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid. In brand staat oor-contact; dit is het samenvallen van oor, geluid en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De neus staat in brand; geuren staan in brand. In brand staat het neus-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van neus en geuren. In brand staat neus-contact; dit is het samenvallen van neus, geluiden en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De tong staat in brand; smaken staan in brand. In brand staat het tong-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaken. In brand staat tong-contact; dit is het samenvallen van tong, smaken en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Het lichaam staat in brand; aanrakingen staan in brand. In brand staat het lichaam-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingen. In brand staat lichaam-contact; dit is het samenvallen van lichaam, aanraking en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      De geest staat in brand; gedachten staan in brand. In brand staat het geest-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van geest en gedachten. In brand staat geest-contact; dit is het samenvallen van geest, gedachten en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

 

      Monniken, wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft gehoord, aldus ziet, dan vindt hij vervreemding in het oog en dan vindt hij vervreemding in vormen. Hij vindt vervreemding in oog-bewustzijn; hij vindt vervreemding in oog-contact; en ook vindt hij vervreemding in alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      En evenzo vindt hij vervreemding in het oor, in geluiden, in oor-bewustzijn, in oor-contact en in het gevoel dat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de neus, in geuren, in neus-bewustzijn, in neus-contact en in het gevoel dat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de tong, in smaken, in tong-bewustzijn, in tong-contact en in het gevoel dat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in het lichaam, in aanrakingen, in lichaam-bewustzijn, in lichaam-contact en in het gevoel dat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde.

      Hij vindt vervreemding in de geest, in gedachten en ideeën, in geest-bewustzijn, in geest-contact en in het gevoel dat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde.

     

      Kortom, wanneer een edele volgeling de waarheid ziet, dan vindt hij vervreemding in de zintuigen en in de erbij behorende objecten. Hij vindt vervreemding in zintuig-bewustzijn, het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijhorend object. Hij vindt vervreemding in alwat ontstaat met zintuig-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.

      Wanneer hij vervreemding vindt, sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Met het geleidelijk afsterven van hartstocht is hij bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, is er de kennis, het weten dát hij bevrijd is. Hij begrijpt dat zijn taak is volbracht. ‘Geboorte is uitgedoofd; het heilige leven is geleefd. Er gaat niets meer boven dit uit.’ Zo beseft hij dan.”

 

      Aldus sprak de Verhevene. De monniken waren blij en verheugden zich over zijn woorden. Gedurende deze toespraak werden de harten van al die monniken bevrijd van de smetten. Zij hechtten zich nergens meer aan. Allen waren heiligen geworden. De vuren van hun passies, van begeerte, afkeer en illusie waren definitief uitgedoofd.*

 

* Hier is een duidelijke omschrijving van Nibbāna reeds in dit leven. De uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Ze bestaat in het doven van het vuur van verlangen naar iets of het vuur van afkeer van iets. Door het opheffen van alle onwetendheid komt de waarheid in ons aan het licht. Daardoor zien wij dat er geen enkele reden is om ons ergens aan te hechten: alles is immers veranderlijk, vergankelijk, veroorzaakt, niet alleen ‘het andere’ maar ook wijzelf. Hoe dit gerealiseerd kan worden, heeft de Boeddha onderwezen.


S.XXXVI = S.36. Vedanā-Samyutta

De drie soorten van gevoelens en de juiste houding ten opzichte ervan. 29 suttas. (S.XXXVI.1-29)



S.XXXVII = S.37. Mātugāma-Samyutta

De bestemmingen en krachten van vrouwen overeenkomstig haar eigenschappen. 34 suttas. (S.XXXVII.1-34)




S.XXXVIII = S.38. Jambukhādaka-Samyutta

Vragen van de rondtrekkende asceet, de roze-appel-eter, aan de eerwaarde Sāriputta. 16 suttas. (S.XXXVIII.1-16)



S.XXXIX = S.39. Sāmandaka-Samyutta

Vragen van de rondtrekkende asceet Sāmandaka aan de eerwaarde Sāriputta. 16 suttas. (S.XXXIX.1-16)



S.XL = S.40. Moggallāna-Samyutta

De eerwaarde Maha-Moggallāna legt de meditatieve verdiepingen (jhānas) uit aan de monniken. 11 suttas. (S.XL.1-11)



S.XLI = S.41. Citta-Samyutta

Zintuigen en zinsobjecten zijn niet innerlijk slechts; alleen de onheilzame gedachten (verlangens) die ontstaan door contact ermee zijn slecht. 10 suttas. (S.XLI.1-10)



S.XLII = S.42. Gāman-Samyutta

De definities van “toornig” en “vriendelijk”. 13 suttas. (S.XLII.1-13)



S.XLIII = S.43. Asankhata-Samyutta

Het niet-samengestelde (nibbāna). 44 suttas. (S.XLIII.1-44)


S.XLIII.1 = S.43.1-12. Het ongevormde

"Monniken, ik zal jullie het ongevormde tonen en het pad naar het ongevormde. Het ongevormde is de opdroging van voorkeur, de opdroging van afkeer, de opdroging van onwetendheid.

Het pad naar het ongevormde is:

(S.43.1) De op het lichaam gerichte oplettendheid.

(S.43.2) Kalmte en helder inzicht.

(S.43.3) Concentratie met overwegen en nadenken, zonder overwegen alleen met nadenken, alleen met overwegen en zonder nadenken.

(S.43.4) Lege, ongerichte concentratie zonder voorstelling.

(S.43.5) De vier grondslagen van oplettendheid: men waakt bij het lichaam over het lichaam, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na overwinning van wereldlijke begeerte en bekommernis, en evenzo waakt men bij de gevoelens over de gevoelens, bij het gemoed over het gemoed, bij de gedachten over de gedachten.

(S.43.6) De vier juiste inspanningen: men wekt de wil op om nog niet ontstane slechte onheilzame gedachten niet te laten ontstaan, om ontstane slechte onheilzame gedachten te overwinnen, om niet ontstane heilzame gedachten te laten ontstaan, om ontstane heilzame gedachten te vestigen, niet los te laten, ze verder te ontwikkelen, te ontsluiten, te ontplooien, te laten vervullen.

(S.43.7) De vier krachten: men ontplooit de concentratie van de wil, concentratie van energie, concentratie van het gemoed, en concentratie van onderzoek.

(S.43.8-9) De vijf vaardigheden en krachten: men ontplooit de vaardigheid en kracht van vertrouwen, van energie, van oplettendheid, van concentratie en van inzicht, welke vaardigheden naar vrede, naar Verlichting voeren.

(S.43.10) De zeven opwekkingen: men ontplooit de opwekking van oplettendheid, van het doorgronden van de leer, van energie, van vervoering, van het kalmeren, van de concentratie, van de gelijkmoedigheid welke naar Nibbana voeren.

(S.43.11) Het edele achtvoudige pad dat naar Nibbana voert: men ontplooit juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie.

(S.43.12) Dat noemt men met pad dat naar het ongevormde voert. Monniken, zo heb ik jullie het ongevormde getoond en het pad dat naar het ongevormde voert. Monniken, zorg dat jullie inzicht krijgen, wees niet nonchalant opdat jullie er later geen spijt van krijgen."


S.XLIII.13 = S.43.13 Het doel

  "Monniken, ik zal jullie het doel tonen en het pad naar het doel. Het doel is de opdroging van begeerte, haat en onwetendheid. En het pad naar het doel is: De op het lichaam gerichte oplettendheid. Kalmte en helder inzicht. De zesvoudige concentratie. De vier grondslagen van oplettendheid. De vier juiste inspanningen. De vier krachten. De vijf vaardigheden en krachten. De zeven opwekkingen. Het edele achtvoudige pad.


S.43.14-44 Nibbana

Het ongevormde wordt ook genoemd: het driftlose, de waarheid, het transcendente, het fijne, datgene wat heel moeilijk te zien is, datgene wat niet verwelkt, het blijvende, het onoplosbare, het onzichtbare, datgene wat niet afgezonderd is, het stille, het doodloze, het uitverkorene, het geluk, de vrede, de opdroging van de dorst, het verwonderlijke, het buitengewone, datgene wat zonder nood is, het noodloze ding, de wensloosheid, het onbenarde, het niet prikkelbare, het zuivere, de bevrijding, datgene wat zonder hechten is, het eiland, de geborgenheid, de bescherming, de toevlucht, de andere oever.



S.XLIV = S.44. Avyākata-Samyutta

Bespiegelende (speculatieve) vragen gesteld aan de eerwaarden Khemā, Anuruddha, Sāriputta en Moggallāna. 11 suttas. (S.XLIV.1-11)




Sectie V. Mahā-vagga

De grote sectie met 12 samyuttas. Deze serie begint met suttas over het achtvoudige pad en eindigt met de vier edele waarheden. Daartussen liggen de hoofdthema's van de meditatie praktijk.115


S.XLV = S.45. Magga-Samyutta

Het achtvoudige pad. 180 suttas. (S.XLV.1-180)


S.XLV.1 = S.45.1. Onwetendheid

Onwetendheid gaat vooraf aan het optreden van onheilzame dingen. Direct erna volgen schaamteloosheid en gebrek aan schroom. Wie onwetendheid volgt, bij hem ontstaat verkeerd inzicht. Wie verkeerd inzicht heeft, bij hem ontstaan verkeerde gezindheid, verkeerd taalgebruik, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerde inspanning, verkeerde oplettendheid en verkeerde concentratie.

Weten gaat vooraf aan het optreden van heilzame dingen. Direct erna volgen schaamte en schroom. Wie het weten navolgt, bij hem ontstaat juist inzicht. Wie juist inzicht heeft, bij hem ontstaan juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.


S.XLV.2 = S.45.2. De helft – het hele

De eerwaarde Ananda zei eens aan de Verhevene dat de helft van het heilige leven bestaat in vriendschap met goeden, omgang hebben met goeden, vertrouwd zijn met goeden.

De Boeddha gaf daarop het antwoord: “Het hele heilige leven bestaat in vriendschap met goeden, omgang hebben met goeden, vertrouwd zijn met goeden.

Van iemand die vriendschap heeft met goeden, omgang heeft met goeden, vertrouwd is met goeden, is te verwachten dat hij het edele achtvoudige pad kan ontplooien en ontwikkelen.

Hij ontplooit juist inzicht, dat op eenzaamheid is gebaseerd, op ontzegging, op opheffing, en die overgaat in loslaten.

Hij ontplooit juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie, die op eenzaamheid zijn gebaseerd, op ontzegging, op opheffing, en die overgaan in loslaten.

Want degenen die tot mij gekomen zijn als de goede vriend, zij die aan geboorte onderworpen waren, worden dan vrij van geboorte; zij die aan ouderdom en dood, gejammer, pijn, leed en wanhoop onderworpen zijn, worden vrij van ouderdom en dood, gejammer, pijn, leed en wanhoop.

Dat is het gevolg van vriendschap met de goeden.


S.XLV.3 = S.45.3. Sāriputta

De eerwaarde Sariputta zei tot de Verhevene: “Het hele heilige leven is vriendschap met goeden, omgang met goeden, vertrouwd zijn met goeden.”

“Voortreffelijk”, zei de Boeddha. “Van iemand die vriendschap heeft met de goeden, is te verwachten dat hij het edele achtvoudige pad kan ontplooien en ontwikkelen."


S.XLV.4 = S.45.4.

Door het volgen van het edele achtvoudige pad worden begeerte, afkeer en onwetendheid volledig verwijderd.

Vertrouwen en wijsheid, schaamte, de geest, oplettendheid, deugdzaamheid, inzicht, energie, gelijkmoedigheid, wensloosheid, niet haten en geweldloos zijn, eenzaamheid, verdraagzaamheid: met deze eigenschappen gaat men naar de overwinning.


S.XLV.5 = S.45.5. Het achtvoudige pad I

Het heilige leven wordt gevoerd om het lijden te doorzien. En er is een pad om het lijden te doorzien, namelijk het edele achtvoudige pad.


S.XLV.6 = S.45.6. Het achtvoudige pad II

Het heilige leven is het edele achtvoudige pad. Het einddoel ervan is het opdrogen van begeerte, afkeer, onwetendheid.


S.XLV.7 = S.45.7. Nibbana

Het opdrogen van begeerte, afkeer en onwetendheid, waarvoor is dit een aanduiding? – Het is het Nibbana. Het betekent opdroging van de neigingen, van de driften.

Wat is het Doodloze en wat is het pad ernaar toe? - Het opdrogen van begeerte, afkeer en onwetendheid, dat noemt men het Doodloze. Het edele achtvoudige pad is het pad dat ernaar toe voert.


S.XLV.8 = S.45.8. Het edele achtvoudige pad

Wat is het edele achtvoudige pad? – Het is juist inzicht, juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.

Wat is juist inzicht? – Het kennen van het lijden, het kennen van de ontwikkeling van het lijden, het kennen van de opheffing van het lijden, het kennen van het pad dat voert naar de opheffing van het lijden.


S.XLV.10 = S.45.10. Nibbana II

Welke dingen, ontplooid en ontwikkeld, voeren naar Nibbana? - Er zijn acht dingen die, ontplooid en ontwikkeld, naar Nibbana voeren: het edele achtvoudige pad.


S.XLV.11 = S.45.11. Het beleven

Wat door de wil te beleven is. – Als de wil niet tot rust is gekomen, dan is overwegen niet tot rust gekomen en dan is waarneming niet tot rust gekomen. Daarvan afhankelijk is het beleven.

Is de wil tot rust gekomen, maar overwegen en waarneming niet tot rust gekomen, dan is daarvan afhankelijk het beleven.

Is de wil tot rust gekomen en zijn de overwegingen tot rust gekomen, maar de waarneming niet, dan is daarvan afhankelijk het beleven.

Maar is de wil tot rust gekomen, is overwegen tot rust gekomen, zijn de waarnemingen tot rust gekomen, dan is daarvan afhankelijk het beleven.

Men kan zich inspannen om het nog niet bereikte te bereiken. Is die toestand evenwel bereikt, dan is ook daarvan afhankelijk het beleven.


S.XLV.12 = S.45.12. Beleven II

Beleven is afhankelijk van verkeerd inzicht, verkeerde gezindheid, verkeerd taalgebruik, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerde inspanning, verkeerde oplettendheid en verkeerde concentratie.

Als verkeerd inzicht, verkeerde gezindheid, verkeerd taalgebruik, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerde inspanning, verkeerde oplettendheid en verkeerde concentratie tot rust is gekomen, dan is daarvan ook het beleven afhankelijk.


Beleven is afhankelijk van juist inzicht, juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie. Als juist inzicht, juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie tot rust is gekomen, dan is daarvan ook het beleven afhankelijk.

Beleven is afhankelijk van de wil. Is echter de wil tot rust gekomen, dan is ook daarvan beleven afhankelijk.

Beleven is afhankelijk van overwegen. Is echter overwegen tot rust gekomen, dan is ook daarvan beleven afhankelijk.

Beleven is afhankelijk van waarneming. Is echter waarneming tot rust gekomen, dan is ook daarvan beleven afhankelijk.

Daar is de wil tot rust gekomen, maar de overwegingen en de waarnemingen zijn niet tot rust gekomen. Daarvan afhankelijk is beleven.

Is de wil tot rust gekomen, zijn de overwegingen en waarnemingen tot rust gekomen, dan is daarvan ook afhankelijk beleven.

Men kan zich inspannen om het nog niet bereikte te bereiken. Maar is die toestand bereikt, dan is ook daarvan beleven afhankelijk.


S.XLV.13 = S.45.13. Leerling

In hoeverre is men een leerling? – Als men voorzien is van juist inzicht, juiste gezindheid, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie van de leerling, in zoverre is men een leerling.


S.XLV.35-40 = S.45.35-40. Edele achtvoudige pad en doel

Het edele achtvoudige pad noemt men ascetenleven, de weg van de Brahmanen. De vrucht ervan is stroomintrede, eenmaal wederkeer, niet meer wederkeer en volmaakte heiligheid. Het doel ervan is de opdroging van begeerte, van afkeer en van onwetendheid.

l

S.XLV.159 = S.45.159. Te overwinnen

Als iemand het edele achtvoudige pad ontplooit en ontwikkelt, dan worden de dingen die door overzicht te doorzien zijn, door overzicht doorzien. De dingen die door overzicht te overwinnen zijn, worden dan door overzicht overwonnen. De dingen die door overzicht te verwerkelijken zijn, worden dan door overzicht verwerkelijkt. De dingen die door overzicht ontplooid zijn, worden dan door overzicht ontplooid.

Welke dingen zijn door overzicht te doorzien? – De vijf factoren van inbezitname, namelijk inbezitname van vorm, inbezitname van gevoel, inbezitname van waarneming, inbezitname van de formaties, inbezitname van het bewustzijn.

Welke dingen zijn door overzicht te overwinnen? – Onwetendheid en verlangen naar bestaan.

  Welke dingen zijn door overzicht te verwerkelijken? – Weten en bevrijding.

Welke dingen zijn door overzicht te ontplooien? – Kalmte en inzicht.

En hoe doet men dat? – Door het edele achtvoudige pad te ontplooien, op eenzaamheid gebaseerd, op onthechten gebaseerd, op opheffing gebaseerd, die in loslaten overgaan.

S.XLV.160 = S.45.160. Terugkeer niet mogelijk

Iemand die het edele achtvoudige pad ontplooit en ontwikkelt, keert niet meer tot het gewone leven terug. En waarom? – Iemand met een gemoed dat lange tijd geneigd is naar eenzaamheid, zal niet naar het gewone leven terugkeren. Hij ontplooit het edele achtvoudige pad, op eenzaamheid gebaseerd, op onthechten gebaseerd, op opheffing gebaseerd, die in loslaten overgaan.



