?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index


1.5. Het 2e-20e  jaar na de Verlichting

1. De regentijd in het tweede, derde en vierde jaar      2. De regentijd in het 2e jaar     3. Bouw van het Jetavana-klooster     4. De vierde regentijd     5. De Juweel-toespraak     6. Aanbieding van gewaad door Maha-Pajapati     7. Bhikkhuni Sangha     8. Tweede bezoek aan Kapilavatthu    8.1. Dood van koning Suddhodana    8.2. De twist over water    9. Onjuist en juist denken over de dood    10. Het tweelingwonder    11. Kisāgotamī    12. Māgha Pūjā    13. Verkondiging van de Abhidhamma    14. Nakulapitā en Nakulamātā    15. De twist te Kosambi    16. Een olifant zorgt voor de Boeddha    17. De ploeger Bhāradvāja    18. Leerrede tot Rāhula    19. Het twaalfde regenseizoen    19.1. Introductie van de Vinaya   19.2. De brahmaan Veranjā    19.3. Van Veranjā naar Vesāli   20. Dingen nodig voor de bevrijding van de geest   21. De vaderlijke erfenis voor Rāhula    22. Toezicht door monniken bij bouwwerken    23. De toespraak tot de Eerwaarde Girimānanda    24. Derde bezoek aan Kapilavatthu    25. De demon Ālavaka   26. Vergankelijk is het lichaam   27. Op de Calika-heuvel en de weversdochter   28. De bekering van Angulimāla     Geraadpleegde bronnen

Het 2e - 20e jaar na de Verlichting


Inleiding

 

       Ook in dit deel van het leven van de Boeddha zijn legenden en andere toevoegingen te vinden.



1. De regentijd in het 2e, 3e en 4e jaar

 

2. De regentijd in het 2e jaar

 

       In het tweede jaar na de Verlichting bracht de Boeddha de regentijd door te Rājagaha, in het Veluvana-park.[102]

 

3. Bouw van het Jetavana-klooster

 

       Ook het derde regenseizoen na de Verlichting vertoefde hij daar. In die tijd had er een ontmoeting plaats van de Verhevene met Sudatta. Deze laatste was buitengewoon vrijgevig en was daarom bekend als Anāthapindika. Die naam betekent: de voeder van de armen.

       Reeds bij zijn eerste ontmoeting met de Boeddha werd hij diens volgeling. Sudatta bereikte toen het eerste niveau van heiligheid (sotapatti). Hij nodigde de Verhevene uit om gedurende het regenseizoen naar Sāvatthī te komen. Maar de Boeddha kon aan dat verzoek geen gevolg geven omdat in die plaats geen klooster was.

       Sudatta keerde naar huis terug en keek er uit naar een geschikte plek. Alleen het park van prins Jeta had de vereiste eigenschappen. De prins vroeg echter een zeer hoge prijs, namelijk 100.000 goudstukken die de grond van het park moesten bedekken. Onmiddellijk stemde Sudatta ermee in: zó groot was zijn devotie voor de Boeddha. Hij liet de grond van het park met gouden munten bedekken. Aanvankelijk waren de muntstukken die gebracht werden, niet voldoende; een plek nabij de noordelijke poort bleef onbedekt. Anāthapindika liet nog meer goud halen en toen dacht prins Jeta: “Dit kan geen gewone zaak zijn; want Anāthapindika besteedt er zoveel goud voor.” Hij zei daarom tot Anāthapindika: “Hou maar op, bedek die plek niet. Laat ze voor mij over; ze zal mijn gave zijn.”

       Anāthapindika dacht: “Prins Jeta is een vooraanstaand en welbekend persoon. Het zal goed zijn als zulke lieden vertrouwen verkrijgen in de leer en in de regels van goed gedrag.” Dus liet hij die plek over voor prins Jeta die er een tempel liet bouwen. Anāthapindika liet in het park een klooster bouwen, het Jetavana-klooster.[103]

 

4. De vierde regentijd

 

       Ook het vierde regenseizoen bracht de Boeddha door in het Veluvana-park te Rājagaha.[104]

 

 5. De Juweel-toespraak[105]

 

5.1. Inleiding

 

       In het vijfde jaar na de Verlichting ontstond er hongersnood in de stad Vesāli. Tengevolge daarvan stierven eerst de arme mensen. De stank van hun lichamen trok een groot aantal geesten aan. Aangetast door die boze geesten stierf een nog groter aantal mensen. Zó groot was de stank van de lijken dat de inwoners ingewandsziekten kregen. Er waren toen dus drie plagen: de plaag van hongersnood, de plaag van boze geesten en de plaag van ziekte.

       De inwoners van Vesāli nodigden toen de Boeddha, die te Varanasi vertoefde, uit om hen te komen helpen door zijn bovennatuurlijke krachten. En de Verhevene ging met een groot gevolg naar Vesāli.

       Sakka, de koning van de goden, kwam in gezelschap van een groep godheden eveneens naar Vesāli. En door het samenkomen van zulke machtige goden sloegen de boze geesten voor het grootste deel op de vlucht.

      

       In de avond stond de Leraar bij de poort van de stad en sprak tot de ouderling Ānanda: “Ānanda, ontvang van mij deze Juweel-toespraak en reciteer ze als bescherming binnen de drie muren van de stad Vesāli, terwijl je met de Liccavi-prinsen de ronde doet in de stad.”

 

       De ouderling ontving de Juweel-toespraak uit de mond van de Leraar, nam water in de stenen nap van de Meester en ging naar de stad. Daar nam hij zijn plaats in aan de poort. Toen hij daar stond, mediteerde hij over alle verdiensten van de Boeddha, te beginnen met diens verheven besluit. Vervolgens beschouwde hij de tien volmaaktheden van de Tathāgata; de vijf grote opofferingen; de drie verdienstelijke daden ten behoeve van de wereld, ten behoeve van zijn verwanten en omwille van de Verlichting. verder beschouwde hij het afdalen van de Boeddha in de moederschoot in de laatste staat van zijn bestaan. Ook beschouwde hij zijn geboorte, het grote zich afwenden, de grote inspanning, zijn overwinning van Mara, zijn bereiken van alwetendheid en de negen bovenzinnelijke voorwaarden.

       Daarna betrad Ānanda de stad en ging gedurende de drie nachtwaken rond binnen de drie muren van de stad. Hierbij reciteerde hij de Juweel-toespraak als bescherming.[106]

 

5.2. De Juweel-toespraak[107]

 

“De wezens die hier samen zijn gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

mogen zij allen blij zijn en welgemoed

en mogen zij opmerkzaam luisteren

naar het woord van de leer.

 

Daarom luistert goed, gij wezens allemaal,

betoont u goedgezind jegens het geslacht der mensen

die overdag en ’s nachts u vrome gaven brengen.

Moogt gij hen daarom vol toewijding beschermen.

 

Wat er bestaat aan schatten, hier en in gindse wereld,

welk kostbaar juweel zich in de hemel ook bevindt,

geen kan zich met de Volmaakte vergelijken.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Beëindiging en verzaking, kostbare bevrijding van de dood,

bereikt door de Wijze der Sakyas, innerlijk bedaard,

niet bestaat er iets dat aan zo’n leer gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Die als zuiverheid geprezen wordt door de hoogste Boeddha,

die men als concentratie met directe vrucht aanduidt,

niet vindt men iets dat aan zo’n concentratie gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Acht verheven mensen die door de Edelen geprezen worden,

die ook bekend zijn als viervoudig mensenpaar,

zij, volgelingen van de Volkomene, zijn gaven waard.

Rijke vrucht brengt de gave die hen aangeboden wordt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Die zich met sterke geest helemaal wijdden,

vrij van lusten, aan de instelling van Gotama,

die het doel bereikten, in het Doodloze doken,

zij genieten de bevrijding, om niet verkregen.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Zoals de paal van de stadspoort stevig staat in de grond,

door winden van elke richting onbewogen,

hieraan gelijk verkondig ik de edele mens

die de viervoudige edele waarheid met wijsheid aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Zij die deze waarheid die zo goed verkondigd is,

met diepe wijsheid helder begrijpen,

al is hun vooruitgang ook zeer langzaam,

een achtste bestaan is er voor hen niet meer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Gemeenschappelijk komen met bereikt inzicht

drie dingen tot verdwijnen:

het geloof aan persoonlijkheid en twijfel

en elk hechten aan regels en rituelen.

Aan de viervoudige lagere werelden is hij dan ontkomen,

niet meer in staat om de zes grote euveldaden te begaan.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

En al maakt men ook vaak nog fouten

in daden, woorden of in gedachten ook,

hij of zij is niet in staat om zulks te verhelen.

Dit is een onmogelijkheid, zo zegt men,

voor iemand die het verheven oord aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Zoals bloesemtoppen in het dichte woud,

in het zomerseizoen, in de eerste zomermaand,

daaraan gelijk onderwees hij tot het ware heil

de beste leer, naar Nibbāna voerend.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Als beste die het beste kent,

het beste geeft, het beste brengt,

hij, zonder weerga, onderwees de beste leer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Boeddha;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.

 

Vernietigd is het oude en niets nieuws ontstaat.

Het hart is vrij van toekomstig bestaan.

Vernietigd zijn de kiemen

en geen verlangen groeit er meer.

Zo doven wijzen uit, zoals deze lamp hier.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

Sakka, de koning van de goden, reciteerde hierna nog de volgende verzen:

 

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Boeddha die als Volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

hem willen wij huldigen;

het strekke ons allen tot geluk.

 

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de leer die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen;

het strekke ons allen tot geluk.

 

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Orde die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen;

het strekke ons allen tot geluk.

 

5.3. Genezing van de plagen

 

       Op het moment dat de Eerwaarde Ānanda de woorden: “Wat er bestaat”, (vers drie) uitsprak en het water omhoog sprenkelde, viel het op de boze geesten. Vanaf de derde strofe rezen druppels water die op zilveren bolletjes leken, omhoog in de lucht en vielen op de zieke mensen. Onmiddellijk was de ziekte van hen genezen. De boze geesten werden door de druppels geraakt en probeerden te ontsnappen. Hoewel er zeer veel deuren waren, was er voor hen niet genoeg plaats om door de deuropeningen te ontsnappen. Daarom braken zij de muur af en zo ontkwamen zij.

 

       De bevolking van Vesāli maakte de raadszaal met alle soorten van parfums welriekend, richtte een baldakijn op en maakte een zitplaats voor de Boeddha gereed. De Leraar ging er neerzitten en de gemeenschap van de monniken en de gastheren van de Liccavi-prinsen zaten in een kring om hem heen. En Sakka, de koning van de goden, stond – omgeven door een groep goden – op een passende plaats.

