Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.5.4.  Sutta-nipata,  4. Atthakavagga 

Inleiding     Indeling van het Sutta Nipata     1.Uragavagga     2. Cūlavagga     3. Mahāvagga     4. Atthakavagga     5. Pārāyana-vagga


IV.1. (verzen 766-771) Kāma-Sutta, lust       IV.2. (verzen 772-779) Guhatthaka-Sutta, de grot       V.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka-Sutta, boosaardig       IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka-Sutta, zuiver       IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka-Sutta, het hoogste       IV.6. (verzen 804-813) Jarā-Sutta, ouderdom       IV.7. (verzen 814-823) Tissa-Metteyya-Sutta       IV.8. (verzen 824-834) Pasūra-Sutta       IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya-Sutta       IV.10. (verzen 848-861) Purābheda-Sutta, voor het verval       IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta, ruzie en tweedracht       IV.12. (verzen 878-894) Cūla-Viyūha-Sutta, de korte ontmoeting       IV.13. (verzen 895-914) Mahā-Viyūha-Sutta, de grote ontmoeting       IV.14. (verzen 915-934) Tuvataka-Sutta, snel       IV.15. (verzen 935-954) Attadanda-Sutta, geweld       IV.16. (verzen 955-975) Sāriputta-Sutta



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze vertaling of de vertaling in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.




Sn.IV. Atthaka-Vagga, het boek van acht


Dit vagga is heel oud.1 Er wordt in de suttas door de Boeddha vaak naar verwezen.2 3


Sn.IV.1. (verzen 766-771) Kāma Sutta - zintuiglijke genoegens


766. Indien het verlangen naar zintuiglijke genoegens voordeel brengt voor een sterveling, en indien hij krijgt wat hij begeert,4 dan is hij zeker blij gestemd.

767. Maar wanneer de zintuiglijke genoegens bij die persoon die er erg naar verlangt, afnemen of verdwijnen, dan heeft hij verdriet en is hij gekweld alsof hij door een pijl is doorboord.

768. Wie zintuiglijke genoegens vermijdt,5 zoals hij met zijn voet de kop van een slang vermijdt, die gaat oplettend en overwint de gehechtheid aan de wereld.

769. Wie begerig is naar velden, land en schatten, naar runderen, paarden, dienstpersoneel, naar vrouwen, vrienden, veel lustobjecten,6

770. die wordt overweldigd door wat machteloos schijnt;7 gevaren8 verpletteren hem. Dan dringt ellende bij hem binnen, zoals water in een lekke boot.

771. Daarom moet de mens steeds oplettend zijn en de zintuiglijke genoegens vermijden. Als hij ze heeft opgegeven, zal hij de stroom oversteken, zoals iemand die naar de andere oever gaat9 na zijn boot leeggeschept te hebben.10



Sn.IV.2. (verzen 772-779) Guhatthaka Sutta - de grot


772. Gevangen in de grot (van zijn lichaam)11 en veelvuldig bedolven,12 blijft de mens vaststeken, diep verzonken in verblinding en verwarring.13 Van onthechting 14 is hij waarlijk verre, want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk in de wereld op te geven.


773. Aan de wensen onderhorig,15 en gebonden aan de vreugden van bestaan zijn de mensen heel moeilijk te bevrijden en kunnen zij door niemand anders bevrijd worden.16 Naar het vroegere en ook naar het toekomstige gaat hun streven, naar deze zintuiglijke genoegens van thans of die van vroeger.


774. Zij die begerig zijn naar zintuiglijke genoegens, die steeds denken aan zintuiglijk genot en die erdoor misleid zijn, zij zijn de verkeerde weg opgegaan, zij zijn onbeleerbaar.17 Wanneer lijden hen ten deel valt, dan breken zij in geweeklaag uit: "Wat zullen wij worden wanneer wij van hier zijn heengegaan?"


775. Daarom moet de mens zich nu oefenen in deze onthechting. Wat in de wereld als 'slecht' bekend is, dat moet hem niet ertoe brengen slecht te handelen. Want dit leven is kort, zeggen wijzen.18


776. Ik zie in de wereld dit volk spartelen, geobsedeerd door begeerte naar de vormen van bestaan. Lage mensen jammeren in de kaken van de dood, omdat begeerte naar veelvuldig bestaan niet is weggenomen.


777. Zie ze spartelen om dat wat als 'mijn' geliefd is, als vissen in ondiep water, in een uitgedroogde rivier die weinig water heeft. Wie dit heeft gezien, laat hem zonder egoïsme leven, en geen binding voor zich scheppen aan de vormen van bestaan.


778. Naar beide einden19 moet hij het verlangen verdrijven, door het volledig begrijpen (en opgeven) van de zintuiglijke indruk,20 zonder begeerte. Omdat hij niets doet waarvoor hij zichzelf zou moeten berispen, is de wijze onbevlekt door wat is gezien en gehoord.21


779. Omdat hij waarneming heeft begrepen22 (en heeft opgegeven), kan hij de stroom oversteken, de wijze die van elk grijpen23 onbevlekt is.24 Hij streeft onvermoeibaar, en hij heeft, aan de stekel onttrokken, geen verlangen meer naar deze en gene wereld.


Dit sutta in het kort:

Wie gehecht blijft aan het lichaam, hij is ver van onthechting. Want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk op te geven. De mensen zijn geboeid aan de genoegens in dit bestaan; zij kunnen zichzelf niet bevrijden en kunnen niet door anderen worden bevrijd. Door begeerte naar zintuiglijke genoegens zijn zij de verkeerde weg opgegaan. En zij vragen zich klagend af: "Wat zal er na de dood van ons worden?"
Wanneer men weet dat iets verkeerd is, moet men dat niet doen. Want het leven is kort. Men moet zich oefenen in onthechting. Men moet zonder egoïsme leven en niet gehecht zijn aan geliefde bezittingen of aan vormen van bestaan.
Een wijs mens verlangt niets, hecht niet aan wat hij ziet of aan wat hij hoort of aan wat hij denkt.
Hij begrijpt dat al wat samengesteld is, vergankelijk is. Daarom hecht hij er niet aan. Hij leeft oplettend en zo steekt hij de stroom over.


Sn.IV.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka Sutta - kwaadgezind


780. Waarlijk, sommige kwaad-gezinde mensen redetwisten;25 en degenen wier geesten gericht zijn naar waarheid, zij redetwisten ook. Maar de wijze bemoeit zich niet met enig twistgesprek dat ontstaan is. Daarom heeft de wijze geen dorheid van geest in enig opzicht.26


781. Hoe zou iemand zijn eigen visie kunnen overwinnen, wanneer hij geleid is door willekeur, gebogen naar zijn eigen neigingen, die verkeerde visies zelf als ‘volmaaktheden’ verzint?27 Want zoals hij het begrijpt, zo spreekt hij ook.28


782. Indien iemand ongevraagd anderen over zijn eigen deugdzaam gedrag en geloften vertelt, dan zeggen de deskundigen dat hij een onedele aard heeft,29 die alleen het eigen ik verkondigt.30


783. Maar een bhikkhu, tot rust gekomen,31 met (het) zelf volledig uitgedoofd,32 niet pochend over zijn deugdzaam gedrag door te zeggen: "Zo ben ik,” indien hij geen hoogmoed heeft ten opzichte van iets in de wereld, dan zeggen de deskundigen dat hij een edele natuur heeft.33


784. Wanneer men verkeerde leerstellingen34 heeft gevormd, geconstrueerd,35 en wanneer men de voorkeur geeft aan die leerstellingen die onzuiver zijn en wanneer men er voordelen in ziet voor zichzelf,36 dan steunt hij op een vrede die afhankelijk is van wat onstabiel is.37

785. Het hechten aan verkeerde visies is niet gemakkelijk te overwinnen. Men heeft ze uitgezocht uit veel leerstellingen, na overweging.38 Daarom verwerpt iemand een leerstelling of neemt een andere aan39 uit dit hechten aan visies.40

786. Waarlijk, een gezuiverd41 mens vormt geen visie ergens in de wereld met betrekking tot verschillende [soorten van] bestaan. Waarheen zou een gezuiverd mens gaan42 na illusie en eigendunk te hebben opgegeven? Hij is niet betrokken erbij.43


787. Iemand die erbij betrokken is,44 is waarlijk betrokken in twistgesprekken wat betreft leerstellingen, maar hoe, waarover kan men een twistgesprek hebben met iemand die niet erbij betrokken is? Hij heeft niets opgenomen of verworpen.45 Hij heeft alle visies in deze wereld hier afgeworpen.46



Sn.IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka Sutta - zuiverheid


788. “Ik zie wat gezuiverd is, het hoogste, zonder ziektes. Zuiverheid komt tot iemand door middel van wat hij heeft gezien en waargenomen.” Als iemand dit zo inziet47 en meent te weten: “Het is het hoogste, ik ben een ziener van de gezuiverden,” dan gelooft hij dat kennis leidt tot zuiverheid.48 49


789. Indien zuiverheid tot iemand zou komen door wat hij heeft gezien, of indien hij ellende zou opgeven door middel van kennis, dan zou hij die aanwinsten heeft welke naar wedergeboorte leiden,50 gezuiverd worden door iets anders dan het edele pad. Maar dat is slechts een mening van degenen die zo spreken.51


790. De [ware] brahmaan zegt niet dat zuiverheid komt van iets anders (dan het heilige pad), of dat ze is in wat is gezien en gehoord, in deugdzaam gedrag en geloften, of in wat op een andere manier is waargenomen.52 Niet hechtend aan verdienste of kwaad, geeft hij op wat eens was opgenomen, en maakt niets meer hier pasklaar.53 54


791. Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend, de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden. Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap die de ene tak loslaat en de andere pakt.55 56


792. Iemand die zelf geloften opneemt, gehecht aan gevoelens, gaat hoog en laag. Maar degene die weet, degene met grote wijsheid, gaat niet hoog en laag; hij heeft de leer begrepen door middel van de kennis van de weg.57

793. Hij is niet geassocieerd met enig mentaal verschijnsel, of met wat is gezien of gehoord of gedacht. Hoe zou iemand hier in de wereld twijfel kunnen hebben over hem, wanneer hij een dergelijk inzicht heeft en zich open gedraagt?


794. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur, zij zeggen niet: “Dit is de hoogste zuiverheid.” De knoop van hechten losmakend, welke knoop is gebonden, vormen zij geen verlangen naar iets in de wereld.


795. De brahmaan is aan gene zijde van grenzen gegaan. Wetende of iets ziende, heeft hij het niet vastgegrepen. Hij is niet door passie gepassioneerd; hij is niet gehecht aan het passieloze. Door hem wordt hier niets meer vastgegrepen.



Sn.IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka Sutta - het hoogste


796. Wanneer iemand bij zijn eigen visies blijft en denkt: “Dit is het hoogste,” dan acht hij dit als het beste in de wereld. En hij zegt dat alle andere visies lager zijn. Daarom heeft hij twistgesprekken niet overwonnen.58


797. Welk voordeel hij voor zichzelf ziet in wat gezien en gehoord is, in deugdzaam gedrag en geloften, of in datgene wat op een andere manier is waargenomen, juist naar dat ding grijpt hij en ziet al het andere als geringer.


798. Deskundigen noemen die visie een band,59 wanneer men vanuit het eigen standpunt een ander standpunt geringschat.60 Laat een bhikkhu daarom niet afhankelijk zijn van iets dat gezien, gehoord of op een andere manier is waargenomen, of van deugdzaam gedrag en geloften.


799. Noch laat hij een visie vormen in de wereld vanwege kennis of deugdzaam gedrag of geloften.61 Laat hij zichzelf niet vergelijken als gelijk, noch laat hij denken aan zichzelf als geringer of beter.


800. Opgevende wat is opgenomen, en het niet meer opnemende,62 laat hij zelfs niet van kennis (weten) afhankelijk zijn. Waarlijk, hij volgt geen pasklaar gemaakte visie onder degenen die verschillende visies hebben. Hij gelooft geen enkele visie.

801. Voor hem die geen verlangen heeft naar hernieuwd bestaan hier of hiernamaals,63 voor hem zijn er na overweging bij leerstellingen geen visies waaraan hij hecht.


802. Bij hem is hier zelfs geen kleine mening gevormd met betrekking tot wat is gezien, gehoord of op een andere manier waargenomen. Hoe kan iemand hier in de wereld twijfels hebben over die ware brahmaan64 die geen visies aanneemt.


803. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur. Noch hechten zij aan leerstellingen.65 Een brahmaan moet niet afgeleid worden door deugdzaam gedrag of geloften. Wanneer hij naar de andere oever is gegaan, komt zo iemand niet meer terug.66 67




Sn.IV.6. verzen 804- 813. Jarā-tta - ouderdom


804. Waarlijk, dit leven is kort. Men sterft voordat honderd jaren om zijn. En ook als men langer blijft leven, dan sterft men toch aan ouderdom.

805. Mensen treuren om ‘hun’ geliefde dingen, maar geen enkel bezit is blijvend.68 Wanneer men ziet dat verandering en het gescheiden worden daadwerkelijk bestaan,69 laat men dan niet een leven in het huis leiden.

806. Wat iemand als ‘mijn’ beschouwt, ook dat verdwijnt met de dood.70 Wanneer een volgeling van mij dit heeft ingezien, neigt hij niet meer naar de ‘mijn’-gedachte.71

807. Juist zoals iemand die ontwaakt is, niet ziet wat hij in een droom zag, juist zo ziet men geen geliefde mensen wanneer zij dood en heengegaan zijn.

808. Die mensen die men zag en hoorde, wier naam ‘zus of zo’ was, wanneer zij zijn gestorven zal alleen hun naam overblijven om uitgesproken te worden.72


809. Verdriet, geweeklaag en hebzucht wijken niet van hen die begerig zijn naar geliefde dingen.73 Daarom geeft de wijze elk bezit op en gaat hij weg, omdat hij de enige veiligheid ziet.74


810. Een bhikkhu die ingetogen op een afgelegen woonplek verblijft, van hem zegt men dat het voor hem het juiste is dat hij zichzelf niet meer in het bestaan toont.75

811. Nergens van afhankelijk houdt een wijze niets als aangenaam of onaangenaam. Geweeklaag en hebzucht hechten niet aan hem vast, net zomin als water aan een lotusblad hecht.

812. Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan steeds nieuw bestaan, hetzij hier hetzij ginder, noch aan wat gezien, gehoord of op een andere manier is vernomen.76


813. Wie afgeschud heeft, koestert geen meningen bij alwat gezien, gehoord of op een andere manier is vernomen. Hij zoekt geen andere zuivering dan het edele pad. Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets.77 78


Sn.IV.7. (verzen 814-823) Tissa Metteya Sutta


Dit sutta richt zich volgens het Maha Niddesa en het commentaar tot een vroegere monnik die het leven als monnik had opgegeven omdat hij bezweken was aan de verleidingen van seksuele omgang. 



814. Tissa Metteyya

“Heer, vertel mij het kwaad dat iemand79 ten deel valt die toegewijd is aan seksuele omgang. Na uw leer vernomen te hebben, zullen wij onszelf in onthechting oefenen.”


815. De Gezegende

“Bij iemand die toegewijd is aan seksuele omgang, is de leer werkelijk vergeten, en hij gaat een verkeerde manier van leven leiden. Dat is iets onedels in hem.

816. Indien iemand die voorheen alleen leefde, weer teruggaat naar seksuele omgang, en in de wereld van het spoor afdwaalt als een voertuig dat het spoor heeft verlaten, die persoon wordt ‘inferieur’ genoemd.


817. Wat voor faam en naam hij vroeger80 ook had, die nemen vast en zeker af.81 Wanneer hij ook dit heeft gezien, laat hij zichzelf oefenen ten einde seksuele omgang op te geven.

818. Overweldigd door de verzinsels van zijn verbeelding, broedt hij als een arme dwaas. Iemand die zo geaard is, hoort het geschreeuw van anderen en wordt neerslachtig.


819. Dan maakt hij wapens82 tegen zichzelf, ertoe genoodzaakt door de woorden van anderen. Dit is inderdaad zijn grote verstrikking.83 Hij duikt onder in leugens.

820. Als wijze kan men diegene aanduiden die het eenzame leven voor zich heeft gekozen. Maar wie zich overgeeft aan geslachtelijke omgang, die bevlekt zichzelf, aan een dwaas gelijk.84

821. Wanneer een wijze het gevaar ervan, zowel vroeger als later,85 heeft ingezien, laat hem dan energiek een eenzaam leven leiden. Hij moet niet teruggaan naar seksuele omgang.

822. Hij moet zich oefenen in onthechting; zij is het hoogste goed van de edelen. En wie zich niet beter acht, hij is waarlijk in de buurt van uitdoving.

823. De mensen die in zinnelijke genoegens zijn verstrikt, benijden de wijze die bevrijd leeft, die zich niets meer aantrekt van zinnelijke genoegens, hij die de stroom is overgestoken.


Sn.IV.8. (verzen 824-834) Pasūra Sutta


824. “Hier alleen is zuiverheid,” zeggen ze. Zij ontkennen dat zuiverheid [ook] in andere leerstellingen is. Waaraan zij gehecht zijn, noemen velen ‘goed’, de velen die zich vastleggen op een enkele waarheid.86 87


825. Verlangend naar twistgesprek, zich in de bijeenkomst stortend, beschouwen zij elkaar wederkerig als dwazen.
Omdat zij van mening verschillen, voeren zij een twistgesprek, begerig naar lofprijzing, met de woorden dat zij deskundigen zijn.

826. Wie graag een discussie voert in het midden van de bijeenkomst en naar lofprijzing verlangt, is bang voor een nederlaag. Als zijn argument is verworpen, wordt hij neerslachtig. Boos vanwege de kritiek die hij kreeg, zoekt hij zwakke punten bij anderen.

827. Indien iemands argument als inferieur beoordeeld wordt en verworpen, dan klaagt de verslagene en hij is bedroefd. Hij treurt: ‘Hij heeft me overwonnen.’

828. Dergelijke twistgesprekken zijn ontstaan onder de (andere) asceten. Onder hen is de verheffing van overwinning en de depressie van verslagen zijn.

Dit ziende, laat men twistgesprekken vermijden. Want het enige doel ervan is lofprijzing en voordeel.88

829. Indien hij anderzijds daar is geprezen, als hij in het midden van de bijeenkomst een goede toespraak heeft gehouden over het twistpunt, dan lacht hij blij daarover en is hoogmoedig omdat hij het doel heeft bereikt wat zijn bedoeling was.89

830. Die opgetogenheid zal de oorzaak zijn voor verstoring bij hem,90 maar desondanks praat hij trots en met eigendunk. Dit ziende, laat men niet redetwisten, want de deskundigen zeggen dat zuiverheid daardoor niet wordt verkregen.

831. Wanneer jou een held die leeft van koninklijke soldij, donderend91 nadert en naar een tegenstander verlangt,92 ga dan daarheen waar die tegenstander is, o held. Voor mij evenwel was eerder al de strijd voorbij.93


832. Indien iemand een visie heeft opgenomen, en zegt: “Alleen dit is waar,” zeg dan, wanneer een discussie is ontstaan, tegen hem: ‘Er zal geen tegenstander voor jou zijn hier.’

833. Maar bij degenen die zich met geen enkele kant verbinden, die niet de ene visie tegen de andere zetten, welke tegenstander, Pasūra, zou je van zulke mensen kunnen krijgen? Door hen is hier niets meer vastgegrepen.


834. En nu ben je al piekerend94 hierheen gekomen en overdenk je theorieën in je geest. Je bent in contact gekomen met een gezuiverd man. Maar je zult niet in staat zijn om met hem verder te gaan.”



Sn.IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya Sutta


Volgens het commentaar vertoefde de Boeddha eens in een bos. Der brahmaan Māgandiya ontmoette de Verhevene daar en bood hem zijn dochter ten huwelijk aan. De Boeddha wees haar af met het volgende vers.95


835. (De Gezegende)
“Gezien heb ik Tanhā, Arati und Rāgā,96 maar er kwam geen enkel verlangen naar seksuele omgang. Wat is dit werkelijk, vol met urine en uitwerpselen? Ik zou haar zelfs niet met mijn voet willen aanraken.”

836. (Māgandiya)

“Indien jij zo’n juweel niet wenst, een vrouw naar wie veel koningen verlangen, welke soort van visie verkondig jij dan, overeenkomstig welk deugdzaam gedrag en welke geloften voer jij je leven en welke vorm van bestaan verkondig jij als doel?”97


837. De Gezegende
“Māgandiya, niets uit de leerstellingen is door mij vastgegrepen waarvan ik zou kunnen zeggen: ‘Dit verkondig ik.’ Maar de leerstellingen doorgrondend, niet vastgrijpend, zag ik de innerlijke vrede.”


838. Māgandiya

“Die beslissingen die gevormd zijn, jij, wijze, spreekt er inderdaad over zonder eraan vast te grijpen. Dat ding genoemd innerlijke vrede, hoe is het door de wijze verkondigd?98

839. De Gezegende

“Men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, Māgandiya. En ook niet door de afwezigheid van visie, van leren, van kennis,99 van deugdzaam gedrag, of geloften. En deze opzij zettend, zonder hechten,100 gekalmeerd (in vrede), niet afhankelijk, zal men naar geen bestaan meer verlangen.”

840. Māgandiya

“Indien men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, noch door afwezigheid ervan, dan denk ik dat die leer inderdaad verward is. Sommigen zijn van mening dat zuiverheid is door middel van visie.”

841. De Gezegende

“Afhankelijk van visie stel je vraag na vraag, Māgandiya. Door je vooroordelen kwam je in verwarring. Van datgene waarover ik spreek,101 heb je zelfs niet de geringste notie. Daarom beschouw je deze leer als verward.

842. Alwie zichzelf gelijk, hoger of lager acht, die zal op grond daarvan een twistgesprek voeren. Maar iemand die onaangetast102 is in de drie vormen van eigenwaan - voor hem is er geen ‘gelijk’ of ‘hoger’.

843. Waarom zou die brahmaan zeggen: ‘Het is waar.’ Of met wie zou hij een twistgesprek voeren met de woorden: ‘Het is verkeerd.’ In wie er geen idee is van gelijk zijn of ongelijk, met wie zou hij in een twistgesprek komen?


844. Het huis verlatend, thuisloos levend, geen bindingen maken in een dorp, vrij van zinnelijke genietingen, geen voorkeur tonende,103 laat een wijze zich niet bezighouden met meningsuitingen met het volk.104


845. Laat een groot man niet vastgrijpen aan en niet discussiëren over die visies, vrij waarvan hij in de wereld leeft. Juist zoals een lotus met een doornige stengel 105 die in het water groeit, door water en modder niet bezoedeld is, zo is een wijze die vrede verkondigd, niet begerig, onbezoedeld door zintuiglijk genot en de wereld.106

846. Iemand die kennis heeft, wordt niet trots vanwege de visie of mening van iemand anders,107 want dat is niet zijn aard. Hij kan niet meer beïnvloed worden door acties of door leren; hij wordt niet meer geleid door visies en gewoontes.108


847. Wie zich heeft ontdaan van slecht denken, voor hem zijn er geen boeien.109 En wie bevrijd is in wijsheid,110 hij maakt zich geen voorstelling van iets. Maar degenen die slecht denken en visie in zich hebben opgenomen, zij leven in de wereld en botsen samen in ruzie.111 112



Sn.IV.10. (verzen 848-861) Purābheda Sutta - voor het verval


Het gedrag en de eigenschappen van de ware wijze.


848. De vragende

“Welke visie en welk deugdzaam gedrag moet men hebben om ‘gekalmeerd’ (in vrede) genoemd te worden? Vertel mij dit, Gotama, wanneer u gevraagd wordt over de hoogste man.”


849. De Gezegende

“Wanneer begeerte is verdwenen, zelfs voor het verval van het lichaam, wie niet hecht aan het verleden, wie niets tot het heden rekent,113 voor hem is er niets in de toekomst dat de voorkeur heeft.114

850. Wie zonder boosheid, zonder angst is, niet opscheppend, zonder spijt, bescheiden sprekend, niet arrogant,115 hij is inderdaad een wijze met bedwongen taalgebruik.

851. Hij heeft geen gehechtheid naar de toekomst en hij treurt niet over het verleden. Hij ziet in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan, en laat zich door visie niet meer verleiden. 116 117


852. Hij is teruggetrokken, zonder bedrog, niet hebzuchtig, niet afgunstig, bescheiden, geen aanstoot veroorzakende, niet geneigd naar lasterpraat.

