Facetten van het Boeddhisme


naar Index


9.2. De drie aspecten van het leven

Inleiding     1. Dukkha (onvoldaanheid)     2. Anicca (vergankelijkheid, niet-blijvendheid)     2.1. de vaderlijke erfenis voor Rahula     2.2. Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis     3. Anatta (niet-zelf)          3.2. De niet ziekelijke geest     3.3. Leeg     3.4. De elementen     3.5. Niet-zelf     3.6. Ik-loze oorzaak     3.7. De uiteenzetting van de elementen     3.8. De vragen van Mettagu     3.8.1. De groepen van bestaan     3.9. De zesvoudige zesheid     3.10. Het zelf     3.11. Eindoverdenking     4. Getuigenissen van heilige nonnen     5. Rupam aniccam     Geraadpleegde bronnen




De drie aspecten van het leven


    De Boeddha onderwees dat er alle verschijnselen zonder een zelf zijn. Dat was toen en is ook nu nog steeds heel tegengesteld aan wat de gangbare gedachtengang is. Er is geen ziel, geen "ik" die van het ene leven verhuist naar een ander leven.

    Ook onderwees de Boeddha dat alles wat is samengesteld, veranderlijk en vergankelijk is. Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden, blijft eeuwig bestaan. Het bestaan is maar tijdelijk. Ook de hoogste god zal eens van het goddelijk leven afscheid moeten nemen.

    Omdat alles verandert en vergaat, ontstaat er frustratie. Dat komt omdat men zich eraan hecht, omdat men iets wel of niet wil hebben.

    Deze drie aspecten of kenmerken van het leven zijn door de Boeddha in vele toespraken behandeld en uitgelegd. Hij sprak met geleerden en koningen, maar ook met bedelaars en niet zo heel snuggere mensen. En soms begrepen de minder bedeelden zijn leer eerder dan de geleerde mensen.

    Die drie aspecten zijn: dukkhā (onvoldaanheid), aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid) en anattā (niet-zelf).


1. Dukkhā (onvoldaanheid)

    De Boeddha leerde dat alles wat in het bestaan is getreden, onderhevig is aan dukkhā, d.w.z. dat alles hier onvoldaan is, onafgewerkt, onvolmaakt. En daardoor is het een bron van lijden, leed, frustratie.

    Voorbeeld: als wij iets smakelijks eten of naar een mooi landschap kijken, dan genieten wij ervan. Maar het eten raakt op, en wij willen nog langer genieten van de lekkere smaak. En dat kan niet, tenzij we iets nieuws kopen. En dan vinden wij het jammer dat het genot maar zo kort was. En wij kunnen niet blijven kijken naar het mooie landschap. Zelfs als wij op dezelfde plaats konden blijven staan, dan wordt het toch avond en nacht. Of er wordt iets op gebouwd of men vindt er grondstoffen die ontgonnen moeten worden. En dan verandert ook het aanzicht van het landschap. Omdat de verandering niet aanvaard wordt, volgt frustratie, leed. Zo is datgene wat eerst voor een aangenaam gevoel zorgde, daarna een oorzaak voor lijden. En dat komt omdat alles hier onvolmaakt is en omdat wij ons eraan hechten.


2. Aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid, niet-blijvendheid, onbestendigheid)

    Een tweede aspect van het leven is aniccā. Het is het feit dat alles in dit leven constant verandert. Niets blijft gelijk.1 Ook dit is een oorzaak voor leed, frustratie. Meestal willen wij dat een bepaalde situatie zo blijft als ze is, dat ze niet meer verandert. Wie jong is, wil niet graag oud en gebrekkig worden. Wie sterk is, wil dat graag blijven. Maar door ziekte kan ook de sterke mens heel zwak worden.

    Wij worden geboren, worden ouder en sterven. Tijdens dat hele proces hebben er onafgebroken veranderingen plaats. En wij kunnen er niet voor zorgen dat iets ongewijzigd blijft. Als wij dat wel willen, dan is dat alleen maar een bron van frustratie, leed, dukkhā.




2.1. De vaderlijke erfenis voor Rahula


Over niet-blijvendheid sprak de Boeddha in het 14e regenseizoen te Savatthi tot zijn zoon Rāhula toen deze twintig jaar werd. Bij die gelegenheid volgden vele duizenden godheden de Boeddha. Zij dachten: "Vandaag gaat de Gezegende verdere aanwijzingen geven aan de eerwaarde Rahula voor de uitdoving van de smetten."


In het kort volgt deze toespraak hier.

Rahula, wat denk je; is het oog iets blijvends of niet? - Heer, het is niet blijvend. - Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig? - Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend.2 - Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?3 - Natuurlijk niet, Heer.

Rahula, wat denk je; is oog-bewustzijn en is visueel contact blijvend of niet? - Heer, het is niet blijvend. - Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig? - Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend. - Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'? - Natuurlijk niet, Heer.


Rahula, wat denk je; datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - is dat blijvend of niet? - Heer, het is niet blijvend. - Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig? - Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend. - Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'? - Natuurlijk niet, Heer.


Rahula, wat denk je; oor en geluiden, neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, geest en ideeën, de ermee corresponderende soorten bewustzijn en contact, is dat alles blijvend of niet? En wat denk je van gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en het bewustzijn? Is dat alles blijvend of niet? - Heer, dat alles is niet blijvend. - Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig? - Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend. - Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'? - Natuurlijk niet, Heer.


Rahula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af4 van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, en van geest en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.' Aldus weet hij.


Zo sprak de Verhevene. Tijdens het luisteren naar deze leerrede was de geest van de eerwaarde Rāhula bevrijd van de smetten; hij hechtte zich nergens meer aan. Volmaakte heiligheid was door hem bereikt. Op dat moment van Arahantschap gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rahula eens had gevraagd.


En bij de vele duizenden godheden die naar deze leerrede hadden geluisterd, ontstond het smetteloze, reine oog der Waarheid: "Alwat onderhevig is aan ontstaan, is ook onderhevig aan vergaan." Zij bereikten toen allen het eerste niveau van heiligheid. (M.147, Cūlarāhulovāda sutta)

(Zie ook: S.XVIII.1-10)



2.2. Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis

Mahapajapati Gotami ging eens met een gevolg van 500 nonnen naar de Verhevene in het Jetavanaklooster te Savatthi. Zij vroeg er aan de Verheven of hij de nonnen met een leerrijk gesprek wilde onderrichten.

Het was toen de taak van de oudsten in de Orde om beurtelings een toespraak tot de nonnen te houden. En de eerwaarde Nandaka was nu aan de beurt. De Verhevene wendde zich daarom tot de eerwaarde Nandaka en vroeg hem aan de nonnen een leerrijke toespraak te geven. Gehoorzaam stemde de eerwaarde Nandaka toe. Na de maaltijd ging hij naar de nonnen in het koninklijke park. Daar werd hij door de nonnen eerbiedig ontvangen. Een stoel was voor hem gereed gemaakt en water om de voeten te wassen. De nonnen groetten de eerwaarde Nandaka eerbiedig en gingen terzijde van hem zittten. De eerwaarde Nandaka zei toen dat hij een gesprek met vraag en antwoord wilde houden.


[Dat gesprek volgt hier in het kort].


"Zusters, wat menen jullie, is het oog onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."


"Zusters, wat menen jullie: zijn het oor, de neus, de tong, het lichaam, de geest onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, ze zijn vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden (ayatana) vergankelijk zijn."

"Zusters, wat menen jullie, zijn de vormen onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."


"Zusters, wat menen jullie, zijn de geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."


"Zusters, wat menen jullie, is het zienbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend."- “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie, is het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn, het denkbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."


"Zusters, juist zoals bij een brandende olielamp de olie vergankelijk, veranderlijk is, de lampenpit vergankelijk, veranderlijk is, de vlam vergankelijk, veranderlijk is, het lichtschijnsel vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die brandende olielamp weliswaar olie en lampenpit vergankelijk, veranderlijk zijn, maar dat het lichtschijnsel onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?” - “Heer bij die brandende olielamp is immers olie en lampenpit en vlam vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook het lichtschijnsel ervan.”

"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes innerlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van het innerlijke gebied aangenaam of frustrerend of noch frustrerend noch aangenaam laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk.’ zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?" - "Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”


"Zusters, goed zo, prima. Juist zoals bij een grote sterke boom de wortels vergankelijk, veranderlijk zijn, de stam, de takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk zijn, de schaduw vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die grote sterke boom wel wortels en stam, takken en bladeren vergangelijk, veranderlijk zijn, maar dat zijn schaduw onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, bij die grote sterke boom zijn immers wortels en stam, takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook de schaduw ervan.”


"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes uiterlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van de uiterlijke gebieden aangenaam en frustrerend of noch aangenaam noch frustrerend laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk.’ zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”


[Dan volgt een opsomming van de zeven factoren van Verlichting.]


Na het vertrek van de nonnen zei de Verhevene aan de monniken dat die 500 nonnen het niveau van stroomintrede of niveaus hoger dan dat bereikt hadden, dat zij aan verderfenis zijn ontkomen en doelbewust naar de volledige ontwaking gaan.”  (M.146, Nandakovāda sutta)


N.B. Voor contemplatie over niet-blijvendheid, zie: 10.9. Contemplatie over anicca, vergankelijkheid.