 

       De ouderling Ānanda ging door de hele stad en keerde terug met een grote menigte mensen die van hun ziekte genezen waren. Hij begroette de Meester en ging neerzitten. Wederom reciteerde de Leraar de Juweel-toespraak. Op het einde ervan verkregen zeer veel levende wezens begrip van de leer. Aldus reciteerde hij op dezelfde manier op de volgende dag en gedurende zeven dagen daarna dezelfde toespraak. En toen hij zag dat alle plagen geluwd waren, nam hij afscheid en vertrok vanuit Vesāli.[108]

 

6. Aanbieding van gewaad door Maha-Pajapati

 

       Maha-Pajapati Gotami, de stiefmoeder en tante van de Boeddha, had een gewaad voor hem gereed gemaakt. Dat wilde zij hem op het einde van het vijfde regenseizoen overhandigen. Maar tot haar grote verrassing weigerde de Boeddha het gewaad aan te nemen. Herhaaldelijk bood zij het de Verhevene aan, maar telkens werd het door hem geweigerd. Hierover was zij diep bedroefd. Zij herinnerde zich gebeurtenissen in het leven van prins Siddhattha en hoe zij de plaats van zijn moeder had ingenomen. Tranen vulden haar ogen bij de weigering van de Boeddha om haar gave aan te nemen. Maar toch bleef Maha-Pajapati het gewaad aanbieden.

       Toen de Verhevene zag dat de koningin in verlegenheid gebracht werd, verklaarde hij dat hij het gewaad niet als een persoonlijke gave wenste aan te nemen. Maar hij stelde voor het aan de Orde, de Maha Sangha, aan te bieden. Dat zou een daad zijn die nog grotere verdienste bracht. Toen het gewaad na deze verklaring op gepaste wijze aan de Orde aangeboden was, nam de Boeddha het aan.[109]



7. Bhikkhuni Sangha

 

       Steeds meer realiseerde Maha Pajapati zich de waarheid van de leer van de Boeddha. En toen haar zoon, prins Nanda, bij de Sangha was ingetreden, verlangde ook zij ernaar om een leven van ontzegging te leiden, als een non. Maar tot dan toe bestond geen Orde van nonnen. En daarom vroeg zij aan de Verhevene toestemming om vrouwen in de Orde op te nemen. Maar om verscheidene redenen weigerde de Boeddha dat.

       Onverschrokken sneed Maha Pajapati haar haren af, kleedde zich in gele gewaden en liep, vergezeld van verscheidene Sakya-dames, van Kapilavatthu naar Vesāli. Moe van het reizen en wenend stond zij buiten het portiek van de torenhal te Mahavana, waar de Boeddha zijn verblijf had. Zij wendde zich met haar verzoek tot de Eerwaarde Ānanda die haar aan de poort had zien staan.

       De Eerwaarde Ānanda was diep bewogen en deed een beroep op de Boeddha ten behoeve van Maha-Pajapati en de andere Sakya-dames. Tenslotte gaf de Verhevene aan vrouwen toestemming om in de Orde in te treden, onder zekere voorwaarden. Maha-Pajapati nam die graag aan.[110]

       Zo werd toen te Vesāli de Orde van de nonnen (Bhikkhuni Sangha) ingesteld.[111] 

 

8. Tweede bezoek aan Kapilavatthu

 

8.1. Dood van koning Suddhodana

 

       In het vijfde jaar na de Verlichting werd koning Suddhodana, de vader van de Boeddha, ziek. Daarom bracht de Boeddha weer een bezoek aan Kapilavatthu. Hij preekte er de leer. Na het horen ervan bereikte de koning volmaakte heiligheid. Zeven dagen lang verheugde hij zich in de zaligheid van de bevrijding; daarna stierf hij.[112]

 

8.2. De twist over water

 

       In het vijfde jaar na de Verlichting maakte de Verhevene ook een einde aan de strijd tussen de Sakyas en de Koliyas over de wateren van de rivier Rohini.[113] 

 

       Kapilavatthu, de hoofdstad van de Sakyas, en Koliya, de hoofdstad van de Koliyas, lagen elk aan een van de oevers van de rivier Rohini. Tussen beide steden was een enkele dam. De boeren van beide plaatsen bevloeiden hun velden met water van deze rivier. Tengevolge van erge droogte was eens de rijst en het andere gewas in gevaar, en de boeren van beide kanten kwamen bij elkaar. Die van de stad Koliya wilden het water van de rivier Rohini niet verdelen maar naar hun eigen velden laten stromen. De boeren van Kapilavatthu protesteerden hiertegen; als zij geen water meer kregen, zou hun oogst vernield worden.

       Beide partijen wilden het water alleen voor hun eigen gebruik. Ruzie en een handgemeen ontstond er tussen de boeren. De twist die tussen de boeren was ontstaan, verspreidde zich als een vuurtje en de zaak werd aan de respectievelijke heersers bericht. Omdat zij geen compromis konden vinden, maakten beide partijen zich gereed voor een oorlog.

       De Boeddha kwam te weten dat zijn verwanten aan beide zijden van de rivier zich gereed maakten voor een oorlog. Voor hun heil en geluk en teneinde onnodig bloedvergieten te voorkomen, besloot hij hen een halt toe te roepen. Geheel alleen ging hij door de lucht naar de rivier en ging met gekruiste benen in de lucht boven het midden ervan zitten. Toen zijn verwanten hem zagen, legden zij de wapens neer en betoonden hem eer.

       Toen vroeg de Verhevene aan zijn verwanten: “Wat is de reden voor deze ruzie, koning?” – “Wij weten het niet, Eerwaarde Heer.” – “Wie weet het dan wel?” – “De legeraanvoerder zal het wel weten.” Deze wist de reden niet en verwees naar iemand anders. Uiteindelijk waren de boeren aan de beurt. En zij gaven ten antwoord: “De ruzie is over water, Eerwaarde Heer.”

       De Boeddha zei toen aan de koning: “Is water nu zoveel waard? De levens van allen hier zijn onbetaalbaar. Het is niet juist dat u omwille van een beetje water die levens op het spel zet.” Allen werden toen stil en de Boeddha ging verder met de woorden: “Grote koningen, waarom handelen jullie zo? Als ik vandaag niet hier was geweest, hadden jullie een stroom van bloed laten vloeien. Jullie zijn vol van haat, maar ik ben vrij van haat. Jullie zijn besmet met de ziekte van morele onreinheden, maar ik ben vrij van die ziekte. Jullie streven naar het ontwikkelen van egoïsme, vijandschap en zinnelijk genot, maar ik streef niet daarnaar.”

   En verder sprak de Verhevene:

   “Waarlijk, wij leven gelukkig,

   zonder haat temidden van mensen met haat;

   onder mensen vol haat

   leven wij zonder haat.”

      

   “Waarlijk, wij leven gelukkig,

   in goede gezondheid[114] temidden van de zieken;

   onder zieke mensen

   leven wij vrij van ziekten.”

 

   “Waarlijk, wij leven gelukkig,

   zonder verlangen naar zinnelijk genot

   temidden van degenen die daarnaar verlangen;

   onder degenen die vol verlangen zijn,

   leven wij vrij van verlangen.”

 

   Beide partijen werden toen beschaamd vanwege hun dwaasheid en aldus werd bloedvergieten voorkomen.[115]

 

9. Onjuist en juist denken over de dood

 

       Ten tijde van de Boeddha was de stad Sāvatthi een bolwerk van de Ājīvikas, een sekte die weinig verschilde van de Jainas. Ook koning Pasenadi was een aanhanger van die sekte.

       In het zesde regenseizoen na zijn Verlichting bracht de Boeddha voor het eerst een bezoek aan het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Daar hoorde hij dat de innig geliefde enige zoon van een inwoner van die plaats gestorven was. De vader van de overledene ging naar de Boeddha die tot hem zei: “Gezinshoofd, uw vermogens schijnen te zijn als van iemand die buiten zinnen is; uw vermogens schijnen niet normaal te zijn.”

       “Heer, hoe kunnen die normaal zijn nu mijn innig geliefde enige zoon dood is. Sedert zijn dood heb ik geen gedachte meer gekoesterd aan mijn werk of aan mijn maaltijden. Ik blijf maar naar de knekelplaats gaan en blijf maar roepen naar mijn enige kind.”

       “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefde personen die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.”

       “Wie kan nu zoiets denken, Heer? Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.”

 

       Het gezinshoofd keurde de woorden van de Verhevene af en had een andere mening. Hij stond op en ging weg. Bij die gelegenheid nu waren enkele spelers niet ver van de Verhevene aan het dobbelen. Het gezinshoofd ging naar hen toe en vertelde wat er gebeurd was. Zij gaven hem gelijk met de woorden: “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.” Het gezinshoofd was het met de dobbelaars eens en ging zijns weegs.

 

       Dit verhaal bereikte uiteindelijk het koninklijk paleis. Koning Pasenadi zei aan de koningin: “Mallikā, wat is de bedoeling van de woorden van de monnik Gotama?” – “Heer, als de Gezegende iets heeft gezegd, dan is dat ook zo.”

       Koning Pasenadi zei daarop: “U spreekt als een volgelinge van de monnik Gotama. Ga maar weg, Mallikā.”

 

       Koningin Mallikā vroeg aan de brahmaan Nālijangha naar de Verhevene te gaan en hem in haar naam eer te betonen. Ook moest hij vragen of de Verhevene had gezegd dat innig geliefde personen verdriet brengen. Het antwoord moest hij dan aan de koningin vertellen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid.”

       De brahmaan deed wat hem was gevraagd. De Gezegende gaf ten antwoord: “Inderdaad, zo is het; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.”

       De Boeddha haalde toen veel voorbeelden aan, zoals onder andere het volgende: “Eens was hier in Sāvatthi een vrouw wier moeder stierf. Op grond daarvan raakte zij haar verstand kwijt en liep waanzinnig door de straten. En overal vroeg zij of iemand haar moeder had gezien.”

       En de Verhevene vertelde verder: “Hieruit kan begrepen worden hoe innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop.”

      

       Nālijangha keerde naar de koningin terug en vertelde haar wat de Boeddha had gezegd. Daarop ging zij naar koning Pasenadi en vroeg: “Heer, wat is uw mening? Is uw dochter, prinses Vajirī, u dierbaar?” – “Jazeker, Mallikā, zij is mij dierbaar.” – “Heer, wat denkt u dan; indien er een verandering plaats had bij prinses Vajirī, zou dat dan verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop?” – “Ja, elke verandering bij haar zou een verandering in mijn leven betekenen. Hoe zouden dan verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop niet in mij ontstaan?” – “Heer, juist met betrekking hierop heeft de Gezegende, die weet en ziet, die volmaakt en geheel ontwaakt is, gezegd: ‘Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.’”

       Hierna vertelde de koningin nog enkele andere voorbeelden. De koning zei daarop: “Mallikā, het is wonderbaarlijk, het is prachtig hoe ver de Gezegende iets doordringt en met begrip ziet.” En koning Pasenadi stond van zijn zetel op, schikte zijn oppergewaad over een schouder en hief zijn handen omhoog met de palmen ervan in de richting van de Verhevene. En hij sprak drie keer: “Eer aan de Gezegende, de Volmaakte, de Geheel Ontwaakte.[116]

 

       Toen zijn grootmoeder op de leeftijd van 120 jaar stierf, was koning Pasenadi erg bedroefd. Hij wilde alles geven om zijn grootmoeder te redden. De Boeddha troostte hem met een toespraak over de dood.