S.XLVI = S.46. Bojjhanga-Samyutta

De zeven factoren van Verlichting (oplettendheid, onderzoek van de leer, inspanning met volharding, vervoering, kalmte, concentratie, gelijkmoedigheid). 187 suttas. (S.XLVI.1-187)


S.XLVI.14 = S.46.14. – Mahā Kassapa Thera bojjhanga

Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha in het Veluvana-park, op de voederplaats van de eekhoorntjes. Op die tijd verbleef de eerwaarde Mahā Kassapa in de Pipphali-grot. Hij werd er door een ziekte gekweld; hij leed zeer daaronder en was zwaar ziek.

Toen stond de Gezegende op van zijn eenzame plek en bracht in de avonduren een bezoek aan de eerwaarde Mahā Kassapa, ging naast hem zitten op een voor hem gereed gemaakte stoel en sprak:

“Wel, Kassapa, hoe is het met je? Kun je het uithouden? Kun je je lijden verdragen? Zijn er tekenen dat je pijn afneemt? Of neemt ze toe?”

“Neen, eerwaarde Heer, ik kan het niet uithouden, ik kan het niet verdragen, de pijn is erg groot. Er is geen teken dat de pijn afneemt, maar wel dat ze toeneemt.”

“Welnu, Kassapa, de volgende zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna. Het zijn:

1. Oplettendheid. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

2. Onderzoek van de leer. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

3. Inspanning met volharding. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

4. Vervoering. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

5. Kalmte, Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

6. Concentratie. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

7. Gelijkmoedigheid. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

Deze zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.”

En de eerwaarde Kassapa verklaarde hierop: “Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting. Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting.”

Aldus sprak de Gezegende. En de eerwaarde Mahā Kassapa verheugde zich in zijn hart over de woorden van de Boeddha. Hierna herstelde de eerwaarde Maha Kassapa van zijn kwaal en die kwaal verdween.

S.XLVI.15 = S.46.15 – Mahā Moggallāna Thera bojjhanga

Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha in het Veluvana-park, op de voederplaats van de eekhoorntjes. Op die tijd verbleef de eerwaarde Mahā Moggallāna op de Gierepiek (Gijjhakūta). Hij werd er door een ziekte gekweld; hij leed zeer daaronder en was zwaar ziek.

Toen stond de Gezegende op van zijn eenzame plek en bracht in de avonduren een bezoek aan de eerwaarde Mahā Moggallāna, ging naast hem zitten op een voor hem gereed gemaakte stoel en sprak:

“Wel, Moggallāna, hoe is het met je? Kun je het uithouden? Kun je je lijden verdragen? Zijn er tekenen dat je pijn afneemt? Of neemt ze toe?”

“Neen, eerwaarde Heer, ik kan het niet uithouden, ik kan het niet verdragen, de pijn is erg groot. Er is geen teken dat de pijn afneemt, maar wel dat ze toeneemt.”

“Welnu, Moggallāna, de volgende zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna. Het zijn:

1. Oplettendheid. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

2. Onderzoek van de leer. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

3. Inspanning met volharding. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

4. Vervoering. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

5. Kalmte. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

6. Concentratie. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

7. Gelijkmoedigheid. Deze factor van Verlichting is goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

Deze zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.”

En de eerwaarde Moggallāna verklaarde hierop: “Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting. Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting.”

Aldus sprak de Gezegende. En de eerwaarde Mahā Moggallāna verheugde zich in zijn hart over de woorden van de Boeddha. Hierna herstelde de eerwaarde Mahā Moggallāna van zijn kwaal en die kwaal verdween.

S.XLVI.16 = S.14.16 – Mahā Cunda Thera bojjhanga

Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha in het Veluvana-park, op de voederplaats van de eekhoorntjes. Op die tijd werd hij door een ziekte gekweld; hij leed zeer daaronder en was zwaar ziek.

Toen stond de eerwaarde Mahā Cunda116 op van zijn eenzame plek en bracht in de avonduren een bezoek aan de Verhevene. Hij groette hem eerbiedig en ging naast hem zitten.

De Gezegende zei toen tot de eerwaarde Mahā Cunda: “Cunda, laat de factoren van Verlichting in je geest komen.”

“Eerwaarde Heer, de volgende zeven factoren van Verlichting zijn door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna. Het zijn:

1. Oplettendheid. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

2. Onderzoek van de leer. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

3. Inspanning met volharding. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

4. Vervoering. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

5. Kalmte. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

6. Concentratie. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

7. Gelijkmoedigheid. Eerwaarde Heer, deze factor van Verlichting is door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Hij voert naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.

Eerwaarde Heer, deze zeven factoren van Verlichting zijn door de Gezegende goed uitgelegd, beoefend en volledig tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.”

En de Gezegende verklaarde hierop: “Waarlijk, Cunda, zij zijn de factoren van Verlichting. Waarlijk, Cunda, zij zijn de factoren van Verlichting.”

Aldus sprak de eerwaarde Cunda. En de Meester stemde ermee in. Hierna herstelde de Gezegende van zijn kwaal en die kwaal verdween.



S.XLVII. = S.47. Satipatthāna-Samyutta

De vier grondslagen van oplettendheid. 50 suttas. (S.XLVII.1-50)



S.XLVII.1 = S.47.1. Ambapāli

De weg die rechtstreeks naar Nibbana voert, is de beoefening van de vier grondslagen van oplettendheid.

De rechte weg naar zuivering van wezens, naar overweldiging van leed en gejammer, naar vernietiging van lijden en geweeklaag, zijn de vier pijlers van oplettendheid. Zij voeren naar verkrijging van het juiste, naar verwerkelijking van Nibbana. Men waakt bij het lichaam over het lichaam, onvermoeid, helder bewust, oplettend, na overwinning van wereldlijke begeerte en droefgeestigheid. Evenzo waakt men bij de gevoelens over de gevoelens. Men waakt ook over het bewustzijn bij het bewustzijn; en men waakt evenzo bij de geestformaties over de geestformaties.


S.XLVII.2 = S.47.2. Oplettend I

Oplettend moet de discipel vertoeven, helder bewust. Men waakt over het lichaam bij het lichaam. Men waakt bij de gevoelens over de gevoelens. Men waakt bij het bewustzijn over het bewustzijn. Men waakt bij de geestformaties over de geestformaties.

En men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Men is helder bewust bij het komen en gaan, bij het kijken, bij het buigen en opstaan, bij het dragen van het gewaad en van de nap. Men is helder bewust bij het eten en drinken, kauwen en proeven. Men is helder bewust bij de ontlasting en het urineren. Men is helder bewust bij het gaan en staan en zitten, bij het inslapen en wakker worden, bij het spreken en zwijgen.


S.XLVII.3 = S.47.3.

Te Savatthi. Het begin van de heilzame dingen is gezuiverde deugdzaamheid en rechtlijnige visie. Wanneer de deugdzaamheid goed gezuiverd is en de visie rechtlijnig is, dan kan men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.

Dat doet men naar binnen en naar buiten, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Wanneer men de vier grondslagen van oplettendheid aldus drievoudig ontplooit, dan is een toename van heilzame dingen te verwachten, geen terugval.

De leer in het kort: Zuiver je in de heilzame dingen, namelijk goed gezuiverde deugdzaamheid en rechtlijnige mening. Als dat zo is, dan kun je de vier pijlers van oplettendheid ontplooien, inwendig en uitwendig. Een toename van heilzame dingen is dan te verwachten, geen teruggang.


S.XLVII.4 = S.47.4.

In het land Kosala in het Brahmanendorp Sala.

Nieuwe monniken moeten aangespoord worden de vier grondslagen van oplettendheid te ontplooien.

Ook de monniken die oefenenden zijn, die het doel nog niet bereikt hebben, ook zij oefenen zich in de vier grondslagen van oplettendheid.

Zelfs de volmaakte heiligen beoefenen de vier grondslagen van oplettendheid.

Niet alleen volgelingen die pas beginnen, maar ook de volmaakte heiligen beoefenen de vier pijlers van opletendheid.


S.XLVII.5 = S.47.5.

Te Savatthi.

De vijf hindernissen (nivarana) zijn een hoop onheilzaams. Het zijn:

de hindernis door wensen, willen;

de hindernis door haat;

de hindernis door luiheid;

de hindernis door opwinding en onrust;

de hindernis door twijfel.

Maar een hoop heilzaams zijn de vier grondslagen van oplettendheid.


S.XLVII.6 = S.47.6.

Te Savatthi.

Bewandel geen verkeerde wegen. Verdwaal niet.

Wat zijn verkeerde wegen? – Het zijn de vijf genietingen van de zintuigen, namelijk de vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen die in het bewustzijn treden door oog, oor, neus, tong, lichaam. Ze zijn dierbaar, geliefd, aangenaam. Dat is vreemd gebied.

De juiste weg zijn de vier grondslagen van oplettendheid.


S.XLVII.7 = S.47.7.

Te Savatthi.

Men moet niet verdwalen, op een verkeerde weg geraken. De juiste weg is de beoefening van de vier grondslagen van oplettendheid.


S.XLVII.8 = S.47.8.

Wie geen juiste voorstelling heeft van het lichaam, van het gevoel, van het bewustzijn en van de geestformaties, die kan zich niet concentreren, de vertroebelingen verdwijnen niet. Hij kan de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooien. Hij heeft geen notie van zijn eigen bewustzijn.

Maar een wijze monnik waakt bij het lichaam over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Bij hem concentreert zich het bewustzijn, de vertroebelingen verdwijnen. Want hij heeft een juiste voorstelling van het lichaam, van de gevoelens, van het bewustzijn en van de geestformaties.

Deze wijze monnik bereikt reeds in dit leven een gelukkig vertoeven, verkrijgt oplettendheid en helder bewustzijn. Want hij heeft een juiste voorstelling van zijn eigen bewustzijn.


S.XLVII.10 = S.47.10.

Te Savatthi. De eerwaarde Ananda ging 's morgens vroeg naar een nonnenklooster. De nonnen zeiden hem dat enkele nonnen er goed gevestigd waren in de vier grondslagen van oplettendheid en een geweldig resultaat ervan ondervonden.

“Zo is het, zusters.”

Na deze bevestiging onderwees de eerwaarde Ananda de nonnen met een leerrede, stond op en vertrok.

Na zijn rondgang te Savatthi voor aalmoezen en na zijn maaltijd beëindigd te hebben, ging hij naar de Verhevene en vertelde hem over zijn gesprek met de nonnen.

De Verhevene bevestigde dat wie goed gevestigd is in de vier grondslagen van oplettendheid, deze een geweldig resultaat ervan zal ondervinden.

Als bij het waken bij het lichaam over het lichaam dorst en slapheid van het gemoed verschijnt, of wanneer het bewustzijn zich naar buiten keert, dan moet men het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt hij zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Hij overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.”

Hij trekt het terug en overweegt niet meer en peinst niet meer. Hij weet dat hij vrij is van overwegen en peinzen, dat hij zich goed voelt, naar binnen achtzaam.


Iemand waakt bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.

Terwijl hij daarover zo waakt, verschijnt dorst of slapheid van het gemoed. Of het bewustzijn wendt zich naar buiten.

Hij moet dan het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt hij zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Hij overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.”

Hij trekt het terug en overweegt niet meer en peinst niet meer. Hij weet dat hij vrij is van overwegen en peinzen, dat hij zich goed voelt naar binnen achtzaam.

Zo voltrekt zich gerichte ontplooiing.


En hoe voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing? – Als het bewustzijn niet naar buiten gericht is, weet men dat. Men weet dat men niet verstrooid is op vroegere of latere zaken. Men weet dat men bij het lichaam waakt over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van werelse verlangens en droefenis. “Het gaat mij goed,” zo voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing.


S.XLVII.11 = S.47.11. Een groot mens

Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta vroeg aan de Verhevene in hoeverre men een groot mens is. De Verhevene zei: “Als het bewustzijn bevrijd is, dan is men een groot mens. En het bewustzijn is bevrijd als men bij het lichaam waakt over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties. En men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.

Terwijl men zo waakt, wordt het bewustzijn zonder prikkels, wordt het zonder hechten bevrijd van de neigingen.

Zo is het bewustzijn bevrijd. En dan is men een groot mens.


S.XLVII.13 = S.47.13. Cunda

Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta vertoefde in het land Magadha in het dorp Nala. Hij was erg ziek. Zijn verzorger was Cunda. De eerwaarde Sariputta ging toen heen in Nibbana. Cunda nam zijn gewaad en nap en ging naar Savatthi, naar de eerwaarde Ananda. Hij overhandigde hem de nap en het gewaad en zei dat de eerwaarde Sariputta overleden was. “Laten wij naar de Verhevene gaan en hem dit meedelen.” Beiden gingen toen naar de Verhevene en vertelden dat de eerwaarde Sariputta overleden was. En de eerwaarde Ananda voegde nog toe dat hij zich niet meer kon concentreren, niet meer aan de leer kon denken nadat hij vernomen had dat de eerwaarde Sariputta overleden was.

De Verhevene vroeg: “Heeft Sariputta bij zijn overlijden jouw deugdzaamheid weggenomen of heeft hij de concentratie, de wijsheid, de bevrijding, het inzicht van de bevrijding bij jou weggenomen?”

“Neen, Heer, maar hij was voor mij een leraar die mij alles duidelijk maakte, onderwees, aanspoorde en verblijdde. Onvermoeibaar was hij in het uitleggen van de leer. Wij herinneren ons daarom graag eraan hoe de eerwaarde Sariputta aan de leer sap en kracht gaf, hoe hij de leer rijker maakte.”

  “Ananda, alles wat lief en dierbaar is, zal vergaan, zal veranderen, vernietigd worden. Het is niet mogelijk dat iets wat geboren, samengesteld is, niet aan verval onderhevig is.

Wees daarom een toevlucht voor jezelf. Heb de leer als toevlucht, en wel: Waak bij het lichaam over het lichaam, waak bij de gevoelens over de gevoelens, waak bij het bewustzijn over het bewustzijn, waak bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.”


S.XLVII.14 = S.47.14.

In het land van de Vajji, aan de oever van de Ganges nabij Ukka-Celaya. Het was kort nadat de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana heengegaan waren. De Boeddha sprak er temidden van een grote menigte monniken.

“Leeg schijnt deze bijeenkomst na het heengaan van Sariputta en Moggallana. Waar zij ook vertoefden, daar bleef niets te wensen over. De Boeddhas in vroegere tijden hadden een dergelijk paar van discipelen zoals ik had met Sariputta en Moggallana. En ook toekomstige Boeddhas zullen zo'n paar discipelen hebben.

Het is wonderbaarlijk hoe zij het onderricht en de aanmaningen van de Meester vervulden, hoe zij bij de viervoudige bijeenkomst geliefd waren, graag gezien, gewaardeerd.

Het is wonderbaarlijk dat er na het heengaan van een dergelijk paar van discipelen bij de Volmaakte geen leed en verdriet is. Want wat geboren is, aan het verval onderhevig, zal ook sterven, vervallen. Een andere mogelijkheid bestaat er niet.

Wees daarom uzelf tot toevlucht; neem de leer als toevlucht. En wel aldus: waak over de vier grondslagen van oplettendheid.


S.XLVII.15 = S.47.15. Bāhiya

Te Savatthi. De eerwaarde Bahiya ging naar de Verhevene en vroeg hem de leer in het kort uit te leggen, opdat hij alleen, afgezonderd, onvermoeibaar, serieus kon vertoeven.

De Boeddha: “Bahiya, Je moet je vanaf het begin zuiveren in de heilzame dingen. Het begin is zuivere deugdzaamheid en rechtlijnige visie. Daarna kun je de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.

Wanneer je die grondslagen ontplooit, dan is bij jou een toename van heilzame dingen te verwachten, geen terugval.”

De eerwaarde Bahiya was verheugd over deze woorden. Hij groette de Verhevene en ging weg.

Hij vertoefde eenzaam, afgezonderd, serieus, onvermoeibaar. En na niet lange tijd had hij het hoogste doel van het heilige leven nog in dit leven verwerkelijkt. Hij was een volmaakte heilige geworden.


S.XLVII.17 = S.47.17.

Te Savatthi. De vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, voeren naar volledige opdroging van lijden.


S.XLVII.18 = S.47.18. Brahma Sahampati

Te Uruvela, aan de oever van de rivier Nerañjara, onder de geitenhoedersvijgenboom, kort na de Verlichting.

Bij de Verhevene kwam de volgende overweging op. Dit is de rechtlijnige weg voor zuivering van de wezens, om leed en gejammer te overwinnen, om pijn en droefenis te beëindigen; dit is de rechtlijnige weg om Nibbana te verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid.

Brahma Sahampati merkte in zijn gemoed deze overwegingen van de Verhevene en direct verdween hij uit de Brahma hemel en verscheen voor de Verhevene. Eerbiedig bevestigde hij de overwegingen van de Boeddha.


S.XLVII.19 = S.47.19. De acrobaat

In het land van de Sumbher, in het stadje Sedakam.

De Verhevene sprak er tot de monniken. “Eens was er een bamboe-acrobaat. Die vroeg aan zijn vrouwelijke hulp dat zij bij de acrobatische kunststukken op hem zou passen, dan zou hij op haar passen. Maar de vrouwelijke hulp zei dat dit niets kon worden. Veel beter was dat hij op zich oppaste en dat zij op zichzelf oppaste. Zo konden zij dan zonder ongelukken hun kunsten tonen en geld verdienen.

Evenzo moet de volgeling van de Boeddha doen, en wel: op zichzelf letten en ook op de ander is het beoefenen van de grondslagen van oplettendheid, door ontplooing ervan. En men waakt over de ander en over zichzelf door geduld, geweldloosheid, liefdevolle vriendelijkheid, medeleven.


S.XLVII.21 = S.47.21.

Te Pataliputra. De eerwaarde Bhadda ging naar de eerwaarde Ananda en vroeg hem: “Waarover heeft de Verhevene als heilzame deugden gesproken en tot welk doel?"

