?>Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.2.  Majjhima nikaya   


I. Mulapariyaya-vagga: M.1-10 (M.I.1-10)           II. Sīhanāda-vagga: M.11-20 (M.II.1-10)           III. Tatiya-vagga: M.21-30 (M.III.1-10)            IV. Mahāyamaka-vagga: M.31-40 (M.IV.1-10)            V. Cūlayamaka-vagga: M.41-50 (M.V.1-10)             VI. Gahapati-vagga: M.51-60 (M.VI.1-10)            VII. Bhikkhu-vagga: M.61-70 (M.VII.1-10)             VIII. Paribbājaka-vagga: M.71-80 (M.VIII.1-10)            IX. Rāja-vagga: M.81-90 (M.IX.1-10)             X. Brāhmana-vagga: M.91-100 (M.X.1-10)             XI. Devadaha-vagga: M.101-110 (M.XI.1-10)             XII. Anupada-vagga: M.111-120 (M.XII.1-10)             XIII. Suññata-vagga: M.121-130 (M.XIII.1-10)             XIV. Vibhanga-vagga: M.131-142 (M.XIV.1-12)             XV. Salāyatana-vagga: M.143-152 (M.XV.1-10)         Geraadpleegde bronnen

Majjhima Nikāya

    Na het eerste concilie werd aan de pupillen van de eerwaarde Sariputta - die zelf al vóór de Boeddha overleden was - gevraagd om zorg te dragen voor de Majjhima Nikāya.

  De collectie van de Majjhima Nikāya bevat 152 leerreden van gemiddelde lengte. Ze is verdeeld in 15 secties (vaggas) die gerangschikt zijn volgens onderwerp.1 Elke sectie is verdeeld in 10 suttas, behalve de Vibhanga-vagga die 12 leerreden bevat. 

    De suttas worden doorlopend genummerd. Anderen vermelden eerst het nummer van de vagga waarna het nummer van de sutta volgt. 

De secties of vaggas zijn:

I. Mūlapariyāya-vagga: M.1-10 (MN.I.1-10)

M.1

MN.I.1


M.6

MN.I.6

M.2

MN.I.2

M.7

MN.I.7

M.3

MN.I.3

M.8

MN.I.8

M.4

MN.I.4

M.9

MN.I.9

M.5

MN.I.5

M.10

MN.I.10


II. Sīhanāda-vagga: M.11-20 (MN.II.1-10)

M.11

MN.II.1


M.16

MN.II.6

M.12

MN.II.2

M.17

MN.II.7

M.13

MN.II.3

M.18

MN.II.8

M.14

MN.II.4

M.19

MN.II.9

M.15

MN.II.5

M.20

MN.II.10


III. Tatiya-vagga: M.21-30 (MN.III.1-10)

M.21

MN.III.1


M.26

MN.III.6

M.22

MN.III.2

M.27

MN.III.7

M.23

MN.III.3

M.28

MN.III.8

M.24

MN.III.4

M.29

MN.III.9

M.25

MN.III.5

M.30

MN.III.10


IV. Mahāyamaka-vagga: M.31-40 (MN.IV.1-10)

M.31

MN.IV.1


M.36

MN.IV.6

M.32

MN.IV.2

M.37

MN.IV.7

M.33

MN.IV.3

M.38

MN.IV.8

M.34

MN.IV.4

M.39

MN.IV.9

M.35

MN.IV.5

M.40

MN.IV.10


V. Cūlayamaka-vagga: M.41-50 (MN.V.1-10)

M.41

MN.V.1


M.46

MN.V.6

M.42

MN.V.2

M.47

MN.V.7

M.43

MN.V.3

M.48

MN.V.8

M.44

MN.V.4

M.49

MN.V.9

M.45

MN.V.5

M.50

MN.V.10


VI. Gahapati-vagga: M.51-60 (MN.VI.1-10)

M.51

MN.VI.1


M.56

MN.VI.6

M.52

MN.VI.2

M.57

MN.VI.7

M.53

MN.VI.3

M.58

MN.VI.8

M.54

MN.VI.4

M.59

MN.VI.9

M.55

MN.VI.5

M.60

MN.VI.10


VII. Bhikkhu-vagga: M.61-70 (MN.VII.1-10)

M.61

MN.VII.1


M.66

MN.VII.6

M.62

MN.VII.2

M.67

MN.VII.7

M.63

MN.VII.3

M.68

MN.VII.8

M.64

MN.VII.4

M.69

MN.VII.9

M.65

MN.VII.5

M.70

MN.VII.10


VIII. Paribbājaka-vagga: M.71-80 (MN.VIII.1-10)

M.71

MN.VIII.1


M.76

MN.VIII.6

M.72

MN.VIII.2

M.77

MN.VIII.7

M.73

MN.VIII.3

M.78

MN.VIII.8

M.74

MN.VIII.4

M.79

MN.VIII.9

M.75

MN.VIII.5

M.80

MN.VIII.10


IX. Rāja-vagga: M.81-90 (MN.IX.1-10)

M.81

MN.IX.1


M.86

MN.IX.6

M.82

MN.IX.2

M.87

MN.IX.7

M.83

MN.IX.3

M.88

MN.IX.8

M.84

MN.IX.4

M.89

MN.IX.9

M.85

MN.IX.5

M.90

MN.IX.10


X. Brāhmana-vagga: M.91-100 (MN.X.1-10)

M.91

MN.X.1


M.96

MN.X.6

M.92

MN.X.2

M.97

MN.X.7

M.93

MN.X.3

M.98

MN.X.8

M.94

MN.X.4

M.99

MN.X.9

M.95

MN.X.5

M.100

MN.X.10


XI. Devadaha-vagga: M.101-110 (MN.XI.1-10)

M.101

MN.XI.1


M.106

MN.XI.6

M.102

MN.XI.2

M.107

MN.XI.7

M.103

MN.XI.3

M.108

MN.XI.8

M.104

MN.XI.4

M.109

MN.XI.9

M.105

MN.XI.5

M.110

MN.XI.10


XII. Anupada-vagga: M.111-120 (MN.XII.1-10)

M.111

MN.XII.1


M.116

MN.XII.6

M.112

MN.XII.2

M.117

MN.XII.7

M.113

MN.XII.3

M.118

MN.XII.8

M.114

MN.XII.4

M.119

MN.XII.9

M.115

MN.XII.5

M.120

MN.XII.10


XIII. Suññata-vagga: M.121-130 (MN.XIII.1-10)

M.121

MN.XIII.1


M.126

MN.XIII.6

M.122

MN.XIII.2

M.127

MN.XIII.7

M.123

MN.XIII.3

M.128

MN.XIII.8

M.124

MN.XIII.4

M.129

MN.XIII.9

M.125

MN.XIII.5

M.130

MN.XIII.10


XIV. Vibhanga-vagga: M.131-142 (MN.XIV.1-12)

M.131

MN.XIV.1


M.137

MN.XIV.7

M.132

MN.XIV.2

M.138

MN.XIV.8

M.133

MN.XIV.3

M.139

MN.XIV.9

M.134

MN.XIV.4

M.140

MN.XIV.10

M.135

MN.XIV.5

M.141

MN.XIV.11

M.136

MN.XIV.6

M.142

MN.XIV.12


XV. Salāyatana-vagga: M.143-152 (MN.XV.1-10)

M.143

MN.XV.1


M.148

MN.XV.6

M.144

MN.XV.2

M.149

MN.XV.7

M.145

MN.XV.3

M.150

MN.XV.8

M.146

MN.XV.4

M.151

MN.XV.9

M.147

MN.XV.5

M.152

MN.XV.10

    Volgens Horner zijn de 152 suttas verdeeld in drie secties (pannāsa) van elk 50 toespraken. Alleen de laatste sectie bestaat dan uit 52 toespraken. Misschien moet het Bhaddekaratta sutta (no. 131) als één sutta beschouwd worden, en de Ānanda-, Mahākaccāna-en Lomasakangiya-bhaddekaratta suttas samen als één sutta in plaats van drie.2



M.I. Mūlapariyāya-vagga


Staten van bewustzijn. De 24 categorieën van alle verschijnselen. De verwijdering van de onzuiverheden van de geest. Onzuivere gedachten brengen iemand schade en gevaar. De vier soorten mensen. Hoe deugdzaamheid, concentratie en wijsheid ontwikkeld moeten worden. De onreine en de reine geest. Verkeerde en juiste inzichten. Wilsacties en het resultaat ervan. De grondslagen van oplettendheid.3




M.1. (M.I.1). Mūlapariyāya sutta - De wortel van alle dingen

De wortel van alle verschijnselen is grijpen, hechten samen met onwetendheid.

Wie streeft naar de bevrijding, voor hem is de aarde als aarde. Maar hij beschouwt ze niet als “mijn”. En ook voor de volmaakte heilige is de aarde als aarde, maar ze is niet “mijn”. En wel omdat hij zonder begeerte is, vol weten; omdat hij zonder haat is; omdat hij zonder onwetendheid is.

Deze preek werd gericht tot enkele monniken die voordien brahmanen waren. Zij waren hoogmoedig en trots vanwege wat zij geleerd hadden. Zij konden de subtiele metafysische bijgedachten ervan niet vatten.



M.1. (M.I.1). Mūlapariyāya sutta - De wortel van alle dingen

Eens vertoefde de Verhevene te Ukkhattha in het Subhaga bosje, aan de voet van een koninklijke salaboom. Daar sprak hij tot de bhikkhus als volgt.

"Bhikkhus,ik zal tot jullie spreken over de wortels van alle dingen. Luistert goed en opmerkzaam.” – “Jawel, heer.”


(De wereldling)4


"Bhikkhus, een niet onderwezen wereldling,5 die geen acht slaat op de edelen of op oprechte mensen, en de leer van hen niet navolgt, die er niet in geschoold is, hij neemt het aardelement als aardelement waar.6 Hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort, en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorzien.

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens,7 hemelse wezens,89 Brahma,10 hemelse wezens van overstromende glans,11 hemelse wezens van de stralende heerlijkheid,12 hemelse wezens van het grote gevolg,13 de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, en het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Pajapati,

Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwt.

Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene,14 het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.15


(iemand in hogere scholing)


"Bhikkhus, iemand in hogere scholing,16 wiens geest het doel nog niet heeft bereikt en die nog streeft naar de hoogste zekerheid tegen het geboeid zijn, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element.17 Als hij dat onderkent heeft, moet hij zich er geen voorstelling van maken.18 Hij moet niet menen: 'Het is van mij.' Hij moet er geen behagen in scheppen. En waarom? Opdat hij het volledig moge doorschouwen.”

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming,

Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwt.

Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.


(De Arahant – I)


"Bhikkhus, iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt er zich geen voorstelling van,19 hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij,' hij schept er geen behagen in.

En waarom? Omdat hij het volledig heeft doorschouwt.”20

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.


(De Arahant -II)


"Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van begeerte, omdat begeerte vernietigd is.”21

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.


(De Arahant – III en IV)


Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.”

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.


(De Tathagata -I)


"Bhikkhus, de Tathagata,22 de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata het volledig tot aan het einde heeft doorschouwt.”23

Hij onderkent het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.


(De Tathagata -II)


"Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn.24 Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het ophouden, en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”

Evenzo met het waterelement, het vuurelement, het windelement, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'dat alles is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn. Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het ophouden, en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”


Zo sprak de Verhevene. Maar die Bhikkhus waren niet blij met de woorden van de Verhevene.25


Het sutta stelt dat alle termen slechts conventionele symbolen zijn. Zij onthullen de werkelijkheid niet. Er is geen verschil tussen de gewone mens van de wereld, de gedsiciplineerde mens die nog moet leren, de in de stroom getredene en de arahant wat betreft het gebruik van woorden in de dagelijkse betekenis ervan. Het verschil ligt in het feit dat de mens van de wereld ze als werkelijkheid beschouwt, terwijl de arahant de ware natuur ervan heeft verwerkelijkt als leeg, verstoken van een eigenheid. En daarom is de eerste eraan gehecht, en de laatste niet. Ook de heiligen van de verschillende niveaus zijn in staat er niet aan gehecht te zijn in overeenstemming met de graad van hun geestelijke ontwikkeling.26



M.2. (M.I.2). Sabbāsava sutta.

Te Savattthi. Over de verwijdering van de kankers, de smetten die de verwerkelijking van de Verlichting hinderen.27 In deze preek wordt onderwezen hoe de onzuiverheden van de geest gereinigd kunnen worden. Er worden zeven methoden geleerd: (1) juiste overweging; (2) beheersing van de zinnen; (3) oplettendheid wat betreft het juiste doel bij het gebruik van de vier benodigdheden; (4) verdraagzaamheid; (5) het vermijden van kwade dingen van een afstand; (6) niet toestaan dat een slechte gedachte ontstaat; en (7) de beoefening van de factoren van oplettendheid, het zoeken naar waarheid, energie, vervoering, gemak, concentratie en gelijkmoedigheid.28


M.2. (M.I.2). Sabbāsava sutta.

Nabij Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De Boeddha sprak er de monniken toe over het opgeven van de neigingen, over het verdwijnen van alle waan, door juiste oplettendheid.

Een gewoon mens die niets over de leer vernomen heeft, kent niet wat oplettendheid waard is. Hij let op het onwaardige, namelijk op datgene waardoor nieuwe wensen opkomen en oude wensen sterker worden en waardoor oude waan sterker wordt.

Hij denkt: “Was ik in het verleden of was ik niet in het verleden? Zal ik in de toekomst zijn of niet? Wat ben ik in het verleden geweest en wat zal ik in de toekomst zijn? Hoe zal ik in de toekomst zijn?”

Of hij denkt: “Ben ik nu, of ben ik niet? Wat ben ik? Wie ben ik? Vanwaar ben ik gekomen en waarheen ga ik?” En hij komt tot de conclusie dat hij een ziel heeft, of dat hij geen ziel heeft.

Maar de ervaren monnik is kundig in de leer. Hij weet wat oplettendheid waard is en wat niet. Er komen geen nieuwe wensen op en oude wensen worden vernietigd. Hij overweegt de vier edele waarheden (lijden, ontwikkeling van lijden, opheffing van lijden, het pad naar opheffing van lijden). En hij gelooft niet meer aan persoonlijkheid, is vrij van twijfel, en hecht niet meer aan deugdzame daden.

Hij oefent oplettendheid bij het zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken.

Voor de monnik geldt verder nog oplettendheid bij het gebruik van het gewaad. Het is om te beschermen tegen koude en hitte, tegen wind en regen, tegen muggen en wespen en kruipende insecten, en om de schaamte te bedekken. De aalmoezen (maaltijd) gebruikt hij alleen om zijn lichaam in stand te houden, om schade te voorkomen, om een heilig leven te kunnen leiden.

De woonplek is er alleen om zich te beschermen tegen koude en hitte, tegen wind en weer, tegen muggen en wespen en kruipende insecten, om de ongunstige invloeden van de jaargetijden te ontwijken, om rust te kunnen genieten.

De medicijnen gebruikt hij oplettend in geval van ziekte.

Geduldig verdraagt hij koude en hitte, honger en dorst, wind en weer, muggen en wespen en kruipende insecten, roddelpraat of scheldwoorden, en lichamelijke pijnlijke gevoelens. Dat alles verdraagt hij geduldig.

Hij vlucht voor een woedende olifant, een woedend paard, een woedende stier, een woedende hond. Hij vlucht voor slangen. Hij vermijdt gerode grond, doornstruiken, kloven, poelen en moerassen, oorden die niet deugen. Hij vermijdt ook vrienden die niet deugen.

Met inspanning moet het volgende overwonnen worden. Nieuw opgekomen verlangens verdrijft hij, en evenzo woede, haat, afkeer.

Hij beoefent inzicht en diepzinnigheid, vredigheid, zachtheid, inzicht.

Wie dat alles heeft gedaan, heeft de volmaakte heiligheid bereikt.




M.3. (M. I.3.). Dhammadāyāda sutta.

Dit sutta bevat twee afzonderlijke toespraken, een door de Boeddha en een door de eerwaarde Sariputta.

De monniken worden aangespoord om het belang van de Dhamma te verwerkelijken en dat lichamelijke behoeften niet belangrijk zijn.29



M.3. (M. I.3.). Dhammadāyāda sutta.

Te Sāvatthi in het park van Anāthapindika. De Boeddha onderwees er de monniken. Zij zijn erfgenamen van de leer. Als na het middagmaal nog een rest over is, en er komen twee monniken met honger en verzwakt, en als dan de Verhevene hen uitnodigt met de woorden: “Ik heb genoeg gegeten. Er is nog iets over. Neemt dat als u wilt. Anders ledig ik de nap op grasvrije grond of in stromend water.”

De ene monnik, hoewel hongerig en verzwakt, dacht eraan dat hij erfgenaam van de leer is, en hij wachtte met de maaltijd tot de volgende dag. De andere monnik nam de aangeboden rest van de maaltijd aan en at ze op.

“Monniken, de laatste monnik mocht dat eten zonder bezwaar nuttigen. Maar de eerste monnik is waardiger en voortreffelijker.”


Daarna nam de eerwaarde Sāriputta het woord. Hij onderwees hen aldus:

“Als de meester zich heeft teruggetrokken, hoe beoefenen de monniken dan de eenzaamheid en hoe beoefenen zij die niet? – De eenzaamheid wordt niet beoefend als men niet verwerpt wat als verwerpelijk is aangeduid. Als men veeleisend wordt en opdringerig, als men gezelschap zoekt, als men de eenzaamheid als last ontvlucht.

Maar hoe beoefent men de eenzaamheid wel? – Als men verwerpt wat als verwerpelijk aangeduid is; als men niet veeleisend is, niet opdringerig wordt, als men gezelschap ontvlucht als last.

Begeerte is niet goed. Er is een middenweg om begeerte te ontvluchten. Die middenweg is het edele achtvoudige pad: juist inzicht, juist denken, juist taalbebruik, juist handelen, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie.

Toorn is niet goed. Onenigheid, afgunst, egoïsme, bedrog en list, starheid en overbezorgdheid, hoogmoed, eigenwaan, traagheid, nalatigheid zijn niet goed.




M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta.

Beschrijving hoe een monnik een eenzaam leven leidde in een afgelegen bos, maar zichzelf schade en gevaar toebracht door zijn onzuivere gedachten, woorden en daden.

De Boeddha vertelt hier zijn ervaringen toen hij in een veraf gelegen eenzaam woud vertoefde tijdens de vroege dagen van zijn zoektocht naar Verlichting. Hij vertelt er hoe hij overweldigd werd door angst en vrees en hoe hij ze overwon en de Verlichting bereikte. Ook als een Boeddha hield hij ervan op een eenzame plek te vertoeven en wel om twee redenen: voor zijn eigen vrede en om een voorbeeld te stellen voor het nageslacht.30



M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta. Vrees en angst

Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. Jānussoni, een brahmaan, bezocht er de Boeddha en zei tot hem: “De monniken hier hebben hun huis verlaten en zijn nu volgelingen van de Verhevene. Maar diep in het woud, op eenzame, afgelegen oorden te leven, is moeilijk. Iemand die zich niet kan beheersen, die geen zelfbeheersing heeft, moet er beslist angstig worden.”

“Zo is het, brahmaan. Ook ik was bang toen ik de volmaakte Verlichting nog niet bereikt had. Maar ik overwoog dat ik zuiver handelde. En mijn welgevallen aan het leven in het woud nam toe.

En ik overwoog dat ik zuivere taal gebruik, dat mijn denken zuiver is, dat ik een zuiver karakter heb. Ik overwoog dat ik niet begerig was, geen hevige wensen had, dat ik geen haat of afkeer had, niet verbitterd was. Ik voelde medelijden. En ik was niet mat en moe. Ik was niet opgewonden, was niet onrustig in de geest. Ik was niet twijfelachtig, had geen onzekere geest. Ik was zeker van mijn zaak. Ik kende geen eigen lof en geen berisping van anderen. Ik was niet hoogmoedig, verachtte anderen niet. Ik kende geen sidderen en geen schromen. Ik verlangde niet naar gaven, eer en aanzien. Ik was bescheiden. Ik was niet gebroken en moedeloos. Ik was standvastig. Mijn gemoed was niet verstoord, niet troebel. Mijn gemoed was helder. Mijn geest was niet rusteloos en verstrooid. Ik was beheerst. Ik was niet dwaas en stompzinnig. Ik was wijs. En mijn welgevallen aan het leven in het woud nam toe.

En ik ging naar grafheuvels in parken, in wouden, onder bomen. Daar vertoefde ik. Ik wilde er de angst en vrees ondervinden. En die angst en vrees kwam toen ik er heen en weer liep, toen ik zat, neerlag, stil stond. En ik overwon die angst en vrees.

Van mij kan men terecht zeggen dat een wezen zonder waan in de wereld is verschenen, tot heil en zegen voor goden en mensen.

Standvastig verdroeg ik het, zonder weifelen, met heldere geest, met het lichaam stil, zonder beweging, met beheerst gemoed, geconcentreerd. Ik vertoefde er in de eerste jhana, die met nadenken en overwegen verbonden is en een zalige blijheid heeft.

Hierna verkreeg ik de eenheid van het gemoed, vrij van nadenken, de tweede jhana. Ik vertoefde erin met vervoering en geluk door concentratie ontstaan.

Gelijkmoedig vertoefde ik in oplettend en helder bewust, en ik ondervond in het lichaam geluk. Dit was de derde jhana.

Na het opgeven van vreugde en lijden, na vernietiging van blijdschap en droefenis, bereikte ik de vierde jhana die op grond van gelijkmoedigheid vrij is van leed, vrij van vreugde. Met volkomen zuivere oplettendheid vertoefde ik erin.

Het gemoed richtte ik toen op de herinnering aan vroegere vormen van bestaan. Ik herinnerde mij aan veel verschillende vroegere vormen van bestaan, aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens. Ik herinnerde mij de tijden van vele wereldontstaan en vele wereldvergaan. Ik herinnerde mij welke naam ik er had, tot welke familie ik behoorde, tot welke stand (kaste) is behoorde, welk beroep ik uitoefende, wat ik er ondervond aan wel en wee, hoe mijn levenseinde was, en waar ik wedergeboren werd. Ik herinnerde mij aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan. Dit weten verkreeg ik in de eerste uren van de nacht.

En ik richtte het gemoed op het verdwijnen en weer verschijnen van wezens. Met het hemelse oog zag ik hoe de wezens wedergeboren worden overeenkomstig hun daden. Dit weten verkreeg ik in de middelste uren van de nacht.

Ik richtte het gemoed op de kennis van de opdroging van waan. Dit is lijden; dit is de ontwikkeling van lijden; dit is de opheffing van lijden; dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.

Dit is onwetendheid. Dit is de ontwikkeling van onwetendheid. Dit is de opheffing van onwetendheid. Dit is het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid.

Met dit inzicht, deze kennis werd mijn gemoed bevrijd van de waan om te wensen, bevrijd van de waan om te bestaan, bevrijd van niet-weten. Het inzicht ontstond: dit is de bevrijding, geboorte is opgedroogd, het ascetendom is voltooid, gedaan is wat gedaan moest worden. Dit weten kreeg ik in de laatste uren van de nacht.

Er zijn, brahmaan, twee redenen waarom ik diep in het woud naar afgelegen oorden ga: 1) mijn eigen welbevinden, en 2) het medelijden met degenen die mij volgen.




M.5. (M.I.5). Anangana sutta

Toespraak van de eerwaarde Sāriputta tot de monniken. Hij spreekt er over vier soorten mensen: (1) Degenen die slecht zijn en die zich er niet van bewust zijn. (2) Degenen die slecht zijn en die zich ervan bewustzijn. (3) Degenen die goed zijn en zich er niet van bewust zijn. (4) Degenen die goed zijn en die zich ervan bewust zijn.

       Van dezen is de eerste soort het ergste; en de laatste het beste. Op het einde van de toespraak sprak de eerwaarde Mahā Moggallāna zijn goedkeuring voor de leerrede uit.31

       De eerwaarden Sāriputta en Moggallāna spreken over het bereiken van de bevrijding van de smetten.32



M.5. (M.I.5) Anangana sutta. Schuldig – onschuldig.

Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De eerwaarde Sāriputta sprak er de monniken toe. “Er zijn vier soorten mensen33 in de wereld. (1) Iemand heeft een smet, een fout, is schuldig en ziet niet in dat hij een smet heeft, dat hij schuldig is; (2) iemand heeft een smet, is schuldig en ziet in dat hij een smet heeft, dat er schuld bij hem is; (3) iemand heeft geen smet, is onschuldig en ziet niet in dat hij geen smet heeft, dat hij geen schuld heeft; (4) iemand heeft geen smet, is onschuldig en ziet in dat hij geen smet heeft, dat hij onschuldig is.

1] Hij is de slechtere van degenen die gelijke smet, gelijke schuld hebben.

2] Hij is de betere van degenen die gelijke smet, gelijke schuld hebben.

3] Hij is de slechtere van degenen die geen smet hebben, die gelijke onschuld hebben.

4] Hij is de betere van degenen die geen smet hebben, die gelijke onschuld hebben.”


Hierna vroeg de eerwaarde Mahāmoggallana waarom de een slechter en de ander beter is.


ad 1. Van hem kan verwacht worden dat hij niet gedwee wordt, zich niet zal inspannen, geen kracht zal hebben om zich van zijn smet te ontheffen. Van hem kan men verwachten dat hij met begeerte, haat en onwetendheid, met een onzuiver gemoed zal sterven.

ad 2. Van hem kan verwacht worden dat hij gedwee wordt, zich zal inspannen, kracht zal hebben om zich van zijn smet te ontheffen. Van hem kan men verwachten dat hij zonder begeerte, haat en onwetendheid, met een zuiver gemoed zal sterven.

ad 3. Van hem kan verwacht worden dat zijn gemoed vol begeerte, haat en onwetendheid geraakt en dat hij met een onzuiver gemoed zal sterven.

ad 4. Van hem kan verwacht worden dat zijn gemoed niet vol begeerte, haat en onwetendheid geraakt en dat hij met een zuiver gemoed zal sterven.


En wat verstaat men onder smet, wat verstaat men onder schuld? – Onder smet, onder schuld verstaat men de sferen van slechte, onheilzame wensen.

Misschien denkt een monnik: “Als ik een fout begaan heb, hoeven anderen dat niet te weten.” Als zij dan te weten komen dat hij een fout heeft begaan, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Als ik een fout begaan heb, dan hoop ik dat de medemonniken mij in het geheim een verwijt maken en niet dat openlijk een verwijt gemaakt wordt door de andere monniken.” Als zij hem dan openlijk een verwijt maken dat hij een fout heeft begaan, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien heeft een monnik een fout begaan en denkt hij: “Laat een vriend mij terechtwijzen, niet een andere monnik.” Als dan een andere monnik hem terechtwijst, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Moge toch de meester in een dialoog met mij de leer aan de monniken uitleggen, en niet met een andere monnik.” Als de meester dan met een andere monnik in een dialoog de leer aan andere monniken uitlegt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Bij de aalmoezengang naar het dorp moeten de monniken mij aan het begin plaatsen, en niet een andere monnik.” Als de monniken dan een andere monnik aan het hoofd van de aalmoezengang plaatsen, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Moge ik toch bij de maaltijd de beste plaats, het beste water, het beste eten krijgen, en niet iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Moge alleen ik en niet iemand anders voldoende te eten krijgen. Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Als de monniken of de nonnen of de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen het park bezoeken, moet het alleen mijn zaak zijn de leer uit te leggen, en niet die van iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Mij moeten de monniken of de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen hoogachten, waardig vinden, achten en eren, niet iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Men moet aan mij een voortreffelijk gewaad geven, en niet aan iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Misschien denkt een monnik: “Men moet aan mij voortreffelijk eten, een goede slaapplaats, ingeval van ziekte goede medicijnen geven, en niet aan een andere monnik.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

Als bij een monnik deze slechte, verderfelijke zintuiglijke wensen onverzwakt voorkomen, dan wordt hij – ook als hij alleen in het woud vertoeft of als hij een zwijgzame bedelaar van brokken is, bekleed met een zelf genaaid gewaad van stukken stof,34 - door zijn medebroeders in de Orde niet hooggeacht, niet waardig gevonden, niet geacht, niet geëerd.

Een monnik bij wie deze slechte, verderfelijke zintuiglijke rwensen zich niet meer uiten, hij wordt hooggeacht, waardig gehouden, geacht en geëerd."


De eerwaarde Mahamoggallana zei daarop aan de eerwaarde Sāriputta: “Er zijn mensen die onwillig, uit noodzaak, niet uit vertrouwen, in de Orde zijn ingetreden, huichelaars, schijnheiligen, drukke praatjesmakers. Zij hoeden de poorten van de zintuigen slecht, zijn afgekeerd van de waakzaamheid, zij zijn onverschillig t.o.v. het ascetendom, nalatig in de plicht van de Orde, veeleisend, opdringerig. Zij zoeken gezelschap, ontvluchten eenzaamheid als lastige last.35

Maar er zijn ook edele zonen die vol vertrouwen het huis verlaten en in de Orde intreden. Zij zijn geen huichelaars, geen schijnheiligen, geen drukke praatjesmakers. Zij hoeden de poorten van de zintuigen, zijn niet afgekeerd van de waakzaamheid, zijn niet onverschillig t.o.v. het ascetendom, niet nalatig in de plicht van de Orde, niet veeleisend, niet opdringerig. Zij zoeken geen gezelschap, ontvluchten eenzaamheid niet.”

Zo verheugden deze twee grote eerwaarden zich over de goede woorden van elkaar.





M.6. (M.I.6). Ākankheyya sutta

Een bhikkhu moet volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen. Hij moet niet verlangen naar roem en eer. De Boeddha onderwijst er hoe men vermogens moet beheersen, gevaar ziende in de geringste fout.

Een monnik die een zuiver leven voert, die de discipline van het Pātimokkha, navolgt, die zich goed gedraagt, die gevaar ziet zelfs in de geringste overtreding, en die het pad van de Boeddha volgt, hij kan verwachten te verkrijgen wat iemand van zijn rang kan wensen.36



M.6. (M.I.6) Ākankheyya sutta

Te Sāvatthi, in het park van Anathapindika. De Verhevene sprak er de monniken toe.

“Bewaart deugd, bewaart zuiverheid, koestert en verzorgt zuiverheid bij uw handelen. Weest op de hoede voor de geringste fout en gaat gestadig verder, stap voor stap.

Als een monnik wenst dat hij bij de andere monniken geliefd en welkom, waard en belangrijk is, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij kleding, eten, verblijfplaats en geneesmiddelen bij ziekte heeft, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat degenen die hem kleding, eten, verblijfplaats en geneesmiddelen geven, vanwege die gaven verdiensten verkrijgen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat de gestorven bloedverwanten die hem in liefde gedenken, hoge verdiensten daarom krijgen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij heer is over de gemoedsonrust, of als hij wenst dat hij over angst en vrees de baas is, dat angst en vrees niet over hem heersen, dat hij zegensrijk zal overwinnen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij de vier jhanas ten volle bereikt in dit leven, of als hij wenst dat hij de heilige bevrijdingen die buiten de vormen geen vorm houden, dat hij die daadwerkelijk ondervindt, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de drie boeien tot de edelen behoort, dat hij het pad van heiligheid betreedt, dat hij doelbewust de volledige ontwaking tegemoet gaat, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de drie boeien, bevrijd van begeerte, haat en onwetendheid, bijna gezuiverd, nog eenmaal wederkeert om aan het lijden een einde te maken, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de vijf omlaaggtrekkende boeien omhoog stijgt om vandaaruit uit te doven, dat hij niet meer naar deze wereld terugkeert, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij de macht heeft om van één veelvuldig te worden en dan weer één, of zichtbaar en onzichtbaar te worden,of om door muren en rotsen te zweven als door de lucht, of dat hij op de aarde opduikt en onderduikt als in het water, of op het water loopt zonder te zinken, als op aarde; of dat hij door de lucht gaat zoals vogels; of de maan en de zon aanraakt met de hand; of zijn lichaam in bedwang heeft tot in de Brahmā-wereld, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij het hemelse gehoor heeft, het gezuiverde dat menselijke grenzen overschrijdt, waarmee hij zowel hemelse als aardse geluiden kan horen, de verre en de nabije, of als hij wenst dat hij de gedachten van anderen kan lezen en onderkennen, dat hij het begerige gemoed, het begeerteloze gemoed, het gemoed met haat, het gemoed zonder haat, het dwalende gemoed, en niet dwalende gemoed, het geconcentreerde gemoed, het verstoorde gemoed, het hoogstrevende gemoed, het laaggezinde gemoed, het edele gemoed, het bedorven gemoed, het kalme gemoed, het rusteloze gemoed, het bevrijde gemoed, het geboeide gemoed, dat hij een dergelijk gemoed als zodanig onderkent, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij in staat is zich aan vroegere levens te herinneren, met vele details, of als hij wenst dat hij het hemelse oog heeft, het gezuiverde, om te zien hoe wezens verdwijnen en weer ontstaan, hoe zij overeenkomstig hun daden wederkeren, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Als een monnik wenst dat hij de bevrijding van het gemoed verkrijgt, de bevrijding door wijsheid, nog in dit leven, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

Daarom, monniken, bewaart deugd, bewaart zuiverheid, koestert en verzorgt zuiverheid bij uw handelen. Weest op de hoede voor de geringste fout en gaat gestadig verder, stap voor stap.”




M.7. (M.I.7). Vattha sutta (Vatthūpama sutta)

De gelijkenis van het smerige stuk stof en de bevuilde geest. Zoals een smerig stuk stof de kleurstof niet goed aanneemt als het geverfd wordt, evenzo beseft een onreine geest niet wat goed is. En juist zoals een reine witte doek de kleurstof snel opneemt als de doek erin gedompeld wordt, evenzo verkrijgt iemand met een zuivere geest gemakkelijk vertrouwen en concentratie. En die persoon verwerkelijkt de niveaus van heiligheid. Hij moet beschouwd worden als iemand die gereinigd is door een “innerlijk bad”.

Besproken worden ook de vier goddelijke verblijven.

De geest van iemand kan niet door water gereinigd worden, maar wel door zuiver gedrag.



M.7. (M.I.7) Vattha sutta (Vatthūpama sutta). De gelijkenis van de doek.


Inleiding


In deze gelijkenis worden eerst zestien smetten van de menselijke geest besproken. Daarna gaat deze leerrede over de vooruitgang van de volgeling naar het hoogste doel, heiligheid, Nibbāna in dit leven. Dat doel kan enkel en alleen bereikt worden indien die smetten geleidelijk verminderd en uiteindelijk vernietigd worden.


De gelijkenis van de doek


Eens sprak de Gezegende aldus: “Monniken, veronderstelt dat een doek besmet en vuil was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf slecht aannemen en onzuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek niet zuiver was. En evenzo, monniken, als de geest besmet is, kan een ongelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.37

Monniken, veronderstelt dat een doek zuiver en helder was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf goed aannemen en zuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek rein was. En evenzo, monniken, als de geest onbesmet is, kan een gelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.

En wat, monniken, zijn de smetten van de geest?

1) Hebzucht en onjuist begeren is een smet van de geest.38

2) Kwaadwil, afkeer, haat is een smet van de geest.

3) Boosheid, woede is een smet van de geest.

4) Vijandschap is een smet van de geest.

5) Lasteren, kleineren, verachten is een smet van de geest.

6) Tirannie, overheersen is een smet van de geest.

7) Afgunst, nijd is een smet van de geest.

8) Jaloersheid is een smet van de geest.

9) Huichelarij, misleiding is een smet van de geest.

10) Bedriegen is een smet van de geest.

11) Koppigheid, verstoktheid is een smet van de geest.

12) Aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit is een smet van de geest.

13) Eigendunk, verwaandheid is een smet van de geest.

14) Hoogmoed, laatdunkendheid is een smet van de geest.

15) Pronkzucht, ijdelheid, verwaandheid is een smet van de geest.

16) Nalatigheid, onoplettendheid is een smet van de geest.39

 

Wetende, monniken, dat hebzucht en onjuist begeren een smet is van de geest, geeft de monnik dat op.40 Wetende, dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat boosheid, woede een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat vijandschap een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat afgunst, nijd een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat jaloersheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat huichelarij een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat bedriegen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op.

In de monnik die aldus weet dat hebzucht, onjuist begeren een smet is van de geest, wordt hebzucht en onjuist begeren opgegeven. In hem die aldus weet dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, wordt kwaadwil, afkeer en haat opgegeven. In hem die aldus weet dat boosheid, woede een smet is van de geest, wordt boosheid en woede opgegeven. In hem die aldus weet dat vijandschap een smet is van de geest, wordt vijandschap opgegeven. In hem die aldus weet dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, wordt lasteren, kleineren, verachten opgegeven. In hem die aldus weet dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, wordt tirannie, overheersen opgegeven. In hem die aldus weet dat afgunst, nijd een smet is van de geest, wordt afgunst, nijd opgegeven. In hem die aldus weet dat jaloersheid een smet is van de geest, wordt jaloersheid opgegeven. In hem die aldus weet dat huichelarij, misleiding een smet is van de geest, wordt huichelarij, misleiding opgegeven. In hem die aldus weet dat bedriegen een smet is van de geest, wordt bedriegen opgegeven. In hem die aldus weet dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, wordt koppigheid, verstoktheid opgegeven. In hem die aldus weet dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, wordt aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit opgegeven. In hem die aldus weet dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, wordt eigendunk, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, wordt hoogmoed, laatdunkendheid opgegeven. In hem die aldus weet dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, wordt ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, wordt nalatigheid, onoplettendheid opgegeven.

Als hij aldus die smetten heeft opgegeven, verkrijgt hij onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, in de leer en in de gemeenschap van de heiligen.41

Het onwankelbare vertrouwen in de Boeddha is als volgt: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

Het onwankelbare vertrouwen in de leer is aldus: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

Het onwankelbare vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen is aldus: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

 

Als hij de smetten gedeeltelijk42 heeft opgegeven, verzaakt, er afstand van heeft gedaan, ze heeft verlaten en losgelaten, dan weet hij: ‘Ik ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de leer, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de gemeenschap van de monniken.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer.43 Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren; vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.44

Hij weet: ‘Ik heb de smetten gedeeltelijk opgegeven, verzaakt, er afstand van gedaan, heb ze verlaten en losgelaten.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer. Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren. Vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.

Monniken, als een monnik van zo’n deugdzaamheid, zo’n concentratie en zo’n wijsheid4546 aalmoezen eet die bestaan uit uitgelezen spijzen, dan is zelfs dat geen hindernis voor hem.

Hij doordringt met een geest van liefdevolle vriendelijkheid47 één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel welwillende vriendelijkheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met welwillende vriendelijkheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van mededogen één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel mededogen als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met mededogen met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van medevreugde één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel medevreugde als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met medevreugde met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij doordringt met een geest van gelijkmoedigheid één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel gelijkmoedigheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met gelijkmoedigheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

Hij begrijpt wat bestaat, wat laag is, wat verheven is,48 en wat voor ontsnapping er is aan dit hele veld van waarneming.49 Als hij op deze manier weet en ziet, wordt zijn geest bevrijd van de kankers van zinnelijke verlangens, wordt bevrijd van de kanker van worden, bevrijd van de kanker van onwetendheid.50 Als hij bevrijd is, is er het weten: ‘Er is bevrijding; en hij weet: ‘Geboorte is uitgedoofd, het leven van zuiverheid is geleefd, de taak is volbracht; er is geen verder bestaan.’ Zo'n monnik heet: ‘Gewassen met het innerlijke bad.’”51

 

Niet ver van de Gezegende zat de priester Sundarika-Bharadvaja.52 En deze vroeg aan de Verhevene: “Gaat Meester Gotama naar de Bahuka-rivier om er te baden?” – “Wat voor heil, priester, is er in de Bahuka-rivier? Wat kan die rivier doen?” – “Waarlijk, Meester Gotama, vele mensen geloven dat de Bahuka-rivier zuivering geeft en verdienste. Want in de Bahuka-rivier wassen veel mensen de slechte daden weg die zij verricht hebben.”

Toen sprak de Gezegende die priester toe met de volgende verzen:53

“In wat voor rivieren een dwaas ook baadt,

dat water zal zijn zwarte daad niet reinigen.

Door het water van rivieren kan niet gereinigd worden

de kwaaddoener, de mens die grove en wrede daden pleegt.

      

Iemand die zuiver is van hart,

heeft steeds het feest van reiniging54 en de heilige dag.55

Iemand die zuiver is van hart en die goede daden verricht,

heeft zijn voorschriften steeds volmaakt.

 

Dáár moet u, priester, baden56

om u zelf tot een veilige toevlucht voor alle wezens te maken;

en als u geen onwaarheid spreekt

noch letsel toebrengt aan ademende wezens,

noch neemt wat niet is gegeven,

als u vol vertrouwen bent en zonder hebzucht,

waarom zou u dan in water baden?”

 

Hierop sprak de priester Sundarika-Bharadvaja aldus: “Voortreffelijk, Meester Gotama, voortreffelijk. De leer is op vele manieren duidelijk gemaakt door Meester Gotama. Ze wijst de weg aan iemand die verdwaald is; ze houdt een lamp omhoog in de duisternis voor degene die goede ogen heeft om vormen te zien. Tot Meester Gotama neem ik mijn toevlucht en tot de leer en de gemeenschap. Moge ik de eerste wijding van het opgeven van de wereld ontvangen onder Meester Gotama. Moge ik volle toelating ontvangen.”

En de priester Sundarika-Bharadvaja ontving de eerste wijding van het opgeven van de wereld onder de Gezegende, en hij ontving de volle toelating. En niet lang daarna, alleen levend, afgezonderd, ijverig, vurig en vastberaden, begreep en bereikte de eerwaarde Bharadvaja door eigen verwezenlijking reeds in dit leven dat hoogste doel van het zuivere leven, waarvoor mensen van goede familie van huis gaan in het huisloze leven. En hij had direct weten, aldus: “Geboorte is uitgedoofd, het zuivere leven is geleefd, de taak is volbracht, er is geen verder bestaan.”

       En de eerwaarde Bharadvaja werd een van de heiligen.57



M.8. (M.I.8). Sallekha sutta

Over de opheffing van zelf en verkeerde inzichten. De Boeddha onderwees er hoe juist gedacht moet worden, en wel: “Anderen mogen verkeerd handelen in denken, taalgebruik of in daden, maar ik zal juist handelen in denken, in taalgebruik en in daden.” Zo te denken is hoger dan het bereiken van de meditatieve verdiepingen (jhanas).



M.8. (M.I.8). Sallekha sutta. Uitwissing

Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De eerwaarde Mahacunda ging er ’s avonds naar de Boeddha en vroeg: “Het volstaat zeker dat een monnik alleen het begin kent van de verschillende leerstellingen in de wereld, om ze te weerleggen.” – De Boeddha gaf ten antwoord: “Die leerstellingen moeten aldus beschouwd worden: ‘Dit behoort mij niet toe; dit ben ik niet; dit is niet mijn zelf’.

Iemand kan de 1e jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

Iemand kan de 2e jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

Iemand kan de 3e jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

Iemand kan de 4e jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

Iemand kan de sfeer van grenzeloos bewustzijn bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

Iemand kan de sfeer van niets is er bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

Iemand kan de grens van mogelijke waarneming bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’


Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden (door te denken):

1.    Anderen kunnen kwaad doen, maar wij zullen argeloos worden en geen kwaad doen.

2.    Anderen kunnen levende wezens doden, maar wij zullen afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

3.    Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar wij zullen afzien van het nemen wat niet is gegeven.

4.    Anderen kunnen onkuis leven, maar wij zullen kuis leven.

5.    Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar wij zullen afzien van valse getuigenis en van liegen.

6.    Anderen kunnen lasteren, maar wij zullen afzien van lasterpraat.

7.    Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar wij zullen afzien van het gebruik van ruwe taal.

8.    Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar wij zullen afzien van geroddel.

9.    Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar wij zullen niet hebzuchtig zijn.

10. Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar wij zullen geen gedachten van kwaadwil hebben.

11. Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar wij zullen juiste visies hebben.

12. Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar wij zullen juiste bedoelingen hebben.

13. Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar wij zullen juiste taal gebruiken.

14. Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar wij zullen juiste daden verrichten.

15. Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar wij zullen een juist levensonderhoud hebben.

16. Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar wij zullen juiste inspanning doen.

17. Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar wij zullen juiste oplettendheid hebben.

18. Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar wij zullen juiste concentratie hebben

19. Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar wij zullen juiste kennis en juist weten hebben.

20. Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar wij zullen juiste bevrijding hebben.

21. Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar wij zullen vrij zijn van traagheid en starheid.

22. Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar wij zullen niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

23. Anderen kunnen twijfelen, maar wij zullen vrij zijn van twijfel.

24. Anderen kunnen boos zijn, maar wij zullen niet boos zijn.

25. Anderen kunnen vijandig zijn, maar wij zullen niet vijandig zijn.

26. Anderen kunnen kleineren en verachten, maar wij zullen niet kleineren en niet verachten.

27. Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar wij zullen niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

28. Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar wij zullen niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

29. Anderen kunnen jaloers zijn, maar wij zullen niet jaloers zijn.

30. Anderen kunnen bedriegen, maar wij zullen niet bedriegen.

31. Anderen kunnen huichelaars zijn, maar wij zullen geen huichelaars zijn.

32. Anderen kunnen koppig zijn, maar wij zullen niet koppig zijn en niet verstokt.

33. Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar wij zullen niet hoogmoedig zijn.

34. Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar wij zullen gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

35. Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar wij zullen edele vrienden hebben.

36. Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar wij zullen oplettend en achtzaam zijn.

37. Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar wij zullen betrouwbaar zijn.

38. Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar wij zullen vol schaamte zijn.

39. Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar wij zullen gewetensvol zijn.

40. Anderen kunnen zonder leren zijn, maar wij zullen veel leren.

41. Anderen kunnen lui zijn, maar wij zullen energiek zijn.

42. Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar wij zullen gevestigd zijn in oplettendheid.

43. Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar wij zullen begiftigd zijn met wijsheid.

44. Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, zij kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar wij zullen geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, wij zullen daar niet vast aan houden en zullen het met gemak verwerpen.

Zó moet uitwissing geoefend worden.”58

 
* * *

       Deze leerrede kan kort samengevat worden met de volgende woorden:

        Anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar wij zullen vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Zó moet geoefend worden.



