Facetten van het Boeddhisme


naar Index


10. Meditaties, contemplaties, vertrouwen en devotie

Inleiding      Dagelijkse meditatie       De drievoudige toevluchtname       Raad aan Rahula      De vijf regels      De acht regels      De onbedwongen en de bedwongen geest      De meditatieve verdiepingen      Het overwinnen van onheilzame gedachten     1. Inzicht-meditatie      2. De vier Brahma-viharas     3. Rust, kalmte      4. Saddha, vertrouwen      Vertrouwen en deugd      5. Devotie       Geraadpleegde bronnen



10.1. De vier grondslagen van oplettendheid    10.2. De vier Brahma viharas    10.3. Contemplaties voor rust, kalmte     
10.4. Saddha, vertrouwen     10.5. Devotie in het Boeddhisme     10.6. Contemplatie over de dood     
10.7. Het beschouwen van het lichaam        10.8. Oplettendheid bij het in- en uitademen    
10.9. Contemplatie over vergankelijkheid, anicca       10.10. Contemplatie over niet-zelf, anatta    
10.11. Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden       10.12. De acht meditatieve verdiepingen 


Meditaties, contemplaties, vertrouwen  en devotie in het Boeddhisme


Inleiding


De leer van de Boeddha is in het kort:

                     Doe het goede,

                     vermijd het kwade

                     en reinig de eigen geest.


Het goede doen en het kwade laten kan men door de vijf regels van goed gedrag na te volgen. De eigen geest te reinigen kan men door meditatie, concentratie, contemplatie of juiste overwegingen.

Zoals men zich van de ene plaats naar de andere kan begeven met bijvoorbeeld fiets, auto of openbaar vervoer, evenzo kan men de weg naar het hoogste geluk op meerdere manieren gaan. Het doel is hetzelfde, alleen de middelen om dat doel te bereiken zijn anders. Veel hangt daarbij af van de persoonlijke geaardheid van iemand. Er is het voertuig van inzicht, er is het middel van de vier goddelijke verblijven (Brahma-viharas), er is het rijtuig van rust, kalmte; en er is het vaartuig van vertrouwen, devotie.


Een vervoermiddel naar Nibbāna is de beoefening van inzicht-meditatie. Deze meditatie is genoemd: “de rechtstreekse weg, de weg zonder omwegen”. Dit wil niet zeggen dat de andere middelen verkeerd zijn. De rustige geest die door andere methoden verkregen wordt, is eigenlijk een begin-fase. Daarna pas wordt inzicht verkregen. De inzicht-meditatie is de directe weg. Hij gaat in één richting, zonder omwegen. Maar het is niet ieders geaardheid via deze methode het hoge doel te bereiken.


Het middel van de vier goddelijke verblijven bestaat uit de overdenkingen van mettā (welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid), karunā (mededogen, medeleven), muditā (medevreugde) en upekkhā (gelijkmoedigheid). Deze overdenkingen voeren naar de staat van Niet-Wederkeer.


Rust, kalmte (bhavana) kan onder andere verkregen worden door de concentratie op de ademhaling. De adem wordt daarbij niet op een speciale manier langer of korter ingehouden. Maar de ademhaling is het punt waarop de aandacht steeds weer gevestigd wordt. Door geleidelijke oefening wordt rust van gedachten, een rustige geest verkregen. En een rustige, kalme geesteshouding voert tenslotte naar het hoogste heil.


Een Boeddhist heeft vertrouwen (saddha) als hij gelooft in de Verlichting van de Boeddha, of als hij gelooft in de drie Juwelen (de Boeddha, zijn leer en de gemeenschap van heiligen) door zijn toevlucht ertoe te nemen. Devote meditatie voert tot een kalme, rustige geest. En zo kan het hoogste geluk bereikt worden. Devote meditatie kan men o.a. door het overdenken van het leven en de grote deugden van de Boeddha. Of men overdenkt een aspect van de leer.


De beginneling moet eerst uitproberen – eventueel onder leiding van een bekwame meditatieleraar – welke methode het beste bij hem of haar past. Daarna kan met de gekozen methode verder gegaan worden.


De methoden die hier besproken worden zijn m.i. zonder gevaar voor degene die mediteert, ook zonder leiding, als de raadgevingen tenminste niet genegeerd worden.


Meditatie is niet een soort van ascetische oefening. Maar meditatie is een weg om de geest te oefenen. Ze kan ook een goede techniek zijn om geest en lichaam te ontspannen steeds wanneer men dat wil.

