Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3d.  Devadatta - schisma in de Orde


Devadatta en het schisma in de Orde 

Inleiding

Devadatta was de zoon van koning Suppabuddha en de broer van Yasodhara. Hij was een neef van de Boeddha.


Devadatta werd samen met andere Sakya-prinsen, zoals Ānanda, Anuruddha, Bhaddiya, Bhagu, en Kimbila, in de Orde opgenomen in het tweede jaar na de Verlichting van de Boeddha. (Vin.Pit.Cv.VII.2.)

De anderen die met Devadatta in de Sangha waren ingetreden, bereikten het hoge niveau van de zekerheid [arahantschap]. Maar Devadatta bereikte slechts 'gewone wereldlijke magie'. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

De zuivere is het gele gewaad waard, maar de onzuivere niet

Eens gingen de eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Maha Moggallana van Savatthi naar Rajagaha. Daar werden zij en de andere bhikkhus door de mensen van Rajagaha uitgenodigd voor de maaltijd in de voormiddag. Bij die gelegenheid schonken enkele mensen een erg kostbaar stuk stof aan degene die de maaltijd had georganiseerd. Hij vroeg de kostbare stof te schenken aan een van de bhikkhus. Met meerderheid van stemmen werd toen aan Devadatta dat kostbare stuk stof aangeboden omdat hij uit Rajagaha stamde. Deze maakte er direct een gewaad van.

Een bhikkhu uit Rajagaha zag Devadatta dat gewaad dragen en toen hij naar Savatthi kwam om eer te betonen aan de Boeddha, vertelde hij de gebeurtenis met Devadatta.  De Boeddha zei dat Devadatta ook in een vorig leven  gewaden had gedragen die hij niet waard was. En hij legde uit wie waard is het embleem van de heilige discipelen te dragen. (Dhp. verhaal I:7 bij de verzen 9 en 10)

“Wie niet zonder smetten is, wie zonder zelfbeheersing is en zonder waarheidlievendheid en het gele gewaad draagt, hij is dat gewaad niet waard.” (Dhp. vers 9)

“Wie gezuiverd is van alle smetten, wie goed gevestigd is in deugdzaamheid en begiftigd is met zelfbeheersing en waarheidlievendheid, hij is wel het gele gewaad waard.” [1]  (Dhp. vers 10)

0vereenkomstig hun elementen

Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha op de berg Gijjhakūta. In de buurt liep toen de eerwaarde Sāriputta met talrijke monniken heen en weer. Ook de eerwaarden Mahā-Moggallana, Mahā-Kassapa, Anuruddha, Punna, de zoon van Mantāni, Upāli, en Ananda liepen er in de buurt met talrijke monniken heen en weer.        

En ook Devadatta liep er met talrijke monniken heen en weer.

De Verhevene sprak toen tot de monniken:

'Alle monniken die met de eerwaarde Sariputta heen en weer lopen zijn begiftigd met hoog inzicht.

Alle monniken die met de eerwaarde Moggallana heen en weer lopen, zijn begiftigd met hoge bovennatuurlijke krachten.

Alle monniken die met de eerwaarde Maha Kassapa heen en weer lopen houden zich aan de strenge praktijken.

Alle monniken die met de eerwaarde Anuruddha heen en weer lopen, bezitten het hemelse oog.

Alle monniken die met de eerwaarde Punna heen en weer lopen, zijn verkondigers van de leer.

Alle monniken die met de eerwaarde Upali heen en weer lopen, zijn kenners van de regels (van discipline).

Alle monniken die met de eerwaarde Ananda heen en weer lopen, zijn goed onderwezen.

En alle monniken die met Devadatta[2] heen en weer lopen, zijn kwaadaardig.

Want de wezens komen samen overeenkomstig hun elementen: laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk. (S.14.15)

Devadatta misleidt prins Ajatasattu

         Eens verbleef de Verhevene te Kosambi, in het Ghosita klooster. Devadatta vertoefde toen in afzondering waarbij de volgende gedachte bij hem ontstond: “Wie zou mij veel succes, eer en roem kunnen bezorgen?” En verder dacht Devadatta aan prins Ajatasatta; als hij hem welgezind maakte dan zou de prins hem succes, eer en roem kunnen bezorgen. Devadatta ging toen op weg naar Rajagaha.

In Rājagaha aangekomen, legde Devadatta zijn eigen gedaante af, nam de gedaante aan van een jongeman die met slangen omgord was en verscheen voor prins Ajatasattu. Deze schrok en was bang. Devadattu vroeg aan de prins of deze bang voor hem was. - “Ja, ik ben bang, wie ben je?” - “Ik ben Devadatta.” - De prins zei dat, als hij inderdaad Devadatta was, hij in zijn eigen gedaante zou verschijnen. Devadatta legde toen de gedaante van jongeman af en stond met oppergewaad en nap voor de prins. Deze was opgetogen over dit wonder van Devadatta's magische kracht, en elke ochtend en elke avond betuigde hij zijn respect met veel strijdwagens en gaf opdracht om veel porties gekookte rijstepap als donatie te brengen.

Door deze overvloed aan succes, eer en roem werd Devadatta's hart overweldigd, en er ontstond in hem het verlangen om de kloosterorde zelf te leiden.[3] Met het ontstaan van dit verlangen in het hart verloor Devadatta zijn magische kracht.

         De eerwaarde Kakudha, de helper van de eerwaarde Mahāmoggallāna, was toen gestorven en in een uit geest gevormde gedaante weer verschenen. De god Kakudha  ging naar de eerwaarde Maha Moggallana toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde staan. En hij zei aan de eerwaarde  Maha Moggallana dat Devadatta zelf de kloosterorde wilde leiden en dat Devadatta zijn magische kracht had verloren. Hierna verdween de godheid.

De eerwaarde Mahā Moggallāna ging naar de Verhevene en berichtte wat er gebeurd was. – De Verhevene verzocht Mahā Moggallāna om hierover niets aan de andere monniken te zeggen. De verblinde Devadatta zou zichzelf verraden.  

De Boeddha sprak toen over de vijf soorten van meesters in de wereld. Na enige tijd ging hij van Kosambi naar Rājagaha, naar het Jetavana klooster.

In dat klooster gingen veel monniken naar de Verhevene en vertelden hem dat prins Ajatasattu aan Devadatta elke morgen en elke avond veel gaven en maaltijden liet brengen. De Boeddha zei daarop dat zij niet jaloers op Devadatta moesten zijn vanwege die overvloed aan winst en aanzien. Want zo lang als prins Ajatasattu aan Devadatta op die manier eer betoonde, kon de laatste een afname verwachten van de kwaliteiten die geschikt zijn voor verlossing, geen toename. “Succes, eer en roem zijn tot Devadatta gekomen tot zijn eigen ondergang.” (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Over het gevaar van winst, eer en roem

       Vanwege het feit dat Devadatta tevreden bleef met zijn roem omdat hij bovennatuurlijke vermogens had verkregen en niet verder streefde, zei de Boeddha te Rājagaha dat zijn leer er niet was om winst en faam te verkrijgen; die waren als de uiterste takjes van een boom. En ook niet voor het verkrijgen van deugdzaamheid; die was als de buitenste schors van een boom. Noch was zijn leer voor concentratie om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen; die waren als de bast van een boom. De Dhamma was onderwezen om volmaakte heiligheid te verkrijgen; die was als het merg van een boom.[4]

Devadatta’s pogingen om de plaats van de Boeddha in te nemen

         In die tijd zat de Verhevene eens te midden van een grote bijeenkomst en legde de leer uit. De koning zat ook in de bijeenkomst. Toen stond Devadatta op van zijn zitplaats, groette de Verhevene met samengevouwen handen en zei tegen hem: 'Heer, u bent nu vol gebreken, zwak en oud, u hebt een hoge leeftijd bereikt. U zou nu in zalige tegenwoordigheid van geest kunnen vertoeven en de leiding van de kloosterorde aan mij overlaten.” – "Hou op, Devadatta, denk er niet aan de kloosterorde te leiden." En een tweede en een derde keer zei Devadatta dat hij de kloosterorde zelf wilde leiden. De Boeddha zei daarop dat hij de kloosterorde zelfs niet aan Sāriputta en Mahā Moggallāna zou overlaten, en zeker niet aan een dergelijk verdorven uitschot zoals Devadatta.

         Met de gedachte dat de Boeddha hem in bijzijn van de koning had beledigd en Sāriputta en Mahā Moggallāna boven hem had gesteld, groette Devadatta boos en nors de Verhevene en vertrok. Dat was de eerste keer dat Devadatta haat voelde tegen de Verhevene.

Toen zei de Verhevene aan de monniken dat in Rājagaha over Devadatta formeel bekend gemaakt moest worden dat Devadatta nu anders geaard was dan voorheen en dat voor alles wat Devadatta deed of zei, niet de Ontwaakte noch de leer noch de Orde verantwoordelijk was, maar alleen Devadatta.

(En de Gezegende legde in detail de procedure vast voor die formele bekendmaking door de Orde).

