?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.7. Het beschouwen van het lichaam

1. beschouwing van het lichaam I.     2. beschouwing van het lichaam II.     3. Hindernissen bij het beschouwen van het lichaam     4. Oplettendheid bij het ademhalen     5.  De vier lichaamshoudingen     6. Helder bewust     7. Het overdenken van de onzuiverheid van het lichaam     8. Het nadenken over de elementen     9. ik-loos zijn de elementen     10. Overdenken van het walgelijke     11. Contemplatie over nadeel     12. Met het lichaam verbonden     13. Het ettergezwel     14. Denken aan het vergankelijke van het lichaam     15. Vergankelijk is het lichaam     16. Het overdenken van vergankelijkheid     17. De lijk-contemplaties     18. De beschouwing van het walgelijke en het niet-walgelijke     19. Te strenge overdenking van de walgelijkheid     20. De overweging van het walgelijke bij de maaltijd     21. De meditatieve verdiepingen     22. Vooruitgang door oplettendheid op het lichaam     23. Voordelen van de oplettendheid op het lichaam

Het beschouwen van het lichaam



De beschouwing van het lichaam is een van de 37 elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35)

Wanneer iemand de beschouwing van het lichaam vaak heeft geoefend, dan voert dat tot hoge zekerheid, tot het verkrijgen van inzicht, tot tegenwoordig welbevinden. Het lichaam wordt kalm en ook de geest; denken en overwegen worden kalm en ook zullen alle dingen die naar het weten voeren tot volle ontplooiing komen. De beschouwing van het lichaam brengt de vrucht van de bevrijding door weten tot bloei.



1. Beschouwing van het lichaam I



Wanneer iemand zijn gedachten richt op de oceaan, dan zijn daarin voor hem ook ingesloten de kleine rivieren die erin uitmonden. Evenzo zijn voor degene die de beschouwing van het lichaam heeft ontplooid en vaak heeft geoefend, daarin inbegrepen alle heilzame dingen die naar het weten voeren.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze tot sterke ontroering, tot hoog heil, tot hoge zekerheid, tot oplettendheid en helder weten, tot het verkrijgen van inzicht, tot tegenwoordig welbevinden, en ze brengt de vrucht van de bevrijding door weten tot bloei.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, wordt daardoor het lichaam kalm, de geest wordt kalm, denken en overwegen worden kalm en ook zullen alle dingen die naar het weten voeren tot volle ontplooiing komen.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, komen daardoor de niet ontstane onheilzame dingen niet tot ontstaan en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, dooft daardoor de onwetendheid uit, het weten ontwaakt, de waan van “ik” verdwijnt, de neigingen (anusaya) worden uitgeroeid en de boeien (samyojana) vallen af.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar de veelvuldige soorten weten en naar het Nibbana zonder hechten (anupādā-parinibbāna).

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het doordringen van de veelvuldige, verschillende elementen, tot onderscheid van de veelvuldige elementen.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, brengt ze de vrucht van stroomintrede tot rijpheid, en ook de vrucht van eenmaal wederkeer, de vrucht van niet meer wederkeer en de vrucht van heiligheid.

Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het verkrijgen van weten, tot toename en overvloed ervan, tot toestanden van het hoge, brede, grote, diepe, onvergelijkbare, uitgebreide en rijke weten, tot toestanden van het snelle, wendige, heldere, aansporende, scherpe en doordringende weten. (A.I.36)





2. Beschouwing van het lichaam II



Wie het inzicht in het lichaam niet geniet, die geniet niet van het onvergankelijke (=Nibbana). Alleen degene die het inzicht in het lichaam geniet, die geniet al het onvergankelijke.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft genoten, die heeft niet van het onvergankelijke (=Nibbana) genoten. Alleen degene die het inzicht in het lichaam heeft genoten, die heeft al het onvergankelijke genoten.

Van wie het inzicht in het lichaam is geweken, van hem is het onvergankelijke geweken. Bij wie het inzicht in het lichaam niet is geweken, voor hem is het onvergankelijke niet geweken.

Wie het inzicht in het lichaam heeft verzuimd, die heeft het onvergankelijke verzuimd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft verkregen, die heeft al het onvergankelijke verkregen.