853. Hij is zonder verlangen naar aangename dingen,118 en is niet geneigd naar arrogantie. Vriendelijk is hij met een scherp inzicht, en hij heeft hij geen voorkeur noch afkeer.119

854. Hij oefent zichzelf niet omdat hij gaven wenst, en hij wordt niet boos wanneer hij niets ontvangt. Hij is ongehinderd door begeerte, en naar smaken komt bij hem geen verlangen.

855. Hij is gelijkmoedig, steeds oplettend. Hij denkt niet aan zichzelf als gelijk in de wereld. Hij is niet beter noch minder. Hij heeft geen hoogmoed.

856. Voor hem is er geen staat van afhankelijkheid,120 hij kent de leer,121 en is niet afhankelijk. Voor hem bestaat er geen verlangen naar bestaan of niet-bestaan.


857. Hem die niet meer verlangt naar zintuiglijke genoegens, noem ik ‘gekalmeerd’ (in vrede). Bij hem zijn geen banden; hij heeft gehechtheid overwonnen.

858. Voor hem zijn er geen zonen of vee, velden of bezittingen. Voor hem is er geen vastgrijpen en geen loslaten.


859. Door hem wordt niet de voorkeur gegeven aan datgene op grond waarvan het gewone volk en asceten en brahmanen hem zouden kunnen beschuldigen. Daarom wordt hij niet opgewonden temidden van hun beschuldigingen.

860. Vrij van ambitie, zonder jaloersheid, praat een wijze niet over zichzelf als zijnde hoger of gelijk of lager. Hij die niet meer grijpbaar is, gaat niet meer binnen in de begrijpelijkheid.122


861. Voor hem is er niets dat zijn eigen genoemd kan worden in de wereld; en wie niet klaagt vanwege datgene wat er niet is, en niet de weg kwijt raakt bij mentale verschijnselen, hij wordt waarlijk genoemd ‘gekalmeerd’ (in vrede).”



Sn. IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta - Strijd en tweedracht


862. (De vragende)
“Vanwaar zijn ruzie en tweedracht ontstaan, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat? Leg mij dat a.u.b. uit.”

863. (De Verhevene)
“Uit wat dierbaar is,123 ontstaan ruzie en tweedracht, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat. Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht, en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat.”

864. (vraag)
“Wat dierbaar is in de wereld, waaruit stamt het, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn? Vanwaar stammen wens en vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn?” 124

865. (De Verhevene)
“Uit het verlangen125 stamt wat dierbaar is in de wereld, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn. Daaruit ontstaan wens en de vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn.”

866. (vraag)
“Vanwaar stamt het verlangen in de wereld, vanwaar is de vorming van oordelen ontstaan? Vanwaar stammen woede, leugens en twijfel en ook andere dingen die de Asceet126 verkondigt?”

867. (De Verhevene)
“Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst", daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan. Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen, dan vormt de mens zich oordelen.127

868. De woede, leugens en twijfel, ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.128 Degene die twijfelt, moet voortgaan op het pad van weten. Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.”129

869. (vraag)
“'Gewenst' en 'ongewenst' – vanwaar stammen deze? Wanneer wat niet aanwezig is, zijn ook deze twee niet aanwezig? Toon mij het verdwijnen en het ontstaan ervan, verkondig het mij en vanwaar ze afstammen.”

870. (De Verhevene)
“'Gewenst' en 'ongewenst' stammen van de zintuiglijke indruk.130 Wanneer er geen zintuiglijke indruk is, zijn ook die twee niet aanwezig. Het verdwijnen en ontstaan ervan stamt daar vandaan. Zo verkondig ik.”

871. (vraag)
“Vanwaar stamt de zintuiglijke indruk in de wereld? Vanwaar is het grijpen131 (naar de wereld) ontstaan? Wanneer wat niet aanwezig is, is er geen mijn-gedachte? Wanneer wat verdwenen is, kan indruk geen contact maken?”

872. (De Verhevene)
“Door lichaam en geest is de indruk veroorzaakt. Uit wensen stamt het grijpen (naar de wereld). Wanneer er geen wensen zijn, zijn er geen mijn-gedachten, wanneer de lichamelijke wereld is verdwenen, kan indruk geen contact maken.”132

873. (vraag)
“Hoe geaard is iemand bij wie de lichamelijke wereld tot verdwijnen komt? Of vreugdig of ellendig, hoe komt zij tot verdwijnen? Verkondig mij a.u.b. hoe dit alles verdwijnt. 'O, konden wij het toch inzien,' zo verlangt mijn hart.”

874. (De Verhevene)
“Niet heeft hij het gewone bewustzijn, noch is het ziekelijk. Hij is niet onbewust, noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn.Voor degene die aldus geaard is, wordt de lichamelijke wereld opgeheven. Want uit het bewustzijn ontstaat de veelheidswereld in haar onderdelen.” 133

875. (vraag)
“Wat wij hebben gevraagd, hebt u ons verkondigd. Iets anders vraag ik u, verkondig ook dit. Er zijn enige wijzen die onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is.134 Zijn er ook zulke mensen die het anders verkondigen?”

876. (De Verhevene)
“In zoverre er enige wijzen onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is, zo zijn er ook zulke die als kenner gelden, die de vernietiging onderwijzen zonder rest.

877. Bevangen zijn zij, - zo herkent men deze. Als onderzoeker kent de wijze hun steunpilaren.135 En door het kennen ervan zal de vrije persoon niet strijden.136 De wijze gaat niet van zijn naar opnieuw zijn.”



Sn.IV.12. (verzen 878-894) Cūla-viyūha Sutta - de korte toespraak over meningen



Inleiding


Het woord ‘viyūha’, dat in de titel van dit sutta is gebruikt, betekent het in slagorde opgestelde leger (van viyūhati, opstellen, arrangeren). Het commentaar is van mening dat in de verzen 880-882 twee standpunten tegenover elkaar worden gesteld. Op deze tegenoverstelling (pativiyūha) of ontmoeting baseerde het commentaar blijkbaar de titel, die werd weergegeven met ‘de korte ontmoeting’. De vertaler [Nyanaponika] is echter eerder geneigd de titel die niets over een tegenoverstelling zegt, te betrekken op de vele zich vijandig tegenover elkaar staande legers van dogmatiserende filosofen en brahmanen, die zich daardoor zelf ad absurdum voeren dat ieder zich voor wijs houdt (vers 881) en de ander voor dwaas (vers 880). Op grond daarvan zou de titel wellicht weergegeven kunnen worden als ‘Het defilé van de meningen’. De houding van de Boeddha tot deze strijd der dogmatici is gekenmerkt, bijvoorbeeld in het vers 912 regel b, in het vers 914 regel a, het Pasūra-sutta en veel andere plaatsen van het ‘boek van acht.’

In het latere Sanskriet betekent vyūha ook voorstelling of beschrijving, geestelijke overweging, beschouwing. Maar deze betekenissen kunnen voor de oude tekst hier nauwelijks in aanmerking komen.


de korte toespraak over meningen


878. (De vragende)

“Iedereen is gewend geraakt aan eigen visie, is bevangen, en daarom is er verschil in wat de kenners onderwijzen: ‘Wie ze zo verstaat, die kent werkelijk de waarheid; maar wie ze tegenspreekt, die heeft het mis.’

879. Op een dergelijke manier bevangen raken zij in ruzie. Men zegt: ‘De ander is een dwaas, onkundig.’ Welke uitspraak ervan is nu wel de waarheid? Want zij allen noemen zich ‘kenner’.”

880. (De Verhevene)
“Omdat men het niet eens is met de leer van iemand anders, wanneer men daarom als een dwaas geldt en als zwak van verstand, dan zijn zij allen zelf ‘dwazen met een zwak verstand’, want zij allen kennen alleen de eigen visie waaraan zij gewend zijn geraakt.


881. Maar wanneer zij volgens eigen mening, gezuiverd door hun eigen visies, met een smetteloos inzicht zijn, kundig, wijs, dan zou niemand van hen ‘zwak van verstand’ zijn, want ieder beschouwt de eigen visie als volmaakt.

882. ‘Zoiets kan ik niet als het juiste beschouwen’,zeggen de tegenstanders en noemen elkaar dwazen. De eigen visie maken zij steeds tot waarheid, daarom beschouwen zij de ander als dwaas.”

883. (De vragende)
“Wat nu enigen ‘het ware, het werkelijke’ noemen, dat is volgens anderen leeg en niet waar. Op een dergelijke manier bevangen, raken zij in ruzie. Waarom onderwijzen de asceten niet één ding?”


884. (De Verhevene)
“Er is slechts één waarheid, er is geen tweede.137 Wanneer de mens ze kent, zal hij daarbij geen ruzie maken. Maar de asceten verkondigen zelf verschillende dingen als waarheid. Daarom onderwijzen zij niet één en hetzelfde.”


885. (De vragende)

“Waarom nu verkondigen zij verschillende waarheden, die redenaars die zich ‘kenner’ noemen? Is het omdat de waarheid zelf veelvuldig is, verschillend? 138 Of is het omdat zij daarbij hun eigen vermoedens volgen?”


886. (De Verhevene)
“Er is geen veelsoortige, verschillende waarheid die eeuwig geldt in de wereld, tenzij alleen in de verbeelding. Maar wanneer zij hun vermoedens in theorieën hebben vastgelegd,139 dan zeggen zij dat er twee dingen zijn, namelijk de waarheid en het verkeerde.


887. Hetzij op wat is gezien, gehoord, op een andere manier ervaren, hetzij op deugdzaam gedrag140 en geloften, daarop steunend toont men verachting,141 omdat men zelfvoldaan op het eigen oordeel staat en beweert dat de ander een dwaas is, onkundig.

888. Daarom houdt men de ander voor een dwaas, daarom noemt men zichzelf ‘deskundig’. Door zichzelf zo voor deskundig te houden, veracht men anderen en toch spreekt men op dezelfde manier.

889. Hij die slechts volmaakt is in zijn eigen buitensporige visie,142 hij is in een roes van trots en is gevuld met eigenwaan. In de geest kroont hij zichzelf eigenhandig, omdat zijn visie toch zo volmaakt is.

890. Indien men volgens de woorden van de ander gering aan inzicht is, dan deelt men een dergelijk gering inzicht met de ander. Maar indien ieder zich voor wetend, wijs houdt, dan is er geen dwaas bij de asceten.


891. ‘Die iets anders dan dit verkondigen als de ware leer, die hebben de zuiverheid gemist en zijn onvolmaakt.’ 143 Zo hoort men de sekte-aanhangers vaak praten. Zij zijn helemaal ontbrand in hartstocht ten opzichte van hun eigen visie.

892. ‘Alleen hier is zuiverheid,’ zegt men. Men ontkent dat zuiverheid in andere leringen is.144 De sekte-aanhangers zijn aldus veelvuldig gebonden, zij praten alleen over hun eigen weg met nadruk.

893. En praat hij ook met nadruk over zijn eigen weg, waarom zou hij iemand anders voor dwaas houden? Hij brengt alleen zichzelf in moeilijkheden, wanneer hij over een ander als ‘dwaas’ en ‘onrein’ praat.145

894. Terwijl men op zijn oordeel staat, zichzelf als maatstaf neemt, komt men in de wereld nog meer tot ruzie. Maar wanneer al het (ver)oordelen is opgegeven, zal men geen ruzie maken in de wereld.146




Sn.IV.13. (verzen 895-914) Mahāviyūha Sutta - de grote toespraak over meningen


895. (De vragende)
“De mensen die gewend zijn geraakt aan hun visie en beweren: ‘Alleen dit is waarheid,’ krijgen zij allen slechts berispingen? Oogsten zij niet ook lofprijzing daarbij?”

896. (De Verhevene)
“Jawel, maar dat is waardeloos. Het dient niet de vrede. De vruchten van ruzie zijn steeds tweevoudig, zo verkondig ik.147 Als men dat ziet, laat men geen ruzie maken, inziende dat rust, veiligheid een staat is waar geen ruzie is.148

897. Welke mening het volk ook heeft, de wetende nadert dat alles niet.149Wie niet meer nader tot iets gaat, waartoe ook zou hij naderen,150 hij die geen voldoening vindt in het geziene en gehoorde? 151


898. Zij die in regels het hoogste zien, zij zeggen dat ‘zuiverheid’ door bedwinging komt.152 Geloften die zij op zich genomen hebben, dienen zij [met de gedachte]: ‘Laten wij alleen dit oefenen opdat zuiverheid tot ons komt.’ Zij zijn in loondienst van het bestaan maar noemen zich ‘kenners’.