       “Alle wezens zijn sterfelijk; zij eindigen met de dood, zij hebben de dood in het verschiet. Het is als met de vazen van een pottenbakker. Die zijn allemaal breekbaar, of ze nu gebakken zijn of niet. Het einde ervan zijn de scherven; dat hebben ze in het verschiet.”[117] 

 

10. Het tweelingwonder

 

       Toen de koning de leer had aangenomen, kwam hij regelmatig naar de Verhevene te Jetavana. Door zijn vroegere aanhangers van de Ājīvika-sekte werd hij daarom uitgedaagd om het bewijs te leveren dat de Boeddha hen in wonderkracht overtrof. Namens de koning nam de Verhevene die uitdaging aan. Als plaats voor de bewijsvoering stelde hij de Makula-heuvel voor, nabij het Jetavana-klooster. Daar op die heuvel verrichtte de Verhevene het Tweeling-wonder.[118]

 

       Volgens een andere versie is de oorsprong en reden van dit wonder te Sāvatthi aldus:

       Een schatmeester van Rājagaha had eens in de rivier de Ganges een stuk sandelhout gevonden. Daaruit had hij een vaas laten draaien en die vaas had hij 30 meter hoog opgehangen. Hij liet toen afkondigen dat, als iemand een heilige was, die persoon dan door de lucht moest vliegen en de vaas moest pakken. Samen met zijn gezin zou de schatmeester dan de volgeling van de heilige worden.

       Diverse religieuze leraren probeerden met list die vaas te krijgen. Maar de schatmeester liet zich niet beetnemen. De Eerwaarde Maha-Moggallana en de Eerwaarde Pindolabhāradvaja hoorden een gesprek van mensen uit Rājagaha. Die mensen geloofden niet dat er werkelijk Arahants bestonden. De Eerwaarde Maha-Moggallana vroeg daarom aan de Eerwaarde Pindolabhāradvaja die vaas te pakken. Deze verrichtte toen een groot wonder en kreeg de houten vaas.

       De Boeddha hoorde van het voorval en liet de vaas tot poeder malen. Verder verbood hij aan zijn discipelen om bovennatuurlijke krachten voor zulke doeleinden te gebruiken.

       De sekteleiders zeiden toen dat zij zelf geen wonder hadden verricht omdat het hun gewoonte was hun bovennatuurlijke krachten verborgen te houden. In het vervolg zouden zij alleen samen met de Boeddha wonderen doen. Dit zeiden zij omdat de Verhevene verboden had wonderen te verrichten. Zijn verbod gold evenwel niet voor hemzelf.

       Aan koning Bimbisara van Rājagaha verklaarde de Boeddha dat hij op de dag van volle maan in de maand Asalha[119] te Sāvatthi een wonder wilde verrichten. Hij wees die plaats aan omdat Sāvatthi de plaats is waar alle Boeddhas hun grote wonderen hebben verricht. En ook wilde hij het aldus mogelijk maken dat een grote menigte er samenkwam.

       De sekteleiders vernamen dat de Boeddha een wonder te Sāvatthi zou verrichten. Zij volgden hem daarom naar die plaats. In de stad vroegen zij aan hun aanhangers veel geld en lieten een paviljoen oprichten. Naar hun zeggen zouden zij daar een wonder verrichten.

       Koning Pasenadi van Sāvatthi ging naar de Boeddha toe en vroeg of hij voor de Verhevene ook een paviljoen zou oprichten. Maar de Boeddha gaf ten antwoord dat het niet nodig was. De plaats voor het wonder zou aan de voet van de mangoboom zijn die Ganda’s mangoboom heette.

       De sekteleiders lieten toen alle mangobomen tot ver in de omtrek uittrekken, ook de jonge boompjes die pas ontsproten waren.

       Op de dag van volle maan in de maand Asalha kwam de Boeddha in de stad aan. Op dezelfde dag zag Ganda, de tuinier van de koning, een rijpe mango. Hij raapte hem op en wilde die mango aan de koning geven. Maar toen hij onderweg de Boeddha ontmoette, schonk hij de rijpe vrucht aan de Meester. De ouderling Ānanda maakte sap van de vrucht en gaf het sap aan de Verhevene die het opdronk. Daarna vroeg de Boeddha de aarde om te spitten en het zaad van de mango te planten. De tuinier deed zoals hem verzocht werd.

       De Verhevene waste zijn handen boven de plek waar de mangozaadjes geplant waren. Op datzelfde moment ontsproot er een mangoboom, met een dikke stam en vijf grote takken. Onmiddellijk was de boom bedekt met bloesem en vruchten; hij droeg rijpe mango’s.

       De koning vernam de gebeurtenis en verbood dat die boom gekapt werd. Hij plaatste er bovendien nog een wachtpost bij. Omdat deze boom door de tuinman Ganda geplant was, kreeg hij de naam Ganda’s mangoboom. De Verhevene verrichtte toen het tweelingwonder.

       Hij schiep een wandelgang in de lucht. En terwijl hij over die wandelgang liep, kwamen uit elke porie van zijn lichaam stromen van water en vuur, in een V-vorm. Zij hadden zes kleuren: blauw, geel, wit, rood, oranje en briljant.[120]

       Ook schiep hij veel duplicaten van zichzelf. En terwijl de Boeddha heen en weer wandelde, stonden, zaten of lagen zijn duplicaten. En wanneer hij bleef staan, wandelden of lagen of zaten zijn duplicaten. Hij vermoeide de mensen niet met een leerrede zonder onderbrekingen. Maar met tussenpozen verkondigde hij de leer aan de menigte. Hij gaf de mensen genoeg tijd om een verfrissing te nuttigen. En toen hij aldus de leer onderwees en wonderen verrichtte, verkregen velen een helder begrip van de leer.[121]

 

11. Kisāgotamī

             

       Bij een andere gelegenheid sprak de Verhevene weer over de onvermijdelijke dood. Het was toen Kisāgotamī haar enige kind verloor. Daardoor raakte zij buiten zinnen. Zij wilde niet accepteren dat haar zoontje dood was. Met het dode lichaam ging zij door de stad en vroeg overal naar een geneesmiddel voor haar kind. Tenslotte werd zij door medelijdende personen naar de Boeddha verwezen. Zij ging naar de Verhevene toe en vroeg hem of hij een geneesmiddel had. De Boeddha zei haar dat hij wel een geneesmiddel wist; maar daarvoor had hij een paar mosterdzaden nodig. Kon zij hem die brengen? – “Zeker, Heer.” – “Maar, zuster, ze moeten zijn van een huis waar nog nooit iemand gestorven is.”

       Kisāgotamī ging van deur tot deur en vroeg naar mosterdzaad. Dat zaad kon zij wel krijgen; maar overal was al ooit iemand gestorven. ’s Avonds begreep zij eindelijk de bedoeling van de Verhevene. Zij begreep dat de dood deel uitmaakt van het leven en onvermijdelijk is. Zij begroef haar dode zoontje in het bos en ging terug naar de Boeddha. Deze zei: “Jij dacht dat alleen jij het leed van scheiding ondervond. Maar het is in elk huis te vinden. In elke plaats zijn er meer doden dan levenden.”

       Zo werd Kisāgotamī genezen van haar leed. En op het einde van de leerrede van de Boeddha tot haar bereikte zij ook het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti).[122] 

 

12. Māgha Pūjā

 

       Na afloop van de periode van zes jaren die de Boeddha had vastgesteld, verkondigden godheden aan de Arahants dat de termijn van zes jaren verstreken was en dat het tijd was om weer samen te komen om de Orde-regels plechtig op te zeggen.

       Toen begaven die Arahants zich op weg en kwamen samen in het Veluvana-park.[124] Daar zei de Verhevene toen plechtig de Orde-regels op:

       “Geduld en verdraagzaamheid is de hoogste boete-oefening;

       de Boeddhas noemen Nibbāna het hoogste.

       Geen pelgrim is hij die anderen aangrijpt;

       geen boeteling is degene die iemand anders schade berokkent.[125]

 

       Het nalaten van alle kwaad,

       het constant zich moeite doen voor het goede,

       de reiniging van de eigen geest:

       dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.

 

       Zonder te berispen, zonder te strijden,

       wel-beschermd door de Orde-regel,

       steeds matig bij de maaltijd

       en gericht naar afgelegen verblijfplaats

       en naar verheven denken:

       dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.”[126]


 

13. Verkondiging van de Abhidhamma

 

       Volgens de traditie bracht de Verhevene het zevende regenseizoen door in de hemel van de Drieëndertig. Hij zou er de Abhidhamma onderwezen hebben aan de godheden. Ook zijn moeder die als een godheid herboren was in de Tavatimsa-hemel, zou toen naar hem zijn komen luisteren.[127]
 

    Het woord Abhidhamma heeft de betekenis: ‘wat de dhamma betreft’. Later werd het in de oude commentaren uitgelegd als “hogere, bijzondere dhamma”.  Bedoeld is de hogere leer die naar Nibbana leidt. Er is niet de de Abhidhamma Pitaka mee bedoeld. Die is later ontstaan dan de rest van de canon. Bij het eerste en tweede concilie is geen sprake van de Abhidhamma Pitaka. Vermoedelijk bestond de Abhidhamma Pitaka wel ten tijde van het 3e concilie.


14. Nakulapitā en Nakulamātā 

 

       In het land van de Bhaggas, gelegen in het dal van de Ganges, was een stad met naam Sumsumaragiri (Krokodillenheuvel). In de nabijheid hiervan, in het Bhesakalā-bos, bracht de Boeddha het achtste regenseizoen door.[128]

       Toen hij eens door de stad liep, wierp een oude man zich voor zijn voeten neer en riep uit: “Dierbare zoon, waarom bent u nooit naar ons gekomen? Komt a.u.b. en vereert ons huis met een bezoek. Dan kan ook uw bejaarde moeder u zien.”

       Die man was niet buiten zinnen. Maar hij en zijn echtgenote waren meer dan honderd keren in voorgaande levens de ouders van de Bodhisatta geweest. Bij het zien van de Verhevene was de herinnering daaraan weer opgekomen en had de oude man overweldigd. Zijn naam was Nakulapitā en zijn vrouw was bekend als Nakulamātā.[129]

       De Boeddha nam de uitnodiging aan en bezocht het echtpaar in hun huis. En Nakulapitā vertelde over zijn gelukkig huwelijk: “Heer , toen ik met Nakulamātā trouwde, was ik nog vrij jong en zij was nog een meisje. Heer, sinds wij getrouwd zijn, ben ik me er niet van bewust iets tegen haar te hebben gehad, zelfs niet in gedachten. Heer, wij willen heel graag samen blijven, niet alleen in dit leven maar ook in het volgende.” En Nakulamātā sprak op gelijke wijze.

       Hierop zei de Boeddha: “Indien en vrouw en man wensen samen te zijn zowel in dit leven als in het volgende, dan moeten beiden op gelijke wijze vertrouwen, edelmoedigheid en wijsheid ontwikkelen. Zó blijven zij samen, nu en later.”[130]

 

       Eens was Nakulapitā erg ziek. Zijn vrouw Nakulamātā kwam toen aan zijn bed zitten, sprak hem teder toe en stelde hem op zijn gemak. Zij somde hem haar vaardigheden en deugden op en maakte hem op die manier duidelijk dat hij niet bang wegens haar en de kinderen hoefde te zijn. Hij hoefde zich absoluut geen zorgen te maken. Zij gaf hem de raad zijn gezondheid niet te ondermijnen met zulke verwarrende gedachten.