Aanbevolen wordt om eerst te leren meditatie bekwaam te beoefenen in een zittende houding. Na enige oefening zal men in staat zijn om te mediteren in elke houding. Wanneer men zittend mediteert, moet men gaan zitten in een houding waardoor vlug kalmte verkregen kan worden. Bij voorbeeld, ga niet op uw hielen zitten want dat zal vlug leiden tot vermoeidheid. En ga niet in een gemakkelijke leunstoel zitten. Dat kan slaperigheid veroorzaken.

Voordat met meditatie begonnen wordt, moeten wereldse gedachten en bezigheden opgegeven worden. De vijf of acht regels moeten dan strikt nagevolgd worden. Plaats uzelf onder de hoede van de Boeddha; en wees niet bevreesd als t.z.t. eventueel visioenen opkomen. Het zijn maar geestelijke “beelden”, zonder enige kern.



Dagelijkse meditatie


Door velen wordt iets gedaan om het lichaam in conditie te houden. Maar het beheersen van de geest wordt nagenoeg verwaarloosd. Meditatie is een weg om onze geest te bedwingen. Het doel van alle methoden van meditatie is om de geest te concentreren op een enkel voorwerp of een enkele gedachte. Men laat de gedachten niet meer heen en weer gaan.

Meditatie is in een opzicht als veel andere activiteiten, zoals sport, kunstnijverheid en vaardigheden van allerlei soorten. Voor al die activiteiten zal men nooit bekwaam worden door er alleen maar over te praten of erover te lezen. In elke vaardigheid krijgt men deskundigheid door ze te doen.

Meditatie zal slechts van beperkt nut zijn indien men ze af en toe beoefent. De sleutel tot succes in meditatie is het zich inzetten om een of twee keer per dag te mediteren. Als men alleen oefent wanneer men er zin in heeft, dan zal meditatie zeer waarschijnlijk niet veel resultaat brengen.

In de eerste paar maanden heeft iedereen dezelfde moeilijkheid bij het beoefenen van meditatie. Daarom moeten degenen die graag vooruit willen gaan in meditatie, het volgende advies opvolgen: Mediteer tenminste een of twee keer per dag, op tijden waarvan u weet dat u dan elke dag vrij bent. Stel tijden vast voor deze periode(n) van meditatie en houdt u daar zoveel mogelijk aan. Wanneer het tijd is voor meditatie, ga dan naar een rustige plek om er te zitten, sluit uw ogen en mediteer, of lees en contempleer. Maak eventueel een tijdslimiet ervoor. Indien u gelukkig bent met vijf, tien, vijftien of dertig minuten van meditatie, dan oefen slechts die tijd. Indien u gelukkig bent met een uur van meditatie, mediteer dan een uur. Het belangrijkste is om de gewoonte van meditatie te vestigen in uw dagelijks leven en om elke dag te mediteren.

Dagelijkse meditatie – al is het maar 5, 10 of 15 minuten – brengt meer vooruitgang dan af en toe een hele of halve dag van meditatie.



De drievoudige toevluchtname


U kunt de meditatie eventueel beginnen met de toevluchtname tot het drievoudige Juweel:

Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha.

Ik neem mijn toevlucht tot de Dhamma.1

Ik neem mijn toevlucht tot de Sangha.2


Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha.

Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer.

Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Sangha.


Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha.

Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer.

Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Sangha.



Raad aan Rāhula


In het twaalfde jaar na de Verlichting verbleef Rāhula in het Jetavana-klooster. Hij werd toen 18 jaar en was nog een novice (sāmanera). De Boeddha gaf zijn zoon Rāhula bij die gelegenheid raad over diverse methoden van meditatie.

Hij sprak tot hem over het kenmerk van niet-zelf. Hij spoorde hem ook aan om steeds oplettend te zijn en volmaakte gelijkmoedigheid van geest te ontwikkelen, een gelijkmoedigheid die ongestoord blijft door begeerte en afkeer.

Verder gaf de Boeddha aan Rāhula de raad liefdevolle vriendelijkheid (mettā) te beoefenen en mededogen (karunā). “Beoefen ook het beschouwen van de walgelijkheid van het lichaam om vrij te worden van begeerte. Beoefen het beschouwen van vergankelijkheid om vrij te worden van de verkeerde mening ‘ik ben’. Beoefen oplettendheid bij het ademhalen. Want wanneer dit gedaan en ontwikkeld wordt, brengt het grote vrucht en veel zegeningen.”3



De vijf regels (panca-sīla)


Voordat met mediteren begonnen wordt, kan men eventueel nog de vijf regels zich te binnen brengen:

1. Ik neem het vaste voornemen niet te doden.

2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen.