3. Anattā (niet-zelf)

    Een ander aspect van het leven is de leer van anattā, niet-zelf. Met deze leer wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in de conventionele zin geloochend. Maar wel wordt ontkend dat er een blijvende wezenskern ten grondslag ligt aan een zich voortdurend veranderend lichamelijk-geestelijk proces. (noot bij A.I.25)


De Boeddha zei niet dat er geen "zelf" is; maar hij zei ook niet dat er wel een “zelf” is. Hij benadrukte wel dat alles wat veroorzaakt is, dat alles wat samengesteld is, niet "mijn zelf" is. Die leer van anatta, niet-zelf, is niet gemakkelijk in te zien. Er is geen “ik” die denkt of ziet of hoort etc.; er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.


    Er is geen zelf, geen ziel, geen kern, geen "ik". Van de meeste dingen kunnen wij dit wel aannemen. De boom is ontstaan, heeft geen zelfstandige kern. Het huis waarin we wonen, is gebouwd uit losse elementen, is zonder zelf, zonder blijvende kerk. Atomen (letterlijk: ondeelbare deeltjes) bestaan weer uit onderdelen die nog verder geanalyseerd kunnen worden. Maar de mens zelf beweert dat hij een vaste kern heeft, een blijvend iets (in andere religies "ziel" genaamd). Maar volgens de leer van de Boeddha is ook de mens zonder een dergelijke blijvende vaste kern.

    Ons lichaam is ontstaan. Het is gegroeid uit een eicel en een zaadcel, gevoed met bloed, melk, brood, aardappelen, soep, enz. Eerst was het lichaam klein, nu is het groter en sterker; later wordt het weer zwak. En na de dood blijft er alleen een hoopje as over als wij het laten cremeren. Zijn wij gelijk aan het lichaam? Of behoort het lichaam ons toe? Neen toch! Wij hebben er (bijna) niets over te vertellen. Als het lichaam een bijvende kern had, zou die altijd gelijk blijven. Maar dat is niet zo. En als het lichaam ons toebehoorde, konden wij er over bevelen. Ook dat kunnen wij niet. Als wij ziek zijn, kunnen wij het lichaam niet bevelen weer gezond te worden. Neen, het lichaam is niet van ons, het is zonder vaste kern, het is oorzakelijk ontstaan.

    En ook de gevoelens en emoties die bij iemand opkomen, zijn niet zelfstandig. Zij ontstaan door bepaalde omstandigheden en verdwijnen daarna weer. Wij kunnen ons ergeren over iets, maar enkele ogenblikken later kunnen wij ons over iets anders verheugen. Is de ergernis dan een zelfstandig iets? Neen. En evenmin is het aangename gevoel bij aanraking van iets prettigs een zelfstandig, op zich bestaan iets. Als wij een geluid horen, kunnen wij dat op drie manieren ervaren: als aangenaam, als onaangenaam en als neutraal geluid. De een noemt het muziek (aangenaam), de ander noemt datzelfde geluid lawaai (onaangenaam), een derde vindt het noch muziek noch lawaai; hij registreert het nauwelijks. Gevoelens en emoties zijn niet van ons, noch zijn zij zelfstandige dingen.

    Maar gedachten dan? Wij kunnen toch zelfstandig denken, is de gangbare mening. Zijn wij dan gelijk te stellen met de gedachten en ideeën? – Descartes, een beroemde filosoof, heeft eens beweerd: “Ik denk, dús ik ben.” Die stelling is niet juist. Het denken gaat sneller dan een computer kan werken, gaat sneller dan het licht. Nu eens denken wij aan het verleden, dan aan de toekomst; in dezelfde seconde zitten wij in gedachten bij een familielid of kennis in huis. Of wij denken aan de a.s. vakantie in een ver land. Gedachten zijn onnoemelijk snel. Die kunnen wij niet als maatstaf of bewijs nemen van ons bestaan. In gedachten kunnen wij ons verplaatsen naar vroegere, toekomstige en tegenwoordige situaties, naar alle richtingen. Verder zijn gedachten geen zelfstandige dingen. Wij zeggen wel: gedachten komen en gaan weer. Maar dat is een zegswijze; het is geen werkelijkheid. De gedachten komen niet ergens vandaan en gaan ook niet ergens naartoe. Maar door bepaalde omstandigheden ontstaan gedachten en ideeën. En als die omstandigheden verdwijnen, verdwijnen ook die gedachten en ideeën. Er is geen "ik" die denkt. Maar gedachten ontstaan.

    Zo is de hele mens te ontleden en nergens vinden wij een zelfstandig iets. Alles ontstaat door bepaalde omstandigheden en alles vergaat weer als die omstandigheden veranderen of verdwijnen. Dat is de leerstelling van oorzakelijk ontstaan en van anatta, niet-zelf.

    Geen enkel samengesteld, geen enkel veroorzaakt iets is een zelfstandige, op zichzelf bestaande eenheid. Alles is aan oorzaken gebonden. Alles is op de een of andere manier veroorzaakt door meerdere dingen of omstandigheden. Zo kan water zich uiten als damp, sneeuw of ijs, al naar gelang de omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld muziek van een cassetterecorder veroorzaakt. De muziek is niet zelfstandig, zit niet in de cassette en ook niet in de recorder noch in de elektriciteit die de recorder in beweging zet. Maar door diverse oorzaken wordt geluid geproduceerd. Er is geen zelfstandig iets.

    De overweging van de onpersoonlijkheid, van leegheid is de bevrijding door inzicht dat alles leeg is van een zelf. Meditatie over leegheid is erg belangrijk en kan iemand leiden naar Ontwaking.

    “Als iemand veel vertoeft met zijn geest gesterkt door waarneming van niet-zelf in lijden, dan wordt zijn geest bevrijd van de waanvoorstellingen die dit lichaam met zijn bewustzijn en alle externe dingen behandelen in termen van ‘ik’ en ‘mijn’.” (A.VII.46).

    “Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat alles is niet-blijvend. Niets ervan zal steeds hetzelfde blijven, zonder aan verandering onderhevig te zijn. Indien er zo'n kern, zo'n ego bestond, - blijvend en onveranderlijk, - dan zou een heilig leven dat naar de volledige uitdoving van lijden voert, niet mogelijk zijn.” (S.XXII.96).

    “Als iemand weet en ziet dat het oog niet zelf is en dat vormen niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat het oor niet zelf is en dat geluiden niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de neus niet zelf is en dat geuren niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de tong niet zelf is en dat smaken niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat het lichaam niet zelf is en dat aanrakingen niet zelf zijn, als iemand weet en ziet dat de geest niet zelf is en dat gedachten niet zelf zijn, - dan worden zijn boeien vernietigd.” (S.XXXV.55)


    “Waarneming van niet-zelf bereikt het punt waarop de waan verdwijnt van ‘ik ben’; en dat verdwijnen van die waan is de uitdoving (Nibbāna) hier en nu.” (Ud.IV.1)

    “Het is onmogelijk dat iemand die juist denkt, iets beschouwt als zelf.” (M.115)

    “Als bepaalde dingen gecombineerd worden, spreekt men van een wagen. En evenzo, als alle vijf groepen verschijnen, gebruiken wij de aanduiding ‘mens’. Ellende slechts ontstaat en ellende slechts bestaat en vergaat. Niets anders dan lijden verschijnt en niets anders dan ellende verdwijnt.” (S.V.10).


   Materiële dingen zijn niet-blijvend, en ook gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet-blijvend. Materiële dingen zijn niet zelf, zijn niet op zichzelf staand, zij hebben geen zelfstandig bestaan. En ook gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet zelf. Alle formaties zijn niet-blijvend; alle dingen zijn niet op zichzelf staand; zij hebben geen zelf, geen vaste kern.” (M.35).


    “Men moet niet menen dat men gelijk is aan de zes zinsorganen (inclusief de geest), aan de zes zinsobjecten en aan de corresponderende zes soorten bewustzijn. Men moet niet menen: ‘Zij behoren mij toe.’ Noch moet men menen dat men zelf gelijk is aan het geheel van die dingen.    

    De wijze volgeling die aldus geen onjuiste meningen meer heeft, hecht zich niet langer aan iets in de wereld. Als men niet meer aan iets hecht, beeft men niet. Door niet langer te beven, bereikt men in eigen persoon de uitdoving van alle ijdelheid. En het weten is er: ‘Wedergeboorte is uitgedoofd, het heilige leven is geleefd, er is geen verder bestaan te verwachten.’ (S.XXXV.90).


    “Geef op wat niet van jou is. En wat is niet van jou? - Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn, - zij zijn niet van jou. Geef ze op. Wanneer je ze opgeeft, zal dat je voor een lange tijd welzijn en geluk brengen.” (M.22; zie ook M.62)

    “Wat er ook kan worden ingesloten als materiële vorm of als gevoelens of als waarneming of als geestelijke formaties of als bewustzijn, - zulke dingen ziet men als niet-blijvend, als lijden, als kwaal, als een gezwel, als een angel, als een ramp, als een kwelling, als weerzinwekkend, als ontbinding, als leeg, als niet-zelf.” (M.64; A.IV.124).


    Wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft vernomen, op die manier ziet, wendt hij zich af van vorm. En ook wendt hij zich af van gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. (d.w.z. men beschouwt ze niet meer als eigendom, als tot zichzelf behorende. Men laat ze los; men wordt niet meer erdoor geraakt).