M.9. (M.I.9). Sammāditthi sutta. Juist inzicht

Te Savatthi, in het Jetavana klooster. Een leerrede van de eerwaarde Sariputta over juiste inzichten en over het bereiken van volmaakte heiligheid. Aan de monniken legde hij uit wat “juist denken” is. Het bestaat in: (a) Het onheilzame onderkennen en de wortel ervan; het heilzame onderkennen en de wortel ervan. Het is weten wat goede en slechte daden zijn en de oorsprong ervan. (2) Weten wat voedsel (āhāra) is, de oorsprong ervan, het ophouden ervan, en de weg naar het ophouden ervan. (3) Weten wat de vier edele waarheden zijn. (4) Weten hoe de factoren van oorzakelijk ontstaan onderling verband houden.


Juist inzicht is het begrijpen wat goed en verkeerd is. Het is het volledige begrijpen van de vier edele waarheden en het niet vasthouden aan eeuwigheidsmeningen betreffende atta, zelf.



M.9. (M.I.9). Sammāditthi sutta. Juist inzicht

De eerwaarde Sariputta sprak tot de monniken aldus: Wat is juist inzicht?

Als men het onheilzame onderkent en de wortel ervan, als men het heilzame onderkent en de wortel ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

Wat is het onheilzame, wat is de wortel ervan, wat is het heilzame en wat is de wortel ervan?

Onheilzaam is doden, stelen, seksueel verkeerd gedrag, liegen, lasteren, ruwe taal, kletspraat, begeerte, kwaadwil, verkeerde visie.

De wortel van het onheilzame is begeerte, haat,
onwetendheid.


Heilzaam is afzien van doden, afzien van stelen, afzien van verkeerd seksueel gedrag, afzien van lasteren, afzien van ruwe taal, afzien van geklets; heilzaam is begeerteloosheid, welwillendheid, juiste visie.

De wortel van het heilzame is vrij te zijn van begeerte, vrij te zijn van haat, vrij te zijn van onwetendheid.


  Wie het onheilzame onderkent en de wortel ervan, wie het heilzame kent en de wortel ervan, en wie de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wie de neiging van afkeer heeft verjaagd, wie de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wie het niet weten heeft verloren, wie het weten heeft verworven, die maakt aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht; in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wanneer de edele volgeling het voedsel onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Wat is het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat voert naar de opheffing ervan?

Er zijn vier soorten van voedsel:

voedsel dat dient voor de vorming van het lichaam;

aanraking, contact (phassa);

geestelijke wil (cetana);

bewustzijn (viññana).


De ontwikkeling van de dorst is oorzaak van de ontwikkeling van het voedsel. Het verdwijnen van de dorst is oorzaak van het verdwijnen van het voedsel.

Het pad dat voert naar het verdwijnen van het voedsel, is het edele achtvoudige pad, namelijk 1) juist inzicht;59 2) juist denken;60 3) juist spreken;61 4) juist handelen;62 5) juist levensonderhoud;63 6) juiste inspanning;64 7) juiste oplettendheid;65 8) juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.66

De edele volgeling kent nu het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het proces dat voert naar de opheffing ervan. En hij heeft de neiging van de begeerte volledig verloochend, heeft de neiging van afkeer verjaagd, heeft de neiging van de ik-heid verdelgd, heeft onwetendheid verloren, het weten verworven. Zo maakt hij aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft men juist inzicht. In zoverre behoort men tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wie het lijden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft de edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Wat nu is het lijden, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan? – Geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

Het ontstaan van lijden is als volgt: het is de begeerte (tanha) die wedergeboorte doet ontstaan, die vergezeld gaat van genoegen en lust en die nu eens hier en dan weer daar steeds nieuw behagen schept. Met andere woorden, het is het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan.

De opheffing van lijden is als volgt: het is het volledig wegebben en het volledig uitdoven van die begeerte, het verwerpen, het opgeven en het achterlaten ervan; het is de bevrijding ervan en het zich losmaken ervan.

Het pad dat voert naar de opheffing van lijden, is niets anders dan het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.

Wanneer men de vier edele waarheden onderkent, en wanneer men de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer men de neiging van afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wanneer men het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt men aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

Wanneer men het ouder worden en sterven onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

Wat is ouder worden en sterven, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat voert naar de opheffing ervan? - Wat hier of elders veroudering is, verval van de tanden, vergrijzing, het rimpelen van de huid, het afnemen van de levenskracht, het afsterven van de zinsorganen: dat heet ouder worden.

Wat hier of elders het afscheiden is, het uiteenvallen, het verdwijnen, de dood, het beëindigen van de levenstijd, het uiteenvallen van de groeperingen van bestaan, het afwerpen van het lichaam: dat heet sterven.

De ontwikkeling van de geboorte is oorzaak voor de ontwikkeling van ouderdom en dood. De opheffing van geboorte is oorzaak voor de opheffing van ouderdom en dood. En het pad naar opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling ouderdom en sterven onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Wat is geboorte, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat voert naar de opheffing ervan? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan, het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte.

De ontwikkeling van het worden is oorzaak voor de ontwikkeling van de geboorte. De opheffing van het worden is oorzaak voor de opheffing van de geboorte. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten van worden: zinnelijk worden; worden met vorm en vormloos worden. De ontwikkeling van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor de ontwikkeling van het worden. De opheffing van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor opheffing van het worden. Het pad dat voert naar de opheffing van het worden is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de in bezit name, het hechten onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn vier soorten van in bezit name (hechten): de in bezit name van (het hechten aan) de zinnelijkheid, de in bezit name van (het hechten aan) meningen, de in bezit name van (het hechten aan) deugdzame werken, de in bezit name van (het hechten aan) de eigen persoonlijkheid.

De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van de in bezit name (het hechten). De opheffing van de dorst is de oorzaak voor de opheffing van de in bezit name (het hechten). Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de in bezit name (het hechten) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten dorst: dorst naar vormen, dorst naar geluiden, dorst naar geuren, dorst naar smaken, dorst naar aanrakingen, dorst naar gedachten.

De ontwikkeling van het gevoel is oorzaak voor de ontwikkeling van de dorst. De opheffing van het gevoel is oorzaak voor de opheffing van de dorst. Het pad dat voert naar de opheffing van de dorst is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van het gevoel: gevoel ontstaan door contact met het oog; gevoel ontstaan door contact met het oor; gevoel ontstaan door contact met de neus; gevoel ontstaan door contact met de tong; gevoel ontstaan door contact met het lichaam; gevoel ontstaan door contact met de geest.

De ontwikkeling van het contact is oorzaak voor de ontwikkeling van het gevoel. De opheffing van het contact is oorzaak voor de opheffing van het gevoel. Het pad dat voert naar de opheffing van gevoel is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het contact (de aanraking) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten van contact: contact met het oog; contact met het oor; contact met de neus; contact met de tong; contact met het lichaam, contact met de geest.

De ontwikkeling van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de ontwikkeling van contact. De opheffing van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de opheffing van contact. Het pad naar opheffing van contact is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het contact onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het bereik of gebied van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes gebieden: het gebied van het oog; het gebied van het oor; het gebied van de neus; het gebied van de tong; het gebied van het lichaam; het gebied van de geest.

De ontwikkeling van naam en vorm is oorzaak voor de ontwikkeling van het bereik van de zes zintuigen. De opheffing van naam en vorm is oorzaak voor de opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Het pad dat voert naar de opheffing van het bereik van de zes zintuigen is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het bereik van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Gevoel, waarneming, gedachte, aanraking, oplettendheid, dat noemt men naam. De vier elementen [aarde, water, vuur en lucht] en wat door die vier elementen gevormd bestaat, dat noemt men vorm. Samen noemt men dat naam en vorm.

De ontwikkeling van het bewustzijn is oorzaak voor de ontwikkeling van naam en vorm. De opheffing van het bewustzijn is oorzaak voor de opheffing van naam en vorm. Het pad dat voert naar de opheffing van naam en vorm is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn zes soorten bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn, geestbewustzijn.

De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn. De opheffing van de formaties is oorzaak voor de opheffing van het bewustzijn. Het pad dat voert naar de opheffing van het bewustzijn is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de formaties (sankhara) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten formaties: formaties van het lichaam; formaties van de taal; formaties van het hart.

De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties. Het pad dat voert naar de opheffing van de formaties is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de formaties onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven een einde aan het lijden.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.


Verder, wanneer de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Onwetendheid bestaat hierin: het lijden niet kennen, de ontwikkeling van lijden niet kennen, de opheffing van het lijden niet kennen, het pad dat voert naar de opheffing van lijden niet kennen.

De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van de onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van de onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

Verder, wanneer de edele volgeling de neigingen (asava) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.

De ontwikkeling van de onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat voert naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad.

Wanneer nu de edele volgeling de neigingen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die voert naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.




M.10. (M.I.10). Satipatthāna sutta.

In het land van de Kuru, in de plaats Kammāsadamma. Daar onderwees de Boeddha de monniken over de grondslagen van oplettendheid.

Dit sutta is gelijk aan Digha Nikaya 22, maar zonder de uitleg van de vier edele waarheden.

[Voor een vertaling van deze leerrede, zie:  42. De vier grondslagen van oplettendheid  of  ebook- de vier grondslagen van oplettendheid



M.II. Sīhanāda-vagga

De eigenschappen van een volmaakte heilige. De dwaasheid van ascetische praktijken. Onvoldaanheid, lijden (dukkha). De waarde van zelfonderzoek. Tien smetten en boeien. Hoe slechte gedachten te verdrijven en hoe goede gedachten te ontwikkelen.67




M.11. (M.II.1) Cūlasīhanāda sutta

Te Sāvatthi. Over de vier soorten van asceten. De ware monnik is alleen te vinden in de Orde van de Boeddha.

De volmaakte heiligen zijn zonder begeerte, zonder haat en zonder illusie. Zij zijn zonder verlangen naar iets en hechten nergens meer aan. Zij zijn bevrijd van alle lijden.




M.11. (M.II.1) Cūlasīhanāda sutta

Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De Boeddha sprak er tot de monniken over de vier soorten van asceten. Zij zijn zonder verlangen naar ruzie en twist met andere monniken.

Alleen hier68 bestaat een ware monnik, een tweede ware monnik, een derde ware monnik, alleen hier bestaat een vierde ware monnik. Andere leerstellingen zijn leeg van ware monniken.69


Waarom alleen hier? – Wel, vier dingen zijn er: 1. vertrouwen in de leraar; 2. vertrouwen wat betreft de Dhamma; 3. vervulling van de oefening van deugdzaamheid; 4. onze medevolgelingen in de Dhamma, hetzij leken hetzij monniken en nonnen, zijn ons lief en aangenaam.

Wat is hier anders dan bij andere leraren? - Het doel is één en niet veelvoudig.70

Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van begeerte. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan begeerte.

Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van haat. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan haat.

Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van onwetendheid. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan onwetendheid.

Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van verlangen, die vrij is van hechten. Het is bereikbaar voor iemand met inzicht. Het is bereikbaar voor iemand die geen voorkeur en geen afkeer heeft.

Het doel is bereikbaar voor iemand die geen behagen schept in het theoretisch buiten de perken gaan.


Met welk recht mogen jullie over die vier asceten spreken? Wel, jullie hebben de Meester lief, jullie hebben de leer lief, jullie vervullen de regels van de Orde, en rechtschapen mensen zijn jullie waard en dierbaar, zowel wereldlijke als geestelijke mensen.

Als andere asceten dan zeggen dat zij eveneens de Meester liefhebben, en wel hun eigen meester en hun eigen leer, en als zij dan vragen wat het verschil is tussen jullie en die asceten, dan moeten jullie antwoorden: “Is de volmaaktheid uniek of is ze algemeen?” - “Ze is uniek. ”En die volmaaktheid is het bezit van de begeerteloze, van de haatloze, van de waanloze. De volmaaktheid heeft degene zonder dorst, en degene die niet meer ergens aan hecht, en degene die weet.

Deze volmaaktheid heeft degene die niet verheugd noch ontstemd is. De volmaakte schept behagen in geen verscheidenheid.

Er zijn twee soorten van meningen, de mening van bestaan en de mening van niet-bestaan. Degenen die de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging en het ontkomen in het geval van deze twee meningen juist begrijpen, lust en lijden, en de overwinning overeenkomstig de waarheid, die geen dorst meer hebben, die niet meer ergens aan hechten, zij die weten, die niet enthousiast noch ontstemd zijn, die geen verscheidenheid behaagt, zij zijn vrij van begeerte, haat en onwetendheid. Zij zijn vrij van verlangen en hechten. Zij hebben inzicht. Zij hebben geen voorkeur en geen afkeer. En zij scheppen geen behagen in het theoretisch buiten de perken gaan. Zij zijn bevrijd van geboorte, ouderdom en dood; zijn bevrijd van pijn, leed, geweeklaag, verdriet en wanhoop. Zij zijn vrij van dukkha.


Er zijn vier soorten van hechten, namlijk hechten aan zinsgenot; hechten aan meningen, hechten aan regels en rituelen; hechten aan een leer van een zelf.71


Er zijn monniken en brahmanen die beweren de volledige doordringing van alle soorten van hechten te leren. Maar zij beschrijven die soorten van hechten niet volledig omdat zij ze niet overeenkomstig de werkelijkheid begrijpen.

Bij een dergelijke leer en discipline is het duidelijk dat het vertrouwen met betrekking tot de leraar en tot de Dhamma niet in de juiste richting gaat; dat de vervulling van de oefening van deugdzaamheid niet in de juiste richting gaat, en dat de toeneiging onder de metgezellen in de Dhamma niet in de juiste richting gaat. Want de leer en discipline is er slecht onderwezen, slecht uitgelegd. Ze voert niet naar bevrijding, naar vrede; ze is uitgelegd door iemand die niet volledig verlicht is.


Maar een Tathāgata, een volledig Ontwaakte beschrijft het volledige doordringen van alle soorten van hechten volledig. Hij beschrijft de volledige doordringing van hechten aan zinsgenot, van hechten aan meningen, van hechten aan regels en rituelen, en van hechten aan de leer van een zelf.

Bij een dergelijke leer en discipline is het duidelijk dat het vertrouwen met betrekking tot de leraar in de juiste richting gaat, en ook het vertrouwen in de Dhamma; dat de vervulling van de oefening van deugdzaamheid in de juiste richting gaat en dat de toeneiging onder de metgezellen in de Dhamma in de juiste richting gaat. Want Dhamma en discipline zijn goed verkondigd en goed uitgelegd, bevrijdend, naar vrede voerend, uitgelegd door iemand die volledig verlicht is.

[De Volmaakte is in staat alle hechten vanaf de basis uit te leggen]. Die vier soorten van hechten hebben verlangen (dorst) als oorsprong. Verlangen (dorst) heeft gevoel als oorsprong. Gevoel heeft contact, aanraking als oorsprong. Contact, aanraking heeft de zesvoudige basis van de zintuigen als oorsprong. De zesvoudige basis heeft naam en vorm als oorsprong. Naam en vorm heeft bewustzijn als oorsprong. Bewustzijn heeft formaties als oorsprong. Formaties hebben onwetendheid als oorsprong.


Wanneer onwetendheid overwonnen wordt en echt weten bij iemand ontstaat, dan hecht hij niet meer aan zinsgenot, dan hecht hij niet meer aan meningen, niet meer aan regels en rituelen, hecht niet meer aan de leer van een zelf. Wanneer hij niet meer aan iets hecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt dan dat geboorte ten einde is gebracht, dat het heilige leven geleefd is, dat gedaan is wat gedaan moest worden. Er is verder niets meer te doen.

De monniken verheugden zich over de woorden van de Boeddha.




M.12. (M.II.2). Mahāsīhanāda sutta

Een vroegere monnik beweerde dat de Boeddha geen volledige Verlichting bereikt had, alleen maar theoretische kennis had. De Boeddha sprak toen over zijn bovennatuurlijke krachten, over de tien krachten van een Boeddha, over vier soorten van zekerheid, acht soorten bijeenkomsten, vier soorten van wedergeboorte, de werelden van bestaan, Nibbana. De beoefening van pijnlijke ascese voert niet naar het doel.



M.12. (M.II.2) Mahāsīhanāda sutta.

Eens vertoefde de Verhevene te Vesāli, aan de rand van het bos. De Licchavi-prins Sunakkhatta was kort daarvoor uit de Orde getreden. Hij beweerde op de bijeenkomst van de mensen van Vesali dat de Boeddha Gotama geen bovenmenselijke toestanden bereikt had. Dat hij geen helderheid van weten en inzicht had welke de edelen waardig is. De Boeddha zou alleen theoretische kennis hebben, alles uitgedacht. En de Boeddha zou de Dhamma onderwijzen dat ze iemand die ze uitoefent, naar volledige vernietiging van Dukkha voert.72

De eerwaarde Sāriputta hoorde tijdens zijn aalmoezenrondgang wat die prins allemaal vertelde. Na zijn terugkeer ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat de prins vertelde. – “De prins is toornig, en daarom spreekt hij zo. Maar hij prijst mij want hij zegt dat het doel van mijn leer is naar volledige vernietiging van het lijden te voeren."

“Maar bij hem is geen idee van de waarheid; deze verkeerde geleide man zal nooit tot de conclusie komen: 'De Verhevene is volmaakt ontwaakt, volmaakt in weten en gedrag, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en mensen, hij is verheven en verlicht.'

"En hij zal nooit tot de conclusie komen: 'De Verhevene verheugt zich over de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten, namelijk van één vermenigvuldigt hij zich; en daarna wordt hij weer een; hij verschijnt en verdwijnt; hij gaat ongehinderd door een muur, een omheining, een berg, alsof hij zich door de vrije ruimte beweegt; hij duikt in de grond en weer eruit alsof het water was; hij loopt over het water zonder te zinken alsof het aarde was; hij reist in de lotuszit door de ruimte als een vogel; met de hand raakt hij maand en zon aan die zo krachtig en machtig zijn; hij heeft lichamelijke beheersing die zelfs tot de wereld van Brahmâ rijkt.'

"En hij zal nooit tot de conclusie komen: 'Met het hemelse oor dat gezuiverd is en dat het menselijke oor overtreft, hoort die Verhevene beide soorten van geluiden, de hemelse en de menselijke, de geluiden die veraf zijn net zo als de geluiden die nabij zijn.

En hij zal nooit tot de conclusie komen: ‘Dit is de Volmaakte die het gemoed van anderen kent. En die Verhevene omvat het hart van andere wezens, andere personen met zijn eigen hart. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door begeerte als door begeerte beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door begeerte beïnvloed is, als niet door begeerte beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door haat als door haat beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door haat beïnvloed is, als niet door haat beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door onwetendheid als door onwetendheid beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door onwetendheid beïnvloed is, als niet door onwetendheid beïnvloed. Hij begrijpt een geest die samengetrokken is als samengetrokken. En hij begrijpt een geest die afgeleid is, als afgeleid. Hij begrijpt een verheven geest als verheven; en een niet verheven geest als niet verheven. Hij begrijpt een overtrefbare geest als overtrefbaar; en een onovertrefbare geest als onovertrefbaar. Hij begrijpt een geconcentreerde geest als geconcentreerd; en een ongeconcentreerde geest als ongeconcentreerd. Hij begrijpt een bevrijde geest als bevrijd; en een onbevrijde geest als onbevrijd.'


(De tien krachten van een Tathāgata)


"De Tathāgata heeft de tien krachten van een Tathāgata, en omdat hij die bezit, maakt hij aanspraak op de plaats als aanvoerder van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten horen, en zet hij het wiel van de leer in beweging.73 Die tien krachten zijn:

(1) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.

(2) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de gevolgen van verrichte daden, vroegere, toekomstige en tegenwoordige, met de mogelijkheden en met de oorzaken.

(3) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wegen die naar alle bestemmingsoorden voeren.

(4) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wereld met haar vele en verschillende elementen.74

(5) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe de levende wezens verschillende neigingen hebben.

(6) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de aanleg van andere levende wezens, andere personen, tot hun vaardigheden.

(7) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het bevlekken, de reiniging en het opduiken met betrekking tot de jhanas, bevrijdingen, concentraties en bereikingstoestanden.75

(8) De Tathāgata herinnert zich aan zijn vele vroegere levens, d.w.z. aan één geboorte, twee geboorten, drie geboorten, vier geboorten, vijf geboorten, tien geboorten, twintig geboorten, dertig geboorten, veertig geboorten, vijftig geboorten, honderd geboorten, duizend geboorten, honderdduizend geboorten, veel aeonen waarin het universum zich samentrok, veel aeonen waarin het universum zich uitbreidde, veel aeonen waarin waarin het universum zich samentrok en uitbreidde. 'Daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heegegaan was, verscheen ik ergens anders weer. Ook daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heegegaan was, verscheen ik hier weer.'

(9) Met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, ziet de Tathāgata de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden: 'Die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest slecht hebben gedragen, die de edelen gesmaad hebben, die verkeerde visies hadden en die in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood in omstandigheden die door ontberingen bestempeld zijn, wedergeboren, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Maar die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest goed gedragen hebben, die de edelen niet gesmaad hebben, die juiste visies hadden en die in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood op een gelukkige plaats van bestemming wedergeboren, ja zelfs in de hemelse wereld.' Zo ziet hij met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden voortgaan.

(10) De Tathāgata treedt door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht, hier en nu, binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, die met de vernietiging van de neigingen neigingsvrij is, en hij vertoeft daarin.

De Tathāgata heeft deze tien krachten. En daarom maakt hij aanspraak op de plaats als aanvoerder van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul horen en zet hij het wiel der leer in beweging."


"Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen. Juist zoals een Bhikkhu, die deugdzaamheid, concentratie en wijsheid bezit, zich hier en nu zou verheugen over uiteindelijk inzicht,76 zo zal het ook in dit geval gebeuren, dat hij, wanneer hij die visie niet opgeeft, in de hel zal terecht komen.

 

(Vier soorten van zelfzekerheid, vertrouwen)


"Sāriputta, de Tathāgata heeft de volgende vier soorten van zelfzekerheid, en omdat hij die bezit maakt hij aanspraak op de plaats als leider van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul horen en zet hij het wiel der leer in beweging. Die vier soorten van zelfzekerheid zijn:

1) ik zie geen basis waarop mij iemand in de wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat ik niet volledig verlicht ben. Omdat ik geen basis daarvoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [De Volmaakte is volledig ontwaakt.]

2) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat ik de neigingen niet vernietigd heb. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [Hij heeft onwetendheid opgedroogd.]

3) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat de hindernissen die ik noem, niet in staat zijn iemand die erin verwikkeld is, te hinderen. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid.

4) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat wanneer ik iemand de Dhamma onderwijs, ze hem dan als hij de in praktijk brengt, niet naar de volledige vernietiging van dukkha voert. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [Niemand kan met recht mij afwijzen, mijn leer weerleggen, zoiets bestaat niet.]

Een Tathāgata heeft deze vier soorten van zelfzekerheid en daarom maakt hij aanspraak op de plaats als leider van de kudde."


"Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij kunnen zeggen: 'De monnik Gotama heeft geen enkele bovenmenselijke toestanden bereikt, heeft geen helderheid van het weten en van het inzicht dat de edelen waardig is. De monnik Gotama onderwijst een Dhamma die alleen met het verstand is uitgedacht, volgt zijn eigen overwegingen zoals het hem invalt.' Als iemand dat zou beweren en met dat gepraat en dat denken niet ophoudt, dan zal hij in de hel terecht komen.'

 

(De acht bijeenkomsten)


Er zijn acht bijeenkomsten: die van de krijgers; die van de priesters; die van de burgers; die van de asceten; die van de vier grote koningen (de goden van de vier streken); die van de goden van de Drieëndertig; die van de zinnelijke goden; en die van de heilige goden.

De Volmaakte gaat met vertrouwen onder die bijeenkomsten, vele honderden. En ik bleef er rustig, onverstoord, vol vertrouwen.


30. "Ik herinner me eraan dat ik vele honderden bijeenkomsten van edelen bezocht heb, vele honderden bijeenkomsten van brahmanen, vele honderden bijeenkomsten van gezinshoofden, vele honderden bijeenkomsten van monniken. Ik herinner me eraan dat ik vele honderden bijeenkomsten van wezens van de hemel van de Vier Grote Koningen bezocht heb, vele honderden bijeenkomsten van wezens van de hemel van de Drieëndertig, vele honderden bijeenkomsten van het gevolg van Mara, vele honderden bijeenkomsten van het gevolg van Brahma.

En al eerder heb ik met hen daar samen gezeten en met hen gesproken, mij met hen onderhouden. En toch zie ik geen reden ervoor dat men kan denken dat vrees en angst mij daar had kunnen overkomen. En omdat ik geen reden ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, vrij van angst en met zelfzekerheid."


"Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen."


(Vier soorten van ontstaan)


"Er zijn vier soorten schoten: die van het ei; die van het lichaam; die van de gisting (uit vochtigheid); en die van het spontane ontstaan.

Als een wezen de schaal van het ei doorbreekt en ter wereld komt, dat is de schoot van het ei.

Als een wezen uit een vruchtblaas komt, uit het lichaam ter wereld komt, dat noemt men de schoot van het lichaam.

De schoot van de gisting, van de vochtigheid is als een wezen in rottende vis of rotend vlees of in rot eten ter wereld komt, of in een poel of plas.

De schoot van spontaan ontstaan is die van hemelse wezens en van bewoners in de hel en bepaalde menselijke wezens en enige wezens in de lagere werelden."


"Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen."

 

(De vijf sferen van bestaan en Nibbāna)


Er zijn vijf sferen van bestaan: 1. de neerwaartse weg, de hel; 2. de dierlijke sfeer; 3. het geestenrijk; 4. het mensenrijk; 5. het rijk van de goden. – Al die sferen van bestaan ken ik, en de weg ernaar toe, en de daden die ernaar toe voeren.


Ik ken ook nibbana, de opheffing van onwetendheid, het pad ernaar toe, en het gedrag dat ernaar toe voert. Door opheffing van onwetendheid bereikt men nog in dit leven de bevrijding door wijsheid.

En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt hij zich, zo'n weg heeft hij genomen dat hij na de dood in verderf en onheil komt. Later zie ik hem dan met het hemelse oog hoe hij vervuld is van smartelijke, stekende, brandende gevoelens.

Of ik doorschouw en onderken: Aldus gedraagt iemand zich dat hij na de dood als dier wedergeboren wordt. Ook hij heeft smartelijke, stekende, brandende gevoelens.

En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt hij zich dat hij na de dood in de sfeer van de geesten komt. Met het hemelse oog zie ik hem dan later als geest, met veel smartelijke gevoelens.

En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt ihij zich dat hij na de dood als mens wedergeboren wordt. Met het hemelse oog zie ik hem dan later hoe hij als mens veel goede gevoelens heeft.

En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand: Aldus gedraagt hij zich dat hij na de dood in oorden van hemelse vreugde komt.

En verder doorschouw en onderken ik het gemoed van iemand aldus: “Zodanig handelt die persoon dat hij na verdwijnen van de waan de waanloze bevrijding van het gemoed verwerkelijkt en de bevrijding door wijsheid. Hij is enkel van zalige gevoelens vervuld.


Dat zijn de vijf sferen van bestaan. En wie zegt dat de Verhevene niet het bovennatuurlijke heil van helderheid van weten heeft, dat de Boeddha een zelf uitgedachte leer verkondigt, wie dat zegt en er geen spijt van heeft, die gaat de neerwaartse weg."


(De ascetische oefeningen die de Bodhisatta uitoefende)


"Sāriputta, ik herinner me een heilig leven geleid te hebben dat vier factoren had. Ik heb ascese uitgeoefend, het uiterste aan ascese. Ik heb ruwheid uitgeoefend, het uiterste aan ruwheid. Ik heb vermijding uitgeoefend, het uiterste aan vermijding. Ik heb teruggetrokkenheid uitgeoefend, het uiterste aan teruggetrokkenheid."


Ik was een onbeklede, een ongebondene, iemand die uit de hand at, geen aankomende en geen afwachtende. Ik duldde geen aanreiking, geen gunsten, geen uitnodiging. Ik keek bij het ontvangen van de aalmoezen niet naar de pot, niet naar de schotel, niet naar de deuringang, keek niet over het hekwerk, niet in de ketel. Ik nam niets aan van lieden die met z’n tweeën eten, niets van een zwangere, niets van een zogende, niets van een vrouw die van de man komt, niets van bevuilden, niets waar een hond bij staat, niets waar vliegen heen en weer zwermen. Ik at geen vis, geen vlees, dronk geen wijn, geen brandewijn, at geen gegiste haverbrei.

Ik ging naar één huis en had genoeg aan één handvol eten. Ik ging naar twee huizen en had genoeg aan twee keer een handvol eten. Ik ging naar zeven huizen en had genoeg aan zeven keer een handvol eten. Ik hield me in leven door de milddadigheid van slechts één geefster, van slechts twee geefsters, van slechts zeven geefsters. Ik at slechts iedere eerste dag, slechts iedere tweede dag, slechts iedere zevende dag. Zo wisselde ik af en beschouwde streng deze vastenoefening die tot een halve maand zich uitstrekte.

En ik leefde van kruiden en paddenstoelen, van wilde rijst en graan, van zaad en pitten, van plantenmelk en boomhars, van grassen, van koeienmest. Ik hield me in leven met wortels en bosvruchten. Ik leefde van afgevallen vruchten.

En ik droeg het hemd van hennep, het boetekleed, droeg een gewaad genaaid uit lompen die op het lijkenveld of op straat gevonden waren. Ik hulde me in lompen, in vellen, in huiden, omgordde mij met vlechten uit gras, met vlechten uit boomschors, met vlechten uit loof. Ik verborg mijn naaktheid onder een schort van pels, een borstelige schort, onder een uilenvleugel.

En ik rukte hoofd- en baardharen uit. Ik was iemand die steeds bleef staan en die niet ging zitten of liggen. Ik zat op mijn hielen. Ik legde me op de zijkant op een doornen bed. Elke avond daalde ik af voor de derde keer in het boetelingenbad. Zo oefende ik veelvuldig in de ascese van lichamelijke pijn.

En vele jaren lang liet ik stof en vuil zich ophopen op het lichaam, tot het vanzelf afviel. En ik had niet het verlangen die laag van stof en vuil af te wassen.

En ik oefende weemoed. Elke schrede was begeleid van helder bewustzijn. Zelfs een druppel water wekte medelijden in mij op. “Dat ik het kleine verdwaalde wezen toch geen schade toebreng.”

En ik leerde het vertrekken. Ik ging in een bos en bleef er. Als ik dan een koeienherder of een veedrijver zag, of een kruidenzoeker en houtsprokkelaar of een houthakker, dan vluchtte ik van woud naar woud, van bos naar bos, van dal naar dal, van berg naar berg. De reden: zij zouden mij niet zien en ik wilde hen niet zien.

En ik ging naar de kudden, naar de vastgebonden koeien en verzamelde in mijn aarden nap mest van de jonge zogende kalveren en daarvan leefde ik. En ik at en dronk ook mijn eigen uitwerpselen en urine.

En ik ging in een ander verschrikkelijk bos om er te vertoeven. En daar heerste zo'n ontzetting dat bij iedere onheilige zwerver daar de haren te berge gingen staan. En tijdens de koude ijskoude nachten in de winter, tijdens de vorst, verbleef ik ‘s nachts op een open plek en overdag in het struikgewas. In de zomer, tijdens de hitte, verbleef ik overdag op een open plek en ‘s nachts in het struikgewas.

En ik ging naar een lijkenplaats en ging er liggen op een hoop vergane gebeenten.

Kinderen van herders kwamen naar me toe, spuwden op me en urineerden op me, wierpen rotzooi naar me en peuterden met spitse halmen in mijn oren. Maar er kwam geen boze gedachte in mij op. Dat is mijn gelijkmoedigheid geweest.


Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. Zij sporen aan om van steenappels te leven. Zij eten steenappels, drinken het sap ervan, genieten allerlei gerechten gemaakt van steenappels. Ik at slechts één steenappel per dag. En mijn lichaam werd buitengewoon mager.

Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. En zij sporen aan om bonen te eten, om van sesam te leven, om van rijst te leven. Zij verteren rijst, eten rijstebrij, drinken rijstwater, genieten allerlei gerechten uit rijst. Ik at dagelijks slechts één rijstkorrel. En mijn lichaam werd buitengewoon mager.

Mijn armen en benen werden zoals dor verwelkt riet door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn zitvlak werd als de hoef van een kameel, mijn ruggegraat met de vooruit- en achteruit stekende wervels werd als een ketting van kogels, door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn ribben hieven zich vierkantig af zoals de daksparren van een oud huis. In mijn oogkassen verschenen de diepliggende oogsterren klein, door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn hoofdhuid werd hol en schrompelig erdoor. En toen ik het vel van de buik wilde voelen, raakte ik de ruggegraat aan. En toen ik de ruggegraat wilde betasten, raakte ik het vel van de buik aan. En dat kwam door die uiterst geringe opname van voedsel. En ik wilde ontlasting maken en urineren maar viel voorover door de uiterst geringe opname van voedsel. Om het lichaam te sterken wreef ik mijn ledematen met de hand. Daarbij vielen de lichaamsharen uit die aan de wortel rot waren, door die uiterst geringe opname van voedsel.

En ook deze manier van ascese bracht mij niet dichter bij het bovenaardse heil van het heldere weten. En wel omdat ik de heilige wijsheid niet verworven had.

Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat de kringloop zuivert. Maar de kringloop is helemaal geen gemakkelijke, die ik op deze lange tocht nergens gevonden heb zoals bv bij de zuivere goden.

Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat de geboorte zuivert. Maar de geboorte is helemaal geen gemakkelijke, die ik op deze lange tocht nergens gevonden heb zoals bv bij de zuivere goden.

Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het leven zuivert, of dat de gave zuivert, of dat het vuuroffer zuivert.

Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten: "Zolang men fris en krachtig is, met glanzend haar, in het genot van de gelukkige jeugd, in de eerste mannenleeftijd, zolang bezit men ook de hoogste geesteskrachten. Maar is men oud en grijs geworden, als het einde nadert, als men 80 of 90 of 100 jaren oud is, dan verdwijnen ook de geesteskrachten." Maar dit is niet algemeen geldig. Sariputta, ik ben nu oud geworden, ben al 80 jaren. Stel nu dat ik vier discipelen had die 100 jaar oud zouden worden, deugdzaam en sterk, begiftigd met de hoogste geesteskrachten. Als die mij vraag na vraag stelden, van de vier pijlers van inzicht, en ik zou hen uitleg na uitleg geven, en als zij dan onthielden wat ik uitlegde en zij stelden geen vraag een tweede keer, alleen rustend tijdens het eten en drinken, bij het urineren en zich ontlasten, en tijdens de slaap. Dan bleef het getuigenis van de waarheid van de Volmaakte onuitgevoerd, want die vier discipelen zouden eerder sterven. De geesteskracht van de Volmaakte zal onveranderd zijn.

Terecht kan iemand van mij zeggen: "Een waanloos wezen is in de wereld verschenen, tot welzijn en heil van velen, uit mededogen met de wereld, tot heil voor goden en mensen."


Nu stond bij die gelegenheid de eerwaarde Nāgasamāla achter de Verhevene om hem lucht toe te waaieren. Hij zei tot de Verhevene dat hij kippenvel had gekregen bij het luisteren naar die leerrede. De Verhevene zei dat hij die leerrede dan moest onthouden als de kippenvel-leerrede. De eerwaarde Nāgasamāla was tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.


(Zie ook M.II.24)




M.13. (M.II.3) Mahādukkhakkhandha sutta

Te Sāvatthi. Lange toespraak over onvoldaanheid, lijden. Naakte asceten beweerden dat zij hetzelfde pad volgden als de Boeddha, en dat zij dezelfde leer onderwezen. Zij beweerden dat er geen enkelvoudigheid, geen uniek iets was in de leer van de Boeddha. De Verhevene legde toen de belangrijkste punten van zijn leer uit.77

Hij legde aan de monniken uit wat de genoegens van de zinnen zijn, welke fouten en gevaren ze hebben en hoe zij eraan kunnen ontkomen. Hij sprak over begeerte en de overwinning ervan, en ook over de jhanas.78



M.13. (M.II.3) Mahādukkhakkhandha sutta.

Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. Veel monniken gingen toen met buitengewaad en nap op weg naar de stad om er aalmoezen te vergaren. Maar onderweg dachten zij dat het te vroeg was voor aalmoezen. Daarom gingen zij naar de parken waar andersdenkende pelgrims woonden. De andersdenkenden zeiden dat de asceet Gotama de begeerte, het lichamelijke, het gevoel onderzocht en dat zij dat ook deden. Graag wilden zij over de verschillen in opvatting daarover praten.

De monniken gingen toen van de andersdenkenden weg en dachten dat de Boeddha hen dat wel zou uitleggen.


Zij gingen naar Savatthi van huis tot huis voor aalmoezen, keerden terug en aten de maaltijd. Daarna gingen zij naar de Verhevene toe, groetten hem eerbiedig en gingen terzijde neerzitten. Zij vertelden wat er gebeurd was. De Boeddha zei daarop dat zij als volgt hadden kunnen antwoorden:


"Wat is lafenis van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? Wat is de ellende van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? Wat is de overwinning van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? De andersdenkenden hadden die vragen niet kunnen beantwoorden. Alleen de Volmaakte of een discipel van de Volmaakte kan dat uitleggen.


Wat is lafenis van het begeren? Er zijn vijf soorten van begeren, namelijk (1) de door het gezichtsvermogen in het bewustzijn tredende vormen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (2) De door het gehoor in het bewustzijn tredende geluiden, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (3) De door het reukorgaan in het bewustzijn tredende geuren, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (4) De door de smaak in het bewustzijn tredende sappen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (5) De door de tastzin in het bewustzijn tredende aanrakingen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam.

Monniken, dat zijn de vijf soorten van begeren. Wat goed en gewenst is daarvan, dat is lafenis van het begeren.


Wat is de ellende van het begeren? Iemand verdient zijn levensonderhoud met het een of andere beroep. Hij moet er hitte of koude verduren, zon en wind trotseren, muggen, wespen en kruipende insecten hinderen hem, honger en dorst kwellen hem. Dat is de ellende van het begeren.

Als die persoon die zich op die manier moeite doet, geen rijkdom verwerft, dan wordt hij terneergeslagen, depressief. Hij klaagt en wordt wanhopig. 'Tevergeefs is mijn streven; mijn moeite is voor niets.' Dat is de ellende van het begeren.

Wanneer die persoon tot rijkdom komt, dan heeft hij zorgen om die rijkdom te behouden. Dat de bezittingen toch niet in beslag genomen worden, of gestolen worden, door vuur verbrand of door water verwoest worden. En als die laatste dingen toch gebeuren, dat wordt hij terneergeslagen en wanhopig. 'Ik heb geen bezit meer.' Dat is de ellende van begeren.

Door begeerte is er ruzie tussen koningen, vorsten, priesters en burgers. Door begeerte is er ruzie tussen ouders en kinderen, is er ruzie tussen zonen en dochters onderling, en tussen vrienden. Oorlog, ruzie, twist, dat is de ellende van het begeren.

Door begeerte gedreven worden verdragen gebroken, steelt men goederen van anderen, wordt er bedrogen en is er echtbreuk. Er worden dan straffen uitgedeeld. Dat is de ellende van begeren.

Uit begeerte wordt er onrecht aangedaan. Zo geraakt men op de neerwaartse weg, in het onheil. Dat is de ellende van begeren.


En wat is de overwinning van begeren? Het is de ontkenning van de prikkel van de wil, de verloochening ervan.


Wat is lafenis van het lichamelijke? Schoonheid van het lichaam is lafenis van het lichamelijke. Het verdwijnen van de schoonheid van het lichaam, dat is de ellende van het lichamelijke. Het sterven van iemand, dat is de ellende van het lichamelijke.


Wat is lafenis van de gevoelens? Iemand verkrijgt het eerste niveau van de meditatieve verdiepingen, ver van begeerte, ver van onheilzame dingen, in nadenkende uit rust geboren zalige vreugde. Hij is dan niet afhankelijk van zichzelf noch van anderen. Hij ondervindt een gevoel van onafhankelijkheid. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

Verder verkrijgt een monnik de innerlijke stilte van de zee, de eenheid van het gemoed, die vrij is van nadenken, in de zalige vreugde geboren in concentratie, de 2e jhana. Tijdens die 2e jhana is hij noch van zichzelf afhankelijk noch van anderen. Hij ondervindt een gevoel van onafhankelijkheid. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

Verder vertoeft een monnik in vreugdevolle rust gelijkmoedig, met inzicht, helder bewust. Hij ondervindt in het lichaam een geluk. Hij vertoeft in de 3e jhana, Hij is dan niet van zichzelf afhankelijk noch van anderen. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

Verder, na verwerping van de vreugde en het lijden, na vernietiging van de vroegere blijdschap en droefheid, verkrijgt een monnik de leedloze, vreugdeloze, gelijkmoedige 4e jhana, gelijkmoedig en met inzicht, de volkomen zuivere. Hij is dan niet van zichzelf afhankelijk noch van anderen Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.


En wat is de ellende van de gevoelens? Wat er bestaat aan vergankelijk, smartelijk, wisselend gevoelen, dat is de ellende van de gevoelens.


En wat is de overwinning van gevoelens? Wat er bestaat aan ontkenning van de prikkel van de wil, verloochening van de willensprikkel, dat is de overwinning van gevoelens.





M.14. (M.II.4) Cūladukkhakkhandha sutta

Korte toespraak van de Boeddha tot de Sakya-vorst Mahanama over onvoldaanheid, lijden. De wortels van alle lijden in de wereld bestaan in begeerte naar zinnelijk genot, in een ten prooi vallen aan de verleidingen van wereldse genietingen.

De Boeddha vroeg daarna aan Nigantha asceten waarom zij ascese beoefenden. Zij gaven ten antwoord dat hun leider had gezegd dat zij boete moesten doen voor hun fouten in het verleden. Door die boete zou er een einde komen aan hun lijden. De Boeddha vroeg toen of zij voorheen bestaan hadden of niet. Zij wisten het niet; en zij wisten niet welke slechte daad zij begaan hadden. Zij wisten ook niet of een deel van het lijden al overwonnen was en een ander deel nog niet. Zij wisten niet hoe zij in dit leven het juiste moesten doen. De asceten zeiden dat Bimbisara, de koning van Magadha, gelukkiger was dan de Boeddha. De Verhevene antwoordde toen dat de koning niet gelukkig was als hij een dag en een nacht zonder lichamelijke beweging en zonder een woord te zeggen moest doorbrengen. Maar de Verhevene kon dat wel, kon 2, 3, 4, 5, 6, 7 dagen roerloos blijven en geen woord zeggen en toch heel gelukkig zijn.

Geluk wordt niet door pijn verkregen, maar door innerlijke vrede.



M.14. (M.II.4) Cūladukkhakkhandha sutta

Eens vertoefde de Verhevene in het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Sakya-vorst Mahānāma bezocht toen de Verhevene en zei: "Eerwaarde heer, ik heb de leer van de Verhevene als volgt begrepen: begeerte is een smet van de geest, haat is een smet van de geest, onwetendheid is een smet van de geest. Toch dringen die smetten van de geest herhaaldelijk in mijn geest. Welk ding in mij is er dat mij ertoe brengt soms door begeerte, soms door afkeer en soms door onwetendheid beïnvloed te worden?" Ik vraag me af welke geestestoestand door mij nog niet is opgegeven en schuld eraan is dat soms mijn geest door begeerte, soms door afkeer en soms door onwetendheid beïnvloed is."79

De Boeddha gaf ten antwoord dat een bepaalde geestestoestand door Mahānāma nog steeds niet was opgegeven.

"Onbevredigend zijn begeerten, vol leed, vol kwalen, de ellende overweegt. Zelfs als de heilige discipel deze zin overeenkomstig de waarheid met volkomen wijsheid heeft ingezien, maar als hij buiten de begeerte, buiten het onheilzame geen gelukzaligheid en niets beters80 heeft verwerkelijkt, dan danst hij nog om de begeerte heen. Maar zodra de heilige discipel die zin heeft ingezien en hij vindt buiten de begeerten, buiten het onheilzame gelukzaligheid en iets beters, dan danst hij niet meer om de begeerte heen.

Ook ik had voor de Volmaakte Verlichting ingezien dat begeerten onbevredigend zijn en dat een groot gevaar erin zit.81 Maar ik vond toen buiten de begeerten, buiten het onheilzame geen gelukzaligheid en niets beters. Ik bleef dus om de begeerte heen dansen. Maar toen ik die zin met volkomen wijsheid ingezien had en buiten de begeerten, buiten het slechte gelukzaligheid gevonden had en iets beters, toen besefte ik dat ik niet meer om de begeerten heen danste.


Wat nu is bevrediging van begeerte? Er zijn vijf soorten van begeren, namelijk: (1) Vormen die door het visuele orgaan in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (2) Geluiden die door het gehoor in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (3) Geuren die door de reuk in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (4) Sappen die door de smaak in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (5) Aanrakingen die door de tastzin in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. Wat er bestaat aan goede en gewenste dingen volgens die vijf soorten begeren, dat is bevrediging van begeerte.


Wat is ellende van het begeren? Iemand voorziet in zijn levensonderhoud door een baan. Hij is onderhevig aan hitte, koude, zon en wind. Muggen en wespen en kruipende insecten plagen hem. Honger en dorst lijdt hij. Dat is de ellende van het begeren, door begeerte ontstaan.

Als hij met zijn moeite geen rijkdom verkrijgt, dan wordt hij naargeestig en verdrietig, wanhopig. Hij denkt: ‘Tevergeefs is mijn streven, mijn moeite heeft geen doel.’ Dat is de ellende van het begeren.

Als hij wel tot rijkdom komt, plaagt hem de pijn om die rijkdom te behouden. Dat is de ellende van het begeren.

Door begeerte gedreven ontstaan ruzie, oorlog, twist, strijd.

Door begeerte gedreven wordt er gedood, worden verdragen verbroken, wordt gestolen en bedrogen, wordt echtbreuk gepleegd.

Door begeerte gedreven gaan zij de weg van het onrecht. Na de dood komen zij op het neerwaartse pad, dat tot onheil voert.