899. Wanneer iemand van de regels en geloften afvalt,153 dan raakt hij in angst omdat hij in zijn taak tekort is geschoten. Hij verlangt smachtend naar de ‘zuiverheid’, gelijk aan de reiziger die zijn karavaan verloren heeft.154

900. Na van regels en geloften geheel en al afstand genomen te hebben, en ook van slechte of goede wilsacties, geen verlangen hebbende naar ‘zuiver’ of ‘onzuiver’,155 laat hem onthecht vertoeven, laat hem de vrede bevorderen.156

901. Steunend op strenge ascese of een walgelijk gebruik, of op wat is gezien, gehoord of op een andere manier ervaren, missen zij de weg en jammeren om ‘zuiverheid’,157 zij die niet bevrijd zijn van de dorst naar steeds nieuw bestaan.158


902. Bij degene die verlangen heeft, komt steeds nieuwe begeerte;159 bezorgdheid verschijnt bij wensen.160 Maar voor wie er geen sterven en weer geboren worden hier bestaat, waarom zou hij zich zorgen maken en waarnaar zou hij verlangen?”

903. (De vragende)
“De leer die sommigen voor het hoogste houden, houden anderen voor minder. Welke uitspraak ervan is nu de waarheid? Want zij betitelen zich allemaal als ‘kenners’.”


904. (De Verhevene)
“De eigen leer noemen zij volmaakt, maar de leer van de ander zou minder zijn. Op een dergelijke manier bevangen komt het tot ruzie tussen hen, en ieder noemt de eigen mening ‘waarheid’.

905. Wanneer zij door de berisping van anderen minder werd, dan zou er geen leer zijn die voortreffelijk is. Want de meeste mensen houden elke andere leer voor minder, maar over de eigen leer spreken zij met nadruk.

906. Maar het in ere houden van hun eigen leer is precies hetzelfde als het loven van hun eigen wegen. Dan zou elke leer waarheid zijn. Want elke leer eist voor zich ‘zuiverheid’ op.

907. Een ware brahmaan kent geen leiding door anderen, en ook geen dogma onder leringen uitgezocht. Daarom heeft hij twistgesprekken helemaal overwonnen, want hij houdt geen andere leer voor de beste.161

908. Met de woorden: ‘Ik zie, ik weet, zo is het precies,’ geloven sommigen dat ‘zuiverheid’ is door middel van een (verkeerde) visie. Wanneer men zo ziet, welk nut heeft het dan voor hem? 162 Het edele pad missend, houden anderen die visie voor ‘zuiverheid’.


909. Iemand die ziende is, ziet wel geest en lichaam,163 maar door zijn zien zal hij niets anders dan die kennen. Hij kan naar believen veel zien of weinig, maar daardoor krijgt hij geen ’zuiverheid’, zeggen kenners.


910. Waarlijk, een verkondiger van dogma’s is niet gemakkelijk in staat en bereid om iets te leren;164 hij volgt een verzonnen visie.165 Hij zegt dat hetgeen waaraan hij gehecht is, het goede is; hij verkondigt de ‘zuiverheid’ zoals hij ze meent te zien.166


911. De ware brahmaan past niet in de maat van iets dat begrijpelijk, benoembaar is. Hij uit zich niet meer in theorieën. En hij wijdt zich niet aan wetenschap.167 Terwijl hij alle meningen van de massa onderkent, blijft hij beschouwend, waar de anderen grijpen.168

912. De wijze die de banden van deze wereld heeft losgemaakt, neemt geen partij wanneer een twistgesprek is ontstaan. Tot vrede gekomen temidden van mensen zonder vrede, blijft hij een beschouwer.169 Hij grijpt niet meer waar de anderen nog grijpen.

913. De wijze laat oude neigingen, hij laat geen nieuwe meer opkomen. Hij volgt niet de willekeur en is geen verkondiger van dogma's.170 Hij is geheel bevrijd van theorieën, is wijs. Vrij van zelf-verwijten leeft hij onbevlekt in de wereld.171


914. Zich met geen van al die dingen verbindend, wat ook gezien werd, gehoord en op een andere manier ervaren, de wijze die de last afwierp, helemaal bevrijd, die onbegrijpelijk is: hij ontzegt niet en verlangt niet.172 173



Sn.IV.14. (verzen 915-934) Tuvataka Sutta - snel


In het commentaar op het Mahā-samaya-sutta van Dīgha-Nikāya wordt deze leerrede hier aangeduid als Tuvataka-patipadā, d.w.z. ‘de snelle weg’ of ‘snelle vooruitgang’. Deze omschrijving heeft wellicht betrekking op de samenhangende ‘aanwijzing voor het leven als monnik’ (vers 922 e.v.).



915. (De vragende)
“Aan de zoon van de zon, de grote ziener, stel ik een vraag over afzondering en over het oord van vrede. Wanneer wat wordt ingezien, is een monnik in vrede, en hecht hij nergens meer aan iets in de wereld?”

916. (De Verhevene)
“De wortel van deze veelheids-wereld in haar delen,174 de waan van ‘ik ben’, die moet de wijze geheel en al vernietigen. Hij moet zich oplettend erin oefenen om de verlangens die in het innerlijke gehuisvest zijn, te verwijderen.

917. Welke deugd175 men ook moge herkennen bij zichzelf of bij anderen,176 laat men daarom niet hoogmoedig worden, want dat wordt door goede mensen niet ‘uitdoving’ genoemd.

918. Laat men zich daarom niet beter achten, niet slechter en ook niet gelijk. Ofschoon met veel deugden voorzien, laat men zichzelf niet vergelijkend onderscheiden.177

919. Laat men alleen in zich uitdoving ontstaan.178 De monnik moet niet in iemand anders vrede zoeken. Wie zo in zich de uitdoving vond, kent geen vastgrijpen en ook geen loslaten.179

920. Zoals in het midden van de zee geen golf opkomt,180 maar alles bestendig is en stil, zo zij men bestendig, stil; zo zij men zonder beweging van wens. Moge er in de monnik geen enkele opwelling181 over iets ontstaan.”

921. (De vragende)
“Het sluier-vrije oog heeft de leer verkondigd die zelf is gezien, alle gevaar overmeesterend. Eerwaarde, spreek nu over het pad van oefening, over de regels voor de Orde en ook over concentratie.”

922. (De Verhevene)
“Laat de monnik met zijn blikken niet rondzwerven; laat hem zijn oor sluiten voor een laag gesprek. Laat hij ook niet verlangen naar smaken, en laat hij niets in de wereld als zijn eigen beschouwen.

923. Wanneer ziekte hem bevalt, laat bij de monnik dan geen klacht uit zijn mond komen. Laat hij geen verlangen hebben naar bestaan, laat hij niet beven in gevaar.

924. Ontvangt hij voedsel en drank, eetbare spijzen en gewaad, dan moet hij dat niet hamsteren. Wanneer hij deze dingen niet ontvangt, laat hij dan onbewogen blijven.

925. De meditatie toegewijd, laat hij [zijn gedachten] niet rondzwerven; laat hij zich verre houden van rusteloosheid en laat hij niet nalatig zijn. Laat de monnik vertoeven op plaatsen die veraf van lawaai zijn.

926. Laat hij niet graag lang slapen, laat hij vol vlijt de waakzaamheid beoefenen.182 Traagheid en bedrog, het lachen en het spelen, geslachtelijkheid inclusief de sieraden en het bijwerk ervan, laat hij dat alles volledig verlaten.

927. Laat hij geen toverspreuken,183 geen droom- en voortekenkunde uitoefenen, en ook niet het duiden der sterren. Laat degene die mijn volgeling is, zich niet bezighouden met het duiden van dierengeluiden, het bewerken van vruchtbaarheid, en heelkunde.

928. Laat de monnik niet beven [van angst] voor berisping, en als hij geprezen wordt, laat hij dan niet hoogmoedig worden. Laat hij hebzucht overwinnen, samen met afgunst, boosheid, lasterpraat.

929. Laat hij zich niet bemoeien met inkoop en verkoop. Laat hij niets afkeurenswaardigs doen.184 Laat hij zich in het dorp niet thuis voelen, er niet met de mensen praten met voordeel als doel.

930. Laat de monnik geen opschepper zijn, en laat hij geen berekenend woord uiten.185 Laat hij geen overmoedig gedrag tonen en laat hij geen twistgesprek voeren.

931. Laat hij zich niet verleiden tot leugens en laat hij niet bewust iemand benadelen. Laat de monnik zich niet boven anderen verheffen vanwege zijn levensstijl of wijsheid en ook niet vanwege het trouw navolgen van de regels of vanwege geloften.

932. Indien hij van asceten die zo woordrijk zijn, een scheldwoord heeft gehoord, laat hij dan geen bars antwoord geven. Edelen strijden niet.

933. Wanneer de monnik deze leer heeft begrepen, ze diep onderzoekend, laat hij zich dan erin oefenen met vaste oplettendheid. Wanneer hij de uitdoving186 als de vrede heeft onderkend, laat hij dan niet nalatig zijn in de leer van Gotama.

934. Een bedwinger is hij, zelf onbedwongen, met eigen ogen zag hij die leer die niet gevestigd is op het geloof van overlevering. Laat men daarom, onvermoeibaar in deze sublieme leer, zich steeds oefenen vol eerbied.187




Sn.IV.15. (verzen 935-954) Attadanda Sutta - geweld

Volgens het commentaar heeft de Boeddha deze leerrede gesproken toen er tussen de Sakyas en de Koliyas een strijd dreigde uit te breken om een waterplaats. De Boeddha ging tussen de beide legers staan, droeg deze leerrede voor en stichtte daardoor vrede.



935. “Geweld schept grote angst:188 zie de mensen hier in de strijd. Ik zal over de ontreddering spreken, zoals ze door mij werd ondervonden.189


936. Dit volk zag ik spartelen,190 gelijk aan vissen in ondiep water. Elkaar in het nauw brengend zag ik hen, - toen overkwam mij grote angst.

937. De wereld is volledig zonder kern,191 alle delen ervan zijn doordrongen van beweging.192 Ik zocht voor mijzelf een vaste woonplek 193 maar ik zag niet één onbewoond.194


938. Toen ik aan het einde195 de wezens in moeilijkheden zag, kwam bij mij walging.196 Ik zag toen de stekel die moeilijk herkenbaar is en die hier in het hart steekt.

939. Wanneer men met die stekel is doorboord, loopt men naar alle kanten; maar heeft men die stekel verwijderd, dan loopt men niet, zinkt men niet.” 197

940. Nu volgen de verzen van de opleiding.198


“Wat er in de wereld bestaat aan boeien, laat men zich niet ermee bezig houden. Wanneer men de lusten van de zintuigen volledig heeft doordrongen, moet men zich oefenen naar het eigen Nibbana.


941. Laat men oprecht zijn, zonder brutaliteit en bedrog, vrij van lasteren; en laat men vrij zijn van woede. Laat de wijze het kwaad van begeerte en hebzucht helemaal overwinnen.

942. Laat hij loomheid199 overmeesteren, en luiheid, traagheid; laat hij zijn leven niet doorbrengen in nalatigheid. Ook hoogmoed moge de mens wiens geest naar het Nibbana is toegewend,200 niet koesteren.

943. Laat men zich niet verleiden tot leugens; laat hij naar de lichamelijke wereld geen verlangens opwekken. Laat hij de eigenwaan helemaal doorzien; laat hij in zijn leven gewelddaad vermijden.


944. Laat hij zich niet verheugen over wat vroeger was, en laat hij geen behagen scheppen in het nieuwe. Laat hij niet treuren om wat verdwenen is, en laat hij niet gebonden zijn aan hebzucht.201

945. Ik noem begeerte de grote stroom. Ik noem verlangen de stroomversnelling. De objecten van de zintuigen zijn de beweging van het getijde. Zintuiglijk genot is de modder die moeilijk is over te steken.202


946. De wijze, een ware brahmaan, staat evenwel op vaste grond;203 hij verlaat de waarheid niet. Hij die zich van alles heeft ontdaan,204 kan waarlijk als ‘in vrede’ genoemd worden.

947. Hij is een wetende, een meester in weten; hij is onafhankelijk omdat hij de leer kent. Volmaakt gaat hij door deze wereld 205 waarin hij op niemand jaloers is.