    Wanneer men zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is men bevrijd. En wanneer men bevrijd is, is er het zekere weten dát men bevrijd is. En met de gedachte: ‘Volbracht is wat volbracht kan worden, niets gaat meer hierboven uit,’ begrijpt men dat het heilige leven is vervuld."

 

    “Afzondering is geluk voor de tevredene; en vriendelijkheid jegens de wereld is geluk voor degene die in verdraagzaamheid leeft. Geen behagen scheppen is geluk voor degene die zinsverlangen te boven is gekomen. Maar bevrijd te zijn van de mening ‘ik ben’, dat is het grootste geluk van alles.” (Vin.Mv.Kh.1).


    “Als iemand zes beloningen ziet, moet dat voldoende voor hem zijn om waarneming van niet-zelf onbegrensd in alle formaties te vestigen. Het zijn de volgende zes beloningen: hij zal bevrijd zijn van de wereld van alles (van de gehele wereld). Hij zal niet meer gehinderd worden door te handelen in termen van ‘ik’ en ‘mijn’. Hij zal de kennis verkrijgen die niet door allen gedeeld wordt. En hij zal duidelijk de oorzaken zien en ook oorzakelijk ontstane dingen.” (A.VI.104).


    Wat er bestaat aan lichamelijkheid, aan gevoel, aan waarneming, aan formaties, aan bewustzijn, verleden, toekomstig of tegenwoordig, eigen of vreemd, grof of fijn, gewoon of edel, veraf of nabij, - van elke lichamelijkheid, elk gevoel, elke waarneming, elke formatie, elk bewustzijn geldt: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.'

    Wanneer men dat overeenkomstig de werkelijkheid met juiste wijsheid inziet, is men zonder hechten bevrijd.

    Met een dergelijk inzicht is de geest bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten bij alle voorstellingen vrij van de eigendunk van ik en mijn. Er is geen waanidee van ik en mijn. De geest heeft dan de verschillende soorten van hoogmoed overschreden, is vol vrede en volledig bevrijd." (S.XVIII.21-22)


3.2. De niet ziekelijke geest

De Boeddha zei eens aan de oude Nakulapita: "Ziekelijk is het lichaam, gebrekkig. Maar de geest moet niet ziekelijk zijn." De eerwaarde Sariputta legde dit later uit.


"In hoeverre is het lichaam ziekelijk en ook de geest? – Een onervaren wereldmens, die de edelen niet kent, die niet bekend is met de leer van de edelen, die er niet in geschoold is, die beschouwt lichamelijkheid als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend, of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. 'Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu die lichamelijkheid. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.


Evenzo beschouwt hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn als het zelf, of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend, of gevoel, waarneming, formaties, het bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. 'Ik ben gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn; gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu dat gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk en ook de geest.


Hoe is het lichaam ziekelijk maar niet de geest? – Een edele volgeling, die de edelen kent, die bekend is met de leer van de edelen, erin geschoold, die beschouwt de lichamelijkheid niet als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. Hij blijft niet stoer bij de mening: “Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.” Bij hem verandert de lichamelijkheid. Maar bij hem ontstaan door die verandering van de lichamelijkheid niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo met het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Hij beschouwt die niet als het zelf of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend of gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Hij blijft niet bij de mening dat hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn is, dat ze hem toebehoren. Er komt verandering in het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn maar door die verandering ontstaan bij hem niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk maar de geest niet." (S.XXII.1; vgl. S.22.117)



3.3. Leeg

Eens zei de eerwaarde Ānanda tot de Verhevene: “De wereld is leeg; op welke manier, Heer, is de wereld leeg? Wat is de betekenis ervan?”

En de Boeddha gaf ten antwoord: “De wereld is leeg in zoverre ze leeg is van een zelf (attā) en leeg van wat toebehoort aan een zelf. Het oog is leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf. En evenzo is zichtbaar object leeg van een zelf, en ook het oogcontact is leeg ervan. Op gelijke wijze is het met de andere zintuigen, met de objecten van die zintuigen en met de contacten van die zintuigen. Zo is het ook met het coördinerende zintuig, herkenbare objecten, mentaal bewustzijn en contact. Dat alles is leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf. En wat er ook voor prettige, frustrerende of neutrale gevoelens ontstaan met betrekking tot de zintuigen en tot de coördinerende geest, ook die zijn leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf.” (S.IV.54).


3.4. De elementen


"Wat er in de persoon zelf aan vaste, vloeibare en gasvormige elementen zijn, dat noemt men de eigen vaste, vloeibare en gasvormige elementen.

Wat er in de eigen persoon aan hitte verworven is, waardoor men verhit wordt, waardoor er vertering plaats heeft, dat noemt men het eigen hitte-element.

Wat er in de eigen persoon is aan opstijgende winden, aan neerdalende winden, de winden van de maag, van de darm, de winden die alle ledematen doorstromen zoals in- en uitademing, dat noemt men het eigen wind-element.

Al die elementen zijn zonder wezen en zonder zelf; zij zijn oorzakelijk ontstaan, zijn vergankelijk, aan verval onderhevig. 'Dit is niet van mij; dat ben ik niet; dat is niet mijn zelf.' Door zo te overwegen wordt de geest vrij van begeerte met betrekking tot die elementen. Door meditatie over de waarneming van vergankelijkheid wordt elke mening van „ik“ overwonnen." (zie M.62 en M.74 en M.140)


Een mens is een wezen, samengesteld uit vijf groepen: (a) De groep van materie, namelijk vaste, vloeibare en gasvormige stoffen, hitte en beweging. Eveneens behoren ertoe de zintuigen en de corresponderende objecten: oog met zichtbare vorm, oor met geluid, neus met geur, tong met smaak en lichaam met tastgevoel. Ook het verstand en de geest met gedachten en ideeën behoren ertoe.

(b) De groep van gevoelens: de gevoelens ondervonden door het contact van lichamelijke en geestelijke organen met de buitenwereld.

(c) De groep van gewaarwordingen: er is herkenning van objecten door de gewaarwording.

(d) De groep van geestelijke formaties: hiertoe behoren alle wilsactiviteiten. De wilsactiviteiten brengen moreel resultaat voort. Tot de wilsacties behoren o.a. aandacht, vertrouwen, verlangen, concentratie, energie, afkeer. - In totaal worden er 52 geestelijke activiteiten genoemd.

(e) De groep van bewustzijn: bewustzijn is een reactie met als basis één van de zes zintuigen en met het corresponderende uiterlijke verschijnsel als object. Zo heeft bijvoorbeeld visueel bewustzijn het oog als basis en de zichtbare vorm als object.


Nergens is een zelf, een kern, een ego, een "ik" te vinden.

Gevoelens ontstaan, gevoelens vergaan. Begeerte ontstaat en begeerte vergaat. Geestelijke formaties ontstaan en vergaan. Lichamelijkheid ontstaat en vergaat. Dat alles is niet van mij. Als "ik" me eraan hecht, is dat een oorzaak voor leed. "Laat los, laat gaan," dat moet ik me voortdurend inprenten. Nergens aan hechtend, ben ik vrij. Zo moet geoefend worden.

"Er zijn drie soorten van gevoel, aangenaam, onaangenaam en neutraal gevoel. Elke soort van gevoel is vergankelijk, oorzakelijk ontstaan, aan vernietiging en verwijnen onderhevig.

Wanneer een goed onderwezen discipel dat zo ziet, wordt hij ontnuchterd tegenover elke soort van gevoel. Hij wordt dan begeerteloos. Zijn geest is bevrijd. En hij weet dat het heilige leven geleefd is, dat gedaan is wat gedaan moest worden.

Iemand wiens geest zo bevrijd is, verbindt zich met niemand en maakt geen ruzie met iemand. Hij gebruikt de gebruikelijke taal, maar hecht er niet aan." (M.74)



3.5. Niet-zelf


Vorm is niet zelf; vorm is niet de plaats van het zelf; in vorm is geen zelf. Gevoelens zijn niet zelf; gevoelens zijn niet de plaats van het zelf; in gevoelens is geen zelf. Gewaarwording is niet zelf; gewaarwording is niet de plaats van het zelf; in gewaarwording is geen zelf. Geestelijke formaties zijn niet zelf; geestelijke formaties zijn niet de plaats van het zelf; in geestelijke formaties is geen zelf. Bewustzijn is niet zelf; bewustzijn is niet de plaats van het zelf; in bewustzijn is geen zelf. (Vimuttimagga, p. 305)


Het lichaam is leeg, zonder zelf. Het is ontstaan afhankelijk van oorzaken. Het is veranderlijk en vergankelijk. Gevoelens ontstaan en vergaan; zij zijn afhankelijk van omstandigheden, ze zijn zonder zelf. Waarneming is oorzakelijk ontstaan, is afhankelijk, zonder zelf. Bewustzijn is oorzakelijk ontstaan, is afhankelijk, zonder zelf. Al het samengestelde is ontstaan, is afhankelijk van oorzaken. Alleen Nibbana is zonder oorzaak, is niet samengesteld. Die staat is niet geboren, niet geworden, niet geschapen.



3.6. Ik-loze oorzaak

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De Boeddha sprak er tot de monniken over niet-ik.