 Hierna vroeg de Verhevene aan Sāriputta om naar Rājagaha te gaan en er de formele bekendmaking over Devadatta te verkondigen. Sariputta zei dat hij vroeger in Rajagaha over Devadatta verkondigd had dat deze kundig was in magie. Hoe zou hij nu de formele bekendmaking over Devadatta verkondigen? De Boeddha zei dat Sariputta de waarheid had gezegd toen hij Devadatta in Rajagaha prees vanwege diens magische vaardigheden. “En Sariputta, juist zo is het de waarheid wanneer je in Rajagaha de formele bekendmaking over Devadatta verkondigt.” De eerwaarde Sāriputta was het hiermee eens en ging met een grote schare monniken naar Rajagaha waar hij de formele bekendmaking over Devadatta verkondigde. “Devadatta is van aard veranderd, wat hij zegt en doet wordt niet gesteund door de Boeddha, noch door de Dhamma, noch door de Sangha, maar Devadatta is er zelf verantwoordelijk voor.”

         De mensen die geen of een zwak vertrouwen hadden of die een zwakke geest hadden, zeiden dat de monniken jaloers waren op het succes en de roem van Devadatta. Maar de mensen die vertrouwen, wijsheid en een heldere geest hadden, zeiden dat het geen kleinigheid kon zijn waarom de Verhevene in Rajagaha over Devadatta een formele bekendmaking liet verkondigen. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Koning Suppabuddha vijandig tegenover de Boeddha

Koning Suppabuddha, de vader van Devadatta en de schoonvader van prins Siddhattha, werd om twee redenen zeer vijandig tegenover de Boeddha: ten eerste omdat prins Siddhattha zijn dochter Yasodhara had verlaten om de wereld te verzaken; en ten tweede omdat zijn zoon Devadatta de Boeddha als zijn aartsvijand was gaan beschouwen. (Dhp. verhaal IX:12 bij vers 128 (9:13)

Prins Ajatasattu wil zijn vader doden

In het 37e jaar na de Verlichting van de Verhevene ging Devadatta naar prins Ajatasattu en zei tegen hem dat de mensen vroeger lang leefden, maar nu nog maar kort. Misschien zou Ajatasattu als prins sterven en geen koning worden. Daarom zou de prins zijn vader doden en koning worden. Devadatta zou de Gezegende doden en Boeddha worden.

        Toen overwoog prins Ajātasattu dat Devadatta kundig in magie was; hij zou wel helderziend zijn. Met een dolk onder zijn kleren drong hij vroeg in de ochtend met geweld de koninklijke vertrekken binnen. De ministers die de toegang tot die vertrekken bewaakten, grepen de prins en vonden de dolk. Zij vroegen wat de prins van plan was. Hij gaf ten antwoord dat hij zijn vader wilde doden en dat Devadatta hem ertoe had aangezet.

        Sommige ministers waren van mening dat de prins, Devadatta en alle monniken ter dood gebracht moesten worden; andere ministers zeiden dat de monniken niemand leed toegebracht hadden en dus niet geëxecuteerd moesten worden, maar dat de prins en Devadatta geëxecuteerd moesten worden. Weer andere ministers stelden voor om eerst het voorval aan de koning te melden en zijn oordeel af te wachten.

         De ministers gingen toen met de opgepakte prins Ajatasattu naar koning Seniya Bimbisāra van Magadhā en meldden wat er gebeurd was. De koning vroeg hoe zij erover dachten, waarna zij hem hun meningen meedeelden. 

Koning Seniya Bimbisāra vroeg toen wat de Boeddha, de leer en de Orde ermee te maken kon hebben. De Verhevene had immer in Rājagaha een formele bekendmaking laten verkondigen dat Devadatta nu anders geaard was dan vroeger en dat alleen Devadatta verantwoordelijk was voor zijn daden en spreken en niet de Boeddha noch de leer noch de Orde.

        Toen de koning aan de prins vroeg waarom hij hem wilde doden, antwoordde Ajātasattu dat hij de heerschappij van koning wilde hebben. “Welnu, dan is dit rijk van jou,” zei de koning en gaf het koningschap aan prins Ajātasattu. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5) Maar later liet de prins toch zijn vader doden.

Devadatta’s pogingen om de Boeddha te doden

 Devadatta ging toen naar Ajatasattu en vroeg hem om zijn mensen te bevelen de asceet Gotama van het leven te beroven. En Ajātasattu gaf het bevel dat zijn mensen alles moesten doen wat meester Devadatta zei.

Devadatta liet een man komen en zei hem dat de Boeddha in de buurt was. Die man zou hem doden en dan op een bepaalde weg terugkeren. Daarna gaf hij aan twee mannen de opdracht degene die alleen over die weg zou komen, te doden en op die weg terug te keren. Op die weg plaatste hij vier mannen en zei dat, wanneer twee mannen op die weg zouden komen, zij die twee dan moesten doden en op een andere weg terug zouden komen. Op die weg liet hij acht mannen post vatten met de opdracht dat, wanneer vier mannen op die weg zouden komen, zij die moesten doden en dat zij op een andere weg terug zouden komen. Op die andere weg plaatste hij zestien mannen die de acht mannen moesten doden en dan terug moesten komen. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Bekering van de sluipmoordenaars

        Toen pakte die man, die alleen was, zijn zwaard en schild, pijlen en boog, en ging naar de plaats waar de Gezegende verbleef. Toen hij naderbij was gekomen, bleef hij staan, vol angst, opgewonden, sidderend en aarzelend, alsof zijn hele lichaam verlamd was. De Verhevene zag die man daar zo staan en zei toen tegen hem: “Kom, vriend, wees niet bang." Toen legde die man zijn zwaard en schild, zijn boog en pijlen naast zich neer en ging naar de Verhevene toe. Hij boog zijn hoofd tot aan de voeten van de Verhevene en zei dat hij als een dwaas een overtreding begaan had door met slechte bedoelingen, met moordzuchtige bedoelingen naar hem toe te komen. Hij smeekte de Boeddha hem te vergeven; in de toekomst zou hij voorzichtig zijn.

        "Inderdaad, vriend, heb je een overtreding begaan als een dwaas, door naar mij toe te komen met slechte, moordzuchtige bedoelingen. Maar omdat je je fout als fout hebt ingezien en hebt beleden, daarom vergeven wij je dat. Vriend, het wordt immers als vooruitgang op de weg naar het heil beschouwd wanneer men een overtreding als een overtreding inziet en deze belijdt en in de toekomst op zijn hoede is."

        Hierna gaf de Verhevene deze man de gebruikelijke inleiding tot de leer. Hij sprak met hem over het geven, over de deugdzaamheid, over de hemelse wereld, over de ellende, het schadelijke en verontreinigende van zinnelijke lusten, en over de zegen van het overwinnen ervan. En toen de Verhevene merkte dat de man gezond van gemoed was geworden, gedwee, vrij van belemmeringen, tot zijn hoogste mogelijkheden verheven en helder, toen sprak hij de leer van de waarheid die het kenmerk is van de Ontwaakten, en wel het niet tevredenstellende, het lijden, de ontwikkeling ervan, de uitroeiing ervan en de aanpak ervan. En onmiddellijk ging bij deze man, terwijl hij daar nog zat, het stofvrije, vlekkeloze oog voor de waarheid open: "Alwat er ook ontstaan ​​is, moet weer vergaan." Toen hij de waarheid zag, aan twijfel ontkomen, aan het ‘als’ en ‘maar’ ontsnapt, op niemand anders steunend bij de instructies van de Meester, zei hij tegen de Verhevene: "Geweldig, Heer, prima. Heel duidelijk is de leer uitgelegd. Tot de Verhevene neem ik mijn toevlucht, tot de leer en tot de Orde van de monniken. Moge de Verhevene mij vanaf vandaag als een devote volgeling beschouwen."

Toen zei de Verhevene tegen de man: "Vriend, ga niet die kant op, ga deze kant op", en hij stuurde de man via een andere weg terug.

         Toen dachten die twee mannen: "Waar blijft de man die alleen komt, zo lang?" En zij gingen verder om hem te ontmoeten. Zij zagen de Verhevene aan de voet van een boom zitten. Ze gingen naar hem toe, begroetten hem eerbiedig en gingen terzijde zitten. Ook tot hen sprak de Boeddha de gebruikelijke inleiding tot de leer, over geven, deugdzaamheid, de hemelse wereld, het nadelige en verontreinigende van zinnelijke lusten, en over de zegen van het overwinnen ervan. Daarna volgde de leerrede over het middenpad en de vier edele waarheden. En bij die twee mannen ging het oog van de waarheid open. Zij namen hun toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha.

Toen zei de Verhevene tegen die twee mannen: "Vrienden, ga niet die kant op, maar ga deze kant op", en hij stuurde de mannen via een andere weg terug.

         Met die vier mannen en die acht mannen en die zestien mannen ging het precies zo. Zij werden in de leer onderwezen en namen hun toevlucht tot de Verhevene, de Leer en de Orde van de monniken. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Devadatta verwondt de Boeddha

Ondertussen was die enkele man naar Devadatta teruggekeerd en zei tegen hem dat hij niet in staat was om de Verhevene te doden. "Want de Verhevene heeft een enorm grote kracht van geest." – "Wel, vriend, dan zal ikzelf de asceet Gotama om het leven brengen."

 

Ondertussen liep de Verhevene op de helling van de Gierepiek heen en weer op het pad dat koning Bimbisara had laten aanleggen. Toen ging Devadatta de Gierepiek omhoog, rolde een grote steen naar beneden en dacht: "Hiermee zal ik de asceet Gotama doden." Maar twee bergtoppen kwamen samen en verpletterden die steen. Door twee splinters ervan werd de voet van de Verhevene gewond. De Verhevene keek naar boven en riep naar Devadatta: "Jij waanzinnige, je hebt een enorme schuld op je geladen, omdat je uit kwaadwil, met moorddadige bedoelingen het bloed van de Volmaakte hebt vergoten."