       Na deze raad en troost van zijn dierbare Nakulamātā nam zijn ziekte geleidelijk af. Toen Nakulapitā weer beter was, ging hij vol eerbied naar de Boeddha en vertelde hem over Nakulamātā. De Verhevene prees toen de deugden van Nakulamātā en zei: “Mijn beste, het is een grote zegen voor je dat je zo’n welwillende en liefdevolle vrouw hebt als steun en hulp, als gids en als leraar. Zij is één van de vrouwelijke lekenvolgelingen die volmaakt zijn in deugd, gestild in de geest en vast gevestigd in de leer. Zij heeft de leer zelf begrepen en steunt daarbij niet op iemand anders.”[131]

 

       Bij een andere gelegenheid vroeg Nakulapitā aan de Boeddha waarom sommige mensen wel bevrijding zoeken en anderen niet. Het antwoord luidde: “Alwie gehecht blijft aan de objecten die door de zintuigen waargenomen worden, kan geen bevrijding verkrijgen. Alwie ophoudt met gehecht te zijn aan zinsobjecten, wordt vrij.”[132]

 

       Op een andere dag ging Nakulapitā eer betonen aan de Boeddha. Bejaard en zwak als hij was, kon hij de Verhevene slechts zelden ontmoeten, zo zei hij. Kon de Gezegende hem niet een woord van troost geven?

       De Boeddha gaf ten antwoord: “Het lichaam is onderhevig aan ziekte en verval. De lichamelijke vorm is een last, zelfs in de beste omstandigheden. Daarom moet men zich oefenen met te denken: ‘Hoewel mijn lichaam ziek is, moet mijn geest niet ziek zijn.’”

       Nakulapitā bedankte de Verhevene en vertrok. Niet lang daarna kwam hij de Eerwaarde Sariputta tegen die hem met de volgende woorden toesprak: “Uw uiterlijk is kalm, gezinshoofd, en uw gelaatstrekken zijn rustig. Hebt u vandaag een gesprek gehad met de Verhevene?”- “Jawel, Eerwaarde Heer, zo is het," zei Nakulapitā. “De Verhevene heeft me heden getroost met zijn aangename woorden.”

       Hierna gaf de Eerwaarde Sariputta een volledige uitleg van de woorden van de Boeddha. Lichamelijke ziekte kan overwonnen worden door zich niet te identificeren met de vijf groeperingen van bestaan (lichaam, gevoelens, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn). Wanneer de tijd komt - en die komt zeker - dat de dood nabij is, dan zal de mens die wel-geoefend is, niet wanhopen; hij kijkt koeltjes toe. Zijn lichaam kan verdorren, maar zijn gemoed blijft gezond.[133]

 

15. De twist te Kosambi

 

       In het negende regenseizoen vertoefde de Boeddha te Kosambi, in het Ghosita-klooster. Kosambi was de hoofdstad van het kleine koninkrijk van Vamsa, tussen de Ganges en de rivier Yamuna. De koning ervan was Udena.[134]

       In deze plaats ontstond een twist tussen twee partijen monniken. Die twist was te wijten aan een onbeduidend voorval. Een monnik die een leraar van de suttas was, had een pot met ongebruikt water laten staan bij het toilet. Een andere monnik, deskundig in de Vinaya (kloosterregels), nam daar aanstoot aan en wees de leraar-monnik erop dat dit een overtreding was. “Ik wist dat niet,” zei deze. “Dan is dat geen overtreding,” zei de ander. Maar later maakte hij die monnik uit voor leugenaar. Er vormden zich twee partijen en er ontstond een langdurige twist. De Verhevene werd te hulp geroepen, maar de monniken sloegen geen acht op zijn raad.[135]

       Omdat hij aan de twist geen einde kon maken, verliet hij Kosambi en ging naar Bālakalonakāragāma. Daar vertoefde de Eerwaarde Bhagu, die door de Verhevene aangemoedigd werd in zijn streven.[136]

       Hierna ging de Boeddha naar het oostelijk gelegen bamboepark en had er een lang gesprek met de Eerwaarden Anuruddha, Nandiya en Kimbila.[137]

 

16. Een olifant zorgt voor de Boeddha

 

       In etappes ging de Verhevene verder naar Pārileyyaka[138]. Daar verbleef hij in het Rakkhita-woud aan de voet van een sala-boom. In dat woud was ook een olifant die alleen leefde, niet in een kudde. En die olifant zorgde voor de Verhevene, gaf hem te eten en te drinken. Beiden leefden er op hun gemak, niet gestoord door twistende monniken of door koeien- en kalveren-olifanten.[139]

 

Dank zij de druk, op hen uitgeoefend door de leken, beseften de monniken hun fouten en zij verzochten de Eerwaarde Ānanda de Verlichte te vragen naar het klooster terug te keren.

       Op het einde van de regentijd ging Ānanda naar het woud, samen met 500 monniken. Hij liet de monniken op enige afstand wachten en ging alleen naar de Boeddha toe. Na het verzoek van Ānanda liet de Verhevene hem de andere monniken halen. Allen kwamen en betoonden eer aan de Boeddha en zeiden: “Eerwaarde Heer, u moet een moeilijke tijd hebben meegemaakt toen u de regentijd geheel alleen in dit woud doorbracht.” Hierop gaf de Boeddha ten antwoord: “Monniken, de olifant Pārileyyaka zorgde al die tijd voor mij. Hij was waarlijk een zeer goede vriend, een ware vriend. Als iemand zo’n goede vriend kan vinden, dan moet hij bij hem blijven. Maar als men geen goede vriend kan vinden, dan is het beter alleen te blijven.”

       En verder sprak hij:

   “Indien je een verstandig metgezel hebt,

   die met je gaat, die goed en wijs handelt,

   dan moet je bij hem blijven in vreugde en oplettend,

   alle gevaren overkomend.

 

   Maar als je geen verstandig metgezel hebt,

   die met je gaat, die goed en wijs handelt,

   dan moet je, als een koning

   die een veroverd koninkrijk verlaat,

   alleen leven zoals een olifant in het olifantenwoud.

 

   Het is beter alleen te leven.

   Er is geen sympathieke omgang met de onwetende.

   Laat men alleen leven en geen kwaad doen,

   zonder zorgen en met weinig benodigdheden,

   als een olifant in het olifantenwoud.”[140]

 

       Toen de Verhevene te Pārileyyaka had vertoefd zolang als het hem behaagde, ging hij in etappes verder naar Sāvatthi.[141]

 

       In de tiende regentijd na de Verlichting kwam eerst de ene partij monniken vanuit Kosambi naar de Verhevene toe en daarna de andere partij. En op het einde van dat seizoen werd de twist in tegenwoordigheid van de Verhevene te Sāvatthi bijgelegd.[142]

 

17. De ploeger Bhāradvāja

 

       In het elfde regenseizoen vertoefde de Verhevene in de heuvels ten zuiden van Rājagaha, in het dorp Ekanālā. Daar verrichtte de ploeger Bhāradvāja, een brahmaan, zijn arbeid. Juist bij etenstijd ging de Verhevene naar hem toe en bleef naast hem staan. Bharadvāja zei toen: “Ik ploeg en zaai en daarna eet ik. Ook u, asceet, moet ploegen en zaaien en daarna kunt u eten.”

       De Boeddha gaf ten antwoord dat hij eveneens ploegde en zaaide en daarna at. Maar de brahmaan-ploeger kon geen juk noch ploegschaar zien, en evenmin een tweespan. Hoe kon de Verhevene dan zoiets zeggen?

       Het antwoord van de Boeddha luidde: “Vertrouwen is het zaaigoed, en ascese is de regen; de wijsheid is juk en ploeg. Schaamte is de disselboom en de geest is de verbinding. De oplettendheid is ploegschaar en stok om aan te drijven. Met daden en woorden bewaakt, met het lichaam bij de maaltijd beteugeld, gebruik ik de waarheid om te zaaien. Door de innerlijke vrede wordt het juk losgemaakt. De wilskracht is mijn tweespan. Het gaat daarheen waar men na aankomst geen zorgen meer heeft. Het voert naar de vrijheid van de last. Op die manier is dit veldwerk voltooid: de vrucht ervan is het Doodloze. Wie zulk veldwerk heeft volbracht, wordt van alle leed bevrijd.”

       De ploeger Bhāradvāja vulde een grote schaal met melkrijst en bood ze aan de Verhevene aan. Omdat deze gave als beloning voor de wijze les aangeboden werd, kon de Boeddha ze niet aannemen. De ploeger moest de rijst maar op een plek gooien waar geen gras groeide of in een poel zonder levende wezens erin. En Bhāradvāja ledigde de schaal met melkrijst in een poel waarin geen (zichtbare) levende wezens waren. De melkrijst borrelde en siste, rookte en dampte als een gloeiende ijzeren staaf die in het water wordt gegooid. De brahmaan-ploeger Bhāradvāja ging daarop met ontzetting naar de Verhevene en dankte hem ervoor dat hij op zo’n manier de leer duidelijk had gemaakt. Bhāradvāja nam zijn toevlucht tot het Drievoudige Juweel en werd in de Orde opgenomen. Niet lang daarna bereikte hij het hoogste doel: hij werd een heilige. Voor hem was er geen wedergeboorte meer.[143]

 

18. Leerrede tot Rāhula

 

       In het twaalfde jaar na de Verlichting werd Rāhula 18 jaar. Hij was nog een novice (sāmanera). De Boeddha vertoefde toen weer in het Jetavana-klooster. Daar onderwees hij zijn zoon Rāhula in de leer. Hij sprak tot hem over het kenmerk van niet-zelf en over de elementen. Hij spoorde hem ook aan steeds oplettend te zijn en volmaakte gelijkmoedigheid van geest te ontwikkelen, een gelijkmoedigheid die ongestoord blijft door begeerte en afkeer.

       De Verhevene gebruikte als voorbeeld aarde, water, vuur, lucht en ruimte. Uit die elementen bestaat ook het lichaam. En die elementen zijn niet beschaamd of vernederd noch hebben zij ergens een afkeer van. Als op de grond gespuwd wordt, is de aarde niet vernederd noch vindt ze het walgelijk. Als iets met water gewassen wordt of als door vuur iets verbrand wordt, dan is dat water of dat vuur niet beschaamd noch vernederd, noch wordt het als walgelijk ondervonden. Wat de lucht ook wegwaait - iets moois of iets lelijks - ze wordt er niet door geraakt. En ook ruimte heeft nergens een afkeer van, is niet beschaamd of vernederd.

       Verder gaf de Boeddha aan Rāhula de raad liefdevolle vriendelijkheid (mettā) te beoefenen en mededogen (karunā). “Beoefen ook het beschouwen van de walgelijkheid van het lichaam om vrij te worden van begeerte. Beoefen het beschouwen van vergankelijkheid om vrij te worden van de verkeerde mening ‘ik ben’. Beoefen oplettendheid bij het ademhalen. Want wanneer dit gedaan en ontwikkeld wordt, brengt het grote vrucht en veel zegeningen.”[144]

 

19. Het twaalfde jaar na de Verlichting

 

19.1 Introductie van de Vinaya

 

       De introductie van de Vinaya, de voorschriften voor de monniken, wordt toegeschreven aan de twaalfde regentijd.

