?> 

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

4. 9. Rajgir (Rajagaha)


Rajgir (Rājagaha)

 
      De tegenwoordige plaats Rajgir heette vroeger Rājagaha. Ze is gelegen in het district Patna, in de deelstaat Bihar, India. Ze ligt 21 km ten zuidoosten van Bihar Sharif en circa 100 km ten zuidoosten van Patna.

      Rājagaha betekent: koninklijke residentie. Ze was de hoofdstad van Magadha. Ten tijde van de Boeddha heerste er koning Bimbisāra (circa 543-491 v.C.). Bimbisāra was de eerste koninklijke patroon van de Verhevene. Op 15-jarige leeftijd besteeg hij de troon en regeerde 52 jaar lang. Zijn hoofdvrouw was Kosala Devi, dochter van koning Maha Kosala. Zij was een zuster van koning Pasenadi Kosala. Uit het huwelijk van Bimbisāra en Kosala Devi werd een zoon geboren: Ajātasattu.

       Een andere oude naam voor deze plaats is Giribbaja. Ze ligt in een dal temidden van vijf heuvels (giri). De namen van die heuvels zijn in het Pāli: Vebhāra, Pāndava, Veppula, Gijjhakūta en Isigili. De heuvel Isigili dankt zijn naam aan het feit dat in het verleden 500 Pacceka-Boed­dhas lange tijd op die heuvel woon­den. Aan de voet ervan waren zij zichtbaar, maar wanneer zij de heu­vel omhoog gingen, waren zij niet meer zichtbaar. De mensen zeiden daarom dat de berg die zieners verzwolg (isigilati). En zo ontstond de naam van deze heuvel.[1]

      Tegenwoordig is  de onderverdeling van de heuvels veranderd en zijn er meer namen voor, namelijk: Vaibharā, Ratna, Vipula, Gridhakuta, Chhathā, Saila, Udaya en Sonā.

       Zes regenperiodes bracht de Verhevene door in deze plaats, en wel in het 2e, 3e, 4e, 17e en 20e jaar na de Verlichting. Ook vertoefde hij er in het laatste jaar van zijn leven.
 blik op de heuvels van Rajgir
Veluvana park
beeldje in het Veluvana park     
   
      Vóór zijn Verlichting was de Verhevene al eens in Rājagaha geweest. Hij had er een ontmoeting met koning Bimbisāra, die hem vroeg in Rājagaha te blijven. Maar de Verhevene weigerde. Hij wilde toen immers op zoek gaan naar het Doodloze, het hoogste heil. De Verhevene beloofde echter terug te komen wanneer het Doodloze gevonden was. Na de Verlichting keerde hij daarom terug naar Rājagaha. En koning Bimbisāra werd in de leer onderwezen. Hij schonk zijn bamboe-park Veluvana aan de Boeddha. Men kon er ongestoord vertoeven. In dat park onderwees de Verhevene eens 1250 Arahants die er gelijktijdig en spontaan waren samengekomen. Op die plek is een beeldje te zien van de Boeddha.

      De Boeddha vond Rājagaha een verrukkelijke en aangename plaats om te verblijven. Herhaaldelijk heeft hij dat benadrukt. Zijn geliefkoosde plek was de Gijjhakūta of Gierepiek. Koning Bimbisāra liet naar de top ervan een stenen pad aanleggen. Op die top bevond zich de residentie van de Verhevene. Niet ver ervandaan was het verblijf voor de Eerwaarde Ānanda. Op de helling van deze heuvel zijn twee grotten. Hierin hadden de Eerwaarde Sāriputta en de Eerwaarde Mahā Moggallāna elk hun verblijf.