Eens vertoefde ik te Rājagaha in het gebergte, aan de Gierepiek. Veel vrije broeders82 woonden toen op de helling van de Zienerheuvel (Isigili) en beoefenden er de ascese van steeds blijven staan. Zij gingen niet zitten of liggen. Pijnlijke, smartelijke gevoelens kwamen over hen. Op een avond ging ik naar hen toe en vroeg waarom zij die ascese van steeds blijven staan uitoefenden. Zij gaven ten antwoord: “Onze leider Nāthaputta weet alles. Hij heeft steeds de volledige duidelijkheid van kennis." Hij zei tegen ons dat wij vroeger slechte dingen gedaan hebben. Daarom moeten wij nu boete doen door deze vorm van ascese. Door boetedoening en vermijding van nieuwe daden komt er uiteindelijk een einde aan lijden."

Toen vroeg ik aan die asceten of zij voorheen bestaan hadden of niet. Zij wisten het niet. Zij wisten niet of zij voordien kwaad gedaan hadden. Zij wisten niet welke slechte daad zij begaan hadden. Zij wisten niet of een deel van het lijden (al) overwonnen was en een ander deel nog niet. Zij wisten niet hoe zij in dit leven het verkeerde moesten ontkennen en hoe zij het juiste moesten doen. De asceten zeiden ook dat de koning van Magadha gelukkiger was dan de monnik Gotama. De Verhevene antwoordde toen dat de koning niet gelukkig was als hij een dag en een nacht zonder lichamelijke beweging en zonder een woord te zeggen moest doorbrengen. Maar de Verhevene kon dat wel, kon 2, 3, 4, 5, 6, 7 dagen roerloos blijven en geen woord zeggen en toch heel gelukkig zijn.




M.15. (M.II.5) Anumāna sutta

Te Susumāragira in het land Bhagga. Preek door de eerwaarde Moggallāna over de waarde van zelfonderzoek. De monniken wordt aangeraden zichzelf te onderzoeken en zich van 16 soorten stijfkoppigheid te bevrijden.

Een slechte monnik is boosaardig en volgt slechte neigingen. Hij is een opschepper, is toornig en verontwaardigd jegens anderen. Hij wil niet luisteren naar goed advies. Hij dwaalt van het onderwerp af. Een goede monnik daarentegen is bedachtzaam, gedwee en vol respect.

Men moet voortdurend zichzelf onderzoeken en wegen wat men waard is. En als men een fout bij zichzelf ontdekt, dan moet men zich inspannen om ervan bevrijd te worden.



M.15. (M.II.5) Anumāna sutta.

Eens vertoefde de eerwaarde Mahāmoggallāna in het land Bhagga, bij de stad Sumsumāragira, in het Bhesakalā-bos. Hij sprak er de monniken als volgt toe:

"Als een monnik vraagt dat andere monniken hem moeten waarschuwen en het is twijfelachtig met hem, als hij ongeduldig is en een lering onbetamelijk opneemt, dan kunnen de medemonniken hem nauwelijks een waarschuwing of lering waard achten, kunnen hem geen vertrouwde omgang waard achten.

Hoe is het twijfelachtig met hem ? Wel, een monnik is boosaardig en volgt slechte neigingen. Hij is een opschepper en veracht de anderen. Hij is toornig; vijandig gezind; hij vloekt, scheldt. Hij gaat tekeer tegen degene die hem vermaant. Hij beledigt hem; hij spreekt hem tegen. Hij voert degene die hem vermaant, van het ene naar het andere [thema], hij dwaalt van het onderwerp af en toont ontevredenheid, afkeer en wantrouwen. Na de vermaning geeft hij zijn fouten niet toe. Hij is huichelachtig en afgunstig, Hij is verontwaardigd en egoïstisch. Hij is listig en gluiperig. Hij is koppig en ijdel. Hij hecht alleen aan eigen meningen, houdt stevig eraan vast en geeft ze alleen onder moeilijkheden op.


Maar vraagt een monnik niet dat zijn medemonniken hem moeten waarschuwen en als hij geen twijfelgeval is, als hij geduldig is en de lering passend aanneemt, dan kunnen de medemonniken hem wel een waarschuwing of lering waard achten, kunnen hem een vertrouwde omgang waard achten.

Welke dingen zijn gunstig voor een monnik? Wel, een monnik is niet boosaardig en volgt niet de slechte neigingen. Hij is geen opschepper en veracht de anderen niet. Hij is niet toornig; is niet vijandig gezind; hij vloekt niet, scheldt niet. Hij gaat niet tekeer tegen degene die hem vermaant. Hij beledigt hem niet; hij spreekt hem niet tegen. Hij voert degene die hem vermaant niet van het ene naar het andere [thema], hij dwaalt niet van het onderwerp af en toont geen ontevredenheid, afkeer en wantrouwen. Na de vermaning geeft hij zijn fouten toe. Hij is vrij van huichelarij en afgunst. Hij is vrij van verontwaardiging en egöisme. Hij is vrij van list en gluiperigheid. Hij is niet koppig en niet ijdel. Hij hecht niet aan eigen meningen, houdt niet stevig eraan vast en geeft ze gemakkelijk op.

Een monnik moet zich met de volgende maat meten: "Iemand die kwaadaardig is en die slechte neigingen navolgt, die is mij niet aangenaam, is mij niet sympathiek. Als ik zelf mij zo zou gedragen, zou ik anderen onaangenaam en onsympathiek worden. Daarom zal ik niet kwaadaardig zijn, zal ik geen slechte neigingen navolgen. Ik zal niet opscheppen en anderen niet verachten. Ik zal niet toornig zijn. Ik zal niet vijandig gezind zijn. Ik zal niet vloeken. Ik zal niet schelden. Ik zal niet te keer gaan tegen degene die mij vermaant. Ik zal hem niet beledigen, zal hem niet tegenspreken. Ik zal degene die mij vermaant niet van het ene naar het andere [thema] slepen; ik zal niet van onderwerp afdwalen. Ik zal geen ontevredenheid, afkeer en wantrouwen tonen. Ik zal mijn fouten toegeven. Ik zal niet huichelachtig en niet jaloers zijn. Ik zal niet verontwaardigd en egoïstisch zijn. Ik zal niet listig en niet gluiperig zijn. Ik zal niet koppig en niet ijdel zijn. Ik zal niet aan eigen meningen hechten, zal niet eraan vasthouden en zal ze gemakkelijk opgeven.

Een monnik moet zich op de voorgaande punten zelf onderzoeken. En als hij een fout ontdekt, dan moet hij zich inspannen om ervan bevrijd te worden."




M.16. (M.II.6) Cetokhila sutta

Over de vijf geestelijke boeien: (1) twijfel over de Boeddha; (2) twijfel over de Dhamma; (3) twijfel over de Sangha; (4) twijfel over de oefening; (5) onvriendelijkheid jegens medevolgelingen. Verder vijf andere boeien: gehechtheid aan zinnelijke verlangens, gehechtheid aan het lichaam, gehechtheid aan vorm [materiële objecten], onmatigheid in eten en drinken, monnik of non worden enkel om in een hemelse sfeer van bestaan wedergeboren te worden.

Wie deze boeien heeft overwonnen, die kan in de Dhamma tot groei, toename en vervulling komen.

Hij ontplooit denken en inspanning, energie en vastbeslotenheid, concentratie, onderzoek en enthousiasme. Hij is in staat om Nibbāna te verwerkelijken.



M.16. (M.II.6) Cetokhila sutta.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het park van Anāthapindika. Hij sprak er de monniken toe.

“Wie de vijf hindernissen van het gemoed niet heeft overwonnen en wie de vijf boeien van het gemoed niet heeft doorgesneden, die kan in deze Orde niet tot ontplooiing van de waarheid, tot rijpheid (bloei) en ontplooiing ervan komen.

Wat zijn die vijf hindernissen van het gemoed? (1) Een monnik twijfelt aan de Meester, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (2) Hij twijfelt aan de leer, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (3) Hij twijfelt aan de Orde, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (4) Hij twijfelt aan de orde-regel (discipline). Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (5) Hij ergert zich over zijn medemonniken, is terneergeslagen en heeft het benauwd. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.


Wat zijn de vijf boeien van het hart? (1) Een monnik heeft zich bij het willen niet bevrijd van begeerte, verlangen, lust, koorts, dorst. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(2) Een monnik heeft zich bij het voelen niet bevrijd van verlangen. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(3) Een monnik heeft zich bij het zien niet bevrijd van begeerte. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(4) Een monnik heeft bij de maaltijd te veel gegeten. Hij gaat daarom behaaglijk zitten, behaaglijk liggen, behaaglijk slapen. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(5) Een monnik voert het heilige leven met de bedoeling een godheid te worden. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.


Monniken, wie van jullie de vijf hindernissen van het gemoed wel heeft overwonnen en de vijf boeien van het gemoed heeft doorgesneden, die kan wel in deze Orde tot ontplooiing en bloei van de waarheid komen.

(1) Hij twijfelt niet aan de Meester. Hij heeft vertrouwen en sympathie.

(2) Hij twijfelt niet aan de leer.

(3) Hij twijfelt niet aan de Orde.

(4) Hij twijfelt niet aan de orde-regels.

(5) Hij ergert zich niet over zijn medemonniken, is niet terneergeslagen en heeft het niet benauwd.

Verder:

(1-3) Een monnik heeft zich bevrijd van begeerte bij het willen, bij het voelen en bij het zien.

(4) Hij heeft bij de maaltijd niet te veel gegeten. Hij gaat niet behaaglijk zitten, liggen of slapen. Zijn gemoed is geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(5) Hij leidt het heilige leven niet met de bedoeling een godheid te worden.


Hij verkrijgt het machtgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van de wil verworven wordt, verkrijgt het machtgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van kracht verkregen wordt, verkrijgt het machtgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van het gemoed verkregen wordt, verkrijgt het machtgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van onderzoek verkregen wordt. Hij verkrijgt heldenmoed. Hij is in staat om door te breken, is in staat tot ontwaking, tot volledige zekerheid.




M.17. (M.II.7) Vanapattha sutta.

Te Savatthi. Over de voor- en nadelen van het leven in het woud. Een plek die niet gunstig is voor geestelijke noch voor lichamelijke ontwikkeling moet opgegeven worden. Een plek die gunstig is voor geestelijke ontwikkeling, maar minder gunstig voor materiële steun, moet men behouden. En wanneer de voorwaarden gunstig zijn zowel voor geestelijke ontwikkeling als voor materiële steun, dan moet een monnik op die plek blijven zijn hele leven lang. En als hij bij iemand leeft wiens gezelschap gunstig is voor geestelijke ontwikkeling en voor materiële steun, dan moet een monnik bij hem blijven zijn hele leven lang.

Kortom, als een monnik ergens leeft onder omstandigheden of bij personen die ongunstig zijn voor verdere ontwikkeling, dan moet hij er weggaan. En als hij leeft onder omstandigheden of bij personen die gunstig zijn voor verdere ontwikkeling, dan moet hij er blijven.83




M.17. (M.II.7) Vanapattha sutta


Te Savatthi, in het park van Anāthapindika. Uitleg van woudeenzaamheid.


1) Een monnik leeft in woudeenzaamheid. Hij heeft er geen inzicht, hij kan zich niet concentreren, de waan verdwijnt niet. Hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid niet. Wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij ternauwernood. Hij moet dan ook die woudeenzaamheid verlaten, moet er niet blijven.

2) Een monnik leeft in een andere woudeenzaamheid. Hij heeft er geen inzicht, hij kan zich niet concentreren, de waan verdwijnt niet. Hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid niet. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Hij moet dan overwegen dat hij de woudeenzaamheid niet leeft voor kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte. Ook hij moet na enige tijd die woudeenzaamheid verlaten, moet er niet blijven.

3) Een monnik leeft in een woudeenzaamheid. Hij heeft er eerst geen inzicht, maar later krijgt hij inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Deze monnik moet een tijd in die woudeenzaamheid blijven, moet er niet weggaan.

4) Een monnik leeft in een andere woudeenzaamheid. Hij verkrijgt er inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. En wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet in die woudeenzaamheid blijven, moet er niet weggaan.

5) Een monnik leeft in de omgeving van een dorp of burcht of stad, in het een of andere land, in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij krijgt er geen inzicht, het gemoed wordt niet geconcentreerd, de waan verdwijnt niet en hij bereikt niet de onvergelijkbare zekerheid. Wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Die monnik moet niet bij die persoon blijven maar hem zonder afscheid verlaten.

6) Een monnik leeft in het gezelschap van een andere persoon. Hij krijgt er geen inzicht, het gemoed wordt niet geconcentreerd, de waan verdwijnt niet en hij bereikt niet de onvergelijkbare zekerheid. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet na enige tijd die persoon zonder afscheid verlaten. Hij moet er niet blijven.

7) Een monnik leeft in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij verkrijgt er inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. En wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Die monnik moet een tijd bij die persoon blijven, moet er niet weggaan.

8) Een monnik leeft in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij verkrijgt inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. Wat een asceet nodig heeft krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet zijn leven lang bij die persoon blijven en niet weggaan als hij niet weggejaagd wordt.



M.18. (M.II.8) Madhupindika sutta

Nabij Kapilavatthu. De Sakya-prins Dandapāni vraagt aan de Boeddha welke leer hij onderwijst. De Verhevene geeft ten antwoord dat hij onderwijst dat de volmaakte heilige door niets uit zijn doen geraakt, geen vragen meer stelt en niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. De prins begreep het niet en vertrok.

Later vroeg een monnik nadere uitleg. De Verhevene zei: Als men iets waarneemt en er geen behagen in schept, er niet aan hecht, dat is het einde van begeerte, afkeer, onwetendheid, het einde van twijfel; daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.

De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Maha Kaccāna en vroegen hem de korte toespraak nader uit te leggen. Diens uitleg was als volgt: Door contact van de zintuigen met zintuiglijke objecten (vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten) ontstaat bewustzijn, aanraking, gevoel, waarneming, onderscheid. Als de zintuigen, zintuiglijke objecten en bijhorend bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming en geen onderscheid.

De eerwaarde Mahā Kaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahā Kaccāna onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāno voor diens wijsheid en keurde alles goed.




M.18. (M.II.8) Madhupindika sutta


In het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Verhevene ging er naar de stad om aalmoezen te vergaren. Hij ging van huis tot huis, kreeg aalmoezen en keerde weer naar het park terug. Hij at de maaltijd en ging naar het Grote Bos. Binnen in dat bos ging hij onder een groep van citroenappelbomen zitten om er de dag tot aan de zonsondergang door te brengen.

De Sakka-prins Dandapāni wandelde ook naar dat bos en kwam tot bij de Verhevene. Hij groette hem vriendelijk en vroeg wat de asceet onderwees. “Ik verkondig dat de bekenner in deze wereld door niets uit zijn doen geraakt, en dat de heilige die geen vragen meer stelt, die elke ontstemming vernietigd heeft, niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. Waarnemingen hechten niet meer aan hem. Dat verkondig ik."

Met gefronste wenkbrauwen ging de prins weg.


’s Avonds keerde de Verhevene na de meditatie naar het park van de vijgenbomen terug. Hij vertelde er aan de monniken wat er gebeurd was. Een monnik vroeg nadere uitleg.


De Boeddha: “Als de waarnemingen bij iemand verschijnen en als hij er geen behagen in schept, als ze niet meer aan hem hechten, dat is het einde van hechten van begeerte, is het einde van hechten van afkeer, is het einde van hechten van meningen, is het einde van hechten van twijfel, waan, bestaan, niet-weten, tekeergaan en bloedvergieten, oorlog en tweedracht, ruzie en strijd, liegen en bedriegen. Daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.” Na deze woorden vertrok hij.


De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Mahākaccāna en vroegen hem de inhoud van die korte lering nader uit te leggen. De eerwaarde Mahākaccāna legde de lering toen als volgt uit.

"Door het gezichtsorgaan en de vormen ontstaat het zien-bewustzijn. Door samenkomst van die drie ontstaat aanraking. Door aanraking ontstaat gevoel. Door gevoel ontstaat waarneming. Wat men waarneemt, daarover denkt men na. Men maakt onderscheid. En dan volgt afzondering. Wat men afzondert, verschijnt aan de mens als waarnemingen van bijzonderheid die betrekking hebben op vormen van vroegere, tegenwoordige en toekomstige tijden, welke vormen door het zien-bewustzijn waarneembaar zijn.


Evenzo met gehoor – geluiden – hoorbewustzijn. Evenzo met reukorgaan – geuren – reukbewustzijn. Evenzo met smaakorgaan – sappen – smaakbewustzijn. Evenzo met de geest - gedachten en ideeën – denkbewustzijn.


Als er gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn is, dan volgt aanraking, dan gevoel, dan waarneming, dan onderscheid.

Evenzo met gehoor, reuk, smaak, aanraking, denken.


Als gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming, geen onderscheid.”


De eerwaarde Mahākaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahākaccāno onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāna voor diens wijsheid en keurde alles goed.



M.19. (M.II.9) Dvedhāvitakka sutta

Te Savatthi. De Boeddha legt uit hoe gedachten van zinsgenot, kwaadwil en wreedheid overwonnen kunnen worden door zulke gedachten te zien bij het ontstaan ervan en door dan te denken dat zij tot eigen leed, tot leed van anderen en tot beider leed voeren; dat ze wijsheid beïnvloeden en moeilijkheden veroorzaken.

Gedachten van ontzegging, niet kwaadwil en niet wreedheid voeren niet tot eigen leed, noch tot leed van anderen, noch tot beider leed. Zulke gedachten bevorderen wijsheid, veroorzaken geen moeilijkheden en voeren naar Nibbana.

De Boeddha verwijst er verder naar zijn eigen Verlichting (als in M.4). Het zekere en goede pad is het achtvoudige pad.




M.19. (M.II.9) Dvedhāvitakka sutta


Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. Toespraak van de Boeddha tot de monniken. “Vroeger, vóór de volmaakte Verlichting, ontstond bij mij de volgende gedachte: 'De ene na de andere overweging ga ik afzonderen.' En ik scheidde de overwegingen van begeerte, kwaad doen en woede aan de ene kant, en de overwegingen van ontzegging, niet kwaad doen, niet-woede aan de andere kant. Wanneer dan een overweging van begeerte ontstond, zei ik tot mezelf dat een overweging van begeerte was ontstaan. Die overweging van begeerte voert naar eigen beperking en naar vreemde beperking, naar beperking van beide. Ze roeit de wijsheid uit, brengt verwoesting met zich mee, voert niet naar bevrijding van waan, voert naar eigen beperking. Bij die gedachten loste ze op. – Evenzo met de overwegingen van kwaaddoen en woede.


Wat een monnik lang overdenkt, daarheen neigt zich zijn gemoed. Als hij de overwegingen van begeerte, kwaaddoen en woede lang overlegt, dan verloochent hij de overwegingen van ontzegging, niet-kwaaddoen en niet-woede.


Toen een overweging van ontzegging ontstond, zei ik tot mezelf: 'Deze overweging van ontzegging is bij mij ontstaan. Ze voert niet naar eigen beperking, niet naar vreemde beperking, niet naar beperking van beide; ze bevordert de wijsheid, brengt geen verwoesting met zich mee, voert naar oplossing van waan. Ik kan er niets verschrikkelijks in vinden. Maar als ik lang overweeg, zal mijn lichaam moe worden, en het hart wordt mat. Dan is het hart verre van zelfverdieping. Toen concentreerde ik mijn hart, bracht het tot rust en vestigde het, opdat het hart niet mat zou worden.


Evenzo met overwegingen van niet-schaden en niet-woede.


Onbuigzaam was toen mijn kracht, inzicht was daar, het lichaam was tot rust gekomen, het gemoed was verdiept, één. En ik vertoefde in de 1e jhana, de 2e, 3e en 4e jhana.


Ik richtte toen het gemoed op de herinnering aan vroegere bestaansvormen (etc). Ik richtte het gemoed op het inzicht van verdwijnen-verschijnen van de wezens. Met het hemelse oog zag ik de wezens heengaan en weer verschijnen (etc.) [Zie M.12. De tien krachten].


Dit weten had ik in de middenuren van de nacht als tweede verkregen. Met een dergelijk gemoed richtte ik het gemoed op het inzicht van de opdroging van onwetendheid. 'Dit is lijden, dit is de ontwikkeling van lijden, dit is de opheffing van lijden, dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden. Dit is onwetendheid, dit is de ontwikkeling van onwetendheid, dit is het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid.' Met een dergelijk inzicht werd mijn gemoed bevrijd van de waan van wensen, de waan van bestaan en de waan van niet-weten. 'In de verloste is de verlossing; geboorte is opgedroogd.' Zo begreep ik. Het niet-weten was verdreven; het weten was verkregen. Dit was het derde inzicht."



M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta

De Boeddha onderwijst er vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan. Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet over de nadelen van slechte gedachten nadenken. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.



M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta

Te Sāvatthi in het park van Anāthapindika. Toespraak van de Boeddha tot de monniken.

Wie naar het hogere streeft, moet af en toe vijf soorten van voorstellingen overwegen:

(1) Er is de voorstelling waarbij slechte, onwaardige overwegingen ontstaan, beelden van begeerte, afkeer en waan. Uit die overweging moet de monnik dan een ander, een waardig beeld verkrijgen. Terwijl hij dat waardige beeld verkrijgt, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen. De beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

(2) Wanneer bij iemand bij zijn pogingen om uit de ene voorstelling een andere, waardige voorstelling te verkrijgen, nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet die monnik de ellende van zulke overwegingen overdenken, als volgt: 'Die onwaardige overwegingen zijn nu daar, die onzuivere, die lijden veroorzaken.' Terwijl hij het beroerde van zulke overwegingen overdenkt, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen; de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

(3) Wanneer bij de overdenking van het lijden van die overwegingen nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet die monnik aan die overwegingen geen aandacht schenken. De slechte, onwaardige overwegingen verdwijnen dan, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

(4) Wanneer dan toch nog slechte, onwaardige overwegingen ontstaan, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet de monnik die overwegingen de een na de ander accepteren, erop ingaan. Terwijl hij dat doet, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

(5) Wanneer dan toch nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet de monnik met op elkaar geperste tanden en met de tong tegen het verhemelte gedrukt het gemoed neerdrukken door de wil. Terwijl hij dat doet, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.


Wanneer bij jullie slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, en wanneer jullie dan een andere, waardige overweging verkrijgen, dan verdwijnen die slechte, onwaardige overwegingen. De beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Het gemoed wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

Iemand die de slechte overwegingen overwint, wordt een heerser over de soorten overwegingen genoemd. Welke overweging hij ook maar wil, die zal hij overwegen. En de overweging die hij niet wil, zal hij niet overwegen. De levensdorst heeft hij afgesneden,de boeien heeft hij weggegooid. Hij heeft aan het lijden een einde gemaakt door volledige overwinning van de ego-waan.





M.III. Tatiya-vagga

Het nadeel van een kwaad gemoed. Het beoefenen van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). De verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren. De leer is als een vlot, een middel om de andere oever te bereiken. Het edele streven. De leer van de Boeddha voert naar volmaakte heiligheid.84




M.21. (M.III.1) Kakacūpama sutta


Te Sāvatti, in het Jetavana park. De Boeddha sprak er m.b.t. bhikkhu Moliyaphagguna die bevriend was met nonnen. Andere monniken bekritiseerden hem erover. De bhikkhu werd kwaad en twistte met degenen die hem bekritiseerden. Toen de Boeddha hem de raad gaf weg te blijven bij nonnen en zijn gemoed te beheersen, bleef de monnik koppig. De Boeddha zei dat het niet passend was om overmatig veel contact met bhikkhunis te hebben. Ook toonde hij het nadeel van een kwaad gemoed.85

De gelijkenis van de zaag. De Boeddha onderwees er over het beoefenen van universele liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Men moet leren te vergeven. Men moet leren vrij te zijn. Men moet ernstig zijn. Men moet geen gedachten van boosheid in zich laten opkomen, zelfs al wordt men in stukken gezaagd.86

Men moet zich aldus oefenen: de geest zal onbeïnvloed zijn; men moet geen kwade woorden spreken; men moet in medegevoel voor het welzijn van anderen vertoeven, met een geest van liefdevolle vriendelijkheid, zonder haat.

De Boeddha richt zich dan tot de andere monniken en spreekt over het eenmaal eten per dag. Daardoor is men vrij van ziekte en onbehagen; men verheugt zich in gezondheid, kracht en een licht leven. Verder spoorde hij de monniken aan het onheilzame op te geven en het heilzame te ontplooien. Ook moeten zij gemakkelijk te vermanen zijn en zichzelf gemakkelijk te vermanen maken door de Dhamma te eren, te respecteren en te vereren. Wat anderen ook zeggen, de geest van de monnik moet onbeïnvloed blijven. Hij moet geen kwade woorden uiten; hij moet liefdevolle vriendelijkheid jegens de ander koesteren.



M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta


Te Sāvatthi. De monnik Arittha begreep de leer van de Boeddha verkeerd. Hij beweerde dat de Boeddha toonde hoe men zich in zinnelijke genietingen kon verheugen zonder op het pad gehinderd te worden. De Boeddha weerlegde zijn verkeerde ideeën maar de monnik bleef koppig. De Verhevene sprak toen tot de monniken over de verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren.

Gelijkenis van de slang. Het hebben van verkeerde ideeën over de Dhamma is als het vastpakken van een slang bij de staart. Die slang keert zich om en bijt de man. Evenzo kan men verwachten dat het religieuze leven iemand veel schade kan brengen als het niet serieus beoefend wordt.

Sommigen leren de Dhamma maar zij onderzoeken de betekenis ervan niet met wijsheid. Daarom komen zij er niet toe ze reflectief aan te nemen. In plaats daarvan leren zij de Dhamma alleen om kritiek op anderen te kunnen geven. Zij hebben geen vooruitgang in de leer. Omdat zij de leer niet juist opnemen, draagt dat lang bij tot hun nadeel en leed.


De leer wordt er vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig.87 Het is dan niet meer nodig dat hij of zij zich aan de Dhamma hecht.

Verder spreekt de Boeddha er over anatta. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

Daarom geef op wat niet van u is.


De Boeddha spreekt dan verder erover dat sommigen zijn woorden verkeerd uitleggen. Maar hij wordt er niet boos of verdrietig over. Wanneer anderen ons beledigen, op ons schelden en ons lastig vallen, dan moet geen ergernis, geen verbittering of neerslachtigheid gekoesterd worden. En wanneer anderen ons eren, respecteren en hoogachten, dan moet geen vreugde gekoesterd worden.

Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken.

De Dhamma is goed verkondigd, helder, open, duidelijk. In deze Dhamma is geen beschrijving van een toekomstige ronde van bestaan voor volmaakte heiligen. Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog een keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, zijn in de stroom getredenen; zij zijn op weg naar de Verlichting. Degenen die de Dhamma navolgen zijn, of die vol vertrouwen zijn, zij allen gaan de Verlichting tegemoet. Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet.



M.23. (M.III.3) Vammīka sutta

De gelijkenis van de smeulende mierenheuvel. Een dergelijke heuvel wordt er vergeleken met het menselijke lichaam. Een zekere godheid vroeg aan de eerwaarde Kumāra Kassapa in het Andhavana enkele spirituele vraagstukken. De eerwaarde monnik ging naar de Boeddha die de juiste uitleg gaf. Daarin was de hele beoefening van de Dhamma begrepen, met de belangrijkste punten ervan.88



M.23. (M.III.3). Vammīka sutta


Te Savatthi. Een zekere godheid vertelde aan de eerwaarde Kumāra Kassapa de gelijkenis van de smeulende mierenheuvel. Deze ging naar de Boeddha die de gelijkenis uitlegde. De mierenheuvel wordt er vergeleken met het menselijke lichaam.

Onwetendheid moet overwonnen worden door edele wijsheid en het opwekken van energie.

Men moet wanhoop en woede overwinnen met wijsheid.

Men moet twijfel overwinnen met wijsheid.

De vijf hindernissen – zinnelijke begeerte, kwaadwil, traagheid en slapheid, rusteloosheid en gewetensonrust, twijfel – moeten overwonnen worden met wijsheid.

De vijf groepen van bestaan – vorm, gevoel, aanraking, formaties, bewustzijn – moeten opgegeven worden met wijsheid.

De vijf soorten van zinnelijke genietingen – vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingsobjecten – moeten opgegeven worden met wijsheid.

Behagen scheppen en begeerte moeten overwonnen worden met wijsheid.

Iemand die de neigingen heeft vernietigd, moet men vereren.

 



M.24. (M.III.4) Rathavinīta sutta


De eerwaarde Sāriputta vroeg aan de eerwaarde Punna Mantāniputta met welk doel in het vooruitzicht het heilige leven (de Dhamma) beoefend wordt - voor zuiverheid van gedrag, voor zuiverheid van de geest, voor zuivering van visie, voor zuivering van het overwinnen van twijfel, voor zuivering door weten en zien van pad en niet-pad, voor zuivering van weten en het zien van de oefeningsweg, of voor zuivering door weten en zien.

De eerwaarde Punna legde uit dat dit alles verschillende halteplaatsen zijn op de zevenvoudige weg naar nibbāna. Die plaatsen moet de monnik één voor één oversteken totdat hij het doel bereikt, nibbāna.89



M.25. (M.III.5) Nivāpa sutta

De geneugten van de wereld worden er vergeleken met het veld van Mara die er als een jager vallen legt om herten te vangen. De wijze monnik is voorzichtig en valt er niet aan ten prooi. Hij vertoeft in de jhanas. Daar kan Mara niet komen.90




M.25 (M.III.5) Nivāpa sutta. Uit het zicht van het kwaad

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Na de maaltijd ging hij samen met de E\eerwaarde Ānanda naar het Pubbarama-klooster. In de buurt ervan lag de hermitage van de brahmaan Rammaka. Daar was een groep monniken bijeen gekomen. Zij werden door de Boeddha onder andere onderwezen met de volgende toespraak:

“Monniken, de volgende vijf soorten lust bestaan er:

1. de met het oog herkenbare vormen;

2. de met het oor herkenbare klanken;

3. de met de neus herkenbare geuren;

4. de met de tong herkenbare smaken;

5. de met het lichaam herkenbare aanrakingen.

Deze vijf soorten lust zijn verrukkelijk, aangenaam, aantrekkelijk, lieflijk, lustvol en hartstochtelijk.

Degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, die niet weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Monniken, zoals een dier in het woud dat gebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: tot ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het niet naar believen weggaan. Evenzo zijn degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, zonder te weten hoe eraan te ontkomen, die zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Maar degenen die deze vijf soorten lust genieten zonder erin verstrikt te zijn, onverblind, niet overweldigd, vol inzicht in het lijden, die weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Zoals een dier in het woud dat ongebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: niet tot ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het naar believen weggaan.

Zoals een dier in het woud nabij de rand van een berg loopt en er veilig gaat, veilig staat, veilig de slaapplaats kiest, en waarom? - Het is niet in het bereik van de jager gekomen. Evenzo, monniken, vertoeft een monnik, vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overwegingen verbonden is, die uit eenzaamheid ontstaan is, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de geestelijke eenwording. En hij vertoeft in de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken, vrij van overwegingen, die ontstaan is uit zelf-verdieping, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. En hij ondervindt lichamelijk het geluk dat door de edelen genoemd is: gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend. Zo vertoeft hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van vroegere bevredigingen en zorgen vertoeft hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedvrije, de gelukvrije, de in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, heeft een monnik met [de gedachte] ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt.

Hij heeft volledig het gebied van de niets-is-er sfeer overwonnen en heeft het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming bereikt.

Hij heeft volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overwonnen en heeft de vernietiging van waarneming en gevoelen bereikt. En wijze inziende zijn de neigingen bij hem verdwenen.

Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen. Ontkomen is hij aan het hechten aan de wereld. Hij gaat veilig, staat veilig, veilig zit hij neer, veilig kiest hij een rustplaats voor de nacht, en waarom? - Hij is niet in het bereik van het kwaad gekomen.”

Aldus sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de toespraak van de Boeddha.




M.26. (M.III.6) Āriyapariyesana sutta (Pāsarāsi sutta)

Het edele streven. De Boeddha vertelt er over zijn ervaringen vanaf het begin van zijn zoektocht, hoe hij de Verlichting bereikte en hoe hij het Wiel der leer in beweging bracht en de vijf asceten bekeerde.91

[Zie: De grote verzaking en het zoeken naar Ontwaking

 en  Het  1e jaar na de Verlichting


Gedeelte uit M.26: Uit het zicht van het kwaad


Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Na de maaltijd ging hij samen met de eerwaarde Ānanda naar het Pubbarama-klooster. In de buurt ervan lag de hermitage van de brahmaan Rammaka. Daar was een groep monniken bijeen gekomen. Zij werden door de Boeddha onder andere onderwezen met de volgende toespraak:


“Monniken, de volgende vijf soorten lust bestaan er:

1. de met het oog herkenbare vormen;

2. de met het oor herkenbare klanken;

3. de met de neus herkenbare geuren;

4. de met de tong herkenbare smaken;

5. de met het lichaam herkenbare aanrakingen.


Deze vijf soorten lust zijn verrukkelijk, aangenaam, aantrekkelijk, lieflijk, lustvol en hartstochtelijk.

Degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, die niet weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.


Monniken, zoals een dier in het woud dat gebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: tot ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het niet naar believen weggaan. Evenzo zijn degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, zonder te weten hoe eraan te ontkomen, zij zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Maar degenen die deze vijf soorten lust genieten zonder erin verstrikt te zijn, onverblind, niet overweldigd, vol inzicht in het lijden, die weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Zoals een dier in het woud dat ongebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: niet tot ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het naar believen weggaan.


Zoals een dier in het woud nabij de rand van een berg loopt en er veilig gaat, veilig staat, veilig de slaapplaats kiest, en waarom? - Het is niet in het bereik van de jager gekomen. Evenzo, monniken, vertoeft een monnik, vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overwegingen verbonden is, die uit eenzaamheid ontstaan is, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de geestelijke eenwording. En hij vertoeft in de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken, vrij van overwegingen, die ontstaan is uit zelf-verdieping, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. En hij ondervindt lichamelijk het geluk dat door de edelen genoemd is: gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend. Zo vertoeft hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van vroegere bevredigingen en zorgen vertoeft hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedvrije, de gelukvrije, de in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, heeft een monnik met [de gedachte] ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.


En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt.


Hij heeft volledig het gebied van de niets-is-er sfeer overwonnen en heeft het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming bereikt.


Hij heeft volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overwonnen en heeft de vernietiging van waarneming en gevoelen bereikt. En wijze inziende zijn de neigingen bij hem verdwenen.


Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen. Ontkomen is hij aan het hechten aan de wereld. Hij gaat veilig, staat veilig, veilig zit hij neer, veilig kiest hij een rustplaats voor de nacht, en waarom? - Hij is niet in het bereik van het kwaad gekomen.”


Aldus sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de toespraak van de Boeddha.92




M.27. (M.III.7) Cūlahatthipadopama sutta.


Te Sāvatthi. De korte gelijkenis van de olifantenvoetafdruk.

De brahmaan Jānussoni vroeg aan de zwervende asceet Pilotika die juist terugkwam van de Verhevene, of hij alle deugden en bekwaamheden van de Boeddha kende. De asceet antwoordde dat alleen een andere Boeddha dat kon weten. Hijzelf kon het zich alleen voorstellen in zoverre als zijn verbeelding reikte, juist zoals een jager de grootte van een olifant kon schatten aan de hand van diens voetafdrukken.

Later ging de brahmaan Jānussoni naar de Boeddha toe en vertelde hem wat hij met de asceet besproken had. De Verhevene vertelde hem dat de voetafdrukken van een olifant misleidend kunnen zijn. Alleen degene die de voetafdrukken volgt en het dier in ware grootte ziet, kan erover oordelen. Evenzo kunnen de deugden van de Boeddha en van zijn leer ten volle begrepen en gewaardeerd worden wanneer men de leer navolgt en uitoefent totdat het doel, arahantschap, bereikt is.93



M.28. (M.III.8) Mahāhatthipadopama sutta.

Te Sāvatthi. De eerwaarde Sāriputta spreekt de monniken toe. De lange gelijkenis van de olifantenvoetafdruk. Zoals de voetafdrukken van alle wezens passen in de voetafdruk van een olifant, evenzo kunnen de principes van andere religies ingevat worden in de leer van de Vier Edele Waarheden. De vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn de bestaansgroepen van vorm, van gevoel, van aanraking, van de formaties en van het bewustzijn. Verder spreekt de eerwaarde Sariputta over oorzakelijk ontstaan en over niet-zelf.




M.28. (M.III.8) Mahāhatthipadopama Sutta. De lange leerrede van het olifantenspoor.


Eens verbleef te Verhevene te Sāvatthī in het Jetavana klooster. De eerwaarde Sāriputta sprak toen tot de monniken aldus:

"Vrienden, zoals in het voetspoor van een olifant het voetspoor past van elk ander levend wezen dat zich lopend voortbeweegt, evenzo kunnen alle heilzame toestanden in de vier edele waarheden ingepast worden, en wel in de edele waarheid van lijden, in de edele waarheid van de oorsprong van lijden, in de edele waarheid van de opheffing van lijden, en in de edele waarheid van de weg die voert naar de opheffing van lijden.

De edele waarheid van lijden is als volgt: geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

De vijf groeperingen van hechten zijn de groeperingen van vorm, van gevoel, van waarneming, van de formaties en van het bewustzijn.


De groepering van vorm bestaat uit de vier grote elementen en de vorm die van de vier grote elementen afstamt. Die vier grote elementen zijn het aarde-element, het waterelement, het vuurelement en het windelement (luchtelement).

 

(het aarde-element)


Vrienden, het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, inhoud van de maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke aarde-element in chaos geraakt en dan verdwijnt het uiterlijke aarde-element. Wanneer zelfs dit uiterlijke aarde-element, hoe groot het ook is, als vergankelijk beschouwd wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.


Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.


(Het waterelement)


Vrienden, het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talk, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke waterelement in chaos raakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan overstroomd. Eens komt de tijd waarin het water in de grote oceaan steeds verder terugwijkt, 100 km, 200 km, 500 km, 700 km. Eens komt de tijd dat het water in de grote oceaan steeds ondieper wordt, tot zelfs een vinger niet meer natgemaakt kan worden. Wanneer zelfs dat uiterlijke waterelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en aan verandering, hoeveel meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.


Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.


(Het vuurelement)


Vrienden, het vuurelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuurelement bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteert wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuurelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuurelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuurelement zo beschouwt, wordt men tegenover het vuurelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuurelement.

Eens komt de tijd waarin het uiterlijke vuurelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan door brand verwoest. Het vuur gaat alleen uit op grond van gebrek aan brandstof, bijvoorbeeld wanneer het bij groen gras komt, of bij een rots of bij water of bij een vrije, open vlakte. Eens komt de tijd waarin men met moeite zal proberen vuur te maken, zelfs met kippenveren of spanen van schors. Wanneer zelfs dat uiterlijke vuurelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.


(Het windelement)


Vrienden, het windelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke windelement is aldus: wat er aan innerlijke dingen is, die tot iemand zelf behoren, wind, winderig, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen is die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten, dat noemt men het innerlijke windelement.

Zowel het innerlijke als het uiterlijke windelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het windelement zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het windelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het windelement.

Eens komt de tijd dat het uiterlijke windelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan weggeveegd. Eens komt de tijd dat men in de laatste maand van het warme seizoen probeert wind te maken met een waaier of blaasbalg, en dat zelfs loshangende strovezels aan de rand van het dak niet bewegen. Wanneer zelfs dat uiterlijke windelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk gezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.


Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest laat ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn; mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: “Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.”

Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.


Vrienden, juist zoals ruimte die door hout, klimplanten, gras en leem veroorzaakt is, als “huis” aangeduid wordt, evenzo wordt ruimte die door beenderen en pezen, vlees en huid veroorzaakt is, als “vorm” aangeduid.94

Vrienden, wanneer innerlijk het oog intact is, maar geen uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel95 aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Vrienden, wanneer innerlijk het oor intact is, maar geen uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Vrienden, wanneer innerlijk de neus intact is, maar geen uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Vrienden, wanneer innerlijk de tong intact is, maar geen uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Vrienden, wanneer innerlijk het lichaam intact is, maar geen uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Vrienden, wanneer innerlijk de geest intact is, maar geen uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

Maar wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.


Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.


De vorm die op een dergelijke manier in het bestaan is getreden,96 wordt omsloten in de groepering van de vorm waaraan gehecht wordt. Het gevoel dat op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van het gevoel waaraan gehecht wordt. De waarneming die op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van de waarneming waaraan gehecht wordt. De formaties die op een dergelijke manier in het bestaan zijn getreden, worden omsloten in de groepering van de formaties waaraan gehecht wordt. Het bewustzijn dat op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van het bewustzijn waaraan gehecht wordt.


Men begrijpt: inderdaad, op die manier komt het omsluiten, inzamelen en opstapelen van deze vijf bestaansgroepen tot stand. Nu is door de Verhevene het volgende gezegd: 'Iemand die oorzakelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet oorzakelijk ontstaan.' En deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn oorzakelijk ontstaan. De begeerte, het botvieren, de neiging en het vasthouden aan deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is de oorsprong van dukkha. Het verwijderen van begeerte en verlangen, het overwinnen van begeerte en verlangen naar deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is het opheffen van dukkha. Ook op dat punt is door die monnik veel bereikt.


Evenzo is het met het oor en geluiden; de neus en geuren; de tong en smaken; het lichaam en aanrakingsobjecten; de geest en geestobjecten.

Zo sprak de eerwaarde Sariputta. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de eerwaarde Sariputta.



M.29. (M.III.9) Mahāsāropama sutta


Over het gevaar van winst, eer en roem. Volgens de overlevering werd deze leerrede gesproken toen Devadatta de Orde verliet.97

 

Te Rājagaha, leerrede i.v.m. Devadatta die tevreden bleef met zijn roem omdat hij bovennatuurlijke vermogens had verkregen en de ware leer verliet om een schisma in de Orde te veroorzaken.

De Boeddha zei dat zijn leer er niet was om winst en faam te verkrijgen. Die waren als de uiterste takjes van een boom. En ook niet voor het verkrijgen van deugdzaamheid (als de buitenste schors van een boom). Noch voor concentratie om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen (als de bast van een boom). De Dhamma was onderwezen om volmaakte heiligheid te verkrijgen (als het merg van een boom).98


In dit sutta en in het volgende legt de Boeddha er de nadruk op dat het doel van het monnikenleven de onwrikbare bevrijde geest is. Alle andere dingen zijn van mindere waarde.



M.30. (M.III.10) Cūlasāropama sutta

Te Sāvatthi. Gesprek van de Boeddha met de brahmaan Pingalakoccha. Deze vroeg aan de Verhevene of de zes leraren die beweerden Boeddha te zijn, werkelijk verlicht waren. De Boeddha legde uit dat de leer van een Boeddha naar volmaakte heiligheid voert, en niet alleen naar het verkrijgen van eer en roem, of van bovennatuurlijke krachten.99

Dit sutta is een ontwikkeling van het voorgaande sutta over het bereiken van het wezenlijke van de Dhamma. Het bereiken van bevrijding is het uiteindelijke doel van het religieuze leven. Het is als het binnenste van een boom. Het bereiken van inzicht in de werkelijkheid is als het deel van het hout dat het dichtst bij de kern is. Het bereiken van jhana (meditatieve verdieping) is als de schors van de boom. Zuiverheid van gedrag (sīla) is als de uiterste huid van de bast. En de winst en roem van de monnik is als de bladeren en het loofwerk van de boom.100




M.IV. Mahāyamaka-vagga

Over diverse monniken. De elf slechte en goede eigenschappen van een veehoeder. Uitleg onder welke voorwaarden de leer zal groeien en onder welke ze zal afnemen. De leer zal toenemen wanneer een monnik bekwaam is in elf factoren. De volgelingen van leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid zullen niet goed eindigen. De aard van de vijf khandhas. Kamma. Hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. De manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen. Bij wedergeboorte verhuist geen enkele factor van het ene naar het andere lichaam. Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda). De plichten van een monnik, te beginnen bij het vermijden van slechte daden, beheersing in lichamelijke en geestelijke daden, meditatie, het bereiken van de vier jhānas t/m Nibbāna. De eigenschappen van een echte monnik.101

 


M.31. (M.IV.1) Cūlagosinga sutta


Te Nadika. De monniken Anuruddha, Nandiya en Kimila verblijven in het Gosinga salabos. De Boeddha zoekt hen op en prijst hen voor hun goede manier van leven, in eendracht en harmonie. Zij vertellen hem wat zij hebben bereikt. Wanneer zij maar willen, kunnen zij in de jhanas intreden. En de neigingen zijn geheel en al vernietigd.102

Daarna wordt de Boeddha opgezocht door de godheid Digho die de Boeddha en de drie monniken eert. Dat eren dringt door tot omhoog in de wereld van de goden.

(Zie ook M.128)



M.32. (M.IV.2) Mahāgosinga sutta


De belangrijkste discipelen van de Boeddha, zoals de eerwaarden Sāriputta, Maha Moggallāna en anderen, waren bijeengekomen in het Gosinga-salabos. Daar spraken zij over de Dhamma. De eerwaarde Sāriputta vroeg er aan de Boeddha wie dit bos het meeste zou tooien en de schoonheid ervan zou vergroten. De eerwaarden Revata, Anuruddha, Mahā Kassapa, Mahā Moggallāna, Sāriputta en de Boeddha zelf gaven een antwoord, ieder op zijn eigen manier. Tenslotte gaf de Boeddha zijn goedkeuring aan wat was gezegd. Maar hij voegde eraan toe: “Dit bos zou nog veel meer in grootheid toenemen door de aanwezigheid van een monnik die hier kon zitten met het vaste voornemen niet eerder op te staan totdat hij de uiteindelijke bevrijding van het kwade had verwerkelijkt.”103

 


M.33. (M.IV.3) Mahāgopālaka sutta


Te Sāvatthi. De Boeddha legt er uit onder welke voorwaarden een monnik in de leer zal groeien. De gelijkenis van de koeherder. Wanneer die elf goede eigenschappen heeft om zijn vee te hoeden, is er voorspoed voor hem. Evenzo zal een monnik in de leer tot groei komen wanneer hij bekwaam is in elf factoren.