Wie het inzicht in het lichaam heeft vergeten, die heeft het onvergankelijke vergeten. Maar wie het inzicht in het lichaam niet heeft vergeten, die heeft het onvergankelijke niet vergeten.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft geoefend, die heeft niet geoefend voor het onvergankelijke. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft geoefend, die heeft voor het onvergankelijke geoefend.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft ontplooid, die heeft het onvergankelijke niet ontplooid. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft ontplooid, die heeft het onvergankelijke ontplooid.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft gekoesterd, die heeft het onvergankelijke niet gekoesterd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft gekoesterd, die koesterde ook het onvergankelijke.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft begrepen, die heeft het onvergankelijke niet begrepen. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft begrepen, die heeft ook het onvergankelijke begrepen.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft doorschouwd, die heeft het onvergankelijke niet doorschouwd. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft doorschouwd, die heeft het onvergankelijke doorschouwd.

Wie het inzicht in het lichaam niet heeft verwerkelijkt, die heeft het onvergankelijke niet verwerkelijkt. Maar wie het inzicht in het lichaam heeft verwerkelijkt, die heeft het onvergankelijke verwerkelijkt. (A.I.37)





3. Hindernissen bij de beschouwing van het lichaam



Monniken, zonder zes dingen te hebben opgegeven is men niet in staat om in beschouwing van het lichaam te blijven. Welke zijn deze zes dingen?

1. behagen in lichamelijke arbeid,

2. behagen in praten,

3. behagen in slapen,

4. behagen in gezelligheid,

5. onbewaakte poorten van de zintuigen, en

6. onmatigheid bij de maaltijd.

Maar monniken, degene die deze zes dingen heeft opgegeven, is in staat in de beschouwing van het lichaam te blijven. (A.VI.117)





4. Oplettendheid bij het ademhalen



De oplettendheid bij het adem halen wordt beschouwen van het lichaam genoemd. (zie M.119)

Men gaat naar een rustige plek en men gaat er neerzitten. Men houdt het lichaam rechtop en de oplettendheid houdt men levendig. Oplettend ademt men in, oplettend ademt men uit.

Wanneer men lang inademt, weet men: 'Ik adem lang in;' wanneer men lang uitademt, weet men: 'Ik adem lang uit.' Wanneer men kort inademt, weet men: 'Ik adem kort in;' wanneer men kort uitademt, weet men: 'Ik adem kort uit.'

'Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik inademen,' aldus oefent men zich; 'bewust van het hele ademhalingsproces zal ik uitademen,' aldus oefent men zich.

'Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik inademen,' aldus oefent men zich; 'het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik uitademen,' aldus oefent men zich.

De geest wordt innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.1

Op een dergelijke manier ontplooit men de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



5. De vier lichaamshoudingen



Beschouwen van het lichaam bestaat ook uit het beoefenen van helder begrip bij het gaan, bij het staan, bij het zitten, bij het inslapen, bij het ontwaken, bij het spreken en bij het zwijgen.

Helder begrip houdt in dat men weet wat men doet, waar men mee bezig is: ik eet, ik kauw, ik proef, kijk, loop, zit, etc.



Terwijl men zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, wordt de geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



6. Helder bewust



Verder is men iemand die helder bewust handelt bij het heengaan en teruggaan; die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken; die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen; die helder bewust handelt bij het dragen van de kleren; die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven; die helder bewust handelt bij het ontlasten en urineren; die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

De geest wordt innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit men de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



7. Het overdenken van de onzuiverheid, de walgelijkheid van het lichaam

Het overdenken van de onzuiverheid, de walgelijkheid van het lichaam behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)



Bij de contemplatie over walgelijkheid, onzuiverheid van het lichaam beschouwt men dit lichaam van top tot teen, vanaf de voetzolen opwaarts, vanaf de punten van het hoofdhaar neerwaarts. Men beschouwt dit lichaam dat met huid overgoten is, zoals het vol is van vele soorten onzuiverheden. Men overweegt aldus:


“Dit lichaam is begrensd binnen de huid en is vol van menigerlei onzuiverheden, van top tot teen. Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, beenderen, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.” (M.119; Khp.III; D.II.293; M.I.57; A.X.60).


