20.1. 


Geleidelijke oefening in het temmen van de geest (M.107; M.125)

 

Eens sprak de Verhevene tot zijn toehoorders als volgt: “Iemand die leeft te midden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot geniet, die geheel en al in beslag genomen wordt door gedachten aan zinsgenot, die verteerd wordt door verlangen naar zinsgenot, die ijverig op zoek is naar zinsgenot, het is onmogelijk dat zo iemand datgene kan weten of zien of bereiken of realiseren wat door ontzegging geweten kan worden, wat door verzaking gezien kan worden, wat door afzien bereikt kan worden, wat door afstand doen gerealiseerd kan worden; zo’n situatie bestaat niet.

Veronderstelt dat er onder de olifanten een olifant is die goed getemd is en een olifant die ongetemd is. Of veronderstelt dat er onder de paarden een paard is dat goed getemd is en een paard dat ongetemd is. Zal de olifant die getemd is een getemde staat bereiken? Of zal het paard dat getemd is, een getemde staat bereiken?” – “Ja, Heer.” – “Maar de ongetemde olifant en het ongetemde paard, zullen die een getemde staat bereiken?” – “Neen, Heer.” – “Evenzo is het met lieden die leven temidden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot genieten, die geheel en al in beslag genomen worden door gedachten aan zinsgenot, die verteerd worden door verlangen naar zinsgenot. Dat zij datgene kunnen weten of zien of bereiken of realiseren wat geweten, gezien, bereikt of gerealiseerd kan worden door verzaking, een dergelijke situatie bestaat niet.


Het is alsof er een grote berg is nabij een stad of dorp. Twee vrienden nu naderen die berg. De een blijft aan de voet van de berg staan en de ander klimt naar de top. Degene die onderaan bleef staan, kan dan de vraag stellen: ‘Hallo, wat zie je vanaf de top?’ En de ander geeft ten antwoord: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige wouden, verrukkelijke vijvers.’ De eerste kan dan zeggen: ‘Dat is onmogelijk, dat kan niet waar zijn dat jij dat alles ziet.’ Daarop komt degene die boven op de top stond, naar beneden en neemt zijn vriend bij de arm. Beiden klimmen dan naar de top van de berg. Boven gunt de een de ander een moment om op adem te komen en dan spreekt hij hem aldus toe: ‘Wel, wat zie je nu vanaf de top?’ En de ander zal zeggen: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige wouden, verrukkelijke vijvers.’ En de eerste zal dan zeggen: ‘Zojuist nog zei je dat het onmogelijk was, dat het niet waar kon zijn dat zoiets te zien zou zijn. Maar nu spreek je andere taal.’ En de tweede zal zeggen: ‘Dat komt omdat ik gehinderd werd door de grote berg en niet kon zien wat erachter te zien was.’

Evenzo, maar in een nog grotere graad, is iemand die leeft temidden van zinnelijk genot; hij is omsloten, wordt gehinderd, belemmerd en is ingewikkeld door deze massa onwetendheid. Dat zo iemand zou kennen wat door verzaking bereikt kan worden, een dergelijke situatie bestaat niet.