         Vervolgens wendde de Verhevene wendde zich tot de monniken met de woorden: "Monniken, dit is de eerste van de wandaden die door Devadatta zijn verzameld en opgehoopt, waarvan het resultaat onmiddellijk optreedt, namelijk dat hij uit kwaadwil, met moorddadige bedoelingen het bloed van de Vinder der Waarheid heeft vergoten." (Vin.Pit. Cv.VII.2-5; vgl. Dhp. verhaal VII:1 bij vers 90)

Door de koninklijke arts Jivaka werd de Boeddha toen verpleegd.

Het is onmogelijk een Volmaakte met geweld van het leven te beroven

Toen de monniken vernamen dat door Devadatta een moordaanslag op de Verhevene was gepleegd, liepen zij op en neer rond de woning van de Verhevene, waarbij hun reciteren veel commotie en lawaai veroorzaakte. Toen de Verhevene dat lawaai hoorde, vroeg hij aan de eerwaarde Ānanda wat dat voor lawaai van recitaties was. De eerwaarde Ānanda zei dat de monniken het nieuws hadden vernomen over de moordaanslag door Devadatta. Zij gingen nu al reciterend om de woning van de Verhevene heen en weer om de Verhevene te beschermen, te verdedigen en te bewaken.

De Boeddha liet de monniken samen komen en zei: “Het is onmogelijk dat een Volmaakte met geweld van het leven beroofd wordt. Vinders van de Waarheid doven uit zonder geweld. Laat iedereen van jullie naar zijn vertrek gaan. Een Volmaakte hoeft niet beschermd te worden.” (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)  

 

De olifant Nalagiri

In die tijd was er in Rājagaha een wilde moordzuchtige olifant genaamd Nalagiri. Toen ging Devadatta de olifantenstal binnen en zei aan de olifantenverzorgers: "Beste mensen, als gelijke van de koning heb ik de invloed om iemand van een lage positie naar een hoge positie te brengen en hem te voorzien van meer voedsel en inkomen Dus lieve mensen: wanneer de asceet langs deze weg komt, laat dan de olifant Nalagiri los en zorg ervoor dat hij daarheen gaat." - "Jawel, heer," zeiden de olifantenverzorgers aan Devadatta.

Vroeg in de ochtend nam de Verhevene zijn nap en ging met een grote schare van monniken op aalmoezenrondgang. Hij nam de gebruikelijke weg. De olifantenverzorgers zagen de Verhevene komen, lieten de olifant Nalagiri los en dreven hem op die weg. Toen de olifant Nalagiri de Gezegende van verre zag aankomen, hief hij zijn slurf op en stormde met opgeheven oren en opgeheven staart op de Verhevene af. De monniken zagen de olifant Nalagiri op de Verhevene afstormen en riepen hem toe dat de wilde olifant Nalagiri over de weg kwam rennen en dat hij terug zou gaan. De Boeddha zei dat de monniken niet bang hoefden te zijn. "Het is onmogelijk dat een volmaakt Ontwaakte met geweld van het leven wordt beroofd. Vinders van de Waarheid sterven zonder geweld." Een tweede en derde keer vroegen de monniken dat de Verhevene terug zou gaan, en steeds kregen zij hetzelfde antwoord.

De mensen waren in hun huizen gegaan en op de daken geklommen. Mensen die geen vertrouwen hadden of die een zwak vertrouwen en een zwak verstand hadden, zeiden dat de grote asceet er lief uitzag, dat de olifant hem kwaad zou doen. Maar de mensen die vertrouwen, wijsheid en een helder verstand hadden, zeiden: "Weldra zal de olifantenstier de hoogste van de Nagas[5] ontmoeten." Nu doorstraalde de Verhevene de olifant Nalagiri met een hart vol grenzeloze liefde.

Doordat de Verhevene met een hart vol grenzeloze liefde de olifant Nalagiri doorstraalde, liet die olifant zijn slurf zakken, liep naar de Verhevene toe en bleef voor hem staan. Toen streelde de Verhevene met zijn rechterhand het voorhoofd van de olifant Nalagiri en sprak hem toe met het volgende vers:

 

“Doe deze Naga geen pijn, jij olifant;

want deze Naga te weerstaan

brengt leed met zich mee.

Olifant, een moordende olifant

staat geen goede toekomst te wachten.

 

Wees niet zo trots en niet zo wild;

wie wild is, komt niet op een goed pad.

Je moet alleen altijd actief zijn in datgene

waardoor je op een dag op een goed pad komt."

Toen zoog de olifant Nalagiri met zijn slurf het stof van de voeten van de Ontwaakte en strooide het over zijn eigen hoofd, liep achteruit, maakte een buiging en keek de Verhevene lang aan. Daarna keerde de olifant Nalagiri naar de olifantenstal terug en ging er op zijn plek staan; en zo werd de olifant Nalagiri getemd. Toen zongen de mensen het volgende lied:

 "Met de stok temt men sommigen,

anderen temt men met prikstok of zweep.

Zonder stok en zonder wapen

worden door de ziener olifanten getemd."

(Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Devadatta’s aanzien neemt af

De mensen waren verontwaardigd en opgewonden: "Hoe slecht is toch deze Devadatta, dat hij probeerde de asceet Gotama te vermoorden, die zo'n enorm grote kracht van geest heeft. En Devadatta's successen en waardering namen af ​​en de successen en de waardering van de Verhevene namen toe.

Omdat nu Devadatta's successen en waardering afnamen, kregen hij en zijn volgelingen[6] geen maaltijden meer aangeboden, maar moesten zij erom bedelen. De mensen zeiden verwijtend: “Hoe kunnen deze asceten, volgelingen van de wijze der Sakyas, in de huishoudens eten nadat ze erom hebben gesmeekt. Wie houdt er niet van goed gekookte maaltijden.” (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

De regel voor groepsmaaltijden

         Dit kwam de monniken ter ore. De niet veeleisende monniken meldden het aan de Verhevene. Deze vroeg aan Devadatta of het waar was dat hij met zijn volgelingen in de huishoudens gegeten had na erom herhaaldelijk gesmeekt te hebben. - “Heer, dat is waar.” - De Gezegende uitte kritiek en gaf een overeenkomstige uitleg van de leer. Toen zei hij: "Let op, monniken, ik wil voor de monniken eten in groepen van drie in de huishoudens regelen om de volgende redenen: om boosaardige mensen op afstand te houden, zodat de fatsoenlijke monniken het naar hun zin hebben, zodat de Orde niet verdeeld wordt vanwege kwade wensen en uit mededogen met de gezinnen. Bij groepsmaaltijden moet volgens de regel gehandeld worden." [7] (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Devadatta’s poging om een schisma te veroorzaken door het voorstel van vijf dingen

         Devadatta ging nu naar Kokālika Katamorakatissaka, de zoon van de adellijke vrouw Khanda en Samuddadatta, en zei: "Vrienden, laten wij toch bij de asceet Gotama een splitsing in de Orde veroorzaken en tweedracht zaaien." Het antwoord van Kokālika aan Devadatta luidde: "De asceet Gotama heeft een enorm grote geestelijke  kracht. Hoe kunnen wij dan bij de asceet Gotama een splitsing in de Orde veroorzaken en tweedracht zaaien?" – "Kom, laten wij naar de asceet Gotama gaan, vijf dingen voorstellen en zeggen: "De verheven Heer heeft op veel manieren de bescheidenheid, de tevredenheid, de afzondering, nauwgezetheid, vertrouwen, onthechting en gebruik van energie geprezen. De volgende vijf dingen leiden tot bescheidenheid, tevredenheid, afzondering, nauwgezetheid, vertrouwen, onthechting en gebruik van energie.

     Het zou goed zijn, Heer, als de monnik zijn leven lang een kluizenaar in het bos was; iedereen die in de buurt van een dorp woont, zou zich schuldig maken aan een strafbare handeling.

     Hun leven lang zouden zij alleen moeten leven van voedsel dat zij op de aalmoezenrondgang kregen; wie een uitnodiging aanneemt, zou schuldig zijn aan een strafbare handeling.

     Hun leven lang zouden zij gewaden moeten dragen gemaakt van afgedankte vodden; wie een door een gezinshoofd geschonken gewaad aanneemt, zou schuldig zijn aan een strafbare handeling.

     Hun leven lang zouden zij onder een boom moeten overnachten; wie onder een dak gaat, zou schuldig zijn aan een strafbare handeling.

     Hun leven lang zouden zij geen vlees en geen vis mogen eten; wie vlees en vis eet, zou schuldig zijn aan een strafbare handeling.”

“Dat zal de asceet Gotama niet goedkeuren. Met deze vijf punten zullen wij de mensen weer voor ons winnen, vrienden. Met deze vijf punten zullen wij bij de asceet Gotama een splitsing in de Orde veroorzaken  en tweedracht zaaien. Want de mensen waarderen een harde manier van leven."

 

        Toen ging Devadatta met zijn volgelingen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en zei dat de Verhevene op veel manieren de bescheidenheid,  tevredenheid, afzondering, nauwgezetheid, vertrouwen, onthechting en gebruik van energie had geprezen. En daarna volgde het voorstel van de vijf dingen zoals boven vermeld.