Bij het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam analyseert men het lichaam in al zijn elementen. Zo wordt gehechtheid aan het lichaam opgeheven. Het gaat om een inzien van de werkelijkheid. De gedachte: “Wat ben ik toch mooi [of lelijk],” verdwijnt als men zichzelf beschouwt als een hoop beenderen omgeven met vlees en bloed, samengehouden door de huid. Zo moet men ook anderen beschouwen. Iedereen is zo gesteld.



Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel deze kleren als de persoon die ze gebruikt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze kleren zijn nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, worden ze buitengewoon walgelijk.



Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel dit verblijf als de persoon die er leeft. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze hele verblijfplaats is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt ze buitengewoon walgelijk.



8. Het nadenken over de elementen

En verder denkt men na over het lichaam naarmate het geplaatst is of gebruikt wordt, met betrekking tot de elementen van materie. En men denkt aldus:

'Er is in dit lichaam het element van aarde (het vaste element), het element van water (het vloeibare element), het element van vuur (het verwarmende en verterende element), het element van lucht (het gasvormige element), en het ruimte-element.' (M.140; M.119)

Wat is het aarde-element? Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element. (M.140)



Wat is het water-element? Het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement. (M.140)



Wat is het vuur-element? Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuur-element zo beschouwt, wordt men tegenover het vuur-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuur-element. (M.140)



Wat is het lucht-element, het wind-element? Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het wind-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan wordt men tegenover het wind-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het wind-element. (M.140)



Wat is het ruimte-element? Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, ingeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het ruimte-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het ruimte-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het ruimte-element. (M.140)



Wat is het aangename van die elementen, wat is het nadelige ervan en wat is het ontkomen eraan?

Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename ervan.

Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan.

Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.

Als er bij die elementen niets aangenaams was, zou men er geen welbehagen in vinden.

Als er bij die elementen niets nadeligs was, zou men er geen afkeer van hebben.

Als er bij die elementen geen ontkomen was, zou men er niet aan ontkomen.

  Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang is men nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan, is men er nog niet van losgeraakt, is men er nog niet van afgescheiden.

Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen heeft begrepen overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

Wanneer de elementen alleen maar lijden waren, gevolgd door lijden, begeleid door lijden, wanneer ze niet ook begeleid werden door lust, dan zouden de wezens geen welgevallen eraan vinden. Maar ze zijn begeleid door lust en daarom vinden de wezens er welbehagen aan.

Wanneer de elementen alleen maar lust waren, begeleid door lust, wanneer ze niet ook door lijden begeleid werden, dan zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Maar ze zijn begeleid door lijden en daarom vinden de wezens er afkeer van. (S.14.34)



Wie vreugde heeft aan de elementen, die heeft vreugde aan het lijden. En die is niet bevrijd van lijden.

Wie geen vreugde heeft aan de elementen, die heeft geen vreugde aan het lijden. En die is bevrijd van lijden. (S.14.35)



Het ontstaan van de elementen, dat is ontstaan van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood.

De opheffing van de elementen, het tot rust komen ervan, dat is de opheffing van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood. (S.14.36)



Wie bij de vier elementen het aangename ervan, het schadelijke ervan en het ontkomen eraan niet overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie bij de vier elementen het aangename ervan, het schadelijke ervan en het ontkomen eraan overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heeft het doel begrepen en verwerkelijkt. (S.14.37-38)

Wie de elementen niet kent, wie de oorsprong ervan niet kent, wie de opheffing ervan niet kent en wie het pad dat naar de opheffing ervan voert niet kent, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie de elementen wel kent, de oorsprong ervan, de opheffing ervan en het pad dat voert naar de opheffing ervan, die heeft het doel door eigen inzicht bereikt. (S.14.39)



9. Ik-loos zijn de elementen



"Wat er in de persoon zelf aan vaste, vloeibare en gasvormige elementen zijn, dat noemt men de eigen vaste, vloeibare en gasvormige elementen.

Wat er in de eigen persoon aan hitte verworven is, waardoor men verhit wordt, waardoor er vertering plaats heeft, dat noemt men het eigen hitte-element.

Wat er in de eigen persoon is aan opstijgende winden, aan neerdalende winden, de winden van de maag, van de darm, de winden die alle ledematen doorstromen zoals in- en uitademing, dat noemt men het eigen wind-element.