948. Wie alle zinnelijke genietingen achter zich heeft gelaten, welke in de wereld de boeien zijn die moeilijk zijn los te maken, - hij kent geen klagen, en hij is niet bezorgd. De stroom is hij overgestoken, hij is vrij van banden.

949. Droog uit wat vroeger was.206 Laat er voor jou niets toekomstigs zijn.207 Wanneer je in het midden niets vastgrijpt,208 dan zul je in vrede leven.

950. Voor wie er bij alles wat er aan geest en lichaam is, niets meer is dat als ‘mijn’ nog dierbaar is, wie niet meer klaagt over wat niet aanwezig is, - die lijdt nooit meer verlies in de wereld.209

951. Voor wie er geen gedachte is van “dit is van mij” en “dit is van anderen”, wie geen eigendom kan vinden, die klaagt niet: “ik bezit het niet.” 210

952. Niet afgunstig en zonder verlangen, nergens meer aan hechtend, steeds gelijkmoedig,211 - dit is, zo verkondig ik op jullie vragen, de zegenrijke vrucht voor onwrikbare mensen.

953. Voor degene die zonder passie is, die duidelijk inziet, is er geen verder bouwen aan de wereld;212 hij heeft ingrijpen opgegeven en ziet zich overal in veiligheid.213

954. De wijze spreekt niet over zichzelf als gelijk, minder of meer. Hij is in vrede, zonder zelfzucht,214 hij grijpt niet meer op en verwerpt ook niets.”




Sn.IV.16. (verzen 955-975) Sāriputta Sutta


Dit sutta is ook bekend onder de naam Therapañhasutta.215



955. (Sāriputta)
“Voordien heb ik geen Meester gezien, noch van iemand gehoord over een Meester die zo heerlijk spreekt, vanuit de Tusita-hemel gekomen als een leraar.216 217


956. Zoals hij voor deze wereld en die van de goden, voor ons hier zichtbaar is, hij, de helder ogende218 die alle duisternis van onwetendheid verdreef, hij alleen verkreeg de hoogste gelukzaligheid.219

957. Ik ben met een vraag gekomen ten behoeve van de velen die hier geboeid zijn, tot de Boeddha die niet afhankelijk is,220 eerwaarde, zonder bedrog, leraar.

958. Voor een monnik die door walging is gegrepen, die lege kluizen opzoekt, die aan de voet van een boom, een lijken-plaats of in een grot in de bergen leeft,

959. of op dergelijke verschillende verblijfplaatsen,221 hoeveel gevaren zijn daar voor hem, op grond waarvan een monnik in zijn stille rustplaats niet moet beven [van angst]? 222


960. Voor degene die naar ‘onbetreden land’ gaat,223 hoeveel gevaren zijn er in de wereld die de monnik moet overwinnen in zijn afgezonderde woonplek?


961. Van welke aard moet zijn manier van spreken zijn? Wat zijn bereik waarin hij zich beweegt? Welke regels en geloften moet een monnik navolgen, die vastbesloten is?

962. Door het opnemen van welke oefening kan hij waakzaam, ijverig, oplettend, de smetten van zijn eigen geest wegblazen, juist zoals de smid bij het zilver de slakken wegblaast?”

963. (De Verhevene)
“Sariputta, wat heilzaam is voor degene die door walging is gegrepen, indien hij eenzaam vertoeven heeft gekozen en verlangt naar Verlichting overeenkomstig de leer, - dat zal ik je verkondigen zoals het door mij is ingezien.


964. Laat de wijze voor vijf gevaren niet bang zijn, een monnik die oplettend is en binnen de beperkingen van de regels leeft,224 namelijk voor horzels, muggen, en de slangen, viervoetige dieren, storend contact met mensen.

965. Laat hij evenmin bang zijn voor mensen met een andere geloofsovertuiging, ofschoon hij van hen veel gevaren kan verwachten. Laat degene die naar het heil zoekt, deze en ook andere gevaren volledig overwinnen.

966. Wanneer zwakte hem overvalt, of honger, en ook koude en warmte, - laat hij het verdragen. Als thuisloze hiervan vaak betroffen, laat hij energie en ijver in zich sterk maken.


967. Laat hij geen diefstal begaan en geen leugens vertellen. Laat zijn mededogen zwakken en sterken omvatten.225 Laat hij datgene wat hij als bezoedeling in zijn geest onderkent, verdrijven als ‘deel van de donkere’. 226


968. Laat hij niet in de macht vallen van woede of hoogmoed; wat de wortel ervan is, laat hij die uitgraven en stevig staan. Iets dat als dierbaar ondervinden is of als niet dierbaar, laat hij het helemaal overmeesteren en overwinnen.

969. Laat hij, geleid door wijsheid227 en vervuld met edele vreugde,228 elk gevaar overwinnen, laat hij ook meester worden over afkeer van het afgezonderde leven,229 laat hij het viervoudige zich zorgen maken overmeesteren:


970. ‘Wat zal ik eten? Waar zal ik eten? Ik sliep slecht. Waar zal ik vandaag slapen?’ Zulke gedachten die zorgen brengen, moet degene die streeft en zonder thuis leeft, verwijderen.

971. Wanneer hij op de juiste tijd voedsel en gewaad heeft ontvangen, dan kent hij daar de maat, met tevreden geluk in de zin.230 Met betrekking tot die dingen bewaakt, gaat hij beteugeld door het dorp. Laat hij, ook als hij geprovoceerd wordt, geen bars woord uiten.

972. Laat hij, met neergeslagen blik, niet slenterend, gericht naar meditatie, heel waakzaam zijn. Met een hart dat door gelijkmoedigheid231 concentratie vond, laat hij het piekeren en innerlijke gewetensbezwaren afsnijden.

973. Laat hij woorden van berisping oplettend welkom heten, en laat hij het verstokt zijn jegens de medemonniken verwijderen. De woorden die hij spreekt moeten treffend zijn, niet op een onpassende tijd,232 en laat hij niet over dingen denken waarover de mensen lasterend spreken.

974. En verder nog: laat hij zich oplettend erin oefenen om het vijfvoudige stof van de wereld te verwijderen: laat hij de passie overwinnen naar vormen, geluiden, geuren en smaken, en ook naar aanrakingen.

975. Laat een monnik die oplettend is, met bevrijde geest,233 van deze dingen de wil afwenden. Op de juiste tijd234 de leer diep doorgrondend, waakzaam, laat hij alle duisternis van onwetendheid verdrijven.” 235

Zo luidde het antwoord van de Gezegende.


-=-

naar boven  

1 Norman 1983, p. 67-68.

2 Nyanaponika, www.palikanon.com/khuddaka/sn/vorw1.html

3 De betekenis van atthaka in Atthakavagga is niet zeker. Alleen de Chinese versie van de Vinaya van de Mahasanghikas geeft de idee van ‘acht’. De andere versies noemen het Arthavargiya of Arthapada. Omdat de vier suttas met atthakasutta in de naam ervan allemaal acht verzen hebben, kunnen we aannemen dat die vier suttas de kern vormen van het Atthakavagga, waaraan andere suttas zijn toegevoegd. (Norman 1992, p. 296) - [Het Atthakavagga is dan het boek met de suttas met acht verzen].


4 ‘wat hij begeert’ = 'kāmam'. 'Kāma' heeft hier de betekenis van lustobject, d.w.z. de objecten van de vijf lichamelijke zintuigen. Volgens het Mahā Niddesa heeft het woord 'kāma' twee aspecten:
1) het objectieve aspect, aangeduid als 'vatthu-kāma', d.w.z. het lustobject, in de teksten vaak omschreven als 'kāma-guna', d.w.z. de vijf zinsobjecten.
2) een subjectief aspect, aangeduid als 'kilesa-kāma', d.w.z. lust als bevlekkende hartstocht. In deze betekenis te vertalen als: lust (der zintuigen), zinnelijkheid, etc.

5 ‘wie zintuiglijke genoegens vermijdt’; Mahā Niddesa: "Op tweevoudige manier vermijdt men de lusten: (a) door terugdringen (vikkhambhana) en (b) door uitroeien (samuccheda).”

Het terugdringen gebeurt volgens Mahā Niddesa:
1) Door vaak die dringende gelijkenissen voor de lusten te beschouwen die in Maj.Nik. 22 zijn gegeven en die in Maj.Nik. 54 gedeeltelijk zijn uitgelegd.
2) Door oefening van de "tien overwegingen" over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha, over eigen deugdzaamheid en vrijgevigheid, over godheden, dood, lichaam, in- en uitademen, en over de vrede.
[De tien overwegingen zijn voornamelijk voor degenen die zich op het pad van heiligheid bevinden. Wereldlingen kunnen wel met succes overwegen over dood, lichaam en de ademhaling.]
3) door ontwikkeling van de acht verdiepingen. - Het uitroeien van de lusten gebeurt trapsgewijs op de hoge paden naar heiligheid, te beginnen met stroomintrede.

6 Norman 1984 vertaalde: ‘Alwie begerig is naar velden, bezit of goud, koeien en paarden, dienstpersoneel en mannen, vrouwen, verwanten, veel zintuiglijke genoegens,’

7 ‘wat machteloos schijnt’ (abalā-va). Het 'va' werd hier als 'iva' opgevat. Het commentaar legt 'abalā' uit als zwakke geestelijke bezoedelingen. Bedoeld is zeker dat ook een aanvankelijk zwakke gedachte van lust enorm kan groeien en de mens volledig kan beheersen.

8 ‘gevaren’ (parissaya). Maha Niddesa: "Twee gevaren zijn er: openbare en verborgene." - Als openbare gevaren worden genoemd: wilde dieren, rovers, ziekten, etc.; verborgen gevaren zijn: het drievoudige slechte gedrag (in daden, woorden en gedachten); de vijf hindernissen [begeerte, zintuiglijk verlangen; haat, afkeer, kwaadwil; traagheid, luiheid; rusteloosheid, gewetenswroeging; twijfel.]

9 'paragu', letterlijk: ‘degene die naar de overkant gaat.’ Maha Niddesa "Het is degene die de wens heeft naar de 'andere oever' ('pāram' d.w.z. naar Nibbana) te gaan, die naar de andere oever gaat en die de andere oever heeft bereikt."

10 Zie voor de leeggeschepte boot ook Dhp. 369: "Schep de boot leeg, monnik, dan gaat ze snel en licht; wanneer begeerte en haat zijn uitgeroeid, dan is Nibbana bereikt."


11 'grot' is een van de vele beeldende aanduidingen van het lichaam. Commentaar: "Het lichaam wordt als grot aangeduid omdat het een woongelegenheid vormt voor zulke wilde dieren als begeerte, haat, onwetendheid.

12 ‘veelvuldig bedolven’, namelijk door de veelvuldige geestelijke smetten zoals begeerte, haat en waan, die volgens het commentaar de 'inwendige boei' vormen.

13 ‘verwarring’ (mohana, naar moha, verblinding) is volgens het commentaar een aanduiding voor de vijf zintuiglijke objecten; want daardoor worden mensen en goden (van de zintuiglijke sferen) verblind en in de war gebracht; zij vormen de 'uiterlijke boei'.

14 ‘onthechting’ of afzondering (viveka) is volgens Maha Niddesa drievoudig: afzondering van het lichaam, afzondering van de geest en afzondering van de steunen van bestaan.

15‘ Aan de wensen onderhorig’ (icchānidāna), letterlijk: afhankelijk van de wensen. - Norman 1992 vertaalde: ‘Met verlangen als hun boei,’

16 'kunnen zij niet door anderen bevrijd worden': het Maha Niddesa citeert hier Maj.Nik.8 en voegt er verder aan toe: Niemand anders kan verlosser zijn. Wanneer men bevrijd is, dan is men dat door eigen kracht, eigen energie, eigen inspanning. Zelf is men het juiste pad opgegaan en niet het verkeerde. En zo werd men bevrijd.
Zie ook Dhp. 161, 162, 163, 165 (XII.5-7, 9): Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelf-verantwoordelijkheid.
Dhp.161. “Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamant een harde edelsteen slijpt.”
Dhp.162. "Wiens verdorvenheid heel groot is, als een slingerplant die hem omwoekert, hij brengt zichzelf ten onder tot de staat waartoe zijn vijand hem vervloekt."
Dhp.163. "Slechte daden, schadelijk voor onszelf, zijn gemakkelijk uit te voeren; wat echter voordeel brengt en goed is, hoe uiterst moeilijk is dat."
Dhp.165. "Zelf doet men het kwade, zelf is men boos gezind; zelf vliedt men het kwade, zelf is men zuiver gezind; zelf is men boos of goed; niemand anders kan verlosser zijn."