3. Ik neem het vaste voornemen af te zien van ongeoorloofd seksueel gedrag.

4. Ik neem het vaste voornemen niet te liegen.

5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alle bedwelmende dranken en drugs.



De acht regels (uposatha sīla)


Op Boeddhistische feestdagen worden de vijf regels (meestal) strenger toegepast en uitgebreid met drie anderen:

1. Ik neem het vaste voornemen geen enkel levend wezen te doden en geen enkel levend wezen te kwellen.

2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen en niets te nemen wat niet gegeven is.

3. Ik neem het vaste voornemen af te zien van elke seksuele wilsactie in daad, woord of gedachten.

4. Ik neem het vaste voornemen juiste taal te gebruiken, d.w.z. niet liegen, niet lasteren, niet kwaadspreken, geen ruwe of barse taal, geen kletspraatjes, geen euvele woorden, geen onjuiste woorden, geen onvriendelijke woorden, geen onware woorden, geen kleinerende woorden; maar ik zal alleen woorden gebruiken die eenheid bevorderen, onschadelijke woorden, aangenaam voor het oor, vol liefde, hartverwarmend, hoffelijk, waard herinnerd te worden, tijdig, passend, terzake, vriendelijk en verdraagzaam.

5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alle bedwelmende dranken en drugs.

6. Ik neem het vaste voornemen niet meer te eten na 12:00 uur.

7. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van dansen, zingen, muziek, onbetamelijke shows, wedstrijden e.d.; en ik neem het vaste voornemen geen parfums, schoonheidsmiddelen, versieringen e.d. te gebruiken.

8. Ik neem het vaste voornemen geen brede en luxueuze bedden te gebruiken.



De onbedwongen en de bedwongen geest


Zoals boven vermeld, is meditatie een manier om de geest te oefenen, om de geest gedwee te maken. De Boeddha zei hierover:

“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo weerspannig is

als de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest is inderdaad

een weerspannig ding.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zo gedwee is

als de bedwongen geest;

de bedwongen geest is inderdaad

een gedwee ding.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert tot groot verlies

dan de onbedwongen geest;

de onbedwongen geest voert inderdaad

tot groot verlies.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zozeer voert naar groot voordeel

dan de bedwongen geest;

de bedwongen geest voert inderdaad

naar groot voordeel.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel ellende brengt

dan de geest die onbedwongen is,

onbeheerst, onbewaakt

en die niet weerhouden wordt;

zo'n geest brengt inderdaad groot leed.”


“Monniken, ik ken geen ander ding

dat zoveel geluk brengt

dan de geest die bedwongen is,

beheerst, bewaakt

en die weerhouden wordt;

zo'n geest brengt inderdaad een groot geluk.”



De meditatieve verdiepingen


Door diverse methoden van meditatie kan men meditatieve verdiepingen bereiken. Er worden acht soorten van jhanas genoemd.

1. Vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, afgezonderd van zintuiglijk verlangen, afgezonderd van onheilzame gedachten, treedt men binnen en vertoeft men in de eerste meditatieve verdieping. Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering.

2. Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt men innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En men treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering.

3. Na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft men in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En men ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt men binnen en verblijft men in de derde meditatieve verdieping.

4. Na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt men binnen en vertoeft men in de vierde meditatieve verdieping. Deze heeft noch angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid. - Dit heet juiste concentratie.


5. Door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, bereikt men met de gedachte ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid.

6. Wanneer men volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid heeft overwonnen, bereikt men met de gedachte ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid.

7. Wanneer men volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid heeft overwonnen, bereikt men met de gedachte ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer.

8. Wanneer men volledig het gebied van de niets-is-er sfeer heeft overwonnen, bereikt men het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming.

8a. Wanneer men volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming heeft overwonnen, bereikt men de vernietiging van waarneming en gevoelen. En wijze inziende zijn de neigingen bij die persoon verdwenen.4


De meditatieve verdiepingen nrs. 1-4 heten: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’ En de meditatieve verdiepingen nrs. 5-8 heten: ‘vertoeven in vrede.’

De jhanas zijn tijdelijke stadia van rust. Alleen Nibbāna is een staat van blijvende vrede.