 

19.2. De brahmaan Veranjā

 

       Gedurende deze regenperiode kwam de brahmaan Veranjā een bezoek brengen aan de Boeddha. Deze brahmaan stelde een reeks vragen over Boeddhistische praktijken. Hij was erg tevreden met de antwoorden van de Gezegende en werd diens volgeling. Hij nodigde de Boeddha en de gemeenschap van de monniken uit om de regentijd in zijn dorp Veranjā door te brengen. In die tijd heerste er hongersnood. De Boeddha en zijn discipelen moesten tevreden zijn met zeer grof voedsel dat door paardenhandelaren verstrekt werd.

       Het was de gewoonte van de Boeddha om, voordat hij zijn reis vervolgde, afscheid te nemen van degene die hem had uitgenodigd. Daarom bezocht hij aan het einde van de regentijd de brahmaan. Deze erkende dat hij het hele seizoen te kort was geschoten in zijn plichten jegens de Boeddha en diens discipelen. Dit was te wijten aan het feit dat hij met de plichten van een huishouden belast was. Maar de volgende dag bood hij voedsel en kleren aan de Boeddha en de Sangha aan.[145] 

 

19.3.Van Veranjā naar Vesāli

 

       Van Veranjā ging de Verhevene naar Payāgapatitthāna (Allahabad). Daar stak hij de rivier de Ganges over en ging naar Varanasi (Benares). Vandaar ging hij verder naar Vesāli.[146]

 

20. Dingen nodig voor de bevrijding van de geest

 

       De 13e regentijd bracht de Verhevene door te Cālikā op de Calika-heuvel. In de nabijheid ervan lag het dorp Jantugāma, aan de oevers van de rivier Kimikāla. Gedurende deze tijd was de ouderling Meghiya de persoonlijke dienaar van de Boeddha. De ouderling werd aangetrokken door een mooi mangobosje dichtbij de rivier. Hij vroeg daarom aan de Verhevene toestemming om erheen te gaan voor meditatie. De Boeddha vroeg hem te wachten totdat een andere monnik kwam, maar Meghiya herhaalde zijn verzoek. De Verhevene stemde toen toe. De ouderling vertrok, maar tot zijn grote verbazing werd hij gekweld door gedachten van zin-genot, kwaadwil en benadelen. Teleurgesteld keerde hij terug. Daarop zei de Boeddha:

       “Meghiya, vijf dingen zijn er nodig voor de bevrijding van de geest van een onrijp persoon; vijf dingen voeren naar het rijp worden van hem, namelijk: (1) een goede vriend; (2) deugdzaam gedrag dat geleid wordt door de essentiële voorschriften van oefening; (3) goede raad die naar bedaardheid, kalmte voert en naar verdwijning van het euvele, naar verlichting en Nibbāna; (4) de inspanning om kwade gedachten op te geven en om heilzame gedachten te verkrijgen; (5) het verwerven van wijsheid die het ontstaan en vergaan van de dingen onderkent.”[147]

       En verder sprak de Verhevene: “De flakkerende, wispelturige geest is moeilijk te bewaken, moeilijk te beheersen. De wijze persoon maakt ze recht zoals een pijlenmaker een pijl recht maakt. Deze geest beweegt snel heen en weer zoals een vis die vanuit het water op het droge is geworpen. Daarom moet de sfeer van de hartstochten vermeden worden.”[148]

       Na de leerrede van de Boeddha bereikte de Eerwaarde Meghiya volmaakte heiligheid.[149]

 

21. De vaderlijke erfenis voor Rāhula

 

       In het veertiende regenseizoen na de Verlichting vertoefde de Verhevene te Sāvatthi, in het Jetavana-klooster. De Eerwaarde Rāhula was toen twintig jaar en hij kreeg de hogere wijding (upasampadā).[150]

       Niet lang daarna zat de Boeddha alleen te mediteren en de volgende gedachte kwam bij hem op: “In Rāhula zijn nu die eigenschappen rijp die bevrijding brengen. Zou ik thans niet verdere aanwijzingen aan hem geven, voor de uitdoving van de smetten?”

       In de voormiddag ging de Verhevene naar Sāvatthi om er voedsel te vergaren. Na de maaltijd sprak hij tot de Eerwaarde Rāhula: “Neem je mat, Rāhula; wij gaan naar het Andha-park en blijven daar de hele dag.” – “Jawel, Heer,” gaf de Eerwaarde Rāhula ten antwoord, nam zijn mat en liep achter de Verhevene aan.

       Bij die gelegenheid volgden vele duizenden godheden de Boeddha. Zij dachten: “Vandaag gaat de Gezegende verdere aanwijzingen geven aan de Eerwaarde Rāhula voor de uitdoving van de smetten.”

 

       In het Andha-park ging de Boeddha aan de voet van een boom neerzitten en Rāhula ging vol eerbied naast hem zitten. De Verhevene richtte zich toen tot Rāhula met de volgende woorden:

       “Rāhula, wat denk je; is het oog iets blijvends of niet?” – “Heer, het is niet blijvend.” – “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend.”[151] – “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'’?”[152] – “Natuurlijk niet, Heer.”

      

       “Rāhula, wat denk je; is oog-bewustzijn en is visueel contact blijvend of niet?” – “Heer, het is niet blijvend.” – “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend.” – “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'’?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

 

       “Rahula, wat denk je; datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - is dat blijvend of niet?” – “Heer, het is niet blijvend.” – “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend.” – “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’'?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

 

       “Rāhula, wat denk je; oor en geluiden, neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alwat aangeraakt kan worden, geest en ideeën, de ermee corresponderende soorten bewustzijn en contact, is dat alles blijvend of niet? En wat denk je van de gevoelens, waarnemingen, geestelijke formaties en het bewustzijn? Is dat alles blijvend of niet?” – “Heer, dat alles is niet blijvend.” – “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend.” – “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’'?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

 

       “Rāhula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af[153] van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

       Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alwat aangeraakt kan worden, en van geest en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

       Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.’ Aldus weet hij.”

 

       Zo sprak de Verhevene. De Eerwaarde Rāhula verheugde zich zeer over de woorden van de Boeddha. Tijdens het luisteren naar deze leerrede was de geest van de Eerwaarde Rāhula bevrijd van de smetten; hij hechtte zich nergens meer aan. Volmaakte heiligheid was door hem bereikt. Op dat moment van Arahantschap gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rāhula eens had gevraagd.[154]

 

       En bij de vele duizenden godheden ontstond het smetteloze, reine oog der waarheid: “Alwat onderhevig is aan ontstaan, is ook onderhevig aan vergaan.” Zij bereikten toen allen het eerste niveau van heiligheid.[155]

 

22. Toezicht door monniken bij bouwwerken

 

       Eens verbleef de Verhevene te Vesāli. Daar lieten de mensen toen geestdriftig gebouwen oprichten. Bhikkhus hielden toezicht op het werk en zij werden vrijgevig voorzien van gewaden, voedsel, een verblijfplaats en medicijnen voor de zieken.

       Er leefde ook een arme kleermaker. Deze dacht: “Dit kan geen gewone zaak zijn. Zou ik ook iets bouwen?”

       Hij maakt bakstenen van klei en zette een stellage op. Maar uit gebrek aan ervaring maakte hij de muur scheef en ze viel om. Dit gebeurde nog twee keer. De arme kleermaker ergerde zich toen met de woorden: “De zonen van de Sakyas geven advies aan de mensen die hun gewaden, voedsel, een verblijfplaats en medicijnen geven. Maar ik ben arm. Niemand geeft mij raad of aanwijzingen en niemand houdt toezicht bij wat ik bouw.”

       Bhikkhus hoorden hierover en zij vertelden het aan de Boeddha. Deze sprak daarop tot de monniken aldus: “Bhikkhus, ik sta toe dat een bouwwerk formeel aangewezen wordt. Een Bhikkhu die bij zo’n bouwwerk toezicht houdt, moet ervoor zorgen dat het gebouw vaardig voltooid wordt. Ook moet hij datgene wat vernield of gebroken is, laten repareren.”

 

23. De toespraak tot de Eerwaarde Girimānanda[156]

 

       Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi, in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Te dien tijde nu leed de Eerwaarde Girimānanda aan een ziekte, hij werd erdoor gekweld en hij was zwaar ziek. Daarop begaf zich de Eerwaarde Ānanda naar de Boeddha, groette hem, ging naast hem neerzitten, en zei:

       “Bhante,[157] de Eerwaarde Girimānanda lijdt aan een ziekte, hij wordt erdoor gekweld en hij is zwaar ziek. Het ware goed, Bhante, indien de Gezegende de Eerwaarde Girimānanda zou opzoeken, uit medelijden met hem.”

       Daarop sprak de Verhevene: “Ānanda, indien jij de monnik Girimānanda opzoekt en hem de tien contemplaties opzegt, dan zal die monnik, na ze te hebben vernomen, onmiddellijk van zijn ziekte genezen. Die tien contemplaties zijn:

1) Contemplatie over niet-bestendigheid.

2) Contemplatie over niet-zelf.

3) Contemplatie over walgelijkheid.

4) Contemplatie over nadeel (gevaar).

5) Contemplatie over het opgeven (het afzien).

6) Contemplatie over onthechting (zich afzonderen).

7) Contemplatie over beëindiging.

8) Contemplatie over afkeer van de hele wereld.

9) Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen.

10) Oplettendheid bij het in- en uitademen.

 

 (1) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-bestendigheid? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Materie (vorm) is niet bestendig; gevoel of gewaarwording is niet bestendig; waarneming is niet bestendig; geestelijke formaties zijn niet bestendig; bewustzijn is niet bestendig.’ Aldus blijft hij niet-bestendigheid beschouwen in deze vijf groeperingen. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-bestendigheid.

 

(2) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-zelf? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Het oog is niet-zelf, zichtbare objecten zijn niet-zelf; het oor is niet-zelf; geluiden zijn niet-zelf; de neus is niet-zelf, geuren zijn niet-zelf; de tong is niet-zelf, smaken zijn niet-zelf; het lichaam is niet-zelf, lichamelijke contacten (tastbare objecten) zijn niet-zelf; de geest is niet-zelf, mentale objecten zijn niet-zelf.’ Aldus blijft hij niet-zelf beschouwen in deze inwendige en uitwendige grondslagen. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-zelf.

 

(3) En wat, Ānanda , is contemplatie over onzuiverheid? - Welnu, Ānanda, een monnik beschouwt dit lichaam van top tot teen, vanaf de voetzolen opwaarts, vanaf de punten van het hoofdhaar neerwaarts. Hij beschouwt dit lichaam dat met huid overgoten is, zoals het vol is van vele soorten onzuiverheden. ‘Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, beenderen, merg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, bloedwater, speeksel, neusslijm, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.’ Aldus blijft hij onzuiverheid beschouwen in dit lichaam. Dit, Ānanda, heet contemplatie over onzuiverheid.