Zoals een edele koning zijn olifantenjager toesprak met de woorden: ‘Beste jager, bestijg de koningsolifant en ga naar een olifantenwoud. Als je daar dan een woudolifant ziet, bindt hem dan aan de nek van de koningsolifant.’ De jager deed daarop gehoorzaam wat de koning hem bevolen had. In het woud zag hij een woudolifant en bond hem aan de nek van de koningsolifant. Zo bracht hij hem uit het woud naar de open vlakte. Maar de woudolifant had een verlangen naar het olifantenwoud. De jager nu gaf bericht aan de koning dat de woudolifant gevangen en op de open vlakte was. De edele koning sprak toen tot zijn olifantentemmer: ‘Beste temmer, tem de woudolifant door zijn woudmanieren te onderwerpen; tem hem door zijn woudherinneringen te verzwakken en door zijn angst, zijn verdriet en zijn verlangen naar het woud te verzwakken. Laat hem graag in de dorpen verblijven en wen hem aan menselijke manieren.’ En de olifantentemmer gehoorzaamt. Hij slaat een grote paal in de grond, bindt de woudolifant er bij zijn nek aan vast om zo zijn woudmanieren te onderwerpen, om zo zijn woudherinneringen te verzwakken, om zo zijn angst, verdriet en verlangen naar het woud te verzwakken, om hem graag in de dorpen te laten verblijven en om hem aan menselijke manieren te gewennen. Dan spreekt de olifantentemmer hem met zulke woorden toe die vriendelijk zijn, aangenaam voor het oor, hartelijk, die tot het gemoed gaan, werelds, plezierig voor de menigte, waar menigeen genoegen in schept. En de woudolifant, aldus toegesproken, luistert oplettend en neigt zijn geest naar leren. Vervolgens voorziet de olifantentemmer hem van voer en water. Wanneer de olifant het voer en het water aanneemt, weet de temmer dat die olifant in leven zal blijven. Dan laat de olifantentemmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Neem op, zet neer.’ Wanneer de olifant gehoorzaam is aan de temmer en op zijn bevelen handelt om op te nemen en neer te zetten, dan laat de temmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Ga voorwaarts, ga achterwaarts.’ Wanneer de olifant in die nieuwe taak gehoorzaam is, laat de temmer hem een andere taak doen met de woorden: ‘Sta op, ga zitten.’ Wanneer de olifant ook hierin gehoorzaam is, laat de temmer hem een verdere taak doen die bekend is als: ‘Sta op de plaats.’ Hij bindt een schild aan de slurf van het grote dier. Iemand met een lans zit op de nek van de olifant en mannen met lansen staan er rondom, aan alle kanten. En de temmer staat ervoor met een lange lans in zijn handen. Terwijl hij deze taak van ‘Sta op de plaats’ uitvoert, beweegt de olifant geen voet vooruit noch achteruit, noch beweegt hij zijn hoofd, noch oor, noch staart, noch slurf. Hij beweegt geen enkel deel van zijn lichaam. Een koningsolifant is er een die slagen met een zwaard of met een bijl verduurt, die pijlen verduurt en ook het geluid van trommels en pauken. Hij is als goud dat gezuiverd is van alle verontreinigingen en onzuiverheden. Hij is geschikt voor een koning, een koninklijk bezit. En hij wordt tot een koninklijk attribuut gerekend.


Evenzo is het met de leer van de Verhevene. Door geleidelijke oefening, geleidelijke vooruitgang, geleidelijke praktijk wordt een mens bedwongen. Evenals een volbloed paard eerst eraan gewend moet raken om een bit te dragen en pas daarna gewend raakt aan verdere oefening, evenzo moet een mens die bedwongen moet worden, allereerst als volgt gedisciplineerd worden:


1. Het verkrijgen van vertrouwen201


Evenals de geheel getemde olifant, evenals het geheel gezuiverde goud, evenzo ontstaat een Tathāgata hier in de wereld, een Volmaakte, een Volledig Ontwaakte, begiftigd met juiste kennis en juist gedrag, een weldoener, een kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de Ontwaakte, de Heer. Hij maakt deze wereld bekend met haar goden, met Mara en Brahmā, met haar schepping, met haar boetelingen en brahmanen, haar goden en mensen, na ze zelf door superkennis verwerkelijkt te hebben. Hij onderwijst de leer die lieflijk is in het begin, lieflijk in het midden en lieflijk aan het einde. Hij onderwijst ze naar de geest en naar de letter. Hij verkondigt het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is.


       Een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd, of iemand geboren in een andere staat, hoort die leer. Na het horen ervan verkrijgt hij vertrouwen in de Tathāgata. Begiftigd met dit vertrouwen dat hij heeft verworven, denkt hij op de volgende manier na: ‘Het leven van een gezinshoofd is beperkt en stoffig; het weggaan is vertoeven in de open vlakte. Het is niet gemakkelijk voor iemand die in een huis leeft, om het heilige leven te leiden, het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is, gepolijst als een schelp. Veronderstel nu dat ik me haar en baard afscheer en het gele gewaad aantrek en dat ik van het huiselijke leven naar het huisloze leven ga.’ Na een tijd, bevrijd van deze weelde hier hetzij groot of klein, bevrijd van deze kring van relaties hetzij klein of groot, na haar en baard te hebben afgeschoren, na de gele gewaden te hebben aangetrokken, gaat hij ver van huis naar het huisloze leven. In deze mate gaat de heilige volgeling naar buiten tot in de open vlakte.


2. Deugdzaamheid202


Maar goden en mensen hebben een verlangen naar de vijf strengen van zintuiglijke genoegens. De Tathāgata onderwijst de volgeling verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees van moreel gedrag, leef deugdzaam door het beheersen van de verplichtingen, begiftigd met juist gedrag. Zie gevaar in de geringste fout, neem de regels van oefening aan en oefen je erin.


3. Beheersing van de zinnen203

Zodra als de monnik hierin geoefend is, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees bewaakt wat betreft de zinsorganen. Als je een materiële vorm ziet met het oog, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oog onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oog beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oog.

Als je een geluid gehoord hebt met het oor, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oor onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oor beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oor.