"Monniken, de lichamelijkheid is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, ook dat is niet-ik. De lichamelijkheid die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

Evenzo met gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn. Die zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. Gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn? (S.XXII.20)



3.7. De uiteenzetting van de elementen - Dhātuvibhanga sutta


Inleiding


Eens liep de Verhevene door het land Magadha en kwam er aan te Rajagaha. Daar ging hij naar de pottenbakker Bhaggava en vroeg hem of hij een nacht in diens werkplaats kon doorbrengen, als het geen bezwaar was. De pottenbakker Bhaggava zei dat het geen bezwaar voor hem was, maar er was al een huisloze daar. Als die ermee accoord ging, kon de Verhevene er zo lang blijven als hij wilde.

Nu was daar een man uit goede familie met naam Pukkusāti, die uit vertrouwen tot de Verhevene het leven in huis had verwisseld voor het huisloze leven, en zich toen al ophield in de werkplaats van de pottenbakker.

[Volgens het commentaar was Pukkusāti de koning van Takkasila geweest die met koning Bimbisara van Magadha bevriend was. Door zijn vriend had hij van de leer van de Boeddha vernomen en was dermate vervuld van vertrouwen, dat hij zonder formele wijding in de huisloosheid vertrokken was en nu op weg was naar de Boeddha. Deze had Pukkusātis aanleg tot bovennatuurlijk inzicht gezien en de incognito-samenkomst met hem geregeld].


De Verhevene ging naar de eerwaarde Pukkusāti toe en zei: “Bhikkhu als het geen bezwaar voor je is, wil ik een nacht in de werkplaats doorbrengen.”

“Vriend, de werkplaats is groot genoeg. De eerwaarde kan zo lang blijven als hij wil.”

Toen ging de Verhevene de werkplaats binnen, maakte een laag hooi gereed aan een einde, en ging er met gekruiste benen en met oprecht bovenlichaam op zitten, vol oplettendheid. De Verhevene bracht toen het grootste deel van de nacht door zittend in meditatie, en ook de eerwaarde Pukkusāti bracht het grootste deel van de nacht door zittend in meditatie. Toen dacht de Verhevene: “Deze man uit goede familie gedraagt zich op een manier die vertrouwen wekt. Laat ik hem eens iets vragen.” De Verhevene vroeg toen aan de eerwaarde Pukkusāti:

“Bhikkhu, onder wie ben je in de huisloosheid vertrokken? Wie is je leraar? Tot wiens Dhamma beken jij je?”

“Vriend, er is de monnik Gotama, de zoon van de Sakyers; hij verliet de stam van de Sakyers om in de huisloosheid te gaan. Deze Verhevene heeft een heel goede naam. Van hem wordt gezegd: ‘Die Verhevene is een heilige, een volledig Verlichte, volmaakt in het ware weten en verheven in gedrag, volmaakt, kenner van de werelden, een onvergelijkbare Meester van bedwingbare mensen, een Leraar van hemelse en menselijke wezens, een Verlichte, een Verhevene.’ Onder die Verhevene ben ik in de huisloosheid vertrokken; die Verhevene is mijn leraar; tot de Dhamma van die Verhevene beken ik mij.”

“Maar bhikkhu, waar vertoeft die Verhevene, heilige en volmaakt Verlichte nu?”

"Vriend, er is in het noordelijke land een stad met naam Savatthi. De Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte vertoeft nu daar.”

"Maar bhikkhu, heb je die Verhevene ooit gezien? Zou je hem herkennen wanneer je hem zag?”

“Neen, vriend, ik heb die Verhevene nooit gezien, en ik zou hem niet herkennen wanneer ik hem zag.”

Toen dacht de Verhevene: “Deze man uit goede familie is onder mij in de huisloosheid vertrokken. Stel dat ik hem de Dhamma onderwijs.” Dus richtte de Verhevene zich als volgt tot de eerwaarde Pukkusāti: “Bhikkhu, ik zal je de Dhamma onderwijzen. Luister oplettend naar wat ik ga zeggen.” - “Ja vriend,” gaf de eerwaarde Pukkusāti ten antwoord. De Verhevene zei dit:


De samenvatting


“Bhikkhu, deze mens5 bestaat uit zes elementen, zes grondslagen voor contact, en achttien soorten van geestelijk naderen, en hij heeft vier grondslagen. Iemand die op deze grondslagen staat, wordt niet meer door de stromen van de voorstelling overstroomd, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd. Men moet wijsheid niet verwaarlozen, men moet de waarheid oprecht houden, men moet verzaking onderhouden, en men moet voor de vrede oefenen. Dit is de samenvatting van de uiteenzetting van de zes elementen.


De zes elementen


Bhikkhu, ‘deze mens bestaat uit zes elementen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking? - Er is het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit zes elementen bestaat.


De zes grondslagen voor contact


Bhikkhu, ‘deze mens bestaat uit zes grondslagen voor contact,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking? - Er is de grondslag van het zien-contact, er is de grondslag van het hoor-contact, er is de grondslag van het ruik-contact, er is de grondslag van het smaak-contact, er is de grondslag van het aanrakings-contact en er is de grondslag van het geest-contact. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit zes grondslagen voor contact bestaat.


Achttien soorten van geestelijk naderen


Bhikkhu, ‘deze mens bestaat uit achttien soorten van geestelijk naderen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?

Wanneer men met het oog een vorm ziet, nadert men een vorm waarbij men vreugde opwekt; men nadert een vorm waarbij men droefenis opwekt; men nadert een vorm waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.

Wanneer men met het oor een geluid hoort, nadert men een geluid, waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geluid waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geluid waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.

Wanneer men met de neus een geur ruikt, nadert men een geur waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geur waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geur waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.

Wanneer men met de tong een smaak proeft, nadert men een smaak waarbij men vreugde opwekt; men nadert een smaak waarbij men droefenis opwekt; men nadert een smaak waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.

Wanneer men met het lichaam een aanrakingsobject voelt, nadert men een aanrakingsobject waarbij men vreugde opwekt; men nadert een aanrakingsobject waarbij men droefenis opwekt; men nadert een aanrakingsobject waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.

Wanneer men met de geest een geestobject waarneemt, nadert men een geestobject waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geestobject waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geestobject waarbij men gelijkmoedigheid opwekt. Zo zijn er zes soorten van naderen met vreugde, zes soorten van naderen met droefenis, en zes soorten van naderen met gelijkmoedigheid. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit achttien soorten van geestelijk naderen bestaat.


Vier grondslagen


Bhikkhu, ‘deze mens heeft vier grondslagen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?

Er is de grondslag van de wijsheid, de grondslag van de waarheid, de grondslag van de verzaking en de grondslag van de vrede. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens vier grondslagen heeft.


‘Men moet wijsheid niet verwaarlozen, men moet de waarheid oprecht houden, men moet verzaking onderhouden, en men moet voor de vrede oefenen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?

Bhikkhu, hoe verwaarloost men wijsheid niet? Er zijn deze zes elementen: het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.


Bhikkhu, wat is het aarde-element? Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.


Bhikkhu, wat is het water-element? Het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.


Bhikkhu, wat is het vuur-element? Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuur-element zo beschouwt, wordt men tegenover het vuur-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuur-element.


Bhikkhu, wat is het wind-element? Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het wind-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan wordt men tegenover het wind-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het wind-element.


Bhikkhu, wat is het ruimte-element? Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het ruimte-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het ruimte-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het ruimte-element.


Dan blijft alleen nog het bewustzijn over, gezuiverd en stralend.6 Wat neemt men waar met dat bewustzijn? Men neemt waar: ‘dit is aangenaam,’ men neemt waar: ‘dit is pijnlijk,’ men neemt waar: ‘dit is noch pijnlijk noch aangenaam.’ In afhankelijkheid van een contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat aangenaam gevoel. Wanneer men een aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’

In afhankelijkheid van een contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, ontstaat pijnlijk gevoel. Wanneer men een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een pijnlijk gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Dat pijnlijke gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’

In afhankelijkheid van een contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat noch pijnlijk noch aangenaam gevoel. Wanneer men een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het noch pijnlijke noch aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en is beëindigd.’

Bhikkhu, zoals door het contact en de wrijving van twee wrijfhouten hitte geproduceerd wordt en vuur gemaakt wordt, en bij het scheiden en uit elkaar nemen van die twee wrijfhouten de ermee overeenkomende hitte minder wordt en eindigt, juist zo ontstaat ook in afhankelijkheid van een contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, een aangenaam gevoel. Wanneer men een aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een aangenaam gevoel. Bij het beëindigen van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’ In afhankelijkheid van een contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden,ontstaat pijnlijk gevoel. Wanneer men een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een pijnlijk gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het pijnlijke gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd. In afhankelijkheid van een contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat noch pijnlijk noch aangenaam gevoel. Wanneer men een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen nu van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het noch pijnlijke noch aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.


Dan blijft alleen nog gelijkmoedigheid over, gezuiverd en stralend, soepel, smeedbaar en helder stralend.7 Bhikkhu, stel dat een handige goudsmid of zijn hulp een smeltoven voorbereidt, de smeltkroes verhit, iets goud met tangen pakt, en het in de smeltkroes doet. Van tijd tot tijd blaast hij erop, van tijd tot tijd sprenkelt hij water erover, en van tijd tot tijd kijkt hij alleen maar toe. Dat goud zal zuiver worden, goed gezuiverd, helemaal gezuiverd, zonder fouten, vrij van sintels, soepel, smeedbaar en helder stralend. Wat voor sieraad de goudsmid er ook mee zal maken, een gouden ketting of oorringen, of een halsketting of een gouden guirlande, het goud zal zijn doel vervullen. Evenzo, bhikkhu, blijft dan alleen nog gelijkmoedigheid over, gezuiverd en stralend, soepel, smeedbaar en helder stralend.