 

(4) En wat, Ānanda, is contemplatie over nadeel (gevaar)? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Talrijk zijn de kwalen, talrijk zijn de nadelen (gevaren) van dit lichaam. Want in dit lichaam ontstaan verscheidene ziektes, zoals oogziekte, oorziekte, neusziekte, tongziekte, lichaamsziekte, hoofdpijn, de bof[158], mondziekte, tandpijn, hoest, astma, verkoudheid, brandend maagzuur, koorts, maagkwalen, flauwte, dysenterie, gezwel, koliek, melaatsheid, steenpuist, klier­ziekte, tuberculose, vallende ziekte, ringworm, jeuk, huiduitslag, roos op het hoofd, puistjes, oververzadigdheid, suikerziekte, aambeien, kanker, etterkanaal (fistel), en ziektes ontstaan uit gal, uit slijm, uit winden, uit conflicten van de lichaamsvochten, uit weersveranderingen, uit ongunstige omstandigheden (onjuist gedrag), ziektes ontstaan door opzet van anderen, ziektes ontstaan door eigen verschulden,[159] en verder koude, hitte, honger, dorst, uitwerpsels en urine.’ Aldus blijft hij nadeel (gevaar) beschouwen in dit lichaam. Dit, Ānanda, heet contemplatie over nadeel (gevaar).

 

(5) En wat, Ānanda, is contemplatie over opgeven (vernietiging van de smetten)? - Welnu, Ānanda, een monnik staat geen gedachte van zinsverlangen toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen gedachte van kwaadwil toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen gedachte van wreedheid toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen euvele, onheilzame gemoedstoestanden toe die in hem van tijd tot tijd ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Dit, Ānanda, heet contemplatie over opgeven.

 

(6) En wat, Ānanda, is contemplatie over onthechting? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, onthechting, Nibbāna.’ Dit, Ānanda, heet contemplatie over onthechting.

 

(7) En wat, Ānanda, is contemplatie over beëindiging? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle samengestelde dingen, het opgeven van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, beëindiging, Nibbāna.’ Dit, Ānanda, heet contemplatie over beëindiging.

 

(8) En wat, Ānanda, is contemplatie over afkeer van de hele wereld? - Welnu, Ānanda, doordat een monnik wat voor betrokkenheid met en hechten aan deze wereld opgeeft, doordat hij geestelijke vooroordelen, verkeerde meningen en verborgen neigingen betreffende deze wereld opgeeft, doordat hij er niet naar verlangt maar ze opgeeft, daardoor wordt hij onthecht (vrij). Dit, Ānanda, heet contemplatie over afkeer van de gehele wereld.

 

(9) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen?[160] - Welnu, Ānanda, een monnik is teleurgesteld en misselijk van alle samengestelde geestelijke dingen, hij is ze beu. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen.

 

(10) En wat, Ānanda, is oplettendheid bij het in- en uitademen? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het woud of naar de voet van een boom of naar een lege plek en hij gaat er met gekruiste benen neerzitten. Hij houdt het lichaam rechtop en zijn oplettendheid houdt hij levendig. En oplettend ademt hij in, oplettend ademt hij uit.

       Wanneer hij lang inademt, weet hij: ‘Ik adem lang in’; wanneer hij lang uitademt, weet hij: ‘Ik adem lang uit.’ Wanneer hij kort inademt, weet hij: ‘Ik adem kort in;’ wanneer hij kort uitademt, weet hij: ‘Ik adem kort uit.’

       ‘Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘bewust van het hele ademhalingsproces zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Vervoering ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘vervoering ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Zaligheid ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘zaligheid ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geestelijke formaties ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘'De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘'De geest ondervindend[161] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geest ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘De geest buitengewoon blij makend,[162] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geest buitengewoon blij makend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘De geest concentrerend,[163] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geest concentrerend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘De geest bevrijdend (van de hindernissen), zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘de geest bevrijdend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Nadenkend over niet-blijvendheid,[164] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Nadenkend over onthechting, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘nadenkend over onthechting, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Nadenkend over beëindiging, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘nadenkend over beëindiging, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       ‘Nadenkend over het opgeven, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich; ‘nadenkend over het opgeven, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

       Dit, Ānanda, heet oplettendheid bij het in- en uitademen.

 

       Ānanda, indien jij de monnik Girimānanda opzoekt en hem deze tien contemplaties opzegt, dan zal die monnik Girimānanda, na ze te hebben vernomen, onmiddellijk zijn genezen van zijn ziekte.”

 

       Na deze tien contemplaties van de Gezegende geleerd te hebben, bezocht de Eerwaarde Ānanda de Eerwaarde Girimānanda en zei hem de tien contemplaties op. Toen de Eerwaarde Girimānanda ze had vernomen, was zijn ziekte onmiddellijk genezen. Hij herstelde ervan en aldus verdween de ziekte van de Eerwaarde Girimānanda.[165]

 

24. Derde bezoek aan Kapilavatthu 

 

       De Boeddha bezocht voor een derde keer Kapilavatthu in het 15e jaar na zijn Verlichting. Hij bracht er toen het regenseizoen door. In die tijd stierf koning Suppabuddha, de vader van Yasodhara.[166]


25. De demon Ālavaka

 

       In het 16e jaar na de Verlichting vertoefde de Verhevene te Ālavi. Daar woonde de mensenverslindende demon Ālavaka. De Boeddha bracht een bezoek aan diens huis, trof hem niet thuis aan en ging binnen op de demon zitten wachten.

       Toen de demon aankwam, vroeg hij aan de Boeddha om naar buiten te komen. Zwijgend deed de Gezegende wat hem gevraagd werd. De demon vroeg daarna aan de Boeddha om weer naar binnen te gaan. Ook dat deed de Verhevene zonder tegen te spreken. Dit herhaalde zich tot driemaal toe.

       Bij de vierde keer antwoordde de Boeddha dat hij niet van plan was om naar buiten te komen. De demon dreigde de geest van de Gezegende te verwarren of diens hart te splijten of hem in de Ganges te gooien als hij de volgende vragen niet kon beantwoorden.

       “Ik zie niemand die zoiets met mij kan doen, zelfs geen godheid. Toch zal ik antwoord geven,” zo sprak de Boeddha.[167]

 

       De eerste reeks vragen luidde: “Wat is het kostbaarste bezit van de mens? Wat brengt hem geluk? Wat geldt als de zoetste smaak? En welk leven noemt men het beste?”

       Het antwoord van de Verhevene luidde: “Vertrouwen is het kostbaarste bezit van de mens. Indien hij de leer navolgt, brengt hem dat geluk. De waarheid is de zoetste smaak. En een leven in wijsheid is het beste.”

      

       De volgende vragen waren: “Hoe kan men de stroom oversteken en hoe de oceaan? Hoe overwint men het leed? En hoe wordt men geheel gezuiverd?”

       De Boeddha gaf ten antwoord: “Door vertrouwen steekt men de stroom over en door waakzaamheid de oceaan. Door inspanning overwint men het leed. En door wijsheid wordt men geheel gezuiverd.”

 

       Ālavaka stelde hierna de vragen: “Hoe verkrijgt men wijsheid? Hoe kan men rijkdom vinden? Hoe krijgt men roem en hoe krijgt men vrienden? En hoe blijft men vrij van leed als men van hier naar de andere wereld is gegaan?”

       De Verhevene antwoordde: “Door op de leer van de heiligen te vertrouwen, - de leer die naar de verwezenlijking van Nibbāna voert, - door er goed naar te luisteren, steeds oplettend en met inzicht, zo verkrijgt men wijsheid. Rijkdom vindt men als men juist en omzichtig handelt, met plichtsbesef en met inspanning. Door oprechtheid en waarheid krijgt men roem. En door te geven krijgt men vrienden. Wie deze vier eigenschappen bezit, namelijk eerlijkheid, rechtschapenheid, standvastigheid en edelmoedigheid, die zal na de dood geen leed kennen.”[168]

      

       Door deze antwoorden werd de demon bedwongen. Hij bracht eer aan de Boeddha en werd diens volgeling.[169]

 

26. Vergankelijk is het lichaam

 

       Gedurende de 17e regentijd vertoefde de Verhevene te Rājagaha, in het Veluvana-park. Een jonge monnik werd toen verliefd op een zeer bekende courtisane van Rājagaha. Zij heette Sirimā.[170] Onverwacht stierf zij. De Boeddha woonde de begrafenis bij en vroeg aan de koning om aan de mensen te laten vragen of zij het dode lichaam wilden kopen. Dat lichaam had zovelen aangetrokken toen Sirimā nog in leven was.

       Niemand wilde het dode lichaam hebben, zelfs niet gratis. Bij die gelegenheid sprak de Boeddha de menigte toe met de woorden: “Ziet dit mooie lichaam, een massa van zweren en wonden, samengesteld, ziek, het object van de gedachten van menigeen, waarin niets blijvend is, waarin geen stabiliteit is.”[171]

 

27. Op de Calika-heuvel en de weversdochter

 

       Het 18e regenseizoen bracht de Boeddha door op de Calika-heuvel. Gedurende die tijd ontmoette een jonge weversdochter de Verhevene en luisterde naar zijn toespraak over oplettendheid betreffende de dood. Bij een andere gelegenheid beantwoordde zij alle vier vragen die haar door de Gezegende gesteld werden. Haar antwoorden waren correct omdat zij veel nadacht over de woorden van de Boeddha. Ook waren de antwoorden wijsgerig. De monniken die geen gedachten gewijd hadden aan het woord van de Gezegende, konden de betekenis van haar antwoorden niet begrijpen. Maar de Boeddha prees haar. Tot de monniken sprak hij toen:

       “Verblind is deze wereld; weinigen hier zien helder. Zoals vogels die uit het net ontsnappen, zo gaan slechts enkelen naar een zalige staat van bestaan.”[172]

 

       De jonge weversdochter hoorde de leer en bereikte het eerste niveau van heiligheid. Maar ongelukkigerwijs stierf zij spoedig daarna.[173]

 

       Ook het 19e regenseizoen bracht de Boeddha door op de Calika-heuvel.[174]

 

28. De bekering van Angulimāla

 

       De 20e regentijd na de Verlichting verbleef de Verhevene in het Veluvana-park te Rājagaha. In die periode was ook de bekering van de moordenaar Angulimāla. Hij heette eigenlijk Ahimsaka; dit betekent: onschadelijk.

       Toen de jonge Ahimsaka opgroeide, stuurde zijn vader hem naar de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Hij werd er door de beste leermeester onderwezen en overtrof alle andere studenten. Hij werd de favoriet van zijn leermeester. Door toedoen van zijn jaloerse medestudenten kreeg die leermeester het waanidee dat Ahimsaka hem wilde verdrijven. Met het vergif van achterdocht in zijn hart trachtte de leermeester toen van Ahimsaka af te komen.

       Nu gebeurde het niet lang daarna dat Ahimsaka zijn studie beëindigde en naar huis terug wilde keren. Het was de plicht van afgestudeerden om aan hun leermeesters een ere-geschenk te geven. De leermeester van Ahimsaka vroeg als ere-geschenk duizend menselijke pinken van de rechterhand. Hij hoopte dat Ahimsaka bij het vergaren van die pinken ofwel gedood ofwel door soldaten van de koning gevangen genomen zou worden.