Als je een geur geroken hebt met de neus, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de neus onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de neus beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de neus.

Als je een smaak geproefd hebt met de tong, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de tong onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de tong beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de tong.

Als je een aanraking gevoeld hebt met het lichaam, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het lichaam onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het lichaam beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het lichaam.

Als je een geestelijke staat onderkend hebt met de geest, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de geest onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de geest beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de geest.’


4. Gematigdheid bij het eten204


Zodra als een monnik bewaakt is wat betreft de deuren van de zintuiglijke organen, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees gematigd bij het eten; je moet het voedsel tot je nemen terwijl je zorgvuldig nadenkt. Je moet niet eten voor plezier of bevrediging of persoonlijke charme of om er mooier van te worden. Maar gebruik juist genoeg om dit lichaam te handhaven en om het op gang te houden, om het ongedeerd te houden, om de heilige levenswandel te bevorderen. En eet met de gedachte: “Aldus zal ik een oud gevoel van honger verdrijven en zal ik een nieuw gevoel van honger niet laten ontstaan, en er zal voor mij een lang leven zijn en onberispelijkheid, en ik zal op mijn gemak vertoeven.’


5. Waakzaamheid205


Zodra als een monnik gematigd is in het eten, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, vertoef gericht op waakzaamheid. Gedurende de dag, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten. Gedurende de middenwacht van de nacht, lig dan neer op de rechterzijde, in de leeuwpositie, met de ene voet op de andere, helder bewust, en denk aan het tijdstip wanneer je weer wilt opstaan. Gedurende de laatste wacht van de nacht, als je bent opgestaan, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten.’ 


6. Oplettendheid en helder bewustzijn206


Zodra als een monnik gericht is op waakzaamheid, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees begiftigd met oplettendheid en helder bewustzijn. Handel met helder bewustzijn of je nu komt of gaat. Handel met helder bewustzijn of je nu vooruit of in het rond kijkt. Handel met helder bewustzijn of je nu de armen strekt of buigt. Handel met helder bewustzijn of je nu de bovenkleren draagt, de bedelnap of het gewaad. Handel met helder bewustzijn of je nu eet, drinkt, kauwt of slikt. Handel met helder bewustzijn als je gehoorzaamt aan de roep van de natuur. Handel met helder bewustzijn of je nu loopt, staat, zit, slaapt, waakt, spreekt of zwijgt.’


7. Het te boven komen van de vijf hindernissen207


Zodra als een monnik in het bezit is van oplettendheid en helder bewustzijn, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, kies een afgelegen verblijfplaats in het bos, aan de voet van een boom, aan een berghelling, in een grot, op een begraafplaats, in een bos, een open plek of een hoop stro. Wanneer hij na het vergaren van aalmoezen teruggekeerd is, zit de monnik na de maaltijd terneer, met de benen kruiselings over elkaar. De rug houdt hij rechtop terwijl hij oplettendheid voor zich doet oprijzen.

Bevrijd van begeerte naar de wereld vertoeft hij met een geest die vrij is van begeerte. Hij reinigt de geest van begeerte. Bevrijd van de smet van kwaadwil vertoeft hij welwillend in de geest, mededogend en barmhartig jegens alle wezens. Hij reinigt de geest van kwaadwil. Bevrijd van traagheid en luiheid vertoeft hij zonder traagheid en luiheid, waarbij hij het licht waarneemt. Oplettend en helder bewust reinigt hij de geest van traagheid en luiheid. Bevrijd van rusteloosheid en bezorgdheid vertoeft hij kalm. Met de geest inwaarts gericht, rustig, reinigt hij de geest van rusteloosheid en bezorgdheid. Bevrijd van twijfel vertoeft hij zonder twijfel. Onverstoord wat betreft de staten die heilzaam zijn, reinigt hij zijn geest van twijfel.


8. De vier grondslagen van oplettendheid208


       Als hij bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en waardoor intuïtieve wijsheid zwakker wordt, dan beschouwt hij het lichaam bij het lichaam, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen. Hij gaat verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, de geest bij de geest, de geestelijke staat bij de geestelijke staten, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen.

Zoals een olifantentemmer een grote paal in de grond slaat en een woudolifant er bij zijn nek aanbindt om bij hem de woudmanieren te verdrijven, om zijn woudverlangens te verdrijven, om zijn smart en ergernis wegens en zijn vurig verlangen naar het woud te verdrijven, om hem behagen te laten scheppen in dorpen en om hem te laten wennen aan menselijke manieren, evenzo zijn deze vier grondslagen van oplettendheid banden van de geest om de manieren van gezinshoofden te onderwerpen, te verdrijven en om de verlangens van gezinshoofden te verdrijven en om de smart, ergernis en het vurig verlangen te verdrijven. Deze vier grondslagen van oplettendheid zijn er om naar het juiste pad te voeren, om Nibbāna te verwerkelijken.