Die elf factoren zijn: 1) weten dat vorm bestaat uit de vier grote elementen; 2) weten dat het kenmerk van een dwaas en dat van een wijze zijn handelen is; 3) overwinning en verwijdering van slechte onheilzame gedachten; 4) zich niet hechten aan vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten; waken over de zintuigen; 5) onderricht van de leer aan anderen; 6) vaak geleerde monniken bezoeken die de leer goed kunnen uitleggen en hun in geval van twijfel nadere uitleg vragen; 7) zich verheugen wanneer de leer verkondigd wordt; 8) kennis van het edele achtvoudige pad; 9) het begrijpen van de vier peilers van oplettendheid; 10) de maat weten bij het nemen van gewaden, eten, rustplaats en medicijnen wanneer men uitgenodigd wordt; 11) het brengen van hoogachting aan oudere monniken. In handelingen, taal en gedachten beoefent hij metta jegens hen, zowel in het openbaar als privé.

Wanneer een bhikkhu deze eigenschappen heeft, is hij in staat tot groei in de leer.


(Dit sutta is identiek met A.11.18)



M.34. (M.IV.4) Cūlagopālaka sutta

Gelijkenis van de onbekwame koeherder die zijn kudde vee op een verkeerde plaats de rivier laat oversteken en ze zo tot de dood voert. Op gelijke wijze zijn de volgelingen van de leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid. Zij zullen niet goed eindigen.104

Verder de gelijkenis van de bekwame koeherder die zijn kudde vee op een goede plaats de rivier laat oversteken. Zij komen allemaal veilig aan de andere oever. Op gelijke wijze gaat het met de volgelingen van de Boeddha. Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken. Besproken worden de niveaus van heiligheid.



M.34. (M.IV.4) Cūlagopālaka sutta. De korte leerrede over de koeienherder

 
Eens vertoefde de Verhevene in het land Vajji, bij Ukkācelā, aan de oever van de Ganges. Hij sprak er de monniken toe.

De bhikkus die met de vernietiging van de neigingen Arahants zijn geworden, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die de boeien van het worden vernietigd hebben en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd zijn, – zij zijn veilig aan de andere oever aangekomen waarbij zij de stroom van Mara trotseerden.

De bhikkhus die met de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan (in de reine sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana zullen verkrijgen, zonder van die wereld terug te keren, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien en met de vermindering van begeerte, haat en onwetendheid eenmaal wederkerenden zijn geworden, die nog één keer in deze wereld terugkeren om aan het lijden een einde te maken, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien in de stroom getredenen zijn geworden, die niet langer aan het verderf onderhevig zijn, die zeker zijn (van de weg) die het Ontwaken tegemoet gaan , – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

De bhikkhus die de leer navolgen, die vertrouwen hebben, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken.


 

M.35. (M.IV.5) Cūlasaccaka sutta


Klein gesprek tussen de Boeddha en de Jain Niganthaputta Saccaka en wel over de aard van de vijf khandhas. Saccaka was een zwervende asceet en een groot redenaar. Vol trots zei hij dat niemand hem kon overwinnen in redeneren. Hij ging ook naar de Boeddha en probeerde hem aan te vallen. De Jain beweerde dat iemand een zelf heeft en dat dit zelf de vruchten van goede en slechte daden krijgt. De Boeddha weerlegde deze theorie. Hij toonde aan dat alles vergankelijk is en dat er geen zelf is.

“Materiële dingen zijn niet blijvend, en ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet blijvend. Materiële dingen zijn niet op zichzelf staand, zij hebben geen zelfstandig bestaan. En ook gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet zelfstandig. Alle formaties zijn niet blijvend; alle dingen zijn niet op zichzelf staand; zij hebben geen zelfstandigheid.”


De Jain werd na niet lange tijd overwonnen. Hij bracht eer aan de Boeddha en nodigde hem uit voor een maaltijd.



M.36 (M.IV.6) Mahāsaccaka sutta


Te Vesali. Groot gesprek tussen de Jain Saccaka en de Boeddha over meditatie. De Boeddha onderwees Saccaka hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. Hij vertelde hem ook over zijn ervaringen (ascetische oefeningen) in het begin van zijn zoektocht naar de bevrijding en hoe hij de volmaakte Verlichting bereikt had.

Verder onderwees de Boeddha Saccaka als volgt: In de war is iemand die de neigingen niet heeft overwonnen, de neigingen die nieuw worden brengen, die moeilijkheden en lijden veroorzaken, die tot nieuwe geboorte voeren. Maar iemand is niet in de war die de neigingen heeft overwonnen. Saccaka zei dat de Boeddha alles heel goed had uitgelegd. Hij betuigde eer aan de Boeddha en nam afscheid.




M.37. (M.IV.7) Cūlatanhāsankhaya sutta


Te Savatthi. Sakka, de koning van de goden, vroeg aan de Boeddha op welke manier iemand door de vernietiging van begeerte bevrijd is. Het antwoord van de Verhevene luidde: "Wanneer iemand vernomen heeft dat niets waard is zich eraan te hechten, onderkent hij alle dingen direct. Daardoor doorschouwt hij alle dingen; daardoor beoefent hij het beschouwen van de vergankelijkheid van gevoel, hetzij aangenaam of onaangenaam of neutraal. Hij beschouwt de ontzegging, het loslaten, het beëindigen. Hij hecht aan niets in de wereld. Daardoor is hij niet opgewonden. In eigen persoon verkrijgt hij Nibbana.“


De eerwaarde Mahā Moggalāna vroeg zich af of Sakka alles goed begrepen had. Hij ging naar de hemelse sfeer waar hij devoot ontvangen wordt door Sakka. Deze leidde hem rond in zijn nieuwe paleis dat gebouwd was na de overwinning over de demonen. Bij de rondleiding was Sakka vervuld van trots. Mahā Moggallāna merkte dit. Om Sakka te helpen vrij te worden van deze ijdelheid gebruikte hij zijn bovennatuurlijke kracht. Met een kleine druk van zijn dikke teen bracht hij het hele paleis tot wankelen. Uit bewondering en devotie bracht Sakka eer aan de ouderling. Nederig luisterde hij naar diens preek over de manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen.

De Eerwaarde Maha Moggalana merkte dat Sakka begrepen had wat de Boeddha hem had onderwezen. En tevreden keerde hij naar Savatthi terug.




M.38. (M.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta

Te Savatthi. De monnik Sāti had het verkeerde inzicht dat na de dood het bewustzijn van iemand uit het lichaam komt en verhuist naar een ander lichaam waar die persoon dan geboren wordt. De Boeddha legde hem uit dat geen enkele factor verhuist van het ene naar het andere lichaam. Het bewustzijn ontstaat door oorzaken. Zonder oorzaken kan bewustzijn niet ontstaan. In afhankelijkheid van oog en vorm ontstaat zienbewustzijn. In afhankelijkheid van oor en geluid ontstaat hoorbewustzijn. In afhankelijkheid van neus en geur ontstaat ruikbewustzijn. In afhankelijkheid van tong en smaak ontstaat smaakbewustzijn. In afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject ontstaat lichaambewustzijn. In afhankelijkheid van geest en geestobject ontstaat geestbewustzijn.

Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda).


[Zoals de eerwaarde Nagasena opmerkte: "De appel zit niet in de boom. Maar door oorzaken verschijnt hij als aan de voorwaarden voldaan wordt."]



M.38. (M.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta.


Te Savatthi, in het Jetavana klooster.

De monnik Sati had de verkeerde mening dat hetzelfde bewustzijn de kringloop van wedergeboorten doorloopt, en niet een ander bewustzijn.105 Zijn medemonniken zeiden hem dat de Boeddha had onderwezen dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen bewustzijn. Maar de monnik Sati was niet van zijn verkeerde mening af te brengen. De monniken gingen daarom naar de Verhevene toe en vertelden hem over de verkeerde mening van de monnik Sati.

De Boeddha liet die monnik halen en vroeg hem: „Wat is volgens jou dat bewustzijn?“ - „Het is dat wat spreekt en voelt en wat hier en daar de resultaten van goede en slechte daden ondervindt,“ antwoordde Sati.

De Boeddha: „In veel leerreden heb ik uitgelegd dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen ontstaan van bewustzijn.“

Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat.106 Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als zienbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als hoorbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als ruikbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als smaakbewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als lichaambewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geestbewustzijn.

Monniken, zien jullie dat dit ontstaan is? - Jawel, eerwaarde heer. - Zien jullie dat het ontstaan ervan afhankelijk is van voedsel? - Ja, eerwaarde heer. - Zien jullie dat het ontstane onderworpen is aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt? - Ja, eerwaarde heer. -

Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand onzeker is wat betreft het bovenstaande? - Jawel, eerwaarde heer.

Monniken, de twijfel is verdreven wanneer iemand met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid helder ziet: 'Dit is ontstaan; het ontstaan ervan is afhankelijk van voedsel; het ontstane is onderworpen aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt.'


Hecht nergens aan. De leer is als een vlot dat dient om naar de andere oever te komen, niet om het vast te houden.


Er zijn vier soorten voedsel tot onderhoud van de levende wezens die al in het bestaan getreden zijn en tot steun van degenen die op het punt staan te ontstaan.

Die vier soorten voedsel zijn: fysieke spijzen, grove en fijne; contact; geestelijk willen; bewustzijn.

Wat hebben deze vier soorten voedsel als oorsprong, waaruit zijn ze ontstaan? – Ze hebben begeerte als oorsprong, ze zijn uit begeerte ontstaan.

Begeerte is ontstaan uit gevoel. Gevoel is ontstaan uit contact. Contact is ontstaan uit bereik van de zes zintuigen. Het bereik van de zes zintuigen is ontstaan uit naam en vorm. Naam en vorm heeft bewustzijn als oorsprong, is ontstaan uit bewustzijn. Bewustzijn heeft de formaties als oorsprong, is ontstaan uit formaties. De formaties hebben onwetendheid als oorsprong, zijn ontstaan uit onwetendheid.

 

Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed, en wanhoop. Zo is het ontstaan van de hele massa van lijden.


Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties.


Als dit is, is dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere, namelijk:

Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn de formaties.

Oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn.

Oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm.

Oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen.

Oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact.

Oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel.

Oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte.

Oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten.

Oorzakelijk ontstaan door hechten is worden.

Oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte.

Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

Dat is de oorsprong van deze hele massa van lijden.


Maar met het restloze verbleken en opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties. Met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn. Met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm. Met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen. Met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact. Met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel. Met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte. Met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten. Met het opheffen van hechten is het opheffen van worden. Met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte. Met het opheffen van geboorte houden ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop op.

Dat is het opheffen van die hele massa van lijden.


Ouderdom en dood houden op met het ophouden van geboorte; met het opheffen van geboorte is het opheffen van ouderdom en dood.

Geboorte houdt op met het ophouden van worden; met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte.

Worden houdt op met het ophouden van hechten; met het opheffen van hechten is het opheffen van worden.

Hechten houdt op met het ophouden van begeerte; met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten.

Begeerte houdt op met het ophouden van gevoel; met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte.

Gevoel houdt op met het ophouden van contact; met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel.

Contact houdt op met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen; met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact.

Het bereik van de zes zintuigen houdt op met het ophouden van naam en vorm; met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen.

Naam en vorm houdt op met het ophouden van bewustzijn; met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm.

Bewustzijn houdt op met het ophouden van formaties; met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn.

Formaties houden op met het ophouden van onwetendheid; met het opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties.


Als dit niet is, is dat niet; met het ophouden van het ene houdt het andere op.

Met het ophouden van onwetendheid volgt het ophouden van de formaties. Met het ophouden van de formaties volgt het ophouden van bewustzijn. Met het ophouden van bewustzijn volgt het ophouden van naam en vorm. Met het ophouden van naam en vorm volgt het ophouden van het bereik van de zes zintuigen. Met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen volgt het ophouden van contact. Met het ophouden van contact volgt het ophouden van gevoel. Met het ophouden van gevoel volgt het ophouden van begeerte. Met het ophouden van begeerte volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

Dat is het ophouden van deze hele massa van lijden.


Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij niet: 'Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?'

Hij vraagt dan ook niet: 'Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaanvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?'

Hij vraagt dan ook niet: 'Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?'

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn


De ontvangenis van een embryo in een moederschoot vindt plaats wanneer drie dingen samenkomen.

(1) Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft maar de moeder niet haar vruchtbare dagen heeft, en het wezen dat wedergeboren moet worden niet aanwezig is, in dat geval is er geen ontvangenis.

(2) Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft en de moeder haar vruchtbare dagen heeft, maar het wezen dat wedergeboren mot worden, niet aanwezig is, ook in dat geval is er geen ontvangenis.

(3) Maar wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft en de moeder haar vruchtbare dagen heeft, en het wezen dat wedergeboren moet worden aanwezig is, in dat geval vindt er een ontvangenis plaats door het samenkomen van die drie dingen.

De moeder draagt dan vol zorg het embryo negen of tien [maan]maanden in haar schoot – een zware last. Aan het einde van die periode baart zij het kind. Na de geboorte voedt zij het met haar eigen bloed, want zo wordt de moedermelk genoemd.

Wanneer het kind opgroeit speelt het. Als het verder opgroeit en meer vaardigheden krijgt, dan geniet de jongeling het bestaan dat met de vijf strengen van zintuiglijk genot voorzien is.

Vormen, met het oog waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Geluiden, met het oor waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Geuren, waarneembaar met de neus, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Smaken, met de tong waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Aanrakingsobjecten, met het lichaam waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.


Wanneer hij met het oog een vorm ziet, is hij begerig ernaar als ze aangenaam is. Hij is afkerig ervan als ze onaangenaam is. Hij leeft zonder gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met begrensd gemoed en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden. Hij is zodanig verwikkeld in voorkeur en afkeer dat hij behagen schept in het gevoel, welk gevoel hij ook steeds mag voelen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het en houdt zich eraan vast. Omdat hij dat doet, verschijnt bij hem zich vermaken. Zich vermaken aan gevoel is hechten. Veroorzaakt door hechten is worden; veroorzaakt door worden is geboorte; veroorzaakt door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is de oorsprong van deze hele massa van lijden."


Evenzo met oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, lichaam en aanrakingsobject, geest en geestobect.


Kortom: Wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, is hij begerig ernaar als het aangenaam is. Hij is afkerig ervan als het onaangenaam is. Hij leeft zonder gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met begrensd gemoed en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden. Hij is zodanig verwikkeld in voorkeur en afkeer dat hij behagen schept in het zintuiglijk object, welk object hij ook steeds mag waarnemen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het en houdt zich eraan vast. Omdat hij dat doet, verschijnt bij hem zich vermaken. Zich vermaken aan een zintuiglijk object is hechten. Veroorzaakt door hechten is worden; veroorzaakt door worden is geboorte; veroorzaakt door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is de oorsprong van deze hele massa van lijden."


"Monniken, een Tathāgata verschijnt in de wereld. Hij is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene. Hij onderwijst de leer die goed is in het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst ze met de juiste betekenis en de juiste uitdrukkingswijze; hij onthult een heilig leven dat geheel en al volmaakt en zuiver is.

Iemand verneemt de leer en krijgt vertrouwen in de Boeddha. Hij neemt de regels van deugdzaamheid op. Hij onthoudt zich van doden; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid. Hij verspreid geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij eet geen ruw vlees. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

Een gezinshoofd en de zoon van een gezinshoofd of iemand die tot een ander gezin behoort, verneemt die Dhamma. Daardoor krijgt hij vertrouwen in de Tathāgata. In het bezit van dat vertrouwen overweegt hij: 'Het leven van een gezinshoofd is eng en stoffig. Het leven in de huisloosheid is wijd en open. Wanneer men thuis woont is het niet gemakkelijk om het heilige leven te leiden dat ten zeerste volmaakt en zuiver is. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis wegtrek naar het huisloze leven.' Bij een latere gelegenheid scheert hij hoofdhaar en baard af, trekt het gele gewaad aan en van het leven in huis trekt hij weg naar het huisloze leven. Daarbij geeft hij een klein of een groot vermogen op, een kleine of grotere kring van verwanten.

Nadat hij zo in de huisloosheid is getrokken en de oefening en levenswijze van de bhikkhus op zich heeft genomen, onthoudt hij zich van doden en kwellen; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op, onthoudt zich van geslachtelijk verkeer. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid, is te vertrouwen. Hij verspreid geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij spreekt over datgene wat goed is, spreekt over de Dhamma en de discipline. Hij spreekt te juister tijd, spreekt woorden die waard zijn onthouden te worden. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan onbereid voedsel aan te nemen. Hij neemt geen ruw vlees aan. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen slaven en slavinnen aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

Hij heeft voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen, en met de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Waarheen hij ook gaat, hij neemt alleen dat mee. Juist zoals een vogel alleen met de vleugels als bagage vliegt, evenzo heeft de bhikkhu voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen en aan de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Voorzien van deze opeenhoping van edele deugdzaamheid ondervindt hij een zaligheid die onberispelijk is.

Wanneer hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij het zintuig van zien onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt het zintuig van zien, hij houdt zich bezig met het beheersen van dat zintuig.

Evenzo met het oor (zintuig van horen) en geluid, neus (zintuig van ruiken) en geur, tong (zintuig van proeven) en smaak, lichaam (zintuig van aanraken) en aanrakingsobject, geest (zintuig van denken e.d.) en geestelijk object.

Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij de zintuigen onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt de zintuigen, hij houdt zich bezig met het beheersen van die zintuigen.


Omdat hij deze edele beheering van de zintuigen heeft, ondervindt hij een zaligheid die onbevlekt is.

Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het komen en bij het gaan. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het dragen van het (onder)gewaad, het buitengewaad (de mantel) en de nap. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij de ontlasting en bij het urineren. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

Omdat hij deze opeenhoping van edele deugdzaamheid, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit heldere weten heeft, trekt hij zich terug naar een afgescheiden verblijfplaats: in een bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een bergkloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een open veld, op een bundel stro.

Na terugkeer van de ronde voor aalmoezen, na de maaltijd gaat hij met gekruiste benen en met het lichaam rechtop neerzitten, oplettend en helder bewust. Hij overwint de hebzucht naar wereldlijke dingen en vertoeft met een hart dat vrij is van hebzucht. Hij zuivert zijn geest van hebzucht. Hij overwint kwaadwil en haat en vertoeft met een hart dat vrij is van kwaadwil, dat mededogen ondervindt voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Hij overwint traagheid en starheid en vertoeft met een hart dat vrij is van traagheid en starheid, met lichte geest, oplettend en helder bewust. Hij zuivert zijn geest van traagheid en starheid. Hij overwint rusteloosheid en gewetenswroeging en vertoeft gelijkmoedig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging. Hij overwint de twijfel en vertoeft vrij van twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.


Nadat hij deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, heeft overwonnen, treedt hij geheel afgescheiden van zintuiglijk genot, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, in de eerste meditatieve verdieping (jhana) in.

Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk.

Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt hij innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En hij treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk ontstaan uit concentratie.

Na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt hij binnen en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping.

Na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt hij binnen in de vierde meditatieve verdieping. Op grond van gelijkmoedigheid heeft deze geen angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door oplettendheid. En hij vertoeft erin.

Wanneer hij met het oog een vorm ziet, is hij niet begerig ernaar wanneer ze aangenaam is, en hij is er niet afkerig van als ze onaangenaam is. Hij leeft met gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met onbegrensd hart; en hij begrijpt de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden, overeenkomstig de werkelijkheid.

Nadat hij voorkeur en afkeer heeft opgegeven, schept hij geen behagen in het gevoel, welk gevoel hij ook steeds mag voelen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het niet en houdt zich niet eraan vast. Omdat hij dat niet doet, houdt bij hem behagen scheppen op. Met het ophouden van behagen scheppen volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt het ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is het ophouden van deze hele massa van dukkha.

Evenzo met de andere zintuigen – oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, lichaam en aanrakingsobject, geest en geestobject -


Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, is hij niet begerig ernaar wanneer het aangenaam is, en hij is er niet afkerig van als het onaangenaam is. Hij leeft met gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met onbegrensd hart; en hij begrijpt de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden, overeenkomstig de werkelijkheid.


Nadat hij voorkeur en afkeer heeft opgegeven, schept hij geen behagen in het zintuiglijk object, welk object hij ook steeds mag waarnemen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het niet en houdt zich niet eraan vast. Omdat hij dat niet doet, houdt bij hem behagen scheppen op. Met het ophouden van behagen scheppen volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt het ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is het ophouden van deze hele massa van dukkha.

Monniken, deze bevrijding door het vernietigen van begeerte moeten jullie in het geheugen onthouden, zoals ze door mij in het kort is uitgelegd. Maar de bhikkhu Sati, de zoon van een visser, is verstrikt geraakt in het geweldige net van het begeren, in de voetangel van begeerte."


Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de Verhevene.



M.39. (M.IV.9) Mahā Assapura sutta


Grote toespraak te Assapura, een stadje in het land Anga, over de plichten van een asceet.

De mensen waren er devoot en hielpen de monniken met gaven. Uit dankbaarheid voor hun gaven en om de devote mensen de mogelijkheid te geven veel verdiensten te verwerven, vroeg de Boeddha aan de monniken dringend zich goed in te spannen bij de training en de praktijk van de Dhamma, steeds een niveau hoger komende, te beginnen bij het vermijden van slechte daden, beheersing in lichamelijke en geestelijke daden, meditatie, het bereiken van de vier jhānas t/m Nibbāna.

De monnik moet zich oefenen in de dingen die iemand tot een ware monnik maken. Hij moet vervuld zijn van schaamtegevoel en angst om het verkeerde te doen. Zijn gedrag in daden, woorden en denken en zijn levenswijze moet gezuiverd, helder en open zijn, onberispelijk en beheerst; en vanwege een dergelijk gedrag moet hij niet zichzelf prijzen en anderen minachten. De zintuigen moet hij beschermen en zich nergens aan hechten, om te voorkomen dat onheilzame toestanden van de geest binnendringen. Hij moet matig zijn bij het eten. Hij moet oplettend zijn. Vrij van hebzucht naar de wereld moet hij kwaadwil en haat overwinnen. Dan vertoeft hij in de meditatie over liefdevolle vriendelijkheid en mededogen met alle levende wezens. Hij overwint traagheid en luiheid, rusteloosheid en geestelijke onrust; gelijkmoedig vertoeft hij met innerlijke vrede. Hij overwint twijfel.

Na het overwinnen van die vijf hindernissen treedt hij binnen in de 1e, 2e, 3e en 4e meditatieve verdieping. Dan richt hij zijn geest op de herinnering aan vroegere levens. Dan richt hij zijn geest op het sterven en weer verschijnen van wezens overeenkomstig hun wilsacties. Daarna richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt de neigingen, het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg naar de opheffing ervan. Zijn geest wordt bevrijd van de neigingen en hij weet dat hij geheel en al bevrijd is. Verder is er niets meer te doen. Zo iemand wordt een ware monnik genoemd, een ware brahmaan, een edele, een arahant.




M.40. (M.IV.10) Cūla Assapura sutta


Kleine toespraak te Assapura in het land Anga over de plichten van een asceet. De Boeddha vroeg er aan de monniken de namen samana en brāhmana waard te zijn. Samana betekent iemand die zijn hartstochten tot bedaren heeft gebracht. Brāhmana is iemand die zich bevrijd heeft van de smetten, belemmeringen. Een bhikkhu moet zich van die belemmeringen bevrijden.

Een bhikkhu overwint hebzucht, kwaadwil en toorn. Hij overwint wraakgevoelens, minachting en hoogmoed, jaloersheid, gierigheid, bedrog, slechte wensen, verkeerde visie. Op die manier leeft hij juist.

Hij ziet dat hij van die slechte, onheilzame toestanden van de geest bevrijd is. Vreugde komt bij hem op en vervoering. Het lichaam wordt stil en hij ondervindt geluk. Zijn geest wordt geconcentreerd.

Alle richtingen doordringt hij met een geest van liefdevolle vriendelijkheid, van mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid.

Wie door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht intreedt in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die met de vernietiging van de neigingen vrij van neigingen is, en daarin verblijft, hij is reeds een monnik op grond van de vernietiging van de neigingen.


De eigenschappen van een echte monnik zijn: vrees en schaamte betreffende het begaan van kwaad; zuiver te zijn bij lichamelijke, vocale en mentale acties; zuiverheid bij levensonderhoud; beheersing der zinnen; matigheid bij het gebruik van voedsel; wakker en oplettend te zijn; vrij te zijn van de vijf hindernissen; het bereiken van concentratie; in staat te zijn zich eerdere geboortes te herinneren; in staat te zijn de bestemming van andere wezens te kennen; bevrijd te zijn van alle onwetendheid.




M.V. Cūlayamaka-vagga

De redenen waarom sommigen naar de hemel gaan en anderen naar de hel. Wilsacties en gevolgen. Wie is wijs en wie niet? Wat zijn de juiste betekenissen van de termen vedanā (gevoel), saññā (waarneming) en viññāna (bewustzijn) ? Ontstaan ze samen of afzonderlijk? Wat is juist inzicht? Wat is leven na de dood? Wat is een jhāna (meditatieve verdieping)? Wat is het bereiken van een ophouden van het proces van bewustzijn? En wat is de bevrijding van de geest? De onwetendheid van een statisch inzicht van de werkelijkheid, is gebaseerd op het hechten aan de vijf khandhas, de vijf staten van lichaam en geest. Een opheffen van gehechtheid betekent een opheffen van dat inzicht. Men moet voorzichtig en kritisch zijn bij de keuze van een leraar. De nadelen van twisten en de voordelen van vrede en vriendschap onder elkaar. Weerlegging van de verkeerde visie over eternalisme.107

 


M.41. (M.V.1) Sāleyyaka sutta.


Toespraak tot de brahmanen van Sālā, een dorp in Kosala, over de redenen waarom sommigen naar de hemel gaan en anderen naar de hel. Door een goed gedrag in daden, woorden en gedachten krijgt men zeker een goede bestemming; door een niet goed gedrag in daden, woorden en gedachten krijgt men een slechte bestemming. Ook wordt uitgelegd welk gedrag naar de bevrijding van lijden voert.




M.42. (M.V.2) Verañja(ka) sutta.

Dezelfde toespraak, nu tot de brahmanen van Verañja.




M.43. (M.V.3) Mahāvedalla sutta.

Te Savatthi. Toespraak van de eerwaarde Sāriputta tot Makākotthita. De volgende vragen worden er behandeld: Wie is wijs en wie niet? Wat zijn de juiste betekenissen van de termen vedanā (gevoel), saññā (waarneming) en viññāna (bewustzijn)? Ontstaan ze samen of afzonderlijk? Wat is juist inzicht? Wat is leven na de dood? Wat is een jhāna (meditatieve verdieping)? Wat is het bereiken van een ophouden van het proces van bewustzijn? En wat is de bevrijding van de geest?



M.43. (M.V.3) Mahāvedalla sutta - De langere reeks van vragen en antwoorden


De Verhevene vertoefde te Savatthi in het Jetavana park van Anathapindika. De eerwaarde Mahâ Kotthita108 verhief zich uit zijn meditatie en ging naar de eerwaarde Sariputta toe. Hij stelde enkele vragen en de eerwaarde Sariputta gaf antwoord.


(wijsheid)


Iemand is niet wijs als hij niet begrijpt wat dukkha is, wat de oorsprong ervan is, wat het ophouden ervan is en wat de weg is die voert naar het ophouden van dukkha.

Iemand die wijs is begrijpt wat dukkha is, wat de oorsprong ervan is, wat het ophouden ervan is en wat de weg is die voert naar het ophouden van dukkha.


(bewustzijn)


Het bewustzijn ervaart; het ervaart 'aangenaam', het ervaart 'pijnlijk', het ervaart 'noch pijnlijk noch aangenaam'.

Wijsheid en bewustzijn, deze twee toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden, ze zijn niet gescheiden, en het is onmogelijk ze van elkaar te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men begrijpt dat ervaart men, en wat men ervaart, dat begrijpt men.

Het verschil tussen wijsheid en bewustzijn is dat wijsheid ontplooid moet worden en dat bewustzijn volledig doorschouwd moet worden.


(gevoel)


  Het gevoel voelt; het voelt iets aangenaams, het voelt iets pijnlijks, het voelt iets wat noch aangenaam noch pijnlijk is.


(waarneming)


Waarneming neemt waar; het neemt blauw waar, en geel, en rood, en wit. Het neemt waar.

Gevoel, waarneming en bewustzijn, deze toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden. Het is niet mogelijk de ene van de andere toestand te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men voelt, dat neemt men waar, en wat men waarneemt dat ervaart men (daar is men zich van bewust).


  Met gezuiverd geest-bewustzijn dat vrij is van de vijf zintuiglijke vermogens, kan het gebied van de ruimte-oneindigheid ontsloten worden: ruimte is oneindig. Het gebied van bewustzijnsoneindigheid kan zo ontsloten worden: bewustzijn is oneindig. Het gebied van nietsheid kan zo ontsloten worden: niets is er.

Een ontsluitbare toestand begrijpt men met het oog der wijsheid.

Het doel van wijsheid is direct inzicht met hogere geesteskracht; het doel is volledig doorzien;109 het doel ervan is het overwinnen.

Er zijn twee voorwaarden voor het ontstaan van juist inzicht, namelijk de uiting van iemand anders en juist overwegen.

Juiste visie wordt ondersteund door vijf factoren, wanneer ze de bevrijding van het gemoed als vrucht heeft, wanneer ze de bevrijding door wijsheid110 als vrucht en nut heeft. Juiste visie wordt ondersteund door deugdzaamheid, leren, uitleg, rust en inzicht.

Juiste visie die door deze vijf factoren ondersteund wordt, heeft de bevrijding van het gemoed als vrucht en nut, heeft de bevrijding door wijsheid als vrucht en nut.

Er zijn drie soorten van worden, namelijk worden van de sferen der zinnen, worden van de (fijnstoffelijke) vorm en vormloos worden.

Het vernieuwen van het worden in de toekomst komt tot stand doordat de wezens die door onwetendheid geremd en door begeerte geboeid zijn, zich vermaken aan het een en ander.

Met het verdwijnen van de onwetendheid, met het verschijnen van waar weten, en met het ophouden van de begeerte komt de vernieuwing van het worden in de toekomst niet tot stand.


(de jhanas)


De eerste jhana is als volgt: afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden treedt men binnen in de eerste jhana. Die is begeleid door begin- en aanhoudende toewending van de geest. Ze vertoeft erin, met vervoering en geluk die uit de afgescheidenheid zijn ontstaan.

De eerste jhana heeft vijf factoren. Wanneer men in de eerste jhana is ingetreden, treden begin-toewending van de geest, aanhoudende toewending van de geest, vervoering, zaligheid en concentratie van de geest op.

In de eerste jhana zijn vijf factoren overwonnen en vijf factoren zijn erin ingesloten. Als men in de eerste jhana is ingetreden, is zinsbegeerte overwonnen, is kwaadwil overwonnen, zijn traagheid en slapheid overwonnen, zijn rusteloosheid en gewetensonrust overwonnen en is twijfel overwonnen. Dan treden begin-toewending van de geest, aanhoudende toewending van de geest, vreugde, zaligheid en concentratie van de geest op.

De vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze ervaren niet het veld van een ander zintuig. De zintuigen om te zien, te horen, te ruiken, te proeven en aan te raken, – die vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze vinden hulp in de geest, en de geest ondervindt hun velden en gebieden.

De vijf zintuigen zijn afhankelijk van levenskracht. De levenskracht is afhankelijk van hitte. Hitte is afhankelijk van levenskracht.

Net zoals bij een brandende olielamp het licht ervan afhankelijk is van de vlam, en de vlam begrepen wordt in afhankelijkheid van het licht, evenzo staat levenskracht in afhankelijkheid van hitte en staat hitte in afhankelijkheid van levenskracht.

Formaties van het leven zijn er niet tot voelende dingen. Wanneer er formaties van het leven tot voelende dingen waren, dan zou men iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel intreedt, niet meer daaruit zien opduiken. Omdat formaties de ene zaak zijn en tot voelende dingen een andere zaak, kan men iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel intreedt, weer daaruit zien opduiken.

  Wanneer dit lichaam beroofd is van drie toestanden, namelijk levenskracht, hitte en bewustzijn, dat wordt het opgegeven, achtergelaten, dan laat men het liggen, zonder wil als een stuk hout.111

Het verschil tussen iemand die dood is en iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel is ingetreden, is als volgt. Bij iemand die dood is zijn de lichamelijke formaties beëindigd, tot rust gekomen; de spraakformaties zijn beëindigd en tot rust gekomen; de geestelijke formaties zijn beëindigd en tot rust gekomen; zijn levenskracht is uitgeput, zijn hitte is vervluchtigd; en zijn zintuiglijke vermogens zijn volledig vervallen. En bij iemand die is ingetreden in het uitdoven van waarneming en gevoel, hebben de lichamelijke formaties opgehouden en zijn tot rust gekomen, hebben de spraakformaties opgehouden en zijn tot rust gekomen, hebben de geestelijke formaties112 opgehouden en zijn tot rust gekomen, maar zijn levenskracht is niet uitgeput, zijn hitte is niet vervluchtigd, en zijn zintuiglijke vermogens zijn gereinigd. Dat is het verschil tussen een dode en iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel is ingetreden.

Voor het bereiken van de noch pijnlijke noch aangename bevrijding van het gemoed zijn er vier voorwaarden, namelijk met het overwinnen van geluk en leed en met het reeds vroegere verdwijnen van vreugde en droefenis, treedt iemand in de vierde jhana in. Op grond van gelijkmoedigheid omvat die noch-pijnlijks noch aangenaams, ze omvat zuiverheid van de oplettendheid. En hij vertoeft erin.

Voor het bereiken van de bevrijding van het gemoed zonder kenmerken zijn er twee voorwaarden, namelijk het niet achtslaan op alle kentekenen en het acht slaan op het kentekenvrije element.

Voor het voortduren van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er drie voorwaarden, namelijk het niet acht slaan op alle eigenschappen, het acht slaan op het kentekenvrije element en de eerdere vastlegging (van de duur ervan).


Voor het uitreden uit de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er twee voorwaarden, namelijk het acht slaan op alle kentekenen en het acht slaan op alle kentekenen en het niet acht slaan op het kentekenvrije element.

De onmeetbare bevrijding van het gemoed, de bevrijding van het gemoed door nietsheid, de bevrijding van het gemoed door leegheid en de kentekenloze bevrijding van het gemoed,113 – enerzijds zijn dat verschillende toestanden met verschillende kentekenen, anderzijds zijn ze één, alleen met verschillende kentekenen.

En op welke manier zijn het verschillende toestanden met verschillende kenmerken? - Iemand doordringt een hemelsrichting met een hart dat vervuld is van metta, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelsrichting, en ook opwaarts en neerwaarts, in alle richtingen. En hij vertoeft erin tot allen evenveel metta als tot zichzelf. De hele wereld doordringt hij met een gemoed dat vol metta is, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Hij doordringt alle hemelsrichtingen met een hart dat gevuld is van meegevoel, en ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen. Hij heeft evenveel meegevoel tot anderen als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van meegevoel, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Hij doordringt de ene hemelsrichting met een hart dat vervuld is van medevreugde, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelsrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van medevreugde, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Hij doordringt de ene hemelsrichting met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelsrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Dit wordt de onmetelijke bevrijding van het hart genoemd.


De bevrijding van het hart door nietsheid is als volgt. Met het volledig overwinnen van het gebied van bewustzijnsoneindigheid, waarbij iemand zich voor de geest haalt 'daar is niets', treedt hij binnen in het gebied van de nietsheid en hij vertoeft erin.

De bevrijding van het gemoed door leegheid is als volgt. Iemand overweegt: 'dit is leeg van een zelf of van iets dat tot een zelf behoort.'

De kentekenloze bevrijding van het hart is als volgt. Onder niet acht slaan op alle kentekenen treedt een bhikkhu binnen in de kentekenloze concentratie van het hart en hij vertoeft erin.


Op die manier zijn dat verschillende toestanden met verschillende kenmerken.


En op welke manier zijn deze toestanden één, alleen met verschillende kenmerken? - Begeerte legt maatstaven op, haat legt maatstaven op, onwetendheid legt maatstaven op. In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn deze maatstaven opgeheven, aan de wortel afgesneden, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

Van alle soorten van de onmetelijke bevrijding van het hart wordt de onwrikbare bevrijding van het hart als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan. Van alle soorten van de bevrijding van het hart door nietsheid wordt op de onwrikbare bevrijding van het hart de nadruk gelegd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat, leeg van onwetendheid.

Begeerte schept kenmerken, haat schept kenmerken, onwetendheid schept kenmerken.114 In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

Van alle soorten van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed wordt de onwrikbare bevrijding van het gemoed als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het gemoed evenwel is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

Op die manier zijn die toestanden één, alleen met verschillende kenmerken.

  Zo sprak de eerwaarde Sāriputta. En de eerwaarde Mahā Kotthita was tevreden en verheugde zich over deze woorden.




M.44. (M.V.4) Cūlavedalla sutta.

Toespraak van de non Dhammadinnā tot de lekenvolgeling Visākha. Uitgelegd werden vragen over zelf-identificatie; onwetendheid van de werkelijkheid welke onwetendheid gebaseerd is op het hechten aan de vijf khandhas, de vijf staten van lichaam en geest; opheffing van gehechtheid; doordringing van de ware aard van gevoel; en het bereiken van Nibbana.

De vijf groepen van bestaan waaraan men hecht worden persoonlijkheid genoemd. De oorzaak van persoonlijkheid is de begeerte die naar wedergeboorte voert.

Het beëindigen van de persoonlijkheid is het opgeven van de begeerte. De weg naar het opgeven ervan is het edele achtvoudige pad. De mening van een zelf ontstaat door vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn als een zelf te beschouwen.

Besproken worden de jhanas. Het tegendeel van onwetendheid is juist weten. Het tegendeel van juist weten is bevrijding. Het tegendeel van bevrijding is Nibbana.


(Volgens het commentaar was Visakha de vroegere echtgenoot van de non).



M.44. (M.V.4) Cūlavedalla sutta - Korte reeks van vragen en antwoorden


De Verhevene vertoefde te Rajagaha in het bamboepark.

De lekenvolgeling Visâkha ging naar de Bhikkhuni Dhammadinna toe, groette haar eerbiedig en stelde vragen.

Wat wordt door de Verhevene 'persoonlijkheid' genoemd?115

De vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, die worden persoonlijkheid genoemd, namelijk:

de groep van bestaan van de vorm waaraan men hecht;

de groep van bestaan van het gevoel waaraan men hecht;

de groep van bestaan van de waarneming waaraan men hecht;

de groep van bestaan van de formaties waaraan men hecht;

de groep van bestaan van het bewustzijn waaraan men hecht.

De leek Visâkha was verheugd over het antwoord, bedankte de Bhikkhuni en stelde een andere vraag.


Wat wordt door de Verhevene de oorsprong van de persoonlijkheid genoemd?

Het is het verlangen, de begeerte die naar wedergeboorte voert, begeleid door passsie en behagen scheppen, namelijk:

begeerte naar zinnelijkheid;

begeerte naar bestaan; en

begeerte naar bestaansmogelijkheid.

Dit wordt door de Verhevene de oorsprong van de persoonlijkheid genoemd.

 

Wat wordt door de Verhevene het beëindigen van de persoonlijkheid genoemd?

Het is het verbleken en ophouden zonder resten, het opgeven, verzaken, loslaten en afwijzen van die begeerte.

Dat wordt door de Verhevene het beëindigen van de persoonlijkheid genoemd.


  Wat wordt door de Verhevene de weg genoemd die naar het ophouden van de persoonlijkheid voert?

Het is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juiste visie, juiste bedoeling, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.


Dat hechten is niet hetzelfde als deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, noch is het hechten gescheiden van die vijf groepen van bestaan. Het is het hevig verlangen en de begeerte in de vijf groepen van bestaan116 waaraan gehecht wordt, hetwelk genoemd hechten is.


De mening van persoonlijkheid ontstaat op de volgende manier. Een niet onderwezen wereldling die geen acht slaat op de edelen en die de leer van hen niet volgt en er niet in geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en die hun leer niet navolgt en er niet in geschoold is, die persoon beschouwt vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt formaties als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid.


De mening van persoonlijkheid ontstaat niet op de volgende manier. Een goed onderwezen edele volgeling die acht slaat op de edelen en die in hun leer onderwezen is, die acht slaat op oprechte mensen en die in hun leer onderwezen is, die persoon beschouwt vorm niet als zelf of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel niet als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming niet als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt formaties niet als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn niet als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid niet.


Het edele achtvoudige pad is juist inzicht, juiste bedoeling, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.

Dat edele achtvoudige pad is gevormd.


De drie velden van oefening bevinden zich niet in het edele achtvoudige pad, maar het edele achtvoudige pad bevindt zich in de drie velden van oefening.

Juist taalgebruik, juist handelen en juiste levenswijze, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van de deugdzaamheid.

Juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van de scholing van de geest.

Juist inzicht, juist denken, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van wijsheid.


Concentratie is het op één punt richten van de geest. De basis van concentratie zijn de vier grondslagen van oplettendheid. De vier juiste inspanningen zijn het gereedschap van concentratie. De herhaling, ontwikkeling en oefening van deze vaardigheden is daarbij de ontwikkeling van de concentratie.


Er zijn drie formaties, namelijk de formatie van het lichaam; de formatie van de taal; en de formatie van de geest.117

De formatie van het lichaam is het in- en uitademen. De formatie van de taal zijn vorming van gedachten en discursief denken. De formatie van de geest zijn waarneming en gevoel.


  Het in- en uitademen is de formatie van het lichaam omdat ze lichamelijk zijn. Die toestanden zijn nauw met het lichaam verbonden.

Vorming van gedachten en discursief denken is de formatie van de taal omdat men eerst gedachten vormt en discursief denkt en daarna begint met praten.

Waarneming en gevoel is de formatie van de geest omdat ze geestelijk zijn. Die toestanden zijn nauw met de geest verbonden.

 

Wanneer iemand het ophouden van waarneming en gevoel bereikt, dan komt bij hem niet de gedachte: 'ik zal het ophouden van waarneming en gevoel bereiken' of 'ik bereik juist het ophouden van waarneming en gevoel' of 'ik heb het ophouden van waarneming en gevoel bereikt.' Maar zijn geest is reeds zozeer ontwikkeld dat ze hem in die toestand voert.


Wanneer iemand het ophouden van waarneming en gevoel bereikt, houdt eerst de formatie van spreken op, dan de formatie van het lichaam, en dan de formatie van de geest.118

Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uittreedt, dan komt bij hem niet de gedachte 'ik zal uit deze toestand uittreden' of 'ik treedt nu uit die toestand uit' of 'ik ben uit die toestand uitgetreden.' Maar zijn geest is al zodanig ontwikkeld dat ze hem naar die toestand voert.

Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uittreedt, stijgt eerst de formatie van de geest op, dan de formatie van het lichaam, en dan de formatie van het praten.

Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uitgetreden is, raken hem drie soorten van contact aan, namelijk leegheid contact, kentekenloos contact, wensloos contact.119

Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel is uitgetreden, dan richt zijn geest zich op afgescheidenheid, neigt zich naar afgescheidenheid, streeft naar afgescheidenheid.


Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, pijnlijk gevoel, noch aangenaam noch pijnlijk gevoel.

Wat lichamelijk of geestelijk als aangenaam en prettig ondervonden wordt, dat is aangenaam gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk als pijnlijk en onaangenaam ondervonden wordt, dat is pijnlijk gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk noch als aangenaam noch als onaangenaam ondervonden wordt, dat is noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.

Aangenaam gevoel is aangenaam wanneer het voortduurt, en het is pijnlijk wanneer het verandert. Pijnlijk gevoel is pijnlijk wanneer het voortduurt, en het is aangenaam wanneer het verandert. Noch pijnlijk noch aangenaam gevoel is aangenaam wanneer men er weet van heeft, en het is pijnlijk wanneer men niet ervan weet.


De neiging tot begeerte ligt ten grondslag aan het aangename gevoel. De neiging tot afkeer ligt ten grondslag aan het pijnlijke gevoel. De neiging tot onwetendheid ligt ten grondslag aan het noch pijnlijke noch aangename gevoel.

De neiging tot begeerte ligt niet aan ieder aangenaam gevoel ten grondslag. De neiging tot afkeer ligt niet aan ieder pijnlijk gevoel ten grondslag. De neiging tot onwetendheid ligt niet aan ieder noch pijnlijk noch aangenaam gevoel ten grondslag.

De neiging tot begeerte moet overwonnen worden wat betreft aangenaam gevoel. De neiging tot afkeer moet overwonnen worden wat betreft pijnlijk gevoel. De neiging tot onwetendheid moet overwonnen worden wat betreft noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.

De neiging tot begeerte is niet te overwinnen wat betreft elk aangenaam gevoel. De neiging tot afkeer is niet te overwinnen wat betreft elk pijnlijk gevoel. De neiging tot onwetendheid is niet te overwinnen wat betreft elk noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.


Volledig afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in de eerste jhana. Ze gaat samen met begin- en voortdurende concentratie van de geest, met vreugde en zaligheid. Ze is ontstaan uit de afgescheidenheid. Daarmee verlaat hij de begeerte en bij hem ligt geen neiging tot begeerte ten grondslag.

Iemand overweegt als volgt: 'Wanneer zal ik dat gebied betreden en erin vertoeven, dat gebied dat de edelen nu betreden, waarin zij vertoeven?' Bij iemand die op die manier verlangen naar de hoogste bevrijding ontwikkelt, stijgt droefheid op veroorzaakt door dat verlangen. Daarmee verlaat hij de afkeer en bij hem ligt geen neiging tot afkeer ten grondslag.

Met het overwinnen van geluk en pijn en het reeds eerdere verdwijnen van vreugde en verdriet treedt iemand in de vierde jhana binnen. Op grond van gelijkmoedigheid heeft die noch iets pijnlijks noch iets aangenaams. En hij vertoeft erin. Daarmee verlaat hij de onwetendheid en bij hem ligt geen neiging tot onwetendheid ten grondslag.


Het tegendeel van aangenaam gevoel is pijnlijk gevoel. Het tegendeel van pijnlijk gevoel is aangenaam gevoel. Het tegendeel van noch pijnlijk noch aangenaam gevoel is onwetendheid. Het tegendeel van onwetendheid is juist weten. Het tegendeel van juist weten is bevrijding. Het tegendeel van bevrijding is Nibbana. Nibbana is het toppunt van het heilige leven; het heilige leven eindigt in Nibbana."

De leek Visâkha verheugde zich over de woorden van de non Dhammadinna, nam eerbiedig afscheid van haar en ging naar de Verhevene toe. Daar vertelde hij zijn gesprek met de non Dhammadinna. De Verhevene keurde de woorden van de non goed en prees haar grote wijsheid.




M.45. (M.V.5) Cūladhammasamādāna sutta.