Al die elementen zijn zonder wezen en zonder zelf; zij zijn oorzakelijk ontstaan, zijn vergankelijk, aan verval onderhevig. 'Dit is niet van mij; dat ben ik niet; dat is niet mijn zelf.' Door zo te overwegen wordt de geest vrij van begeerte met betrekking tot die elementen. Door meditatie over de waarneming van vergankelijkheid wordt elke mening van „ik“ overwonnen." (zie M.62 en M.74 en M.140)





10. Overdenken van het walgelijke II

Door beenderen en spieren verbonden, met vlees en weefsel bevuild, en bedekt door de huid, maar niet zoals het werkelijk is, zo schijnt het lichaam. De dwaas acht het mooi; zijn onwetendheid misleidt hem. De huid is slechts de verpakking van het walgelijke.


Mijn lichaam is bedekt met een huid, gevuld met veel onzuiverheden. Het is een voorbijgaande combinatie van elementen, voedsel voor wormen, een skelet.

Het lichaam is als een zak van huid, gevuld met vlees en beenderen.



Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van de onzuiverheid, diens geest deinst terug voor de geslachtsgemeenschap, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII.45-46)


Monniken, wanneer nu bij een monnik die vaak de overweging koestert van de onzuiverheid, de geest nog streeft naar geslachtsgemeenschap en er geen afschuw voor bestaat, dan moet de monnik weten: 'Nog onontwikkeld is in mij de overweging van onreinheid. Tussen vroeger en nu is er in mij geen verschil. Ik heb de vrucht van de meditatie nog niet gewonnen.' Zo is hij zich daarvan helder bewust.

Maar monniken, wanneer bij een monnik die vaak de overweging van onzuiverheid koestert, de geest terugdeinst voor de geslachtelijke omgang, zich afwendt, zich afkeert, zich niet aangetrokken voelt, en wanneer gelijkmoedigheid of afschuw ontstaat, dan moet de monnik weten: 'De overweging van de onzuiverheid is in mij ontplooid. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Ik heb de vrucht van de meditatie gewonnen.' Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust. (A.VII. 45-46)


Deze overweging, ontplooid en vaak geoefend, brengt hoog loon en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61-62; zie ook A.I.26; A.VII.45-46)



11. Contemplatie over nadeel (gevaar)

Wat is contemplatie over nadeel (gevaar)? - Welnu, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Talrijk zijn de kwalen, talrijk zijn de nadelen (gevaren) van dit lichaam. Want in dit lichaam ontstaan verscheidene ziektes, zoals oogziekte, oorziekte, neusziekte, tongziekte, lichaamsziekte, hoofdpijn, de bof,2 mondziekte, tandpijn, hoest, astma, verkoudheid, brandend maagzuur, koorts, maagkwalen, flauwte, dysenterie, gezwel, koliek, melaatsheid, steenpuist, klierziekte, tuberculose, vallende ziekte, ringworm, jeuk, huiduitslag, roos op het hoofd, puistjes, oververzadigdheid, suikerziekte, aambeien, kanker, etterkanaal (fistel), en ziektes ontstaan uit gal, uit slijm, uit winden, uit conflicten van de lichaamsvochten, uit weersveranderingen, uit ongunstige omstandigheden (onjuist gedrag), ziektes ontstaan door opzet van anderen, ziektes ontstaan uit resultaten van wilsakties,3 en verder koude, hitte, honger, dorst, uitwerpsels en urine.’ Aldus blijft hij nadeel (gevaar) beschouwen in dit lichaam. Dit heet contemplatie over nadeel (gevaar). (uit: A.X.60)




12. Met het lichaam verbonden



Tien dingen zijn met het lichaam verbonden, namelijk: Koude, hitte, honger, dorst, uitwerpselen, urine, zich in toom houden in daden, zich in toom houden in woorden, zich in toom houden in de manier van leven en in de wedergeboorte-producerende wil om te bestaan.4

Deze tien dingen zijn aan het lichaam gebonden. (A.X.49)





13. Het ettergezwel (walgelijkheid van het lichaam)



Monniken, stel dat er een ettergezwel is dat vele jaren oud is; dat gezwel heeft negen wondopeningen die vanzelf ontstaan zijn. Wat er nu uitstroomt en eruit druipt, dat alles is onzuiver, slecht ruikend en walgelijk.