Het antwoord van de Boeddha luidde: "Wel, Devadatta: wie het wil, mag een kluizenaar in het bos zijn; wie het wil, mag in de buurt van een dorp leven; wie het wil, mag alleen van aalmoezenvoedsel leven; wie het wil, mag uitnodigingen aannemen; wie het wil, mag alleen gewaden dragen gemaakt van vodden; wie het wil, mag een gewaad aannemen dat geschonken is door een gezinshoofd; wie het wil mag acht maanden onder een boom vertoeven,[8] dat is door mij veroorloofd; vis en vlees zijn (slechts) in drie gevallen een voedingsmiddel: niet gezien, niet gehoord , niet vermoed." [9]

 

Toen hij zag dat de Verhevene de vijf punten niet goedkeurde, stond Devadatta opgewekt op van zijn zitplaats, groette de Verhevene en vertrok met zijn volgelingen.[10] (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Devadatta veroorzaakt een schisma in de Orde

Daarna ging Devadatta met zijn volgelingen naar Rājagaha en verkondigde er aan de mensen dat hij aan de asceet Gotama verzocht had de vijf punten in te voeren, maar dat deze dat weigerde. "Maar wij zullen deze vijf punten op ons nemen."

Toen zeiden de mensen die geen vertrouwen hadden of die een zwak vertrouwen en een zwak verstand hadden, dat Devadatta en zijn volgelingen in verzaking en afzondering leefden, en dat de asceet Gotama daarentegen in overvloed leefde en naar overvloed streefde.

  Maar de mensen die vertrouwen, wijsheid en een helder verstand hadden, waren verontwaardigd en zeiden: “Hoe kan Devadatta in de Orde van de Verhevene een splitsing en tweedracht veroorzaken!”

Dit vernamen de niet veeleisende monniken en zij meldden het aan de Verhevene. Deze vroeg toen aan Devadatta of het waar was dat hij een schisma en tweedracht in de Orde veroorzaakte. Devadatta bevestigde dit. "Stop daarmee, Devadatta, veroorzaak geen splitsing in de Orde. Wie een schisma veroorzaakt in een Orde die in eendracht leeft, begaat een wandaad die een wereldtijdperk duurt. Een aeon lang zal die persoon in de hel koken. Wie evenwel een gespleten Orde tot eenheid voert, die produceert brahmaanse verdiensten en verheugt zich een aeon lang in een hemels bestaan. Devadatta, neem niet het besluit om een splitsing in de Orde te veroorzaken.”  

De eerwaarde  Ananda was ‘s morgens vroeg naar  Rājagaha gegaan voor aalmoezen. Toen Ananda terug kwam, zag Devadatta hem, ging naar hem toe en zei: “Vriend Ananda, vanaf vandaag zal ik de feestdag en de taken van de Orde afzonderlijk van de Verhevene en afzonderlijk van de Orde organiseren.”

De eerwaarde Ananda ging toen naar de Verhevene toe en meldde wat Devadatta gezegd had. De Verhevene uitte toen het volgende vers:

"Goed handelen is gemakkelijk voor de goede persoon.

Goed handelen is moeilijk voor de slechte persoon.

Voor de slechte persoon is het slechte gemakkelijk te doen.

Voor degenen die naar het heil streven, is het slechte moeilijk te doen." [11] (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Verkeerde leer van Devadatta en de weerlegging ervan door Sariputta

Devadatta leerde aan de monniken dat een monnik die door zijn oefening van de geest zijn geest volledig heeft ontplooid, van zich met recht kan verklaren: 'De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, wat gedaan moest worden, is gedaan; niets meer hierna.'

De eerwaarde Sariputta weerlegde die verkeerde leer en toonde hoe een monnik zijn geest door oefening van de geest wel volledig heeft ontplooid.

“Als een monnik beseft: 'Mijn geest is vrij van hebzucht, vrij van haat, vrij van verblinding; mijn geest is niet langer onderworpen aan hebzucht, haat, verblinding; mijn geest is niet meer in staat om naar het zinnelijke bestaan terug te leiden, om naar het fijnstoffelijke of onstoffelijke bestaan terug te leiden​​', dan heeft hij op deze manier zijn geest door oefening van de geest volledig ontplooid.

Zelfs wanneer bij een monnik wiens geest op een dergelijke manier volledig bevrijd is, zichtbare vormen heel nadrukkelijk in het gezichtsveld komen, hoorbare geluiden heel nadrukkelijk in het gehoorgebied komen, ruikbare geuren heel nadrukkelijk in het ruikgebied komen, proefbare smaken heel nadrukkelijk in het smaakgebied komen, lichamelijke indrukken heel nadrukkelijk in het lichaamsgebied komen, mentaal herkenbare dingen heel nadrukkelijk in de denkkring komen, dan zijn ze niet meer in staat om zijn geest te boeien; zijn geest blijft onaangetast, standvastig, onwankelbaar, en in dit alles ziet hij de vergankelijkheid.” (A.IX.26) Met deze woorden werd de verkeerde leer van Devadatta door de eerwaarde Sariputta weerlegd.

De nieuwe monniken uit Vesali

Op de Uposatha dag stond Devadatta op van zijn zitplaats, deelde stemkaarten uit en zei dat hij naar de asceet Gotama was gegaan en hem het voorstel had gedaan om vijf dingen in te voeren, maar dat de asceet Gotama die vijf punten niet wilde aannemen. Devadatta vroeg aan de aanwezigen om een ​​stemkaart te nemen.

Toentertijd waren net vijfhonderd jonge Vajjis uit Vesāli nieuw in de Orde opgenomen. Ze wisten nog niet wat ze moesten doen en dachten: "Dit is de leer, dit is de regel van de Orde, dit zijn de instructies van de meester," en zij namen stemkaarten aan. Nadat Devadatta op die manier de Orde had gespleten, ging hij naar de Gierepiek en nam de vijfhonderd monniken mee. Toen gingen Sāriputta en Mahā Moggallāna naar de Verhevene en meldden hem dat Devadatta een schisma in de Orde had veroorzaakt en met de vijfhonderd nieuwe monniken op weg was naar de Gierepiek.  – De Verhevene vroeg aan Sariputta dat deze zorg moest dragen voor de nieuwe monniken en dat hij naar hen toe moest gaan vóórdat zij in nood en verwarring raakten. – "Ja, Heer," gaven Sāriputta en Mahā Moggallāna aan de Verhevene ten antwoord. Zij stonden van hun  zitplaatsen op, namen eerbiedig afscheid van de Verhevene en vertrokken.

Ondertussen stond een monnik in de nabijheid van de Verhevene en huilde. Op de vraag van de Verhevene waarom hij huilde, antwoordde de monnik dat zelfs de hoofddiscipelen van de Verhevene, Sāriputta en Mahā Moggallāna, naar Devadatta overliepen en diens leer aannamen. - De Boeddha zei daarop dat dit onmogelijk was. Sāriputta en Mahāmoggallāna liepen niet over en namen de leer van Devadatta niet aan, maar zij gingen om die monniken te overtuigen. (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Onderricht van de monniken door Sariputta en Maha Moggallana

Devadatta zat te midden van een grote schare en legde de leer uit. Hij zag Sāriputta en Mahāmoggallāna van verre aankomen en zei tegen de monniken dat zij nu konden zien hoe goed de leer door hem werd uiteengezet, dat zelfs de hoofddiscipelen van de asceet Gotama naar hem toe kwamen om door hem de leer uitgelegd te krijgen. Kokālika evenwel zei na deze uiting van Devadatta dat deze Sāriputta en Mahā Moggallāna niet mocht vertrouwen, dat zij kwade bedoelingen hadden en iets kwaads in het schild voerden. Devadatta zei daarop dat hij de twee hoofddiscipelen welkom zou heten omdat zij van hem de leer wilden horen. Hij bood aan de eerwaarde Sāriputta de helft van zijn zitplaats aan. Maar de eerwaarde Sāriputta ging op een andere zitplaats terzijde van Devadatta zitten. En de eerwaarde Mahā Moggallāna deed hetzelfde. Nadat Devadatta tot diep in de nacht de monniken met een leerrede had onderwezen, gestimuleerd, geïnspireerd en verblijd, vroeg hij aan de eerwaarde Sāriputta dat deze zich een leerrede zou laten invallen voor de Orde van de monniken. Want die was nu vrij van nonchalance en traagheid. En zijn rug was vermoeid; hij wilde even gaan rusten.[12]  - "Goed, vriend", zei de eerwaarde Sāriputta aan Devadatta.

Nu vouwde Devadatta zijn oppergewaad in vieren, ging op zijn rechterzij liggen en viel onmiddellijk in slaap omdat hij zich van geen kwaad bewust was.

Toen gaf de eerwaarde Sāriputta de monniken onderricht met een leerrede over het wonderbaarlijke vermogen van het voorspellen (van de mentale en psychische processen van andere wezens).[13] En de eerwaarde Mahā Moggallāna gaf een leerrede over de wonderen van geestelijke  kracht.[14] Door deze leerreden ging bij deze monniken het onbezoedelde, vlekkeloze oog van de waarheid open: Alwat is ontstaan, zal ook weer vergaan.” (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Splitsing van de Orde is een groot vergrijp

Nu sprak de eerwaarde Sāriputta tot de monniken: "Broeders, laten wij nu samen naar de Verhevene gaan. Wie de leer van de Verhevene kiest, laat hij met ons mee gaan." De 500 jonge monniken uit Vesali gingen toen met de eerwaarden Sāriputta en Mahā Moggallāna mee naar het bamboebos Veluvana.