Korte toespraak over het hebben van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst.

In dit en in het volgende sutta legt de Boeddha vier manieren van gedrag uit die prettige of onprettige gevolgen hebben in het heden en in de toekomst.




M.45. (M.V.5) Cūladhammasamādāna sutta


Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er de monniken toe. Er zijn vier manieren om dingen te doen, namelijk:

1. Men doet dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

2. Men doet dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

3. Men doet dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.

4. Men doet dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.


(1) Dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen: Er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er niets nadeligs is in het genot van de zintuigen. Zij maken er een gewoonte van in zinsgenot te zwelgen, en vinden verstrooing bij rondtrekkende vrouwen,120 die haar haren in een knot gebonden dragen. Zij beweren het volgende: „Welke toekomstige verschrikkingen zien die goede monniken en brahmanen in het zinsgenot wanneer zij praten over het overwinnen ervan en het volledige doorzien van het zinsgenot beschrijven? Aangenaam is de aanraking van de tedere, zachte, donzige arm van deze rondtrekkende vrouwen.“ Zo wennen zij eraan in zinsgenot te zwelgen. En tengevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens. Zij zeggen dan: 'Dit zijn de toekomstige angsten die de goede monniken en brahmanen in zinsgenot zagen, toen zij spraken over het overwinnen ervan en het volledige doorschouwen van zinsgenot beschreven. Want op grond van zinsgenot, ten gevolge van zinsgenot ondervinden wij nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.'

Monniken, stel dat in de laatste maand van het warme seizoen een vruchtscheut van de Maluva-klimplant openbarste en een zaadje ervan aan de voet van een salaboom neerviel. Een deva die in die boom huisde, werd daarop bang, verontrust en hij sprong op van schrik. De vrienden en kameraden, naaste en verre familieleden – tuindevas, parkdevas, boomdevas en devas die geneeskrachtige kruiden, gras en machtige bomen bewonen121 – kwamen bijeen en stelden de deva gerust met de woorden: „Wees niet bang, vereerde, heb geen angst. Misschien zal het zaadje van die klimplant door een pauw of een wild dier opgegeten worden of een bosbrand zal het verbranden, of bosarbeiders dragen het weg, of witte mieren eten het op. Of het is misschien niet vruchtbaar.“

Maar dat alles gebeurde niet en het zaadje was wel degelijk vruchtbaar. Toen werd het door de neerslag van een regenwolk vochtig en ontkiemde. En de tedere, zachte, donzige rank van de klimplant wikkelde zich om die salaboom heen. De deva die in de boom woonde, dacht toen: 'Welke toekomstige verschrikkingen zagen mijn vrienden en familieleden in het zaadje van de Maluva-klimplant dat zij samenkwamen en mij op een dergelijke manier gerust stelden? De aanraking van de tedere, zachte, donzige rank is aangenaam.' Toen omhulde die klimplant de salaboom helemaal en kloofde de hoofdtakken van de boom. Toen zag de deva die in de boom woonde in welke de verschrikkingen waren die de vrienden en familieleden in het zaadje zagen. 'Wegens dat zaadje ondervind ik nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.

Op dezelfde manier is het met monniken en brahmanen die onderrichten dat er niets nadeligs is in het genot van de zintuigen. Zij maken een gewoonte van zinsgenot, wennen eraan, zwelgen in zinsgenot en tengevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.

Op die manier verricht men dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.


(2) Dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen: Iemand loopt maar rond, zeden en gewoonten verwerpend. Hij likt zijn handen af, komt niet als erom gevraagd wordt, blijft niet staan als erom gevraagd wordt. Hij neemt geen eten aan dat hem gebracht wordt of dat voor hem wordt gereed gemaakt. Hij neemt geen uitnodiging aan om te komen eten. Hij ontvangt niets uit een pot, niets uit een schotel, niets dat over de drempel, een staf, een stamper aangereikt wordt. Hij ontvangt niets van twee die samen eten, van een zwangere, van een vrouw die borstvoeding geeft, van een vrouw die bij een man ligt, van een plaats waar de verdeling van eten is aangekondigd. Hij ontvangt niets waar een hond wacht, waar vliegen zoemen. Hij neemt geen vis of vlees aan, hij drinkt geen brandewijn, wijn of gefermenteerde brouwsels. Hij houdt zich aan één huishouden, één hap; hij houdt zich aan twee huishoudens, twee happen; hij houdt zich aan drie huishoudens, drie happen; hij houdt zich aan vier huishoudens, vier happen; hij houdt zich aan vijf huishoudens, vijf happen; hij houdt zich aan zes huishoudens, zes happen; hij houdt zich aan zeven huishoudens, zeven happen. Hij leeft van een volle lepel per dag, van twee volle lepels per dag, van drie volle lepels per dag, van vier volle lepels per dag, van vijf volle lepels per dag, van zes volle lepels per dag, van zeven volle lepels per dag. Hij neemt eenmaal per dag eten tot zich; hij neemt alle twee dagen eten tot zich; hij neemt alle drie dagen eten tot zich; hij neemt alle vier dagen eten tot zich; hij neemt alle vijf dagen eten tot zich; hij neemt alle zes dagen eten tot zich; hij neemt alle zeven dagen eten tot zich; en zo verder to eenmaal alle twee weken. Zo houdt hij zich bezig met de praktijk om eten slechts in vastgestelde afstanden tot zich te nemen. Hij eet loof of gierst of wilde rijst of spanen van schors, of mos of het kaf van rijs, of afval van rijst of sesam-meel, of gras of koemest. Hij leeft van wortels en vruchten uit het bos, hij voedt zich met afgevallen fruit. Hij kleedt zich in hennep, in hennep bevattende stof, in lijkgewaden, in lompen uit de afval, in boomschors, in antilopenvel, in vodden van antilopenvel, in weefsels van kusa-gras, in weefsels van boomschors, in weefsels van houtspanen, in wol van mensenhaar, in wol uit dierenhaar, in uilenvleugels. Hij is iemand die zich de haren en de baard uittrekt, die de praktijk van het haren en baard uittrekken uitoefent. Hij is iemand die steeds blijft staan en zitgelegenheden verwerpt. Hij is iemand die steeds op de grond hurkt. Hij is iemand die een mat uit dorens gebruikt; hij maakt een mat uit dorens tot zijn bed. Hij beoefent de praktijk om driemaal per dag, ook 's avonds, in het water te staan.

Op die manier houdt hij zich op veelvuldige manier bezig met de uitoefening van de praktijk waarbij hij het lichaam kwelt en doodt. Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Dat noemt men de manier om dingen te doen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.


(3) Dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen: Iemand heeft van nature een sterke begeerte in zich en ondervindt voortdurend pijn en droefheid, die uit de begeerte ontstaan. Van nature heeft hij sterke haat in zich en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid die uit haat ontstaan. Hij heeft van nature een sterke onwetendheid en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid die uit onwetendheid ontstaan. In pijn en droefheid, wenend met een gezicht dat door tranen overstroomd is, voert hij desondanks het volmaakte en reine heilige leven. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dat is de manier om dingen te doen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.


(4) Dingen te doen die nu aangenaam zijn en die in de tgoekomst als geluk vruchten dragen. Iemand heeft van nature niet sterke begeerten in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit begeerte ontstaan. Hij heeft van nature niet sterke haat in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit haat ontstaan. Hij heeft van nature niet sterke onwetendheid in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit onwetendheid ontstaan. Helemaal afgescheiden van zinsgenot, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden treedt hij binnen in de eerste jhana, die met aanvankelijke en blijvende toewending van de geest begeleid is, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit afgescheidenheid ontstaan is. Met het stil worden van die eerste jhana treedt hij binnen in de tweede jhana, die innerlijke rust en eenheid van de geest inhoudt, zonder aanvankelijke en blijvende toewending van de geest, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit concentratie is ontstaan. Met het verbleken van de vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, met lichamelijk beleefde gelukzaligheid, treedt hij binnen in de derde jhana waarvan de edelen zeggen: 'Gelukzalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,' en hij vertoeft erin. Met het overwinnen van geluk en pijn en het al eerder verdwijnen van vreugde en droefheid treeft hij binnen in de vierde jhana. Deze heeft op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich maar wel zuiverheid van de oplettendheid, en hij vertoeft erin. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dat is de manier om dingen te doen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.


Dit zijn de vier manieren om dingen te doen."

 

Dat is wat de Verhevene zei. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.




M.46. (M.V.6) Mahādhammasamādāna sutta.

Lange toespraak over het tot rijping komen van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst.

Wie doet wat niet gedaan moet worden, die ondervindt onaangename dingen. Bij degene die doet wat gedaan moet worden, nemen onaangename dingen af en nemen aangename dingen toe.

Er zijn vier soorten hoe men een leven kan voeren: (1) Men kan nu aangenaam leven maar onaangenaam later. (2) Men kan nu onaangenaam leven en ook later. (3) Men kan nu onaangenaam leven en aangenaam later. Dit is het leven van iemand die de Dhamma beoefent met moeite. (4) En men kan nu en ook later aangenaam leven. Dit is het leven van degene die de Dhamma beoefent met toewijding en ijver.



M.46. (M.V.6) Mahādhammasamādāna sutta.


Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er de monniken toe met een leerrede over het tot rijping komen van een aangenaam of onaangenaam leven nu en in de toekomst.

In de meeste gevallen hebben levende wezens deze wens, dit verlangen, namelijk dat toch onwelkome, ongewenste, onaangename dingen zullen afnemen en welkome, aangename dingen zullen toenemen. Hoewel levende wezens deze wens hebben, nemen ongewenste, onaangename dingen voor hen toe, en gewenste, aangename dingen nemen af. De oorzaken hiervan zijn als volgt.

Een niet onderwezen wereldling die de edelen niet opvolgt en die in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die oprechte mensen niet navolgt en in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die persoon weet niet welke dingen wel en welke dingen niet beoefend moeten worden.122 Omdat hij dat niet weet, beoefent hij dingen die niet beoefend moeten worden en beoefent hij geen dingen die wel beoefend moeten worden. Hij volgt dingen na die niet nagevold moeten worden, en hij volgt geen dingen na die wel nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste en aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die onverstandig is.

De goed onderwezen edele leerling, die de edelen navolgt en die in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die oprechte mensen navolgt en in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die persoon weet welke dingen wel en welke dingen niet beoefend moeten worden. Omdat hij dat weet, beoefent hij dingen die beoefend moeten worden en beoefent hij geen dingen die niet beoefend moeten worden. Hij volgt dingen na die nagevold moeten worden, en hij volgt geen dingen na die niet nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste en aangename dingen nemen toe. Dat is te verwachten voor iemand die verstandig is.


Er zijn vier soorten om dingen te doen, namelijk

1. de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt;

2. de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt;

3. de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt;

4. de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.


(De onwetende)


Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat die soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat die in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen toe, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.


(De wetende)


Een wetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenstemming met de waarheid dat die soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat die in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort niet en vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

Een wetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort niet en vermijdt ze. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

Een wetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu pijnlijk is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

Een wetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.


(De vier soorten)


(1) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt?

Wel, iemand doodt vol pijn en droefheid levende wezens en hij ondervindt pijn en droefheid die het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het nemen van wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid oefent hij verkeerd gedrag uit bij zin-genot en hij ondervindt pijn en droefheid die het verkeerde gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt pijn en droefheid die het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt pijn en droefheid die hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt pijn en droefheid die het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid kletst hij en hij ondervindt pijn en droefheid die het kletsen tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid is hij hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die hebzucht tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid is zijn geest vol kwaadwil en hij ondervindt pijn en droefheid die kwaadwil tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt pijn en droefheid die verkeerde visie tot voorwaarde hebben.

Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.


(2) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt?

Wel, vol geluk en vreugde doodt iemand levende wezens en hij ondervindt geluk en vreugde die het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt geluk en vreugde die het nemen van wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde oefent hij verkeerd gedrag uit bij zin-genot en hij ondervindt geluk en vreugde die het verkeerde gedrag bij zin-genot tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt geluk en vreugde die het spreken van de onwaarheid tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt geluk en vreugde die hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt geluk en vreugde die het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde kletst hij en hij ondervindt geluk en vreugde die het kletsen tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde is hij hebzuchtig en hij ondervindt geluk en vreugde die hebzucht tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde is zijn geest vol kwaadwil en hij ondervindt geluk en vreugde die kwaadwil tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt geluk en vreugde die verkeerde visie tot voorwaarde hebben.

Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.


(3) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt?

Wel, vol pijn en droefheid onthoudt iemand zich ervan levende wezens te doden en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zin-genot en hij ondervindt pijn en droefheid die zich onthouden van verkeerd gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van kletsen tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die afwezigheid van hebzucht tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid heeft hij geen kwaadwil en hij ondervindt pijn en droefheid die het hebben van geen kwaadwil tot voorwaarde hebben.

Vol pijn en droefheid heeft hij juiste visie en hij ondervindt pijn en droefheid die juiste visie tot voorwaarde hebben.

Na de dood verschijnt hij op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.


(4) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt?

Wel, vol geluk en vreugde onthoudt iemand zich ervan levende wezens te doden en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zin-genot en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van verkeerd gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van kletsen tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt geluk en vreugde die afwezigheid van hebzucht tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde heeft hij geen kwaadwil en hij ondervindt geluk en vreugde die het hebben van geen kwaadwil tot voorwaarde hebben.

Vol geluk en vreugde heeft hij juiste visie en hij ondervindt geluk en vreugde die juiste visie tot voorwaarde hebben.

Na de dood verschijnt hij op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.123

 

(De gelijkenissen)


Stel dat er een bittere pompoen is gemengd met vergif. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die geluk wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat die pompoen met vergif gemengd is en dat hij ervan kan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen en dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder te overleggen drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan niet en hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.


Stel dat er een bronzen kopje is vol met een drank die een goede kleur, een goede smaak en goede geur heeft. Maar er zit vergif in. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die geluk wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat de drank in het bronzen kopje een goede kleur, goede smaak en goede geur heeft, maar dat de drank met vergif gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen maar dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder te overleggen drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan maar hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.


Stel dat er gegiste urine is gemengd met verschillende medicijnen. Iemand die aan geelzucht lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat de gegiste urine met verschillende medicijnen is gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen maar dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon overlegt en drinkt ervan; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan niet, maar daarna wordt hij gezond. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.


Stel dat er een mengsel is van yogurt, honing, botervet en melasse. Iemand die aan dissenterie lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat het een mengsel is van yogurt, honing, botervet en melasse. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen en dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon overlegt en drinkt ervan; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan en daarna wordt hij gezond. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.


Juist zoals de zon in de herfst, in de laatste maand van de regentijd, wanneer de hemel helder en zonder wolken is, zich verheft boven de aarde en met haar licht, haar stralen, haar glans elke duisternis in de ruimte verdrijft, evenzo verdringt de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, met haar licht, haar stralen, haar glans elke andere leer van gewone monniken en brahmanen.


Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.




M.47. (M.V.7) Vimañsaka sutta.

Over de juiste methode van onderzoek. Men moet geen blind vertrouwen hebben in de leraar. Men moet voorzichtig en kritisch zijn bij de keuze van een leraar. Als men na grondig onderzoek vertrouwen heeft in de Boeddha, is dat vertrouwen vast verankerd, omdat het gebaseerd is op redenen.



M.48. (M.V.8) Kosambiya sutta.

Er was een twist ontstaan onder de monniken te Kosambi. De Boeddha preekte toen over nadelen van twisten en de voordelen van vrede en vriendschap onder elkaar. Men moet metta beoefenen in daden, woorden en gedachten jegens de medemonniken. De monnik deelt alles met zijn medemonniken. Hij is deugdzaam en heeft juiste visies. Hij moet overwegen welke belemmeringen hij nog heeft en die dan verwijderen. Hij moet overwegen hoe hij de innerlijke vrede verkrijgt. Hij moet overwegen of hij het karakter heeft van iemand die juist inzicht heeft. Hoe moet zich oefenen in hogere deugdzaamheid, hogere ontwikkeling van de geest en hogere wijsheid. Hij moet overwegen of hij de kracht heeft van iemand met juist inzicht. Die kracht bestaat erin dat hij aandacht schenkt aan de leer van de Verhevene, zich ermee bezig houdt, er goed naar luistert. En hij krijgt inspiratie in de betekenis ervan en krijgt vreugde verbonden met de Dhamma.

Deze eigenschappen heeft iemand die in de stroom is getreden (het eerste niveau van heiligheid).




M.49. (M.V.9) Brahmanimantanika sutta.

In de Brahmā-hemel had Brahmā Baka, de hoogste god, de verkeerde mening dat de hemelse wereld waarover hij heerste, eeuwig was. Hij dacht dat hij steeds bleef bestaan. De Boeddha legde hem uit dat de Verhevene een hogere geestelijke macht had en dat hij meer wist dan de Brahma Baka. De Boeddha wist namelijk dat het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, oneindig is en helder stralend. De Boeddha kon door zijn diep begrip van de aard van het niet-indicatieve bewustzijn van een arahant Baka bedwingen; weldra werd Baka vredig en gedwee.

Dat niet-indicatieve bewustzijn determineert niets als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar.



M.50. (M.V.10) Māratajjaniya sutta.

In het land Bhagga bij Sumsumāragira. De eerwaarde Mahā Moggallāna liep buiten op en neer. Mara kwam in zijn maag en veroorzaakte er een geluid. Mahā Moggallāna wist dat Mara dit geluid maakte. (Een andere versie zegt dat Mara een zwaar gevoel veroorzaakte in Moggalanas maagstreek). Hij sprak toen met Māra over een van zijn vroegere levens ten tijde van de Boeddha Kakusandha. Mara was toen Moggalāna’s neef en Mahā Moggallāna was toen Dūsi Māra, nam bezit van het volk en werkte de Boeddha Kakusandha en diens Orde erg tegen. Tengevolge daarvan was Moggallāna wedergeboren in de hel en had er lange tijd kwellingen te verduren. En nu was hij een volmaakte heilige met grote magische krachten.

Verder sprak de eerwaarde Maha Moggallana over de vier Brahma-viharas, liefdevolle vriendelijkheid, medeleven, medevreugde en gelijkmoedigheid, eigenschappen die naastenliefde, respect en vrede bevorderen.




M.VI. Gahapati-vagga

De vier typen mensen die zich met meditatie bezig houden. Elf dhammas voeren naar Nibbāna, o.a. de vier jhānas en de vier Brahma-vihāra-oefeningen. De discipel moet het pad van sīla, samādhi en wijsheid volgen. De ware betekenis van afzondering van de wereld. Het eten van vlees. De wil of de mentale daad is het belangrijkste. Zes manieren waarop woorden geuit kunnen worden: woorden die waar zijn, heilzaam maar niet prettig voor anderen; en woorden die waar zijn, heilzaam en prettig voor anderen. Uitleg van de verschillende soorten van gevoel (vedāna). De nadelen van verkeerde meningen en de voordelen van juiste visies.124

 



M.51. (M.VI.1) Kandaraka sutta.

Te Campā. Kandaraka, een zwervende asceet, en Pessa, zoon van een olifantenrijder, verwonderden zich over de stilte die de grote samenkomst van monniken handhaafde, zelfs geen kuchje of niezen. De Boeddha gaf de uitleg dat hun stilte eraan te danken was dat zij zich volmaakt geoefend hadden in samādhi en in de vier grondslagen van oplettendheid.

De Verhevene gaf ook een verslag van de vier typen mensen: degenen die zichzelf kwellen, degenen die andere kwellen, degenen die zichzelf en anderen kwellen, en degenen die niet kwellen en een heilig leven voeren.



M.51. (M.VI.1) Kandaraka sutta.


Te Campa, aan de oever van het meer Gaggara. De Verhevene sprak er aldus:

“Er zijn vier soorten mensen in de wereld, namelijk 1) iemand die zichzelf kwelt; 2) iemand die anderen kwelt; 3) iemand die zowel zichzelf als anderen kwelt; 4) iemand die noch zichzelf noch anderen kwelt.


(1) Degene die zichzelf kwelt is degene die een van de soorten (pijnlijke, onaangename) ascese beoefent.

(2) Degene die anderen kwelt is degene die een slachter is van (o.a.) zwijnen en schapen; een vogelvanger, een stroper, een jager, een visser, rover, beul, kerkermeester, of degene die een ander gruwelijk beroep uitoefent.


(3) Degene die zowel zichzelf als anderen kwelt is een koning, een heerser, of een hogepriester. Hij heeft een nieuw herenhuis laten bouwen. En met afgeschoren haar en baard, met een ruw vel omgord, het lichaam met boterolie bestreken, de rug met een hertengewei krabbend, betreedt hij het herenhuis, begeleid door de eerste echtgenote en door de opperpriester.

Daar neemt hij op het erf plaats. Hij laat een koe met kalf kwellen, laat stieren, vaarzen, geiten, schapen doden omwille van een offer. Hij laat bomen vellen, laat gras maaien. En zijn knechten en soldaten gaan aan het werk, uit angst, met tranen in de ogen.


(4) Degene die noch zichzelf noch anderen kwelt is reeds tijdens zijn leven uitgeblust, uitgedoofd, koel geworden. Hij voelt zich behaaglijk, heilig geworden in z'n gemoed.

Daar verschijnt de Volmaakte in de wereld, de heilige, de vollledig Ontwaakte, met volmaakte kennis en volmaakt gedrag. Hij is welkom, kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn, de leraar van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene. Hij toont deze wereld met haar boze en haar heilige geesten, met de schare boetelingen en priesters, goden en mensen, nadat hij ze zelf begrepen en doordrongen heeft. Hij verkondigt de leer waarvan het begin goed is, waarvan het midden goed is en waarvan het einde goed is, de leer die getrouw is naar de zin en naar het woord. Hij maakt het volkomen reine ascetendom openbaar.

Deze leer wordt door een gezinshoofd vernomen, of door een zoon van een gezinshoofd, of door iemand die in een andere stand is wedergeboren. Nadat hij deze leer heeft gehoord, vat hij vertrouwen op in de Volmaakte. Vervuld van dit vertrouwen denkt en overlegt hij aldus: “Een gevangenis is het leven in huis, een plaats vol onreinheid; de vrije hemel is het leven als pelgrim. Als men thuis blijft kan men niet goed het geheel reine ascetendom punt voor punt vervullen. Zou ik niet haar en baard afscheren en uit het huis in het huisloze leven gaan?” Zo geeft hij dan later een klein of een groot bezit op; heeft een grote of kleine kring van verwanten en vrienden verlaten. En met een vaal gewaad is hij, met afgeschoren haar en baard, weggegaan in het huisloze leven. Hij is nu een pelgrim geworden en heeft de Orde-plichten van de monnik op zich genomen:

1. Levende wezens te doden heeft hij verworpen; het doden van levende wezens is hem verre; zonder stok of zwaard, vol gevoel, vol deelname koestert hij voor alle levende wezens medelijden.

2. Het nemen van wat niet is gegeven heeft hij verworpen. Van het nemen wat niet is gegeven houdt hij zich verre. Alleen wat gegeven is neemt hij aan. Het gegevene wacht hij af. Hij is niet diefachtig gezind. Hij is rein geworden in het hart.

3. De onkuisheid heeft hij verworpen. Hij leeft kuis. Verre trekt hij heen, zonder paring die algemeen gebruikelijk is.

4. Leugens heeft hij verworpen. Van leugens houdt hij zich verre. Hij spreekt de waarheid. Hij is de waarheid trouw. Standvastig, vertrouwen waard, geen huichelaar en vleier der wereld is hij.

5. Het overbrengen (van praatjes) heeft hij verworpen. Van overbrengen (van praatjes) houdt hij zich verre. Wat hij hier heeft gehoord, vertelt hij elders niet verder om genen te scheiden. En wat hij elders heeft gehoord, vertelt hij hier niet verder om dezen te scheiden. Zo verenigt hij gescheidenen, verbindt verbondenen. Eendracht maakt hem blij, eendracht verheugt hem, eendracht maakt hem gelukkig; hij spreekt alleen woorden die eendracht bevorderen.

6. Barse woorden heeft hij verworpen; van barse woorden houdt hij zich verre. Woorden die vrij zijn van schimpen, woorden die het oor welgevallig zijn, lieflijk, tot het hart gaande, hoffelijk, velen verheugend, velen verheffend, zulke woorden spreekt hij.

7. Babbelen en kletsen heeft hij verworpen. Van babbelen en kletsen houdt hij zich verre. Hij spreekt te juister tijd, overeenkomstig de feiten, bedacht op de zin ervan, getrouw aan de leer en de Orde. Zijn toespraak is rijk aan inhoud, soms met gelijkenissen getooid, helder en beslist, passend bij het onderwerp.

8. Het aanleggen van zaadgoed en beplantingen heeft hij verworpen.

9. Eénmaal per dag gebruikt hij de maaltijd; 's nachts is hij nuchter. Het ligt hem verre om te onjuister tijd te eten.

10. Van dans, gezang, spel, tentoonstellingen [film, toneel e.d.] houdt hij zich verre.

11. Kransen, parfum, zalven, sieraden, tooi wijst hij af.

12. Hoge, prachtige ligplaatsen [bedden] versmaadt hij.

13. Goud en zilver [en geld] neemt hij niet aan.

14. Niet toebereide gewassen neemt hij niet aan.

15. Niet toebereid vlees neemt hij niet aan.

16. Vrouwen en meisjes neemt hij niet aan. Dienaren en dienaressen neemt hij niet aan. Geiten en schapen neemt hij niet aan. Kippen en varkens neemt hij niet aan. Huis en veld(en) neemt hij niet aan. Boodschappen, zendingen, opdrachten voert hij niet uit. Van kopen en verkopen houdt hij zich verre. Van verkeerde maat en gewicht houdt hij zich verre. Van de hellende wegen van omkoperij, misleiding, gemeenheid houdt hij zich verre. Van vechtpartijen, kloppartijen, roven, plunderen en dwingelandij houdt hij zich verre. Hij is tevreden met het gewaad dat zijn lichaam bedekt, is tevreden met het aalmoes dat zijn leven verlengt. Waarheen hij ook zijn pelgrimstocht voert, daarheen pelgrimeert hij, slechts met het gewaad en de bedelnap voorzien. Zoals wanneer een gevleugelde vogel enkel met de last van zijn veren vliegt, evenzo is de monnik tevreden met het gewaad dat zijn lichaam bedekt, met het aalmoes dat zijn leven verlengt. Waarheen hij ook rondtrekt, slechts daarmee voorzien trekt hij rond.

Door het vervullen van deze heilige regels van de deugdzaamheid ondervindt hij een innerlijk smetteloos geluk.

Als hij nu met het oog een vorm ziet, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt oog vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het oog, hij waakt ijverig over het oog.

Als hij nu met het oor een geluid hoort, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt oor vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het oor, hij waakt ijverig over het oor.

Als hij nu met de neus een geur ruikt, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte neus vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de neus, hij waakt ijverig over de neus.

Als hij nu met de tong een smaak proeft, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte tong vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de tong, hij waakt ijverig over de tong.

Als hij nu met het lichaam een aanraking voelt, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt lichaam vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het lichaam, hij waakt ijverig over het lichaam.

Als hij nu met de geest een gedachte onderkent, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte geest vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de geest, hij waakt ijverig over de geest.

Door de vervulling van deze heilige beteugeling der zinnen ondervindt hij een innerlijk onbezoedeld geluk. Helder bewust komt en gaat hij. Helder bewust kijkt hij heen en weer. Helder bewust beweegt hij zich. Helder bewust draagt hij het gewaad van de Orde en de bedelnap. Helder bewust eet en drinkt hij, kauwt en proeft hij. Helder bewust ontledigt hij zich van urine en faeces. Helder bewust gaat hij, staat hij en zit hij. Helder bewust slaapt hij in, wordt weer wakker, spreekt en zwijgt hij.

Trouw aan deze heilige regels van deugdzaamheid, trouw aan deze heilige beteugeling der zinnen, trouw aan dit heilige heldere inzicht, zoekt hij een afgelegen rustplaats op, een bos, de voet van een boom, een berggrot, een bergkloof, een begraafplaats, het midden van een bos, een ligplaats van stro in het open veld. Na de maaltijd, als hij van de aalmoezen-tocht is teruggekeerd, gaat hij met gekruiste benen neerzitten, het lichaam rechtop. En hij ontwikkelt het inzicht.

Wereldlijke begeerten heeft hij verworpen en hij vertoeft met een begeerteloos gemoed. Van begeerte zuivert hij zijn hart.

Kwaadwil heeft hij verworpen; hij vertoeft zonder haat. Vol medeleven en mededogen jegens alle levende wezens zuivert hij zijn hart van kwaadwil.

Traagheid en starheid heeft hij verworpen; hij is vrij van traagheid en starheid. Het licht liefhebbend, vol inzicht, helder bewust zuivert hij zijn hart van traagheid en starheid.

Hoogmoedige wrevel heeft hij verworpen; hij is vrij van hoogmoed. Met een gemoed dat innerlijk tot rust is gekomen zuivert hij zijn hart van hoogmoedige wrevel.

Het twijfelen heeft hij verworpen; aan de onzekerheid is hij ontkomen. Hij twijfelt niet aan het goede. Van twijfelen zuivert hij zijn hart.

Deze vijf belemmeringen heeft hij nu opgegeven. Hij heeft de besmettingen van het gemoed leren kennen, de verlammende. Ver van begeerte, ver van onheilzame dingen leeft hij in overdenkende, uit rust geboren zalige vreugde, in de sfeer van de eerste meditatieve verdieping.

Daarna bereikt hij de innerlijke stilte van een zee, de eenheid van het gemoed die van overwegen en nadenken vrij is, de zalige vreugde die geboren is in concentratie: de tweede meditatieve verdieping.

Verder vertoeft hij gelijkmoedig in vreugdige rust, vol inzicht helder bewust. Hij ondervindt in zijn lichaam een geluk waarvan de heiligen zeggen: "De gelijkmoedige, vol inzicht, leeft gelukkig." Zo bereikt hij de derde meditatieve verdieping.

Vervolgens, na verwerping van vreugde en leed, na vernietiging van het vroegere blij zijn en bedroefd zijn, bereikt hij de vierde meditatieve verdieping die op grond van gelijkmoedigheid zonder smart en zonder vreugde is, volkomen zuiver, vol inzicht.

Hij herinnert zich vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog waar mensen wedergeboren worden in overeenstemming met hun wilsacties. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Zijn geest is vrij, hij is bevrijd. Hij is uitgedoofd, afgekoeld en hij ondervindt gelukzaligheid omdat hij zelf heilig is geworden.




M.52. (M.VI.2) Atthakanāgara sutta.

Te Atthaka. Het gezinshoofd Dasama wil weten of er een enkele dhamma is die bevrijding en verwerkelijking van Nibbāna kan veroorzaken. De eerwaarde Ānanda legt hem uit dat er elf deuren zijn die naar Nibbāna voeren, namelijk de vier jhānas, de vier Brahma-vihāra-oefeningen, en nog drie vormloze meditatiesferen. Door het vergankelijke ervan te overwegen, kan men zich van de boeien bevrijden en Nibbāna verwerkelijken.125

(Dit sutta is gelijk aan A.11.17)



M.52. (M.VI.2) Atthakanāgara sutta.


De eerwaarde Ananda vertoefde eens te Beluvagama nabij Vesali.

Het gezinshoofd Dasama uit Atthakanāgara nabij Pātaliputta was ook daar vanwege zaken. Hij ging naar enkele monniken in het park van Kukkuna en vroeg waar de eerwaarde Ananda was. De monniken vertelden hem waar de eerwaarde Ananda verbleef. Nadat hij zijn zaken gedaan had, ging het gezinshoofd naar de eerwaarde Ananda toe, groette hem eerbiedig en vroeg of door de Verhevene iets verkondigd was waardoor de onbevrijde geest van iemand bevrijd wordt, als die persoon ijverig en vastbesloten vertoeft, en waardoor de niet vernietigde neigingen vernietigd worden, en waardoor hij de hoogste zekerheid dat hij niet meer geboeid is verkrijgt, een zekerheid die hij voordien niet had.

De eerwaarde Ananda zei dat de Verhevene zoiets verkondigd had, en wel de jhanas. Bij de eerste jhana overweegt men dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. Wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, is onderhevig aan eindigen.126 Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, op grond van die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Bereiken) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen zonder ooit van die sfeer terug te keren.

Verder treedt men binnen in de tweede jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder treedt men binnen in de derde jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder treedt men binnen in de vierde jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder vertoeft men, terwijl men één windstreek doordringt met een hart dat vervuld is van liefdevolle vriendelijkheid, en evenzo een tweede, derde en vierde winstreek, evenzo naar boven en naar beneden, in alle richtingen en rondom, en tot allen zoals tot zichzelf, onuitputtelijk, verheven, onmeetbaar, zonder vijandschap en zonder kwaadwil. Men overweegt dit en men begrijpt dat die bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid geproduceerd is en veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder vertoeft men terwijl de windrichtingen doordringt met een hart dat vervuld is van medeleven. En men overweegt dat die geproduceerd zijn en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder vertoeft men met een hart vol medevreugde en doordringt daarmee alle windrichtingen, in alle richtingen. Men overweegt en begrijpt dat die bevrijding van het hart geproduceerd is en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder vertoeft men met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid en men doordringt daarmee alle windrichtingen en ook opwaarts en neerwaarts en rondom. Men overweegt en begrijpt dat die bevrijding van het hart geproduceerd is en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

En verder treedt men binnen in de vormloze meditatieve sferen (ruimte is oneindig; bewustzijn is oneindig; niets is er). Men overweegt die vormloze meditatieve sferen en begrijpt dat ze geproduceerd zijn en veroorzaakt. En wat geproduceerd is en veroorzaakt, dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

Het gezinshoofd Dasama verheugde zich over de woorden van de eerwaarde Ananda, en gaf aan de monniken eigenhandig een goede maaltijd, voorzag hen van twee stukken stof en gaf aan de eerwaarde Ananda het drievoudige gewaad en liet voor hem een gebouw oprichten ter waarde van 500 kahapanas.



M.53. (M.VI.3) Sekha sutta.

Te Kapilavatthu. De Boeddha opent er een nieuwe vergaderzaal. Hij vraagt aan Ānanda tot de Sakyas, met aan het hoofd prins Mahānāma, te spreken over de opleiding van de discipel. De eerwaarde Ānanda legt uit dat het pad van sīla (deugdzaamheid), samādhi (ontwikkeling van de geest) en wijsheid gevolgd moet worden door iemand die streeft naar hoger inzicht, met als hoogste de kennis van het verdwijnen van de āsava, de smetten.

De discipel is gematigd bij het eten, bezit vertrouwen in de Boeddha, heeft schaamtegevoel, en schrikt ervoor terug iets verkeerds te doen. Hij leert veel en herinnert zich het geleerde. Hij is energiek bij het overwinnen van onheilzame geestestoestanden en bij het verkrijgen van heilzame geestestoestanden. Hij is oplettend en wijs; hij bezit wijsheid wat betreft ontstaan en vergaan die edel is en naar volledige vernietiging van lijden voert. En hij is iemand die naar wens, zonder problemen, binnentreedt in de vier jhanas.

Iemand die zo streeft wordt genoemd iemand met hoger inzicht, die de weg betreden heeft. Hij is in staat om de Verlichting te bereiken, Nibbana.

Hij herinnert zich dan vele levens, en ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties.




M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta.

Te Apana. De Boeddha legt aan Potaliya de ware betekenis uit van het opgeven van de wereld.

Het gezinshoofd Potaliya had wereldlijke zaken achtergelaten teneinde een heilig leven te leiden. Toen de Boeddha hem zag gekleed in gewone dagelijkse kleding, sprak de Boeddha hem aan als “gahapati”, gezinshoofd. Potaliya ergerde zich eraan. De Boeddha legde hem uit dat in de termen van de Vinaya men met iemand die beweerde zich te hebben afgezonderd van de wereld, bedoelde iemand die afzag van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefende en een beheerst gemoed had.


Uitleg:


Het doden van levende wezens is te overwinnen. Niet nemen wat niet is gegeven is te overwinnen. Liegen is te overwinnen. Lasteren is te overwinnen. Gierigheid, hebzucht is te overwinnen. Uitschelden is te overwinnen. Toorn is te overwinnen. Hoogmoed is te overwinnen.

Men overweegt aldus: als ik zou doden, stelen, liegen, lasteren, schelden, als ik gierig ben, hebzuchtig, toornig, of hoogmoedig, dan zou ik mij zelf daarvoor verwijten maken. En ook de wijze mensen zouden dat doen. Na de dood zou een ongelukkige sfeer van bestaan te verwachten zijn vanwege die dingen. En zelf zijn die dingen een boei en een hindernis. Terwijl neigingen, ergenis en koorts door het doden van levende wezens of door diefstal, liegen, lasteren, gierigheid, hebzucht, schelden, toorn of hoogmoed kunnen ontstaan, is er geen neiging, geen ergernis en geen koorts in iemand die zich ervan onthoudt.

Dit is het achterlaten van wereldlijke zaken. Maar het is nog niet volledig.

Men moet verder overwegen dat zinsgenot leed brengt. Men moet er niet aan hechten en gelijkmoedigheid gbaseerd op eenheid ontwikkelen. Nadat hij dan bij de hoogste oplettendheid is aangekomen waarvan de reinheid berust op gelijkmoedigheid,127 herinnert de edele discipel zich aan vele vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties. Dan treedt hij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij is van neigingen. En hij vertoeft erin. Dan is het opgeven van de wereld in de discipline van de edelen volledig.



M.55. (M.VI.5) Jīvaka sutta.


Te Rājagaha. De arts Jīvaka vroeg of het waar was dat de Boeddha het vlees at van dieren die extra voor hem gedood waren. De Boeddha legde uit dat hij een regel voor de monniken had vastgesteld dat zij geen vlees mochten eten wanneer zij zagen of hoorden of een vermoeden hadden dat het dier speciaal voor hen gedood en toebereid was. Verder moet een monnik geen begeerte voor voedsel tonen noch begerig zijn bij het eten. Hij is niet gehecht aan het eten.128 Hij zou moeten eten met de overweging dat hij het voedsel alleen neemt om het lichaam te onderhouden teneinde het pad naar bevrijding te volgen.

 


M.56. (M.VI.6) Upāli sutta.


Te Nalanda. De bekering van de Jain Upāli.129 Hij was een belangrijke en vermogende lekenvolgeling van Nigantha Nātaputta.Hij werd door zijn meester naar de Verhevene gestuurd om met hem te discussiëren over kamma. Nigantha beweerde dat lichamelijke en verbale acties meer resultaat hadden. De Boeddha beweerde dat de wil of de mentale daad het belangrijkste was. Upāli werd een lekenvolgeling van de Boeddha. De Boeddha zei hem eerst alles goed te onderzoeken. En Upali zou ook aan de Jain aalmoezen geven. Daarna werd Upali door de Boeddha onderwezen in de leer. En Upali bereikte het eerste niveau van heiligheid. Nigantha Nātaputta ging Upali toen opzoeken om hem terug te winnen. Maar Upali sprak een lofrede over de Boeddha. En Nigantha Nātaputta stierf ter plekke.



M.57. (M.VI.7) Kukkuravatika sutta.

In het land Koliya. De Boeddha sprak er met twee naakte asceten, Punna en Seniya. De een gedroeg zich als een hond en de ander als een koe. De Boeddha toonde aan dat zo'n gedrag niet goed was en sprak over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan: 1) zwarte daad met zwart resultaat; 2) witte daad met wit resultaat; 3) wit/zwarte daad met wit/zwart resultaat; 4) noch witte noch zwarte daad met noch wit noch zwart resultaat. Die daad voert naar vernietiging van handelen. De wil om de daden sub 1, 2 en 3 te overwinnen, is een daad die niet wit noch zwart is, die geen wit en geen zwart resultaat heeft en die voert naar de vernietiging van handelen.130

Punna werd een lekenvolgeling en Seniya werd in de Orde ingewijd. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.



M.57. (M.VI.7) Kukkuravatika sutta.


Te Haliddavasana in het land Koliya. Twee naakte asceten, Punna en Seniya, gedroegen zich als dieren. De een deed een os na; de ander een hond. Gevraagd werd aan de Boeddha waar zij wedergeboren zouden worden. De Verhevene gaf de volgende antwoorden.

Iemand die als een hond leeft, wordt na de dood wedergeboren in het gezelschap van honden. En als hij van mening was dat hij door deze ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in het gezelschap van honden wedergeboren worden of in de hel.

Iemand die als een os leeft, verschijnt na de dood in het gezelschap van ossen. En als hij van mening was dat hij door die ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in de dierenwereld wedergeboren worden of in de hel.

Seniya en Punna, de naakte asceten, sprongen op en begonnen te huilen omdat zij die hondenoefening en ossenoefening lang in praktijk hadden gebracht. Zij vroegen aan de Boeddha hen in de Dhamma te onderwijzen zodat zij hun honden- en ossenoefening konden opgeven.

De Boeddha sprak toen met hen over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan.

1) donkere daad met donker resultaat;

2) heldere daad met helder resultaat;

3) donkere/heldere daad met donker/helder resultaat;

4) noch donkere noch heldere daad met noch donker noch zwart resultaat. Die daad voert naar vernietiging van handelen.


(1) Wat is donkere daad met donker resultaat? – Men verricht een leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna wordt men wedergeboren in een leed brengende wereld.131 Daar komt men in contact met leed brengende dingen. Men heeft leed brengende gevoelens, uiterst pijnlijk, zoals in het geval van wezens in de hel. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere daad met donker resultaat.

(2) Wat is heldere daad met helder resultaat? - Men verricht een niet leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna verschijnt men na de dood in een niet leed brengende wereld. Daar komt men in contact met niet leed brengende dingen. Daardoor heeft men niet leed brengende gevoelens, uiterst aangenaam, zoals in het geval van de goden met stralende heerlijkheid. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men heldere daad met helder resultaat.

(3) Wat is donkere en heldere daad met donker en helder resultaat? - Men verricht een daad met lichaam, taal of geest welke daad zowel leed als niet leed brengt.132 Daarna verschijnt men na de dood in wereld die zowel leed als niet leed brengt. Daar komt men in contact met dingen die zowel leed als niet leed brengen. Daardoor heeft men gevoelens die zowel leed als niet leed brengen, geluk en pijn gemengd, zoals in het geval van de mensen en enige wezens in de lagere werelden. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere en heldere daad met donker en helder resultaat.

(4) En wat is een daad die noch donker noch helder is, met noch donker noch helder resultaat, welke daad naar de vernietiging van handelen voert? 133 - De wil om de daden sub 1, 2 en 3 te overwinnen, dat is een daad die niet donker noch helder is, die geen donker en geen helder resultaat heeft; dat is een handeling die voert naar de vernietiging van handelen.

Dit zijn de vier soorten van handelen.

Punna en Seniya zeiden : „Geweldig heer, de Dhamma is op veelvuldige manier duidelijk uitgelegd.“ Zij namen hun toevlucht tot de Verhevene en zijn leer en de Sangha. Punna werd een lekenvolgeling van de Boeddha. En Seniya werd in de Orde ingewijd. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.




M.58. (M.VI.8) Abhayarājakumāra sutta.

Te Rajagaha. De Jain Nigantha Nātaputta stuurt prins Abhaya (Abhayarājakumāra) naar de Boeddha om hem te vragen of hij onaangename woorden had geuit over Devadatta. De Boeddha zei dat hij geen eenduidig antwoord hierover kon geven.

De Verhevene somde zes manieren op waarop woorden geuit kunnen worden:

1. Woorden die niet waar zijn en niet nuttig en die onaangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

2. Woorden die waar zijn maar niet nuttig, en die onaangenaam zijn voor anderen, zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

3. Woorden die waar zijn en nuttig, maar onaangenaam voor anderen, zulke woorden spreekt de Verhevene op de juiste tijd.

4. Woorden die niet waar zijn maar die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

5. Woorden die waar zijn en niet nuttig, maar die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

6. Woorden die waar zijn en nuttig, en die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene op de juiste tijd. En hij doet dat uit mededogen met de wezens.




M.59. (M.VI.9) Bahuvedaniya sutta

Te Sāvatthi. Uitleg van de verschillende soorten van gevoel (vedāna). Gewoon gevoel, ontstaan uit zinsgenot, wordt als aangenaam beschouwd. Maar de Verhevene legde uit dat het toppunt van geluk is het bereiken van nirodha samāpatti.



M.59. (M.VI.9) Bahuvedaniya sutta.


Te Sāvatthi. De timmerman Pañcakanga vraagt aan de Eerwaarde Udāyin welke soorten van gevoel de Verhevene heeft uitgelegd. Het antwoord: Aangenaam gevoel; onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam noch onaangenaam is. De timmerman bleef volhouden dat de Verhevene maar twee soorten had uitgelegd, aangenaam en onaangenaam gevoel. Het neutrale gevoel zou door de Boeddha als een vredige en verheven toestand van geluk zijn beschreven. De Eerwaarde Udayin kon de timmerman niet tot andere gedachten brengen. De Eerwaarde Ananda hoorde het gesprek en vertelde aan de Verhevene wat er gebeurd was. Deze zei dat de Eerwaarde Udayin gelijk had, dat hij het goed had uitgelegd. Maar de Boeddha had bij verschillende gelegenheden over gevoel gesproken, en dan eens twee soorten, drie soorten, vijf soorten, achttien, zesendertig, honderdacht soorten van gevoel genoemd. De leer is op verschillende manieren uitgelegd. Er zijn vijf soorten van zinsgenot, namelijk zichtbare vormen, hoorbare geluiden, ruikbare geuren, proefbare smaken, aanraakbare objecten. De soorten van gevoel, ontstaan uit zinsgenot, worden als aangenaam en gewenst beschouwd. Ze produceren begeerte. Het geluk dat erdoor ontstaat heet het geluk van zinsgenot. Maar er is groter en verhevener geluk, namelijk het binnentreden en vertoeven in de jhanas, met als toppunt van geluk het bereiken van de vormloze meditatie van het ophouden van waarneming en gevoel (nirodha samāpatti).




M.60. (M.VI.10) Āpannaka sutta

Te Sāla in het land Kosala. De inwoners ervan hadden voordien nog geen leringen van andere sekteleiders aangenomen als die hun dorp bezochten. De Boeddha toonde hun het juiste pad.