Hij begrijpt: ‘Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘ruimte is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren.8 Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘bewustzijn is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘niets is er,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou mijn gelijkmoedigheid, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘noch waarneming noch niet waarneming,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren.’

Hij begrijpt: ‘Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘ruimte is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘bewustzijn is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘niets is er,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘noch waarneming noch niet waarneming,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd.’ Hij vormt geen enkele voorwaarde en produceert geen enkele wilsopwelling in de richting van bestaan of bestaansmogelijkheid. Omdat hij geen enkele voorwaarde vormt, en geen enkele wilsopwelling in richting bestaan of bestaansmogelijkheid produceert, hecht hij nergens meer vast aan de wereld. Wanneer hij niet vasthecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt: ‘Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen.’


Wanneer hij een aangenaam gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’ Wanneer hij een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’ Wanneer hij een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’

Wanneer hij een aangenaam gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een pijnlijk gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het lichaam eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het lichaam eindigt.’ Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het leven eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het leven eindigt.’ Hij begrijpt: ‘Met het einde van het leven zal alles wat gevoeld wordt, waaraan men zich niet vermaakt, terstond koel worden.’ Bhikkhu, zoals een olielamp in afhankelijkheid van olie en een lampenpit brandt en uitgedoofd is als zij geen verdere brandstof krijgt, zodra de olie en de lampenpit verbruikt zijn; evenzo begrijpt hij, wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het lichaam eindigt: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het lichaam eindigt.’ Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het leven eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het leven eindigt.’ Hij begrijpt: ‘Met het einde van het leven zal alles wat gevoeld wordt, waaraan men zich niet vermaakt, terstond koel worden.’

Daarom bezit een bhikkhu die deze wijsheid bezit, de hoogste grondslag van de wijsheid. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele wijsheid, namelijk het weten van de vernietiging van alle dukkha.

Zijn bevrijding die op de waarheid is gebaseerd, is onwrikbaar. Want bhikkhu, dat is onecht wat een bedrieglijke aard heeft, en dat is echt wat een onbedrieglijke aard heeft - Nibbāna. Daarom bezit een bhikkhu die deze waarheid bezit, de hoogste grondslag van de waarheid. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele waarheid, namelijk Nibbana dat een onbedrieglijke aard heeft.


Vroeger, toen hij onwetend was, verwierf en ontwikkelde hij geestelijke aanwinsten. Nu zijn die door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd zodat zij niet meer onderworpen zijn aan toekomstig ontstaan. Daarom bezit een bhikkhu die deze verzaking bezit, de hoogste grondslag van verzaking. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele verzaking, namelijk het loslaten van alle geestelijke aanwinsten.

Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij hebzucht, begeerte en hevig verlangen; die zijn nu door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat ze aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij toorn, kwaadwil en haat; die zijn nu door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat zij aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij onwetendheid en verblinding; dat is nu door hem opgegeven, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat het niet meer aan een toekomstig ontstaan ervan is onderworpen. Daarom bezit een bhikkhu die deze vrede bezit, de hoogste grondslag van de vrede. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele vrede, namelijk de bevrijding van begeerte, haat en verblinding.

Met betrekking hierop werd gezegd dat men wijsheid niet moet verwaarlozen, dat men de waarheid oprecht moet houden, dat men verzaking moet onderhouden, en dat men voor de vrede moet oefenen.


De stromen van de voorstelling


De stromen van de voorstelling overstromen iemand niet meer die op deze grondvesten staat, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd, zo werd gezegd. En met betrekking waarop werd dit gezegd?

Bhikkhu, ‘ik ben’ is een voorstelling; ‘ik ben dit’ is een voorstelling; ‘ik zal zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vorm bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vormloos zijn’ is een voorstelling’; ‘ik zal waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal noch waarnemend noch niet waarnemend zijn’ is een voorstelling. Voorstelling is een ziekte, een gezwel, een stekel. Bhikkhu, doordat men elke voorstelling overschrijdt, wordt men een wijze in de vrede genoemd.9 En de wijze in de vrede is niet geboren, hij wordt niet ouder, sterft niet; hij wordt niet bewogen en heeft geen verlangen. Want in hem is niets meer aanwezig waardoor hij geboren zou kunnen worden. Niet geboren, hoe kan hij dan ouder worden? Niet ouder wordend, hoe kan hij dan sterven? Niet stervend, hoe kan hij dan bewogen worden? Niet bewogen, hoe kan hij dan verlangen hebben?

Met betrekking hierop werd gezegd: ‘De stromen van de voorstelling overstromen iemand niet meer die op deze grondslagen staat, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd.’

Bhikkhu, onthoudt deze korte uiteenzetting van de zes elementen.”


Tot slot


Daarop dacht de eerwaarde Pukkusāti: “De Leraar is werkelijk naar mij toe gekomen. De Volmaakte is naar mij toe gekomen. De volledig Verlichte is naar mij toe gekomen.” Hij stond van zijn zitplaats op, bracht zijn oppergewaad over een schouder in orde, wierp zich met het hoofd aan de voeten van de Verhevene en zei: Eerwaarde heer, ik heb een fout begaan; als een nar, verward en onhandig, heb ik me aangematigd om de Verhevene met ‘vriend’ aan te spreken. Eerwaarde heer, de Verhevene moge mij mijn fout vergeven, die omwille van toekomstige terughoudendheid als zodanig ingezien werd.”

“Zeker, bhikkhu, je hebt een fout begaan door mij als ‘vriend’ aan te spreken. Maar je hebt je fout ingezien en om vergiffenis gevraagd. Daarom vergeven wij je. Want het is groei in de discipline van de edelen wanneer men zijn fout inziet, om vergiffenis vraagt en toekomstige terughoudendheid op zich neemt.”

“Eerwaarde heer, ik zou graag de inwijding onder de Verhevene krijgen.”

“Maar zijn je nap en gewaden volledig, bhikkhu?”

"Eerwaarde heer, mijn nap en gewaden zijn niet volledig.”

“Bhikkhu, Tathāgatas geven niemand de wijding wiens nap en gewaden niet volledig zijn.”

Toen stond de eerwaarde Pukkusāti van zijn zitplaats op, gelukkig en verheugd over de woorden van de Verhevene. Hij eerde de Verhevene, nam afscheid met de rechter zijde naar hem toegewend, en ging op zoek naar een nap en gewaden. Door een loslopende koe werd hij toen gedood.

Meerdere bhikkhus gingen naar de Verhevene, eerden hem en gingen terzijde neerzitten. Zij vroegen naar de bestemming van de eerwaarde Pukkusāti.

[De Boeddha:] “Bhikkhus, de man uit goede familie Pukkusāti was wijs. Hij oefende in overeenstemming met de Dhamma en hij heeft mij in de vragen van de Dhamma geen moeilijkheden bezorgd. Hij is met de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan [in de Zuivere Verblijven] wedergeboren; daar zal hij Nibbana verkrijgen zonder ooit naar deze wereld terug te keren.”


Dat is wat de Verhevene zei. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene. (M.140)


3.8. De vragen van Mettagu

Mettagu:

Waaruit is dit lijden hier ontstaan, dit lijden dat in zo menigvuldige vormen voorkomt?”

De Verhevene:

Het lijden ontstaat, veroorzaakt door de groepen van bestaan.10 Alwie, uit onwetendheid, voor zich groepen van bestaan schept, geraakt steeds weer opnieuw in lijden. Wie dit inziet, wie geboorte en de oorsprong van het lijden ziet, moet daarom geen nieuwe groepen van bestaan meer scheppen.”

Mettagu:

Op welke manier overschrijden wijze mensen de vloed:11 geboorte en ouderdom, zorg en leed?”

De Verhevene:

Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming.12 Kom het bewustzijn13 te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”

(Sn.V.4, verzen 1049-1060)



3.8.1. De groepen van bestaan


De groepen van bestaan worden op drie verschillende manieren ingedeeld, namelijk:

(a) De vijfvoudige indeling: lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties, bewustzijn.

(b) De tweevoudige indeling: nama-rupa: geest en lichamelijkheid.

(c) De drievoudige indeling: bewustzijn, geestelijke factoren, lichamelijkheid.

Wat als individueel bestaan wordt beschouwd, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van die geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Deze vijf groepen echter vertonen noch apart noch collectief een zelfstandig, op zichzelf bestaand iets (atta), noch is er een zelfstandig iets te vinden afzonderlijk van die groepen. Deze vijf groepen vormen een abstracte rangschikking maar ze hebben geen werkelijk bestaan als vijf volledige groepen. Er kan maar één vertegenwoordiger van deze groepen ontstaan met één staat van bewustzijn. Bij voorbeeld, met eenzelfde eenheid van bewustzijn kan slechts één enkel soort van gevoel (vreugde of verdriet) verbonden worden en nooit meer dan één. Evenzo kunnen geen twee verschillende gewaarwordingen op hetzelfde moment ontstaan. Ook van de diverse soorten bewustzijn kan slechts één tegelijk aanwezig zijn.14

“Wat is de groep van lichamelijkheid? - Het zijn de vier primaire elementen [aarde, water, vuur, lucht] en lichamelijkheid daarvan afhankelijk.