"De heilzame deugden zijn die deugden waarmee men de vier grondslagen van oplettendheid kan ontplooien."


S.XLVII.22-23 = S.47.22-23. Bestaan en verval

En verder vroeg de eerwaarde Bhadda: Wat is de reden dat de leer na het definitieve heengaan van de Verhevene niet lang blijft bestaan? En wat is de reden dat zij dan lang blijft bestaan?

Wanneer de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooid en ontwikkeld worden, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene geen lang voortbestaan. En wanneer de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en ontwikkeld worden, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene een lang voortbestaan.


S.XLVII.26-27 = S.47.26-27. Ten dele en volledig

Te Saketa. De eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Mahamoggallana gingen 's avonds naar de eerwaarde Anuruddha, en stelden hem de volgende vragen.

“In hoeverre is men een oefenende?”

Anuruddha: “Wie de vier grondslagen van oplettendheid ten dele heeft ontplooid, die is een oefenende.”

Vraag: “Wie is een uitgeoefende?” (wie is klaar met oefenen?)

Antwoord: "Wie de vier grondslagen van oplettendheid volledig heeft ontplooid, die is een uitgeoefende."


S.XLVII.28 = S.47.28.

Bij dezelfde gelegenheid vroeg de eerwaarde Sariputta aan de eerwaarde Anuruddha: “Broeder Anuruddha, welke dingen hebt u ontplooid en ontwikkeld om groot overzicht te verkrijgen?"

Anuruddha antwoordde: "Door het ontplooien en ontwikkelen van de oplettendheid heb ik groot overzicht verkregen. Door ontplooing en ontwikkeling van de vier grondslagen van oplettendheid overzie ik een duizenvoudige wereld."


S.XLVII.29 = S.47.29. Sirivaddha

Te Rajagaha. Het gezinshoofd Sirivaddha was ziek. Hij vroeg iemand naar de eerwaarde Ananda te gaan, hem te zeggen dat hij ziek was en hem te vragen of hij Sirivaddha kon opzoeken. De eerwaarde Ananda stemde zwijgend toe, nam mantel en nap en ging naar het huis van Sirivaddha. Hij ging er op een stoel zitten en vroeg hoe het met Sirivaddha ging. Deze zei dat de pijn erg hevig was. Ze namen niet af, maar namen toe.

De eerwaarde Anada gaf de raad dat het gezinshoofd zich moest oefenen in de vier grondslagen van oplettendheid, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Het gezinshoofd zei dat hij die grondslagen van oplettendheid oefende en dat hij de lagere boeien had overwonnen.

De eerwaarde Ananda gaf ten antwoord dat het gezinshoofd de vrucht van niet-wederkeer had verkregen.


S.XLVII.32-34 = S.47.32-34.

Te Savatthi. De vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, voeren naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, naar overzicht, naar ontwaking, naar Nibbana.

Wie met de vier grondslagen van oplettendheid begint, die is begonnen met het edele achtvoudige pad naar de volledige opheffing van lijden.

Die vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, voeren van deze oever naar de andere oever.


S.XLVII.35 = S.47.35. Oplettend

Te Savatthi. Oplettend moeten jullie vertoeven, helder bewust. Men is oplettend als men bij het lichaam waakt over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

En men is helder bewust als men ziet dat gevoelens ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat gedachten ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat waarnemingen ontstaan, even duren en weer vergaan.



S.XLVII.37 = S.47.37. Wil

Te Sāvatthi. Er zijn vier grondslagen van oplettendheid.

Men waakt bij het lichaam over het lichaam. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis. Terwijl iemand zo over het lichaam bij het lichaam waakt, neemt bij hem de wil naar het lichaam af en verdwijnt. Door het verdwijnen van de wil is het doodloze verwerkelijkt.

Men waakt bij de gevoelens over de gevoelens. Men waakt bij het bewustzijn over het bewustzijn. Men waakt bij de geestformaties over de geestformaties. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis. Terwijl iemand zo over de gevoelens bij de gevoelens, bij het bewustijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties waakt, neemt bij hem de wil naar de gevoelens, naar het bewustzijn en naar de geestformaties af en verdwijnt. Door het verdwijnen van de wil is het doodloze verwerkelijkt.


S.XLVII.38 = S.47.38. Doorzien

Terwijl hij zo over de vier grondslagen van oplettendheid waakt, worden lichaam, gevoelens, bewustzijn en geestformaties door hem doorzien. Bij het doorzien ervan is het doodloze verwerkelijkt.


S.XLVII.40 = S.47.40. Uitleg

Te Sāvatthi. Uitleg van de vier grondslagen van oplettendheid, de ontplooiing en de procedure die naar ontwikkeling ervan voert.

De vier grondslagen: men waakt bij het lichaam over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

De beoefening van de grondslagen van oplettendheid: Men vertoeft daarbij met het beschouwen van de wet van ontstaan, het beschouwen van de wet van vergaan, het beschouwen van de wet van ontstaan-vergaan.

De procedure die naar ontwikkeling ervan voert, is het edele achtvoudige pad.

S.XLVII.41 = S.47.41. Het doodloze

Te Sāvatthi. Men moet vertoeven met een bewustzijn dat vast gebaseerd is op de vier grondslagen van oplettendheid. Maar laat het jullie niet reeds het doodloze zijn.


S.XLVII.42 = S.47.42. Ontstaan en vergaan

Te Sāvatthi. Het ontstaan en vergaan van de vier grondslagen van oplettendheid.

Door ontstaan van voedsel is het ontstaan van het lichaam. Door opheffing van voedsel is het vergaan van het lichaam.

Door ontstaan van aanraking is ontstaan van het gevoel. Door opheffing van de aanraking is het vergaan van het gevoel.

Door ontstaan van geest en lichaam is ontstaan van het bewustzijn. Door opheffing van geest en lichaam is het vergaan van het bewustzijn.

Door ontstaan van oplettendheid is ontstaan van de geestformaties. Door opheffing van oplettendheid is het vergaan van de geestformaties.


S.XLVII.48 = S.47.48. Vriendschap

Te Sāvatthi. Monniken, degenen met wie jullie medelijden hebben, en van wie jullie menen dat ze zullen luisteren, jullie vrienden en kennissen, familieleden en verwanten, die moeten door jullie aangespoord, versterkt en gevestigd worden in de ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid.


S.XLVII.49 = S.47.49. Gevoel

Te Sāvatthi. Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, neutraal gevoel. Om deze drie soorten van gevoel te doorzien moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.


S.XLVII.50 = S.47.50. Neigingen

Te Sāvatthi. Er zijn drie [soorten van] neigingen, namelijk de neiging van de zintuigen, de neiging tot bestaan, en de neiging tot onwetendheid. Om die neigingen te overwinnen, moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.

S.XLVIII. = S.48. Indriya-Samyutta

Krachten, voornamelijk de vijf vermogens (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie, wijsheid). 185 suttas. (S.XLVIII.1-185)


S.XLVIII.1 = S.48.1.

Te Sāvatthi. Er zijn vijf krachten, namelijk de kracht van vertrouwen, de kracht van energie, de kracht van oplettendheid, de kracht van concentratie, de kracht van wijsheid.


S.XLVIII.2-5 = S.48.2-5. heilig

Te Savatthi. Wanneer een edele volgeling het ontstaan en vergaan, verfrissing, ellende en ontkomen van de vijf krachten overeenkomstig de werkelijkheid inziet, dan noemt men hem een edele volgeling, een in de stroom getredene. Hij is ontkomen aan de neerwaartse weg. Doelbewust gaat hij naar de volledige ontwaking.

Wanneer een edele volgeling het ontstaan en vergaan, verfrissing, ellende en ontkomen van de vijf krachten overeenkomstig de werkelijkheid inziet en zonder hechten verlost is, dan noemt men hem een heilige, iemand wiens neigingen opgedroogd zijn. Hij heeft het doel bereikt, gedaan wat gedaan moest worden. Hij is vrij van de last, heeft de boeien van het bestaan volledig doorgesneden. Hij is bevrijd in volmaakte wijsheid.


S.XLVIII.6-7 = S.48.6-7. Brahmanen en asceten

Te Savatthi. Wie het ontstaan en vergaan, verfrissing, ellende en ontkomen van de vijf krachten overeenkomstig de werkelijkheid niet inzien, die zijn geen echte brahmanen en asceten.

Maar wie het ontstaan en vergaan ervan wel inzien, die hebben het doel van het ascetendom al in dit leven verwerkelijkt.

S.XLVIII.8 = S.48.8. uitleg

De kracht van vertrouwen is te herkennen aan de vier factoren van stroomintrede.

De kracht van energie is te herkennen aan de vier juiste inspanningen.

De kracht van oplettendheid is te herkennen aan de vier grondslagen van oplettendheid.

De kracht van concentratie is te herkennen aan de vier jhanas.

De kracht van wijsheid is te herkennen aan de vier edele waarheden.


S.XLVIII.10 = S.48.10. Uitleg 2

De kracht van vertrouwen bestaat hierin: Men heeft vertrouwen in de Volmaakte, aldus:

Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.

De kracht van energie bestaat hierin: men spant zich in om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen. Men volhardt sterk en standvastig. Men geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. Men spant zich in om niet ontstane, slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane slechte onheilzame dingen te overwinnen. Men spant zich in om niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane heilzame dingen te vestigen, verder te ontwikkelen, te ontplooien en tot rijpheid te laten komen.

De kracht van oplettendheid bestaat hierin: men is oplettend, begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest. Wat er ooit gedaan, gezegd werd, daaraan denkt hij, daaraan herinnert hij zich. Zo waakt hij bij het lichaam over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het hart over het hart, bij de verschijnselen over de verschijnselen, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

  De kracht van concentratie bestaat hierin: de edele volgeling heeft het loslaten, de onthechting, tot centraal beginpunt gemaakt, en zo verkrijgt hij concentratie en eenheid van het hart. Ver van begeerte, ver van onheilzame dingen vertoeft hij overwegend, overdenkend, uit eenzaamheid geboren, vol vervoering, in de eerste jhana – en zo verder tot en met de vierde jhana.

De kracht van wijsheid bestaat hierin: de edele volgeling is wijs, ziet opkomst en verval, de wijsheid die edel is en doorborend, die voert naar volledige opdroging van lijden. Hij onderkent: dit is lijden, dat is de ontwikkeling van lijden, dat is de opheffing van lijden, dat is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.

Dat zijn de vijf krachten.


S.XLVIII.11 = S.48.11.

De kracht van vertrouwen. (zie S.48.10).

De kracht van energie.

De kracht van oplettendheid.

De kracht van concentratie.

De kracht van wijsheid.


S.XLVIII.12-14 = S.48.12-14. In het kort I-III

Wie de vijf krachten volledig heeft voltooid, die is een heilige. Als zij zwakker zijn, is iemand een niet meer wederkerende. Als zij nog zwakker zijn, is iemand een eenmaal wederkerende. Als zij nog zwakker zijn, is iemand een in de stroom getredene. Als zij nog zwakker zijn is iemand een volgeling van de leer. Als zij nog zwakker zijn, is men iemand die uit vertrouwen navolgt.

Zo maakt het verschil van de krachten het verschil van de vruchten uit; het verschil van de krachten maakt het verschil van de personen.

Zo wordt volmaakt succes bereikt door volmaakt werkzaam zijn; gedeeltelijk succes door gedeeltelijk werkzaam zijn. De vijf krachten zijn niet onvruchtbaar.


S.XLVIII.15-17 = S.48.15-17. Uitvoerig

Wie de vijf krachten volledig voltooid heeft, is een heilige. Zijn zij zwakker, komt iemand onderweg tot uitdoving. Zijn zij nog zwakker, dan komt iemand aan het einde van zijn bestaan tot uitdoving. Zijn zij nog zwakker, dan komt hij zonder formaties tot uitdoving. Zijn zij nog zwakker, dan komt hij alleen met formaties tot uitdoving. Zijn zij nog zwakker, dan spoedt hij zich stroomopwaarts naar de Zuivere Verblijven. Zijn zij nog zwakker, dan wordt hij een eenmaal wederkerende. Zijn zij nog zwakker, dan wordt hij een in de stroom getredene. Zijn zij nog zwakker, dan wordt hij iemand die de leer navolgt. En zijn zij nog zwakker dan wordt hij iemand die uit vertrouwen navolgt.

Zo maakt het verschil van de krachten het verschil van de vruchten uit; het verschil van de krachten maakt het verschil van de personen uit.

Zo wordt volmaakt succes bereikt door volmaakt werkzaam zijn; gedeeltelijk succes door gedeeltelijk werkzaam zijn. Niet onvruchtbaar zijn de vijf krachten.

S.XLVIII.18 = S.48.18.

Wie de vijf krachten volledig heeft voltooid, is een heilige. Zijn ze zwakker, is hij iemand die naar de verwerkelijking van de vrucht van heiligheid vooruitgaat. Zijn ze nog zwakker, dan is hij een niet meer wederkerende. Zijn ze nog zwakker, dan is hij iemand die naar de verwerkelijking van de vrucht van niet meer wederkeer vooruitgaat. Zijn ze nog zwakker, dan is hij een eenmaal wederkerende. Zijn ze nog zwakker, dan is hij iemand die naar de verwerkelijking van de vrucht van eenmaal wederkeer vooruitgaat. Zijn ze nog zwakker, dan is hij een in de stroom getredene. Zijn ze nog zwakker, dan is hij iemand die naar de verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede vooruitgaat.

Maar wie de vijf krachten helemaal niet heeft, die wordt door de Boeddha een buitenstaander genoemd, iemand die aan de kant van de gewone mensen is blijven staan.

S.XLVIII.19 = S.48.19.

Men is een meester in de vijf krachten als men vertrouwen ontplooit, een kracht die naar kalmering voert en naar ontwaking. En als men energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid ontplooit als krachten die naar kalmering en naar ontwaking voeren.


S.XLVIII.20 = S.48.20.

  Door het ontplooien en ontwikkelen van deze vijf krachten komt men door opdroging van de neigingen nog in dit leven tot de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, tot de bevrijding door wijsheid, nadat men ze zelf verwerkelijkt en verkregen heeft.


S.XLVIII.21 = S.48.21.

Monniken, zolang ik van deze vijf krachten het ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen niet overeenkomstig de werkelijkheid had ingezien, zolang had ik niet de zekerheid dat ik in deze wereld volledig ontwaakt was.

Maar toen ik van deze vijf krachten het ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid had ingezien, toen had ik de zekerheid dat ik in deze wereld volledig ontwaakt was.

En het inzicht ontstond dat mijn bevrijding van het gemoed onwrikbaar was en dat dit mijn laatste geboorte was.


S.XLVIII.22 = S.48.22.

Er zijn drie krachten: de vrouwelijke kracht, de mannelijke kracht, de kracht tot levendigheid, vitaliteit.


S.XLVIII.23 = S.48.23.

Drie krachten zijn er, namelijk de kracht om iets wat niet onderkend is, te onderkennen; de kracht om het hoogste te onderkennen; de kracht van degene die onderkend heeft.


S.XLVIII.24 = S.48.24.

Er zijn vijf krachten, namelijk de kracht van vertrouwen, van energie, van oplettendheid, van concentratie en van wijsheid.

Wie deze vijf krachten volledig heeft voltooid, is een heilige. Als ze zwakker zijn, komt hij onderweg tot uitdoving. Zijn ze nog zwakker, dan komt hij aan het einde van de levenstijd tot uitdoving. Zijn ze nog zwakker, dan komt hij zonder formaties tot uitdoving. Zijn ze nog zwakker, dan komt hij met formaties tot uitdoving. Zijn ze nog zwakker, dan spoedt hij zich naar de Zuivere Verblijven. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij een eenmaal wederkerende. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij een eenmaal ontkiemende. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij iemand die van familie tot familie gaat. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij iemand die hoogstens nog zeven keer wedergeboren wordt. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij iemand die de leer navolgt. Zijn ze nog zwakker, dan wordt hij iemand die uit vertrouwen navolgt.


S.XLVIII.25 = S.48.25.

Er zijn zes krachten, en wel de kracht van het oog, van het oor, van de neus, van de tong, van het lichaam, en de kracht van de geest.


S.XLVIII.26-27 = S.48.26-27. Stroomintrede en heiligheid

Er zijn zes krachten. Wanneer een edele volgeling het ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid inziet, dan noemt men hem een edele volgeling, een in de stroom getredene; hij is dan ontkomen aan het neerwaartse pad, gaat doelbewust naar de volledige ontwaking.

Wanneer een edele volgeling ontstaan en vergaan, lafenis en ellende en ontkomen van deze zes krachten overeenkomstig de werkelijkheid inziet, en zonder hechten verlost is, dan noemt men hem een heilige, iemand bij wie de neigingen zijn opgedroogd, iemand die het einde heeft bereikt, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, vrij van de last, iemand die het doel heeft volbracht, die de boeien van het bestaan volledig liet vergaan, bevrijd in volkomen wijsheid.


S.XLVIII.28 = S.48.28. Der Erwachte

(Entbehrlich.)


S.XLVIII.29-30 = S.48.29-30. Asceten en brahmanen

Er zijn zes krachten. Alle asceten en brahmanen die ontstaan en vergaan, lafenis, ellende en ontkomen van deze krachten niet overeenkomstig de werkelijkheid inzien, of die ze zelf, het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert niet overeenkomstig de werkelijkheid inzien, zij allen hebben het doel niet in het eigen overzicht verwerkelijkt en verkregen.

Maar alle asceten en brahmanen die dat wel inzien, zij hebben het doel in eigen overzicht verwerkelijkt en verkregen.


S.XLVIII.31 = S.48.31.

  Er zijn vijf krachten, en wel: de kracht van welbehagen, de kracht van verdriet, de kracht van blijmoedigheid, de kracht van droefgeestigheid, de kracht van gelijkmoedigheid.