Wie van mening zijn dat verdienstelijke daden geen resultaat hebben, zij vermijden goed gedrag in daad, woord en gedachten. Zij gaan een ongelukkige bestemming tegemoet. Evenzo degenen die van mening zijn dat er geen andere wereld is; evenzo degenen die leren dat er geen oorzakelijkheid is; en degenen die van mening zijn dat er geen vormloze sferen zijn; en ook degenen die menen dat er geen einde is aan het worden.

Maar wie van het tegendeel overtuigt zijn, van hen is te verwachten dat zij verkeerd gedrag in daad, woord en gedachten zullen vermijden, en dat zij deze drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar en de smetten zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.

Dan volgt de beschrijving van vier personen, namelijk 1) iemand die zichzelf kwelt; 2) iemand die anderen kwelt; 3) iemand die zichzelf en ook anderen kwelt; 4) iemand die niet zichzelf kwelt noch anderen kwelt. Die persoon is hier en nu vrij van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.



M.60. (M.VI.10) Āpannaka sutta. De onbetwistbare leer.

Eens liep de Verhevene door het land Kosala met een grote groep monniken. Zij kwamen aan in het brahmanendorp Sala. De gezinshoofden van dat dorp hadden gehoord dat de Verhevene een volmaakt Ontwaakte was, een kenner van de werelden, die de goede Dhamma onderwees. Het was goed een dergelijke heilige te bezoeken. Daarom gingen de gezinshoofden naar de Boeddha toe, groetten hem eerbiedig en gingen terzijde neerzitten. Zij vroegen aan de Verhevene of hij een leraar had tot wie hij vertrouwen had.

De Boeddha: "Neen, wij hebben geen leraar tot wie wij vertrouwen hebben. Gezinshoofden, jullie hebben geen leraar gevonden met wie jullie instemmen, die jullie vertrouwen. Mogen jullie daarom deze onbetwistbare leer overnemen en uitoefenen. Want ze strekt lang tot jullie heil en geluk."


(Nihilisme)


"Er zijn monniken en brahmanen die het volgende onderwijzen en van mening zijn: 'Er zijn geen gaven, er is niets overhandigd of geofferd, er is geen vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is niet deze wereld en niet de andere wereld. Er is geen moeder, geen vader, er zijn geen spontaan geboren wezens. Er zijn geen goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking van hogere geestelijke kracht ervaren hebben en uitleggen.'

De monniken en brahmanen die bovenstaande mening verkondigen, van hen is te verwachten dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed lichamelijk gedrag, goed gedrag wat betreft taalgebruik, goed geestelijk gedrag. Te verwachten is dat zij de volgende drie onheilzame toestanden overnemen en zullen uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, in taalgebruik en geest. En dat komt omdat zij in onheilzame toestanden niet het gevaar, de vernedering en de smet zien, en omdat zij ook in heilzame toestanden niet de zegen in ontzegging, het aspect van zuivering niet zien.

Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een verkeerde visie die van mening is dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een verkeerde bedoeling wiens bedoeling berust op de mening dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, praat diegene niet goed die beweert dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, spreekt degene die zegt dat er geen andere wereld is, de arahants tegen, die de andere wereld kennen. Omdat er inderdaad een andere wereld is, overtuigt diegene iemand anders van een onware leer, die anderen ervan overtuigt dat er geen andere wereld is. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt, looft hij zichzelf en kleineert hij anderen. Daarmee is die zuivere deugdzaamheid die hij vroeger had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En die verkeerde mening, verkeerde bedoeling, dat verkeerd taalgebruik, die tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een onware leer te overtuigen en zichzelf te prijzen en anderen te kleineren, – deze verschillende slechte, onheilzame toestanden komen zo met een verkeerde mening als oorzaak tot stand.


Maar een wijze overweegt aldus: 'Als er geen andere wereld is, dan zal zich die goede persoon na de dood voldoende in zekerheid gebracht hebben. Maar als er een andere wereld is, dan zal hij na de dood wedergeboren worden in omstandigheden vol ontberingen, in een ongelukkig oord van bestemming, in verdoemenis, zelfs in de hel.

Maar nemen we eens aan dat er geen andere wereld is. Die goede persoon zal desondanks hier en nu door de wijzen berispt worden als een niet moreel persoon, als iemand met verkeerde visie, die de leer van het nihilisme vertegenwoordigt. Als er echter een andere wereld is, dan heeft die goede persoon een dubbel slechte worp gedaan omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt, en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in omstandigheden vol ontberingen, in een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat ze alleen in één richting gaat en het heilzame alternatief buiten sluit.


Nu zijn er monniken en brahmanen die het tegendeel daarvan onderwijzen: 'Er zijn gaven, er is iets overhandigd of geofferd, er is vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is deze wereld en de andere wereld. Er is moeder en vader, er zijn spontaan geboren wezens. Er zijn goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking van hogere geestelijke kracht ervaren hebben en uitleggen.'

De monniken en brahmanen die bovenstaande mening verkondigen, van hen is te verwachten dat zij de volgende drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, taal en geest, en dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag met lichaam, taal en geest. De reden hiervoor is dat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.

Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een juiste visie die van mening is dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene juiste bedoeling wiens bedoeling berust op de visie dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, praat diegene goed die beweert dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, spreekt degene die zegt dat er een andere wereld is, de arahants die de andere wereld kennen, niet tegen. Omdat er inderdaad een andere wereld is, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die iemand anders ervan overtuigt dat er een andere wereld is. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij niet zichzelf en kleineert hij anderen niet. Op die manier is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En deze juiste visie, die juiste bedoeling, juist taalgebruik, geen tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, – deze verschillende heilzame toestanden komen op die manier met juiste bedoeling als oorzaak tot stand.

Verder overweegt een wijze aldus: 'Als er een andere wereld is, dan zal die goede persoon na de dood in een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemel wedergeboren worden.'

Stel nu dat er geen andere wereld is. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen als een deugdzaam mens geprezen, als iemand met juiste visie die de lering van het positieve134 vertegenwoordigt.

En als er een andere wereld is, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan, omdat hij door de wijzen hier en nu geprezen wordt, en omdat hij na de dood in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemelse wereld verschijnt.

Hij heeft die onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit."


(Niet-handelen)


"Er zijn monniken en brahmanen die het volgende leren: 'Als men handelt of anderen tot een handeling aanzet, als men iemand mismaakt of anderen daartoe aanzet, als men foltert of anderen ertoe aanzet, als men iemand anders leed toebrengt of anderen ertoe aanzet om leed toe te brengen, als men iemand onderdrukt of anderen daartoe aanzet, als men iemand bedreigt of anderen daartoe aanzet, als men levende wezens doodt of anderen daartoe aanzet, als men steelt, inbreekt, plundert, echtbreuk pleegt, rooft, de vrouw van iemand anders verleidt, liegt, - dan is geen kwaad door de dader begaan. Als men de levende wezens op deze aarde in kleine stukken zou hakken, dan zou er tengevolge daarvan geen kwaad zijn en geen resultaat van kwaad. Als men geschenken zou overhandigen en anderen ertoe aanzette om geschenken te geven, dan zou er tengevolge daarvan geen verdienste zijn en geen resultaat van verdienste. Op grond van geven, zelfdiscipline, beteugeling, de waarheid spreken, is er geen verdienste en geen resultaat van verdienste.'135


Nu zijn er ook monniken en brahmanen doe deze leer tegenspreken en het tegendeel beweren. 'Als men handelt en anderen tot handelen aanzet, als men mismaakt, foltert, leed toebrengt, of anderen daartoe aanzet, als men iemand onderdrukt, bang maakt, of anderen daartoe aanzet, als men doodt, steelt, inbreekt, plundert, rooft, de vrouw van een ander verleidt, liegt, - dan is kwaad door de daders begaan. Er zijn slechte daden en de gevolgen van slechte daden. En er zijn goede daden en de resultaten van goede daden.'

Wie nu van mening is dat degene die slechte daden doet of laat doen, geen kwaad doet en geen resultaat ervan zal ondervinden, en dat degene die goede daden doet of laat doen, geen verdienstelijke daad doet en geen resultaat ervan zal ondervinden, - van die mensen is te verwachten dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed gedrag met lichaam, taalgebruik en geest, en dat zij drie onheilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, taal en geest. En wel omdat zij in de onheilzame toestanden niet het gevaar, de vernedering en de smet zien, en omdat zij ook in de heilzame toestanden niet de zegen in onthouding, het aspect van zuivering zien.


Omdat er inderdaad daden zijn, heeft degene die van mening is dat er geen daden zijn, een verkeerde mening. Omdat er inderdaad daden zijn, heeft diegene een verkeerde bedoeling die van mening is dat er geen daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, spreekt diegene verkeerd die beweert dat er geen daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, worden door diegene die van mening is dat er geen daden zijn, de arahants tegengesproken die de leer vertegenwoordigen dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, overtuigt degene die iemand anders ervan overtuigt dat er geen daden zijn, hem van een onware leer. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt prijst hij zichzelf en kleineert hij anderen. Daarmee is die gezuiverde deugdzaamheid die hij eerst had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En deze verkeerde mening, die verkeerde bedoeling, die verkeerde taal, die tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een onware leer te overtuigen, het prijzen van zichzelf en het kleineren van anderen, - deze verschillende onheilzame toestanden komen op die manier met een verkeerde mening als voorwaarde tot stand.


Maar een wijze overweegt aldus: 'Als er geen daden zijn, dan zal die goede persoon zich na de dood voldoende in zekerheid hebben gebracht. En als er daden zijn, dan zal hij na de dood wedergeboren worden in omstandigheden vol ontberingen, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Maar stel dat er geen daden zijn. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen berispt als iemand zonder moraal, als iemand met verkeerde visie, die de leer van niet-daden vertegenwoordt. Wanneer er echter daden zijn, dan heeft die goede persoon een dubbel slechte worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in omstandigheden vol ontberingen, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich alleen in één richting uitstrekt en het heilzame alternatief uitsluit.


Van degenen wier leer en visie is 'Als men slecht handelt of slecht laat handelen, dan is kwaad door de daders begaan. En er zijn onheilzame resultaten van die daden. En als men goed handelt of goed laat handelen, dan is verdienstelijk door de daders begaan. En er zijn verdienstelijke resultaten van die daden.' - Van hen is te verwachten dat zij de volgende drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag in lichaam, taal en geest, en dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in lichaam, taal en geest. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in het ontzeggen, het aspect van de zuivering zien.


Omdat er inderdaad daden zijn, heeft degene die van mening is dat er daden zijn, een juiste visie. Omdat er inderdaad daden zijn, heeft diegene juiste bedoeling wiens bedoeling berust op de visie dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, praat diegene goed die beweert dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, spreekt degene die zegt dat er daden zijn, de arahants die de andere wereld kennen, niet tegen. Omdat er inderdaad daden zijn, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die iemand anders ervan overtuigt dat er daden zijn. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij niet zichzelf en kleineert hij anderen niet. Op die manier is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En deze juiste visie, die juiste bedoeling, dat juist taalgebruik, geen tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, – deze verschillende heilzame toestanden komen op die manier met juiste bedoeling als oorzaak tot stand.


Maar een wijze overweegt zo: 'Wanneer er daden zijn, dan zal die goede persoon na de dood wedergeboren worden op een gelukkige plaats van besteming, ja zelfs in de hemel. Maar stel dat er geen daden zijn. Deze goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen geprezen als een deugdzaam persoon, als iemand met juiste visie die de leer van daden vertegenwoordigt. Wanneer er echter daden zijn, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan. En wel omdat hij hier en nu door de wijzen geprezen wordt, en omdat hij na de dood in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemel wedergeboren wordt. Hij heeft deze onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit.

 

(Oorzakelijkheid)


Er zijn monniken en brahmanen die leren en van mening zijn: 'Er is geen oorzaak of voorwaarde voor het bevlektzijn van de wezens. De wezens zijn zonder oorzaak of voorwaarde bevlekt. Er is geen oorzaak of voorwaarde voor de zuivering van de wezens. De wezens zijn zonder oorzaak of voorwaarde gezuiverd. Er is geen macht, geen energie, geen mannelijke sterkte, geen mannelijke volharding. Alle wezens, alle levende dingen, alle zielen zijn zonder heerschappij, macht en energie. Ze zijn gevormd door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur en zo ondervinden zij geluk en pijn in de zes klassen.'136


Er zijn monniken en brahmanen wier leer de voorgaande leer tegenspreekt. Zij zeggen: 'Er is een oorzaak en voorwaarde voor de bevlektheid van de wezens. De wezens zijn op grond van oorzaak of voorwaarde bevlekt. Er is een oorzaak en voorwaarde voor de zuivering van de wezens. De wezens zijn op grond van oorzaak en voorwaarde gezuiverd. Er is een macht, een energie, een mannelijke sterkte, een mannelijke volharding. Het is niet waar dat alle wezens, alle levende dingen, alle zielen zonder heerschappij, macht en energie zijn; dat ze gevormd zijn door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur en zo geluk en pijn in de zes klassen ondervinden.'


Van degenen die beweren dat er geen oorzaak en voorwaarde is voor het bevlektzijn van de wezens, dat er geen oorzaak of voorwaarde is voor de zuivering van de wezens, dat er geen macht, geen energie, geen sterkte, geen volharding is, dat de wezens gevormd zijn door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur, - van hen is te verwachten dat zij deze drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed gedrag in daad, woord en gedachten, en dat zij deze drie onheilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag in daad, woord en denken. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet niet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van de zuivering niet zien.


Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde visie die van mening is dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde bedoeling, die van mening is dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde taal die beweert dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, spreekt diegene die zegt dat er geen oorzakelijkheid is, de arahants tegen, die de leer van de oorzakelijkheid vertegenwoordigen. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, overtuigt diegene iemand anders van een onware leer die hem ervan overtuigt dat er geen oorzakelijkheid is. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt, prijst hij zichzelf en kleineert hij de ander. Daarmee is die deugdzaamheid die hij vroeger had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En die verkeerde visie, verkeerde bedoeling, verkeerde taal, tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een onware leer te overtuigen, zelfprijzing en kleinering van anderen, - deze verschillende onheilzame toestanden komen daarmee met verkeerde visie als oorzaak tot stand.


Een wijze overweegt aldus: 'Als er geen oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon na de dood zich voldoende in zekerheid hebben gebracht. Maar als er oorzakelijkheid is, dan zal hij na de dood in omstandigheden vol ontberingen wedergeboren worden,op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Maar stel dat er geen oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon hier en nu toch door de wijzen berispt worden als een persoon zonder moraal, als iemand met verkeerde visie, die de leer van niet-oorzakelijkheid vertegenwoordigt. Maar als er wel een oorzakelijkheid is, dan heeft die goede mens een dubbel slechte worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt, en omdat hij na de dood in omstandigheden vol ontberingen wedergeboren wordt, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen op een dergelijke manier dat zij alleen in één richting zich uitstrekt en het heilzame alternatief uitsluit.'


Van degenen die van mening zijn: 'Er is een oorzaak en voorwaarde voor het bevlekt zijn van de wezens; er is een oorzaak en voorwaarde voor de zuivering van wezens, er is een macht, een energie, een sterkte, een volharding, de wezens zijn niet gevormd door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur,' - van hen is te verwachten dat zij deze drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag in daad, woord en gedachten, en dat zij deze drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de bevlekking zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.


Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste visie die van mening is dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste bedoeling, die van mening is dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste taal die beweert dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, spreekt diegene die zegt dat er oorzakelijkheid is, de arahants niet tegen, die de leer van de oorzakelijkheid vertegenwoordigen. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die hem ervan overtuigt dat er oorzakelijkheid is. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij zichzelf niet en kleineert hij anderen niet. Daarmee is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En die juiste visie, juiste bedoeling, juiste taal, niet tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, - deze verschillende heilzame toestanden komen daarmee met juiste visie als oorzaak tot stand.


Verder overweegt een wijze aldus: 'Als er oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon na de dood wedergeboren worden op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemel. Maar stel dat er geen oorzakelijkheid is. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen geprezen als een deugdzaam persoon, als iemand met juiste visie, die de leer van oorzakelijkheid vertegenwoordigt. Wanneer er echter oorzakelijkheid is, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu geprezen wordt en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemel. Hij heeft deze onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit.'

 

(Vormloze sferen van bestaan)


Gezinshoofden, er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er met zekerheid geen vormloze sferen van bestaan zijn. Andere monniken en brahmanen onderrichten het tegendeel. Die monniken en brahmanen spreken elkaar tegen.

Een wijze overweegt aldus: 'Ik weet niet welke leer juist is. Daarom is het niet juist partij te kiezen. Ik zou na de dood terecht kunnen komen bij de goden in de fijnstoffelijke sferen, die uit geest bestaan. Of ik zou na de dood weer verschijnen bij de goden van de vormloze sferen, die uit waarneming bestaan. Het gebruik van wapens, ruzie, hatelijkheden en leugens berust op vorm. Maar vorm bestaat helemaal niet in de vormloze sferen van bestaan.' Na deze overwegingen oefent hij zich in de weg tot ontnuchtering en begeerteloosheid met betrekking tot vorm, tot het ophouden van vorm.

 

(Ophouden van alle worden)


Gezinshoofden, er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er met zekerheid geen ophouden van alle worden is. En andere monniken en brahmanen onderrichten het tegendeel ervan.

Een wijze overweegt daarover aldus: 'Ik weet niet wat juist is. Maar het is mogelijk dat ik na de dood weer verschijn bij de goden van de vormloze sferen die uit waarneming bestaan. Of het is mogelijk dat ik hier en nu nibbana kan bereiken.

De mening dat er geen ophouden van alle worden is, is dicht bij de begeerte, dicht bij gebondenheid, dicht bij behagen scheppen, vasthouden, hechten. Maar de mening dat er wel een ophouden van alle worden is, is dicht bij niet-begeerte, dicht bij ongebondenheid, dicht bij niet behagen scheppen, dicht bij niet vasthouden, dicht bij niet hechten.' Nadat hij zo heeft overwogen oefent hij zich in de weg tot ontnuchtering en begeerteloosheid wat betreft het worden, tot het ophouden van het worden.

 

(Vier soorten van personen)


Er zijn vier soorten personen op de wereld. 1) Iemand kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling. 2) Iemand kwelt anderen en volgt de praktijk anderen te kwellen. 3) Iemand kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling en hij volgt ook de praktijk anderen te kwellen. 4) Iemand kwelt zichzelf niet en volgt de praktijk van zelfkwelling niet noch kwelt hij anderen. Daarom is die persoon hier en nu vrij van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.


(1) Wie kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling? - Hij loopt naakt rond, zeden en gebruiken verwerpend, hij likt zijn handen af, komt niet wanneer men erom vraagt, blijft niet staan als men erom vraagt, neemt geen eten aan als het hem gebracht wordt of voor hem wordt klaargemaakt; neemt geen uitnodiging voor een maaltijd aan, hij ontvangt niets uit een pot, niets uit een schotel, niets dat over de drempel, een staf, een stamper aangereikt wordt. Hij ontvangt niets van twee die samen eten, van een zwangere, van een vrouw die borstvoeding geeft, van een vrouw die bij een man ligt, van een plaats waar de verdeling van eten is aangekondigd. Hij ontvangt niets waar een hond wacht, waar vliegen zoemen. Hij neemt geen vis of vlees aan, hij drinkt geen brandewijn, wijn of gefermenteerde brouwsels. Hij houdt zich aan één huishouden, één hap; hij houdt zich aan twee huishoudens, twee happen; hij houdt zich aan drie huishoudens, drie happen; hij houdt zich aan vier huishoudens, vier happen; hij houdt zich aan vijf huishoudens, vijf happen; hij houdt zich aan zes huishoudens, zes happen; hij houdt zich aan zeven huishoudens, zeven happen. Hij leeft van een volle lepel per dag, van twee volle lepels per dag, van drie volle lepels per dag, van vier volle lepels per dag, van vijf volle lepels per dag, van zes volle lepels per dag, van zeven volle lepels per dag. Hij neemt eenmaal per dag eten tot zich; hij neemt alle twee dagen eten tot zich; hij neemt alle drie dagen eten tot zich; hij neemt alle vier dagen eten tot zich; hij neemt alle vijf dagen eten tot zich; hij neemt alle zes dagen eten tot zich; hij neemt alle zeven dagen eten tot zich; en zo verder to eenmaal alle twee weken. Zo houdt hij zich bezig met de praktijk van eten slechts in vastgestelde afstanden tot zich te nemen. Hij eet loof of gierst of wilde rijst of spanen van schors, of mos of het kaf van rijst, of afval van rijst of sesam-meel, of gras of koemest. Hij leeft van wortels en vruchten uit het bos, hij voedt zich met afgevallen fruit. Hij kleedt zich in hennep, in hennep bevattende stof, in lijkgewaden, in lompen uit de afval, in boomschors, in antilopenvel, in vodden van antilopenvel, in weefsels van kusa-gras,137 in weefsels van boomschors, in weefsels van houtspanen, in wol van mensenhaar, in wol uit dierenhaar, in uilenvleugels. Hij is iemand die zich de haren en de baard uittrekt, die de praktijk van het haren en baard uittrekken uitoefent. Hij is iemand die steeds blijft staan en zitgelegenheden verwerpt. Hij is iemand die steeds op de grond hurkt. Hij is iemand die een mat uit doornen gebruikt; hij maakt een mat uit dorens tot zijn bed. Hij beoefent de praktijk driemaal per dag, ook 's avonds, in het water te staan.

Op die manier houdt hij zich op veelvuldige manier bezig met de uitoefening van de praktijk waarbij hij het lichaam kwelt en doodt. Dit noemt men de soort van persoon die zichzelf kwelt en die de praktijk van zelfkwelling navolgt.


(2) Wie kwelt anderen en volgt de praktijk anderen te kwellen? - Iemand is een slachter van schapen, varkens, kippen, een vallenzetter, een jager, een visser, een dief, een beul, een gevangenisbewaarder, of iemand die een ander dergelijk wreed beroep heeft. - Dat noemt men iemand die anderen kwelt en de praktijk volgt anderen te kwellen.


(3) Wie kwelt zichzelf, volgt de praktijk van zelfkwelling, en kwelt ook anderen, volgt de praktijk anderen te kwellen? - Iemand is een koning of rijke brahmaan. Nadat hij een nieuwe offertempel heeft laten bouwen in het oosten van de stad, en zich hoofdhaar en baard heeft laten afscheren, betreedt hij de tempel samen met zijn hoofdkoningin en met zijn brahmaanse hogepriester. Zelf is hij daarbij in een ruw leer gekleed, zijn lichaam ingesmeerd met botervet en olie. Zij rug is opengekrabd met het gewei van een hert. Hij gaat op de grond liggen die met offergras is bedekt. De koning voedt zich met de melk uit de eerste tepel van een koe met een kalf van gelijke kleur, de hoofdkoningin voedt zich met de melk uit de tweede tepel en de brahmaanse hogepriester voedt zich met de melk uit de derde tepel; de melk uit de vierde tepel gieten ze in het vuur. En het kalf voedt zich met wat over is gebleven. De koning zegt hoeveel stieren als offer gedood moeten worden, hoeveel jonge runderen, hoeveel kalveren, hoeveel geiten en schapen; hij zegt hoeveel bomen als offerpalen geveld moeten worden, hoeveel gras als offergras gemaaid moet worden. En dan bereiden zijn slaven en zijn dienstpersoneel alles voor, wenend, met bange gezichten, uit angst voor straf. - Dat noemt men iemand die zich zelf kwelt en die anderen kwelt.


(4) Wie is iemand die niet zichzelf kwelt noch anderen? - Hij is iemand die hier en nu vrij is van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.


Daar verschijnt een Tathāgata in de wereld, een Volmaakte, een volledig Verlichte, volmaakt in juist weten en verheven in gedrag, volmaakt, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leraar van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en mensen, een Ontwaakte, een Verhevene. Hij legt deze wereld uit met haar Maras en Brahmas; hij legt aan deze generatie uit wat hij zelf met hogere geestelijke kracht heeft verwerkelijkt. Hij onderwijst de leer die goed is aan het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst ze met de juiste betekenis en de juiste manier van uitdrukking. Hij onthult een heilig leven dat geheel volkomen en rein is.

Iemand hoort die leer en krijgt vertrouwen in de Tathāgata. In het bezit van dat vertrouwen overweegt hij: 'Het leven in huis is eng en stoffig, terwijl het leven in de huisloosheid ver en open is. Als men thuis woont is het niet gemakkelijk om het heilige leven te voeren dat geheel volkomen en rein is. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis naar het huisloze leven ga.' Bij een latere gelegenheid doet hij wat hij overwoog, waarbij hij een klein of groot vermogen, een kleine of grote kring van verwanten opgeeft.

Wanneer hij de oefening en levenswijze van de Bhikkhus heeft aangenomen, onthoudt hij zich ervan levende wezens te doden; hij legt stok en wapen terzijde, hij leeft zachtmoedig en vriendelijk met medegevoel voor alle levende wezens. Hij onthoudt zich ervan te nemen wat niet is gegeven; hij neemt alleen wat gegeven werd, wacht alleen af wat gegeven werd; hij steelt niet en vertoeft zo in reinheid. Hij geeft de onkuisheid op, leeft in kuisheid, hij heeft geen geslachtsverkeer, onthoudt zich ervan. Hij onthoudt zich ervan de onwaarheid te zeggen; hij spreekt de waarheid, houdt zich aan de waarheid. Hij is geloofwaardig en men kan hem vertrouwen; hij is iemand die de wereld niet bedriegt. Hij onthoudt zich ervan barse taal te gebruiken. Hij vertelt niet ergens anders wat hij hier heeft gehoord om mensen van elkaar te scheiden; noch vertelt hij hier wat hij elders heeft gehoord om mensen van elkaar te scheiden.

Hij is iemand die diegenen verenigt die eerst gescheiden waren; hij is iemand die vriendschap bevordert, die van eendracht geniet, die zich over eendracht verheugt. Hij is iemand die woorden gebruikt die eendracht zaaien. Hij onthoudt zich van het gebruik van ruwe woorden; hij uit woorden die zacht zijn, aangenaam en dierbaar, die tot het hart gaan, die hoffelijk zijn, waarnaar velen verlangen, die velen aangenaam zijn. Hij onthoudt zich van kletspraatjes; hij praat op de juiste tijd, zegt wat met de feiten overeenkomt; hij praat over datgene wat goed is, spreekt over de Dhamma en de discipline; te juister tijd zegt hij woorden die waard zijn te worden onthouden, verstandig, gematigd en heilzaam.

Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en platen te beschadigen. Hij oefent zich erin slechts één keer per dag te eten. Hij onthoudt zich ervan 's nachts en buiten de gepaste tijd te eten. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren, en van het bezoek aan theateropvoeringen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen, zich met parfum en met cosmetische middelen mooier te maken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan ongekookt graan aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan rauw vlees aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan vrouwen en meisjes aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan slaven en slavinnen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan geiten en schapen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan gevogelte en varkens aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan olifanten, runderen en paarden aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan velden en landerijen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan bodediensten te verrichten en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij onthoudt zich ervan valse gewichten, valse metalen en valse maten te gebruiken. Hij onthoudt zich van bedrog en arglist. Hij onthoudt zich van letsel toebrengen, van moorden, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

Hij heeft genoeg aan de gewaden om zijn lichaam te bedekken, en aan het aalmoezenmaal om zijn maag te vullen; waarheen hij ook gaat hij neemt alleen dat mee. Omdat hij deze edele deugdzaamheid bezit, ondervindt hij in zich een gelukzaligheid die onberispelijk is.


Als hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van zien ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van zien. Als hij met het oor een geluid hoort, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van horen ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van horen. Als hij met de neus een geur ruikt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van ruiken ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van ruiken. Als hij met de tong een smaak proeft, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van proeven ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het smaak-zintuig. Als hij met het lichaam een aanrakingsobject voelt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van aanraken ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van aanraken. Als hij met de geest een geestobject waarneemt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het geest-zintuig ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het geest-zintuig.

Omdat hij deze edele controle van de zintuigen heeft, ondervindt hij in zich een gelukzaligheid die onbezoedeld is.


Hij wordt iemand die bewust handelt bij gaan, bij het kijken, bij het buigen en strekken van de ledematen, bij het dragen van de gewaden en de nap; hij wordt iemand die bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven; iemand die bewust handelt bij de ontlasting en het urineren; die bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, ontwaken, bij het praten en zwijgen.

Omdat hij deze edele deugdzaamheid bezit, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit inzicht, trekt hij zich terug naar een afgelegen verblijfplaats: een bos, de voet van een boom, op een berg, in een kloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een vrij veld, op een bundel stro.

Na terugkeer van zijn ronde voor aalmoezen, na zijn maaltijd, gaat hij met gekruiste benen neerzitten, het lichaam rechtop; met oplettendheid. Doordat hij begeerte naar wereldse dingen overwint, vertoeft hij met een hart dat vrij is van begeerte; hij zuivert zijn geest van begeerte. Doordat hij kwaadwil en haat overwint, vertoeft hij met een geest die vrij is van kwaadwil en haat. Hij ondervindt medegevoel voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Doordat hij traagheid en matheid overwint, vertoeft hij vrij van traagheid en matheid, met lichte geest, oplettend en met inzicht. Hij zuivert zijn geest van traagheid en matheid. Doordat hij rusteloosheid en overbezorgdheid overwint, vertoeft hij evenwichtig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en overbezorgdheid. Doordat hij twijfel overwint, vertoeft hij ontkomen aan twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.

Na het overwinnen van deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, treedt hij binnen in de 1e, 2e, 3e en 4e jhana.

Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, leeg van onvolkomenheid, voegzaam, bruikbaar, vast en onwrikbaar, dan richt hij het weten op de herinnering aan vroegere levens. Hij herinnert zich veel levens, met alle details.

Daarna richt hij zijn geest op het weten van het sterven en weer verschijnen van de wezens. Hij ziet met het hemelse oog de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Hij begrijpt hoe zij overeenkomstig hun wilsacties wedergeboren worden.

Daarna richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden.

Wanneer hij aldus weet en ziet, is zijn geest bevrijd van de neigingen van de zinnen, van worden en van onwetendheid. Aldus bevrijd komt het weten dat hij bevrijd is. Hij begrijpt dat geboorte ten einde is gebracht; dat er verder niets meer te doen is.

Dit is de soort persoon die zichzelf niet kwelt noch anderen kwelt.


Na deze woorden zeiden de brahmaanse gezinshoofden van Sala dat de Boeddha het op veelvuldige manier had uitgelegd. Zij werden lekenvolgelingen en namen hun toevlucht tot de Verhevene.




M.VII. Bhikkhu-vagga

De noodzaak van het vermijden van leugens en van het beoefenen van oplettendheid. Meditatie met de adem als concentratiemiddel. De praktijk van het heilige leven hangt niet af van de vragen: “Is het universum eeuwig of niet; is de ziel hetzelfde als het lichaam of is de ziel het ene en het lichaam het andere; bestaat er leven na de dood of niet?” De Boeddha onderwijst alleen dukkha, de oorzaak ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert. De vijf lagere boeien, namelijk geloof in persoonlijkheid, twijfel, gehechtheid aan verkeerde praktijk, zintuiglijk verlangen, en kwaadwil. Wanneer de vijf krachten, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht, goed zijn ontwikkeld, kunnen ook strenge regels met gemak nagevolgd worden. De gevaren in een leven als monnik: kwaadwil jegens degenen die hen onderrichten en leiden; ontevredenheid met oefenregels zoals het gebruik van maaltijden of omgang met vrouwen; en zintuiglijke genietingen. Bovennatuurlijke krachten kunnen schadelijk zijn tenzij iemand de hogere niveaus van de paden van heiligheid heeft bereikt. Regels voor monniken die in het woud leven. Over de voordelen van eten vóór 12:00 uur en het nadeel van eten in de avond.138

 


M.61. (M.VII.1) Ambalatthika-Rāhulovāda sutta.


Te Rājagaha. Rāhula was 7 jaar. De Boeddha legde hem uit dat liegen, het bewust zeggen van de onwaarheid, niet goed is. Als men zich niet ervoor schaamt met opzet te liegen, dan is er geen kwaad dat men niet zou doen. De onwaarheid moet men niet zeggen, ook niet voor de grap. Verder onderwees de Boeddha dat Rahula eerst moest nadenken voordat hij iets verrichtte in daad, woord of gedachten. Hij moest overwegen of die actie heilzaam of onheilzaam was voor hemzelf en voor anderen. Onheilzame acties zou Rahula achterwege laten; heilzame acties zou hij uitvoeren. Iedereen die zijn acties in daad, woord en gedachten zuiverde, deed dat door erover na te denken.




M.62. (M.VII.2) Mahā Rāhulovāda sutta.


Te Savatthi. De Boeddha onderwees er Rahula die toen 18 jaar was. "Vorm is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. En evenzo gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn."

De Eerwaarde Sariputta gaf toen verder de raad om oplettendheid te ontwikkelen bij het in- en uitademen. Als die ontplooid en ontwikkeld is, heeft ze grote verdiensten en is tot groot nut. Rahula ging 's avonds naar de Boeddha toe en vroeg nadere uitleg van wat de Eerwaarde Sariputta gezegd had. De Verhevene sprak toen over de vijf grote elementen: aarde, water, vuur, lucht en ruimte. Die elementen moest Rahula aldus beschouwen: „Dit is niet van mij; dat ben ik niet; dat is niet mijn zelf.“ Door zo te overwegen wordt de geest vrij van begeerte met betrekking tot die elementen. Rahula werd aangeraden meditatie te ontwikkelen over de elementen en ook over de goddelijke verblijven: liefdevolle vriendelijkheid, medeleven; medevreugde en gelijkmoedigheid. Dan zouden kwaadwil en wreedheid, afgunst en tegenstreven overwonnen worden. Verder gaf de Boeddha aan Rahula de raad om meditatie te beoefenen over niet-mooiheid (walgelijkheid); want daarmee wordt elke begeerte overwonnen. En ook meditatie over de waarneming van vergankelijkheid; daardoor wordt elke mening van „ik“ overwonnen. En ook gaf de Boeddha uitleg over de meditatie over de oplettendheid bij het in- en uitademen.




M.63. (M.VII.3) Cūla Mālunkya sutta.

Te Sāvatthi. De monnik Mālukya stopte op een middag met zijn meditatie, ging naar de Boeddha toe en stelde de klassieke vragen: “Is het universum eeuwig of niet; is de ziel hetzelfde als het lichaam of is de ziel het ene en het lichaam het andere; bestaat er leven na de dood of niet?”

De Boeddha legt met de gelijkenis van de giftige pijl uit dat de praktijk van het heilige leven niet afhangt van deze vragen. Wat men er ook over denkt, dood, ziekte etc. blijven bestaan. De Boeddha onderwijst alleen dukkha, de oorzaak ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan voert.

(Vergelijk ook M.72).




M.64. (M.VII.4) Mahā Mālunkya sutta.

Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er met de Eerwaarde Ananda over de vijf lagere boeien, namelijk persoonlijkheidsvisie, twijfel, vasthouden aan regels en rituelen, zintuiglijke begeerten, kwaadwil. De Boeddha onderwees hoe die lagere boeien overwonnen kunnen worden.

Ook legde de Boeddha uit dat het verschil tussen de bevrijding van het hart en de bevrijding door wijsheid ligt in de vaardigheden.



M.64. (M.VII.4) Mahā Mālunkya sutta.


Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er met de eerwaarde Ananda over de vijf lagere boeien,139 namelijk persoonlijkheidsvisie, twijfel, vasthouden aan regels en rituelen, zintuiglijke begeerten, kwaadwil.

Een niet onderwezen wereldling die geen acht slaat op de edelen en die in hun leer niet geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en die in hun leer niet geschoold is, die persoon vertoeft er met een hart dat door de visie van een persoonlijkheid bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan die ontstane persoonlijkheidsvisie ontkomt. En wanneer die persoonlijkheidsvisie tot een gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei.


Hij vertoeft met een hart dat door twijfel bezeten en verslaafd is, en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane twijfel ontkomt. En wanneer die twijfel tot gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei.

Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door het vasthouden aan regels en rituelen. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane vasthouden aan regels en rituelen ontkomt. Wanneer dat vasthouden aan regels en rituelen tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door zinsbegeerte. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane zinsbegeerte ontkomt. Wanneer die zinsbegeerte tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.


Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door kwaadwil. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane kwaadwil ontkomt. Wanneer die kwaadwil tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.


Een goed onderwezen edele volgeling die acht slaat op de edelen en in hun leer geschoold is, die oprechte mensen acht en in hun leer geschoold is, die vertoeft niet met een hart dat door geloof in een persoonlijkheid bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane geloof in een persoonlijkheid ontkomt. Het geloof in persoonlijkheid is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

Hij vertoeft niet met een hart dat door twijfel bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane twijfel ontkomt. De twijfel is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

Hij vertoeft niet met een hart dat door vasthouden aan regels en rituelen bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane vasthouden aan regels en rituelen ontkomt. Het vasthouden aan regels en rituelen is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

Hij vertoeft niet met een hart dat door zinsbegeerte bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane zinsbegeerte ontkomt. De zinsbegeerte is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

Hij vertoeft niet met een hart dat door kwaadwil bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane kwaadwil ontkomt. De kwaadwil is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

Er is een pad, een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Zonder dat pad te begaan kan men de lagere boeien niet kennen of zien of overwinnen.

Er is een pad, een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Door dat pad te begaan is het mogelijk de vijf lagere boeien te kennen of te zien of te overwinnen.

Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, maar als zijn geest niet daarin intreedt en geen vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een zwak iemand.

Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, en als zijn geest daarin intreedt en vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een sterk iemand.

Het pad, de weg naar de overwinning van de vijf lagere boeien is als volgt. Na het overwinnen van onheilzame toestanden van de geest treedt men binnen in de eerste jhana en men vertoeft erin.

Wat er ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.140

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de tweede jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de derde jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de vierde jhana en vertoeft erin.

Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien

Verder treedt men binnen in de vormloze sfeer van „ruimte is oneindig“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn,141 men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de sfeer van „oneindig is het bewustzijn“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Verder treedt men binnen in de sfeer van „er is niets“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

Hoe is het mogelijk dat men van enkele monniken zegt dat zij de bevrijding van het hart bereiken en van anderen dat zij de bevrijding door wijsheid bereiken?

Het verschil ligt in de vaardigheden.142

 



M.65. (M.VII.5) Bhaddālī sutta.

Te Sāvatthi. De monnik Bhaddāli weigerde de regel op te volgen niet meer te eten na 12 uur ΄s middags. De Boeddha legde uit dat een monnik door het volgen van die regel niet wordt berispt door zijn leraar, medemonniken, devas en niet door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij een bovenmenselijke toestand, een helderheid van het weten. Hij kan de jhanas binnentreden en kan bovennatuurlijke krachten verkrijgen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt wat de neigingen zijn, de oorsprong ervan, het beëindigen ervan, de weg naar het beëindigen ervan. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

Uitgelegd wordt ook waarom er vroeger minder regels van discipline waren en meer heiligen, en tegenwoordig meer regels van discipline en minder heiligen.

Tien eigenschappen van een monnik waardoor hij een veld van verdienste is voor de wereld.


M.65. (M.VII.5) Bhaddālī sutta

Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot de monniken over eenmaal eten per dag.

“Monniken, ik eet slechts één keer per dag. Zo ben ik vrij van ziekte en onbehagen, en ik verheug me in gezondheid, sterkte en een licht leven. Ik vraag jullie ook maar eenmaal per dag te eten."

De eerwaarde Bhaddali was niet bereid om slechts eenmaal per dag te eten. Hij vreesde dat hij dan zorgen en angst kreeg.

De Boeddha zei dat Bhaddali dan moest eten waar hij uitgenodigd werd en een deel van het eten mee zou nemen. Op die manier zou hij voldoende kunnen eten.

Ook daarmee ging Bhaddali niet accoord. Nadat die regel143 door de Verhevene was bekend gemaakt, verkondigde Bhaddali openlijk in de Sangha dat hij niet bereid was om aan die regel te voldoen. Drie maanden (in de regentijd) liet hij zich niet zien omdat hij zich niet aan die regel hield.

Bij die gelegenheid was een aantal monniken bezig met het maken van een gewaad voor de Verhevene. Zij dachten daarbij dat de Verhevene aan het einde van de regentijd daarmee kon rondgaan.

De eerwaarde Bhaddali ging naar die monniken toe, groette hen eerbiedig en ging naast hen zitten. Zij zeiden tot hem dat zij een gewaad voor de Boeddha gereed maakten zodat hij dat na de regentijd kon gebruiken. Zij vroegen hem voorzichtig te zijn met wat hij verkondigde opdat hij er later geen problemen mee kreeg.

Bhaddali ging toen naar de Verhevene toe en bekende dat hij een fout tegen de regels gemaakt had omdat hij als een nar, verward, openlijk verkondigd had dat hij de regel van eenmaal eten per dag niet wilde aannemen. Bhaddali vroeg daarom vergiffenis. Hij wilde de etensregel nu wel aannemen.

De Boeddha maakte toen op verschillende manieren duidelijk dat Bhaddali een grote fout had gemaakt. Hij vergaf hem zijn fout.

En de Boeddha onderwees Bhaddali verder. „Een monnik volgt de oefening in de leer van de Leraar niet op. Hij gaat naar een afgezonderde plek, en wil er een bovenmenselijke toestand verwerkelijken, helderheid van het weten. Maar hij wordt berispt door zijn leraar, door zijn medemonniken, door devas en door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij geen enkele bovenmenselijke toestand, geen helderheid van het weten. En wel omdat hij de oefening in de leer van de leraar niet navolgt.


Maar een monnik volgt de oefening in de leer van de Leraar wel op. Hij gaat naar een afgezonderde plek, en wil er een bovenmenselijke toestand verwerkelijken, helderheid van het weten. Hij wordt niet berispt door zijn leraar, niet door zijn medemonniken, niet door devas en niet door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij een bovenmenselijke toestand, een helderheid van het weten. En wel omdat hij de oefening in de leer van de leraar navolgt.

Hij treedt binnen in de 1e, 2e, 3e en 4e jhana en vertoeft erin. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

Dan richt hij zijn geconcentreerde geest die gezuiverd is, smetteloos en helder, op het weten van de herinnering aan vroegere levens. Daarna richt hij zijn geest op het weten van dood en wedergeboorte van wezens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens sterven en weer verschijnen overeenkomstig hun wilsacties. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

Dan richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt wat de neigingen zijn, de oorsprong ervan, het beëindigen ervan, de weg naar het beëindigen ervan. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

Zijn geest is dan bevrijd van de neiging van de zintuigen, van de neiging tot worden en van de neiging van onwetendheid. Hij weet dat hij bevrijd is. Zijn taak is volbracht. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

De eerwaarde Bhaddāli vroeg toen waarom in het ene geval een bhikkhu vermaand wordt en in het andere geval niet.

De Boeddha: "Er is een bhikkhu die veel fouten maakt. Als de medemonniken hem berispen, heeft hij uitvluchten, is toornig, heeft haat en is verbitterd. Hij gedraagt zich niet goed, is niet gedwee en wil niet zo handelen dat de Sangha tevreden is. Zijn geval wordt door de medemonniken langzaam besproken zodat het lang gaat duren.

En er is een Bhikkhu die veel fouten maakt. Als de medemonniken hem berispen, heeft hij geen uitvluchten, is niet toornig, heeft geen haat en is niet verbitterd. Hij gedraagt zich goed, is gedwee en wil zo handelen dat de Sangha tevreden is.

Zijn geval wordt door de medemonniken besproken en snel bijgelegd.

Er is een Bhikkhu die met een zekere maat aan vertrouwen en liefde vorderingen maakt. In dat geval overwegen de medemonniken aldus: 'Laten wij ervoor zorgen dat hij die zekere mate aan vertrouwen en liefde niet verliest. Laten wij hem niet steeds vermanen.'

Om die redenen wordt in het ene geval iets ondernomen en in het andere geval niet."

Bhaddali: "Eerwaarde Heer, waarom waren er vroeger minder regels van discipline en werden meer bhikkhus thuis in het uiteindelijke inzicht? Waarom zijn er tegenwoordig meer regels van discipline en worden minder bhikkhus thuis in het uiteindelijke inzicht?".

De Boeddha: "Als de wezens slechter worden en de ware leer verdwijnt, dan zijn er meer regels van discipline, en minder bhikkhus worden thuis in het uiteindelijke inzicht. De leraar maakt de regel van discipline niet eerder bekend voordat bepaalde dingen die de basis voor neigingen zijn, hier in de Sangha openbaar worden. Hij maakt die regel van discipline dan bekend om die dingen die de basis zijn voor neigingen, af te weren.

De dingen die de basis voor de neigingen zijn, worden niet eerder in de Sangha openbaar voordat de Sangha grootte, het hoogtepunt van wereldlijk gewin, het hoogtepunt van roem, het hoogtepunt van geleerdheid, het hoogtepunt van aanzien heeft bereikt. Wanneer de Sangha grootte, het hoogtepunt van wereldlijk gewin, het hoogtepunt van roem, het hoogtepunt van geleerdheid, het hoogtepunt van aanzien heeft bereikt, dan worden de dingen openbaar die de basis voor neigingen zijn; en dan maakt de leraar de regel van discipline voor zijn discipelen bekend om die dingen die de basis voor neigingen zijn, af te weren.


De gelijkenis van het jonge volbloed veulen.


Stel een goede paardentemmer krijgt een goed volbloed veulen. Eerst went hij het veulen eraan het toom te dragen. Het veulen streeft dan tegen; maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling. Daarna wordt het veulen eraan gewend om het tuig te dragen. Ook daar streeft het eerst tegen; maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling. Daarna went de temmer het veulen eraan om stapvoets te gaan, in een kring te lopen, om te steigeren, te galopperen, voorwaarts te stormen. Hij went het aan de koninklijke eigenschappen, het koninklijke erfgoed, de hoogste snelheid, de hoogste tederheid. Bij al die dingen streeft het veulen eerst tegen, maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling.

Wanneer het veulen vredig is geworden, wordt het door de temmer beloond; hij wrijft het af en aait het. Als het veulen bovenstaande eigenschappen heeft, dan is het een koning waardig, dan is het waard om in de dienst van een koning te staan.

Evenzo, wanneer een bhikkhu tien eigenschappen heeft, dan is hij geschenken waard, dan is hij gastvrijheid waard, dan is hij een onovertrefbaar veld van verdienste voor de wereld. Die tien eigenschappen zijn: juiste visie van degene die niet meer onderwezen hoeft te worden [= van een arahant]; juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie, juist weten en juiste bevrijding van degene die niet meer onderwezen hoeft te worden.