Maar monniken, als een ettergezwel noemt men dit lichaam dat uit de vier grondstoffen is samengesteld, door vader en moeder verwekt, dat met rijst en grutten gevoed wordt, dat onderhevig is aan de vergankelijkheid, dat gezalfd en gemasseerd moet worden, en dat aan ontbinding en verval deel heeft.

Dit lichaam heeft negen natuurlijke openingen. En wat er uitstroomt en eruit druipt, dat alles is onzuiver, slecht ruikend en walgelijk. Daarom, monniken, wendt jullie af van dit lichaam. (A.IX.15)5





14. Denken aan het vergankelijke van het lichaam



(voor mannen:)

Als men vrouwen ziet, denk dan: "Spoedig zal ook dat lichaam vergaan. Mogen belichaamde wezens zich bewust worden van hun waanzin, zodat niet langer tevergeefs het lichaam versleten wordt en afsterft. Moge haar en mijn kamma geleidelijk tot rust komen."


(voor vrouwen:)

Als men mannen ziet, denk dan: "Spoedig zal ook dat lichaam vergaan. Mogen belichaamde wezens zich bewust worden van hun waanzin, zodat niet langer tevergeefs het lichaam versleten wordt en afsterft. Moge zijn en mijn kamma geleidelijk tot rust komen."



15. Vergankelijk is het lichaam



In de 17e regentijd vertoefde de Verhevene te Rajagaha, in het Veluvana-park. Een jonge monnik werd toen verliefd op een zeer bekende courtisane van Rajagaha. Zij heette Sirimā. Onverwacht stierf zij. De Boeddha woonde de begrafenis bij en vroeg aan de koning om aan de mensen te laten vragen of zij het dode lichaam wilden kopen. Dat lichaam had zeer velen aangetrokken toen Sirimā nog in leven was. Niemand wilde het dode lichaam hebben, zelfs niet gratis. Bij die gelegenheid sprak de Boeddha de menigte toe met de woorden:

Ziet dit mooie lichaam, een massa van zweren en wonden, samengesteld, ziek, het object van de gedachten van menigeen, waarin niets blijvend is, waarin geen stabiliteit is.”



16. Het overdenken van vergankelijkheid


"Dit lichaam van mij dat uit materiele vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrei opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden." (M.77)




17. De lijk-contemplaties



Bhikkhus, verder vergelijkt een bhikkhu zijn eigen lichaam met een lijk dat op een lijkenveld werd gegooid, – al één, twee of drie dagen dood, opgezwollen, blauw verkleurd, waaruit vloeistoffen sijpelen. Zo vergelijkt hij zijn lichaam ermee: 'Met dit lichaam van mij is het net zo gesteld als met dat lichaam; dit lichaam gaat net zo worden en het kan er niet aan ontgaan.'

Terwijl hij zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, zijn zijn herinneringen en gedachten die op het leven met een gezin berusten, overwonnen. Met de overwinning ervan wordt zijn geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



[Dan volgen de lijkcontemplaties die ook vermeld zijn in het satipatthana sutta, M.10 ] (Zie: De vier grondslagen van oplettendheid, § 1.2.1.6)



18. De beschouwing van het walgelijke en het niet walgelijke



In het Tikandaki-bos bij Sāketa sprak de Boeddha de volgende leerrede:

"Monniken, het is goed wanneer de monnik af en toe het niet walgelijke als walgelijk beschouwt;6 wanneer hij iets walgelijks als niet walgelijk beschouwt;7 wanneer hij het niet walgelijke en het walgelijke als walgelijk beschouwt; wanneer hij het walgelijke en het niet walgelijke als niet walgelijk beschouwt; wanneer hij beide, iets walgelijks en iets niet walgelijks,8 verwerpt en gelijkmoedig vertoeft, oplettend en helder bewust.

Maar om welke reden, monniken, kan de monnik iets niet walgelijks als walgelijk beschouwen? Opdat bij hem geen hebzucht ontstaat bij de hebzucht verwekkende dingen.

Om welke reden echter kan hij iets walgelijks als niet walgelijk beschouwen? Opdat bij hem geen haat ontstaat bij de haat verwekkende dingen.

Om welke reden echter kan hij iets niet walgelijks en iets walgelijks als walgelijk beschouwen? Opdat bij hem geen begeerte ontstaat bij de begeerte verwekkende dingen en geen haat ontstaat bij de haat verwekkende dingen.