S.XLVIII.36-38 = S.48.36-38. Uiteenzetting

Er zijn vijf krachten: De kracht van welbehagen, de kracht van verdriet, de kracht van blijmoedigheid, de kracht van droefgeestigheid, de kracht van gelijkmoedigheid.

De kracht van welbehagen bestaat hierin: Wat lichamelijk aangenaam is, lichamelijk behaaglijk is, wat er, ontstaan uit lichamelijke aanraking, waar te nemen is als aangenaam en behaaglijk, dat noemt men lichamelijk welzijn.

De kracht van verdriet bestaan hierin: wat lichamelijk smartelijk is, lichamelijk onaangenaam is, wat er, ontstaan uit lichamelijke aanraking, aan verdriet en onbehagen is waar te nemen, dat noemt men lichamelijke smart.

De kracht van blijmoedigheid bestaat hierin: wat er in het gemoed aangenaam is, wat er behaaglijk is, wat er, ontstaan uit geestelijk contact, te voelen is aan aangenaamheid of behagen, dat noemt men de kracht van blijmoedigheid.

De kracht van droefgeestigheid bestaat hierin: wat in het gemoed pijnlijk, onbehaaglijk is, wat er, ontstaan uit geestelijk contact, te voelen is aan pijn of onbehagen, dat noemt men de kracht van droefgeestigheid.

De kracht van gelijkmoedigheid bestaat hierin: Wat lichamelijk of in de geest niet behaaglijk noch onbehaaglijk te voelen is, dat noemt men de kracht van gelijkmoedigheid.

De krachten van welbehagen en van blijmoedigheid zijn te herkennen aan het aangename gevoel. De krachten van smart en droefgeestigheid zijn te herkennen aan het pijngevoel. De kracht van gelijkmoedigheid is te herkennen aan het niet smartelijke noch aangename gevoel.

Zo worden bij deze vijf krachten uit vijf drie en uit drie vijf, al naar gelang het standpunt.


S.XLVIII.39 = S.48.39.

Die vijf krachten zijn er. Door een behaaglijk waar te nemen aanraking veroorzaakt verschijnt de kracht tot welbehagen. Wanneer iemand zich behaaglijk voelt, dan weet hij dat het hem behaaglijk is. Vanaf de opheffing van de behaaglijk waar te nemen aanraking ziet men in dat de erbij behorende waarneming door de behaaglijk ondervonden aanraking veroorzaakt was. De verschenen kracht tot behagen lost op, komt tot rust.

Door een smartelijk waar te nemen aanraking veroorzaakt verschijnt de kracht tot verdriet. Wanneer iemand zich verdrietig voelt, dan weet hij dat hij verdriet heeft. Vanaf de opheffing van de smartelijk waar te nemen aanraking ziet men in dat de erbij behorende waarneming door de smartelijk ondervonden aanraking veroorzaakt was. De verschenen kracht tot verdriet lost op, komt tot rust.

Door een blijmoedig waar te nemen aanraking veroorzaakt verschijnt de kracht tot blijmoedigheid. Wanneer iemand blijmoedig is, dan weet hij dat hij blijmoedig is. Vanaf de opheffing van de blijmoedig waar te nemen aanraking ziet men in dat de erbij behorende waarneming door de blijmoedig ondervonden aanraking veroorzaakt was. De verschenen kracht tot blijmoedigheid lost op, komt tot rust.

Door een droefgeestig waar te nemen aanraking veroorzaakt verschijnt de kracht tot droefgeestigheid. Wanneer iemand droefgeestig is, dan weet hij dat hij droefgeestig is. Vanaf de opheffing van de droefgeestig waar te nemen aanraking ziet men in dat de erbij behorende waarneming door de droefgeestig ondervonden aanraking veroorzaakt was. De verschenen kracht tot droefgeestigheid lost op, komt tot rust.

Door een gelijkmoedig waar te nemen aanraking veroorzaakt verschijnt de kracht tot gelijkmoedigheid. Wanneer iemand gelijkmoedig is, dan weet hij dat hij gelijkmoedig is. Vanaf de opheffing van de gelijkmoedig waar te nemen aanraking ziet men in dat de erbij behorende waarneming door de gelijkmoedig ondervonden aanraking veroorzaakt was. De verschenen kracht tot gelijkmoedigheid lost op, komt tot rust.

Juist zoals warmte ontstaat door wrijving van twee stukken hout, en zoals de warmte opgeheven wordt en tot rust komt als de stukken hout van elkaar verwijderd worden, evenzo is het met die gevoelens.


S.XLVIII.40 = S.48.40.

Er zijn deze vijf krachten. Dat die krachten zonder oorzaak kunnen verschijnen, is niet mogelijk.

De kracht van smart wordt opgeheven bij de eerste jhana. De kracht van droefgeestigheid wordt opgeheven in de tweede jhana. De kracht van welbehagen wordt opgeheven in de 3e jhana. De kracht van blijmoedigheid wordt opgeheven in de 4e jhana. De kracht van gelijkmoedigheid wordt opgeheven na het volledig overwinnen van het gebied van de grens van mogelijke waarneming en het bereiken van de sfeer van de opheffing van waarneming en gevoel.


S.XLVIII.41 = S.48.41. Ouderdom

  Te Savatthi in het oostelijke klooster. De eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, masseerde zijn ledematen en zei dat de huid van de Verhevene niet meer zo rein en glanzend was als vroeger, dat de ledematen slap en vol plooien waren, het lichaam naar voren gebogen; dat alle vaardigheden van de zintuigen veranderd waren.

De Boeddha: In de jeugd woont al de wet van ouderdom; in de gezondheid de wet van ziekte; in het leven de wet van het sterven. Ook al leeft men honderd jaren, dan kan men toch de dood niet ontkomen.


S.XLVIII.42 = S.48.42. Unnābha de brahmaan

Te Sāvatthi. Unnabha de brahmaan ging naar de Verhevene toe en sprak met hem over de zintuigen. De vijf zintuigen – zien, horen, ruiken, proeven, aanraken – hebben verschillende bereiken, en geen bereik merkt iets van het bereik van de andere zintuigen. Wat is de toevlucht ervan?

De Boeddha: Voor deze vijf zintuigen die verschillende bereiken hebben, en waarvan de een niets van het bereik van de ander merkt, is de geest de toevlucht. De geest merkt iets uit het bereik van de anderen.

De brahmaan: Heer, wat is de toevlucht voor de geest?

De Boeddha: De toevlucht voor de geest is de oplettendheid. De toevlucht voor de oplettendheid is de bevrijding. De toevlucht voor de bevrijding is Nibbana. Nibbana is het einddoel.

De brahmaan Unnabha was verheugd, nam beleefd afscheid van de Boeddha en vertrok.

De Boeddha wendde zich toen tot de monniken en zei dat de brahmaan vertrouwen had gevonden in de Boeddha. Hij zou na de dood niet meer wedergeboren worden.


S.XLVIII.43 = S.48.43. Sāketa

Te Saketa in het park van het Anjana-bos. De Verhevene sprak er tot de monniken.

Er is een standpunt volgens welk de vijf bekwaamheden gelijk zijn aan de vijf krachten en omgekeerd. De bekwaamheid van het vertrouwen is de kracht van het vertrouwen; en omgekeerd. De bekwaamheid van de energie is de kracht van de energie; en omgekeerd. De bekwaamheid van de oplettendheid is de kracht van de oplettendheid; en omgekeerd. De bekwaamheid van de concentratie is de kracht van de concentratie; en omgekeerd. De bekwaamheid van de wijsheid is de kracht van de wijsheid; en omgekeerd.

Net zoals een rivier met een eiland in het midden als één stroom beschouwd wordt door de een en door de ander als twee stromen (gedeeld door het eiland), evenzo kunnen de bekwaamheden en krachten als gelijk beschouwd worden of als twee aparte delen.

Wanneer de vijf vaardigheden ontplooid en ontwikkeld zijn, voeren ze nog in dit leven door opdroging van de neigingen naar de bevrijding van het gemoed, naar de bevrijding door wijsheid, nadat men ze zelf verwerkelijkt en verworven heeft.


[evenzo in S.48.44-48]


S.XLVIII.49 = S.48.49. Pindola

Te Kosambi. De eerwaarde Pindola-Bharadvaja verkondigde er dat hij de staat van arahant bereikt had. Een grote groep monniken ging toen naar de Verhevene toe en vroeg op grond waarvan door die eerwaarde die hoogste zekerheid verkondigd was.

De Boeddha: omdat hij drie vaardigheden heeft ontplooid en ontwikkeld, namelijk de vaardigheid van oplettendheid, van concentratie en van wijsheid. Deze drie vaardigheden eindigen in de opdroging van geboorte, ouderdom en dood.

S.XLVIII.50 = S.48.50. Vertrouwen

Te Apana, in het land van Anga. De Verhevene en de eerwaarde Saripitta spraken er met elkaar.

De edele volgeling die bij de Volmaakte vol vertrouwen is, kan niet meer twijfelen aan de Volmaakte of aan de leer. Want van hem is te verwachten dat hij energie aanwendt om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen. Hij volhardt sterk en standhaftig en geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. Dat is de vaardigheid van energie.

Verder is van hem te verwachten dat hij oplettend is, begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest. Wat eens werd gedaan, eens werd gezegd, daaraan denkt hij, daaraan herinnert hij zich. Dat is de vaardigheid van oplettendheid.

Van hem is verder te verwachten dat hij het loslaten als centraal beginpunt maakt en concentratie zal bereiken, de eenheid van het hart. Dat is de vaardigheid van concentratie.

Verder is van hem te verwachten dat hij wijs inziet dat het bestaan zonder begin is; een eerste begin van de onwetende wezens is niet te onderkennen. De restloze ontprikkeling en opheffing van de onwetendheid, dat is het oord van rust, dat is het verheven oord, namelijk het tot rust komen van alle formaties, het loslaten van alle betrekkingen, de opdroging van de dorst, de ontprikkeling, de opheffing, het Nibbana. Dat is de vaardigheid van wijsheid.

Degene die deze vijf vaardigheden heeft, verkrijgt hoogste vertrouwen. De dingen die hij voorheen alleen had gehoord, die weet hij dan uit eigen ervaring, met doorborende wijsheid. Dat is de vaardigheid van vertrouwen.

Juist zo, Sariputta. Wie als edele volgeling bij de Volmaakte tot een eenduidig resultaat is gekomen, vol vertrouwen is, die kan niet meer twijfelen aan de Volmaakte of aan diens leer. Van hem is te verwachten dat hij de vijf vaardigheden op die manier zal verwerven.


S.XLVIII.51 = S.48.51. Sāla

In het land Kosala in het brahmanendorp Sala. De Boeddha sprak er tot de monniken. Het vermogen van wijsheid geldt als het hoogste onder de eigenschappen voor ontwaking. Het vermogen van vertrouwen is een eigenschap die het ontwaken bevleugelt, ze voert naar ontwaking. De vermogens van energie, van oplettendheid, van concentratie, van wijsheid zijn eigenschappen die het ontwaken bevleugelen en naar ontwaking voeren.


S.XLVIII.52 = S.48.52.

In het land van de Mala, in het dorp Uruvelakappam.

De Verhevene sprak er tot de monniken.

Zolang als het edele inzicht niet is opgestegen in een edele volgeling, zolang zijn de vier vaardigheden niet vast gegrondvest, zolang hebben ze geen vaste basis.

Maar zodra in een edele volgeling jet edele inzicht is opgestegen, dan zijn de vier vaardigheden vast gegrondvest, hebben dan een vaste basis.

Evenzo, zodra in een edele volgeling het edele inzicht is opgestegen, zijn de vier vaardigheden vast gegrondvest, hebben dan een vaste basis. Het zijn de vaardigheden van vertrouwen, van energie, oplettendheid, concentratie. In de edele volgeling die wijsheid bezit, vestigt zich tdientengevolge energie, oplettendheid, concentratie.


S.XLVIII.53 = S.48.53. De oefenende

Te Kosambi. De Boeddha sprak er tot de monniken.

Er is een standpunt op grond waarvan een oefenende monnik die nog op het niveau van een oefenende is, kan erkennen dat hij nog een oefenende is.

En er is een standpunt op grond waarvan iemand die uitgeoefend is, die al op het niveau van de uitgeoefende staat, kan erkennen dat hij uitgeoefend is.


Standpunt 1: Een oefenende monnik ziet overeenkomstig de werkelijkheid in: dit is lijden, dit is de oorsprong van het lijden, dit is de opheffing van het lijden, dit is de weg die voert naar de opheffing van het lijden.

Verder overweegt de oefenende monnik dat er geen andere asceet of brahmaan is die de leer even werkelijk, echt en waarachtig toont dan de Verhevene.

Verder onderkent een oefenende monnik de vijf vaardigheden. Hij heeft weliswaar geen eigen ervaring ermee wat het beginpunt is, wat het hoogste ervan is, wat de vruchten ervan zijn, wat het einddoel is; maar wijs doorborend ziet hij ze.

Standpunt 2. Een uitgeoefende monnik onderkent de vijf vaardigheden en wat het beginpunt, het hoogste, de vruchten en het einddoel ervan zijn. Dat heeft hij zelf ondervonden en ook wijs doorborend gezien.

Verder onderkent de uitgeoefende monnik de zes vermogens, die van zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. Die zes vermogens zullen geheel en al zonder rest verdwijnen en er zullen geen andere zes vermogens ergens weer verschijnen.


S.XLVIII.54 = S.48.54. In het voetspoor.

Te Kosambi. Zoals alle voetsporen van met voeten begiftigde wezens passen in het olifantenvoetspoor, – het olifantenvoetspoor geldt als het grootste en het beste – evenzo geldt van alle schreden die naar het ontwaken voeren, het vermogen van wijsheid als de grootste tot ontwaken.

De schreden die naar het ontwaken voeren zijn: de vermogens van vertrouwen, van energie, van oplettendheid, van concentratie en van wijsheid.


S.XLVIII.55 = S.48.55. Kernhout

Te Kosambi. De geur van rood sandelhout geldt als de beste. Evenzo is de wijsheid de beste eigenschap tot ontwaken. De eigenschappen die het ontwaken bevleugelen zijn de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.


S.XLVIII.56 = S.48.56. ernst

Te Sāvatthi. Iemand die in ernst gevestigd is, bij hem worden vijf vermogens ontwikkeld. Wat is ernst? – Hij bewaakt zijn hart voor de neigingen en de daarmee verbonden dingen. Wie het hart beschermt en op die manier bewaakt, bij hem komen ook de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid tot volle ontwikkeling.


S.XLVIII.57 = S.48.57. Brahmā Sahampati

Te Uruvela. Kort na de ontwaking vertoefde de Boeddha er aan de oever van de rivier Nerañjara onder de geitenhoedersboom. Bij hem kwam de volgende overweging op: vijf vermogens, ontplooid en ontwikkeld, hebben naar het Doodloze gevoerd, namelijk de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.

Brahma Sahampati merkte deze overweging en bevestigde ze.


S.XLVIII.58 = S.48.58. Hoogste toeneiging

Te Rajagaha. De Verhevene sprak er met de eerwaarde Sariputta. Welke zin kan een volmaakt heilige monnik erin zien om de Volmaakte of diens leer ook verder hoogste toeneiging te betonen?

Sariputta: omdat hij de onovertreffelijke vrede door zich moeite geven gevonden heeft, daarom betoont een volmaakte heilige ook verder de Volmaakte of diens leer hoogste toeneiging.

De Boeddha: Wat is dat voor een onovertreffelijke vrede die de volmaakte heilige gevonden heeft?

Sariputta: hij ontplooit de vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid, welke naar kalmering voeren, naar de vollledige Ontwaking.

De Boeddha: En wat is deze hoogste toewijding?

Sariputta: De volmaakte heilige blijft erbij de meester te hoogachten, zich naar hem te richten, de leer te waarderen, zich ernaar te richten, de gemeenschap van de monniken te hoogachten en zich ernaar te richten, de oefening te waarderen en zich ernaar te richten, de concentratie te waarderen en zich ernaar te richten.


S.XLVIII.59-60 = S.48.59-60.

Te Sāvatthi. De niet ontstane vijf vermogens kunnen door ontplooiing en ontwikkeling alleen daar ontstaan, waar een Volmaakte, Heilige, volmaakt Ontwaakte verschijnt of de Orde van de Welkomene. Die vijf vermogens zijn vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.


S.XLVIII.61-64 = S.48.61-64.

Te Sāvatthi. Vijf vermogens, ontplooid en ontwikkeld, voeren naar het overwinnen van de boeien, naar het uitroeien van de verlangens, naar het doorschouwen van de tijd, naar uitdroging van de neigingen. Die vijf vermogens zijn vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.


S.XLVIII.65-66 = S.48.65-66. Twee vruchten; zeven voordelen

Te Sāvatthi. Wie de vijf vermogens van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid ontplooit en ontwikkelt, die kan een van twee vruchten verwachten: hoogste weten nog in dit leven, of, als er nog een rest van betrekkingen is, niet-wederkeer. Of deze voordelen zijn te verwachten: nog in dit leven bereikt hij hoogste weten; of hij bereikt het op het tijdstip van de dood; of hij komt na volledige opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien onderweg tot uitdoving of op het einde van het bestaan daar. En wanneer dat niet het geval is, dan komt hij na opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien zonder inspanning of met inspanning tot uitdoving. Wanneer ook dat niet het geval is, dan komt hij na de opdroging van de vijf omlaag trekkende boeien stroomopwaarts bij de Zuivere Verblijven.


S.XLVIII.67-70 = S.48.67-70.

Te Sāvatthi. Van de eigenschappen die het ontwaken bevleugelen is het vermogen van wijsheid de beste. Vermogens die het ontwaken bevleugelen zijn: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie, wijsheid.