Met die eigenschappen is hij een veld van verdienste voor de wereld."


De eerwaarde Bhaddāli was verheugd over de woorden van de Verhevene.




M.66. (M.VII.6) Latukikopama sutta.

Gelijkenis van de kwartel. Leerrede tot de monnik Udāyi m.b.t. het navolgen van regels en voorschriften. Wanneer de vijf krachten (balas), namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht, goed zijn ontwikkeld, kunnen ook strenge regels met gemak nagevolgd worden. Het is belangrijk alle boeien en elk hechten te overwinnen hoe onnozel ze ook lijken.

Vier soorten personen: degene die het hechten niet verwijdert; degene die het hechten overwint; degene die af en toe nog aan iets hecht maar dat snel verwijdert; degene die het hechten helemaal vernietigd heeft.

Het genot van de zintuigen is onedel. Dat moet men niet beoefenen, moet men niet ontplooien; men moet er bang voor zijn. Het geluk van de jhanas moet men koesteren, ontplooien; men moet het oefenen, men moet er niet bang voor zijn.



M.66. (M.VII.6) Latukikopama sutta.


In de stad Apana, in het land van de Anguttarapers. Na de maaltijd ging de Verhevene in een park aan de voet van een boom neerzitten.

De eerwaarde Udayin ging na het rondgaan voor aalmoezen met zijn maaltijd ook naar dat park en ging er aan de voet van een boom neerzitten. Terwijl hij alleen in meditatie vertoefde, kwam de volgende gedachte bij hem op: 'De Verhevene heeft veel pijnlijke toestanden van ons genomen. De Verhevene heeft ons veel heilzame toestanden gebracht.'

's Avonds verhief de eerwaarde Udayin zich uit de meditatie, ging naar de Verhevene toe en vertelde hem welke gedachten bij hem waren ontstaan. “Vroeger aten wij 's avonds, 's morgens en overdag, buiten de juiste tijd. Toen maakte de Verhevene de regel niet meer te eten buiten de juiste tijd. Ik was toen van mijn stuk gebracht en bedroefd omdat gezinshoofden buiten de juiste tijd maaltijden gereed maken. Uit respect voor de Verhevene en uit angst om iets verkeerds te doen gaf ik toen het eten buiten de juiste tijd op.


Eerwaarde heer, soms gingen bhikkhus in donkere nacht rond voor aalmoezen. Zij liepen dan in een kuil met afval, in een afwaterkanaal, in een struik met dorens, of vielen over een slapende koe. Ze kwamen dieven tegen of werden door vrouwen sexueel verleid. Eens werd ik aangezien voor een demon. Eerwaarde heer, toen ik mij dat herinnerde, dacht ik eraan hoeveel pijnlijke en onheilzame toestanden de Verhevene van ons genomen heeft en hoeveel heilzame toestanden de Verhevene ons gebracht heeft."


De Boeddha: "Evenzo zijn er verkeerd geleide mensen die, wanneer ik hun zeg dat ze iets moeten ogeven, denken dat het maar een kleinigheid is, een onbetekenende zaak; dat ik te veel verlang. En zij geven dat niet op en zijn onhoffelijk jegens mij en ook jegens hun medemonniken die willen oefenen. Voor hen wordt die zaak een sterke strik, een zware last.

Er zijn bepaalde mannen die, wanneer ik hun zeg dat zij iets moeten opgeven, zeggen dat het maar een kleinigheid is; en toch geven zij dat op en zij zijn niet onhoffelijk jegens mij noch jegens de monniken die willen oefenen. Nadat zij dat hebben opgegeven, leven zij onbezwaard, gelaten, leven van de gaven van anderen, met een hart, heel onbezorgd. Voor hen wordt die zaak een zwakke strik.


Er zijn vier soorten van personen in de wereld, namelijk:

1. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Hij laat ze toe, overwint ze niet, verwijdert en vernietigt ze niet. Zo'n persoon is geboeid.

2. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Hij laat ze niet toe, overwint ze, verwijdert en vernietigt ze. Zo'n persoon is niet geboeid.

3. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij af en toe door leemtes in de oplettendheid herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Zijn oplettendheid kan langzaam bij het ontstaan zijn, maar hij overwint de herinneringen en plannen snel, verwijdert en vernietigt ze. Ook zo'n persoon noem ik geboeid.

4. Iemand ziet in dat inbezitname de wortel is van lijden, en hij ontdoet zich van inbezitname. Hij is met de vernietiging van inbezitname bevrijd.144 Zo'n persoon noem ik ongeboeid.


Er zijn vijf strengen van zinnelijk genot. Vormen die met het oog waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Geluiden die met het oor waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Geuren die met de neus waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Smaken die met de tong waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Aanrakingsobjecten die met het lichaam waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan.

Dat zijn de vijf strengen van zinnelijk genot. Het geluk dat in afhankelijkheid van deze vijf strengen ontstaat, noemt men het geluk van het zinnelijk genot – een smerig, gewoonlijk en onedel geluk. Dat soort van geluk moet men niet beoefenen, moet men niet ontplooien; men moet er bang voor zijn.

Afgescheiden van zinsgenot treedt een bhikkhu binnen in de eerste jhana. Hij vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid die uit afzondering is ontstaan. Dan treedt hij binnen in de 2e jhana. Hij vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid die uit concentratie is ontstaan. Dan treedt hij binnen in de 3e jhana. Hij vertoeft erin. Dan treedt hij binnen in de 4e jhana en vertoeft erin.

Dit noemt men de gelukzaligheid van ontzegging, van afzondering, van de Verlichting. Dit soort geluk moet men koesteren, ontplooien; men moet het oefenen, men moet er niet bang voor zijn.

Een bhikkhu treedt binnen in de eerste jhana en vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid. Dit behoort tot beroering. De begin- en aanhoudende toewending van de geest die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, loswoelen behoort.

Een bhikkhu treedt met het stillen van de begin- en aanhoudende toewending van de geest binnen in de tweede jhana en vertoeft erin. Dit behoort ook tot beroering, loswoelen. De verrukking en gelukzaligheid die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, het loswoelen behoort.

Een bhikkhu treedt met het verbleken van de verrukking, in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk beleefde gelukzaligheid, binnen in de derde jhana en vertoeft erin. Ook dit behoort tot beroering, loswoelen. De gelijkmoedigheid en de gelukzaligheid die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, het loswoelen behoort.

Een bhikkhu treedt met het overwinnen van geluk en pijn en van vreugde en verdriet binnen in de vierde jhana en vertoeft erin. Dit behoort tot niet-beroering, niet loswoelen.145

Het intreden in de eerste jhana is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de tweede jhana overtreft de eerste jhana, maar is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de derde jhana overtreft de tweede jhana, maar dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de vierde jhana overtreft de derde jhana, maar dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de vormloze sfeer van „ruimte is oneindig“ overtreft de vierde jhana. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de sfeer van „bewustzijn is oneindig“ overtreft de sfeer van oneindige ruimte. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de sfeer van „er is niets“ overtreft de sfeer van oneindig bewustzijn. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overtreft de sfeer van niets is er. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

Het intreden in de sfeer van beëindiging van waarneming en gevoel146 overtreft de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming.

Udāyin, zie jij ergens een boei, klein of groot, over de overwinning ervan ik niet spreek?" - "Neen, Heer."

De eerwaarde Udayin was verheugd over de woorden van de Verhevene.



 

M.67. (M.VII.7) Cātumā sutta


Te Cātuma. Leerrede tot de discipelen van de eerwaarden Sariputta en Mahā Moggallāna. Die discipelen (500) maakten veel lawaai. De Verhevene weigerde daarom eerst hen toe te spreken. Maar later onderwees hij hun over de gevaren in een leven als monnik, zoals kwaadwil jegens degenen die hen onderrichten en leiden; ontevredenheid met oefenregels zoals het gebruik van maaltijden of omgang met vrouwen; en zintuiglijke genietingen. En daarom uit de Orde treden.




M.68. (M.VII.8) Nalakapāna sutta

Te Nalakapāna in het land Kosala. Veel welbekende mannen uit goede familie waren uit vertrouwen in de Orde ingetreden, o.a. de eerwaarden Anuruddha, Nandiya, Kimbila, Bhagu, Kundadhāna, Revata en Ānanda. De Boeddha vroeg of zij zich verheugden in het heilige leven. Deze vraag werd door de eerwaarde Anuruddha bevestigend beantwoord.

De Boeddha: "Het is goed dat jullie vreugde vinden in het heilige leven. Jullie zijn nog jong, in de bloei van jullie leven. Jullie hadden de genietingen van de zintuigen kunnen navolgen. Jullie werden niet gedwongen om in de Orde in te treden. Maar uit vertrouwen om aan het lijden een einde te maken, daarom zijn jullie ingetreden."

De eerwaarde Anuruddha bevestigde dit.

De Boeddha: "Wat moet door jullie gedaan worden? Zolang men de vervoering en gelukzaligheid die van zinsgenoegens afgescheiden zijn, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, nog niet bereikt heeft, of iets nog vrediger dan dat, zolang dringt hebzucht in de geest binnen en blijft daar. Ook kwaadwil, traagheid en matheid, rusteloosheid en gewetensonrust, twijfel, ontevredenheid, lusteloosheid dringen binnen en blijven daar.

Maar wanneer men de vervoering en gelukzaligheid die van de zinsgenoegens afgescheiden zijn, verkregen heeft, of iets nog vrediger dan dat, dan dringen hebzucht en de andere smetten van de geest niet binnen en blijven er niet.

De Tathagata heeft de neigingen overwonnen, heeft ze met wortel en al vernietigd. Hij spreekt over de bestemmingen van gestorven personen (monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen), niet om lof en bewondering te krijgen, maar om enthousiasme en vertrouwen op te wekken bij zijn volgelingen. Dat strekt lang tot hun heil en geluk."



M.69. (M.VII.9) Gulissāni sutta

Te Rājagaha. Leerrede door de eerwaarde Sāriputta tot de monnik Gulissāni (Goliyāni) over 18 dhammas die een in het woud levende monnik moet navolgen.



M.69 (M.VII.9) Gulissāni sutta


Te Rājagaha. Gulissāni was een woudmonnik met geen goed gedrag die om bepaalde redenen naar het klooster was gekomen. Met betrekking tot hem sprak de Eerwaarde Sāriputta een leerrede tot de monniken over 18 dhammas die een in het woud levende monnik moet navolgen.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij vol respect en eerbied zijn tegenover zijn medemonniken. Als hij dat niet doet, kan men van hem zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij zich op passende manier gedragen wat zitgelegenheden betreft. Hij moet zo gaan zitten dat hij oudere monniken niet lastig valt en dat hij nieuwe monniken de zitplaats niet weigert. Als hij dat niet doet, kan men van hem zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt, omdat hij niet weet wat tot een goede omgang behoort.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet te vroeg naar het dorp gaan of laat overdag terugkeren. Als hij dat wel doet, kan men van hem zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet vóór de maaltijd of na de maaltijd naar gezinnen gaan. Als hij dat wel doet, kan men van hem zeggen dat hij in het woud zich eraan gewend heeft om op de verkeerde tijd naar gezinnen te gaan.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet hoogmoedig en ijdel zijn. Is hij dat wel, kan men van hem zeggen dat hij in het woud over het algemeen hoogmoedig en ijdel zal zijn. Daarom moet een woudmonnik niet hoogmoedig en ijdel zijn.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet kletsen en niet veel praten. Doet hij dat toch, dan kan men van hem zeggen dat hij in het woud niet veel bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

Wanneer een woudmonnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij gemakkelijk te verbeteren zijn en met goede vrienden omgaan. Als hij moeilijk te verbeteren is en met slechte vrienden omgang heeft, kan men van hem zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft omdat hij zich zo gedraagt.

Een woudmonnik moet de deuren van de zintuigen beschermen.

Een woudmonnik moet matig zijn bij het eten.

Een woudmonnik moet zich wijden aan waakzaamheid.

Een woudmonnik moet energiek zijn en niet lui.

Een woudmonnik moet in de waakzaamheid verankerd zijn. Hij moet niet onoplettend zijn.

Een woudmonnik moet geconcentreerd zijn.

Een woudmonnik moet wijs zijn.

Doet hij dat alles niet dan kan men van hem zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

Een woudmonnik moet zich wijden aan de hogere Dhamma en de hogere discipline. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, zal men zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft.

Een woudmonnik moet zich wijden aan die meditatieve verdiepingen die vol vrede en vormloos zijn en die vormen transcenderen. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, kan men zeggen dat hij in het woud niets bereikt heeft.

Een woudmonnik moet zich wijden aan de bovenmenselijke toestanden. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, kan men zeggen dat hij in het woud niets heeft bereikt omdat hij het doel van het huisloze leven niet kent.


Na deze woorden vroeg de eerwaarde Maha Moggalana aan de eerwaarde Sariputta of dat alles alleen voor een woudmonnik gold of ook voor een stadsmonnik.

De eerwaarde Sariputta zei dat deze dingen zowel door een woudmonnik als voor een stadsmonik uitgeoefend moeten worden.



M.70. (M.VII.10) Kītāgiri sutta.

In de marktplaats Kītāgiri. Over de voordelen van eten vóór 12:00 uur en het nadeel van eten in de avond. De Boeddha spreekt er over de zevenvoudige indeling van de edele volgelingen: iemand die op twee manieren bevrijd is; iemand die door wijsheid bevrijd is; iemand die rijp is in visie; een lichaamsgetuige; iemand die door vertrouwen bevrijd is; iemand die de Dhamma toegedaan is; iemand die vol vertrouwen is. Hij spreekt ook over het gedrag dat door de monniken moet worden gevolgd.



M.70. (M.VII.10) Kītāgiri sutta.


In het land Kasi. De Verhevene liep er rond met een grote groep monniken. Hij onderwees hen aldus.

"Monniken, ik onthoud me ervan 's nachts te eten. Jullie moeten jullie ook onthouden van 's nachts te eten. Dan zullen jullie vrij zijn van ziekte en onbehagen; jullie zullen dan gezondheid, kracht en een licht leven hebben."

In etappen kwam de Verhevene aan bij de stad Kitagiri. De Bhikkhus met naam Assaji en Punabbasuka waren daar. Een groepje bhikkhus ging naar hen toe en zeiden dat zij zich voortaan onthielden van 's nachts te eten. Zij gaven aan de twee bhikkhus de raad zich eveneens ervan te onthouden 's nachts te eten.

Maar de Bhikkhus Assaji en Punabbasuka zeiden dat zij 's avonds, 's morgens en overdag aten, buiten de juiste tijd. Zo bleven zij vrij van ziekte en leed en genoten gezondheid, kracht en een licht leven. Waarom zouden zij dat eetgedrag opgeven?

De bhikkhus gingen toen naar de Verhevene en vertelden hem dat zij er niet in geslaagd waren de twee bhikkhus Assaji en Punabbasuka te overtuigen.

De Verhevene liet toen die twee monniken bij zich komen. En hij vroeg hun of het waar was dat zij het eten buiten de juiste tijd niet opgaven. De twee monniken bevestigden het.

De Boeddha: "Als iemand een bepaald soort aangenaam gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort aangenaam gevoel op te geven.

Als iemand een bepaald soort aangenaam gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort aangenaam gevoel in te treden en erin te vertoeven.

Als iemand een bepaald soort pijnlijk gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort pijnlijk gevoel op te geven.

Als iemand een bepaald soort pijnlijk gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort pijnlijk gevoel in te treden en erin te vertoeven.

Als iemand een bepaald soort neutraal gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort neutraal gevoel op te geven.

Als iemand een bepaald soort neutraal gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort neutraal gevoel in te treden en erin te vertoeven.147

Bhikkhus, er zijn bhikkhus die ijverig, met overleg gedaan hebben wat gedaan moet worden; en er zijn bhikkhus die nog niet gedaan hebben wat gedaan moet worden.

De bhikkhus die Arahants zijn, die de neigingen vernietigd hebben, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die het ware doel hebben bereikt, die de boeien van het worden vernietigd hebben en door inzicht volledig bevrijd zijn, zij hebben hun werk ijverig, met overleg vervuld. Zij zijn niet meer in staat om nalatig te zijn.

De bhikkus die in de hogere opleiding staan, wier geest het doel nog niet heeft bereikt, en die nog streven naar de hoogste zekerheid voor het geboeidzijn, zij hebben nog werk te vervullen, ijverig, met overleg. En wel om de volgende redenen. Wanneer die eerwaarden gebruik maken van passende ligplaatsen en omgang hebben met goede spirituele vrienden (kalyāṇamitta), en hun spirituele vermogens in evenwicht houden, dan kunnen zij door eigen ervaring met hogere geestelijke kracht intreden in het hoogste doel van het heilige leven, en daarin vertoeven.


Monniken, er zijn zeven soorten van personen in de wereld,148 namelijk:

  1. iemand die op beide soorten bevrijd is;

  2. iemand die door wijsheid bevrijd is;

  3. iemand die rijp is in visie; [die visie zal bereiken]

  4. een lichaamsgetuige;

  5. iemand die door vertrouwen bevrijd is;

  6. iemand die de Dhamma toegewijd is;

  7. iemand die vol vertrouwen is.

(1) Iemand die op beide soorten bevrijd is, is degene die met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en die daarin vertoeft; zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Hij heeft de taak volbracht.

(2) Iemand die door wijsheid bevrijd is, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en die vormen transcenderen, en hij vertoeft er niet in. Maar zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Hij heeft zijn taak volbracht.149

(3) De lichaamsgetuige is degene die met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en erin vertoeft, en enkele van zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Deze persoon moet nog werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

(4) Iemand die rijp is in visie is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn [de vormloze jhanas] en die vorm transcenderen, en er niet in vertoeft, maar enige neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; en de leringen die door de Tathagata verkondigd zijn, worden door hem met wijsheid volledig ingezien en doordrongen. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

(5) Iemand die door vertrouwen bevrijd is, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en hij vertoeft er niet in; maar enige van zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet, en hij heeft zijn vertrouwen in de Tathagata gesteld welk vertrouwen in hem geworteld en verankerd is. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.150

(6) Iemand die de Dhamma volgt, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en er niet in vertoeft, en zijn neigingen zijn nog niet vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; maar met wijsheid heeft hij de leringen die door de Tathagata verkondigd zijn, reflectief voldoende aangenomen. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

(7) Iemand die vertrouwen volgt, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en er niet in vertoeft, en zijn neigingen zijn nog niet vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; maar hij heeft voldoende vertrouwen in de Tathagata, voldoende liefde voor de Tathagata. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.151


Monniken, uiteindelijk inzicht wordt niet ineens verkregen. In tegendeel, uiteindelijk inzicht wordt door trapsgewijze oefening, door stapsgewijze praktijk, door stapsgewijze vorderingen verkregen. En wel aldus:

Iemand die vertrouwen heeft (in een leraar), zoekt hem op, bewijst hem eer, luistert oplettend, verneemt de Dhamma, onthoudt de Dhamma; hij onderzoekt de betekenis ervan, neemt die leringen reflectief aan; vlijt komt in hem op, hij gebruikt zijn wil; onderzoekt de Dhamma, hij spant zich in; wanneer hij zich vastbesloten inspant, verwerkelijkt hij met het lichaam152 de uiteindelijke waarheid en ziet ze waarbij hij ze met wijsheid doordringt.


[Dan richt de Boeddha zich weer direct tot de de twee Bhikkhus Assaji en Punabbasuka].

"Dat alles was er [bij jullie] niet, Bhikkhus, jullie hebben de weg verloren, zijn op de verkeerde weg.

Er is een vierdelige uitspraak, en wanneer ze gereciteerd wordt, kan een wijze ze vlug begrijpen.

Een volgeling vol vertrouwen moet zich aldus gedragen: De Verhevene is de leraar, ik ben een leerling; de Verhevene weet, ik weet niet. De leer van de leraar is voedzaam en verfrissend. Al blijft van mij alleen nog mijn huid, pezen en beenderen over, en drogen vlees en bloed in mijn lichaam op, mijn energie zal niet minder worden zolang ik nog niet bereikt heb wat met mannelijke energie en vasthoudendheid bereikt kan worden. Door een volgeling met vertrouwen kan een van twee vruchten verwacht worden: ofwel uiteindelijk inzicht hier en nu, of, wanneer nog een rest van hechten over is, niet-wederkeer."


De bhikkhus verheugden zich over de woorden van de Verhevene.




M.VIII. Paribbājaka-vagga

De Boeddha is volmaakt in drie soorten kennis, namelijk de kennis van het verleden, de kennis van goddelijk zien en de kennis van bevrijding. Over het gedrag van lekenvolgelingen en monniken. Over goede en slechte daden. Contemplatie over het lichaam en contemplatie over gevoel. Over het opgeven van zinnelijke verlangens. Weerlegging van de verkeerde meningen dat er geen bestaan is na de dood, dat er geen resultaat is van goede en slechte daden, dat er geen oorzakelijk ontstaan is, en dat er alleen aggregaten van zeven elementen zijn. De ware oorzaak van de eerbied die aan de Boeddha door zijn volgelingen gebracht werd. Alleen het edele achtvoudige pad voert naar juist inzicht en juiste bevrijding. Geluk ontsproten uit geestelijke niveaus is hoger dan geluk verkregen door zintuiglijke genietingen.153

 



M.71. (M.VIII.1) Tevijja-Vacchagotta sutta.


Te Savatthi. De Boeddha brengt een bezoek aan de dolende asceet Vacchagotta. De asceet zegt aan de Boeddha dat men beweert dat deze alwetend en alziend is. Hij vraagt of dat waar is. De Boeddha antwoordt dat dit niet waar is.154 Maar de Verhevene heeft wel het drievoudige weten (tevijja). Hij kan met het hemelse oog zien waar wezens sterven en weer geboren worden in overeenstemming met hun daden. En hij kan door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht intreden in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij van neigingen is, en hij kan erin verblijven.




M.72. (M.VIII.2) Aggi-Vacchagotta sutta.

Te Sāvatthi. De Boeddha spreekt weer met Vacchagotta, deze keer over het gevaar van theorieën opstellen over de wereld en over atta, een zelf. Met de gelijkenis van een uitgedoofd vuur probeert de Boeddha de bestemming uit te leggen van een volmaakte heilige.

De volmaakte heilige identificeert zich niet met de vijf khandas en kan ook niet ermee geïdentificeert worden. Hij is onvindbaar geworden. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, daarmee identificeert de volmaakte heilige zich niet meer.



M.72. (M.VIII.2) Aggi-Vacchagotta sutta.

Te Sāvatthi. De asceet Vacchagotta gaat naar de Boeddha en stelt vragen: is de wereld eeuwig of niet; is ziel en lichaam hetzelfde of is de ziel het ene en het lichaam iets anders; bestaat de Boeddha na de dood of niet. De Boeddha zegt dat die vragen niet naar Nibana leiden.155 Speculatieve visies zijn door de Verhevene opgegeven. Hij weet de oorsprong en het verdwijnen van vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn. Met de vernietiging, het opheffen van de mening “ik ben” is de Tathagata door niet-hechten bevrijd.

Met een gelijkenis van een uitgedoofd vuur legt de Boeddha de toestand uit van iemand die bevrijd is.

De speculatieve mening is door de Verhevene verwijderd. Want de Verhevene heeft gezien: Zo is vorm, de oorsprong ervan en het verdwijnen ervan. Evenzo met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Met de vernietiging, het opgeven van alle voorstellingen, van alle ik-maken, en de eraan ten grondslag liggende neiging van ik-waan, is de Verhevene door niet-hechten bevrijd.

Vraag: Waar verschijnt de bevrijde dan weer?

Antwoord: De uitdrukking weer verschijnen is niet passend. Stel dat een vuur brandt. Dan weet je: het vuur brandt. Het vuur brandt in afhankelijkheid van gras en twijgen. Als het vuur uitdooft, dan weet je: dit vuur is uitgedoofd. Als iemand vraagt in welke richting het vuur gegaan is, naar het oosten, westen, noorden of zuiden, dan luidt het antwoord: het vuur brandde in afhankelijkheid van de brandstof van gras en twijgen. Als er geen brandstof meer is, dan dooft het vuur.

Juist zo is de Verhevene van elk begrip van vorm bevrijd. Op gelijke manier met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn.156


De asceet Vacchagotta werd een lekenvolgeling van de Boeddha.




M.73. (M.VIII.3) Mahā Vacchagotta sutta.


Te Rājagaha. De Boeddha spreekt deze keer met Vacchagotta over het heilzame en het onheilzame. Begeerte, haat, onwetendheid zijn onheilzaam; niet-begeerte, niet-haat en inzicht zijn heilzaam. Doden, stelen, verkeerd gedrag bij zintuiglijk genot, liegen, lasteren, kwaadspreken, ruwe, barse taal, kletsen, hebzucht, verkeerde meningen zijn onheilzaam. Het tegengestelde ervan is heilzaam.

Wanneer begeerte overwonnen is, aan de wortel afgesneden zodat ze niet meer kan ontstaan, geheel en al vernietigd, dan is men een arahant geworden, met de neigingen vernietigd.

De Boeddha legt dan uit dat er heel veel volgelingen van hem zijn die de niveaus van heiligheid bereikt hebben, zowel monniken en nonnen als ook mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen.

Vacchagotta werd in de Orde opgenomen. De Boeddha gaf hem de raad twee dingen te ontwikkelen: rust en inzicht. Hij kon dan de bovennatuurlijke krachten beheersen. Na niet lange tijd bereikte Vacchagotta arahantschap.




M.74. (M.VIII.4) Dīghanakha sutta.


Te Rājagaha, op de Gierepiek, in de Sūkarakhata grot. De Boeddha gaf er een leerrede tot de dolende asceet Dīghanakha welke een neef was van de eerwaarde Sāriputta. Als er een meningsverschil is, kan er ruzie ontstaan; en daaruit ontstaat frustratie. Daarom moet men eigen visies overwinnen.

De Verhevene onderwees verder dat het lichaam samengesteld is uit de vier grote elementen, dat het ontstaan is, vergankelijk is, dat het aan verval onderhevig is. Het moet als een gezwel, als leeg, als niet-zelf beschouwd worden. Zo overwint men de begeerte naar het lichaam.

Er zijn drie soorten van gevoel, aangenaam, onaangenaam en neutraal gevoel. Elke soort van gevoel is vergankelijk, oorzakelijk ontstaan, aan vernietiging en verwijnen onderhevig.

Wanneer een goed onderwezen discipel dat zo ziet, wordt hij ontnuchterd tegenover elk soort van gevoel. Hij wordt dan begeerteloos. Zijn geest is bevrijd. En hij weet dat het heilige leven geleefd is, dat gedaan is wat gedaan moest worden.

Iemand wiens geest zo bevrijd is, verbindt zich met niemand en maakt geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan.

De eerwaarde Sāriputta, Dīghanakhas oom, was pas 15 dagen ervoor in de Orde opgenomen. Hij stond achter de Boeddha en wuifde hem met een waaier koelte toe. Hij volgde de toespraak en bereikte vanaf het 1e niveau van heiligheid dat hij al bereikt had, de volledige heiligheid met de viervoudige analytische kennis.

Op het einde van de toespraak bereikte de asceet Dīghanakha het 1e niveau van heiligheid, stroomintrede. Hij prees de Boeddha en werd een lekenvolgeling.




M.75. (M.VIII.5) Māgandiya sutta.

Te Kammāsadhamma, een marktplaats in het land Kuru. De Verhevene gaf aan Māgandiya, een dolende asceet, de raad de zintuigen te beheersen en de zinnelijke gedachten. Hij vertelde de asceet hoe hij de weelderige paleizen had opgegeven en het geluk vond in de volmaakte heiligheid, welk geluk veel hoger is dan dat van zintuiglijk genot. De asceet gaf zijn verkeerde meningen op en werd een volgeling van de Boeddha.




M.75. (M.VIII.5) Māgandiya sutta

Te Kammāsadhamma, in het land Kuru. Māgandiya, een dolende asceet, zei dat de Boeddha een vernietiger van groei was. De Boeddha zei aan de asceet dat het oog zich verheugt over vormen, dat het oor zich verheugt over klanken, dat de neus zich verheugt over geuren, dat de tong zich verheugt over smaken, dat het lichaam zich verheugt over aanrakingsobjecten, dat de geest zich verheugt in objecten van de geest. Die zintuigen zijn door de Tathāgata getemd en beheerst. Hij onderwijst hoe men ze kan beheersen. Hij vroeg of de asceet dat bedoelde toen hij zei dat de Boeddha een verwoester van groei is.

De asceet: "Ja, heer Gotama, omdat het zo in onze geschriften staat."

De Boeddha: "Vroeger heeft iemand zich vergenoegd met vormen die door het oog zichtbaar zijn en die aangenaam zijn, die verbonden zijn met zinsgenot en die begeerte opwekken. Later ziet hij de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan de vormen. Hij kan de begeerte naar vormen overwinnen en zonder verlangen vertoeven met een geest die innerlijke vrede heeft. - Wat zou je tot hem zeggen, Magandiya?" - "Niets, meester Gotama."

"Vroeger heeft iemand zich vergenoegd met geluiden, met geuren, met smaken, met aanrakingsobjecten, met geestobjecten, die respectievelijk met het oor, met de neus, met de tong, met het lichaam en met de geest waarneembaar zijn en die aangenaam zijn, die verbonden zijn met zinsgenot en die begeerte opwekken. Later ziet hij de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan de geluiden, geuren, smaken, aanrakingsobjecten, geestobjecten. Hij kan de begeerte daarnaar overwinnen en zonder verlangen vertoeven met een geest die innerlijke vrede heeft. - Wat zou je tot hem zeggen, Magandiya?" - "Niets, meester Gotama."

"Māgandiya, vroeger leefde ik thuis en vergenoegde mij met de vijf strengen van zintuiglijk genot, met vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingsobjecten. Ik had drie paleizen, een voor de regentijd, een voor de winter en een voor de zomer. Later zag ik de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan zinsgenot. Ik overwon en verwijderde de begeerte naar zinsgenot en ik vertoefde zonder verlangen met een geest die innerlijke vrede had.

Ik zie andere wezens die niet vrij van zinsbegeerte zijn, die door begeerte naar zinsgenot verteerd worden. En ik benijd hen niet. Ook verheug ik me er niet over. En wel omdat er een vreugde is afgezonderd van zinsgenot, afgezonderd van onheilzame geestestoestanden. Die vreugde overtreft hemelse gelukzaligheid. Vanwege die vreugde benijd ik niet wat minder is; en ik vermaak mij er ook niet aan."

De Verhevene gaf hem de raad zijn zintuigen te beheersen en zijn zinnelijke gedachten. Hij vertelde de asceet hoe hij de weelderige paleizen had opgegeven en het geluk vond in de volmaakte heiligheid, welke geluk veel hoger was dan dat van zintuiglijk genot.

De Boeddha zei verder: "Het grootste goed is de gezondheid; Nibbana is het grootste geluk; het beste pad is het achtvoudige dat zeker naar het Doodloze voert."


De asceet Māgandiya had vertrouwen in de Boeddha, trad in de Orde in en na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.




M.76. (M.VIII.6) Sandaka sutta


Te Kosambī. Ānanda onderwees er de dolende asceet Sandaka en diens volgelingen. Ānanda weerlegde de verkeerde meningen dat er geen resultaat was van goede en slechte daden, dat er geen bestaan was na de dood, dat vader en moeder niet geëerd moeten worden, dat er geen goddelijke wezens zijn, dat er geen goede en deugdzame monniken en brahmanen zijn die deze wereld en de andere wereld uit eigen ervaring kunnen uitleggen, dat een persoon uit de vier grote elementen bestaat en dat die elementen na de dood terugkeren en dat niets overblijft, dat vrijgevigheid alleen geklets is, dat er geen oorzakelijk ontstaan is, dat alles gevormd is door het lot, dat er zeven lichamen zijn die niet geschapen zijn en die onveranderlijk zijn, dat de ronde van wedergeboorte begrensd is, dat ze niet veranderd kan worden. Die verkeerde meningen ontkennen het voeren van het heilige leven zoals onderwezen door de Boeddha.

Daarna onderwees de eerwaarde Ananda de asceet in de leer van de Boeddha, van het intreden in de Orde tot aan de volmaakte heiligheid. Sandaka en zijn volgelingen gaven hun verkeerde meningen op en werden volgelingen van de Boeddha.



M.77. (M.VIII.7) Mahāsakuludāyi sutta

Over de vijf redenen waarom de Boeddha geëerd moet worden.157



M.77. (M.VIII.7) Mahāsakuludāyi sutta


Te Rājagaha. De Verhevene bracht er de regentijd door in een bos en meerdere asceten brachten er de regentijd door in een park. 's Morgens ging de Boeddha op weg naar Rajagaha, maar hij vond het nog te vroeg. Daarom bezocht hij de asceten in het park. De asceet Sakuludāyīn zat er met een grote groep asceten die luid zinloze gesprekken voerden o.a. over koningen, eten, familieleden, vrouwen, steden en dorpen, het ontstaan van de wereld. De asceet zag de Boeddha in de verte aankomen en hij maande zijn volgelingen stil te zijn omdat de Boeddha graag stilte had. Misschien zou hij dan wel een aanhanger van de asceet Sakuludāyīn worden. De Verhevene ging naar de asceet toe die hem uitnodigde te gaan zitten op een gereedgemaakte zitplaats. De Verhevene vroeg waarover zij zoal praatten. De asceet zei dat het een winst was voor de mensen uit Anga en Magadha dat zoveel bekende en beroemde sektenleiders die door velen als heiligen beschouwd werden, naar Rajagaha gekomen waren om er de regentijd door te brengen. Hij vroeg wie van hen door zijn volgelingen geëerd en gerespecteerd werd en hoe zij leven in afhankelijkheid van hun leraar.

De asceet zei verder dat de volgelingen van andere sekteleiders luid praatten en hun leiders bekritiseerden en onderling ruzie maakten. Maar de volgelingen van de Boeddha luisterden in stilte naar de leraar. Zij eerden en respecteerden hem. En ook degenen die uit de Orde uittraden en weer leek werden, eerden en respecteerden de Boeddha, Dhamma en Sangha.

Op de vraag van de Boeddha hoeveel deugden de asceet in hem zag, zei deze dat hij vijf deugden zag en wel: (1) De Verhevene eet weinig en beveelt weinig eten aan. (2) De Verhevene is tevreden met elke soort van gewaad en beveelt aan met elke soort van gewaad tevreden te zijn. (3) De Verhevene is tevreden met elke soort van maaltijd en hij beveelt aan met elke soort van maaltijd tevreden te zijn. (4) De Verhevene is tevreden met elke soort van slaapplaats en beveelt aan met elke soort van slaapplaats tevreden te zijn. (5) De Verhevene leeft in afzondering en beveelt aan in afzondering te leven.

Op grond van deze deugden eren en respecteren zijn discipelen hem en leven zij in afhankelijkheid van hem.


De Boeddha verwerpt Udāyī’s opsomming. Maar er zijn vijf andere deugden op grond waarvan zijn discipelen hem eren en respecteren en wel:


"De Verhevene wordt door zijn volgelingen geëerd vanwege zijn hogere deugdzaamheid. Zij hoogachten zijn voortreffelijke weten en schouwen; hij weet waarachtig en ziet waarachtig. Hij onderwijst de Dhamma door hogere geestelijke kracht, met vaste basis, op een overtuigende manier. De Verhevene wordt geëerd vanwege zijn hogere wijsheid. Hij kan met argumenten de leerstellingen van anderen weerleggen. Zijn volgelingen vragen hem over de edele waarheid van dukkha. Die waarheid wordt dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders. Zij vragen ook over de edele waarheid van de oorsprong van dukkha. Zij vragen ook over de edele waarheid van het ophouden van dukkha. En zij vragen over de edele waarheid van de weg die naar het ophouden van dukkha voert. Die waarheden worden dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg onderwezen tot ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik hun de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier juiste inspanningen, namelijk zich inspannen om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; zich inspannen om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; en zich inspannen om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier krachten, namelijk concentratie van de wil, concentratie van energie, concentratie van bewustzijn, van het gemoed, en concentratie van onderzoek. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke vaardigheden, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht. Deze vaardigheden voeren naar vrede, naar Verlichting. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke krachten, namelijk de geestelijke krachten van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Deze geestelijke krachten voeren naar vrede, naar Verlichting. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de zeven factoren van Verlichting, namelijk oplettendheid (sati); het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya); energie (viriya); enthousiasme, geestvervoering, extase (pīti); kalmte (passaddhi); concentratie (samādhi); en gelijkmoedigheid (upekkha). Deze zeven factoren worden bevorderd door onthechten en voeren naar Nibbāna. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht bevrijdingen. Van vorm vervuld ziet men vormen. Inwendig ziet men geen vorm, uitwendig ziet men vorm. Men is vastbesloten tot het schone. Met volledige overwinning van de waarneming van vorm, met het verdwijnen van de waarneming van uitwerking van de zintuigen, treedt men in het gebied van "ruimte is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "bewustzijn is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "er is niets". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van het beëindigen van waarneming en gevoel. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht overwinningsgebieden.

1. Inwendig neemt men vorm waar en men ziet uitwendig vormen die begrensd zijn, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

2. Terwijl men innerlijk vorm waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

3. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, begrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

4. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

5. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, blauw, met een blauwe kleur, met een blauw uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

6. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, geel, met een gele kleur, met een geel uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

7. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, rood, met een rode kleur, met een rood uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

8. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, wit, met een witte kleur, met een wit uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

Door deze overwinningsgebieden bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de tien kasina-fundamenten.158 De een neemt het aarde-kasina waar, boven zich, onder zich en overal, ongedeeld en ombegrensd. Een ander neemt het water-kasina waar, of het vuur-kasina, of het wind-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Iemand anders neemt het blauw-kasina waar of het geel-kasina of het rood-kasina, of het wit-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Weer iemand anders neemt het ruimte-kasina waar of het bewustzijn-kasina, ongedeeld en onbegrensd. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).

1. Volledig afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in de eerste jhana. Ze gaat samen met beginconcentratie van de geest en met aanhoudende concentratie ervan, gaat samen met vervoering en zaligheid welke uit de afgescheidenheid is ontstaan. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet door deze vervoering en zaligheid doordrongen is.

2. Door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest (naar het meditatie-object) treedt iemand binnen in de tweede jhana. Ze bevat innerlijke kalmte en geestelijke eenwording. En men vertoeft erin met vervoering en zaligheid. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet erdoor doordrongen is.

3. Met het afnemen van vervoering vertoeft men in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En men treedt binnen in de derde jhana die vol lichamelijk ondervonden zaligheid is. Hiervan zeggen de heiligen: 'Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en vol oplettendheid is.' En men verblijft in die derde meditatieve verdieping. Men laat de zaligheid die vrij van vervoering is, het hele lichaam doordringen zó dat er geen enkel lichaamdeel is dat niet doordrongen is door de gelukzaligheid die vrij van vervoering is.

4. Met het overwinnen van geluk en pijn, en door het al eerder verdwijnen van vreugde en verdriet, treedt men binnen in de vierde jhana. Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana noch iets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; maar ze heeft de zuiverheid van de oplettendheid. En men vertoeft erin. En men doordringt dit lichaam met een zuiver, helder hart zó dat er geen enkel lichaamdeel is dat niet doordrongen is door het zuivere, heldere hart.


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd tot het volgende inzicht. "Dit lichaam van mij dat uit materiele vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrei opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Het geestgeschapen lichaam


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men vanuit dit lichaam een ander lichaam schept dat vorm bezit, dat uit de geest is geschapen, met alle ledematen, waaraan geen vaardigheid ontbreekt. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


De soorten van bovennatuurlijke krachten


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten beheerst. Van één wordt hij meervoudig; van meervoudig wordt hij weer een. Hij kan zichtbaar en onzichtbaar worden. Hij kan door muren, omwallingen, bergen zweven als door de lucht. Hij kan op de aarde op- en onderduiken als in het water. Hij kan op het water lopen zonder te zinken, alsof hij op de aarde loopt. Hij kan in lotuszit door de lucht vliegen als een vogel. Hij kan de maan en de zon met de hand aanraken en betasten. Hij kan het lichaam beheersen tot zelfs in de Brahma-wereld. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Het hemelse oor


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men met het hemelse oor, dat zuiver is en dat boven menselijke grenzen reikt, beide soorten van geluiden kan horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden van verre en die van nabij. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Het gemoed van anderen kennen.


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij het gemoed van anderen kunnen begrijpen nadat zij het met hun eigen hart hebben omvat. Zij weten wie begerig is en wie niet. Zij weten wie haat heeft en wie niet. Zij weten wie onwetend is en wie wetend. Zij weten wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Zij weten wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Zij weten wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Zij weten wie edel is en wie onedel. Zij weten wie rustig is en wie rusteloos. Zij weten wie bevrijd is en wie niet bevrijd is. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Herinnering aan vroegere levens


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij zich aan veel vroegere levens kunnen herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens, aan veel aeonen van wereldvergaan, aan veel aeonen van wereldontstaan, aan veel aeonen van wereldontstaan en wereldvergaan. Zij herinneren zich welke naam zij er hadden, tot welke familie zij behoorden; zij herinneren zich hoe zij eruit zagen, wat hun voedsel was, wat zij er ondervonden aan wel en wee, hoe hun levensspanne was; zij herinneren zich waar zij na de dood wedergeboren werden. Zij herinneren zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


Het hemelse oog

Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij met het hemelse oog, dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, kunnen zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Zij begrijpen hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich in daden, woorden en gedachten slecht heeft gedragen, wie de edelen heeft beschimpt, wie onjuiste visies had, komt na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, ja zelfs in de hel. Maar degenen die zich goed gedragen hebben in daden, woorden en gedachten, die de edelen niet hebben beschimpt, die juiste visies hadden en die visies in hun daden tot uiting lieten komen, zijn na de dood wedergeboren op een gelukkig oord van de bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld." Zo zien zij met het hemelse oog. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.


De vernietiging van de neigingen


Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd door welke zij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hier en nu intreden en vertoeven in de bevrijding van het hart en de bevrijding door wijsheid. Die bevrijding is met de vernietiging van de neigingen neigingsvrij. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht en vertoeven erin.


Om deze redenen hoogachten, eren, respecteren en waarderen mijn discipelen mij en leven zij in afhankelijkheid van mij."


De asceet Udayin was tevreden en gelukkig met de woorden van de Verhevene.



M.78. (M.VIII.8) Samanamandikā sutta

De dolende asceet Uggahamana beweerde dat iedere asceet en monnik die afzag van verkeerd gedrag in daad, woord en gedachte en van verkeerd levensonderhoud, een volledig volmaakte heilige was. De Boeddha sprak deze bewering tegen met de woorden dat in dat geval zelfs een klein kind dat onschuldig op bed sliep arahantschap kon opeisen. Hij legde toen uit dat alleen het edele achtvoudige pad naar juist inzicht en juiste bevrijding voert.159


M.78. (M.VIII.8) Samanamandikā sutta

Te Savatthi. De dolende asceet Uggahamana Samanamandikāputta verbleef er met een grote groep asceten. De timmerman Pañcakanga wilde naar Savatthi gaan om de Verhevene te bezoeken. Maar hij vond het nog te vroeg. Daarom ging hij naar het park waar de asceten verbleven. Hij groette de dolende asceet Uggahamana en ging naast hem zitten. De asceet zei toen dat iemand met de volgende vier eigenschappen volmaakt is, het hoogste heeft bereikt en onoverwinnelijk is, namelijk (1) hij verricht geen slechte lichamelijke daden; (2) hij gebruikt geen slechte taal; (3) hij heeft geen slechte bedoelingen; (4) hij verdient zijn levensonderhoud niet op de een of andere slechte manier.

De timmerman bevestigde die woorden niet en keurde ze ook niet af. Hij stond op, ging naar de Boeddha en vertelde wat er gebeurd was.

De Boeddha zei daarop dat volgens de bewering van de asceet een jonge baby het hoogste bereikt had, een volmaakte heilige was. Immers, een baby heeft nog geen voorstelling van lichaam; hoe kan hij dan een slechte daad verrichten. Een baby heeft geen voorstelling van taal; hoe kan hij dan slechte taal gebruiken. Een baby heeft geen voorstelling van bedoeling; hoe kan hij dan slechte bedoelingen hebben. Een baby heeft geen voorstelling van levensonderhoud; hoe kan hij dan zijn levensonderhoud op een slechte manier verdienen.

Iemand die bovengenoemde vier eigenschappen bezit, is geen volmaakte heilige, maar behoort tot dezelfde categorie als een baby.


Maar iemand die de volgende tien eigenschappen bezit, is volmaakt in het heilzame; die heeft het hoogste bereikt, die is onoverwinnelijk.160

Eerst moet het zo begrepen worden: dit zijn onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen; onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen ontstaan hierin; onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen worden hier zonder rest opgeheven. Iemand die op deze manier oefent, oefent zich in de weg naar het opheffen van onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen.


Verder moet het zo begrepen worden: dit zijn heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen; heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen ontstaan hierin; heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen worden hier zonder rest opgeheven. Iemand die op deze manier oefent, oefent zich in de weg naar het opheffen van heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen.


Onheilzame gewoonten zijn: onheilzame lichamelijke daden, onheilzame daden in taal, en slechte levenswijze. Die onheilzame gewoonten ontspringen in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, is er geest die beïnvloed is door begeerte, door haat en door onwetendheid. Onheilzame gewoonten ontstaat daarin.


Onheilzame gewoonten worden zonder rest opgeheven door het volgende. Men overwint verkeerd lichamelijk gedrag en men ontplooit goed lichamelijk gedrag. Men overwint verkeerd gedrag wat het taalgebruik betreft, en men ontplooit goed gedrag wat het taalgebruik betreft. Men overwint verkeerd geestelijk gedrag en men ontplooit goed geestelijk gedrag. Men overwint verkeerde levenwijze en verwerft zijn levensonderhoud door juiste levenswijze. Op die manier worden onheilzame gewoonten zonder rest opgeheven.161


En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van onheilzame gewoonten? Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.


Iemand die zo oefent, oefent zich op de weg naar de opheffing van onheilzame gewoonten.


Wat zijn heilzame gewoonten? - Dat zijn heilzame daden in lichaam en taalgebruik, en de zuivering van de levenswijze.

Hoe ontstaan die heilzame gewoonten? Ze ontstaan in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, bestaat er geest die niet beïnvloed is door begeerte, niet door haat en niet door onwetendheid.