       Ongeveer op de helft van de Gridhakūtaheuvel heeft een Chinese pelgrim een tempel gebouwd. Alleen de fundamenten ervan zijn nog over.
pad van Bimbisarapad van Bimbisaraop weg naar de top van de Gijjhakutafundament van Chinees tempeltjegrot van Sariputtagrot van Maha Moggallana
blik op top van de Gijjhakutaverblijf van Anandaresidentie van de Boeddhadeel van residentie en blik op Rajgir
 
        
Andere plekken die de Boeddha te Rājagaha mooi vond, zijn o.a. de Saptaparni-grot, het meer in het Veluvana-park en het mango-bosje van de arts Jīvaka. Deze Jīvaka was arts aan het koninklijk hof en werd de arts van de Boeddha. Drie keer per dag bezocht hij de Verhevene. Hij liet een ziekenhuis bouwen in zijn eigen mango-bosje. Na de inwijdingsceremonie ervan bereikte de arts het eerste niveau van heiligheid; hij werd een Sotāpanna.

plattegrond ziekenhuis van Jivakaruïnes van ziekenhuis van Jivakaruïnes van ziekenhuis van Jivakaop weg naar warme bronnen
    
  
    In Rajgir zijn beroemde warme bronnen aan de noordelijke helling van de heuvel Vaibhara. Die bronnen worden (door de Hindoes) heden nog steeds gebruikt om er een bad te nemen.

      Hier sprak de Boeddha de leerrede tot de jonge Sigāla. Deze leerrede is erg belangrijk voor leken. Erin wordt onderwezen hoe men in deze wereld begunstigd is en ook in de wereld hierna, o.a. door het volgende: Ouders moet men eren en als zij oud zijn, moet men voor hen zorgen. Een man moet hoffelijk zijn ten opzichte van zijn vrouw en haar niet verachten. Hij moet haar trouw zijn, haar gezag en sieraden geven.[2] De vrouw is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. En zij beschermt wat de man meebrengt. Zij is vlijtig. Voor vrienden en kennissen is men vrijgevig, hoffelijk in taalgebruik, behulpzaam, onpartijdig en oprecht. Een werkgever zorgt voor zijn werknemers door hen werk te geven in overeenstemming met hun bekwaamheid. Hij geeft hun loon, zorgt voor hen bij ziekte en geeft hen nu en dan verlof. De werknemers vervullen hun plichten goed en houden de goede naam en faam van de werkgever oprecht.  

 muur van gevangenis van Bimbisara     In het 37e jaar na de Verlichting liet prins Ajātasattu zijn vader Bimbisāra gevangen zetten en daarna doden. De muren van de gevangenis waren twee meter dik. Nadat hij zijn vader had laten doden, kreeg Ajātasattu gewetenswroeging. Op advies van de arts Jīvaka ging hij naar de Boeddha toe die hem in de leer onderwees. Ter herinnering aan zijn bekering is een gedenkteken gebouwd onderaan op de helling van de Gierepiek, naast het pad van Bimbisāra.

gevangeniscel van Bimbisara       In hetzelfde jaar als de dood van koning Bimbisāra - de Verhevene was toen 72 jaar - probeerde zijn neef Devadatta de Boeddha te vermoorden. Eerst liet hij een woedende olifant op hem  los; maar de Verhevene temde die olifant door zijn grenzenloze mededogen. Daarna huurde Devadatta moordenaars; die werden echter door de Boeddha bekeerd. Tenslotte wierp Devadatta een rotsblok van de top van de Gierepiek naar beneden. Dat gebeurde in de buurt van de residentie van de Boeddha. Deze werd slechts door een splinter van de rots gewond. Door de koninklijke arts Jīvaka werd hij toen verpleegd.

       In het laatste jaar van zijn leven, tijdens de 43e regenperiode na de Verlichting, verbleef de Boeddha ook te Rājagaha. Ajātasattu wilde toen oorlog voeren tegen de Vajjis. Maar eerst wilde hij de mening van de Verhevene hierover horen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid."