Wat is de groep van gevoel? Het zijn de zes klassen van gevoel: gevoel door visuele indruk, gevoel door klank-indruk, door geur-indruk, door smaak-indruk, door tast-indruk en door geestelijke indruk.

Wat is de groep van gewaarwording? Er zijn zes klassen van gewaarwording: gewaarwording van zichtbare objecten, van geluiden, van geuren, van smaken, van lichamelijke indrukken en van geestelijke indrukken.

Wat is de groep van geestelijke formaties? Er zijn zes klassen van wilstoestanden, namelijk m.b.t. zichtbare objecten, m.b.t. geluiden, m.b.t. geuren, m.b.t. smaken, m.b.t. lichamelijke indrukken, en m.b.t. geestelijke objecten.

Wat is de groep van bewustzijn? Er zijn zes klassen van bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn en geestbewustzijn.” (S.XXII.56).

Over de onafscheidelijkheid van deze groepen is gezegd: “Wat er ook bestaat aan gevoelens, gewaarwordingen en aan geestelijke formaties, deze dingen zijn verbonden, niet onverbonden. En het is onmogelijk het een van het ander te scheiden en het verschil ervan aan te tonen. Want alles dat men voelt, dat neemt men waar; en wat men waarneemt, daarvan is men zich bewust.” (M.43).

Verder is gezegd: “Het is onmogelijk het verdwijnen uit het ene bestaan en het intreden in een nieuw bestaan uit te leggen, of de groei, toename en ontwikkeling van bewustzijn uit te leggen onafhankelijk van lichamelijkheid, gevoel, gewaarwording en geestelijke formaties.” (S.XII,53).

Betreffende de onpersoonlijkheid (anatta) en leegheid (suññata) van de vijf groepen is gezegd: “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en met ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’” (S.XXI.5).



3.9. De zesvoudige zesheid


Te Savatthi, in het Jetavana klooster sprak de Verhevene tot de monniken over de leer die goed is aan het begin, goed in het midden en goed aan het einde.


“Het volmaakt gezuiverde ascetendom zal ik uitleggen, en wel de zesvoudige zesheid.

Zes inwendige gebieden moeten ingeprent worden, en zes uitwendige gebieden. Zes bewustbare rijken moeten ingeprent worden en zes beroerbare rijken. Zes voelbare rijken moeten ingeprent worden en zes dorstbare rijken.


[Zes inwendige gebieden]


‘Zes inwendige gebieden moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd dat gezegd?

Om het gebied van het oog, het gebied van het gehoor, het gebied van de reuk, het gebied van de smaak, het gebied van de aanraking, het gebied van het denken.

‘Zes inwendige gebieden moeten ingeprent worden,’ werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de eerste zesheid.


[Zes uitwendige gebieden]


‘Zes uitwendige gebieden moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd het gezegd?

Om het gebied van de vormen, om het gebied van de geluiden, om het gebied van de geuren, om het gebied van de smaken, om het gebied van de aanrakingen, om het gebied van de gedachten.

‘Zes uitwendige gebieden moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de tweede zesheid.


[Zes bewustbare rijken]


'Zes bewustbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd het gezegd?

Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn. Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn. Door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn. Door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn. Door de tastzin en de aanrakingsobjecten ontstaat het aanrakingsbewustzijn. Door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn.

‘Zes bewustbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de derde zesheid.


[Zes beroerbare rijken]


‘Zes beroerbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd dat gezegd?

Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact. Door het oor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact. Door de ruikzintuig (de neus) en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact. Door het smaakzintuig (de tong) en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact. Door de tastzin (het lichaam) en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact. Door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact.

‘Zes beroerbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de vierde zesheid.


[Zes voelbare rijken]


‘Zes voelbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd dat gezegd?

Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt. Door het oor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt. Door het ruikzintuig (de neus) en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt. Door het smaakzintuig (de tong) en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt. Door de tastzin (het lichaam) en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt. Door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt.

‘Zes voelbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de vijfde zesheid.


[Zes dorstbare rijken]


‘Zes dorstbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd. En waarom werd dat gezegd?

Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt. Door het oor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt. Door de neus en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt. Door de tong en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt. Door het lichaam en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt. Door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact is het gevoel veroorzaakt; door het gevoel is de dorst veroorzaakt.

‘Zes dorstbare rijken moeten ingeprent worden,’ zo werd gezegd, en het werd daarom gezegd. Dat is de zesde zesheid.”


[Niet-zelf]


‘Het oog is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het oog wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het oog is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf.

‘De vormen zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de vormen wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de vormen zijn het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf.

‘Het zienbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het zienbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het zienbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf.

‘Het ziencontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ziencontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen, Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ziencontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het oog niet het zelf, zijn de vormen niet het zelf, is het zienbewustzijn niet het zelf, is het ziencontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


‘Het oor is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het oor wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het oor is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf.

‘Het geluid is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het geluid wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het geluid is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf.

‘Het hoorbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het hoorbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het hoorbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf.

‘Het hoorcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het hoorcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het hoorcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het oor niet het zelf, is het geluid niet het zelf, is het hoorbewustzijn niet het zelf, is het hoorcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


‘De neus is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de neus wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de neus is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf.

‘De geuren zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de geuren wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de geuren zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf.

‘Het ruikbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ruikbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ruikbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf.

‘Het ruikcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het ruikcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het ruikcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de neus niet het zelf, zijn de geuren niet het zelf, is het ruikbewustzijn niet het zelf, is het ruikcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


‘De tong is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de tong wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de tong is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf.

‘De smaken zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de smaken wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de smaken zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf.

‘Het smaakbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het smaakbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het smaakbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf.

‘Het smaakcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het smaakcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het smaakcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de tong niet het zelf, zijn de smaken niet het zelf, is het smaakbewustzijn niet het zelf, is het smaakcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


‘Het lichaam is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het lichaam wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het lichaam is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf.

‘De aanrakingen zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de aanrakingen wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de aanrakingen zijn het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf.

‘Het aanrakingsbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het aanrakingsbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het aanrakingsbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf.

‘Het aanrakingscontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het aanrakingscontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het aanrakingscontact is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het aanrakingscontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het aanrakingscontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is het lichaam niet het zelf, zijn de aanrakingen niet het zelf, is het aanrakingsbewustzijn niet het zelf, is het aanrakingscontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


‘De geest is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de geest wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de geest is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf.

‘De gedachten zijn het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de gedachten wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de gedachten zijn het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf.

‘Het denkbewustzijn is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het denkbewustzijn wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het denkbewustzijn is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf.

‘Het denkcontact is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het denkcontact wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het denkcontact is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf.

‘Het gevoel is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij het gevoel wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘het gevoel is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf.

‘De dorst is het zelf,’ een dergelijke bewering kan niet toetreffen; bij de dorst wordt een ontstaan en vergaan waargenomen. Waarbij evenwel een ontstaan en vergaan waargenomen wordt, daar moet iemand ‘mijn zelf ontstaat en vergaat’ als resultaat laten gelden. Daarom treft de bewering ‘de dorst is het zelf’ niet toe. Zomede is de geest niet het zelf, zijn de gedachten niet het zelf, is het denkbewustzijn niet het zelf, is het denkcontact niet het zelf, is het gevoel niet het zelf, is de dorst niet het zelf.


[Persoonlijkheid]


Monniken, het volgende is het pad dat voert naar het ontstaan van persoonlijkheid:

‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het aanrakingscontact, het gevoel, de dorst - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf,’ zo zegt men.

[Zo is het pad dat voert naar het ontstaan van persoonlijkheid].


Monniken, dit evenwel is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid voert:

Men denkt: ‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het aanrakingscontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

[Zo is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid voert].


‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van deze ervaring niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde kan maken aan het lijden: dat is onmogelijk.


Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het lijden: dat is onmogelijk.


‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het lijden: dat is mogelijk.


Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het lijden: dat is mogelijk.


Bij een dergelijke overweging krijgt de ervaren heilige discipel een tegenzin van het oog, van de vormen, van het zienbewustzijn, van ziencontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het oor, van de geluiden, van het hoorbewustzijn, van hoorcontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de neus, van de geuren, van het ruikbewustzijn, van het ruikcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de tong, van de smaken, van het smaakbewustzijn, van het smaakcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het lichaam, van de aanrakingen, van het aanrakingsbewustzijn, van het aanrakingscontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de geest, van de gedachten, van het denkbewustzijn, van het denkcontact, van het gevoel, van de dorst.

Door de tegenzin wendt hij zich ervan af. Afgewend maakt hij zich ervan vrij. ‘In de bevrijde is de bevrijding,’ dit inzicht ontstaat. ‘Opgedroogd is de geboorte, het heilige leven is volbracht, de taak is gedaan, deze wereld is niet meer,’ zo begrijpt hij dan.”


Zo sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de woorden van de Verhevene.

Tijdens deze uiteenzetting was bij ongeveer zestig monniken het hart zonder hechten bevrijd van onwetendheid. [Zij waren Arahants geworden].

(M.148. (M.XV.6) Chachakka sutta)


[Kortom, de zintuigen zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. De zintuiglijke objecten zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. Het bewustzijn ontstaan door contact van zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het gevoel ontstaan door contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. De dorst ontstaan door het gevoel, is niet zelf, die ontstaat en vergaat. Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. - Zo weet men dan, zo ziet men in. En men hecht nergens meer aan. Wanneer men onthecht is, is men vrij.]