S.IL = S.49. Samma-ppadhāna-Samyutta

De vier juiste inspanningen. Die inspanningen zijn: zich inspannen om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; zich inspannen om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; en zich inspannen om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

Zie ook M.77.



S.L. = S.50. Bala-Samyutta

De vijf vermogens of krachten, namelijk de kracht van vertrouwen, de kracht van energie, de kracht van oplettendheid, de kracht van concentratie, de kracht van wijsheid.

Zie ook S.48.1-8.



S.LI = S.51. Idhipāda-Samyutta

Iddhi-pada; wegen naar macht (succes), namelijk de vier psychische vermogens (wil, energie, denken, onderzoek). 86 suttas. (S.LI.1-86)


S.LI.1 = S.51.1. = Iddhi-pada

Te Savatthi. De vier wegen van geestelijke macht, ontplooid en vaak geoefend, voeren naar de andere oever. – Die vier wegen zijn: 1) concentratie van de wil; 2) concentratie van energie; 3) concentratie van bewustzijn, van het gemoed; 4) concentratie van onderzoek.

Deze vier wegen van geestelijke macht voeren van deze naar de andere oever.


S.LI.5-6 = S.51.5-6

Te Savatthi. Allen die vroeger, thans of toekomstig magische krachten gedeeltelijk of volledig hadden/hebben/zullen hebben, zij allen deden/doen dat door ontplooiing en oefening van de vier wegen naar macht.


S.LI.7 = S.51.7

Allen die vroeger, thans of toekomstig door uitdroging van de neigingen nog in hun leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid zelf verwerkelijkten/verwerkelijken, die deden/doen dat door ontplooiing en oefening van de vier wegen naar macht.


S.LI.8 = S.51.8

Te Savatthi. Vanwege de ontplooiing en oefening van de vier wegen naar macht noemt men de Volmaakte de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.


S.LI.9 = S.51.9

Te Savatthi. Die vier wegen naar macht moeten ontplooid worden. En ze zijn door de Boeddha ontplooid.


S.LI.11 = S.51.11

Te Savatthi. Men ontplooit de vier grondslagen van geestelijke krachten. De wil, de energie, het gemoed (bewustzijn) en het onderzoeken zijn niet te slap noch te strak gespannen. Ze zijn niet verstrooid noch star. Men neemt het vroegere en latere waar. Vroeger-later; boven-beneden; overdag-'s-nachts. Zo ontplooit men met open bewustzijn (gemoed) een zelflichtend bewustzijn (gemoed).

Wie zo die vier grondslagen van geestelijke krachten heeft ontplooid en geoefend, die kan op veelvuldige manier de ontplooiing van die krachten ondervinden.

De kracht om uit één veelvuldig te worden, en uit veelvuldig weer één. De kracht om zich zichtbaar te maken en onzichtbaar. De kracht om ongehinderd door wanden, muren, bergen te gaan als door de lucht. De kracht om in de aarde op- en onder te duiken als in water. De kracht om op het water te lopen zonder te zinken alsof men op vaste grond loopt De kracht om zich in zittende houding in de lucht te bewegen als een vogel. De kracht om met de hand de maan en de zon aan te raken. De kracht om lichamelijk invloed uit te oefenen tot in de Brahmā-wereld (zijn lichaam te beheersen tot in de Brahma-wereld).

Men heeft het hemelse oor dat zuiver is en dat reikt boven menselijke grenzen. Daarmee hoort men beide soorten van geluiden, de hemelse en de menselijke, de geluiden veraf en nabij.

Men kan met zijn geest de geest van anderen doordringen; men kan het gemoed van anderen begrijpen nadat men het met eigen hart heeft omvat.

Men begrijpt het gemoed met verlangen; men weet wie begerig is en wie niet. Men begrijpt het gemoed met afkeer; men weet wie haat heeft en wie niet. Men begrijpt het gemoed met waan; men weet wie onwetend is en wie wetend. Men begrijpt het standvastige gemoed en het verstrooide; men weet wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Men begrijpt het edelmoedige en het niet edelmoedige gemoed; men weet wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Men begrijpt het overtrefbare en het niet overtrefbare gemoed; men weet wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Men weet wie edel is en wie onedel. Men begrijpt het niet geconcentreerde en het geconcentreerde gemoed; men weet wie rustig is en wie rusteloos. Men begrijpt het niet bevrijde en het bevrijde gemoed; men weet wie bevrijd is en wie niet bevrijd is.

Men kan zich aan veel vroegere levens, aan veel verschillende vormen van bestaan herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens, aan veel aeonen van wereldvergaan, aan veel aeonen van wereldontstaan, aan veel aeonen van wereldontstaan en wereldvergaan. Men herinnert zich welke naam men er had, tot welke familie men behoorde, tot welke kaste; men herinnert zich welk beroep men uitoefende, hoe men eruit zag, welk voedsel men kreeg, wat men er ondervond aan wel en wee, aan lust en leed; men herinnert zich hoe oud men werd; men herinnert zich hoe het levenseinde was, waar men na de dood wedergeboren werd. Men herinnert zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de bijzondere gebeurtenissen en details ervan.

Verder kan men met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. Men begrijpt hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich met daden, woorden en gedachten slecht heeft gedragen, wie de edelen heeft beschimpt, wie onjuiste visies had, komt na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, ja zelfs in de hel. Maar degenen die zich goed hebben gedragen in daden, woorden en gedachten, die de edelen niet hebben beschimpt, die juiste visies hadden en die visies in hun daden tot uiting lieten komen, zijn na de dood wedergeboren op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld." Zo ziet men met het hemelse oog.

Dan kan men de neigingen laten opdrogen en de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid nog in dit leven verwerkelijken en verkrijgen.

S.LI.12 = S.51.12

Te Savatthi. De vier wegen naar macht (naar magische krachten), ontplooid en geoefend, brengen grote vrucht en grote zegen.


S.LI.13 = S.51.13 De wil

Te Sāvatthi.

Gesteund op de wil verkrijgt men concentratie van het hart. Men wekt de wil op om niet ontstane slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan. Men spant zich in, wekt energie op, versterkt het hart, maakt het gereed voor de strijd.

Men wekt de wil op om ontstane slechte, onheilzame dingen te overwinnen. Men spant zich in, wekt energie op, versterkt het hart, maakt het gereed voor de strijd.

Men wekt de wil op om niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan. Men spant zich in, wekt energie op, versterkt het hart, maakt het gereed voor de strijd.

Men wekt de wil op om ontstane heilzame dingen te vestigen, niet te vervalsen, om ze verder te ontwikkelen, te vervullen, te ontplooien, tot bloei te laten komen. Men spant zich in, wekt energie op, versterkt het hart, maakt het gereed voor de strijd.

Dat noemt men strijdformaties.

 

Zo noemt men deze wil, deze concentratie van de wil en deze strijdformaties, de met de concentratie van de wil verworven geestelijke kracht.


Op de energie, het hart, het onderzoeken gesteund verkrijgt men concentratie, verkrijgt men concentratie van het hart. Men wekt de wil op voor de vier juiste inspanningen. Dat noemt men strijdformaties. Zo noemt men deze energie, deze concentratie van energie en deze strijdformaties, de met de concentratie van de energie verworven geestelijke kracht.

Zo noemt men dit hart, deze concentratie van het hart en deze strijdformaties, de met de concentratie van het hart verworven geestelijke kracht.

Zo noemt men dit onderzoeken, deze concentratie van onderzoeken en deze strijdformaties, de met de concentratie van onderzoeken verworven geestelijke kracht.


S.LI.14 = S.51.14. Moggallāna

Te Savatthi, in het oostelijk gelegen klooster van Migaras moeder. Enige monniken verbleven er opgewonden, onoplettend, niet helder bewust, ongeconcentreerd. Op verzoek van de Verhevene ging de eerwaarde Maha-Moggallana naar hen toe om hen aan te sporen. Met zijn grote teen liet hij het klooster beven. De monniken werden bang. De Verhevene ging naar hen toe en zei dat de eerwaarde Maha-Moggallana het klooster had laten beven om hen aan te sporen. Verder vertelde hij dat de eerwaarde Maha-Moggallana zo'n grote macht, zo'n magie had gekregen door het ontplooien en vervolmaken van de vier wegen naar macht. Hij ontplooit de concentratie van de wil, van de energie, van het hart, van het onderzoeken.

S.LI.15 = S.51.15. De wil

Te Kosambi. De eerwaarde Ananda werd er bezocht door de brahmaan Unnabha. De brahmaan vroeg tot welk doel het heilige leven gevoerd wordt bij de Boeddha. Het antwoord van Ananda luidde: “Tot overwinning van de wil. En er is een pad om de wil te overwinnen. Men ontplooit de concentratie van de wil, van de energie, van het hart, van het onderzoeken.

De brahmaan: “Dat kan niet, de wil kan niet overwonnen worden door de wil.”

Ananda: “U had eerst de energie om hierheen te komen. Die energie is nu gekalmeerd. In uw gemoed kwam eerst het plan op om hierheen te komen. Dat gemoed is nu gekalmeerd. Eerst had u het onderzoeken gericht op het gaan hierheen en nu is dat onderzoeken voorbij.

Evenzo, wanneer iemand een volmaakte heilige is geworden, dan is bij hem wat eerst de wil was om heilig te worden, na het bereiken van heiligheid gekalmeerd. Wat eerst energie was om heilig te worden, is bij hem na het bereiken van heiligheid als energie gekalmeerd. Wat eerst het plan in zijn gemoed was om heilig te worden, is na het bereiken van de heiligheid in zijn gemoed gekalmeerd. Wat eerst als onderzoek gericht was op de heiligheid, is beëindigd na het bereiken van heiligheid.


S.LI.16-17 = S.51.16-17.

Allen die in het verleden grote macht en grote magie hadden, allen die grote macht en grote magie hebben in het heden, zij allen hebben de vier wegen naar macht ontplooid en ontwikkeld.

Allen die in het verleden veelvuldige machtontplooiing hebben ondervonden, allen die dat in de toekomst zullen doen en allen die dat tegenwoordig ondervinden, zij allen hebben de vier wegen naar macht ontplooid en ontwikkeld.


S.LI.18 = S.51.18.

Door ontplooiing en ontwikkeling van de vier wegen naar macht kan men door opdroging van de neigingen de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid nog in dit leven zelf verwerkelijken en verkrijgen.


S.LI.19 = S.51.19.

De magische kracht: men kan op veelvuldige manier kracht/macht ondervinden.

De weg naar geestelijke kracht: men ontplooit de concentratie van de wil, van energie, van het hart en van het onderzoeken.

En dat doet men door het edele achtvoudige pad.


S.LII = S.52. Anuruddha-Samyutta

Bovennatuurlijke krachten verworven door Anuruddha door oplettendheid. 24 suttas. (S.LII.1-24)


S.LII.10 = S.52.10. Erg ziek

Te Savatthi. Eens was de eerwaarde Anuruddha erg ziek. Maar zijn gemoed werd niet verstoord door de opstijgende lichamelijke gevoelens van pijn. Zijn medemonniken vroegen hem toen in welke toestand hij verbleef dat die pijn hem niet verstoorde.

De eerwaarde Anuruddha antwoordde: “Met een gemoed dat vast gebaseerd is in de vier grondslagen van oplettendheid, kunnen ontstane lichamelijke gevoelens van pijn het gemoed niet verstoren.


S.LIII = S.53 Jhāna-Samyutta

De vier meditatieve verdiepingen (jhānas).



S.LIV = S.54. Ānāpāna-Samyutta

Oplettendheid bij het ademhalen. 20 suttas. (S.LIV.1-20)


S.LIV.1 = S.54.1. Meditatie bij in- en uitademen

Te Sāvatthi. Grote vrucht en zegen brengt het oplettend in- en uitademen, wanneer het ontplooid en ontwikkeld is.

Oplettendheid bij het in- en uitademen gaat als volgt: Men gaat naar een rustige plek en men gaat er met gekruiste benen neerzitten. Men houdt het lichaam rechtop en de oplettendheid houdt men levendig. En oplettend ademt men in, oplettend ademt men uit.

Wanneer men lang inademt, weet men: ‘Ik adem lang in’; wanneer men lang uitademt, weet men: ‘Ik adem lang uit.’ Wanneer men kort inademt, weet men: ‘Ik adem kort in;’ wanneer men kort uitademt, weet men: ‘Ik adem kort uit.’

‘Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘bewust van het hele ademhalingsproces zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Vervoering ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘vervoering ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Zaligheid ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘zaligheid ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

'De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

'De geest ondervindend zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest buitengewoon blij makend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest buitengewoon blij makend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest concentrerend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest concentrerend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest bevrijdend (van de hindernissen), zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest bevrijdend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over onthechting, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over onthechting, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over beëindiging, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over beëindiging, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over het opgeven, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over het opgeven, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

Dit heet oplettendheid bij het in- en uitademen. Men gaat neerzitten, het lichaam rechtop, en oplettend ademt men in en ademt men uit.

Indien in- en uitademen op die manier ontplooid en ontwikkeld wordt, dan is grote vrucht en grote zegen te verwachten.


S.LIV.2 = S.54.2.

Te Sāvatthi. De Verhevene zei: "Oplettend in- en uitademen, ontplooid en ontwikkeld, brengt grote vrucht en grote zegen. Men ontplooit de zeven factoren van Verlichting."


S.LIV.8 = S.54.8. De lamp

Te Sāvatthi. De Verhevene sprak over oplettendheid bij in- en uitademen.

Ook de Verhevene heeft vaak deze oplettendheid bij het ademen beoefend, voordat hij de volmaakte Verlichting bereikte. Zijn lichaam en zijn ogen werden toen niet moe. En zonder hechten werd zijn geest van de neigingen bevrijd.

Wenst men dat zijn lichaam niet moe wordt noch zijn ogen, en wenst men zonder hechten verlost te worden van de neigingen, dan moet men zijn opmerkzaamheid richten op de concentratie van bedachtzame in- en uitademing.

Wenst men dat de herinneringen en plannen waaraan men gewend is overwonnen worden, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

Wenst men dat men het niet walgelijke als walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

Wenst men dat men het walgelijke als niet walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

Wenst men dat men het niet walgelijke en het walgelijke als iets walgelijks waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

Wenst men dat men walgelijks en niet walgelijks als iets niet walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

Wenst men dat men niet walgelijks en walgelijks beide achter zich laat en gelijkmoedig vertoeft, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

   Wenst men de vier jhanas te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

  Wenst men de vier vormloze meditatieve verdiepingen te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

  Wenst men na volledige overwinning van de grens van mogelijke waarneming de opheffing van waarneming en gevoel te bereiken en daarin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.


Wanneer de concentratie op de ademhaling op die manier ontplooit en ontwikkelt, en wanneer men dan een aangenaam of een onaangenaam gevoel ondervindt, dan ziet men in dat het onbestendig is, onvoldaan. Men eigent zich dat gevoel niet meer toe.

Men ziet in dat, wanneer het lichaam uiteenvalt en de levenskracht opgebruikt is, alles wat hier nog als waarneembaar is, koel geworden is hoewel ook zonder voldoening.


S.LIV.9 = S.54.9. walgelijkheid

Te Vesali. De Verhevene sprak er over de walgelijkheid. Daarna trok hij zich een halve maand in eenzaamheid terug. Alleen degene die hem dagelijks te eten bracht, mocht hem opzoeken.

De monniken overdachten de walgelijkheid van het lichaam. En zij vonden het lichaam een plaag, ekelden zich ervoor, schaamden zich ervoor. En eerst brachten tien monniken per dag zich om, dan twintig, dan dertig per dag.

Toen de Verhevene na afloop van de halve maand terug kwam, vroeg hij aan de eerwaarde Ananda hoe het kwam dat de gemeenschap van de monniken zo uitgedund was.

De eerwaarde Ananda vertelde wat er gebeurd was en vroeg dat de Verhevene een andere leerrede zou geven opdat de gemeenschap van de monniken het hoogste inzicht kon bereiken.

De monniken werden bijeengeroepen in de vergaderzaal. Daar sprak de Boeddha over de concentratie op het in- en uitademen. Die concentratie is stil, uitstekend, een vertoeven in smetteloos geluk. Welke slechte onheilzame dingen ontstaan, die worden terstond tot verdwijnen gebracht en komen tot rust.


S.LIV.10 = S.54.10. Kimbila

Eens vroeg de Verhevene aan de eerwaarde Kimbila hoe de concentratie op de ademhaling uitgeoefend moet worden. De eerwaarde Kimbila zweeg. De eerwaarde Ananda vroeg toen aan de Boeddha om de concentratie op de ademhaling uit te leggen. En de Verhevene sprak:

"Wanneer men diep inademt, weet men: 'ik adem diep in.' Wanneer men diep uitademt, weet men: 'ik adem diep uit.' Wanneer men kort inademt, weet men: 'ik adem kort in.' Wanneer men kort uitademt, weet men: 'ik adem kort uit.' 'Het lichaam kalmerend zal ik inademen, het lichaam kalmerend zal ik uitademen,' zo oefent men.

Op die tijd waakt men bij het lichaam over het lichaam, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Ik noem in- en uitademen het lichaam veranderen.


‘Vervoering ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘vervoering ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Zaligheid ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘zaligheid ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

Op zo'n tijd waakt men bij de gevoelens over de gevoelens, oplettend en helder bewust. De gevoelens veranderen, noem ik dat.


‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

'De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

'De geest ondervindend zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest buitengewoon blij makend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest buitengewoon blij makend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest concentrerend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest concentrerend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘De geest bevrijdend (van de hindernissen), zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest bevrijdend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

Op zo'n tijd oefent men zich: 'het bewustzijn ondervindend zal ik inademen; het bewustzijn ondervindend zal ik uitademen; het bewustzijn opwekkend zal ik in- en uitademen; het bewustzijn bevrijdend zal ik in- en uitademen.' Zo oefent men.