17 ‘onbeleerbaar’ (avadāniya), iemand met wie niet te praten valt, ontoegankelijk.

18 ‘Het leven is kort’. Hierbij een citaat uit het Maha Niddesa: "Kort, waarlijk is dit leven. Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur ervan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.
In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
● In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
● In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
● In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.

Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in één geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet één keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn zij, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer zij zijn ontstaan, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij te voorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.

Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
● Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
● Ook aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn is het leven gebonden.
● De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan, die ermee verknoopt zijn.
● Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
● Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
● Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
● Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.

19 beide einden: Maha Niddesa: Zinsindruk is het ene einde, ontstaan van de zinsindruk is het andere einde. Het verlangen is het ene einde, de toekomst is het andere einde. Gevoelens van geluk zijn het ene einde, gevoelens van smart zijn het andere einde. Geest is het ene einde, lichamelijkheid is het andere einde. De zes inwendige grondslagen van de zintuigen zijn het ene einde, de zes uitwendige grondslagen van de zintuigen zijn het andere einde. De persoonlijkheid is het ene einde, het ontstaan van de persoonlijkheid is het andere einde. (Vgl. Ang.Nik. VI.61)

20 ‘Door het volledig begrijpen van de zintuiglijke indruk.’ Maha Niddesa maakt onderscheid tussen drie soorten van volledig begrijpen of van het doordringen:
○ het onderkennende doordringen, d.w.z. het analytische begrijpen van de werkelijkheid;
○ het onderzoekende of beoordelende doordringen, d.w.z. het onderkennen van de geanalyseerde dingen als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk;
○ het overwinnende of opheffende doordringen door de hoge paden, bijvoorbeeld hier het daadwerkelijk overwinnen van het gehecht zijn aan de zintuiglijke indruk.

21 Norman 1992: ‘een wijze hecht niet aan wat is gezien en gehoord.’ - Dit is te verstaan als een afkorting van de oude viervoudige indeling van de waarneming door de zes zintuigen in: gezien, gehoord, waargenomen, onderkend. (Nyanaponika).

22 waarneming begrijpend, zie boven bij noot 20.

23 ‘van elk grijpen’. Maha Niddesa maakt een onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeren en grijpen in de vorm van verkeerde visies. Het gaat hier dus om het mentale grijpen naar de waarneming, het be-grijpen door be-grip-pen, die of door begeerte of door theorieën zijn vervalst en zo de waarneming met verkeerde waarden weergeven.

24 Norman 1992: ‘Wanneer een wijze waarneming heeft begrepen (en opgegeven), laat hij dan de stroom oversteken, niet hechtend aan bezittingen.'


25 redetwisten (vadanti; letterlijk: praten). Nyanaponika vertaalde: ‘lasteren.’ Het Maha Niddesa en het commentaar leggen het uit met upavadanti (lasteren) en wel lasterpraat over de Boeddha en de gemeenschap van de monniken. Het commentaar geeft als ontstaansgeschiedenis voor dit sutta de episode van de vrouwelijke asceet Sundari (zie Udāna IV. 8). Zij werd op bevel van asceten met een ander geloof vermoord om de discipelen van de Boeddha met die daad te belasten. Ook het Maha Niddesa verwijst met nadruk naar deze geschiedenis. Deze oude traditie werd daarom in de vertaling [van Nyanaponika] gevolgd. Maar een andere mogelijkheid is, vadanti als ‘redetwisten’ op te vatten [zoals door Norman 1984], d.w.z. het woord te betrekken op de religieuze twistgesprekken waarover boek acht zo vaak handelt. Het in de tweede versregel volgende ‘vādo’ heeft heel vaak de betekenis van ‘discussie’. Op grond van een dergelijke opvatting zou dan de vertaling kunnen zijn zoals die van Norman hierboven. Deze weergave past goed bij de hoofdinhoud van dit sutta, dat vooral het opgeven van visies en meningen behandelt.

26 dorheid van geest’. Door Nyanaponika vertaald met ‘verstoring’ (khilo). In het Maha Niddesa uitgelegd als 'neergeslagenheid van de geest' (āhata-cittatā).

27 ‘Volmaaktheden’ (samattāni); d.w.z. die idealen, idolen of ‘goden’ die hij naar zijn eigen voorstelling vormt zoals hij het begrijpt. Maha Niddesa: "Bedoeld is iemand die zijn eigen leraar en diens leer en gemeenschap voor de beste en volmaakste houdt."

28 Volgt men het commentaar en het Maha Niddesa bij de eerste strofe, dan zou de innerlijke samenhang van dit vers met het voorgaande ongeveer als volgt gedacht kunnen worden: “Wanneer die anders denkende asceten zich door de willekeur en het naar believen van hun kwade gezindheid laten drijven tot zelfs lasterpraat en moord, dan kan natuurlijk niet verwacht worden, dat zij hun eigen verkeerde mening kunnen opgeven.”

De beide begrippen in versregel b kunnen evenwel beter worden opgevat (1) als de willekeurige theorieën van die andersdenkenden; (2) als hun voorliefde (ruci) voor deze theorieën.

Een alternatieve vertaling zou dan zijn: ‘Hoe zou de eigen visie overwonnen kunnen worden van iemand die door willekeur geleid wordt, vastgelegd op lievelings-theorieën?‘

29 alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de onedelen is.’ - Het commentaar legt de samenhang van de verzen 782-783 met bovenvermelde ontstaansgeschiedenis als volgt uit:

‘Toen de koning na oplossing van de schuldvraag wie de moord gepleegd had, aan de Verhevene vroeg waarom hij hem niet eerder over de lasterpraat had geïnformeerd, gaf de Boeddha ten antwoord: "Het is niet de aard van edelen over hun deugdzaamheid tot anderen te spreken."’

30 Norman 1984: ‘indien iemand uit eigen beweging over zichzelf spreekt’

31 alternatieve vertaling: ‘in vrede’

32 Nyanaponika: ‘uitgedoofd in het hart

33 alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de edelen is.’

34 Nyanaponika: ‘dingen’ (dhammā); commentaar: visies.

35 gevormd, geconstrueerd (pakappitā samkhatā). Beide begrippen betekenen letterlijk: ‘verzonnen’; hier met betrekking tot het geestelijke, d.w.z. uitgedacht, geestelijk geconstrueerd, gefantaseerd. Maha Niddesa maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pakappanā, d.w.z. wens-fantasieën en speculatieve fantasieën (of fantastische visies).

36 ‘voordelen’; volgens Maha Niddesa zijn daarmee bedoeld de verwachtingen van geluk voor deze kant en de andere kant, welke verwachtingen op verkeerde visies zijn gebaseerd.

37 alternatieve vertaling: ‘wiens visies (of: geest-objecten) ingebeeld/uitgedacht zijn en geconstrueerd zijn, bevoorkeurd, onzuiver, welk voordeel hij er voor zichzelf in ziet, hij is afhankelijk van die visie die ingebeeld en geconstrueerd en conventioneel is.’

38 Het is een gewoonte geworden zo (= verkeerd) te denken.

39 ‘Verwerpt . . . neemt aan’ (nirassati ādiyati); het commentaar geeft hier de gelijkenis van de aap (zie vers 791). Over de tegenovergestelde houding wordt gesproken in vers 787. Met dezelfde uitdrukkingen als hier wordt die geformuleerd in vers 954: n'ādeti na nirassati, "Niet grijpt hij op, verwerpt ook niet.”

40 alternatieve vertaling: ‘Bij de visies is een visie aangenomen door iemand die ze heeft overwogen. Daarom verwerpt iemand een visie bij deze visies of hij neemt een aan.’

41gezuiverd. Maha Niddesa geeft de volgende uitleg: "De wijsheid wordt dhonā genoemd, omdat erdoor al het slechte wordt afgeworpen (dhuta) en afgewassen (dhota)."

42 ‘Waarheen zou een gezuiverd mens gaan?’ - Commentaar: "Waarmee zou hij nu of in de toekomst, met betrekking tot de verschillende sferen van bestaan, in een (aanduiding, categorie of) benoeming ingaan (sankham gaccheyya)?” Maha Niddesa: “als helle-wezen, als ongelukkige geest, als dier, als een godheid, lichamelijk, onlichamelijk enz.)?"

43 alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, van een gezuiverd mens is nergens in de wereld een visie ingebeeld wat betreft verschillende [soorten van] bestaan. Een gezuiverd mens, na illusie en eigendunk te hebben opgegeven, naar welke categorie zou hij gaan? Hij is niet gehecht (is bevrijd).’

44 ‘Iemand die erbij betrokken is’, upayo hi dhammesu upeti vādam; letterlijk: "Wie nadert, is dicht bij een discussie over de dingen (of leringen), d.w.z. hij gaat erop in.” Maha Niddesa: "Er is een tweevoudige ‘nadering' (upaya): door verlangen en door visies.”

45 ‘Opnemen of verwerpen’ (attam nirattam); zo ook in de verzen 858 en 919. - K. E. Neumann gaf een verkeerde vertaling met ‘eigen’ en ‘oneigen’, misschien beïnvloed door een passage uit het Maha Niddesa. Daar is o.a. ook sprake van attā (ik, zelf), maar heel duidelijk slechts als woordspeling, terwijl de eigenlijke uitleg van het woord door het begrip gahana (aannemen) wordt gegeven. Het attam van onze teksten heeft niets te maken met attā, maar is het voltooid deelwoord (Skr.: ātta) van ādadāti (opnemen). In dezelfde betekenis komt het in het Sutta Nipata voor als attañjaha (vers 790), attam pahāya (vers 800) en attadanda (vers 935), allemaal in het boek van acht. Nirattam ist het voltooid deelwoord van nirassati (Skr. nirasta, nirasyati) dat in vers 785 voorkomt, waar het volgende ādiyati (neemt aan) overeenkomt met het attam in vers 787. Omdat deze beide begrippen in meerdere Duitse en Engelse vertalingen verkeerd werden weergegeven, is de hier gegeven vertaling bewezen door een kort inhoudelijk onderzoek van de betreffende teksten. In ons vers 787 hebben beide begrippen duidelijk betrekking op het partijdige beweren en afwijzen in het twistgesprek. Dat hier ik (attā) en niet-ik (anattā) als de beide tegenovergestelde en te verwerpen visies bedoeld zouden zijn, kan zonder meer worden uitgesloten. Net zo min kan versregel c de betekenis hebben van: hij heeft (of er is voor hem) geen ik of niet-ik. - In vers 858 regel b hebben de beide begrippen betrekking op de eerder genoemde bezittingen. Ook hier zou de betekenis ‘ik, niet-ik’ volstrekt onpassend zijn. In vers 1098 wordt het begrip nirattam niet tegenover attam, maar tegenover uggahītam (letterlijk: het opgenomene) gesteld; dit alleen al laat over de betekenis van beide begrippen ‘attam nirattam’ geen twijfel bestaan.


Maha Niddesa: “Opnemen en verwerpen is er niet voor hem,” d.w.z. voor hem is er noch de eeuwigheids-visie van een ik, noch de vernietigings-visie van een (nihilistisch alles) verwerpen (nirattā'ti). Er is voor hem noch het aannemen van een zelf (attā'ti gahanam), noch iets dat af te wijzen is (nirattā'ti rnuñcitabbam) door (nihilistisch) verwerpen. Voor wie er een aanname (of conceptuele bevestiging) is, voor hem is er ook iets af te wijzen (conceptuele ontkenning). Voor wie er iets af te wijzen is, voor hem is er ook iets aan te nemen. De heilige echter heeft aannemen en afwijzen (gahanamuñcana) helemaal overwonnen, hij is bovenuit toenemen en afnemen, (vooruitgang en achteruitgang, positief en negatief).

46 alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, gehechtheid leidt tot twistgesprekken over visies. Hoe kan men spreken over iemand die niet gehecht is! Voor hem is er noch zelf-visie noch niet-zelf-visie. Hij heeft alle visies afgeworpen.’


47 inziet’. Maha Niddesa "Men meent dat het zien van vormen door het zienbewustzijn ‘inzicht’ is, ‘de weg’ is, ‘het pad’, ‘de bevrijding’.”