3.10. Het zelf


Wanneer iemand het zelf uitlegt, dan legt hij het ofwel uit als in vorm begrenst of als in vorm onbegrenst; of hij legt het uit als vrij van vorm begrenst of onbegrenst. Wie het zelf op een van die manieren uitlegt, die legt het zelf uit dat het in het heden zo is, of dat hij het in zo'n toestand zal brengen.

Wanneer iemand het zelf opvat, dan vat hij het als volgt op. 'De gewaarwording is het zelf. Of de gewaarwording is niet mijn zelf; mijn zelf is vrij van gewaarwording. Of mijn zelf is in staat tot gewaarworden.'

Wie de gewaarwording als het zelf opvat, hem is het volgende te vragen. “Er zijn drie soorten van gewaarwordingen: de prettige, de onprettige, de niet prettige noch onprettige gewaarwording. Welke van deze drie gewaarwordingen vat u op als uw zelf?”

Wanneer men een prettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen onprettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een onprettige gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch neutrale gewaarwording. Wanneer men een neutrale gewaarwording ervaart, op die tijd ervaart men geen prettige noch onprettige gewaarwording.

De prettige gewaarwording is niet blijvend, is oorzakelijk ontstaan, is onderhevig aan verdwijnen, is aan verval onderhevig, is aan beëindiging onderhevig. En evenzo de onprettige gewaarwording en de neutrale gewaarwording. Wanneer iemand een prettige gewaarwording ervaart, dan denkt hij: 'Dat is mijn zelf.' Bij het verdwijnen van de gewaarwording denkt hij dan: 'Mijn zelf is verdwenen.' En evenzo denkt hij wanneer hij een onprettige en een neutrale gewaarwording ervaart.

Degene die zegt: 'de gewaarwording is mijn zelf,' die vat het zelf daarom al in dit bestaan op als vergankelijk, als gescheiden van vreugde en leed, als onderhevig aan ontstaan-vergaan. Daarom is het niet juist het zo op te vatten: 'De gewaarwording is mijn zelf.'

Wie nu aldus spreekt: 'De gewaarwording is helemaal niet mijn zelf, mijn zelf is vrij van gewaarworden,' tot hem moet als volgt gesproken worden. “Als er helemaal geen gewaarwording is, kan er dan een “ik ben” zijn?'- Neen heer. – Daarom is het niet goed het aldus op te vatten, dat de gewaarwording helemaal niet mijn zelf is; dat ze vrij is van gewaarwording.

Wie nu aldus spreekt: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarwording; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarworden,' hem is als volgt te antwoorden: 'Wanneer gewaarwording helemaal te gronde ging, helemaal niet daar was, zou er dan een ”dat ben ik” zijn?' – Neen heer. – Daarom kan men het niet als volgt opvatten: 'Helemaal niet is de gewaarwording mijn zelf, noch is mijn zelf vrij van gewaarworden; mijn zelf wordt gewaar, mijn zelf is in staat tot gewaarwording.'

Wanneer iemand de gewaarwording niet als het zelf opvat, noch het zelf als vrij van gewaarwording opvat, noch opvat dat het zelf gewaarwordt, noch de opvatting heeft dat het zelf in staat is tot gewaarworden, diegene hecht niet meer aan iets in de wereld. Nergens aan hechtend beeft hij niet; niet bevend komt hij uit eigen kracht tot volledig uitdoven. “Vernietigd is geboorte, het reinheidsleven is uitgeleefd, de opgave is volbracht, hierna is niets meer te doen."

Wie nu met betrekking tot die persoon zou zeggen dat hij van mening is dat de Volmaakte na de dood is, of dat de Volmaakte na de dood niet is, of dat de Volmaakte na de dood zowel is als niet is, of dat de Volmaakte na de dood noch is noch niet is, – dat is een onmogelijkheid. En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht.



3.11. Eindoverdenking

Het oog is ontstaan. De zichtbare vormen zijn ontstaan. Het zienbewustzijn is ontstaan door contact van oog en zichtbare vorm. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik zie”. Maar in feite is er geen "ik" die ziet. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van zienbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.


Het oor is ontstaan. De hoorbare geluiden zijn ontstaan. Het hoorbewustzijn is ontstaan door contact van oor en hoorbare geluiden. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik hoor”. Maar in feite is er geen "ik" die hoort. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van hoorbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.


De neus is ontstaan. De ruikbare geuren zijn ontstaan. Het ruikbewustzijn is ontstaan door contact van neus en ruikbare geuren. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik ruik”. Maar in feite is er geen "ik" die ruikt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van ruikbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.


De tong is ontstaan. De proefbare smaken zijn ontstaan. Het smaakbewustzijn is ontstaan door contact van tong en proefbare smaken. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik proef”. Maar in feite is er geen "ik" die proeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van smaakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.


Het lichaam is ontstaan. De aanraakbare voorwerpen zijn ontstaan. Het aanraakbewustzijn is ontstaan door contact van lichaam en aanraakbare voorwerpen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik raak aan”. Maar in feite is er geen "ik" die aanraakt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van aanraakbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.


Het geestelijke is ontstaan en zal weer vergaan. Het geestelijke is niet blijvend, het is zonder een zelfstandig iets.

Gedachten zijn ontstaan. De denkbare dingen zijn ontstaan. Het denkbewustzijn is ontstaan door contact van geest en denkbare dingen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik denk”. Maar in feite is er geen "ik" die denkt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van denkbewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Gevoelens, emoties zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik heb een gevoel”. Maar in feite is er geen "ik" die een gevoel heeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van gevoelens. Emoties, een glimlach, een traan, ze zijn oorzakelijk ontstaan. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Herinneringen zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik herinner me”. Maar in feite is er geen "ik" die zich iets herinnert. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van herinneringen. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet ik dat loslaten, mij ervan afkeren. Ik moet me nergens meer aan hechten, noch positief noch negatief. Ik moet nergens een voorkeur voor hebben en nergens een afkeer van hebben. Door inzicht noemt men niets meer zijn eigen. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.


Wanneer men niets meer zijn eigen noemt, dan is er bij het zien is alleen het zien, bij het horen alleen het horen, bij het ruiken alleen het ruiken, bij het proeven alleen het proeven, bij het aanraken alleen het aanraken, bij het denken alleen het denken.15

Als de geest vrij is, niet meer beperkt, dan is aan het lijden een einde gekomen. En dan zijn ook bovennatuurlijke krachten mogelijk.


De Boeddha onderwijst dat het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, oneindig is en helder stralend. De Boeddha had een diep begrip van de aard van het niet-indicatieve bewustzijn van een arahant. Dat niet-indicatieve bewustzijn determineert niets als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar. (M.49)


Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen.16

Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet: “Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”

Hij of zij vraagt dan ook niet: “Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaanvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

Hij vraagt dan ook niet: “Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn.17

De goed onderwezen mens ziet dat alles oorzakelijk ontstaan is, het lichamelijke (de vier elementen) en het geestelijke. “Dat alles is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat ben ik niet,” zo weet hij. En hij leeft vrij. Het bewustzijn is dan als een schijnwerper die in alle richtingen kan schijnen, nabij en veraf. Het licht ervan hecht zich niet aan de voorwerpen die verlicht worden.


De leer van de Boeddha is als een bootje waarmee iemand naar de andere kant van de rivier roeit. Eenmaal aangekomen neemt hij het bootje niet mee maar laat het achter. Aan deze kant van de rivier is lijden, onvoldaanheid, gefrustreerdheid, ziekte, droefenis, angst, onzekerheid, onvrede.

Maar aan de andere kant van de rivier is aan dat alles een einde gemaakt. Daar is geen lijden noch gefrustreerdheid, daar is geen ziekte en droefenis, daar is geen angst en geen onzekerheid. Maar daar is de bevrijding van alle lijden, daar is opperste vrede van gemoed.


Nibbana betekent letterlijk: uitdoving. Het is geen ophouden van alles. Maar het is de uitdoving van begeerte, afkeer en waan.

Begeerte naar iets houdt in dat er later frustratie zal volgen. Want als wij het begeerde wel krijgen, zal het t.z.t. veranderen, vergaan. En dat is een bron van leed. Of onze interesse verandert en dan hebben we iets wat we eerst wel wilden en daarna niet meer. Ook dat is dan een bron van frustratie. En als wij het begeerde niet krijgen, dan is dat feit alleen al een oorzaak van leed (dukkha).

Afkeer is eigenlijk de keerzijde van de medaille. Als wij iets begeren, als wij iets verlangen, dan houdt dat automatisch in dat wij iets anders niet willen hebben. Als wij bijvoorbeeld graag naar het nieuws op de TV kijken, dan houdt dat automatisch in dat wij dan liever niet gestoord willen worden. Als wij een afkeer hebben van spruitjes of spinazie of iets anders, dan houdt dat automatisch in dat wij aan iets anders de voorkeur geven.

Waan, onwetendheid is het niet begrijpen dat alles wat samengesteld is, vergankelijk is. Omdat wij dat niet inzien, trekken wij ons alles te zeer aan. Wij zijn er persoonlijk te zeer bij betrokken. En dat komt ook omdat wij niet inzien dat er geen zelf is, geen ego, geen "ik".