De vaardigheden en krachten die met de eerste, tweede, derde of vierde jhana verbonden zijn, bestaan uit: vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Het ontplooien ervan behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)




Het overwinnen van onheilzame gedachten


Tijdens het mediteren kunnen slechte, onheilzame gedachten ontstaan. Men moet dan de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die slechte gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken. (M.20)



1. Inzicht-meditatie


In de zevende week na de Verlichting kwam bij de Boeddha de volgende gedachte op: “Het pad van de vier grondslagen van oplettendheid is een pad dat slechts in één richting voert: naar de zuivering van wezens, naar het te boven komen van verdriet en geweeklaag, naar het bereiken van het ware doel, de verwerkelijking van Nibbāna. Die vier grondslagen zijn: de beschouwing van het lichaam, de beschouwing van de gevoelens, de beschouwing van bewustzijn, en de beschouwing van mentale objecten.”

De inzichtmeditatie kan beoefend worden onder het wandelen, bij het wachten op de bus, in de trein, e.d. Het doel van deze manier van mediteren is direct inzicht te krijgen, zonder omwegen. Daarvoor moet men wel steeds oplettend zijn. Dat kan men als leek niet altijd. Maar soms zijn enkele minuten per dag wel geschikt om oplettend te zijn.

Juist inzicht is bijvoorbeeld dat er geen zelfstandig iets bestaat, dat alles aan voorwaarden gebonden is, dat alles vergankelijk is.

De inzicht-meditatie, het pad van de vier grondslagen van oplettendheid, is duidelijk uitgelegd in de leerrede over de grondslagen van oplettendheid.


[Zie: De vier grondslagen van oplettendheid]



2. De vier Brahma-viharas


De vier Brahma-viharas of de goddelijke verblijven zijn de overdenkingen van mettā (welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid), karunā (mededogen, medeleven), muditā (medevreugde) en upekkhā (gelijkmoedigheid). Van deze overdenkingen of meditatie-methoden zei de Verhevene dat zij leiden naar de staat van Niet-Wederkeer.

Het overdenken van die goddelijke verblijven en het ontplooien van de vaardigheden en krachten die verbonden zijn met liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35)


[meer over de Brahma-viharas, zie: De vier goddelijke verblijven: metta, karuna, mudita en upekkha.]



3. Rust, kalmte (samatha bhavana)

 

       Rust, kalmte kan verkregen worden door concentratie op één punt. Als de geest op één punt gericht is, zwerft ze niet meer rond. Wanneer de geest kalm is, wordt ze krachtig. En ze ziet dan de dingen zoals ze werkelijk zijn. De geest kan iemand ziek maken; maar ze kan ook iemand gezond laten blijven. Iemand met een optimistische geest heeft meer kans om beter te worden dan een patiënt die (over)bezorgd is en ongelukkig.

      Juiste concentratie verdrijft verlangens die de geest verstoren en brengt zuiverheid en kalmte van geest. Iemand die concentratie wil beoefenen, moet deugdzaam zijn. Want door deugdzaamheid wordt het geestelijke leven gevoed. Men moet een speciaal onderwerp voor concentratie nemen en dat met oplettendheid in de geest houden. Dan moet men de geest op dat onderwerp richten en ze niet laten rondzwerven. Men moet niet over het onderwerp denken, maar eraan denken. Vanzelfsprekend zal de geest rondzwerven, van de hak op de tak springen. Een hond wordt aan de lijn gehouden om te vermijden dat hij te ver weg loopt. Soms snuffelt de hond en blijft even op een plek staan. Maar door de lijn gehinderd moet hij meelopen met de baas. Een gedresseerde hond blijft kort bij de baas lopen. Op commando gaat hij liggen of staat weer op. Evenzo is de geest: de lijn is oplettendheid en de baas is het gekozen onderwerp van concentratie. Als de geest telkens teruggebracht wordt naar het onderwerp van concentratie, zal men geleidelijk de geest bedwingen en er meester over worden. Concentratie is een noodzakelijke basis voor inzicht en wel door de geest te zuiveren van de mentale hindernissen.

Het doel van meditatie voor kalmte is om via een rustig en kalm gemoed te komen tot inzicht van de waarheid.


[zie verder: Contemplaties voor rust, kalmte.]



4. Saddhā (vertrouwen)


       Een andere methode van meditatie bestaat uit vertrouwen (saddhā). Dit is vertrouwen hebben in de Boeddha, in zijn leer en in de Orde van de heilige monniken, de Ariyasangha.