De Tathāgata onderricht de monnik verder met de woorden: ‘Komaan, ga verder met het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over het lichaam. Ga verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de gevoelens. Ga verder met het beschouwen van de geest bij de geest, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geest. Ga verder met het beschouwen van de geestelijke staten bij de geestelijke staten, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geestelijke staten.209


9. De meditatieve verdiepingen210


Zodra als een monnik bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en verderfelijk voor intuïtieve kennis, zodra als hij bevrijd is van de geneugten van de zintuigen, vrij van onheilzame staten van de geest, treedt hij in en vertoeft hij in de eerste meditatieve verdieping. Deze gaat gepaard met overdenken en redeneren, is geboren uit afzijdigheid en is vreugdevol en vol vervoering.

Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren wordt zijn geest achtereenvolgens tot rust gebracht en op één punt gericht. En hij treedt binnen en verblijft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overdenken en redeneren, is geboren uit concentratie en is vreugdevol en vol vervoering.

Bij het verdwijnen van vervoering vertoeft hij met gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon die vreugde waarvan de heiligen zeggen: ‘Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.’ En hij treedt binnen en verblijft in de derde meditatieve verdieping.

       Door bevrijd te zijn van angst, door het verdwijnen van zijn vroegere geneugten en verdriet, treedt hij binnen en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping. Deze heeft noch angst noch vreugde en is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid.


10. Het drievoudige weten (te-vijja)211


10.1 Herinnering aan vroegere verblijven


Dan, met een geest aldus gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de herinnering aan vroegere verblijven. Hij herinnert zich aan een verscheidenheid van vroegere verblijven, aldus: één leven, twee levens, drie... vier... vijf... tien... 20... 30... 40... 50... 100... 1000... 100.000 levens herinnert hij zich; en hij herinnert zich aan menige aeon van wereldontstaan-wereldvergaan. ‘Zo heette ik, zo’n familie had ik, zo’n stand, zo’n beroep had ik, zo werd ik gevoed, zulke aangename en onaangename ervaringen had ik, zolang leefde ik, vanhier vertrok ik en kwam in een andere staat waar ik aldus heette, waar ik zo'n familie, zo’n stand, zo’n beroep had, waar ik zo'n voedsel kreeg, waar ik zulke aangename en onaangename ervaringen had, waar ik zolang leefde. Vandaar vertrok ik en ontstond hier.’ Aldus herinnert hij zich aan diverse vroegere verblijven in al hun wijzen en details.


10.2 Het goddelijk oog


Dan, met een geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van het van hier verdwijnen en het ontstaan van wezens. Met het gezuiverde oog dat het menselijke oog te boven gaat, ziet hij wezens zoals ze van hier vertrekken of hier ontstaan. Hij begrijpt dat wezens laag zijn, uitstekend, lelijk, mooi, gelukkig, ongelukkig, overeenkomstig hun daden. En hij denkt: ‘Inderdaad, deze waardige wezens die een verkeerd gedrag hadden in lichaam, die een verkeerd gedrag hadden in taal, die een verkeerd gedrag hadden in gedachten, die met de heiligen spotten, die een verkeerde visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een verkeerde visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een leedvolle staat van bestaan, zij zijn ontstaan in een kwade geboorte, in de afgrond, de Niraya-hel.

Maar deze waardige wezens die een goed gedrag hadden in lichaam, die een goed gedrag hadden in taal, en die een goed gedrag hadden in gedachten, die niet met de heiligen spotten, die een juiste visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een juiste visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een goede geboorte, in een hemelse wereld.’


10.3 Vernietiging van de smetten: heiligheid


Dan, met de geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van de vernietiging van de smetten (āsava). Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit is lijden (dukkha), dit is het ontstaan van lijden, dit is het einde van lijden, dit is het pad dat voert naar het einde van lijden.’ Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit zijn de smetten, dit is het ontstaan van de smetten, dit is het einde van de smetten, dit is het pad dat voert naar het einde van de smetten.’

Aldus wetende, dit ziende, is zijn geest vrij van de smet van zinnelijk genot, vrij van de smet van worden, vrij van de smet van onwetendheid. In vrijheid ontstond de kennis: ‘Ik ben vrij,’ en hij begrijpt: ‘Geboorte is vernietigd, ten einde gebracht is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, voor mij is er geen verder bestaan meer.’