       Ahimsaka protesteerde eerst, maar stemde uiteindelijk toe. Daarbij dacht hij niet aan de mogelijkheid om dat aantal vingers te verzamelen in de open lijkenvelden in India. Zo groot was toen de neiging in hem om te doden. Die neiging was het gevolg van daden in een eerder leven. Ahimsaka kocht een stel wapens en ging naar het Jālina-woud in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Wanneer reizigers naderden, liep hij vlug naar beneden, sloeg ze dood en nam dan van elk slachtoffer de pink van de rechterhand.

       Aanvankelijk hing hij de vingers aan een boom. Vogels aten het vlees ervan en wierpen de botjes omlaag. Toen Ahimsaka die op de grond zag rotten, reeg hij de vingerbeentjes aaneen en droeg ze als een krans. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.

       Weldra begon men dat woud te mijden en Angulimāla moest in de nabijheid van dorpen gaan. Vanuit een hinderlaag viel hij dan voorbijgangers aan en sneed de pinken af. Hij drong zelfs 's nachts huizen binnen en doodde de bewoners, alleen om de vingers af te hakken. Niemand kon zijn grote kracht weerstaan en daarom verlieten de mensen hun dorpen en gingen naar de stad Sāvatthi. Daar vertelden zij hun leed aan de koning die bevel gaf Angulimāla gevangen te nemen.

    Maar de Boeddha zag dat Angulimala de voorwaarden had om volmaakte heiligheid te bereiken. Vroeg in de morgen kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn nap en buitengewaad (mantel) en ging naar Savatthi om aalmoezen te vergaren. Na zijn rondgang en na zijn maaltijd bracht hij zijn slaapplaats in orde, nam zijn nap en buitengewaad en ging op weg over de straat die naar Angulimala voerde. Voorbijkomende koe- en schaapherders en boeren zagen dat en waarschuwden de Verhevene dat hij niet over die straat moest gaan. "Want de moordenaar Angulimala houdt zich daar op. Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over die straat maar toch zijn zij in handen gevallen van Angulimala." Na deze woorden ging de Verhevene zwijgend verder.

    Een tweede en een derde keer waarschuwden de koe- en schaapherders en boeren de Verhevene. Maar toch ging hij zwijgend verder.

    Angulimala zag de Verhevene in de verte aankomen. En hij dacht: " Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over deze straat en toch zijn ze mij in de handen gevallen. En nu komt die monnik daar alleen, zonder begeleiding. Waarom zou ik niet hem van het leven beroven." Toen nam Angulimala zijn zwaard en schild, hing boog en pijlenkoker om en ging de Verhevene achterna.

    De Verhevene liep in normaal tempo, maar door de bovennatuurlijke kracht van de Boeddha kon Angulimāla hem niet inhalen, hoe vlug de moordenaar ook liep.

    Verbaasd vroeg deze zich af hoe dat toch mogelijk was. Vroeger kon hij zelfs een snelle olifant of een snel paard of een snelle koets of een snel hert inhalen en pakken. Maar nu kon hij, hoewel hij zo snel liep als hij kon, die monnik niet inhalen die in normaal tempo ging. Hij bleef staan en riep de Verhevene toe: "Blijf staan, monnik, blijf staan."

    “Ik ben blijven staan, Angulimāla; blijf ook jij staan," zo luidde het antwoord van de Gezegende.

       Toen dacht Angulimāla: “Deze monniken, de zonen van de Sakyas, spreken steeds de waarheid. Maar deze monnik hier gaat verder en zegt toch dat hij is blijven staan. Ik zal hem eens vragen hoe hij dat bedoelt.”

    In versvorm stelde Angulimala toen zijn vraag.

"Hoewel je gaat, monnik, zeg je dat je stil bent blijven staan. Ik sta stil en toch zeg je dat ik niet stil ben blijven staan. Wat is de betekenis daarvan?"

       Het antwoord van de Boeddha op de vraag van Angulimāla luidde: “Angulimāla, ik ben voor altijd stil blijven staan; ik onthoud me van alle geweld tegenover de wezens. Maar jij hebt geen zelfbeheersing jegens het leven. Daarom ben ik stil blijven staan maar jij niet.”

    Angulimala: "Uiteindelijk is deze monnik, een hoog geachte wijze, in dit grote bos gekomen voor mijn redding. Na jouw woorden die mij de Dhamma leerden, wil ik voor altijd het kwaad nalaten."

    Na deze woorden nam de rover zijn wapens en wierp ze in een afgrond. Daarna betuigde hij zijn verering aan de voeten van de Verhevene en vroeg om de wijding. En met de woorden: “Kom, bhikkhu,” nam de Leraar hem op in de Orde van de monniken.
    

    Toen ging de Verhevene in etappen naar Sāvatthi terug, met Angulimāla als zijn persoonlijke dienaar. Hij vertoefde er in het Jetavana klooster.

    Grote menigten van mensen kwamen toen samen bij de poorten van het paleis van koning Pasenadi. Zij maakten veel lawaai en riepen dat de koning de moordenaar Angulimala gevangen moest nemen.

    Koning Pasenadi vertrok daarop overdag in zijn koets met een grote troep van zijn cavalerie uit Savatthi. Hij ging naar het Jetavana-klooster. Daar groette hij de Verhevene eerbiedig, betoonde zijn eer en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg wat er gaande was. Werd de koning soms aangevallen door koning Seniya Bimbisara van Magadha of door de Licchaviers van Vesali of door andere vijandig gezinde koningen?

    De koning gaf ten antwoord dat er geen oorlog was. Maar in zijn rijk was een moordenaar met naam Angulimala. Hij zou wel nooit in staat zijn om die man gevangen te nemen.

    De Verhevene: “Grote koning, stel dat u zag dat Angulimāla hoofdhaar en baard had afgeschoren, gekleed was in het gele gewaad, en het thuisloze leven voerde; dat hij zich ervan onthield levende wezens te doden, zich onthield van stelen en van liegen; dat hij 's nachts niet meer at, dat hij slechts op één tijd van de dag at, en dat hij celibatair, deugdzaam en met een goed karakter was. Als u hem zo zou zien, hoe zou u hem dan behandelen?"

    “Eerwaarde Heer, in dat geval zouden wij hem eer betonen, of wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of wij zouden hem vragen gewaden aan te nemen, aalmoezenmaaltijd, een rstplaats en medicijn. Of wij zouden hem een bescherming geven. Maar eerwaarde Heer, hij is een teugelloos mens met een slecht karakter. Hoe kan hij ooit een dergelijke deugdzaamheid en beteugeling hebben?”

    Bij die gelegenheid zat de eerwaarde Angulimala niet van van de Verhevene vandaan. Die strekte zijn rechterarm uit en zei: “Grote koning, deze hier is Angulimāla.”

    Koning Pasenadi werd vreselijk bang, maar de Boeddha zei dat hij niet bevreesd hoefde te zijn.

       Toen de koning weer tot bedaren was gekomen, ging hij naar de Eerwaarde Angulimāla en vroeg: "Eerwaarde heer, bent u werkelijk Angulimala?" - "Ja, grote koning."

    De koning vroeg verder naar de familienaam van Angulimala's ouders. Nadat de koning die namen vernomen had, wilde hij aan Angulimala gewaden geven, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijnen. Maar de eerwaarde Angulimala was toen een woudbewoner, iemand die alleen aalmoezenmaaltijd tot zich neemt, een drager van gewaden gemaakt uit vodden, en hij beperkte zich tot drie gewaden.1 Hij gaf ten antwoord: "Genoeg, grote koning, mijn drievoudig gewaad is kompleet."

    Koning Pasenadi ging naar de Verhevene terug, bracht hem eer, ging terzijde neerzitten en zei: "Eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk hoe de Verhevene de ongetemden temt, vrede brengt aan degenen zonder vrede, en degenen die nibbana niet bereikt hebben, naar nibbana voert. Eerwaarde heer, wij zelf konden hem niet met wapens bedwingen; toch heeft de Verhevene hem bedwingen zonder geweld en zonder wapens. Eerwaarde heer, wij nemen nu afscheid. Wij hebben veel te doen.

    "Grote koning, nu is het tijd dat te doen wat je juist vindt."

    Koning Pasenadi van Kosala stond toen van zijn zitplaats op, betoonde eer aan de Verhevene en nam vertrok, met de rechter zijde naar hem toegewend.

Angulimala Paritta - De bescherming van de eerwaarde Angulimāla 2


    Op een morgen kleedde de eerwaarde Angulimāla zich aan, nam zijn nap en oppergewaad en ging naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Op zijn rondgang zag hij een vrouw die juist onder grote moeilijkheden een kind baarde. Bij het zien hiervan dacht hij: "Hoe zeer de levende wezens lijden; inderdaad, hoe zeer de levende wezens lijden."

    Na zijn rondgang te Savatthi voor bedelspijs en na zijn maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat hij had gezien.

    De Verhevene zei toen aan Angulimāla dat hij naar die vrouw terug moest gaan en het volgende moest zeggen:

    "Sedert ik geboren werd,3 zuster, ben ik me er niet van bewust opzettelijk enig levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge jij door de betuiging van deze waarheid gezond zijn. Moge je kind gezond zijn."

    Angulimala vroeg toen: "Eerwaarde heer, als ik dat zeg, zal ik dan niet met opzet liegen? Ik heb immers veel levende wezens met opzet van het leven beroofd."

    De Boeddha: "Angulimala, dan ga naar Savatthi en zeg aan die vrouw: 'Zuster, sedert ik met de edele geboorte geboren werd, kan ik me niet eraan herinneren dat ik ooit met opzet een levend wezen van het leven beroofd heb. Moge jij bij deze waarheid gezond zijn en moge je kind gezond zijn.

     
     De eerwaarde Angulimāla ging toen weer naar de lijdende vrouw en reciteerde bovenstaande betuiging van de waarheid. Toen werden die vrouw en het kind gezond.


    Niet lang daarna, nadat hij alleen leefde, teruggetrokken, behoedzaam, ijverig en vastbesloten, trad de eerwaarde Angulimala hier en nu door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht in het hoogste doel van het heilige leven in, voor welk doel mannen uit goede familie met recht van huis weggaan in de huisloosheid; en hij vertoefde erin. Hij zag direct in: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen." En de eerwaarde Angulimāla werd een van de Arahants, werd een volmaakte heilige.


    Daarna, 's morgens vroeg ging de eerwaarde Angulimala met zijn nap naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Bij die gelegenheid wierp iemand een klomp aarde en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Iemand anders wierp een knuppel en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Weer iemand anders wierp een scherf en trof hem aan het lichaam. Toen ging de eerwaarde Angulimala naar de Verhevene. Bloed stroomde uit zijn gewonde hoofd. De nap was gebroken en het gewaad was gescheurd. De Verhevene zag hem van verre komen en zei tot hem: "Verdraag het, brahmaan, verdraag het. Je ondervindt hier en nu het resultaat van daden waarvoor je anders veel jaren, veel eeuwen, vele duizenden jaren lang in de hel gekweld zou zijn."5

      Daarna vertoefde de eerwaarde Angulimala alleen, teruggetrokken in de zaligheid van de bevrijding.  



 naar begin van pagina  of  naar 1. Het leven van de Boeddha


Noten

 

1 de Eerwaarde Angulimāla had drie van de ascetische oefeningen (dhutanga) op zich genomen

2 M.86. - Deze paritta wordt in Boeddhistische landen door vrouwen in verwachting als bescherming gereciteerd.

3 d.w.z. sedert Angulimāla het eerste niveau van heiligheid bereikt had.