Om welke reden echter kan hij iets walgelijks en iets niet walgelijks als niet walgelijk beschouwen? Opdat bij hem geen haat ontstaat bij de haat verwekkende dingen en geen begeerte ontstaat bij de begeerte verwekkende dingen.

Om welke reden echter kan hij beide, iets walgelijks en iets niet walgelijks, verwerpen en gelijkmoedig vertoeven, oplettend en helder bewust? Opdat bij hem bij geen enkele gelegenheid, nergens, op de een of andere manier, begeerte ontstaat bij de begeerte verwekkende dingen, opdat bij hem bij geen enkele gelegenheid haat ontstaat bij de haat verwekkende dingen, en opdat bij hem bij geen enkele gelegenheid verblinding ontstaat bij de verblinding verwekkende dingen." (A.V.144; vgl. S.52.1)





19. Te strenge overdenking van de walgelijkheid



Te Vesali sprak de Verhevene eens over de walgelijkheid van het lichaam. Daarna trok hij zich een halve maand in eenzaamheid terug. Alleen degene die hem dagelijks te eten bracht, mocht hem opzoeken.

De monniken overdachten de walgelijkheid van het lichaam. En zij vonden het lichaam een plaag, ekelden zich ervoor, schaamden zich ervoor. En eerst brachten 10 monniken per dag zich om, dan 20, dan 30 per dag.

Toen de Verhevene na afloop van de halve maand terug kwam, vroeg hij aan de eerwaarde Ananda hoe het kwam dat de gemeenschap van de monniken zo uitgedund was.

De eerwaarde Ananda vertelde wat er was gebeurd en vroeg dat de Verhevene een andere leerrede zou geven opdat de gemeenschap van de monniken het hoogste inzicht kon bereiken.

De monniken werden bijeengeroepen in de vergaderzaal. Daar sprak de Boeddha over de concentratie op het in- en uitademen. Die concentratie is stil, uitstekend, een vertoeven in smetteloos geluk. Welke slechte onheilzame dingen ontstaan, die worden terstond tot verdwijnen gebracht en komen tot rust. (S.54.9)

[Zie hierover verder bij: Oplettendheid bij het in- en uitademen].




20. De overweging van het walgelijke bij de maaltijd


Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van het walgelijke bij het voedsel, diens geest deinst terug voor de begeerte naar smaken, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII.45-46)


Deze overweging, ontplooid en vaak geoefend, brengt hoog loon en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61-62)


Ons lichaam is een bron van vuiligheid. Het lichaam moet steeds gewassen en gezuiverd worden. Blijft iets rein als het met een lichaamsdeel te maken heeft? - Zelfs het voedsel dat we eten wordt tot vuilnis wanneer het in de mond komt en ingeslikt wordt.9



Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel voedselgaven als de persoon die ze nuttigt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit geheel van voedselgaven is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.





21. De meditatieve verdiepingen



Verder treedt een bhikkhu, afgescheiden van zinnelijk genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, binnen in de eerste meditatieve verdieping (jhana). Ze gaat samen met beginconcentratie van de geest en met aanhoudende concentratie ervan. En hij vertoeft erin, met vervoering en zaligheid welke uit de afgescheidenheid is ontstaan. Hij laat die vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet door deze vervoering en zaligheid doordrongen is.

Terwijl hij zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, zijn zijn herinneringen en gedachten die op het leven met een gezin berusten, overwonnen. Met de overwinning ervan wordt zijn geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



Bhikkhus, verder treedt een bhikkhu door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest (naar het meditatie-object) binnen in de tweede jhana. Ze bevat innerlijke kalmte en eenheid van het hart zonder begin- en aanhoudende toewending van de geest. En hij vertoeft erin, met vervoering en zaligheid die uit de concentratie zijn ontstaan. Hij laat die vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet erdoor doordrongen is.

Terwijl hij zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, zijn zijn herinneringen en gedachten die op het leven met een gezin berusten, overwonnen. Met de overwinning ervan wordt zijn geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



Bhikkhus, verder treedt een bhikkhu met het afnemen van vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk ondervonden zaligheid, binnen in der derde jhana. Hiervan zeggen de edelen10: 'Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is.' En hij vertoeft erin. Hij laat de zaligheid die vrij van vervoering is, het hele lichaam doordringen zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door de gelukzaligheid die vrij van vervoering is.