Toen riep Kokālika dat Devadatta op moest staan, dat Sāriputta en Mahā Moggallāna de monniken hadden weggeleid. Die twee waren immers niet te vertrouwen, hadden slechte bedoelingen en voerden iets kwaads in het schild, zoals hij eerder al had gezegd. Toen spoot bloed uit de mond van Devadatta.

 

Ondertussen waren Sāriputta en Mahā Moggallāna bij de Verhevene aangekomen, groetten hem eerbiedig en gingen terzijde zitten. De eerwaarde Sāriputta zei toen tegen de Verhevene: "Het zou goed zijn, Heer, als de monniken die betrokken waren bij de splitsing in de Orde opnieuw werden gewijd." – "Sāriputta, je kunt de monniken die betrokken waren bij de splitsing van de Orde niet zomaar opnieuw wijden. Laat die monniken eerst leren dat ze een ernstig vergrijp te bekennen hebben. Hoe dan heeft Devadatta zich jegens jou gedragen, Sāriputta?" – "Verheven Heer, nadat Devadatta de monniken tot diep in de nacht met een leerrede had onderwezen, gestimuleerd, geïnspireerd en verblijd, vroeg hij mij om een leerrede te spreken tot de Orde van de monniken, omdat die vrij was van nonchalance en traagheid. Dit is hoe Devadatta zich tegenover mij gedroeg."

Toen wendde de Verhevene zich tot de monniken met de volgende woorden: "Er was eens een vijver in een groot bosgebied. Daar woonden machtige olifantenstieren. Die daalden in die vijver omlaag,  rukten met hun slurven vezels en stengels van lotusbloemen eruit, wasten ze goed, kauwden ze vrij van modder en slikten ze in. Ze kregen er een mooi uiterlijk en kracht van en bleven daardoor gespaard van dood of dodelijke pijn. Maar bij deze machtige olifantenstieren waren jonge olifantenkalveren, die hun voorbeeld volgden. Ze daalden af ​​in die vijver en rukten met hun slurven vezels en stengels van lotusbloemen eruit; maar ze wasten ze niet goed, kauwden ze niet vrij van modder en slikten ze in. Ze kregen er geen mooi uiterlijk en geen kracht van maar gingen de dood of dodelijke pijn tegemoet. Monniken, juist zo zal de verdorven Devadatta sterven omdat hij mij wilde imiteren.”

“Het grote wezen verandert deze aarde,  

eet lotusvezels en bedwingt de stromen.

Een olifantenkalf dat mij kopieert

vreet de modder en sterft door het vuil.”

(Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Acht eigenschappen om de Dhamma te verkondigen

“Monniken, indien hij tot acht eigenschappen is volgroeid, dan is een monnik in staat om de boodschap tot heil te brengen. Die acht eigenschappen zijn:

1. De monnik is een toehoorder,[15] en

2. hij brengt anderen ertoe naar het onderricht te luisteren.

3. Hij is leerzaam, en

4. hij is een onderwijzer,[16] 

5. een ervaren persoon, en

6. een overbrenger van ervaringen.

7. Hij is iemand die het verbondene versterkt,  

8. en niet iemand die splitst.

Monniken, indien hij tot deze acht eigenschappen volgroeid is, dan is een monnik in staat om de boodschap tot het heil te brengen. Omdat Sāriputta tot deze acht eigen­schappen volgroeid is, is hij in staat om de heilsboodschap te brengen.

 

Wie onbevangen kan staan

voor een menigte die hoge dingen spreekt,

wie zijn draad niet verliest,

het onderricht niet verbergt,

wie niet vaag en onnauwkeurig spreekt,

nooit opgewonden wordt over vragen, ‑

een dergelijke monnik kan waarachtig

de verkondiger van de boodschap zijn.”

(Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Devadatta reddeloos gedoemd tot de hel

“Door acht verkeerde dingen, bezeten in het hart, is Devadatta reddeloos bestemd tot de afgrond, tot de hel, voor de duur van een wereldtijdperk. Welke acht? Door (de afhankelijkheid van) verkrijgen en niet-verkrijgen, door roem en gebrek aan roem, door eer en niet eer, door gemene verlangens en slechte vrienden. Daardoor overweldigd, is Devadatta reddeloos bestemd tot de hel voor de duur van een wereldtijdperk.

Monniken, het is goed wanneer een monnik ontstaan succes overwint, ontstaan falen overwint, ontstane roem en afnemen van roem overwint, ontstane eer en minachting overwint, gemene verlangens en slechte vrienden overwint.

 En waarom moet een monnik dat overwinnen? Wel, wanneer hij bij succes en falen, roem en afnemen van roem, eer en minachting, gemene verlangens en slechte vrienden niet volhardt in het overwinnen ervan, dan ontstaan ​​er in hem destructieve impulsen en koorts van de hartstocht. Maar wanneer hij daarbij volhardt in het overwinnen ervan, dan ontstaan ​​er in hem geen destructieve impulsen en geen koorts van de hartstocht.

Om dit doel te bereiken, moet een monnik steeds volharden in het overwinnen van succes en falen, roem en afnemen van roem, eer en minachting, gemene verlangens en slechte vrienden.

Devadatta is reddeloos voor de duur van een wereldperiode bestemd voor de afgrond, voor de hel, omdat hij door drie verkeerde dingen overweldigd is en wel door gemene wensen, door slechte vrienden en omdat hij zijn loopbaan halverwege heeft afgebroken aangezien hij alleen maar graag wereldse successen wil hebben.  

Wie hier in deze wereld iets slechts van plan is, gaat naar de hel. Jullie kunnen aan dit geval zien waartoe kwade wensen  leiden.

          Als een wijze was Devadatta welbekend; hij werd beschouwd als goed ontwikkeld; zijn roem straalde helder, zo werd verteld.

          Bedwelmd door de gedachte zo te zijn als de Volmaakte, heeft hij de verschrikkelijke hel bereikt,

met vier poorten.

         Wie de haatloze die nooit iets slechts doet, probeert kwaad te doen, die slechterik met verdorven hart treft alleen zichzelf.

          Wie denkt dat hij met een kopje vergif de zee rondom kan vergiftigen, die denkt verkeerd. Daarmee kan hij ze niet vergiftigen: de oceaan is enorm.[17]

          Zo gaat het als men met woorden de Volmaakte probeert te schaden. Hij is aangekomen, met een kalm gemoed; bij hem komen woorden niet meer aan.

          Win hem als vriend voor jullie en volg hem met heldere blik. Een monnik die deze weg gaat, bereikt de opheffing van het lijden." (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Brahmā Sahampati spreekt over Devadatta

Te Rajagaha sprak Brahmā Sahampati aangaande Devadatta's schisma dat diens handelwijze slechte resultaten heeft. (S.6.12)

Devadatta al heel lang een man zonder moraal

Op een dag waren enkele monniken met elkaar aan het praten toen de Boeddha binnenkwam en hun vroeg wat het onderwerp van hun gesprek was. Zij antwoordden dat zij het over Devadatta hadden en gingen toen als volgt verder: “Eerwaarde Heer, Devadatta is inderdaad een man zonder moraal; hij is ook erg hebzuchtig. Hij heeft geprobeerd naam en faam te verwerven door op oneerlijke wijze het vertrouwen van koning Ajatasattu te winnen. Hij heeft ook geprobeerd de koning ervan te overtuigen dat deze onmiddellijk een machtige heerser zou worden door zijn vader uit de weg te ruimen. Na aldus door Devadatta te zijn misleid, vermoordde Ajatasattu zijn vader door hem te martelen. Devadatta, heeft zelfs drie keer geprobeerd u te vermoorden. Devadatta is inderdaad erg gemeen en ambitieus."

 Na naar de monniken te hebben geluisterd, vertelde de Boeddha hun dat Devadatta niet alleen toen had geprobeerd hem te doden, maar ook had geprobeerd hem te doden in zijn vorige levens. Toen zei de Boeddha: "Bhikkhus, net zoals een klimplant de boom wurgt waaraan hij zich vastklampt, zo zullen ook degenen zonder deugdzaamheid, zij die overweldigd zijn door kwade verlangens, moeten lijden voor hun wandaden." (Dhp. verhaal XII:6 bij vers 162)

Dienaangaande het vers:

“Degene die buitengewoon verdorven is, zoals een maluva-klimplant die een sala-boom omwoekert, hij doet zichzelf aan wat een vijand hem zou toewensen.” (Dhp. vers 162)

Wanneer is er sprake van een schisma in de Orde?

Nu ging de eerwaarde Upāli naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en vroeg:   “Heer, wanneer is een meningsverschil in de Orde nog geen schisma in de Orde, en wanneer is een meningsverschil in de Orde wel een schisma in de Orde?"