48 Nyanaponika vertaalde: "Ik zie iemand die zuiver is, volledig vrij van ziekten. Door diens aanblik krijgt de mens zuiverheid.” Als men hiervan zeker is, het voor het hoogste houdt, zuiverheid beschouwend, dan meent men dat dit inzicht is.

49 Het commentaar geeft als uitleg de legendaire geschiedenis van een jonge man vanuit wiens borst stralen kwamen. De brahmanen gingen met hem door het hele land en lieten hem door de mensen vereren. Zij beweerden dat zijn aanblik roem, rijkdom en hemelse wedergeboorte bracht.

Zo lang als er geen andere gegronde uitleg voor het begin van dit sutta is, moet men wel daarin het commentaar volgen, dat men als beginpunt van dit en ook van het volgende sutta inderdaad het volksgeloof aanneemt ten gevolge waarvan bepaalde mensen of dingen het horen van bepaalde geluiden of woorden enz als gelukbrengend of onheilbrengend beschouwen. Het Maha Niddesa geeft bij vers 790 voorbeelden hiervoor. - Hoe het hiermee ook is gesteld, zo keert zich in ieder geval deze en de volgende tekst in het algemeen tegen elke bevangenheid bij de waarneming (zie vers 792) en tegen de uit waarnemingen afgeleide speculatieve meningen.

50 Nyanaponika: ‘die aan het leven gehecht is’

51 Norman 1984: ‘Want deze visie verraadt hem als hij zo spreekt.’ - Alternatieve vertaling: ‘Want de valse visie verklaart hem als een persoon die zo spreekt.’

52 ‘op een andere manier waargenomen’ (mutam = Pali en Skr. mata, gedacht, vermoed; maar ook, zoals hier: waargenomen. Hiermee worden de drie andere lichamelijke zintuigen (ruiken, proeven, aanraken) omschreven.

53‘ en maakt niets meer pasklaar.’ Nyanaponika: ‘en laat zich niet meer in tot nieuw handelen.’ - Maha Niddesa: "Hij produceert geen goede, noch slechte noch onbeweeglijke kamma-formaties.”

54 Alternatieve vertaling: ‘De brahmaan die niet gehecht is aan goed of kwaad, die zelf-visie (inclusief niet-zelf-visie) heeft opgegeven, die hier niet construeert (d.w.z. geen goed of kwaad ophoopt), legt zuiverheid niet uit op een andere manier door wat is gezien, gehoord, in deugdzaam gedrag of geloften, of door wat is gevoeld.’

55Norman 1984 vertaalde: ‘Hun vroegere leraar opgevend, zijn zij afhankelijk van een andere. Degenen die onder de invloed zijn van lust overwinnen gehechtheid niet. Zij pakken op en laten gaan als een aap die een tak loslaat na die vastgepakt te hebben.’

56 alternatieve vertaling: ‘Gehecht zijnde aan zins-waarnemingen gaat hij op en neer. Maar de wijze mens, degene met rijkelijke wijsheid, gaat niet heen en weer, de waarheid gerealiseerd hebbende door middel van de kennis van de wegen.’

57 Zich hechten aan iets, wat dan ook, is (oorzaak voor) lijden. Zich nergens aan hechten betekent vrijheid.

58 Het commentaar citeert hier de bekende gelijkenis van de blinden die een olifant beschrijven aan de hand van de door hen aangeraakte lichaamsdelen.

59 ‘een band’ (gantham), door Nyanaponika vertaald met: ‘beperkt denken;’ vergelijk de innerlijke boei of band door dogmatisme (idamsaccabhiniveso gantho).

60 letterlijk: ‘dat men (op het ene) leunend (nissito), iets anders als minder waard acht. Commentaar: leunend op de eigen leraar, diens leringen, enz.’

61 Maha Niddesa gaat terug op niet overgeleverde, op de zuivering door waarneming van de zintuigen uitgaande zelf gevormde meningen, geput uit het weten van meditatieve waarnemingen, magische krachten, uit verkeerd denken, uit regels en rituelen (zelf geschapen of willekeurig geïnterpreteerd). Dit sluit dus ook in de pogingen van vorming van een eigen religie of sekte.

62 Commentaar: ‘Datgene wat hij vroeger had opgenomen (gahitam), geeft hij op en grijpt niets anders.’

63 Nyanaponika vertaalde: ‘naar beide einden.’

64 Nyanaponika vertaalde: ‘Waarin hier in de wereld zou men de priester kunnen insluiten’

65 (verkeerde) leerstellingen; Maha Niddesa: de 62 verkeerde visies. [Zie Digha Nikaya 1].

66 ‘komt niet meer terug’ (na pacceti), d.w.z. hij keert niet meer terug naar de overwonnen hartstochten en zwakheden en ook niet naar piekeren, meningen, enz.

67 Nyanaponika vertaalde: ‘Zij denken niets uit, en volgen geen idolen, noch nemen zij zulke verkeerde leerstellingen aan. En ook aan regels, rituelen en geloften kan men de ware priester niet herkennen. Als hij bevrijd is, valt de heilige nooit meer terug.’


68 Vgl. Maj.Nik.22.

69 alternatieve vertaling: ‘onvermijdbaar is’. - Nyanaponika vertaalde: ‘In de verandering slechts heeft deze wereld bestand.’ - Het Maha Niddesa: "Door verandering en wijziging van de respectievelijke vroegere groepen van bestaan (khandha), elementen (dhātu) en grondslagen van de zintuigen (āyatana) bestaan de latere groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen."

70 Maha Niddesa citeert hierbij de volgende verzen uit Jātaka 351:
‘Of de schatten van de sterfelijke eerder verdwijnen, of dat de sterfelijke voordien sterft, weet, gij dwaas, dat schatten niet blijvend zijn. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.
De maan komt op, wordt rond en verdwijnt; de zon gloeit en snelt naar het ondergaan. Zo heb ik de loop der dingen gezien. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.’

71 Norman 1984 vertaalde: ‘Dit inderdaad wetende, laat een wijs iemand, een volgeling van mij, niet geneigd zijn naar bezittingen.’

72 Nyanaponika vertaalde: ‘zal alleen hun naam overblijven als verkondiger van gestorven mensen.’

73 Nyanaponika vertaalde: ‘eigendom.’

74 Commentaar: ‘De veiligheid is het doodloze, Nibbāna.

75 Norman 1984 vertaalde: ‘dat hij zichzelf niet in enig oord vertoont.’ - Alternatieve vertaling: ‘dat hij zichzelf niet toont in een oord van bestaan.’

76 Norman 1984 vertaalde: ‘Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan wat gezien of gehoord of gedacht is.’

77 Norman 1984 vertaalde: ‘Daarom denkt een gezuiverde niet dat zuiverheid is door middel van wat gezien, gehoord of gedacht is; noch wenst hij zuiverheid door iets anders. Hij heeft geen verlangen naar iets noch afkeer van iets.’

78 ‘Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets’ (na hi so rajjati noirajjati). - Maha Niddesa: "De ‘dwaze wereldlingen’ (bālaputhujjana) hebben verlangen naar iets, de ‘edele wereldlingen’ (kalyānaputhujjana) en de zeven ‘die nog moeten oefenen‘ (sekha) ondervinden afkeer; de volmaakte heilige heeft geen verlangen, noch ondervindt hij afkeer.”

79 bedoeld is iemand van de Bhikkhu-Sangha.

80 ‘vroeger’ , dat wil volgens het Maha Niddesa zeggen: ‘als monnik.'

81 Nyanaponika: ‘die zal hij dan verliezen.’

82 Nyanaponika: ‘zwaarden’. - Het Maha Niddesa: "Drie zwaarden zijn er: slecht gedrag in gedachten, in woorden en in daden. Het commentaar: omdat men daarmee zowel zichzelf als anderen snijdt. Door zijn vrienden, leraren enz. berispt, vertelt die (afvallige) monnik bewust leugens: ‘Vroeger had ik vreugde aan het leven als asceet. Maar ik moet voor moeder, vader en verwanten zorgen, daarom heb ik het leven als monnik opgegeven.’ Zo spreekt hij en produceert voor zich het zwaard van verkeerd taalgebruik.'

83 ‘grote verstrikking’ (mahā-gedho); gedho betekent hier niet ‘begeerte’ maar heeft de qua taalkundige oorsprong onbekende betekenis van ‘jungle’, zoals in Ang.Nik. III.51.

Het Maha Niddesa omschrijft het met een reeks van begrippen, o.a. bos-jungle, struikgewas, wildernis, moeras, hindernis, boei, hetwelk tot de hier passende vertaling van ‘grote verstrikking’ leidde.

84 Norman 1984 vertaalde: ‘Bekend als ‘wijze’ betrad hij het eenzame leven. Toen werd hij gehecht aan seksuele omgang en hij ondervindt problemen als een dwaas.’

85 ‘zowel vroeger als later’; commentaar: tijdens het leven als monnik en na het opgeven ervan, in het wereldlijke leven.


86 ‘enkele waarheid’ (pacceka-sacca); vgl. Ang. Nik. X.20, [waarin gesproken wordt over ‘panunna-paccekasacco,' degene die ‘bijzondere waarheden’ verworpen heeft; d.w.z. eenzijdige, subjectieve visies.

De dogma’s zoals “De wereld is eeuwig,” of “de wereld is tijdelijk,” “de wereld is eindig,” of “de wereld is oneindig,” “de ziel is gelijk aan het lichaam,” of “de ziel is verschillend van het lichaam,” “de Volmaakte bestaat na de dood,” of “ de Volmaakte bestaat niet na de dood,” of “de Volmaakte bestaat en bestaat niet na de dood,” - van deze en dergelijke dogma's heeft men zich vrij gemaakt. (A.x.20)]

87 Norman 1984 vertaalde: ’Met te zeggen dat het goede in datgene is waarvan zij afhankelijk zijn, zijn veel mensen ingeworteld in hun verschillende waarheden.’

88 Nyanaponika vertaalde: ‘want er is geen enkel voordeel bij het krijgen van lofprijzing.’

89 Nyanaponika vertaalde: ‘... en is hoogmoedig. Heeft hij dit doel bereikt, dan is zijn hart tevreden.’

90 namelijk wanneer de hoogmoed door een nederlaag vernederd wordt.

91 donderend, d.w.z. luid roepend

92 tegenstander (patisūra), letterlijk: tegen-held, dit is de tegenstander in de wedstrijd van de helden of gladiatoren. Dit en sūra (held) in de vorige en volgende regel zijn toespelingen op de naam van de strijdlustige redenaar, Pasūra.

93 Norman 1984 vertaalde: ‘Waarlijk, er is niets meer overgelaten om hier tegen te vechten.’

Het Maha Niddesa: "sinds de Verlichting onder de Bodhi-boom zijn voor mij alle te bestrijden bevlekkingen overwonnen.”

94 ‘piekerend’; het Maha Niddesa: "nadenkend over de afloop van het twistgesprek, en ook hoe de discussie gevoerd zou kunnen worden: met antwoord, tegenvraag enz.”


95 Norman 1983 p. 69

96 Dit zijn de drie dochters van Māra (begeerte, onbevredigdheid, en verlangen), die naar de Boeddha waren gekomen in de nacht van de Ontwaking, volmaakte Verlichting, om hem te verleiden. [m.a.w. voordat de Verhevene de volledige Verlichting verwerkelijkte, kwamen nog verleidelijke gedachten bij hem op.]

97 Vers 836 is vermoedelijk later toegevoegd. Noch het Niddesa noch het Paramatthajotikā geeft er commentaar op. ( Norman 1983, p. 86).

98 De zin van Māgandiyas vraag kan zijn: “jij wijst de uitspraken en waarde-oordelen van de verschillende visies en filosofieën af. Maar is niet ook de ‘innerlijke vrede’ waarvan jij spreekt, aan waarde-oordelen van het inzicht en van de levenswijze gebonden of hoe wil je dat anders uitleggen?” De Boeddha antwoordt dan met de schijnbare paradox van vers 839.

99 Het Maha Niddesa: "Ook visie (ditthi) is het wensen waard, namelijk de juiste visie (sammā-ditthi) op de volgende tienvoudige manier: ‘Er zijn gaven, offergaven en giften; er is een vrucht en gevolg van goede en slechte daden; er is deze en gene wereld en vader en moeder; er zijn godheden; er zijn in de wereld asceten die in volmaaktheid zich gedragen, die in volmaaktheid leven, die deze en gene wereld verkondigen, nadat zij ze zelf hebben begrepen en ervaren.’