       Ook door vertrouwen kan men het hoogste heil verwerven. Door vertrouwen en devote meditatie worden de gedachten gericht op één punt. Het denken is goed wanneer wij de gedachten vestigen op de Boeddha, op zijn leer of de gemeenschap van de monniken. Ook kan men dagelijks aandachtig een stukje lezen over de Boeddha of zijn leer, of een bepaald facet van de leer overdenken. Dit behoort eveneens tot saddhā.

     Saddhā, devote meditatie, vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met wijsheid. Saddhā voert tot een kalme, rustige geest. En daardoor kan het hoogste geluk bereikt worden.

       De Boeddhist(e) heeft vertrouwen indien hij of zij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte (M.53) of in de Drie Juwelen door zijn/haar toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha te nemen.

       Saddhā, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste.5 Ook is vertrouwen een van de vijf geestelijke eigenschappen6 en één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.7 


Vertrouwen en deugd


Wie in de Volmaakte onwankelbaar vertrouwen heeft, wie deugd bezit die goed is en die door de Edelen aanbevolen wordt; wie vertrouwen heeft in de Orde en wie oprecht en waar inzicht heeft, die persoon is niet arm, zijn leven is niet leeg en het is niet verspild. (S.LV.51)


[Zie verder: Saddha, vertrouwen]




5. Devotie in het Boeddhisme



       Devotie behoort eveneens tot saddhā, vertrouwen. Devotie in het Boeddhisme is niet een bidden tot, een vragen om iets. En toch verkrijgt men veel. Devotie is een zich te binnen brengen van de Verhevene, van zijn leer of van zijn heilige volgelingen (de Ariyasangha). Het is ook een uiting van eerbied, eerbetoon. En daardoor nemen lang leven, schoonheid, geluk en kracht toe. Door vertrouwen wordt het gemoed kalm en rustig. En zó verkrijgt men door eigen streven - en niet door de macht of genade van iemand anders - geestelijk en lichamelijk welzijn.

 

       Er zijn mensen die op devotie neerkijken en het smalend “volks-Boeddhisme” noemen. In hun ogen behoort devotie niet tot de echte leer van de Boeddha. Maar niets is minder waar. Ook door devotie kan men het hoogste heil verwerven.

       Devotie, geloof, vertrouwen geeft een rustig en vredig gemoed. En men verkrijgt erdoor zes andere schatten (dhana), namelijk moreel goed gedrag, morele schaamte, morele vrees, zich kennis eigen maken, vrijgevigheid, wijsheid.

       Een rustig en vredig gemoed leidt ook in de richting van het Doodloze, naar Nibbāna. Want devote meditatie, stilheid van geest kan dienen als een waardevolle hulp om geestelijke concentratie te verkrijgen die tot diep, helder, waar inzicht voert. Het denken aan de Boeddha, het reciteren van Pali-teksten of het lezen van teksten in vertaling is een middel om de geest tot rust te brengen. En aldus kan het de poort naar het Doodloze openen.


Het aanbieden van bloemen, reukwerk, voedsel, kaarsen e.d. is een middel om over het vergankelijke van alle samengestelde dingen na te denken. Of om het licht van de Dhamma zinnebeeldig voor te stellen. Drie wierookstokjes vertegenwoordigen het Drievoudige Juweel.

[Zie verder: Devotie in het Boeddhisme]


naar boven


Geraadpleegde bronnen:

 

Bodhi, Bhikkhu (transl.): The Discourse on the All-embracing Net of Views. Kandy: BPS, 1978.

Buddhist Observances and Practices. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 48.

Dahlke, Paul: 'Right Understanding,' in: The Wheel No. 77/78 (Kandy 1965), p. 46-50.

Devotion in Buddhism. Three Essays. Kandy : BPS, 1975. (2nd ed.) . The Wheel No. 18 (1st ed. 1960).

Gunaratna, V.F.: Buddhist Reflections on Death. Kandy : BPS, 1966. The Wheel No. 102/103.

Ireland, J.D.(transl.): Samyutta Nikaya: An Anthology of the Buddha's Discourses. Part II . The Wheel 107/109.

Jayanama, Direck: Thailand, the land of the free. Bonn : Royal Thai Embassy, 1960.

Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207.

Ledi Sayadaw Maha Thera: A Manual of Insight. Vipassanā Dīpanī. Translated by U Nyana Maha Thera.  (2nd impr.). Kandy : BPS, 1975. The Wheel No. 31/32. (1st ed. 1961).       