Die monnik is in staat om hitte, koude, honger en dorst te verdragen en de steken van muskieten en vliegen. Hij is in staat om wind, zon en kruipende dieren te verdragen. Hij is in staat om scheldwoorden en onvriendelijke taal te verdragen. Hij is in staat om lichamelijke gevoelens te verdragen die, als ze ontstaan, pijnlijk zijn, dringend, scherp, streng, ongelukkig, ellendig, dodelijk. Gereinigd van alle verontreinigingen en van alle onzuiverheden van gehechtheid, afkeer en illusie (rāga , dosa, moha), is hij verplichtingen, offergaven, respect en eer waard; hij is een onovertreffelijk veld van verdienste in de wereld.


Indien een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, ongetemd, ongeoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een ongetemde die gestorven is. En evenzo is het met een ongetemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook wordt een ongetemde olifant die op jonge leeftijd sterft, beschouwd als een ongetemde die gestorven is.

En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling (thero) is, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is.

Maar als een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is. En evenzo is het met een getemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook als een olifant op jonge leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is.

En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling is, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als een ouderling die getemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die pas opgenomen monnik die gestorven is, beschouwd als iemand die getemd gestorven is.


Zo is mijn instructie voor monniken die leerlingen zijn, die de volmaaktheid nog niet bereikt hebben en die een verlangen hebben naar de onvergelijkbare zekerheid van de bevrijding van de banden. Maar wat betreft die monniken die volmaakt zijn, die de boeien verbroken hebben, die het heilige leven geleefd hebben, die de last hebben afgelegd, die hun eigen doel hebben bereikt, die de banden van worden helemaal hebben verwoest en die geheel bevrijd zijn door volmaakte en diepe kennis, deze dingen dragen bij zowel tot het verblijven van hen in gemak hier en nu, als tot hun oplettendheid en helder bewustzijn.”


11. Wordt Nibbāna door ieder bereikt?


Toen dit was gezegd, sprak een brahmaan aldus tot de Heer: “Nu dit aldus door de Heer is uitgelegd, bereiken dan alle leerlingen van Gotama het uiterste doel, Nibbāna, of bereiken sommigen het doel niet?” – “Brahmaan, sommigen van mijn leerlingen bereiken Nibbāna wel, anderen bereiken dat doel niet. Na door mij te zijn aangespoord en aldus te zijn geïnstrueerd, bereiken sommigen van mijn leerlingen het uiterste doel, Nibbāna, wel en anderen bereiken het niet.”

“Aangezien Nibbāna bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien de goede Gotama bestaat als raadgever, wat is dan de oorzaak, wat is de reden dat sommigen van de goede leerlingen, na te zijn aangespoord en geïnstrueerd, dat doel niet bereiken en anderen wel?”

“Welnu, brahmaan, ik zal je vragen stellen en jij moet dan maar antwoorden zoals het je goed dunkt. Ben je goed bekend met de weg die naar Rājagaha voert?”212 – “Ja, Heer, ik ben er goed mee bekend.” – “Wat denk je dan, als nu een man hierheen kwam en de weg naar Rājagaha wilde weten, en hij vroeg die weg aan jou, dan zou je zeggen: ‘Deze weg hier gaat naar Rājagaha, volg die weg een poosje tot je een dorp ziet. Ga dan een poosje verder tot je een marktplaats ziet. Ga dan nog iets verder en je zult Rājagaha zien met zijn verrukkelijke parken, wouden, velden en vijvers.’ Maar hoewel hij aldus door jou is aangespoord en geïnstrueerd, nam hij de verkeerde weg. Een andere man kan komen en de weg naar Rājagaha vragen. En je wijst hem op dezelfde manier de weg. Die man bereikt dan wel Rājagaha veilig. Wat is de oorzaak, wat is de reden dat, aangezien Rājagaha bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien jij bestaat als raadgever, de een niet aankomt en de ander wel?”

“Heer, wat kan ik eraan doen, ik wijs alleen maar de weg.”- “Brahmaan, evenzo bestaat Nibbāna, bestaat de weg ernaar toe en besta ik als raadgever. Maar sommigen van mijn volgelingen, aldus door mij aangespoord en geïnstrueerd, bereiken het onveranderlijke doel, Nibbāna, wel en sommigen bereiken het niet. Wat kan ik doen in dit geval? Ik wijs alleen de weg.”

“Zoals jasmijn de hoogste is onder de bloemengeuren, evenzo is de aansporing van de goede Gotama de hoogste onder de leringen van vandaag. Voortreffelijk, het is heel voortreffelijk en duidelijk uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de goede Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht neemt vanaf vandaag tot zolang als het leven duurt.”213