      De Verhevene noemde toen de voorwaarden voor het welzijn van een volk. De Vajjis voldeden aan die voorwaarden en daarom zag Ajātasattu ervan af om die oorlog te voeren. Hij had immers geen enkele kans op een overwinning. Die voorwaarden zijn: vaak bijeenkomsten houden, in vrede; geen nieuwe besluiten vaststellen als de oude nog goed zijn; respect tonen ten opzichte van ouderen; vrouwen en meisjes fatsoenlijk behandelen; respect tonen ten opzichte van heiligdommen; heiligen beschermen.

       Toen de regenperiode te Rājagaha beëindigd was, reisde de Boeddha o.a. via Nālanda, Pātaligama (Patna), Vesali en Pava naar Kusinārā waar hij overleed.

       Na het overlijden van de Boeddha te Kusinārā bracht de Eerwaarde Maha Kassapa een deel van de relieken van de Verhevene naar koning Ajātasattu. Deze laatste bouwde er te Rājagaha een stoepa voor.

huis van Maha Kassapa      Enkele maanden later werd er het eerste Boeddhistische concilie gehouden, en wel in een grote hal tegenover de Saptaparni-grot op de noordelijke rotswand van de heuvel Vaibhara. Die hal werd speciaal voor dat doel gebouwd door Ajātasattu. Het concilie werd gehouden onder leiding van de Eerwaarde Mahā Kassapa. Vijfhonderd Arahants waren uitgekozen om de Dhamma (leer) en Vinaya (regels van discipline voor de Orde) te zuiveren en valse leringen eruit te verwijderen. Alle andere monniken moesten tijdens het concilie Rājagaha verlaten.

      Op de heuvel Vaibhara is ook het huis van de Eerwaarde Mahā Kassapa.

       Na Ajātasattu verloor Rājagaha haar betekenis doordat de hoofdstad van Magadha verplaatst werd naar Pātaliputa (het tegenwoordige Patna). Dit gebeurde tijdens de regering van Udayabhadra (of: Udayin), de opvolger van Ajātasattu.

       Twee eeuwen daarna werd door keizer Asoka te Rajgir een stoepa opgericht en ook een zuil met olifantenkapiteel. Die zuil bestond al niet meer in de 7e eeuw na Chr.

      In het begin van de 5e eeuw na Chr. vond Fa-Hien het dal van Rajgir verlaten. Aan de overkant van de heuvels woonde een groepje monniken in het klooster in het Veluvana-park. Van de 18 kloosters te Rājagaha ten tijde van het eerste concilie was dat als enige overgebleven.  

      Hiuen Tsang bezocht Rajgir in de 7e eeuw na Chr. Hij zegt niet veel over deze plaats, vermoedelijk omdat hij ze verlaten aantrof. Van de oude kloosters en stoepas vond hij alleen de fundamenten en ruïnes.

       Ten westen van Nieuw Rājagriha, aan de overkant van de rivier Sarasvatī, is een grote kunstmatige heuvel. Volgens Fa-Hien is dit de plaats van de stoepa van Ajātasattu; volgens Hiuen-Tsang is het die van Asoka.

      Aan de linker kant van de tegenwoordige weg ten oosten van het Veluvana-park is een heuvel. Stenen fundamenten zijn er nog te zien. Hierop staan enkele zuilen van latere datum.

Japanse tempel     met de kabelbaan naar Japanse tempel               Op een van de heuvels rond Rajgir is een moderne Japanse tempel gebouwd. Via een kabelbaan is die tempel bereikbaar.

       Rond Rajagaha was een muur aangelegd ter verdediging tegen indringers. Gedeelten van die stadsmuur zijn nog te zien.

      Nabij Rajagaha kan men ook nog twee grotten bezichtigen. Beweerd wordt dat de schatmeester van koning Bimbisara die heeft aangelegd. Achter de wanden van die grotten vermoeden sommigen een geheime schatkamer. 
oude stadsmuur van Rajagahaoude stadsmuurschatkamers van Bimbisara

   


      

naar begin van pagina  of naar 4. Boeddhistische plaatsen in India en Nepal     



[1] Maj.Nik. 116.

[2] Ook hier blijkt dat de Boeddha niet negatief was t.o.v. vrouwen.