Terwijl hij zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, zijn zijn herinneringen en gedachten die op het leven met een gezin berusten, overwonnen. Met de overwinning ervan wordt zijn geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



Bhikkhus, verder treedt een bhikkhu met het overwinnen van geluk en pijn, en door het al eerder verdwijnen van vreugde en verdriet, binnen in de vierde jhana. Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana noch iets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; maar ze heeft de zuiverheid van de oplettendheid. En hij vertoeft erin. Hij zit er en doordringt dit lichaam met een zuiver, helder hart zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door het zuivere, heldere hart.

Terwijl hij zo behoedzaam, ijverig en vastbesloten vertoeft, zijn zijn herinneringen en gedachten die op het leven met een gezin berusten, overwonnen. Met de overwinning ervan wordt zijn geest innerlijk gevestigd, tot rust gebracht, tot eenheid gebracht en geconcentreerd.

Ook op een dergelijke manier ontplooit een bhikkhu de opmerkzaamheid op het lichaam. (M.119)



22. Vooruitgang door oplettendheid op het lichaam



Bhikkhus, iemand die de oplettendheid op het lichaam heeft ontplooid en geoefend, draagt in zich alwat bestaat aan heilzame toestanden die aan het ware weten deel hebben.11

Bhikkhus, wanneer iemand de oplettendheid op het lichaam niet heeft ontplooid en geoefend, in hem vindt Mara een gelegenheid en een ruggensteun.

Bhikkhus, wanneer iemand de oplettendheid op het lichaam heeft ontplooid en geoefend, in hem kan Māra geen gelegenheid en geen ruggensteun vinden.

Evenzo, bhikkhus, wanneer iemand de oplettendheid op het lichaam heeft ontwikkeld en geoefend, wanneer hij dan zijn geest toewendt naar de verwerkelijking van een toestand die door hogere geestelijke kracht kan worden verwerkelijkt, dan verkrijgt hij het vermogen om van elk aspect ervan getuigenis af te leggen, omdat er een geschikte basis voor is." (M.119)





23. Voordelen van de oplettendheid op het lichaam

Bhikkhus, wanneer de oplettendheid op het lichaam steeds weer beoefend, ontplooid, geoefend, als voertuig en als basis gebruikt wordt, verankerd, gevestigd en goed uitgeoefend is, dan kunnen de volgende tien voordelen ervan verwacht worden, namelijk:

1) Men wordt een overwinnaar over ontevredenheid en gefascineerdheid. Men wordt door ontevredenheid niet overmeesterd. Steeds wanneer ontevredenheid verschijnt, overwint men die.

2) Men wordt een overwinnaar over angst en schrik. Angst en schrik kunnen iemand niet overmeesteren. Steeds wanneer angst en schrik verschijnen, overwint men die.

3) Men verdraagt koude en hitte, honger en dorst, en contact met horzels, muggen, wind, zon, en insecten. Men verdraagt kwaadwillig gesproken, onwelkome woorden en opkomende lichamelijke gevoelens, die pijnlijk, scherp, hard, pijnigend, onaangenaam, onplezierig en levensbedreigend zijn.

4) Men verkrijgt naar wens, zonder problemen of moeilijkheden, de vier meditatieve verdiepingen die de hogere onstoffelijkheid vormen en zorgen voor een aangenaam vertoeven hier en nu.

5) Men bezit de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten. De kracht om uit één veelvuldig te worden, en uit veelvuldig weer één. De kracht om zich zichtbaar te maken en onzichtbaar. De kracht om ongehinderd door wanden, muren, bergen te gaan als door de lucht. De kracht om in de aarde op- en onder te duiken als in water. De kracht om op het water te lopen als op vaste bodem. De kracht om zich in zittende houding in de lucht te bewegen als een vogel. De kracht om met de hand de maan en de zon aan te raken. De kracht om lichamelijk invloed uit te oefenen tot in de Brahmā-wereld (zijn lichaam te beheersen tot in de Brahma-wereld).

6) Met het hemelse oor kan men beide soorten geluiden horen, de hemelse en de aardse, die van veraf en die van dichtbij.