"Wanneer iemand aan de ene kant is, Upāli, en twee aan de andere kant zijn, en een vierde persoon stemkaarten uitdeelt en zegt dat dit de leer is, dat dit de orderegels zijn, dat dit is de instructie van de Meester is, en dat men ervoor moet stemmen, dan is dat een verschil van mening in de Orde, maar nog geen schisma in de Orde. En eveneens wanneer er twee aan de ene kant zijn en twee aan de andere kant en een vijfde de stemkaarten uitdeelt ... of wanneer er twee aan de ene kant zijn en drie aan de andere kant en een zesde de stemkaarten uitdeelt ... of wanneer er drie aan de ene kant zijn en drie aan de andere kant en een zevende de stemkaarten uitdeelt... of wanneer er drie aan de ene kant zijn en vier aan de andere kant en een achtste de stemkaarten uitdeelt ... dan is dat een verschil van mening in de Orde, maar nog geen schisma in de Orde.

 Maar wanneer er vier aan de ene kant zijn en vier aan de andere kant[18] en een negende de stemkaarten uitdeelt en zegt dat dit de leer is, dat dit de orderegels zijn, dat dit is de instructie van de Meester is, en dat men ervoor moet stemmen, dan is dat een verschil van mening in de Orde en een schisma in de Orde.

Maar Upāli, een non, of een oefenende kloosterleerlinge,[19] of een mannelijke of vrouwelijke novice of een mannelijke of vrouwelijke lekenvolgeling kan de Orde niet splitsen, ook al streven ze ernaar dat te doen. Alleen een volledig gewijde monnik die tot dezelfde gemeenschap van de Orde en tot dezelfde gemeente[20] behoort, kan de Orde splitsen." (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

Oorzaken voor een schisma in de Orde

“Heer, wat zijn de oorzaken voor een schisma in een Orde?”

“Wanneer de monniken:

1. wat niet de leer is, de leer noemen en wat de leer is, niet de leer noemen;

2. wat geen regel van de Orde is, een regel van de Orde noemen en wat een regel van de Orde is, geen regel van de Orde noemen;

3. wat door de Volmaakte niet verkondigd is, het door de Volmaakte verkondigde noemen, en wat door de Volmaakte verkondigd is, het door de Volmaakte niet verkondigde noemen;

4. wat door de Volmaakte niet uitgeoefend is, het door de Volmaakte uitgeoefende noemen, en wat door de Volmaakte uitgeoefend is, het door de Volmaakte niet uitgeoefende noemen;

5. wat door de Volmaakte niet vastgesteld is, het door de Volmaakte vastgestelde noemen, en wat door de Volmaakte vastgesteld is, het door de Volmaakte niet vastgestelde noemen;

6. wat geen overtreding is, een overtreding noemen, en wat een overtreding is, geen overtreding noemen;

7. wat een lichte overtreding is, een zware overtreding noemen, en wat een zware overtreding is, een lichte overtreding noemen;  

8. wat een weer goed te maken overtreding is, een niet weer goed te maken overtreding noemen, en wat geen weer goed te maken overtreding is, een weer goed te maken overtreding noemen;

9. wat een corrupte overtreding is, een niet-corrupte overtreding noemen, en wat een niet-corrupte overtreding is, een corrupte overtreding noemen.

         Als de monniken vanwege deze achttien punten vertrekken, zich afsplitsen, afgezonderd de Uposathā houden, afgezonderd de Pavārana houden, afgezonderd Orde-handelingen verrichten, dan, Upāli, is een Orde gespleten".[21] (Vin.Pit. Cv.VII.2-5; A.X.35)

 

Eensgezindheid in de Orde

"Heer, men zegt: ‘Orde in eensgezindheid, eendracht in de Orde.’ Wanneer is de Orde in eendracht?"

“Wanneer de monniken:

1. wat niet de leer is, niet de leer noemen en wat de leer is, de leer noemen;

2. wat geen regel van de Orde is, geen regel van de Orde noemen en wat een regel van de Orde is, een regel van de Orde noemen;

3. wat door de Volmaakte niet verkondigd is, het niet door de Volmaakte verkondigde noemen, en wat door de Volmaakte verkondigd is, het door de Volmaakte verkondigde noemen;

4. wat door de Volmaakte niet uitgeoefend is, het door de Volmaakte niet uitgeoefende noemen, en wat door de Volmaakte uitgeoefend is, het door de Volmaakte uitgeoefende noemen;

5. wat door de Volmaakte niet vastgesteld is, het door de Volmaakte niet vastgestelde noemen, en wat door de Volmaakte vastgesteld is, het door de Volmaakte vastgestelde noemen;

6. wat geen overtreding is, geen overtreding noemen, en wat een overtreding is, een overtreding noemen;

7. wat een lichte overtreding is, een lichte overtreding noemen, en wat een zware overtreding is, een zware overtreding noemen;  

8. wat een weer goed te maken overtreding is, een weer goed te maken overtreding noemen, en wat geen weer goed te maken overtreding is, een niet weer goed te maken overtreding noemen;

9. wat een corrupte overtreding is, een corrupte overtreding noemen, en wat een niet-corrupte overtreding is, een niet-corrupte overtreding noemen.

         Als de monniken niet vanwege deze achttien punten vertrekken, zich niet afsplitsen, niet afgezonderd de Uposathā houden, niet afgezonderd de Pavārana ceremonie[22] houden, niet afgezonderd Orde-handelingen verrichten, dan, Upāli, is een Orde in eendracht." (Vin.Pit. Cv.VII.2-5; vgl A.X.36)

Gevolgen voor de veroorzaker van een schisma

"Heer, wie evenwel de eensgezinde Orde splitst, welke gevolgen zal hij ondergaan?" – "Wie de eensgezinde Orde splitst, Upāli, die verwerft voor zich een straf die een aeon lang duurt, die hem gedurende een heel wereldtijdperk in de hel lijden laat ondervinden.[23] 

 

Naar de afgrond, in de hel valt

gedurende een aeon iemand die de Orde splitst.  

Wie plezier beleeft aan verdeeldheid,

uit is op het kwade:

hij heeft onthechting verspeeld.

De eendrachtige Orde verdeelde hij:

een aeon brandt hij in de afgrond van de hel."[24]

 

“Heer, wie evenwel de gesplitste Orde verenigt, wat verkrijgt hij?” - “Upali, wie de gesplitste Orde verenigt, die verwerft voor zich brahmaanse verdiensten en verheugt zich gedurende een heel wereldtijdperk over een hemels bestaan.” [25]

 

“De eensgezindheid van de Orde brengt alleen maar goeds

aan de steun van de verenigden.

Wie blij is met eensgezindheid, wie blij is met de waarheid,

hij laat zich onthechting niet ontgaan.

Wie eensgezindheid in de Orde schept,

leeft een aeon in hemels geluk."[26] 

 

"Heer, is het mogelijk dat iemand die de eensgezinde Orde splitst, gedurende een wereldtijdperk onherroepelijk tot de afgrond, tot de hel gedoemd is?" – “Dat is mogelijk, Upāli”

"Heer, kan het ook zo zijn dat iemand die de eensgezinde Orde splitst, niet gedoemd is tot de afgrond, niet tot de hel, niet voor een heel wereldtijdperk en niet onherroepelijk?" – “Dat is mogelijk, Upāli.” - "Maar Heer, wanneer is het mogelijk dat iemand die de eensgezinde Orde splitst, voor een heel wereldtijdperk onherroepelijk gedoemd is tot de afgrond, tot de hel?"

“Daar verklaart een monnik dat iets wat niet volgens de leer is, de leer is. Maar innerlijk is hij van mening dat het niet volgens de leer is.

Bij de splitsing [van de Orde] geeft hij een verkeerde voorstelling van wat een visie is die niet overeenkomstig de leer is.

Bij de splitsing [van de Orde] geeft hij een verkeerde voorstelling van wat een visie is die overeenkomstig de leer is.

Bij de splitsing [van de Orde] is hij in twijfel, is evenwel van mening dat die overeenkomstig de leer is.

Bij de splitsing komt hij innerlijk tot de opvatting dat ze (toch niet) overeenkomstig de leer is.

Twijfelend vormt hij bij de splitsing de opvatting dat ze (toch) niet overeenkomstig de leer is.

Twijfelend vormt hij bij de splitsing de opvatting dat ze volgens de leer is.

Twijfelend geeft hij bij de splitsing een valse voorstelling van zaken of hij twijfel heeft.

Nadat hij zijn standpunt verkeerd heeft voorgesteld, zijn innerlijke houding en zijn bedoelingen verkeerd heeft voorgesteld, verandert hij zijn (vermeende) standpunt, deelt stemkaarten uit en zegt:    

‘Dat is de leer, dat is de Orde-regel. Dit zijn de instructies van de Meester. Neem jullie stemkaarten en stem toe.' - Dit, Upāli, is een splitsing van de Orde die voor een heel wereldtijdperk onherroepelijk naar de afgrond, naar de hel leidt." (Vin.Pit. Cv.VII.2-5)

 

En dan noemt de Ontwaakte nog alle andere gevallen waarin een splitsing in de Orde voor een heel wereldtijdperk onherroepelijk naar de hel leidt.

Een monnik moet tevreden zijn - Veracht niet wat men krijgt

Eens was een monnik van de Boeddha erg bevriend met een monnik die tot het afgescheiden deel behoorde dat werd geleid door Devadatta, de tegenstander van de Boeddha. Hij bezocht het klooster van Devadatta en bleef daar een paar dagen, at, sliep en genoot van het comfort van dat klooster. Andere monniken vertelden over hem aan de Boeddha; die liet de monnik komen en vroeg hem of dat waar was. De monnik gaf toe dat hij een paar dagen in het klooster van Devadatta had verbleven, maar hij vertelde erbij dat hij de leer van Devadatta niet had aanvaard.