Op zo'n tijd waakt men bij het bewustzijn over het bewustzijn, helder bewust.


Iemand die onachtzaam is, die niet helder bewust is, kan de concentratie op het in- en uitademen niet ontplooien. Daarom waakt men bij de geest over de geest, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend.

‘Nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over onthechting, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over onthechting, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over beëindiging, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over beëindiging, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

‘Nadenkend over het opgeven, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over het opgeven, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

Op zo'n tijd waakt men bij de verschijnselen over de verschijnselen, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van werelds verlangen en droefenis.

Men heeft wijs gemerkt hoe begeerte en droefenis overwonnen worden, en hij heeft het goed in evenwicht gebracht.

Op die manier verkleint iemand die bij het lichaam over het lichaam waakt, die bij de gevoelens over de gevoelens waakt, die bij het bewustzijn over het bewustzijn waakt, die bij de objecten van de geest waakt over de objecten van de geest, de slechte onheilzame dingen."




S.LV = S.55. Sotāpatti-Samyutta

Beschrijving van de in de stroom getredene. 74 suttas. (S.LV.1-74)


S.LV.1-4 = S.55.1-4

Stroomintrede. De edele volgeling die vier eigenschappen bezit, is ontkomen aan de hel, aan de dierenwereld, is ontkomen aan de sfeer van de ongelukkige geesten. Hij kan niet meer op het neerwaartse pad geraken. Die vier eigenschappen zijn: Hij heeft vertrouwen in de Boeddha, in de Dhamma en in de Ariyasangha:

‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

Hij volgt de deugden op die dierbaar zijn aan de edelen.


S.LV.3 = S.55.3 stroomintrede.

De volgeling Dighavu was zwaar ziek. De Verhevene bezocht hem en gaf hem de volgende raad. “Oefen je in vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Beoefen de deugden die door wijzen geprezen worden.” – "Die vier delen van stroomintrede zijn bij mij te vinden,” zei Dhigavu. – "Dan moet je nog zes dingen ontplooien. Vertoef bij alle vormen bij de vergankelijkheid ervan. Zie het lijden van vergankelijkheid. Beschouw niet-ik bij het lijden. Neem de overwinning ervan waar, het onthechten, de opheffing.” – Dhigavu stierf kort daarna. Hij had toen het niveau van niet meer wederkeer bereikt.


S.LV.5 = S.55.5

Stroomintrede. Schakels naar stroomintrede zijn: omgang met goede mensen; het luisteren naar de goede leer; grondige oplettendheid; het navolgen van de leer. – De stroom is het achtvoudige pad. Iemand is een in de stroom getredene wanneer hij het edele achtvoudige pad navolgt.


S.LV.6 = S.55.6

Stroomintrede. De in de stroom getredene volgt vier dingen: Hij volgt de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. En hij is vrij van gierigheid, geeft met open hand, is vrijgevig.


S.LV.21-22 = S.55.21-22

De in de stroom getredene kan er zeker van zijn Nibbâna te bereiken.


S.LV.24-25 = S.55.24-25

Over de niveaus van heiligheid.

Wie lang als volgeling van de Verhevene zijn toevlucht heeft genomen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, die kan niet meer in een toestand van ellende geraken.


Degenen die met de vernietiging van de vijf lagere boeien [geloof in persoonlijkheid; twijfel; gehechtheid aan regels en rituelen; begeerte naar zintuiglijk genot; afkeer] spontaan wedergeboren worden in de godenwereld van de Zuivere Verblijven (suddhāvāsa) en daar Nibbana zullen verkrijgen, zonder van die wereld terug te keren, – zij zijn waarlijk volkomen bevrijd van de hel, van de dierenwereld, het rijk van de ongelukkig geesten, zijn geheel bevrijd van dwalingen, van een slechte weg, geheel bevrijd van ondergang. Zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.


Iemand is snel in wijsheid. Hij is een volgeling van de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. En met wijsheid volgt hij de bevrijding. Reeds in dit leven vertoeft hij door opdroging van de neigingen in de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid, nadat hij ze zelf heeft verwerkelijkt en verkregen.


Iemand is niet snel in wijsheid. Maar hij bezit de volgende eigenschappen: het vermogen van vertrouwen, het vermogen van energie, het vermogen van oplettendheid, het vermogen van concentratie, het vermogen van wijsheid. En de door de Verhevene verkondigde leer keurt hij goed met een zekere mate van wijsheid bij kennismaking ermee, of hij heeft minstens tot de Volmaakte een zekere mate van vertrouwen en een zekere mate van sympathie.

Ook zo'n persoon gaat niet meer naar de hel, naar de dierenwereld, naar het rijk van de ongelukkige geesten, gaat niet meer op een verkeerde weg, gaat niet naar ondergang.


Degenen die met de vernietiging van drie boeien in de stroom getredenen zijn geworden, zij zijn niet langer aan het verderf onderhevig. Zij zijn ontkomen aan het dwaalspoor, niet meer onderhevig aan wedergeboorte in lagere sferen van bestaan. Zij gaan niet meer naar de hel, naar de dierenwereld, naar het rijk van de ongelukkige geesten, gaan niet meer op een verkeerde weg, gaan niet naar ondergang. Zij zijn goed gevestigd, bestemd voor volledige Verlichting. Doelbewust gaan zij dan voort naar volledige Ontwaking. Veilig zullen zij aan de andere oever aankomen.


S.LV.26-27 = S.55.26-27

Stroomintrede. Wie onwankelbaar vertrouwen heeft in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, en wiens deugdzaamheid goed is, door de edelen geprezen, die is niet arm. Zijn leven is niet tevergeefs. – En hij heeft geen angst voor de dood.


S.LV.28 = S.55.28

Stroomintrede. Bij degene die de vijf regels opvolgt, bij hem zijn de vijf gevaren tot rust gekomen. Hij volgt de vier schakels van stroomintrede na: hij neemt zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha; en hij volgt de deugden na die door de edelen geprezen worden. De methode is aldus: De edele volgeling richt zijn aandacht (oplettendheid) op het oorzakelijk ontstaan.


S.LV.30 = S.55.30

Stroomintrede. Als de edele volgeling vier eigenschapen opvolgt, is hij een in de stroom getredene. (Vier eigenschappen, zie S.55.28). Wie deze vier eigenschappen heeft opgevolgd, die is begiftigd met hemelse of menselijke levensenergie, met hemelse of menselijke schoonheid, met hemels of menselijk heil, met hemelse of menselijke roem, met hemelse of menselijke macht.


S.LV.31-33 = S.55.31-33

Stroomintrede. Er zijn vier stromen van verdienste. (1-3) Een edele volgeling is met onwankelbare helderheid de Boeddha, Dhamma en Sangha opgevolgd. (4) Hij is een opvolger van de deugden die dierbaar zijn aan de edelen. – Of (4) Hij leeft met een gemoed dat vrij is van gierigheid. Hij merkt het bevrijdende van terugtreden, heeft open handen, geeft graag. – Of (4) hij is wijs de wijsheid opgevolgd die ontstaan en vergaan ziet. Deze wijsheid voert naar volledige opheffing van lijden.


S.LV.34-35 = S.55.34-35

Stroomintrede. De vier schakels van stroomintrede zijn vier paden naar de goden. De edele volgeling overweegt verder: “Vrijheid van last is het hoogste bij de goden. Als ik niemand belast, dan volg ik verder het pad naar de goden.”


S.LV.36 = S.55.36

Stroomintrede. Over degene die in de stroom is getreden, spreken de goden graag op hun bijeenkomsten. Zij denken: “Wat wij toen nagevolgd zijn, dat is ook deze edele volgeling nagevolgd. Hij is de goden nabij.”


S.LV.37 = S.55.37

De lekenvolgeling. Men is een volgeling van de Boeddha als men zijn toevlucht heeft genomen tot de Boeddha, Dhamma en Sangha. – De volgeling is kundig in deugd als hij de vijf regels navolgt. – De volgeling is kundig in vertrouwen als hij zijn toevlucht heeft genomen tot de Verhevene: “De Verhevene is heilig, volledig verlicht (etc. Zie S.55.1-4).” – De volgeling is kundig in afzien als zijn gemoed vrij is van gierigheid. – De volgeling is kundig in wijsheid als hij ontstaan en vergaan ziet, welke wijsheid voert naar volledige opheffing van lijden.


S.LV.38 = S.55.38

Stroomintrede. Net zoals regen in de bergen eerst kleine kloven en spleten vult, dan kleine poelen vult, daarna grote poelen vult, dan beken en rivieren. En tenslotte bereikt het water de grote oceaan. Evenzo voeren de eigenschappen van de in de stroom getredene in vloeiende overgangen naar de andere oever, naar opdroging van de neigingen.


S.LV.39 = S.55.39

Stroomintrede. De eigenschappen genoemd voor mannelijke in de stroom getredenen gelden natuurlijk ook voor vrouwelijke in de stroom getredenen.


S.LV.40 = S.55.40

Stroomintrede. Iemand die helemaal niets bezit van de vier schakels van stroomintrede, die wordt een buitenstaander genoemd, iemand die aan de kant van de gewone mensen is blijven staan.

Onverschillig, nonchalant, slordig, nalatig vertoeft degene die de Boeddha, Dhamma en Sangha navolgt en de deugden die dierbaar zijn aan de edelen. Maar hij is daarmee tevreden, hij streeft niet verder, noch overdag noch 's nachts. Door die slordigheid verkrijgt hij geen vreugde. Zonder vreugde geen vervoering. Zonder vervoering geen tot rust komen. Hij vertoeft in wee, krijgt geen concentratie. De dingen worden hem niet duidelijk. Zo is degene die slordig is.

Maar serieus vertoeft de edele volgeling die de Boeddha, Dhamma en Sangha navolgt en de edele deugden. Hij is daarmee niet tevreden maar streeft verder, overdag en 's nachts. Vreugde ontstaat, vervoering ontstaat. Het lichaam komt tot rust. Hij voelt zich goed. Het gemoed concentreert zich. De dingen worden hem duidelijk. Zo is hij iemand die serieus vertoeft.


S.LV.41-43 = S.55.41-43

Stroomintrede. Er zijn stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Een edele volgeling is met onwankelbare helderheid de Boeddha, Dhamma en Sangha nagevolgd. Hij is een opvolger van de deugden die dierbaar zijn aan de edelen.Of hij leeft met een gemoed dat vrij is van gierigheid. Of hij is wijs de wijsheid nagevolgd die ontstaan en vergaan ziet.


S.LV.44-45 = S.55.44-45

Stroomintrede. Iemand met de stromen van verdienste is welvarend, heeft grote rijkdom, grote roem.


S.LV.50 = S.55.50

Stroomintrede. Er zijn schakels van stroomintrede. 1. Omgang met de juiste mensen; 2. luisteren naar de juiste leer; 3. grondige oplettendheid; 4. de leer goed navolgen.


S.LV.52 = S.55.52.

Niveaus van heiligheid. Slechts enkele monniken zij er die door opdroging van de neigingen al in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid verwerkelijkt hebben. – Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van de vijf boeien wedergeboren worden in geestelijke gedaante om vandaar uit te doven, om niet meer naar deze wereld terug te keren. – Weinig monniken zijn er die na volledige opdroging van de vijf boeien in geestelijke gedaante wedergeboren worden om vandaar uit te doven. Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van drie boeien, na verdunning van prikkeling, afkeer en waan nog één keer terugkeren naar deze wereld. Daarna maken zij aan het lijden een einde. – Weinig monniken zijn er die na volledige opdroging van drie boeien, na verdunning van prikkeling, afkeer en waan nog één keer terugkeren naar deze wereld. Veel meer monniken zijn er die na volledige opdroging van de drie boeien in de stroom zijn getreden, ontkomen aan het dwaalspoor. Doelbewust gaan zij voort naar volledige ontwaking.


S.LV.53 = S.55.53

Stroomintrede. Oefen u in het luisteren naar [of lezen van] leerreden van de Boeddha. Oefen u aldus in de schakels van stroomintrede: "Met onwankelbare helderheid zullen wij de Boeddha, Dhamma en Sangha navolgen; en ook de deugden die aan edelen dierbaar zijn."


S.LV.54 = S.55.54

Heiligheid; stroomintrede; ziekte. Hoe een zieke, lijdende leek aan te manen, 1) Wijs hem op de schakels van stroomintrede die de zieke heeft. 2) Vraag of hij verlangen heeft naar zijn ouders. Indien ja, zeg hem dan dat hij aan de dood onderworpen is. Met of zonder verlangen naar zijn ouders moet hij sterven. Zeg hem dat hij dat verlangen naar zijn ouders moet opgeven. 3) Als hij dat verlangen heeft opgegeven, vraag hem dan of hij naar vrouw en kind verlangt. Indien ja, zeg hem dan dat hij aan de dood onderworpen is. Zeg hem dat hij met of zonder dat verlangen naar vrouw en kind moet sterven en dat hij dat verlangen moet opgeven. 4) Vraag dan of hij nog verlangen heeft naar de menselijke vijf wensgenietingen. Indien ja, zeg hem dan: 'Veel beter en uitgelezener dan de mensenlijke zinnendingen zijn de hemelse zinnendingen. Het zou goed zijn als je je gemoed verheft boven de menselijke zinnendingen en het gemoed richt op de zinnendingen in de diverse hemelse sferen, vanaf de Vier Grote Koningen, de sfeer van de Drieëndertig ...t/m de goden die heersen over de scheppingen van anderen. En richt dan verder het gemoed op de Brahma-wereld.' Als hij dat gedaan heeft, zeg hem dan dat ook de goden en de Brahma-wereld onbestendig is, niet blijvend, zonder zelfstandigheid. 'Het is goed als je je gemoed verheft boven de Brahma-wereld en richt op de opheffing van persoonlijkheid.' Als hij dat heeft gedaan, is er geen verschil tussen die leek en een monnik wiens gemoed geheel bevrijd is van de neigingen. Beiden zijn bevrijd.


S.LV.55-74 = S.55.55-74

Heiligheid. Vier eigenschappen moeten ontplooid en geoefend worden. Ze voeren naar verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer, en van volmaakte heiligheid. Ze voeren naar het verkrijgen, groei en rijpheid van wijsheid. Die vier eigenschappen zijn: 1) omgang met juiste mensen; 2) luisten naar de juiste leer; 3) gedegen oplettendheid; 4) het navolgen van de leer.



S.LVI = S.56. Sacca-Samyutta

De edele waarheden. 131 suttas. (S.LVI.1-131)


S.LVI.1-2 = S.56.1-2.

Te Sāvatthi. Ontwikkel concentratie. Dan ziet gij overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden. (lijden, ontstaan ervan, opheffing ervan, de weg naar opheffing ervan).


S.LVI.3-4 = S.56.3-4

Wie uit het huis trekt in het huisloze leven, hij doet dat om de vier edele waarheden te begrijpen.


S.LVI.5-6 = S.56.5-6

Wie tot volledige ontwaking komt, die doet dat door middel van de edele waarheden.


S.LVI.7-10 = S.56.7-10

Overweegt geen slechte onheilzame overwegingen, zoals zinnelijke overwegingen, hatende of geweldzame overwegingen.

Denkt niet na waarover een slecht, onheilzaam hart nadenkt, zoals: 'eeuwig of niet eeuwig is de wereld' of 'eindig is de wereld of niet eindig' of 'de Volmaakte is na de dood, is niet na de dood.'

Een dergelijk overwegen is niet met heil verbonden, voert niet naar onthechting, niet naar opheffing, niet naar tot rust komen, voert niet naar volledige ontwaking, niet naar Nibbana.

Maar veeleer moeten jullie de edele waarheden overdenken. Een dergelijk overwegen, nadenken, is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10)


Spreek ook onderling over de vier edele waarheden. Zo'n gesprek is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar Nibbâna. (S.56.7-10)


Voert onderling geen strijdzuchtige gesprekken, zoals: 'jij kent de leer niet, ik ken ze wel,' of 'wat eerst gezegd moest worden, heb je erna gezegd, bij mij klopt het, bij jou niet.'

Voert geen beestachtige gesprekken over koningen en rovers, vorsten en soldaten, oorlog en strijd, spijs en drank, kleding en bed, bloemen en geuren, verwanten en wagens, dorpen en kastelen, stad en land, vrouwen en helden, straten en markten, gestorvenen en veranderingen, wereldgeschiedenis en natuurgeschiedenis, over dit en dat e.d.

Zulke gesprekken zijn niet met het heil verbonden, voeren niet naar onthechting, niet naar opheffing, niet naar tot rust komen, voeren niet naar volledige ontwaking, niet naar Nibbana.

Veeleer moeten jullie spreken over de edele waarheden.

Een dergelijk gesprek is met het heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10)


S.LVI.11 = S.56.11

Dhammacakkappavattana Vagga; het middenpad; het achtvoudige pad. - Twee uitersten moeten niet gedaan worden: 1) Hechten aan zingenot; dat is laag, heilloos, onedel. 2) Zelfkwelling; dat is pijnlijk, heilloos, onedel. – Beoefen het middenpad dat naar rust, ontwaking, Nibbâna voert. – Dat middenpad is het 8-voudige pad.


(verder uitleg van het 8-voudige pad)


S.LVI.12-15 = S.56.12-15

De vier edele waarheden en het achtvoudige pad.

Vergelijk M.V.I.1-6


S.LVI.12-16 = S.56.12-16

onthoudt de edele waarheden.


S.LVI.17-18 = S.56.17-18

onwetendheid en weten. Onwetend is degene die het lijden niet kent, die het ontstaan ervan niet kent, die de opheffing ervan niet kent, en die het pad naar de opheffing ervan niet kent. – Wetend is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan.

Vraag: Wat is onwetendheid?

De Boeddha: Wie de edele waarheden niet kent, die is onwetend.

Vraag: Wat is weten?

De Boeddha: Wie de edele waarheden kent, die is wetend.