Mahasi Sayadaw, Rev.: Practical Insight Meditation : Basic and Progressive Stages. Transl. by U Pe Thin & Myanaung U Tin. Kandy : BPS, 1976.         

Mahasi Sayadaw, Rev.: The Progress of Insight. A Treatise on Buddhist Satipatthāna Meditation. Transl. by Nyānaponika Thera. Kandy : BPS, 1978.         

Mahasi Sayadaw, Ven.: Satipatthāna Vipassanā. Insight through Mindfulness. Transl. by U Pe Thin. Kandy : BPS, 1990. The Wheel No. 370/371. 

Malalasekera, G.P.: Buddhism and Worship. Kandy: BPS, [s.a.]. Bodhi Leaves No. A 8.

Maurice, David: One's Own Good - and another's. Kandy: BPS, Bodhi Leaves B 7.

Namto, Sobin S.: Wayfaring. A Manual for Insight Meditation. Kandy : BPS, 1979. The Wheel No. 266/267.

Nanamoli Thera (transl.: The practice of Lovingkindness .Kandy: BPS, The Wheel No. 7.

Ñânamoli, Bhikkhu  The Life of the Buddha according to the Pali Canon.  (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978.  (1st ed. 1972).

Ñānamoli, Bhikkhu (tr.): The Discourse on Right View. The Sammāditthi Sutta and its Commentary. Edited and revised by Bhikkhu Bodhi. Kandy : BPS, 1991. The Wheel No. 377/379.

Nanamoli, Bhikkhu (transl.): The Path of Purification by Bhadantaccariya Buddhagosa. transl. by Bhikkhu Nanamoli. 3.ed. Kandy 1975.

Nârada Maha Thera  The Buddha and His Teachings.  (4th enlarged ed.) - Kandy : BPS, 2524/1980.

Nârada Thera  The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes.  (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978.  (1st ed. 1963).

Nimalasuria., A.: Buddha the Healer: The Mind and its place in Buddhism. Essays edited by Dr. A. Nimalasuria. Kandy: BPS, The Wheel No. 22.

Nyanaponika (Übers.): Der einzige Weg. Buddhistische Texte zur Geistesschulung in rechter Achtsamkeit. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1980. (Buddhistische Handbibliothek; 9).

Nyanaponika Thera (transl.):  Anguttara Nikaya: An Anthology. Part III . Kandy: BPS, The Wheel No. 208/211.

Nyanaponika Thera (transl.): The Discourse on the Snake Simile (M.22). Kandy: BPS, The Wheel No. 48/49.

Nyanatiloka (Übers.):  Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969.  Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage. 

Pandita, Sayadaw U.: The Way to the Happiness of Peace. Kandy : BPS, 2001. The Wheel No. 441/442.

Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Silacara, Bhikkhu: The Five Precepts (Panca-Sila). Colombo 1955.

Soma Thera (tr.): The Way of Mindfulness : The Satipatthāna Sutta and Commentary. Kandy : BPS, 2518/1975.

Story, Francis: Buddhist Meditation. Kandy: BPS, Bodhi Leaves B 15.

Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.

Sumedho, Ajahn: Erkenntnis geschieht jetzt. Kandersteg: Dhammapala Verlag, 1992. Übersetzung des englischen Originals »Now is the Knowing«, 1989.  

Sumedho, Ven. Ajahn: Now is the Knowing. Thailand: Wat Pah Nanachat, [s.a.].

The Three Basic Facts of Existence. III: Anatta -Egolessness. Collected Essays. The Wheel No. 202/204.

Upatissa, Arahant: The Path of Freedom (Vimutthimagga). Kandy : BPS, 1977.

Vappo Thera: Earnestness. Kandy: BPS, Bodhi Leaves B 3.

Vimutthimagga, zie: Upatissa (1977).



naar boven

1De leer van de Boeddha.

2Bedoeld is de Ariya Sangha, de Orde van de heilige volgelingen van de Boeddha.

3M.62; Nârada Thera [et al.]: 'Mahâ Râhulovâda Suttanta. The Great Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kandy 1974), p. 19-33.

4Gedeelte van M.26, in: Horner, I.B. (tr.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy 1974, The Wheel No. 198; en in: Dahlke, Paul (Übers): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.], p. 5-39; en van M.141, Saccavibhanga sutta.

5Zie puñña-dhārā in: Nyanaponika: Buddhist Dictionary, 4th ed. 1980, p. 180.

6zie indriya in: Buddhist Dictionary 1980, p. 78.

7zie dhana, in: Buddhist Dictionary 1980, p. 57.