 De Boeddha vermaande hem toen: “Mijn zoon, ook al heb jij de ketterse leer van Devadatta niet omarmd, jij gaat rond alsof je een van zijn volgelingen bent en geniet van het comfort dat elders wordt geboden. Een monnik moet tevreden zijn met wat hij krijgt en mag de voordelen van anderen niet begeren. Een monnik die vervuld is van jaloezie over het geluk van anderen, zal geen concentratie (samadhi) bereiken, en ook geen inzicht, noch het pad dat naar Nibbana leidt. Alleen de monnik die tevreden is met wat hij krijgt, zal in staat zijn om concentratie, inzicht en het juiste pad te bereiken." (Dhp. verhaal XXV:5 bij de verzen 365-366)

Naar aanleiding hiervan de verzen:

“Laat hij niet verachten wat hij heeft ontvangen, noch moet hij leven en (de winst van) anderen benijden. De bhikkhu die (de winst van) anderen benijdt, bereikt geen concentratie.” (Dhp. vers 365)

“Hoewel hij maar weinig ontvangt, als een bhikkhu zijn eigen verworvenheden niet veracht, prijzen zelfs de goden zo iemand die zuiver is in zijn levensonderhoud en niet traag is.” (Dhp. vers 366)

Het is goed eigen misstappen te overwegen

Eens verbleef de Gezegende op de Gierepiek te Rājagaha, kort nadat Devadatta van de leer was afgevallen. Daar nu wendde de Verhevene zich met betrekking tot Devadatta tot de monniken:

'Het is goed, monniken, als de monnik van tijd tot tijd de eigen misstappen overweegt; het is goed als hij van tijd tot tijd de misstappen van de anderen overweegt. Het is goed, monniken, als de monnik van tijd tot tijd de eigen vooruitgang beschouwt; het is goed als hij van tijd tot tijd de vooruitgang van de anderen beschouwt.

Door acht slechte dingen overweldigd en omsponnen, monniken, is Devadatta bestemd voor de lagere wereld, bestemd tot de hel, gedurende aeonen en niet te redden. Wat zijn deze acht dingen? Winst en verlies, eer en minachting, goede behandeling en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap. Door deze acht slechte dingen overweldigd en omsponnen, is Devadatta bestemd voor de lagere wereld, tot de hel, gedurende veel aeonen en niet te redden.

Het is goed, monniken, dat steeds wanneer er winst is, de monnik die overwint; steeds wanneer er verlies, eer, minachting, goede en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap is, dat de monnik deze dingen overwint. En om welke reden moet hij die overwinnen? Wel, monniken, omdat bij degene die deze dingen niet overwint, verontrustende en kwellende neigingen kunnen ontstaan. Maar voor hem die deze dingen overwint, bestaan die verontrustende, kwellende neigingen niet meer.

Daarom, monniken, moeten jullie ernaar streven: 'Zodra winst en verlies, eer en minachting, goede en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap optreden, willen wij deze dingen overwinnen.' Dat, monniken, moet jullie streven zijn." (A.VIII.7)

“Deze leerrede moet men goed onthouden. Ze is nuttig voor het heilige leven.” (A.VIII.8)

Dood van Devadatta

        Later werd Devadatta negen maanden lang ziek. Hij kreeg spijt van zijn boze daden en herinnerde zich de voortreffelijke eigenschappen van de Verhevene en dat deze geen haat en geen boze gedachten jegens hem koesterde. Omdat de Verhevene hem had verstoten, wilde hij om vergiffenis gaan smeken. Hij liet zich op een draagbaar naar het land Kosala brengen waar de Verhevene vertoefde. Ananda zag hem komen en zei aan de Boeddha dat Devadatta was gekomen om vergiffenis te vragen. Maar de Verhevene wilde Devadatta niet ontmoeten.

In de nabijheid van het Jetavana-klooster te Savatthi aangekomen, werd het lichaam van Devadatta gloeiend van koorts. Hij wilde water drinken en liet de draagbaar neerzetten. Direct nadat de draagbaar de aarde aanraakte, ging de grote aarde open en uit de Avici hel kwam een grote vlam omhoog die Devadatta omhulde. Deze herinnerde zich weer aan de vele voortreffelijke eigenschappen van de Verhevene en nam zijn toevlucht tot de Boeddha. Nog terwijl hij zijn toevlucht nam, ging Devadatta naar de Avici-hel waar hij gedurende een heel wereldtijdperk helse kwalen moet ondergaan. ((Vin.Pit. Cv.VII.2-5; vgl. Dhp. verhaal I:12 bij vers 17).

Naar aanleiding hiervan het vers:

“Hier en later lijdt degene die kwaad doet. Hij lijdt in beide gevallen. Hij denkt: 'Ik heb kwaad gedaan,' en daarom lijdt hij. Verder lijdt hij omdat hij naar een staat van ellende is gegaan.” (Dhp. vers 17)

 Zelfs de toevluchtname tot de Boeddha kon aan het resultaat van Devadatta’s daden niets veranderen. Maar de hel is geen “eeuwige verdoemenis”; ook de hel is vergankelijk. Na afloop van het wereldtijdperk staat ook voor Devadatta de mogelijkheid open om de leer van een Volmaakt Ontwaakte te vernemen.[27] Volgens de overlevering zal ook hij ooit het hoogste geluk verkrijgen. (Vin.Cv.Kh.7)

Na de dood van Devadatta

Kort na de dood van Devadatta verbleef de Verhevene te Rājagaha, op de Gierenpiek. Daar richtte de Verhevene zich tot de monniken met de woorden:

"Tot zijn eigen ondergang, monniken, zijn winst, eer en roem Devadatta ten deel gevallen. Zoals de bananenboom, de bamboe of het riet vrucht draagt ​​tot eigen ondergang, - zoals de muilezel jongen draagt​​ tot haar eigen ondergang, - juist zo zijn ook Devadatta winst, eer en roem ten deel gevallen.

Zo slecht in de gevolgen ervan zijn winst, eer en roem, ze zijn diep ingrijpend en ruw wat de gevolgen ervan betreft; ze vormen een obstakel voor het bereiken van de hoogste vrijheid van lasten.

Daarom moeten jullie als volgt oefenen: 'Winst, eer en roem die ons ten deel zijn gevallen, zullen wij opgeven; die moeten niet ons hart blijven verstrikken en erin vastgehecht zijn.' Zo sprak de Verhevene. (S.17.35; gelijk aan de tekst in A.IV.68)

        

Het inzicht van de Volmaakte in de menselijke vaardigheden

Toen de Verhevene met Ananda en een grote groep monniken in de buurtschap genaamd Dandakappa, in het land van Kosala, vertoefde, kwam een van de monniken naar de eerwaarde Ananda en zei tegen hem:

 "Zeg, broeder Ananda, toen de Verhevene van Devadatta verklaarde: 'Devadatta is bestemd voor de lagere wereld, de hel, aeonen lang en niet te redden,' had de Verhevene toen wel alles in de geest overwogen of werd het door hem slechts in een bepaald opzicht gezegd?"

De eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en rapporteerde wat de monnik gevraagd had.

De Verhevene zei daarop: “Ananda, dit zal wel een jongere monnik zijn geweest die pas onlangs in de huisloosheid vertrokken is, of een oude, onverstandige dwaas. Hoe kan men wel nog twijfel hebben over dat wat ik op ondubbelzinnige manier heb uitgelegd? Ik weet geen andere persoon, Ananda, bij wie ik, voordat ik een verklaring over hem aflegde, zoveel over alles had nagedacht als juist bij Devadatta. Zolang ik namelijk bij Devadatta nog zoveel goeds als het puntje van een haar opmerkte, zolang heb ik van hem nog niet verklaard dat Devadatta bestemd is voor  de lagere wereld, de hel, aeonen lang en niet te redden.' Maar Ananda, toen ik niet eens zo veel goeds als een haarpuntje bij Devadatta kon opmerken, toen heb ik dit van hem verklaard.

Stel, Ananda, er is een mestkuil die de eigenaar tot aan de rand met uitwerpselen heeft gevuld. Daarin is nu een man tot boven zijn hoofd gezonken. En er komt een andere man aan die hem goedgezind is, die bezorgd is over zijn heil en zijn redding en hem uit die mestkuil wil trekken. Maar terwijl hij helemaal rond die mestkuil loopt, kan hij bij die man niet eens een plek van een haarbreed vinden die onbezoedeld is van uitwerpselen, waar hij hem zou kunnen vastpakken om hem eruit te trekken. Evenzo, Ananda, toen ik bij Devadatta niet eens zo veel goeds als een haarpuntje bij Devadatta kon opmerken, toen heb ik van hem verklaard: 'Devadatta is bestemd voor  de lagere wereld, de hel, een aeon lang en niet te redden.'

Als jullie[28] het willen horen, Ananda, dan zal ik jullie het inzicht van de Volmaakte van de menselijke vaardigheden uitleggen." - "Verhevene, het is nu tijd, Gezegende, het is tijd dat de Verhevene zijn inzicht van de menselijke vaardigheden uitlegt."

“Ananda, dan luister en let goed op mijn woorden.” -  “Jawel, Heer,” gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord en de Verhevene zei:

“Stel, Ananda, er zijn onbeschadigde en onbedorven zaadkorrels, onbeschadigd door wind en zon, kerngezond en goed bewaard gebleven; die zaait men op vette aarde, op goed bewerkte grond. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels zullen bloeien, groeien en zich ontvouwen?"