S.LVI.19-21 = S.56.19-21

De edele waarheden


S.LVI.22 = S.56.22

De vier edele waarheden.

Degenen die de edele waarheden daadwerkelijk begrijpen, zij bereiken al in dit leven het hoge doel, Nibbâna. Hun gemoed is bevrijd.


S.LVI.23 = S.56.23

De volmaakt Ontwaakte.

Te Sāvatthi. Er zijn edele waarheden: de waarheid van lijden, de waarheid van het ontstaan van lijden, de waarheid van de opheffing van lijden, en de waarheid van het pad dat voert naar de opheffing van lijden.

Omdat de Volmaakte bij deze edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid volledig ontwaakt is, daarom wordt hij de Heilige, volmaakt Ontwaakte genoemd.

Spant u in om deze edele waarheden in te zien.


S.LVI.2-28 = S.56.2-28.

De vier edele waarheden.


S.LVI.29 = S.56.29. Te doorzien en te ontplooien

Er zijn edele waarheden. De edele waarheid van lijden is te doorzien; de edele waarheid van het ontstaan van lijden moet overwonnen worden; de edele waarheid van de opheffing van lijden moet verwerkelijkt worden; de edele waarheid van het pad dat voert naar de opheffing van lijden moet ontplooid worden.


S.LVI.32 = S.56.32. Onmogelijk

Het is onmogelijk aan het lijden een einde te maken zonder de edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid doordrongen te hebben.

S.LVI.33 = S.56.33

Wedergeboorte. - Omdat zij de vier edele waarheden niet hebben ingezien, gaan de wezens die geblokkeerd zijn door onwetendheid, geboeid door dorst, van deze wereld naar de andere wereld, en omgekeerd.


S.LVI.34 = S.56.34

Om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid te doordringen, is wilskracht nodig, ijver, volharding, niet terugwijken, oplettendheid en helder bewustzijn.


S.LVI.35 = S.56.35

Zonder voorstelbaar begin is dit bestaan. Een eerste begin is niet te onderscheiden,

Het doordringen van de edele waarheden is niet met lijden en ellende verbonden, maar wel met geluk en blijmoedigheid.


S.LVI.36 = S.56.36

Wanneer iemand overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden inziet, dan is hij volledig bevrijd van de weg naar verderfenis.


S.LVI.37 = S.56.37

Juist inzicht gaat vooraf aan het inzien van de vier edele waarheden.


S.LVI.38 = S.56.38. Gelijkenis van de zon

Zolang de Volmaakte niet in de wereld verschijnt, de Heilige, volmaakt Ontwaakte, zolang worden ook geen groot licht en geen grote glans openbaar. Zolang heerst er duisternis. De edele waarheden worden dan niet getoond, niet uitgelegd, niet onthuld, worden dan niet verkondigd.

Maar wanneer de Volmaakte in de wereld verschijnt, de Heilige, volmaakt Ontwaakte, dan worden ook een groot licht en een grote glans openbaar. Er heerst dan geen duisternis meer. De edele waarheden worden dan getoond, uitgelegd, onthuld, worden dan verkondigd.


S.LVI.39 = S.56.39

Degenen die de vier edele waarheden niet inzien, die hangen nog steeds aan de lippen van anderen: 'Of die iets werkelijk weet en ziet? '

Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die hangen niet meer aan de lippen van anderen. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien.


S.LVI.40 = S.56.40.

Wie de vier edele waarheden inziet, kan daarin niet door andersdenkenden tot wankelen gebracht worden. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien.


S.LVI.41 = S.56.41

Het overdenken van de edele waarheden is verbonden met heil, voert naar ontzegging, opheffing, rust, inzicht, volledige ontwaking, naar Nibbâna. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien.


S.LVI.42-44 = S.56.42-44

De vier edele waarheden. Allen die de vier edele waarheden niet inzien, zij allen verheugen zich over wordingen die voeren naar geboorte en dood, naar zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop.

Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet over wordingen die naar geboorte en dood voeren. Zij worden volledig verlost van geboorte en dood, van zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zij worden volledig bevrijd van lijden. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien.


S.LVI.45 = S.56.45. Heel moeilijk

Het is heel moeilijk de edele waarheden in te zien.


S.LVI.46 = S.56.46. Duisternis

Er zijn tussenwerelden, somber, wanordelijk, donker omnacht, waar zelfs deze zon en maan niet met hun glans komen.

Maar er is een nog grotere duisternis. Wie de edele waarheden niet inzien, die verheugen zich aan formaties die tot geboorte, ouder worden, ziekte, sterven, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop voeren. Omdat zij zulke formaties vormen, storten zij in de duisternis van geboorte, ouder worden, ziekte, sterven, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop. Zij worden niet volledig verlost van het lijden.

Maar wie de edele waarheden inzien, die verheugen zich niet aan formaties die tot geboorte, ouder worden, ziekte, sterven, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop voeren. Omdat zij zich niet erover verheugen, daarom vormen zij niet zulke formaties. En daarom storten zij niet in de duisternis van geboorte, ouder worden, ziekte, sterven, verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop. Zij worden allen daarvan bevrijd. Zij worden volledig bevrijd van lijden.

Daarom, spant u in.


S.LVI.47-48 = S.56.47-48. Heel zelden

De vier edele waarheden; wedergeboorte.

Gelijkenis van eenogige zeeschildpad. Voor iemand die op het neerwaartse pad, in de afgrond is geraakt, zal het heel lang duren eer hij weer als mens herboren wordt. En wel omdat daar geen juist gedrag is, geen heilzame daden verricht worden. En dat komt omdat de edele waarheden niet ingezien worden.

Ook is het heel zelden dat een Volmaakt Ontwaakte in de wereld verschijnt en de leer verkondigt. Daarom moeten wij ons inspannen om de edele waarheden in te zien.


S.LVI.49-51 = S.56.49-51.

De vier edele waarheden.


S.LVI.52-60 = S.56.52-60.

De edele volgeling die de vier edele waarheden inziet, zal hoogstens nog zeven keer herboren worden.


S.LVI.61-131 = S.56.61-131.

wedergeboorte; vier edele waarheden


(61) Weinig wezens worden wedergeboren onder de mensen. Veel meer wezens worden buiten de menselijke sfeer wedergeboren.

(63) Weinig wezens volgen het edele wijsheidsoog na. Veel meer wezens volgen de onwetendheid, zijn verblind.

(64) Weinig wezens onthouden zich van bedwelmende drank. Veel meer wezens onthouden zich er niet van.

(65) Weinig wezens worden op het land geboren. Veel meer wezens worden in het water geboren.

(66-70) Weinig wezens eren moeder en vader, asceten en brahmanen, de oudsten van de familie. Veel meer wezens zijn er die hen niet eren.

(71-77) Weinig wezens onthouden zich ervan levende wezens te doden, te stelen, losbandig te leven, te liegen, te lasteren, te schelden, te kletsen. Veel meer wezens onthouden zich niet ervan.

(78-80) Weinig wezens onthouden zich ervan zaaigoed en planten aan te leggen, op onpassende tijd te eten, bloemen, geuren, cremes te gebruiken en zich daarmee te tooien. Veel meer wezens onthouden zich er niet van.

(81-90) Weinig wezens onthouden zich van dansen, gezang, muziek, theatervoorstellingen, hoge prachtige bedden, het aannemen van geld, ongekookt graan en vlees, vrouwen en meisjes, mannelijk en vrouwelijk dienstpersoneel, geiten, schapen, kippen en varkens, olifanten, rundvee en paarden. Veel meer wezens onthouden zich er niet van.

(91-101) Weinig wezens onthouden zich ervan grond aan te nemen, van koop en verkoop, van valse maat en vals gewicht, van omkoperij, bedrog en gemeenheid, steken, slaan, vastbinden, roven, plunderen, gewelddaden. Veel meer wezens onthouden zich niet ervan.

(102-104) Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden onder de mensen wedergeboren. Veel meer wezens die als mensen geboren zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

(105-107) Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden. Veel meer wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

(108-113) Weinig wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden of onder de mensen. Veel meer wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

(114-119) Weinig wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

(120-125) Weinig wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

(126-131) Weinig wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten.

De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden.

Daarom moet men zich inspannen om te onderkennen: dit is lijden, dit is de ontwikkeling van lijden, dit is de opheffing van lijden, dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.


naar boven   of  naar 5. De Pali canon  



Geraadpleegde bronnen voor Samyutta Nikaya


Geiger, Wilhelm (Übers.) Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. - 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930. - 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.


Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).


U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).


Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220, With a Bibliography.


www.accestoinsight.org/tipitaka/mn/index.html


http://www.palikanon.com/


naar boven   of  naar 5. De Pali canon

Noten


1 Webb 1975, p. 22; Thomas 1992, p. 271.

2 U Ko Lay 1985, p. 84.

3 Thomas 1992, p. 271; U Ko Lay 1985, p. 84.

4 U Ko Lay 1985, p. 84.

5 Webb, 1975, p. 23; Thomas 1992, p. 271.

6 Webb, 1975, p. 23-24; Thomas 1992, p. 271.

7 Thomas 1992, p. 271; Webb 1975, p. 23-25.

8 Webb 1975, p. 25-26; Thomas 1992, p. 271

9 Onder de devatā verstaat het volksgeloof in India de talrijke geesten die in de natuur hun woonplek hebben, de nimfen in bomen en bronnen, de beschermgeesten van bossen en velden, van vee, huis en haard. In het Boeddhisme zijn ze opgenomen en ze gelden daar – net zoals dieren, mensen en goden – als wezens op een bepaald niveau van ontwikkeling binnen de kringloop van bestaan.

10 Wij leven slechts één keer, namelijk steeds dit ene moment, juist nu en hier. Wij leven niet in het verleden en ook niet in de toekomst. Het verleden is voorbij, onherroepelijk. Dat komt nooit meer terug. Wij kunnen het niet als een bandje van een recorder terugspoelen en nog eens afdraaien. Het verleden is geen film die wij telkens naar eigen believen kunnen bezien. Het is voorbij. Eens waren wij een baby; maar die baby is niet meer. Eens waren wij een kind; maar het kind is niet meer. Dat zijn fragmenten, momenten die op dat vroegere ogenblik werkelijkheid zijn geweest, maar die het nu niet meer zijn. Het is voorbij en er zich druk over maken, is verkeerd. Dat leidt niet tot rust, dat voert niet tot vrede.

De wijze beziet het heden zoals en wanneer het komt, zoals de Boeddha onderwees. Dit betekent dat men alleen datgene beschouwt wat juist gebeurt, en dan zo objectief mogelijk. Dat is heel moeilijk en alleen de Arahant, de heilige kan dit volmaakt.

11 Bedoeld zijn waarschijnlijk de empirische dingen. Degene die ze benoemt is de mens.Wie het wezen van de leer niet juist heeft opgevat, die is onderhevig aan de kringloop van geboorte en dood. Wie het kent, heeft niets ermee te maken; hij wordt bevrijd. (zie ook It.63).

12 De betekenis is: hij heeft alle empirisch zijn achter zich gelaten.

13 De betekenis is aldus: de bevrijde heeft opgehouden te bestaan, men vindt hem in geen enkele wereldruimte. Vergelijk sutta S.I.34.

14 Met kluwen wordt bedoeld de verstrengelingen in de wereldlijke dingen. De dorst, d.w.z. de begeerte heet daarom in Dhp.180 : de verstrengelende dorst.

15 Onder de doden: volgens het commentaar zijn hier bedoeld de gierigen, omdat die net zo min over hun bezit beschikken als de doden.

16 Zie ook Dhp. 181 en Dhp. 356.

17 Zie ook Dhp. 44 en 102.

18 Zie ook A.III.411.

19 Zie ook Dhp. 221 en S.1.36.

20 Volgens het commentaar zijn de ujjhānasaññikā devatā niet een bijzondere klasse van goddelijke wezens in een bijzondere hemel. Er worden die devatas onder verstaan die onwillig waren (ujjhāyanti) over de tegenspraak die zij meenden gevonden te hebben tussen de strenge eisen die de Boeddha aan zijn discipelen en volgelingen stelde en het leven dat hij zelf voerde. Zij maakten de Boeddha verwijten, maar werden door de Verhevene onderwezen dat de Volmaakte door alle wereldse dingen onberoerd blijft.

21 Het commentaar vermeldt dat men met devaputta (godenzonen) en met devadhitaro (godendochters) zulke devata aanduidt die met naam (uit een vroeger menselijk bestaan) bekend zijn.

22 bedoeld is de stroom van de asava, de wereldse invloeden.

23 het denken dat alleen op het ene doel van nibbana gericht is. Zie ook Dhp 383.

24 zie Dhp 313, 314, 311 en 312.

25 Rahu is de demon van ondergang. Volgens oud geloof zou hij een stuk van de zon of van de maan opeten.

26 Canda paritta en Suriya paritta zijn zeer waarschijnlijk beïnvloed door Hindoe-mythologie.

27 zie ook Dhp 413.

28 Dit sutta is ook in A.IV.45.

29 Bedoeld is dat de bevrijde er zeker van is dat hij aan de verlokkingen van de wereld ontkomen is; dat hij boven het bereik van de dood is gekomen.

30 Dit vers beschrijft de toestand van de vierde jhana (catutthajhāna). Volgens het commentaar heeft passaddhakāyo betrekking op de kalmering van het uit- en inademen. Met asankhārāna wordt gewezen op de het kamma vormende formaties (in denken, praten, handelen) welke in die meditatie zijn beëindigd.

31 Met de vijf golven zijn de vijf zintuigen bedoeld en met de zesde het denkzintuig. Door de meditatieve verdieping wordt elk contact met de buitenwereld afgesneden.

32 Webb, 1975, p. 22.

33 Volgens het commentaar was Brahma Sahampati ten tijde van de Boeddha Kassapa een Thera met naam Sahaka. Hij zou toen vanuit de eerste jhana Nibbana verwerkelijkt hebben en wedergeboren zijn als kappāyukabrahmā, als een Brahma wiens levensspanne een aeon duurde. - Dit laatste kan niet waar zijn. Als Sahaka inderdaad Nibbana verwerkelijkte ten tijde van de Boeddha Kassapa, dan was hij een arahant en kan niet meer wedergeboren worden.

34 Volgens het commentaar was deze gebeurtenis in de vijfde week na de Verlichting.

35 anaññaposiya. Commentaar: hij heet zo omdat hij behalve voor de eigen persoon voor geen andere personen hoeft te zorgen.

36 D.w.z. hij is steeds gelijk.

37 nikkhtttadando tasathāvaresu. Commentaar: ook al gaat hij met een wandelstok rond, hij is niet van plan die stok te gebruiken om iemand te slaan.

38 D.w.z. hij liet vlammen van vuur uit zijn lichaam gaan. Volgens het commentaar is dat een wonderkracht die door meditatieve verdieping bereikt wordt waarbij als voorbereidende oefening (kasina) de concentratie op vuur heeft gediend. (Geiger Bd.I, 1930, p. 226, noot 3).

39 de drie wetenschappen: tevija. Volgens het commentaar zijn ermee bedoeld: herinnering aan vroegere vormen van bestaan; het hemelse oog; vernietiging van wereldse invloeden.

40 Blijkbaar komt dit overeen met wat thans bedoeld wordt met "het hele universum".

41 In het Mahaparinibbana sutta (D.16) staat dan nog een verdere meditatieve sfeer, namelijk: "Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van 'ophouden van waarneming en gevoel". Ook staat er dat de eerwaarde Ananda toen tot de eerwaarde Anuruddha zei: "Heer Anuruddha, de Verhevene is volledig uitgedoofd." -"Neen, vriend Ananda, de Verhevene is niet volledig uitgedoofd. Ingegaan is hij in de sfeer van 'ophouden van waarneming en gevoel'."

42 Niemand kan precies hebben geweten wat er toen precies gebeurde in de geest van de Boeddha. (An 2003, p. 155 noot 4).

43 Volgens de Sarvastivadins was het overlijden van de Boeddha op de achtste dag van de tweede helft van de maand Kartika, d.i. oktober-november. Dit is niet volgens de traditie van het Theravada, maar deze datum is dichter bij de volgorde van gebeurtenissen die in het sutta vermeld worden. (Gnanarama 1997, p. 35). - In D.16 het mahaparinibbana sutta volgt dan nog de tekst: "Bij het heengaan van de Verhevene, tegelijkertijd met zijn volledige uitdoving, ontstond er een geweldige aardbeving die ontzetting en huivering opwekte. En donderslagen kraakten aan de hemel."

44 In D.16 staat: "...moeten hun samengestelde vormen afwerpen. "

45 in D.16: ...de elementen van bestaan.

46 in D.16 volgt dan de regel: Ontstaan en vergaan is de aard ervan.

47 in D.16 staat: ..."De ware vrede is gelegen in het ophouden van bestaan." - Nibbana is het tot rust komen van de formaties die ontstaan en vergaan. (An 2003, p. 187). Nibbana is niet samengesteld omdat erin de factoren die de persoonlijkheid vormen, tot rust zijn gekomen. (An 2003, p. 187 noot 6). Er is geen mening meer van "ik ben", alleen nog "er is" of" zo is het gekomen".

48 Volgens Buddhaghosa was er ontzetting vanwege de aardbeving. (An 2003, p. 188). - Volgens mij bedoelt Ananda hier dat er ontzetting was bij de Mallas van Kusinara.

49 Volgens Gnanarama vertegenwoordigt Brahma Sahampati de Brahma-wereld en Sakka de wereld van de devas. Thera Anuruddha, een arahant, vertegenwoordigt de gemeenschap van de heilige monniken. En Ananda vertegenwoordigt degenen die nog niet hun passies hebben vernietigd. Ananda was erg gehecht aan de Boeddha en was daarom erg aangegrepen door deze gebeurtenis. (Gnanarama 1997, p. 164-165). – Volgens Schneider (1980, p. 128-132) en ook volgens mij was Ananda toen een volmaakte heilige, een arahant. Ananda was toen dus bevrijd van alle passies en kan dan niet degenen vertegenwoordigd hebben die nog niet hun passies vernietigd hadden.