Waar worden die heilzame gewoonten zonder rest opgeheven? – Men is deugdzaam, maar men identificeert zich niet met die deugdzaamheid. Men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarin die heilzame gewoonten zonder rest opgeheven worden.162

En hoe oefent men zich in de weg naar de opheffing van heilzame gewoonten? - Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.


Wat zijn onheilzame bedoelingen? Het is de bedoeling van zinsverlangen, de bedoeling van kwaadwil en de bedoeling van wreedheid. Die onheilzame bedoelingen ontstaan in de geest. Er is waarneming van zinsverlangen, waarneming van kwaadwil en waarneming van wreedheid. Daaruit ontstaan onheilzame bedoelingen.

Waar worden die onheilzame bedoelingen zonder rest opgeheven? - Men treedt, afgescheiden van zinsverlangen, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden, binnen in de eerste jhana.163

Hoe oefent men zich in de weg naar opheffing van onheilzame bedoelingen? – Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.


Wat zijn heilzame bedoelingen? - Het zijn de bedoelingen van ontzegging, van niet-kwaadwil en van niet-wreedheid. Die bedoelingen ontstaan in de waarneming. Waarneming is veelvuldig, van verschillende aard en met verschillende aspecten. Maar er is waarneming van ontzegging, van niet-kwaadwil en van niet-wreedheid. Daaruit ontstaan heilzame bedoelingen.

Waar worden die heilzame bedoelingen zonder rest opgeheven? – Men treedt binnen en vertoeft in de twee jhana.164

En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van heilzame bedoelingen? - Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.


Welke tien eigenschappen moet men bezitten om als verwerkelijkt in het heilzame te gelden, als volmaakt in het heilzame, als iemand die het hoogste heeft bereikt, als iemand die onoverwinnelijk is?

Men bezit juist inzicht, juiste bedoeling (juist denken), juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest, en juiste bevrijding. En dat alles op het niveau van iemand die de training ten einde heeft gebracht.

Als men die tien eigenschappen heeft, is men volmaakt in het heilzame, onoverwinnelijk. Men heeft dan het hoogste bereikt."


De timmerman verheugde zich over de woorden van de Boeddha.



M.79. (M.VIII.9) Cūlasakuludāyi sutta

Te Rājagaha. De dolende asceet Sakuludāyī stelde aan de Boeddha veel vragen over atta en sīla. De Boeddha legde hem de praktijk van de leer uit, te beginnen met de regel van niet-doden en eindigende met de verwerkelijking van Nibbāna.165


M.79. (M.VIII.9) Cūlasakuludāyi sutta

Te Rājagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. De dolende asceet Sakuludāyī verbleef er toen in een park samen met veel andere asceten. In de morgen ging de Boeddha op weg naar Rajagaha voor aalmoezen. Maar hij vond het nog te vroeg en ging daarom naar het park waar de dolende asceet Sakuludāyī verbleef. De asceet groette de Boeddha en nodigde hem uit te gaan zitten. Toen de Boeddha op de voor hem gereedgemaakte zitplaats was gaan zitten, zei de asceet dat Nigantha Nātaputta beweerde alwetend en alziend te zijn. Dag en nacht, wakend en slapend, onafgebroken zou hij wetend en ziende zijn. Maar toen de asceet hem vragen over het verleden stelde, maakte Nataputta uitvluchten, leidde het gesprek op iets anders en toonde woede en bitterheid. De asceet dacht toen dat de Verhevene in deze dingen ervaren was.

De Boeddha: “Als iemand zich aan veel levens kon herinneren, tot vele aeonen terug, met details, dan zou hij mij iets over het verleden kunnen vragen, of ik zou hem iets over het verleden kunnen vragen. Hij zou mij dan tevreden kunnen stellen met zijn antwoord, of ik zou hem tevreden kunnen stellen met mijn antwoord.

Als iemand met het hemelse oog ziet hoe de wezens sterven en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties, dan zou hij mij iets over de toekomst kunnen vragen of ik zou hem iets over de toekomst kunnen vragen. Hij zou mij dan tevreden kunnen stellen met zijn antwoord, of ik zou hem tevreden kunnen stellen met mijn antwoord.

Maar laat verleden en toekomst. Ik zal je de Dhamma leren. Als dit is, bestaat dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere. Als dat niet is, is dat niet; met het beëindigen van het ene eindigt het andere."


De asceet zei dat hij zich niet eens kon herinneren aan wat hij in dit leven had meegemaakt. Hoe kon hij zich dan aan vele vroegere levens herinneren, met de details? En hij kon nog niet eens een slik-kabouter zien. Hoe kon hij dan met het hemelse oog de wezens zien sterven en weer geboren worden in overeenkomst met hun wilsacties? Maar wat de Verhevene zei over oorzakelijk ontstaan, dat was de asceet helemaal niet duidelijk. De asceet zei daarom dat in zijn eigen leer onderwezen werd wat de volmaakte glans was. Hij kon echter niet duidelijk maken wat precies ermee bedoeld werd. De Boeddha zei daarop dat hij was als iemand die beweerde het mooiste meisje van het land lief te hebben, maar die haar niet gezien had, van haar niet wist tot welke kaste zij behoorde, wie haar ouders waren, of zij groot of klein was, die niet wist waar zij woonde. Wat die man beweerde was onzin. De asceet bevestigde dit. De Boeddha zei dat de asceet op dezelfde manier beweerde dat die glans volkomen was, onovertroffen, maar dat hij niet wist waar die glans was.

De asceet zei toen dat het zelf stralend is als een edelsteen en dat het onveranderd na de dood verder leeft.

De Boeddha toonde toen dat de glans van de edelsteen in de nacht overtroffen wordt door een gloeiworpje, de glans van het gloeiwormpje weer door een olielamp, die weer door een groot kampvuur, dat kampvuur wordt in de morgen weer overtroffen door de morgenster, die ster wordt 's nachts weer overtroffen door de volle maan, en de maan wordt overdag weer overtroffen door de zon. En er waren goden die stralender waren dan de zon.

De asceet zei dat de Boeddha de discussie tot een einde had gebracht. Gevraagd over de eigen leer en de glans bleek de asceet dom te zijn.

De Boeddha vroeg of er een volledig aangename wereld was en of er een weg was om die wereld te verwerkelijken. De asceet zei dat in zijn leer onderwezen werd dat er een volledig aangename wereld was en een weg om die wereld te verwerkelijken. Die weg is: niet doden, niet nemen wat niet gegeven is, geen verkeerd sexueel gedrag, niet liegen.

De Boeddha: “Als hij zich aan die regels houdt, ondervindt zijn zelf dan geluk of ook leed?

De asceet: “Het zelf ondervindt dan zowel geluk als leed.”

De Boeddha: “Komt de verwerkelijking van een volledig aangename wereld dan tot stand doordat men een weg volgt die bestaat uit een mengeling van geluk en leed?”

De asceet zei dat de Boeddha de discussie tot een einde had gebracht. Meer had zijn leraar niet onderwezen.

De Boeddha onderwees de asceet Udayin toen in de Dhamma. “Er is een volledig aangename wereld; er is een weg om die wereld te verwerkelijken. Men treedt binnen in de eerste, tweede en derde jhana.”

De asceet: “Dat is niet de weg; dat is al de volledig aangename wereld.”166

De Boeddha: “Neen, ze is dan nog niet verwerkelijkt. Met het overwinnen van geluk en leed treedt men binnen in de 4e jhana. Men vertoeft bij die goden die in een volledig aangename wereld verschenen zijn en men kan met hen praten. Dan is een volledig aangename wereld verwerkelijkt.”

De asceet vroeg of de bhikkhus omwille van die volledig aangename wereld het heilige leven voerden.

De Boeddha: “De bhikkhus voeren het heilige leven niet omwille van de volledig aangename wereld. Er zijn andere toestanden die hoger en verhevener zijn. Voor het verwerkelijken daarvan voeren zij het heilige leven.

Een Tathagata verschijnt in de wereld, een heilige, een volmaakt Verlichte, volmaakt in juist weten en verheven in gedrag, volmaakt, kenner van de werelden, onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, leraar van goden en mensen, een Ontwaakte, een Verhevene. Hij legt deze wereld uit met haar Maras en Brahmas, hij legt aan deze generatie met haar monniken en brahmanen, met haar prinsen en het volk uit wat hij met hogere geestelijke kracht zelf heeft verwerkelijkt. Hij onderwijst de Dhamma die goed is aan het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst die Dhamma met de juiste betekenis en de juiste manier van uitdrukken, hij onthult een heilig leven dat geheel volkomen en zuiver is.

Een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd verneemt die Dhamma. Wanneer hij de leer verneemt, krijgt hij vertrouwen in de Tathagata. En dan overweegt hij aldus: 'Het leven van een gezinshoofd is eng en stoffig. Het leven zonder huis is wijd en open. Als men thuis woont, is het niet gemakkelijk om het heilige leven te voeren dat ten zeerste volmaakt en zuiver is, als een gepolijste mossel. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek naar een leven zonder huis.' Bij een latere gelegenheid doet hij dat, waarbij hij een klein of groot vermogen, een kleine of grote kring van verwanten opgeeft.

Hij neemt de oefening en levenswijze op zich van de bhikkhus. Hij onthoudt zich van doden; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid. Hij verspreid geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan ongekookt voedsel aan te nemen. Hij eet geen ruw vlees. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

Hij heeft voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen, en met de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Waarheen hij ook gaat, hij neemt alleen dat mee. Juist zoals een vogel alleen met de vleugels als bagage vliegt, evenzo heeft de bhikkhu voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen en aan de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Voorzien van deze opeenhoping van edele deugdzaamheid ondervindt hij een zaligheid die onberispelijk is.

Wanneer hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij het zintuig van zien onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt het zintuig van zien, hij houdt zich bezig met het beheersen van dat zintuig.

Evenzo met het oor (zintuig van horen) en geluid, neus (zintuig van ruiken) en geur, tong (zintuig van proeven) en smaak, lichaam (zintuig van aanraken) en aanrakingsobject, geest (zintuig van denken e.d.) en geestelijk object.


Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij de zintuigen onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt de zintuigen, hij houdt zich bezig met het beheersen van die zintuigen.


Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het komen en bij het gaan. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het dragen van het (onder)gewaad, het buitengewaad en de nap. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij de ontlasting en bij het urineren. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

Omdat hij deze opeenhoping van edele deugdzaamheid, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit heldere weten heeft, trekt hij zich terug naar een afgescheiden verblijfplaats: in een bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een bergkloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een open veld, op een bundel stro.


Na terugkeer van de ronde voor aalmoezen, na de maaltijd gaat hij met gekruiste benen en met het lichaam rechtop neerzitten, oplettend en helder bewust. Hij overwint de hebzucht naar wereldlijke dingen en vertoeft met een hart dat vrij is van hebzucht. Hij zuivert zijn geest van hebzucht. Hij overwint kwaadwil en haat en vertoeft met een hart dat vrij is van kwaadwil, dat mededogen ondervindt voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Hij overwint traagheid en starheid en vertoeft met een hart dat vrij is van traagheid en starheid, met lichte geest, oplettend en helder bewust. Hij zuivert zijn geest van traagheid en starheid. Hij overwint rusteloosheid en gewetenswroeging en vertoeft gelijkmoedig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging. Hij overwint de twijfel en vertoeft vrij van twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.


Nadat hij deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, heeft overwonnen, treedt hij geheel afgescheiden van zintuiglijk genot, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, in de eerste meditatieve verdieping (jhana) in.

Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk. Udāyin, deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Verder, door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt hij innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En hij treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk ontstaan uit concentratie. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Verder, na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt hij binnen en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Verder, na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt hij binnen in de vierde meditatieve verdieping. Op grond van gelijkmoedigheid heeft deze geen angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door oplettendheid. En hij vertoeft erin. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van de herinnering aan vroegere levens. Hij herinnert zich veel levens met veel details. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van het sterven en weer verschijnen van wezens. Hij ziet met het hemelse oog de wezens sterven en weer verschijnen overeenkomstig hun wilsacties. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid wat lijden is, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, wat de weg is die naar het beëindigen ervan voert.

Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid wat de neigingen zijn, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, en wat de weg is die naar het beëeindigen ervan voert.

Wanneer hij zo weet en ziet, is zijn geest bevrijd van de neiging van de zinnen, van de neiging van worden en van de neiging van onwetendheid. Het weten is er dat hij bevrijd is. Hij begrijpt: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden. Verder is er niets meer te doen." Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken voeren bhikkhus het heilige leven onder mij.

Udāyin, dit zijn hogere en verhevenere toestanden om wille waarvan bhikkhus het heilige leven onder mij voeren."167


Na deze woorden zei de asceet Sakuludāyin aan de Verhevene dat deze de leer heel helder en duidelijk had uitgelegd. De asceet nam zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha van de bhikkhus. Hij wilde graag in de Orde opgenomen worden.

De groep asceten die bij Sakuludāyin behoorden, zeiden toen tot hem: "Meester Udāyin, voer toch niet het heilige leven onder de monnik Gotama. Leef niet als een leerling nadat je al een leraar bent geworden. Als je dat doet dan is dat alsof een watervat een kleine beker werd."

Zo werd de rondtrekkende asceet Sakuludāyin eraan gehinderd om het heilige leven onder de Verhevene te voeren.168



M.80. (M.VIII.10) Vekhanassa sutta

Een herhaling van een deel van het voorgaande sutta, met een toevoeging over de vijf zintuigen.

Te Sāvatthi. Gesprek van de Boeddha met de dolende asceet Vekhanasa. Geluk ontsproten uit geestelijke niveaus is hoger dan geluk verkregen door zintuiglijke genietingen. De Verhevene gaf ook de verzekering dat ieder die zijn instructies serieus opvolgde, de zaligheid van geestelijke niveaus zou genieten.

 


M.IX. Rāja-vagga


Over het vroegere leven van de Boeddha als Jotipāla ten tijde van de Boeddha Kassapa. De leer van vergankelijkheid, anicca. Het verhaal van het vroegere leven van de Boeddha als koning Makhādeva. De ware brahmaan. Men is edel niet door geboorte, maar door deugdzaamheid. Als men een verkeerde daad verricht, wordt men wedergeboren in staten van ellende. En als men goede daden verricht, wordt men wedergeboren in een gelukkige sfeer. Als men vertrouwen heeft, een goede gezondheid, integriteit, ijver en voldoende intelligentie om de verschijnselen van ontstaan en vergaan te begrijpen, en als men de Tathāgata als leraar en gids heeft, dan kan men volmaakte heiligheid bereiken binnen zeven jaren, onder gunstige omstandigheden zelfs in een halve dag. Het verhaal over de bekering van de rover-moordenaar Angulimāla. Koning Pasenadi wordt tot de leer van de Boeddha bekeerd. Over goede en slechte daden, woorden en gedachten. Koning Pasenadi geeft een lofspraak over de Boeddha en prijst diens deugden. De goden en Brahmā. Vier klassen van personen en hun bestemming na de dood.169




M.81. (M.IX.1) Ghatīkāra sutta.


De Boeddha reisde rond in het land Kosala. Hij vertelde aan Ānanda over zijn vorige leven ten tijde van de Boeddha Kassapa als Jotipāla.

Chatikāra de pottenbakker was toen erg devoot. Hij zorgde voor zijn blinde ouders en tegelijkertijd zorgde hij voor de Boeddha Kassapa met de hoogste eerbied. Ghatikāra dwong zijn vriend Jotipāla ook naar de Boeddha Kassapa te gaan en hem eer te betonen. Jotipāla vernam er de leer, verliet het huiselijke leven en werd in de Orde van de Boeddha Kassapa opgenomen. Jotipāla was de tegenwoordige Boeddha Gotama.

 



M.82. (M.IX.2) Ratthapāla sutta.

Het verhaal over Ratthapāla, wiens ouders tevergeefs probeerden hem ervan af te houden in de Sangha in te treden.


Ratthapāla, de zoon van een rijke brahmaan, kreeg van zijn ouders met moeite toestemming om in de Orde van de Boeddha in te treden. Twaalf jaar streefde hij met ijver en bereikte arahantschap.170 Toen bezocht hij zijn ouders. Zij probeerden hem met rijkdom en vrouw terug te brengen naar een leven als gezinshoofd, maar [natuurlijk] tevergeefs. Hij onderwees zijn ouders de leer van vergankelijkheid, anicca. Hij zei dat hem niets bekoorde in rijkdom en vrouw.




M.83. (M.IX.3) Makhādeva sutta.

Het verhaal van het vroegere leven van de Boeddha als koning Maghādeva.


In het koninklijke mango-park te Mithulā. De Boeddha vertelde aan Ānanda over de edele traditie die door de oprechte koning Maghadeva was begonnen. Toen diens haar grijs begon te worden, gaf hij het huiselijke leven op en gaf de troon en zijn gebied aan zijn oudste zoon. Deze traditie ging vele generaties lang over van koning tot zoon, duizenden jaren lang, tot aan de regering van koning Nimi. Deze koning had een zoon met naam Kalārajanaka. Deze zoon ging niet vanuit het huiselijke leven in het huisloze leven. Hij maakte zo een einde aan de traditie.

De Boeddha zei dat hij koning Maghadeva was geweest. Die traditie voerde niet naar kalmte, niet naar hogere kennis. Ze voerde alleen naar de sfeer van Brahmā. Maar als Boeddha onderwees hij nu de edele praktijk die voerde naar de opheffing van gehechtheid, naar het verdwijnen van dukkha. Ze voert naar kalmte en hogere kennis, doordringend inzicht en de verwerkelijking van Nibbāna. De Verhevene spoorde toen aan: “Ānanda, ga verder met het volgen van deze goede praktijk. Laat jij niet de persoon zijn met wie mijn traditie eindigt.”




M.84. (M.IX.4) Madhura sutta.

Te Madhura. Na het overlijden van de Boeddha gaf de eerwaarde Kaccāna aan koning Avantiputta een leerrede over de ware brahmaan en de ware betekenis van kaste.

De eerwaarde Mahākaccāna legde aan de koning uit dat men edel was niet door geboorte, maar door deugdzaamheid. Of men nu brahmaan was, Khattiya, Vessa of Sudda, als men een verkeerde daad deed, zou men wedergeboren worden in staten van ellende. En als men goede daden verrichtte, zou men wedergeboren worden in een gelukkige sfeer. Na deze leerrede nam de koning, die voordien een ander geloof had, zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha.




M.84. (M.IX.4) Madhura sutta.

Te Madhura in het Gunda-bosje. De Eerwaarde Mahā Kaccāna sprak er met koning Avantiputta van Madhurā over kaste. De koning zei: „De brahmanen zeggen dat alleen zij de hoogste kaste zijn, dat zij een heldere huidskleur hebben, dat zij rein zijn, dat zij afstammelingen zijn van Brahma, uit zijn mond geboren, door hem geschapen, en dat andere kasten van lagere stand zijn, een donkere huidskleur hebben, niet rein zijn.“

De Eerwaarde Mahā Kaccāna zei dat dit maar gepraat was, dat het niet overeenkomstig de waarheid was. Als een edelman rijk aan bezittingen is, veel graan, zilver of goud heeft, dan zullen er andere edellieden zijn die hem dienen en die hem proberen te vleien. En ook brahmanen, handelaars en arbeiders zullen dat doen.

Evenzo is het als een brahmaan of een handelaar of een arbeider rijk aan bezittingen is, veel graan, zilver of goud heeft; er zullen dan andere mensen zijn die hem dienen en die hem proberen te vleien.

De Eerwaarde Mahā Kaccāna vroeg toen of er in dat geval verschil was tussen de vier kasten. De koning antwoordde dat zij dan geheel gelijk zijn. Hij kende dan geen onderscheid tussen de kasten.

De Eerwaarde Mahā Kaccāna zei dat dit een voorbeeld was dat de bewering van de brahmanen maar gepraat was. En hij gaf andere voorbeelden.

Koning, stel dat een edelman levende wezens zou doden, dat hij zou stelen, een verkeerd gedrag had bij zinsgenot, (zich sexueel verkeerd gedroeg), dat hij zou liegen, hatelijke en ruwe taal zou gebruiken, dat hij kletspraatjes zou houden, hebzuchtig zou zijn, dat hij een geest vol kwaadwil had, en een verkeerde mening had. Zou hij dan na de dood wedergeboren worden in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel? – De koning zei dat die persoon dan op een ongelukkige bestemming wedergeboren zou worden, zo had hij van arahants geleerd.

„Evenzo is het met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Koning, zijn in die gevallen de kasten gelijk of niet?“ – „In dat geval zijn de kasten geheel gelijk.“

„Stel dat een edelman zich onthoudt van doden, van stelen, van verkeerd gedrag bij zinsgenot, zich ervan onthoudt te liegen, hatelijke en grove taal te gebruiken en kletspraatjes te houden; stel dat hij niet hebzuchtig is, dat hij een geest heeft zonder kwaadwil en dat hij juiste visie heeft. Zou hij na de dood op een gelukkige bestemming wedergeboren worden?“

„Als een edelman zich op die manier gedraagt, zal hij op een gelukkige bestemming wedergeboren worden, ja zelfs in de hemelse wereld.“

„Evenzo is het met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Koning, zijn in die gevallen de kasten gelijk of niet?“ – „In dat geval zijn de kasten geheel gelijk.“

„Koning, stel dat een edelman in huizen zou inbreken, goederen plunderde, mensen overviel, de vrouw van een ander verleidde. Als hij zou worden vastgenomen en u hem moest bestraffen, wat zou u dan doen?“ - „Eerwaarde Kaccana, wij zouden hem laten terechtstellen of een geldboete opleggen of wij zouden hem verbannen. Wij zouden hem straffen zoals hij het verdient. Zijn vroegere status van edelman heeft hij dan verloren en hij wordt dan alleen als rover beschouwd.“

„Koning, stel dat een brahmaan, een handelaar of een arbeider zich op een dergelijk manier zou gedragen.“ – Wij zouden op dezelfde manier handelen. Die mensen zouden hun status van brahmaan of van handelaar of van arbeider verliezen en zij zouden alleen als rover beschouwd worden.“

„Koning, zijn in die gevallen de vier kasten gelijk of niet?“ - Eerwaarde Kaccana, dan zijn ze geheel gelijk.“

„Koning, stel dat een edelman hoofdhaar en baard afscheert, het gele gewaad aantrekt en van huis uit in het huisloze leven vertrekt. Hij onthoudt zich ervan levende wezens te doden. Hij onthoudt zich ervan te nemen wat niet is gegeven, onthoudt zich van liegen. Hij eet niet `s nachts en eet alleen een keer overdag. Hij leeft celibatair, eerbaar en hij heeft een goed karakter. Hoe zou u hem behandelen?“

„Eerwaarde Kaccana, wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of we zouden hem vragen gewaden, eten, een slaapplaats en medicijn aan te nemen. Of wij zouden voor een rechtmatige bescherming voor hem zorgen. Zijn vroegere status van edelman heeft hij dan verloren en hij wordt eenvoudig als monnik beschouwd.

En evenzo met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Zij zouden dan alleen als monnik beschouwd worden.“

„Koning, zijn in die gevallen de vier kasten gelijk of niet?“ - „Eerwaarde Kaccana, dan zijn ze geheel gelijk.“

Koning Avantiputta van Madhurā prees de Eerwaarde Mahā Kaccāna en zei dat hij de leer op veelvuldige manier had uitgelegd. De koning wilde zijn toevlucht nemen tot de Eerwaarde Maha Kaccana, tot de Dhamma en tot de Sangha. Hij wilde een lekenvolgeling van de Eerwaarde Maha Kaccana worden. De Eerwaarde Maha Kaccana zei aan de koning dat deze zijn toevlucht moest nemen tot de Verhevene, en dat de Verhevene heengegaan was in het definitieve Nibbana.

En de koning nam zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha.




M.85. (M.IX.5) Bodhirājakumāra sutta.

Het verhaal van de Boeddha over zijn opgeven van de wereld en zijn Verlichting (als in M.60 en M.70).


Te Susumāragira in het land Bhagga. Prins Bodhi beweerde er dat geluk niet verkregen kan worden door geluk, maar alleen door lijden (sukha-dukkha). De Verhevene legde uit dat hij zelf eens ook zo gedacht had. Hij vertelde toen het hele verhaal over zijn opgeven van de wereld, zijn inspanningen met verkeerde praktijken, zijn zoeken naar de waarheid en uiteindelijk de Verlichting. De prins vroeg hoe lang een bhikkhu in dit leven moest streven om arahantschap te bereiken. De Boeddha somde vijf attributen op: als de monnik vertrouwen heeft, een goede gezondheid, integriteit, niet aflatende ijver, en voldoende intelligentie om de verschijnselen van ontstaan en vergaan te begrijpen, en als hij de Tathāgata als leraar en gids heeft, dan kan een bhikkhu volmaakte heiligheid bereiken binnen zeven jaren, onder gunstige omstandigheden zelfs in een halve dag.

 


M.86. (M.IX.6) Angulimāla sutta.

Te Savatthi. Angulimala (Ahimsaka), een rover-moordenaar, werd er door de Boeddha bekeerd. Hij trad in de Orde in en werd een volmaakte heilige.



M.86. (M.IX.6) Angulimāla sutta.


Inleiding


Angulimala was de bijnaam van Ahimsaka. Toen de jonge Ahimsaka opgroeide, stuurde zijn vader hem naar de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Hij werd er door de beste leermeester onderwezen en overtrof alle andere studenten. Hij werd de favoriet van zijn leermeester. Door toedoen van zijn jaloerse medestudenten kreeg die leermeester het waanidee dat Ahimsaka hem wilde verdrijven. Met het vergif van achterdocht in zijn hart trachtte de leermeester toen van Ahimsaka af te komen.

Nu gebeurde het niet lang daarna dat Ahimsaka zijn studie beëindigde en naar huis terug wilde keren. Het was de plicht van afgestudeerden om aan hun leermeesters een ere-geschenk te geven. De leermeester van Ahimsaka vroeg als ere-geschenk duizend menselijke pinken van de rechterhand. Hij hoopte dat Ahimsaka bij het vergaren van die pinken ofwel gedood ofwel door soldaten van de koning gevangen genomen zou worden.

Ahimsaka protesteerde eerst, maar stemde uiteindelijk toe. Daarbij dacht hij niet aan de mogelijkheid om dat aantal vingers te verzamelen in de open lijkenvelden in India. Zo groot was toen de neiging in hem om te doden. Die neiging was het gevolg van daden in een eerder leven. Ahimsaka kocht een stel wapens en ging naar het Jālina-woud in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Wanneer reizigers naderden, liep hij vlug naar beneden, sloeg ze dood en nam dan van elk slachtoffer de pink van de rechterhand.

Aanvankelijk hing hij de vingers aan een boom. Vogels aten het vlees ervan en wierpen de botjes omlaag. Toen Ahimsaka die op de grond zag rotten, reeg hij de vingerbeentjes aaneen en droeg ze als een krans. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.

Weldra begon men dat woud te mijden en Angulimāla moest in de nabijheid van dorpen gaan. Vanuit een hinderlaag viel hij dan voorbijgangers aan en sneed de pinken af. Hij drong zelfs 's nachts huizen binnen en doodde de bewoners, alleen om de vingers af te hakken. Niemand kon zijn grote kracht weerstaan en daarom verlieten de mensen hun dorpen en gingen naar de stad Sāvatthi. Daar vertelden zij hun leed aan de koning die bevel gaf Angulimāla gevangen te nemen.

Toen de moeder van Angulimāla dit vernam, ging zij helemaal alleen naar de plek waar haar zoon het laatst was gezien. Zij wilde hem waarschuwen, wilde hem overhalen zijn slechte levenswijze op te geven en met haar terug te keren.

Angulimāla had toen al 999 pinken bijeen en er ontbrak dus nog maar één om het duizendtal vol te maken, het aantal dat zijn leermeester hem had gevraagd. Daarvoor zou hij misschien wel zijn moeder gedood hebben als hij haar op de weg voorbij zag komen. Maar moedermoord is één van de vijf zware vergrijpen die een onafwendbaar slecht resultaat hebben. Zo’n daad voert tot wedergeboorte in de laagste hellewereld. Zonder het te weten was Angulimāla op het randje van de hel.

Maar de Boeddha zag dat Angulimala de voorwaarden had om volmaakte heiligheid te bereiken. Daarom trad hij op voordat de moeder verscheen.


De leerrede.


Te Savatthi. De Verhevene vertoefde er in het Jetavana klooster. In het rijk van koning Pasenadi van Kosala hield zich een misdadiger op, een moordenaar met bloed aan de handen. Zijn naam was Angulimala. Hij was meedogenloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten werden door hem verwoest. Regelmatig bracht hij mensen om; hun vingers droeg hij als halsketting.

Vroeg in de morgen kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn nap en buitengewaad (mantel) en ging naar Savatthi om aalmoezen te vergaren. Na zijn rondgang en na zijn maaltijd bracht hij zijn slaapplaats in orde, nam zijn nap en buitengewaad en ging op weg over de straat die naar Angulimala voerde. Voorbijkomende koe- en schaapherders en boeren zagen dat en waarschuwden de Verhevene dat hij niet over die straat moest gaan. "Want de moordenaar Angulimala houdt zich daar op. Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over die straat maar toch zijn zij in handen gevallen van Angulimala." Na deze woorden ging de Verhevene zwijgend verder.

Een tweede en een derde keer waarschuwden de koe- en schaapherders en boeren de Verhevene. Maar toch ging hij zwijgend verder.

Angulimala zag de Verhevene in de verte aankomen. En hij dacht: "Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over deze straat en toch zijn ze mij in de handen gevallen. En nu komt die monnik daar alleen, zonder begeleiding. Waarom zou ik niet hem van het leven beroven." Toen nam Angulimala zijn zwaard en schild, hing boog en pijlenkoker om en ging de Verhevene achterna.

De Verhevene liep in normaal tempo, maar door de bovennatuurlijke kracht van de Boeddha kon Angulimāla hem niet inhalen, hoe vlug de moordenaar ook liep.

Verbaasd vroeg deze zich af hoe dat toch mogelijk was. Vroeger kon hij zelfs een snelle olifant of een snel paard of een snelle koets of een snel hert inhalen en pakken. Maar nu kon hij, hoewel hij zo snel liep als hij kon, die monnik niet inhalen die in normaal tempo ging. Hij bleef staan en riep de Verhevene toe: "Blijf staan, monnik, blijf staan."

“Ik ben blijven staan, Angulimāla; blijf ook jij staan," zo luidde het antwoord van de Gezegende.

Toen dacht Angulimāla: “Deze monniken, de zonen van de Sakyas, spreken steeds de waarheid. Maar deze monnik hier gaat verder en zegt toch dat hij is blijven staan. Ik zal hem eens vragen hoe hij dat bedoelt.”

In versvorm stelde Angulimala toen zijn vraag.

"Hoewel je gaat, monnik, zeg je dat je stil bent blijven staan. Ik sta stil en toch zeg je dat ik niet stil ben blijven staan. Wat is de betekenis daarvan?"

Het antwoord van de Boeddha op de vraag van Angulimāla luidde: “Angulimāla, ik ben voor altijd stil blijven staan; ik onthoud me van alle geweld tegenover de wezens. Maar jij hebt geen zelfbeheersing jegens het leven. Daarom ben ik stil blijven staan maar jij niet.”

Angulimala: "Uiteindelijk is deze monnik, een hoog geachte wijze, in dit grote bos gekomen voor mijn redding. Na jouw woorden die mij de Dhamma leerden, wil ik voor altijd het kwaad nalaten."

Na deze woorden nam de moordenaar zijn wapens en wierp ze in een afgrond. Daarna betuigde hij zijn verering aan de voeten van de Verhevene en vroeg om de wijding. En met de woorden: “Kom, bhikkhu,” nam de Leraar hem op in de Orde van de monniken.


[Hij werd in de leer onderwezen en hem werden de gedragsregels van de monnik geleerd].


Toen ging de Verhevene in etappen naar Sāvatthi terug, met Angulimāla als zijn persoonlijke dienaar. Hij vertoefde er in het Jetavana klooster.

Grote menigten van mensen kwamen toen samen bij de poorten van het paleis van koning Pasenadi. Zij maakten veel lawaai en riepen dat de koning de moordenaar Angulimala gevangen moest nemen.

Koning Pasenadi vertrok daarop overdag in zijn koets met een grote troep van zijn cavalerie uit Savatthi. Hij ging naar het Jetavana-klooster. Daar groette hij de Verhevene eerbiedig, betoonde zijn eer en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg wat er gaande was. Werd de koning soms aangevallen door koning Seniya Bimbisara van Magadha of door de Licchaviers van Vesali of door andere vijandig gezinde koningen?

De koning gaf ten antwoord dat er geen oorlog was. Maar in zijn rijk was een moordenaar met naam Angulimala. Hij zou wel nooit in staat zijn om die man gevangen te nemen.

De Verhevene: “Grote koning, stel dat u zag dat Angulimāla hoofdhaar en baard had afgeschoren, gekleed was in het gele gewaad, en het thuisloze leven voerde; dat hij zich ervan onthield levende wezens te doden, zich onthield van stelen en van liegen; dat hij 's nachts niet meer at, dat hij slechts op één tijd van de dag at, en dat hij celibatair, deugdzaam en met een goed karakter was. Als u hem zo zou zien, hoe zou u hem dan behandelen?"

“Eerwaarde Heer, in dat geval zouden wij hem eer betonen, of wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of wij zouden hem vragen gewaden aan te nemen, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijn. Of wij zouden hem een bescherming geven. Maar eerwaarde Heer, hij is een teugelloos mens met een slecht karakter. Hoe kan hij ooit een dergelijke deugdzaamheid en beteugeling hebben?”

Bij die gelegenheid zat de eerwaarde Angulimala niet van van de Verhevene vandaan. Die strekte zijn rechterarm uit en zei: “Grote koning, deze hier is Angulimāla.”

Koning Pasenadi werd vreselijk bang, maar de Boeddha zei dat hij niet bevreesd hoefde te zijn.

Toen de koning weer tot bedaren was gekomen, ging hij naar de Eerwaarde Angulimāla en vroeg: "Eerwaarde heer, bent u werkelijk Angulimala?" - "Ja, grote koning."

De koning vroeg verder naar de familienaam van Angulimala's ouders. Nadat de koning die namen vernomen had, wilde hij aan Angulimala gewaden geven, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijnen. Maar de eerwaarde Angulimala was toen een woudbewoner, iemand die alleen aalmoezenmaaltijd tot zich neemt, een drager van gewaden gemaakt uit vodden, en hij beperkte zich tot drie gewaden.171 Hij gaf ten antwoord: "Genoeg, grote koning, mijn drievoudig gewaad is kompleet."

Koning Pasenadi ging naar de Verhevene terug, bracht hem eer, ging terzijde neerzitten en zei: "Eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk hoe de Verhevene de ongetemden temt, vrede brengt aan degenen zonder vrede, en degenen die nibbana niet bereikt hebben, naar nibbana voert. Eerwaarde heer, wij zelf konden hem niet met wapens bedwingen; toch heeft de Verhevene hem bedwingen zonder geweld en zonder wapens. Eerwaarde heer, wij nemen nu afscheid. Wij hebben veel te doen.

"Grote koning, nu is het tijd dat te doen wat je juist vindt."

Koning Pasenadi van Kosala stond toen van zijn zitplaats op, betoonde eer aan de Verhevene en nam vertrok, met de rechter zijde naar hem toegewend.


Angulimala Paritta - De bescherming van de eerwaarde Angulimāla 172


Op een morgen kleedde de eerwaarde Angulimāla zich aan, nam zijn nap en oppergewaad en ging naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Op zijn rondgang zag hij een vrouw die juist onder grote moeilijkheden een kind baarde. Bij het zien hiervan dacht hij: "Hoe zeer de levende wezens lijden; inderdaad, hoe zeer de levende wezens lijden."

Na zijn rondgang te Savatthi voor bedelspijs en na zijn maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat hij had gezien.

De Verhevene zei toen aan Angulimāla dat hij naar die vrouw terug moest gaan en het volgende moest zeggen:

"Sedert ik geboren werd,173 zuster, ben ik me er niet van bewust opzettelijk enig levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge jij door de betuiging van deze waarheid gezond zijn. Moge je kind gezond zijn."

Angulimala vroeg toen: "Eerwaarde heer, als ik dat zeg, zal ik dan niet met opzet liegen? Ik heb immers veel levende wezens met opzet van het leven beroofd."

De Boeddha: "Angulimala, dan ga naar Savatthi en zeg aan die vrouw: 'Zuster, sedert ik met de edele geboorte geboren werd, kan ik me niet eraan herinneren dat ik ooit met opzet een levend wezen van het leven beroofd heb. Moge jij bij deze waarheid gezond zijn en moge je kind gezond zijn."


De eerwaarde Angulimāla ging toen weer naar de lijdende vrouw en reciteerde bovenstaande betuiging van de waarheid. Toen werden die vrouw en het kind gezond.


Niet lang daarna, nadat hij alleen leefde, teruggetrokken, behoedzaam, ijverig en vastbesloten, trad de eerwaarde Angulimala hier en nu door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht in het hoogste doel van het heilige leven in, voor welk doel mannen uit goede familie met recht van huis weggaan in de huisloosheid; en hij vertoefde erin. Hij zag direct in: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen." En de eerwaarde Angulimāla werd een van de Arahants, werd een volmaakte heilige.


Daarna, 's morgens vroeg ging de eerwaarde Angulimala met zijn nap naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Bij die gelegenheid wierp iemand een klomp aarde en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Iemand anders wierp een knuppel en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Weer iemand anders wierp een scherf en trof hem aan het lichaam. Toen ging de eerwaarde Angulimala naar de Verhevene. Bloed stroomde uit zijn gewonde hoofd. De nap was gebroken en het gewaad was gescheurd. De Verhevene zag hem van verre komen en zei tot hem: "Verdraag het, brahmaan, verdraag het. Je ondervindt hier en nu het resultaat van daden waarvoor je anders veel jaren, veel eeuwen, vele duizenden jaren lang in de hel gekweld zou zijn."174

Daarna vertoefde de eerwaarde Angulimala alleen, teruggetrokken in de zaligheid van de bevrijding. En hij uitte deze uitroep:175

"Wie eens achteloos leefde, dan nooit meer achteloos is, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken."

"Wie het vroeger begane kwaad nu omkeert, in plaats daarvan heilzame daden doet, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.”176

"De jeugdige bhikkhu wiens streven nu de leer van de Boeddha geldt, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken."


"Mogen mijn vijanden Dhamma-toespraken horen, mogen zij zich wijden aan de leer van de Verhevene. Mogen mijn vijanden zorgen voor goede mensen die anderen tot vertrouwen in de Dhamma voeren."


"Mogen mijn vijanden af en toe luisteren naar de Dhamma die verkondigd wordt door degenen die over toegeeflijkheid praten. Mogen degenen die het loflied van welwillendheid zingen, de Dhamma navolgen en goed handelen."


"Beslist zouden zij mij dan geen kwaad willen doen, en niet eraan denken anderen kwaad te doen. Mogen zij de beste, hoogste vrede vinden."


"Leidingbouwers leiden het water, vlechters buigen de pijlschacht recht, timmerlieden geven aan het hout nieuwe vormen. Maar de wijze streeft naar zelfbedwinging."


"Menigeen hier betoomt alleen met de stok, sommigen met haken en anderen met zwepen. Ik evenwel werd door iemand beteugeld die geen roede heeft noch andere wapens."


"'Ongevaarlijk' luidt mijn tegenwoordige naam,177 hoewel ik eens een gevaarlijk mens was. Mijn tegenwoordige naam verkondigt de waarheid. Ik bezeer geen enkel wezen meer."


"Eens leefde ik als een gemene misdadiger. Men noemde mij 'Vingerkrans' [Angulimala]. Geweldige vloedgolven hebben mij meegesleurd naar de Boeddha, de leraar tot wie ik mijn toevlucht nam."


"En ofschoon eens bloed aan mijn handen kleefde, noemde men mij 'Vingerkrans'. Zie welke toevlucht ik heb gevonden: de boei van het worden is nu vernietigd."


"Hoewel ik menige slechte daad heb begaan die naar wedergeboorte in de lagere sferen voert, heeft mij hier toch het resultaat ervan achterhaald. Zo eet ik nu onbezwaard door schulden."178


"Dwazen zijn zij en helemaal zonder verstand die zich zelf aan de onachtzaamheid geven. Maar degenen vol wijsheid waken over de behoedzaamheid, en behandelen haar als hun waardevolste schat."


"Open niet de poorten voor de onachtzaamheid, en streef niet naar zintuiglijk genot. Mediteer liever, helemaal vervuld van behoedzaamheid, om hier en nu volmaakt geluk te verkrijgen."


"De keuze die ik maakte, heet ze dus welkom; laat ze zo staan, die keuze was niet slecht. Ik ben tot de beste en hoogste gekomen van alle Dhammas die aan de mensen bekend zijn."


"De keuze die ik maakte, heet ze dus welkom; laat ze zo staan, die keuze was niet slecht. Ik heb het drievoudige weten verworven, alles voltooid wat de Boeddha onderwijst."



M.87. (M.IX.7) Piyajātika sutta.


Te Sāvatthi. De zoon van een gezinshoofd was gestorven. De vader ging naar de Boeddha toe die hem vertelde dat dierbaren een bron van leed zijn omdat zij pijn en verdriet brengen. Dobbelspelers die dicht bij het klooster zaten te gokken, zeiden dat dierbaren alleen vreugde en geluk brengen. Koning Pasenadi vernam dit en was het met de gokkers eens. Zijn koningin Mallikā beweerde dat alleen wat de Boeddha zei, waar moest zijn. Zij gaf veel voorbeelden van de doordringende en verlichtende wijsheid van de Verhevene. Tenslotte werd koning Pasenadi overgehaald en tot de leer van de Boeddha bekeerd.



M.88. (M.IX.8) Bāhitikā sutta


Te Sāvatthi, aan de oever van de rivier Aciravatī. Koning Pasenadi stelt aan Ānanda een vraag over gedrag. Ānanda beantwoordt de vraag. Onheilzame daden, woorden en gedachten zijn afkeurenswaardig. Heilzame daden, woorden en gedachten zijn prijzenswaardig. Koning Pasenadi was blij met de leerrede. Hij gaf Ānanda een gewaad gemaakt van stof uit het land Bāhiti.




M.89. (M.IX.9) Dhammacetiya sutta.


Te Medalumpa in het land van de Sakyas. Koning Pasenadi van Kosala bezocht er de Boeddha. Bij het binnengaan in het park viel hij in verering neer met zijn voorhoofd aan de voeten van de Boeddha. Op de vraag waarom de koning zo'n extreme nederigheid en zo’n respect voor het lichaam van de Boeddha toonde, gaf de koning een lofspraak over de Boeddha en prees de deugden van de Boeddha, Dhamma en Sangha. ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht. Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene. Van goed en plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende.'

De Verhevene zei aan de monniken dat zij die woorden van de koning van buiten moesten leren en vaak moesten reciteren als eer aan de Dhamma.



M.90. (M.IX.10) Kannakatthala sutta


Te Uruttā. De Boeddha geeft er antwoorden aan koning Pasenadi van Kosala over alwetendheid, over goden, het kaste-systeem met de vier klassen van personen en hun bestemming na de dood, over Sabbattuta Ñāna, en over de grote Brahmā.

De factoren die nodig zijn voor de bevrijding kunnen door iedereen bereikt worden, ongeacht ras of kaste. Het leven van hooggeplaatse personen kan hindernissen hebben die de ontwikkeling van die factoren belemmeren.




M.X. Brāhmana-vagga

De 32 kentekenen van een Groot Man. Presentatie van de leer van de Boeddha betreffende kaste. De ware brahmaan is degene die de boeien van de hindernissen heeft doorgesneden, die de hindernissen van onwetendheid heeft verwijderd en die de kennis van de vier edele waarheden heeft bereikt. De meest volmaakte brahmaan is de arahant. De praktijk van het heilige leven. Brahmaanse leerstellingen en de gelijkenis van een rij blinde mannen van wie de een op de voorganger vertrouwde zonder zelf te zien. De plichten voor een gezin zijn geen excuus om verkeerd te handelen. Het doel heiligt niet de middelen. Kunnen alleen leken verdienstelijke daden verrichten of alleen monniken en nonnen?179

 



M.91. (M.X.1) Brahmāyu sutta.


De brahmaan Brahmāya was 120 jaar oud [= zeer oud]. Hij stuurde zijn discipel Uttara naar de Boeddha toe om te zien of de Verhevene de 32 karakteristieke kenmerken van een groot man had, of Gotama werkelijk een volmaakt Verlichte was. Uttara getuigde dat de Boeddha die 32 kenmerken had, waarna de brahmaan Brahmāya zelf naar de Verhevene ging om zich persoonlijk ervan te overtuigen dat Gotama inderdaad een volmaakt Verlichte was. Hij werd een devote discipel, bereikte het derde niveau van heiligheid (niet meer wederkeer, anāgāmī) en overleed.180




M.92. (M.X.2) Sela sutta.


Te Āpana, een marktplaats. De brahmaan Sela hoorde van de kluizenaar Keniya over de roem van de Boeddha. Met 300 jonge brahmanen ging hij naar de Verhevene toe. Zij hoorden er een leerrede. De brahmaan Sela zag bij de Boeddha de 32 kentekenen van een Groot Man en werd bekeerd. Ook zijn leerlingen waren ervan overtuigd dat Gotama inderdaad volmaakt Ontwaakt was. Allen vroegen toestemming om in de Orde in te treden. Die toestemming kregen zij.

Sela en zijn leerlingen bereikten allen de volmaakte heiligheid.


(Hetzelfde verhaal wordt verteld in Sn.III.7)

 


M.93. (M.X.3) Assalāyana sutta.


Te Sāvatthi. Ongeveer 500 brahmanen op zakenreis te Sāvatthi sturen de brahmaan Assalāyana, bedreven in de Vedas, naar de Boeddha om er te discussiëren over het kastensysteem. Is de waarde van een persoon bepaald door geboorte of door gedrag? De jonge man werd door de Verhevene bekeerd en werd een lekenvolgeling van de Boeddha.




M.94. (M.X.4) Ghotamukha sutta.


Te Vārānasī in het Khemiya mangopark. De brahmaan Ghotamukha bouwt er een bijeenkomsthal voor de Sangha. Udana’s toespraa