Als wij het betrekkelijke van alles inzien, dan worden wij minder bij iets betrokken. Wij trekken het ons niet meer persoonlijk aan. En dan worden wij vrijer in handelen en denken.

Om het met de woorden van de heer Paul van Hooydonck te zeggen:

        "Als je een beetje loslaat

        ervaar je een beetje vrede.

        Als je veel loslaat

        ervaar je veel vrede.

        Als je volledig loslaat

        ervaar je volledige vrede."


»Wij hoeven geen angst te hebben dat ons leven droog en kleurloos wordt na het overwinnen van de geestelijke onzuiverheden. De volledige vrijheid van begeerte maakt het denken en handelen niet onmogelijk. Integendeel, men staat dan als overwinnaar boven de dingen. Niets en niemand kan ons dan nog storen. Dat is echt geluk.«18 (Buddhadasa Bhikkhu)


Het oog is er nog, maar het is niet meer "mijn" oog. Het oor is er nog, maar het is niet meer "mijn" oor. De neus is er nog, maar ze is niet meer "mijn" neus. De tong is er nog, maar ze is niet meer "mijn" tong. Het lichaam is er nog, maar het is niet meer "mijn" lichaam. De geest is er nog, maar het is niet meer "mijn" geest.

Het bewustzijn is door geleidelijke oefening vrij gemaakt. Er is geen enkel hechten meer aanwezig. Die vrede van het gemoed is niet samengesteld en kan niet uiteen vallen. Dat is Nibbana al hier in dit leven.




4. Getuigenissen van heilige nonnen (S.V.1-10)

Er is een ontkomen aan de wereld. Zinnelijk genot is gelijk aan kwelling. Iemand die bevrijd is denkt niet meer in termen van "man" of "vrouw" of "ik ben". De bevrijde is vrij van verdriet en angst. Er is geen verlangen meer naar vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen. Ze zijn vergankelijk. Er is geen verlangen meer naar zinnelijk genot. De onwetendheid is opgeheven. De bevrijde is beheerst in denken, van alle boeien bevrijd. Over het onbeweeglijke verheugt zich het gemoed. Er is geen zelf. Oorzakelijk ontstaan is het lijden en door vernietiging van de oorzaken wordt het opgeheven.


Bhikkhunī Ālavikā: "Het genot van de zintuigen is laag. Veel hoger is de zaligheid van afzondering. Er bestaat een ontkomen aan deze wereld van lijden." (S.5.1)


Bhikkhunī Somā: "Ik denk niet meer in termen van “ben ik een man of een vrouw of ben ik eigenlijk iets. Ik denk niet meer aan een “zelf". (S.5.2)


Bhikkhunī Kisā Gotamī: "Ik heb het gevoel naar lust vernietigd. De duisternis is doorbroken. Het leger van de dood is overwonnen. Ik ben vrij van wereldse invloeden." (S.5.3)


Bhikkhunī Vijayā: "Ik heb geen verlangen meer naar aangename vormen, geluiden, smaken, geuren en aanrakingen. Overal is de onwetendheid verdreven." (S.5.4)


Bhikkhunī Uppalavannā: "Ik ben vrij van angst. Ik ben beheerst in denken, de wegen van de wonderkracht zijn geeffend. Ik ben bevrijd van alle boeien." (S.5.5)


Bhikkhunī Cālā: "Wie geboren wordt, zal sterven. Ik verheug me niet over de geboorte. De leer van de Boeddha toont de weg om aan geboorte te ontkomen. Wie de opheffing van lijden niet kent, die wordt wedergeboren." (S.5.6)


Bhikkhunī Upacālā: "De werelden van de goden zijn verbonden met zinnelijke lust. De hele wereld staat in brand, staat in vlammen; ze is geschokt. Wat onwrikbaar en onbewogen is, daarover verheugt zich mijn gemoed." (S.5.7)


Bhikkhunī Sīsūpacālā: "Ik heb vertrouwen in de Boeddha en in zijn leer. De Boeddha is zonder weerga, de al-overwinnaar, in alles onoverwonnen. Van alles bevrijd, zonder boeien, hij overziet alles met zijn oog. Hij is gekomen tot opheffing van alle daden (wilsacties). Verlost door vernietiging van alle bestaans-substraten. Hij is de mijn leraar; zijn leer bevalt me." (S.5.8)


Bhikkhunī Selā: Ik weet "het lichaam is zonder een zelfstandig iets; is ontstaan uit oorzaken; door opheffing van de oorzaken wordt het opgeheven." (S.5.9)


Bhikkhunī Vajirā: "De uitdrukking “levend wezen” is een verkeerde term. Een levend wezen is een opeenhoping van losse vormen. Als de bestanddelen ervan aanwezig zijn, ontstaat slechts lijden. En niets anders dan lijden wordt opgeheven." (S.5.10)



5. rupam aniccam


rupam aniccam,

vedanā aniccā,

saññā aniccā,

sankhārā aniccā,

viññānam aniccam,


Vorm (het lichaam) is niet-blijvend, is vergankelijk;

gevoel is niet-blijvend, is vergankelijk;

waarneming is niet-blijvend, is vergankelijk;

geestelijke formaties zijn niet-blijvend, zijn vergankelijk;

bewustzijn is niet-blijvend, is vergankelijk;



rūpam anattā,

vedanā anattā,

saññā anattā,

sankhārā anattā,

viññānam anattā,


sabbe sankhārā aniccā,

sabbe dhammā anattā'ti,


vorm (het lichaam) is niet-zelf, is niet van mij;

gevoel is niet-zelf, is niet van mij;

waarneming is niet-zelf, is niet van mij;

geestelijke formaties zijn niet-zelf, zijn niet van mij;

bewustzijn is niet-zelf, is niet van mij.


Alle samengestelde dingen zijn niet-blijvend, zijn vergankelijk;

alle dingen (alle verschijnselen) zijn niet-zelf, zijn niet van mij.


naar boven  of  naar 9. De hogere leer



Geraadpleegde bronnen

The Buddha's Teachings. Thai-English Languages. The Buddhism Promotion Centre of Thailand Wat Borvaranives Vihara, Banglumpoo, Bangkok, 1992. In Honour to Her Majesty Queen Sirikitti On The Auspicious Occasion Of The Fifth Cycle Of Her Birthday.


Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a.


Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).


Ñânamoli, Bhikkhu (transl.). The Path of Purification (Visuddhimagga). By Bhadantâcariya Buddhaghosa. Transl. by Bhikkhu Ñânamoli. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956].


Ñânananda, Bhikkhu (Transl): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 183/185.


Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, The Wheel No. 188 (Kandy 1973), p.19-22.


Ñânananda, Bhikkhu: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta. Kandy : BPS, 1973. The Wheel No. 188.

Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).


Nyânatiloka Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.

Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford : PTS, 1993. (1st. ed. 1915).

The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.

Upatissa, Arahant. The Path of Freedom (Vimuttimagga). Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapâla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy: BPS, 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977).

naar boven  of  naar 9. De hogere leer

1 Alleen nibbana is blijvend.

2 Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het tijdelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd – hoe lang ook – een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, frustrerende van al wat niet-blijvend is, van al wat tijdelijk is.

3 Zulke gedachten zijn resp. gemotiveerd door begeerte (tanhā), hoogmoed (māna) en verkeerd inzicht (ditthi).

4 Hij wendt zich af: dit betekent niet dat hij een sterke emotionele afkeer ervan heeft of walging. Maar het is eerder een vervreemding, onthechting. - Hij eigent het zich niet meer toe.

5 Purisa is het Paliwoord voor ‘man’ of algemeen ‘mens’. Het wordt niet in samenhang met het geloof in persoonlijkheid gebruikt, maar het beschrijft de individualiteit die ook een Verlichte heeft.

6 Bewustzijn wordt op een bijzondere manier behandeld. Het bewustzijn is in wezen negatief, de inhoud ervan zijn de voornoemde vijf elementen. Omdat het waarnemend bewustzijn steeds een niveau boven het waargenomene staat, is ermee bijzonder taai de voorstelling van duurzaamheid verbonden. De Boeddha beschrijft het oorzakelijk ontstaan van bewustzijn aan de hand van (vergankelijk) gevoel, om de voorstelling van een onafhankelijk bestaand, duurzaam bewustzijn te doorbreken.

7 Het commentaar legt uit dat Pukkusāti al de vierde jhana had beheerst en vasthechten aan de daar aanwezige gelijkmoedigheid had gehad.

8 Zelfs zeer lang; de levensspanne in de vormloze sferen van bestaan, die overeenkomen met de vormloze verdiepingen, ligt tussen 20.000 en 84.000 aeonen.

9 Dit thema wordt uitvoerig behandeld in M.1.

10 Groepen van bestaan, zie: 3.8.1.

11 De vloed: er worden vier typen van vloed onderscheiden: 1) zintuiglijke verlangens; 2) worden; 3) meningen; 4) onwetendheid. [Ñânananda, Bhikkhu. The Wheel no. 183/5, voetnoot 1 op p. 56].

12 Gewoontevorming: dit is vooral het zich gewennen aan meningen; maar het is ook gewoonte, d.w.z. het ‘woning-nemen’ van de geest.

13 Bewustzijn: het kamma-producerende bewustzijn.

14 zie ook: Buddhist Dictionary p. 99—104.

15 Zie Ud.1.10.

16 S.12.20.

17 S.12.20; M.38.

18 Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a., p. 9.

naar boven  of  naar 9. De hogere leer