7) Men begrijpt het gemoed van anderen nadat men het met het eigen gemoed omvat heeft. Men begrijpt een gemoed dat door begeerte is beïnvloed en men begrijpt een gemoed dat niet door begeerte is beïnvloed. Men begrijpt een gemoed dat door haat is beïnvloed en men begrijpt een gemoed dat niet door haat is beïnvloed. Men begrijpt een gemoed dat door onwetendheid is beïnvloed en men begrijpt een gemoed dat niet door onwetendheid is beïnvloed. Men begrijpt van een samengetrokken geest dat die samengetrokken is en van een afgeleide geest dat die afgeleid is. Men begrijpt van een verheven geest dat die verheven is en van een niet verheven geest dat die niet verheven is. Men begrijpt van een overtrefbare geest dat die overtrefbaar is en van een onovertrefbare geest dat die onovertrefbaar is. Men begrijpt van een geconcentreerde geest dat die geconcentreerd is en van een ongeconcentreerd geest dat die ongeconcentreerd is. Men begrijpt van een bevrijde geest dat die bevrijd is en van een onbevrijde geest dat die onbevrijd is.

8) Men kan zich aan veel verschillende vormen van bestaan herinneren, aan één geboorte en aan twee geboorten, aan 3, 4, 5, 10 geboorten, aan 20, 30, 40, 50, 100 geboorten, aan 1000 en aan 100.000 geboorten. Men kan zich herinneren aan talrijke perioden van wereldvergaan en aan talrijke perioden van wereldontstaan en aan talrijke perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. “Toen had ik die naam, behoorde tot die familie, was van die kaste, kreeg dat voedsel, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo oud. Vandaar heengegaan werd ik elders wedergeboren. Ik had dan die of die naam, behoorde tot die familie, was van die kaste, kreeg dat voedsel, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo oud. Vandaar heengegaan werd ik elders wedergeboren.” Zo kan men zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan herinneren met de bijzondere gebeurtenissen en details.

9) Men kan met het hemelse oog de wezens overzien en kennen hoe zij heengaan en wedergeboren worden, lage en voorname, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, overeenkomstig hun kamma.

10) En door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht treedt men hier en nu binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, die met de vernietiging van de neigingen neigingsvrij is, en men vertoeft erin.



Bhikkhus, wanneer de oplettendheid op het lichaam steeds weer beoefend, ontplooid, geoefend, als voertuig en als basis gebruikt wordt, verankerd, gevestigd en goed uitgeoefend is, dan kunnen deze tien voordelen ervan verwacht worden." (M.119)

-=-

naar boven   of naar   10. Meditaties, contemplaties en vertrouwen



1Commentaar: Bij de grondslagen van oplettendheid (M.10) ligt het hoofddoel op inzicht, maar hier op concentratie.

2de bof = ontsteking van de oorspeekselklier.

3M.a.w. door eigen schuld.

4 ponobhaviko bhavasankhāro; commentaar: het bestaan vormende werkzaam zijn (bhavasankaranaka-kammam).

5volgens het commentaar heeft deze tekst betrekking op een sterk ontwikkeld inzicht, balava-vipassanā].

6 Namelijk het object dat zijn begeerte zou kunnen opwekken - b.v. het vrouwelijke lichaam, lekker eten, enz. - beschouwt hij als onrein, vergankelijk en walgelijk en hij brengt zich de afzonderlijke delen waaruit het lichaam of het object is samengesteld, voor de geest; en zo voorkomt hij het ontstaan van de zinnelijke begeerte.

7Het object of de persoon die ongenoegen, wrok, haat of wraak bij hem zou kunnen opwekken, doorstraalt hij met liefde, medelijden en welwillendheid en voorkomt zo het ontstaan van een denkbeeld van het walgelijke of van de afkeer.

8Dat wil zeggen beide zienswijzen. - Deze vijf zienswijzen worden als ariya-iddhi, de 'heilige magie' of 'de kracht van de heiligen' omschreven.

9Von Herz zu Herz : 11 Lehrreden zur Meditationspraxis, vom Ehrwürdigen Lehrmeister Maha Bua Ñanasampanno. Übers. Aus dem Englischen von Kurt Jungbehrens,München 2003, p. 185.

10Edelen = heiligen.

11Volgens het commentaar zijn dit de verschillende bovennatuurlijke vaardigheden die in M.77 opgesomd worden.