50 Anuruddha was een neef van de Boeddha. Hij stond op de eerste plaats van degenen met het goddelijk oog. Op het 1e concilie reciteerde hij de Anguttara Nikaya. Hij vond dat Ananda nog geen arahant was en liet hem niet toe tot het 1e concilie totdat deze arahantschap bereikt had. (An 2003, p. 189 noot 2).

51 in D.16 staat in plaats van Alziende: Wijze.

52 in D.16 staat: "Onbewogen door sterfelijke angsten vindt zijn geest bevrijding als een vlam die is uitgedoofd." – In D.16 komt eerst de passage van Anuruddha en dan die van Ananda.

53 Webb, 1975, p. 22.

54 De warme bron te Sravasti waar men een bad kan nemen, ligt aan een helling en is via een trap bereikbaar. Het omlaag gaan via deze trap naar de badplaats is hier bedoeld.

55 Webb, 1975, p. 22.

56 De monniken gaan gewoonlijk met tweeën op weg. (Geiger Bd. I, 1930, p. 294, noot 2)

57 Pavarana is een ceremonie op het einde van de regentijd waarbij de Bhikkhus de tijdens die tijd begane fouten bekennen en elkaar om vergiffenis vragen.

58 Webb, 1975, p. 22.

59 Volgens het commentaar was Ananda na de dood van de Boeddha door Mahakassapa aangewezen om naar het land van Kosala te gaan en daar arahantschap te verkrijgen zodat Ananda aan het concilie kon deelnemen. Maar Ananada verkeerde zoveel met leken om ze te troosten over de dood van de Verhevene, dat voor meditatie en voor zijn eigenlijke opgave geen tijd meer overbleef. - Maar de eerwaarde Ananda was al een volmaakte heilige vóór het overlijden van de Boeddha. Er is veel aan hem toegeschreven wat niet waar is.

60 Volgens het commentaar dacht de godheid: "Als de bhikkhu de geur aangenaam vindt, zal hij op andere dagen weer aan bloemen ruiken. Zijn verlangen ernaar wordt groter en begeerte naar geuren zal hem overmannen. Begeerte is een van de boeien op weg naar de bevrijding."

61 Webb, 1975, p. 22.

62 Commentaar: Sudatta was de familienaam van Anāthapindika. Toen hij naar Gotama toeging, dacht hij dat iedereen zijn bijnaam kende, maar niet zijn echte familienaam. "Als Gotama een Boeddha is, zal hij mij met de familienaam aanspreken." Door zijn familienaam uit te spreken bewijst de Verhevene zijn alwetendheid. Anāthapindika is van zijn Boeddhaschap overtuigt en valt voor hem neer.

63 Webb, 1975, p. 23.

64 Sakka kon volgens het commentaar de demonenvorst Vepacitti genezen door hem naar de zieners die hem vervloekt hadden, te brengen en er vergiffenis te vragen.

65 De demonen vreesden dat Sakka hen met behulp van die toverspreuk geheel en al zou vernietigen, aldus het commentaar.

66 Al onze activiteiten bestaan uit lichamelijke acties, praten of denken. Elke handeling, elk woord, elke gedachte is een product, een samkhāra, een maaksel, een vorm(geving). Uit al die enkele producten vormt zich het kamma dat de wedergeboorte bepaalt. (Geiger Bd. II, 1925, p. 59, noot 1).

67 Bedoeld is het 'grijpen' van de empirische dingen, het zich ermee bezig houden. Is men ervan losgeraakt, dan is men bevrijd.

68 De naam Kalārakhattiya (Kalara de edelman) wijst erop dat de bhikkhu voordat hij in de Orde intrad, tot de kaste van de adel behoorde.

69 P. aññā vyākatā. Het woord aññā (skr. Ājñā) is een synoniem van arahatta. Wanneer de bhikkhu tot de overtuiging komt dat hij het hoogste niveau van inzicht heeft bereikt, arahantschap, dan verkondigt hij dat plechtig met tbovenvermelde formule. Het is een zwaar vergrijp als men de aññā ten onrechte, uit hoogmoed of zelfoverschatting, verkondigt.

70 volgens het commentaar betekent dit dat de waardigheid van arahantschap bereikt is na het juist begrijpen (van het wezen) van de vormingen van de eigen persoon, d.w.z. van het eigen kamma.

71 Sāriputta verzuimt nooit de zelfbeschouwing. Hij blijft steeds sato sampajāno.

72 D.w.z. hij heeft een belangrijk en zelfbewust woord gesproken.

73 Commentaar: door het vroegere kamma voortgebracht.

74 De basisgedachte van de suttas 38, 39 en 40 is deze, dat door kamma de wedergeboorte veroorzaakt wordt. Door onze relaties tot de empirische wereld die uitgedrukt worden met ceteti "denkt", pakappeti "van plan is" en anuseti "blijft, volhardt", komen de samkhārā, komt het kamma tot stand.

75 P. nati. Het commentaar legt het begrip uit door tanhā "dorst" en voegt nog toe: "want de dorst wordt 'toeneiging' genoemd vanwege zijn toeneigen naar lieve vormen (piyarūpesu) en de andere zintuiglijke objecten".

76 Commentaar: Methode betekent de wet van oorzakelijkheid, en het edele achtvoudige pad is ook methode.

77 Te denken is aan seksuele teugelloosheid en echtbreuk.

78 P. visamyutto, als iemand die vrij is van de tien boeien.

79 Het gebied van de Kurus was het land om Indraprastha, niet ver van het tegenwoordige Delhi. Het grensde in het noorden aan Kosala en in het zuiden aan het land van de Matsya. (Geiger Bd. II, 1925, p. 129 noot 1).

80 Blijkbaar wordt bedoeld dat het citta constant in beweging is en steeds verandert, dat gedachten ontstaan en weer vergaan, door oorzaken.

81 Het beeld is genomen van een ingeplante boom die wortel heeft geslagen en nu begint te groeien.

82 De sukkhavipassaka heeft arahantschap bereikt door inzicht van de fysieke en psychische verschijningen. In tegenstelling tot de samathayānika heeft hij nog niet de wereldlijke bovennatuurlijke krachten. Maar zijn eigenschappen zijn opgedroogd (sukkha "droog").

83 Webb, 1975, p. 23

84 Commentaar: de duisternis is verborgen door het licht en het licht is verborgen door de duisternis. Door de duisternis wordt het licht duidelijk.

85 Commentaar: ten gevolge van het bereiken van de vormsferen; want wanneer de bereiking van de vormsferen aanwezig is, (d.w.z. wanneer de vier eerste meditatieve verdiepingen, de jhanas, die binnen deze sfeer liggen, bereikt zijn) treedt de sfeer van 'ruimte is oneindig' in. Elk hoger meditatief niveau rust op het voorgaande.

86 Commentaar: onder opheffing (nirodha) wordt verstaan de opheffing van de vier bestanddelen van bestaan (khandhā): vorm, gevoel, waarneming en formaties (Kamma).

87 Webb, 1975, p. 23

88 Een gezinnenbezoeker is een bhikkhu die op zijn aalmoezenrondgang regelmatig bepaalde gezinnen opzoekt en daardoor in een vriendschappelijke verhouding met hen komt, wat voor de bhikkhu zelf gevaren insluit. (Geiger II, 1925, p. 260 noot 1 ).

89 Het commentaar zegt dat ermee bedoeld is geschaad door te veel begeerte. (Geiger II, 1925, p.270 noot 2).

90 De Boeddha kan de jhanas op elke willekeurige tijd intreden en de tijdsduur ervan naar believen uitbreiden. (Geiger II, 1925, p.271, noot 1).

91 Gekwetst: een volmaakte heilige heeft geen voorkeur en geen afkeer. Het woord "gekwetst" is zeer zeker door zijn leerlingen gebruikt. Ook de rest van dit sutta waarin de eerwaarde Maha Kassapa pocht over zijn vermogens – iets wat arahants niet doen – moet een toevoeging zijn. Hij vergelijkt zichzelf ook met de eerwaarde Ananda. Een Arahant vergelijkt zich niet met anderen. Hij kent geen groter, gelijk aan of minder dan iemand anders. Elk idee van "ik" is immers bij hem (of haar) verdwenen.

92 Dat vrouwen dwaas zijn, zal Ananda niet hebben gezegd.

93 M.a.w. hij had nibbana bereikt.

94 Een district in het zuiden van de heuvels rond Rajagaha.

95 In het commentaar zijn hier langere teksten over vroegere vormen van bestaan van Kassapa. Hij zou ten tijde van de Boeddha Padumuttara als gezinshoofd met naam Vedeha geleefd hebben. Die Boeddha voorspelde toen dat hij eens de derde discipel (de eersten zijn Sariputta en Moggallana) van de Boeddha Gotama zou worden. (Geiger Bd. II, 1925, p. 2S2, noot 4).

96 Dit heeft betrekking op de morele teruggang (het morele verval) van de mensen, hun gelijkmoedigheid t.o. v. de leer van de Boeddha. (Geiger II, 1925, p. 287, noot 2).

97 letterlijk: een tegenbeeld, een vals afgietsel van de goede leer, iets dat als goed uitziet maar het niet is. (Geiger II, 1925, p. 287, noot 3).

98 De goede leer verdwijnt niet door uitwendige oorzaken, maar ze wordt van binnen uit ten onder gebracht. (Geiger II, 1925, p. 288, noot 1.)

99 Er zijn drie soorten hoogmoed (tividha-māno): de mening meer te zijn; de mening minder te zijn; de mening gelijkwaardig te zijn.

100 Onwetendheid eindigt bij het bereiken van volmaakte heiligheid.

101 niet nalatig (appamatta): onvermoeibaar, oplettend.

102 S. XXII,53, in Ñânananda, Bhikkhu: An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972, The Wheel No. 183/185, p. 25-27.

103 Als bewustzijn het object heeft genaderd, begeert het dat object, verkrijgt het, bezet het en tenslotte wordt het bewustzijn door dat object in bezit genomen. (De rollen worden dan omgekeerd). Dit laatste is dan het zaad voor een herhaling van het hele proces tot in het oneindige. (Denk hier bijvoorbeeld aan eenmalig gebruik, gewoontevorming, verslaving).

104 Elk van de vijf aggregaten fungeert als steun of basis voor bewustzijn. Zij worden soms ‘verblijfplaatsen voor bewustzijn’ genoemd.

105 Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.

106 Het verlangen hier is slechts een andere schaduw van genotzucht. “Door de vernietiging van genot komt de vernietiging van verlangen. Door de vernietiging van verlangen komt de vernietiging van genot. En door de vernietiging van genot en verlangen wordt de geest ‘wel-bevrijd’ genoemd.” (S.III,51 ).

Van het verlangen naar bewustzijn zelf is gezegd dat het een steun is voor de vestiging van bewustzijn. Bewustzijn is zó parasietachtig dat het, bij afwezigheid van een tastbaardere steun, gevestigd wordt juist op het ontbreken van gehechtheid.

“Zelfs als men niet wil, noch mentaal samenstelt, maar als men nog een verborgen neiging heeft, dan wordt dat een object voor het voortbestaan van bewustzijn.” (S.II,67).

107 Bewustzijn dat niet samenstelt, is bevrijd. Dezelfde idee is aangetoond door de zegswijze: “Mijn geest heeft het niet aan voorwaarden gebondene bereikt” (Dhp.154) en “De geest die gegaan is naar de sfeer van niet-samengesteld zijn.” Hiermee is bedoeld het tot rust komen van de formaties.

108 Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.

109 Volleerd (kevalī) = iemand die alleen leeft. De betekenis van volleerdheid, van volledigheid is eronder begrepen. Vergelijk bijvoorbeeld Sn 490: “Zij die in de wereld zwerven zonder hechten, zonder bezit, alleen en zelfbeheerst.” Dit alleen zijn heeft evenwel een diepere betekenis voor de Arahant. Het heeft betrekking op het niet verwikkeld zijn in naam-en-vorm van de heilige. Hij heeft een einde gemaakt aan naam-en-vorm (Sn 537) en die combinatie wordt niet langer overdacht of is niet meer openbaar in zijn bewustzijn. In S.III,105 is gezegd dat de notitie ‘ik ben’ verschijnt als men overweegt over de vijf aggregaten, juist zoals wanneer men kijkt naar eigen spiegelbeeld dat weerkaatst wordt in een spiegel of in een kom met water. Zo is het hele waanbeeld (waanbegrip) ‘ik ben’ dat als maatstaf genomen wordt, inderdaad afhankelijk en relatief. De arahant is vrij van dat waanbeeld en steunt niet op standaardmaten van oordelen en beoordelingen (zie bijvoorbeeld Sn 842 en Sn 894); hij is daarom waarlijk alleen, volledig geïntegreerd en volleerd. Hij is een volledigheid, geboren uit inwendige eendracht die te danken is aan het feit dat zijn bewustzijn nergens meer ‘vertoeft’ ( zie Sn 810).

Zie ook ‘Ideale eenzaamheid’.

110 Een draaikolk is een stroming die terugkeert, tegen de hoofdstroom in; ze veroorzaakt zo een draaiende beweging. Deze draaikolk in samsara is eveneens het resultaat van het tegenwerken van de natuurlijke stroom met z'n drie eigenschappen van niet-blijvendheid, onvoldaanheid (lijden) en niet-zelfstandigheid (afhankelijk bestaan).

Bewustzijn keert terug van naam-en-vorm; het gaat er niet overheen. Het begrijpen hiervan is de reddende wijsheid die zijn hoogtepunt heeft in een volledig begrijpen van de illusie die bewustzijn vormt. Tussen deze twee schakels van paticca samuppāda is er een draaikolk voor het aanduiden van ‘dit-heid’ (nl. de condities van dit bestaan). Als het reflex-mechanisme van het bewustzijn ontdekt is, verliest de motiverende kracht voor deze draaikolk zijn bekrachtiging. Het voeden van bewustzijn blijkt dan een vicieus systeem van terugkoppeling, van reactie te zijn zoals dat ook het geval is bij een draaikolk. “Naam-en-vorm’ worden dan gezien zuiver als een product van veelvuldigheid (papañca-namarūpam)” (Sn 530).

Met de visie van de dingen zoals ze zijn, komt er een afkeer voor deze wisselwerking die niets anders is dan een secundaire manifestatie van een conflict (dukkha) met de ‘hoofdstroom’ van de natuur. Deze afkeer geeft aanleiding tot een zich afwenden en dit voert tot de vrijheid van het conflict dat samsarisch bestaan kenmerkt. Er kan alleen een aanduiding als ‘dit-heid’ (itthatta) zijn, zolang als de draaikolk van individueel bestaan gaande wordt gehouden. Als de draaikolk ophoudt te bestaan, verliezen alle wijzen van aanduiding hun punt van referentie. Immers, waar een ‘dit-heid’ (itthatta) was, is dan een tathatā (zo-heid of aldusheid). De Tathāgata, de Transcendente, wordt aldus waarlijk: diep, onmetelijk als de grote oceaan (M.I.488). De vijf aggregaten die hij heeft opgegeven, hebben alleen een schijn van connectie met hem nu, zoals het in beroering gebrachte oppervlaktewater dat nog een teken heeft van een draaikolk die al lang naar de diepte ervan verdwenen is.

De draaikolk is er niet meer voor de arahants omdat het tegendeel van bewustzijn, nl. naam-en-vorm, niet langer aanwezig is. Hierover twee teksten uit de Pali Canon:

“Dit bewustzijn keert terug van naam-en-vorm; het overschrijdt hem niet. In zoverre kan men geboren worden, of ouder worden, of sterven, of heengaan, of weer verschijnen, in zoverre als dit is, namelijk: bewustzijn is afhankelijk van naam-en-vorm, naam-en-vorm is afhankelijk van bewustzijn, de zes zintuiglijke sferen zijn afhankelijk van naam-en-vorm, contact is afhankelijk van de zes zintuiglijke sferen, gevoel is afhankelijk van contact, begeerte is afhankelijk van gevoel, hechten is afhankelijk van begeerte, worden is afhankelijk van hechten, geboorte is afhankelijk van worden, en ouderdom, dood, verdriet, geweeklaag, pijn, smart en wanhoop zijn afhankelijk van geboorte. Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden.” (D.14).

“In zoverre kan men slechts geboren worden of ouder worden of sterven of heengaan of weer verschijnen, in zoverre slechts is er een pad voor terminologie, in zoverre slechts is er een pad voor aanduidingen, in zoverre slechts is er enige sfeer van kennis, in zoverre slechts is er een draaikolk voor een aanduiding van ‘dit-heid’, d.w.z. in zoverre als er naam-en-vorm bestaat samen met bewustzijn.” (D.15).

111 De achttien elementen zijn: oog, zichtbaar object, oog-bewustzijn, oor, geluid, oor-bewustzijn; neus, geur, neus-bewustzijn; tong, smaak, tong-bewustzijn; lichaam, tastbare objecten, lichaam-bewustzijn; geest, ideeën, geest-bewustzijn.

112 De twaalf zintuiglijke sferen zijn: oog, zichtbaar object; oor, geluid; neus, geur; tong, smaak; lichaam, tastbare objecten; geest, ideeën. - Gewoonlijk worden zij in twee groepen verdeeld: de inwendige (= de zes zintuigen) en de uitwendige (= de resp. objecten).

113 Dit heeft betrekking op de contemplatie over het ontstaan en vergaan van de vijf aggregaten van hechten overeenkomstig het principe van paticca samuppāda.

114 Thomas 1992, p. 271; Webb 1975, p. 23-25.

115 Webb 1975, p. 25-26; Thomas 1992, p. 271

116De jongere broer van de eerwaarde Sāriputta.

naar boven   of  naar 5. De Pali canon