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De heilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, onheilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het goede is in hem nog niet vernietigd. Vanuit die drijvende kracht tot het goede zal in hem iets heilzaams verschijnen, en zo zal deze persoon in de toekomst niet meer zijn blootgesteld aan teruggang. Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

“Maar stel, Ananda, dat er onbeschadigde en onbedorven zaadkorrels zijn, onbeschadigd door wind en zon, kerngezond en goed bewaard gebleven; die zaait men op een grote rots. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels niet kunnen bloeien, niet kunnen groeien, zich niet kunnen ontwikkelen?"

“Zeker, Heer."

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De onheilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, heilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het slechte is in hem nog niet vernietigd. Vanuit die drijvende kracht tot het slechte zal in hem iets onheilzaams verschijnen, en zo zal deze persoon in de toekomst nog aan teruggang zijn blootgesteld. Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”      

“Stel, Ananda, er zijn bedorven en rotte zaadkorrels, beschadigd door wind en zon; die zaait men op vette aarde, op goed bewerkte grond. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels niet kunnen bloeien, niet kunnen groeien en zich niet kunnen ontvouwen?"

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: ‘Zelfs niet zoveel goeds als het puntje van een haar bevindt zich in die persoon. Deze persoon is begiftigd met extreem donkere, onheilzame eigenschappen. Bij het verval van het lichaam, na de dood, zal hij in de lagere wereld komen, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.' Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

Na deze woorden nu zei de eerwaarde Ananda aan de Verhevene aldus: "Heer, kan men nog drie andere mensen noemen als tegenhangers van deze drie?''

"Dat kan men wel, Ananda," gaf de Verhevene ten antwoord.

“Stel, Ananda, men strooit brandende, vurige, gloeiende kolen op een grote rots. Zou je dan weten dat dit kolenvuur niet zal toenemen, niet sterker zal worden en zich niet zal verspreiden?”

“Ja, Heer.”

“Of Ananda, wanneer 's avonds de zon ondergaat, weet je dan dat het licht zal vervagen en de duisternis zal intreden?”

“Zeker, Heer.”

“Of Ananda, wanneer de tweede helft van de nacht nadert,[29] tegen etenstijd,[30] weet je dan dat het licht dan is verdwenen en de duisternis is ingetreden?'

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De heilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, onheilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het goede is in hem nog niet vernietigd. Maar ook die komt geheel en al tot verdwijnen. Daarom zal deze persoon in de toekomst aan teruggang zijn blootgesteld.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

 “Maar Ananda, stel men strooit brandende, vurige, gloeiende kolen op een hoop droog gras of op een stapel brandhout. Zou jij dan weten dat dit vuur verder zal toenemen, sterker zal worden en zich zal verspreiden?"

“Zeker, Heer.”

“Of Ananda, wanneer 's morgens, bij het ochtendgloren, de zon opkomt, weet je dan dat de duisternis zal verdwijnen en het licht zal worden?"

“Zeker, Heer.”

“Of Ananda, wanneer de middag nadert, tegen etenstijd, weet je dan dat de duisternis is verdwenen en dat het helder is geworden?”

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De onheilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, heilzame eigenschappen maken zich merkbaar. Weliswaar is de drijvende kracht tot het slechte nog niet vernietigd, maar ook die komt geheel en al tot verdwijnen. Daarom zal deze persoon in de toekomst niet meer aan teruggang zijn blootgesteld.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

“Stel, Ananda, men strooit koude, uitgegloeide kolen op een hoop droog gras of een stapel brandhout. Zou je dan weten dat door deze kolen geen vuur kan ontstaan, zich niet kan ontwikkelen en verspreiden?”

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, wanneer ik in de geest zijn hart doorzie: ‘Zelfs niet zoveel slechts als het puntje van het haar bevindt zich in deze persoon. Met extreem zuivere, onberispelijke eigenschappen is deze persoon begiftigd. Nog tijdens zijn leven zal hij het Nibbana bereiken.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

“Hier nu, Ananda, is van de eerste drie personen de ene aan geen teruggang blootgesteld, maar de andere is aan teruggang blootgesteld, en de derde is bestemd voor de lagere werelden, de hel. Van de laatste drie personen echter, Ananda, is de een aan teruggang blootgesteld, maar de ander is niet aan teruggang blootgesteld en de derde is zeker van Nibbana.” (A.VI.62)

□  □  □

Geraadpleegde bronnen

Bapat, P.V. (Ed.): The Majjhima Nikâya (1, Mûla Pannâsakam). [s.l] 1958.

Bareau, André: “Der indische Buddhismus,” in: Die Religionen Indiens, III, Stuttgart 1964, p. 1-215.

Conze, Edward: Der Buddhismus: Wesen und Entwicklung. (6., unveränd. Aufl.) Stuttgart 1977.

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada.  Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants. Buddhist Monks and Nuns from the Buddha's time till now. Kandy : BPS, 1979.

Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pâli Proper Names.  London : PTS, 1974. (Vol. II)

Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy, BPS, 1961. The Wheel Publications, No. 4.

Ñanatiloka, Bhikkhu: Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 1. Das Einer-Buch - Eka-Nipâto. Übers. u. erläutert von Bhikkhu Ñanatiloka. Leipzig : Buddhistischer Verlag, [s.a.] (Heilige Schriften der Buddhisten ; 1)

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.

Palikanon.de/english/pali_names/d/devadatta

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book)

Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy 1975. The Wheel No. 217/220.

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

= = =


[1] Uiterlijke tekenen maken iemand niet tot een monnik. Maar een zuivere persoon is inderdaad een waar asceet of monnik, ongeacht zijn uiterlijke verschijning.

[2] Bij Devadatta niet de toevoeging “eerwaarde”!

[3] Aan het einde van D.16 II zegt de Boeddha aan Ananda dat een dergelijke gedachte niet kan opkomen bij een Volmaakte. 

[4] M.29 (M.III.9) Mahāsāropama sutta. In dit sutta legt de Boeddha er de nadruk op dat het doel van het monnikenleven de onwrikbare bevrijde geest is. Alle andere dingen zijn van mindere waarde.

[5] Nāga betekent letterlijk "slang", “draak”, maar wordt ook gebruikt voor mannelijke olifanten en machtige wezens (inclusief mensen).

De Volmaakte of de Arahant en de olifantenstier, en ook de slangengod, zij allen worden met naga aangeduid.

[6] Met hen zijn bedoeld de monniken die zich bij Devadatta hadden aangesloten.

[7] Het doel ervan was enerzijds te vermijden dat door het bedelen van grote groepen aan individuele gezinnen te grote lasten werden opgelegd, en anderzijds dat gezinnen niet beperkt werden in de kans om karmische verdiensten te verwerven door middel van het geven van maaltijden.

[8] In de regentijd moeten de bhikkhus in een klooster wonen.

[9] De Boeddha had vastgesteld dat de monniken geen vlees mochten eten wanneer zij zagen of hoorden of een vermoeden hadden dat het dier speciaal voor hen gedood en toebereid was. Vgl. M.55.

[10] vgl. Dhp. verhaal XII:7 bij vers 163.

[11] Dit vers met verhaal is ook in Ud. V.8.; vgl. Dhp. vers 163 met bijbehorend verhaal.

[12] Devadatta wil hier het soevereine gedrag van de Boeddha na-apen.

[13] Hier van belang omdat Devadatta nog steeds werd gerespecteerd vanwege zijn vroegere wereldlijke magische vermogens.

[14]  Vgl. D.11.

[15] d.w.z. iemand die nog onderricht nodig heeft.

[16] letterlijk: iemand die zich herinnert.  

[17] Vgl. A.III.101 en het kopje zout water in de grote oceaan.

[18] Er moeten minstens vier monniken samen zijn om een Sangha te vormen. (Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants. Buddhist Monks and Nuns from the Buddha's time till now. Kandy 1979, p. 7. - Een schisma ontstaat dus pas als een Sangha van vier enerzijds een andere mening heeft dan een Sagha van vier plus één anderzijds.

[19]  Deelneemster aan de voorbereiding tot opname als novice. 

[20] een gemeente (sīmā) mocht niet groter zijn dan ongeveer 5 km (Bareau, André: “Der indische Buddhismus,” in: Die Religionen Indiens, III, Stuttgart 1964, p. 60.

[21] Dus niet al vanwege het meningsverschil, maar pas als zij daarom menselijke gemeenschappelijkheid op het gebied van huisvesting, feestdag en woonruimte opheffen. 

[22] ceremonie aan het einde van de regenperiode. De bhikkhus komen dan bijeen, bekennen de tijdens die tijd begane fouten en vragen elkaar om vergiffenis.

[23]  Vgl. A.X.37-38. Vergelijk ook Sn.III.10, verzen 657-678, Kokāliya sutta.

[24] Vgl. It. 18.

[25] Vgl. A.X.39-40.

[26] Vgl. It. 19.

[27] Bron: inleidend verhaal tot Jātaka 466.

[28] met ‘jullie’ zijn bedoeld de monniken die tot het gevolg van Ananda behoorden.

[29] Het commentaar legt dit zo uit: 'tegen het midden van de nacht, wanneer het midden van de nacht nadert'.

[30] Namelijk de etenstijd voor koninklijke en andere hooggeplaatste families die volgens het commentaar op dit late uur hun avondmaal nuttigen.