5 Dit bleef hem door zijn arahantschap bespaard.

6 Vergelijk Dhp.173.


[102] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Ñânamoli 1978, p. 87.

[103] Vin.Cv.Kh.6 ; S.X,8.

[104] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab.

[105] Ratana Sutta: Sn II.1 = vv 222-238, in: Nyanaponika 1977, p. 71-74; ook in: Ñânamoli, Bhikkhu (tr.): The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford 1997, p. 4-6.

[106] Ñânamoli 1997, p. 175-179.

[107] Sn.222-238, in Nyanaponika 1977, p. 71-74; Ñânamoli 1997, p. 4-6.

[108] Ñânamoli 1997, p. 178-179

[109] Weerasinghe  1970, Bodhi Leaves No. B.47.

[110] Na verloop van tijd bereikte Maha-Pajapati de hoogste heiligheid, Arahantschap.

[111] Weerasinghe 1970, Bodhi Leaves No. B.47; Vin.Cv.Kh.10; Khantipâlo 1987, p. 66, 79-83; Ñânamoli 1978, p. 104-107.

[112] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Ñânamoli 1978, p. 104.

[113] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Khantipâlo 1987, p. 76-79.

[114] d.w.z. vrij van de ziekte van passies.

[115] Dhp.197-199, in: Dhammanada, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. 399-400, en: Burlingame, Eugene Watson (tr.): A Treasury of Buddhist Stories from the Dhammapada Commentary. Select. & rev. by Bhikkhu Khantipâlo Kandy 1996, p. 83-85.

[116] M.87.

[117] Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.). Kandy 2524/1980, p. 202-203.

[118] Venkataramayya, M.: Shrâvasti. (2nd ed.) New Delhi 1981.

[119] De maand Asalha = juli.

[120] Uit deze kleuren is de Boeddhistische vlag samengesteld.

[121] Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'The Twin Miracle,' Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 2 (Vol. 30, p. 35-55).

[122] Hecker, Hellmuth Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy 1982. The Wheel No. 292/293.

[124] Dit geschiedde in de maand Māgha (= februari). -Ter herinnering aan deze gebeurtenis staat thans een klein Boeddha-beeldje op de plek waar zij samen kwamen.

[125] in daad, woord of gedachten.

[126] D.14.

[127] Khantipâlo 1987, p. 84-85. 

[128] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Hecker, Hellmuth: 'Father and Mother Nakula,' The Wheel No. 115 (Kandy 1967), p. 18-24; Piyadassi Thera: Buddhist Observances and Practices. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 48.

[129] Khantipâlo 1987, p. 85-87; M.15. - Hun namen betekenen resp. vader Nakula en moeder Nakula.

[130] A.IV,55. - Elders legde de Boeddha uit hoe een man met goede aspiraties kan leven met een vrouw die zijn gelijke is. Niet alleen volgen beiden de vijf regels van deugdzaamheid op, maar ook hebben zij een edel karakter. Wanneer hulp gevraagd wordt, weigeren zij nooit. En nimmer verachten of beledigen zij asceten en heiligen. (A.IV.54). - Het paar is dus niet alleen vroom, maar is ook afgeneigd van de onbetekenende dingen van het dagelijkse leven en van alles wat laag en gemeen is. Zij tonen onthechting van mensen en dingen. Daaruit ontstaat innerlijke vrede die de basis is voor het ontwikkelen van wijsheid. In daad deugdzaam, in het hart ontzegging, in de geest wijsheid: deze factoren voeren samen naar een harmonieus en vriendelijk leven.

[131] A.III,295. – De woorden van de Boeddha betekenen dat Nakulamātā het eerste niveau van heiligheid bereikt had.

[132] S.XXXV ,131.

[133] S.XXII,1. -Vergelijk ook: S.XXX,43 en S.XXII,47.

[134] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab.

[135] Vin.Mv.Kh.10, in: Nyānamoli 1978, p. 109-119; M.48 in: Neumann, Karl Eugen: Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pāli-Kanons. Bd. I, München 1922, p. 732-742.

[136] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab.

[137] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Vin.Mv.Kh.10; Ñânamoli 1978, p. 109-115.

[138] Pāraleyya, volgens Khantipâlo 1987, p. 92.

[139] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Ñânamoli 1978, p. 115-116.

[140] Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. 555-556, verzen 328-330. – M.a.w. als men als monnik een andere monnik ontmoet die met wijze raad en daad en vriendschap behulpzaam is, dan moet men bij die monnik blijven. Maar als men geen verstandige monnik ontmoet, dan moet men alleen leven.

[141] Ñânamoli 1978, p. 117.

[142] Ñânamoli 1978, p.119. Zie ook Dhp.6 in: Nārada 2522-1978, p. 9; Khantipâlo 1987, p. 92-107.

[143] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Sn. I. 4, in Nyanaponika 1977, p. 46-48; Khantipâlo 1987, p. 107-109.

[144] M.62; Nârada Thera [et al.]: 'Mahâ Râhulovâda Suttanta. The Great Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kany 1974), p. 19-33.

[145] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Vin.Sv.Para 1; Khantipâlo 1987, p. 110-111.

[146] Khantipâlo 1987, p. 111-112.

[147] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Ud.4.1, in: Ireland 1990, p. 52-56; A.IX,3. De hele toespraak is in A.IV,354; Khantipâlo 1987, p. 112-115. - Deze voorbereidende oefening zoals door de Verhevene is uitgelegd, is nodig voor een monnik die gericht is naar het uitoefenen van de hogere trappen van meditatie.

[148] Dhp.33-34 in: Nārada 2522-1978, p. 35-37.

[149] Khantipâlo 1987, p. 115-116.

[150] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; M.147.

[151] Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het tijdelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd -hoe lang ook - een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, frustrerende van al wat niet blijvend is, van al het tijdelijke.

[152] Zulke gedachten zijn resp. gemotiveerd door begeerte (tanhā), hoogmoed (māna) en verkeerd inzicht (ditthi).

[153] Hij wendt zich af: dit betekent niet dat hij een sterke emotionele afkeer ervan heeft of walging. Maar het is eerder een vervreemding, onthechting.

[154] De Eerwaarde Rāhula stierf vóór de Verhevene. Maar wij hebben geen informaties over tijd en omstandigheden van zijn dood.

[155] M.147; Nârada Thera [et al.]: 'Mahâ Râhulovâda Suttanta. The Great Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kandy 1974), p. 19-33.

[156] A.V.108.

[157] Bhante = Eerwaarde Heer.

[158] de bof = ontsteking van de oorspeekselklier.

[159] letterlijk: ontstaan uit resultaten van wilsacties.

[160] Bedoeld zijn de geestelijke formaties, namelijk gedachten, ideeën, gevoelens, waarneming.

[161] Volgens de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).

[162] Zowel door samatha (kalmte) als ook door vipassana (inzicht).

[163] Namelijk op de ademhaling.

[164] In lichaam, gevoel, waarneming, wilsformaties en bewustzijn.

[165] A.V.108; Piyadassi Thera (tr.): The Book of Protection, Paritta. Colombo 1975, p. 53-60.

[166] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab.

[167] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Sn.I.10, in: Nyanaponika 1977, p. 64.; S.X,12.

[168] Vergelijk ook: S.1,6,9 en S.1,1,1 en S.XXXV,187.

[169] Sn.181-192, in: Nyanaponika 1977, p. 65-66; Khantipâlo 1987, p. 116-118.

[170] Zij was de zuster van de beroemde arts Jivaka.

[171] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Dhp.147 in: Nārada 2522-1978, p. 136.

[172] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Dhp.174 in: Nārada 2522-1978, p. 157.

[173] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Khantipâlo 1987, p. 120-124.

[174] zie: Jataka 537, Sutasoma.

[175] zie: Jataka 537, Sutasoma.

[176] Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples. Angulimala. A Murderer's Road to Sainthood. Kandy : BPS, 1984. The Wheel No. 312; M.86; Khantipâlo 1987, p. 124-133.

[177] Dhp.173 in: Nārada 2522-1978, p. 156-157.

[178] d.w.z. sedert Angulimāla bij de Orde kwam.

[179] M.86  (De doelmatigheid van deze Angulimala paritta duurt tot heden voort).



Geraadpleegde bronnen voor 1e-20e jaar

 

Advice to Rahula. Four Discourses of the Buddha. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 33. (1st ed.1961).

Barua, Dipak K.: Buddha Gaya Temple, its history. (2nd rev. ed.) Buddha Gaya : Buddha Gaya Temple Management Committee, 1981. (1st ed. 1975).

Burlingame, Eugene Watson (tr.)  Buddhist Legends. Translated from the original Pali text of the Dhammapada Commentary. London : PTS, 1979. (Harvard Oriental Series, Vol. 28, 29, 30).

Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'The Buddha visits Kapila,' Buddhist Legends, London 1979, Book 13, Story 2 (Vol. 30, p. 2-4).

Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'The Twin Miracle,' Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 2 (Vol. 30, p. 35-55).

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur: Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

Hecker, Hellmuth: 'Father and Mother Nakula,' The Wheel No. 115 (Kandy 1967), p. 18-24.

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy : BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples. Angulimala. A Murderer's Road to Sainthood. Kandy : BPS, 1984. The Wheel No. 312.

Ireland, John (tr.): The Udāna: Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Khantipâlo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207.

Khantipâlo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Compiled by Phra Khantipâlo. Bangkok : Mahamakut Radjavidyalaya Press, Vol. 2. 2530/1987 (1st ed. 2519/1976).

Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy : BPS, 1961. The Wheel No. 4.

Ñânamoli Thera: Three Cardinal Discourses of the Buddha. 1. The First Sermon; 2. The Sermon on Not-Self; 3. The Fire Sermon. With Introduction and Notes. Transl. by Ñânamoli Thera. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 17 (1st. ed. 1960).

Ñânamoli, Bhikkhu (tr.): The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford : PTS, 1997. (1st ed. 1960).

Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.). Kandy : BPS, 1978.  (1st ed. 1972).

Nârada Thera [et al.]: 'Ambalatthikâ-Râhulovâda Suttanta. The Ambalatthikâ Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kany 1974), p. 8-18.

Nârada Thera [et al.]: 'Mahâ Râhulovâda Suttanta. The Great Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kandy 1974), p. 19-33.

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo : BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy : BPS, 2524/1980.

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Piyadassi Thera: Buddhist Observances and Practices. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 48.

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Piyadassi Thera: Dependent Origination. Paticca-samuppâda. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1971. The Wheel No. 15ab (1st. ed. 1959).

Piyadassi Thera (tr.): The Book of Protection, Paritta.  Colombo : Gunasekera Trust, 1975.

Piyadassi Thera: Aspects of Buddhism. (repr.) Kandy : BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 21. (first ed. 1964).

Venkataramayya, M.: Shrâvasti. (2nd ed.) New Delhi: Archaeological Survey of India, 1981. (1st ed. 1956).

Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 47.

 


 naar begin van pagina  of  naar 1. Het leven van de Boeddha