Ook weten (savana) is het wensen waard: het (belerende) woord van iemand anders; de leerreden, gemengde vers- en proza-teksten enz. (d.w.z. de traditionele negen delen van de canonieke leer van de Boeddha.)


Ook inzicht (ñāna) is het wensen waard: het inzicht van de eigenschap van het handelen; het met de edele waarheden overeenkomende inzicht, het inzicht dat verbonden is met de hogere geestelijke vaardigheden en met de meditatieve bereikingstoestanden.


Ook regels (sīla) zijn het wensen waard: de beteugeling in de regels van de Orde.


Ook geloften (vata) zijn het wensen waard: de acht regels van zuivering (dhutanga), namelijk die van de bos-asceet, van de aalmoezen-ontvanger, van de drager van een gewaad uit lompen, van de drager van drie gewaden, van degene die van huis tot huis gaat, van degene die latere maaltijden weigert, van degene die steeds staat, van degene die met elke slaapplaats tevreden is.

De innerlijke vrede wordt niet bereikt door juiste visie alleen, door weten alleen, enz., maar ook niet zonder deze dingen kan men hem bereiken. Deze dingen zijn veeleer hulpmiddelen om de innerlijke vrede te bereiken, te ondervinden, te verwerkelijken.”

100 Volgens het commentaar moet onder ‘deze’ verstaan worden: de verkeerde visies, het verkeerde weten, enz., terwijl het volgende betrekking heeft op de juiste visies, het juiste weten enz., aan welke men zich evenmin moet hechten.

101 namelijk over de innerlijke vrede.

102 Norman 1984: ‘onwrikbaar’

103 Nyanaponika vertaalde: ’niet naar het toekomstige verlangend (apurekkharāno); letterlijk: niet anticiperend, - namelijk toekomstwensen: "Moge mijn lichaam, mijn gevoel enz. zo zijn.’

104 Dit vers werd door Mahā-Kaccana in Sam.Nik. 22, 3 uitgelegd. Het Maha Niddesa brengt dit sutta volledig in plaats van eigen uitleg.

105 alternatieve vertaling : ‘ Een groot man die zichzelf in de wereld vrij van die visies gedraagt, discussieert niet, ze vastgrijpende, hij pakt ze niet alweer op. Juist zoals een lotus met een ruwe stengel ...’

106 alternatieve vertaling: ‘[vormen van] bestaan; woonplaatsen.

107 na ditthiyā na mutiyā. Voor ditthiyā geeft het Maha Niddesa maar een enkele uitleg: ‘vanwege de 62 verkeerde visies’; voor mutiyā zijn er twee verschillende verklaringen:
1) muta-rūpena, d.w.z. vanwege waargenomen lichamelijkheid (dit is waargenomen door de zinsorganen van ruiken, proeven, en aanraken);
2) door de stem van iemand anders, door algemene overeenkomst, (d.w.z. waardering; mahājana-sammutiyā)
Het commentaar geeft alleen de eerste uitleg.

108 visies en gewoontes (nivesanesu); ook hier wellicht weer met betrekking tot de ‘visie waaraan men gewoon is, waaraan men gewend is.’

109 ‘Wie zich van slecht denken heeft ontdaan’ (saññāvirattassa). Hier werd de uitleg van het commentaar gevolgd dat blijkbaar saññā weer als het drievoudige slechte denken opvat, zoals in vers 535. Het Maha Niddesa: "Wie bij het vorderen van de oefening in kalmte van geest (samathapubbangama) het hoge pad ontplooit, diens boeien zijn aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige de boeien, het gissen, de hindernissen, de gedachten (saññā) van zinnelijkheid, van haat, van kwaadwil, en ook de verkeerde visies, opgegeven, met de wortel uitgeroeid. . ." - Het commentaar: "Wie door een met de gedachte van ontzegging enz. beginnende (nekkhammādisaññā-pubbangama) ontwikkeling van de geest de gedachte aan zinnelijkheid heeft opgegeven, die geldt als ‘ontdaan van het slechte denken’ (saññā-viratto) en wel is hij een ‘oefenende in geestelijke kalmte die aan beide kanten bevrijd is (ubhatobhāga-vimutto samatha-yāniko)."

Men zou geneigd zijn saññā-viratto eerder als tegenstelling tot saññā-satto (bevangen door waarneming) (vers 792) op te vatten en te vertalen: (regel a) ‘Wie bij de waarneming vrij van verlangen is . . .", (regel c) "Zij die zich houden aan waarneming en visie. . .". Maar de samenhang in regel c/d maakt hier de uitleg van het commentaar waarschijnlijker. De werkelijk bedoelde betekenis van het woord saññā zal natuurlijk op veel plaatsen van het Sutta-Nipāta onzeker moeten blijven.

110 ‘Bevrijd in wijsheid’ (paññā-vimuttassa). Het Maha Niddesa: “Wie bij het vooruitgaan van de oefening van inzicht (vipassanā-pubbangama) het edele pad ontplooit, diens gissen is aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige het gissen, de boeien, de hindernissen . . . opgegeven, met de wortel uitgeroeid . . .” - Commentaar: "Het gaat hier om ‘iemand die oefent in helder inzicht’ (sukkha-vipassako)." Vgl. vers 725 met noot.

111 Volgens het Maha Niddesa komt het door het drievoudige slechte denken tot de oorlogszuchtige botsing tussen de volkeren, tot ruzie binnen de kasten, families enz.; door visies komt het tot ruzie tussen de verschillende religieuze en filosofische stromingen.

112 Norman 1984 vertaalde vers 847 aldus: ‘Er zijn geen banden voor iemand die zonder waarnemingen is. Er zijn geen illusies voor iemand die door wijsheid bevrijd is. Maar zij die waarneming en visie hebben vastgegrepen, leven in de wereld en veroorzaken overtredingen.’


113 Nyanaponika: ‘ondoorgrondelijk in het midden (van dit heden),’

114 Uitleg van het Maha Niddesa: ‘hij heeft geen verwachtingen en wensen wat betreft de toekomst en wedergeboorte.’

115 Nyanaponika: ‘met een rustig geweten, bezonnen sprekend, onbewogen’,

116 'in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan ziende’ (vivekadassī phassesu). Het Maha Niddesa: "De indrukken van de zintuigen zijn ‘afgescheiden’ (in de zin van suññā, 'leeg') van een ik en van een tot een ik behorend iets, van iets blijvends, iets eeuwigs, iets onveranderlijks. De vroegere indrukken zijn ‘afgescheiden’ van de tegenwoordige en toekomstige enz. De zintuiglijke indrukken van de heilige zijn ‘afgescheiden’ (vrij) van begeerte, haat en waan."

117 Norman 1984 heeft als vertaling van de laatste regels van vers 451: ‘Hij ziet onthechting wat betreft zintuiglijke contacten, en hij is niet geleid in verkeerde visies.’

118 ‘aangename dingen’, d.w.z. de gewenste vijf objecten van de zintuigen.

119 Uitleg van het Maha Niddesa: "In de leer die door hem zelf is ingezien en persoonlijk is ervaren, vertrouwt hij niemand, noch een andere asceet of brahmaan, noch een godheid, Māra of Brahma."
‘Afkeer.’ Het commentaar: “Vanwege de vernietiging van de begeerte bestond er afkeer, maar nu (als heilige) voelt hij geen afkeer meer.”

120 ‘staat van afhankelijkheid’ (nissayatā); het Maha Niddesa: afhankelijkheid van begeerte en visies.

121 alternatieve vertaling: ‘de natuur der dingen kennende’

122 Norman 1984: ‘Hij geeft niet toe aan verzinsels, omdat hij zonder verzinsels is.’


123 d.w.z. uit dierbare objecten, hetzij personen of dingen.

124 ye samparāyāya narassa honti. - Samparāya betekent meestal de toekomstige bestemming van de mens, d.w.z. zijn volgende bestaansvorm. Het Mahāniddesa legt het hier uit met parāyana (doel), sarana (toevlucht), etc., en voegt toe: "De mens heeft (wens-)vervulling als doel (naro nitthā-parāyano hoti).”

125 Verlangen (chanda); hier niet als de neutrale geestelijke factor “wil” of “bedoeling” te verstaan, maar volgens het Mahāniddesa, als kāmacchanda, (zinsverlangen).

126 Asceet, dit is de Boeddha.

127 Dan bepaalt de mens wat de waarde van iets of iemand is. - Wanneer de mens het ontstaan van een gewenste lichamelijke gebeurtenis of het vergaan van een ongewenste gebeurtenis ondervindt, dan velt hij het oordeel: 'Dit is goed.' Ondervindt hij het vergaan van een gewenste gebeurtenis, of het ontstaan van een ongewenste gebeurtenis, dan oordeelt hij: 'Dat is slecht.' Het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen oordelen ontstaan door begeerte, en oordelen ontstaan door visies (tanhāditthi-vinicchaya): Wanneer bijvoorbeeld iemand geen nieuw bezit krijgt en verkregen bezit bij hem verdwijnt, dan vraagt hij naar de oorzaak ervan en komt tot het oordeel: 'Wegens mijn overgave aan drank, dobbelspel, traagheid enz.' Dit is een oordeel dat bepaald is door begeerte, veroorzaakt door het ontstaan en vergaan van lichamelijke dingen. – Wanneer bijvoorbeeld zien-vermogen is ontstaan, dan oordeelt men: 'Mijn ik is ontstaan;' wanneer het verdwijnt, dan oordeelt men: 'Mijn ik is verdwenen.' Dit is een oordeel dat bepaald is door verkeerde visie, veroorzaakt door het ontstaan en verdwijnen van lichamelijke dingen.

128 Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.

129 De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.

130 Dit is een schakel in de keten van oorzakelijk ontstaan (paticca samuppada): 'door zintuiglijke indruk veroorzaakt is gevoel.' (phassapaccayā vedanā).

131 Grijpen (pariggaha); het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeerte of verkeerde visies. Het gaat hier dus om het geestelijke grijpen naar de waarneming, het be-grijpen ervan door be-grippen, die ofwel door begeerte of door theorieën vervalst zijn en zo de waarneming met verkeerde waarderingen voorzien en verkeerd weergeven.

132 Wanneer de lichamelijke wereld is verdwenen (rūpe vibhūte). Het hier bedoelde 'lichamelijke' (rūpa) wordt in het Mahāniddesa omschreven als 'de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen (die ook de zinsobjecten insluiten).'

Het Mahāniddesa: Door vier oorzaken kan lichamelijkheid verdwijnen: door verdwijnen in herkennen (ñāta-vibhūta), door verdwijnen in het onderzoeken (tīrana-vibhūta), door verdwijnen in het opgeven (pahāna-vibhūta), door verdwijnen in het overschrijden (samatikkama-vibhūta).

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het herkennen? Men weet dat alles wat lichamelijkheid is, in de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen bestaat.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het onderzoeken? De zodanig herkende lichamelijkheid onderzoekt men in vergankelijkheid ervan, het niet bevredigende ervan, de onpersoonlijkheid ervan.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het opgeven? Na een dergelijk onderzoek geeft men het verlangen en de hebberigheid naar de lichamelijkheid op.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid door overschrijden? Voor degene die de vier onstoffelijke meditatieve sferen (arūpa-samāpatti) heeft verkregen, zijn de lichamelijke dingen (inclusief die van de fijnstoffelijke sfeer) verdwenen, te niet gemaakt, overschreden, volledig overschreden, overwonnen (vibhūtā vibhāvita atikkantā samatikkantā vītivattā).

133 Dit is een moeilijk vers, dat verschillende problemen opwerpt. Vooraf moet vermeld worden dat het daarin herhaaldelijk voorkomende begrip saññā (waarneming) hier als vertegenwoordiger voor bewustzijn in het algemeen staat, zoals ook in asaññā-satta, nevasaññā-nāsaññāyatana en andere.

Niet heeft hij het gewone bewustzijn (na sañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij bevindt zich niet in de natuurlijke of gewone bewustzijnstoestand (pakati-saññā).'

Noch is het ziekelijk (na visañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet waanzinnig noch geestelijk gestoord.'

Hij is niet onbewust (na asaññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet ingetreden in de toestand van de opheffing (van waarneming en gevoel, nirodhasamāpatti), noch is hij een onbewust wezen.'

Noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn, als vrije weergave van vibhūta-saññī, dat waarschijnlijk een afkorting is van vibhūta-rūpa-saññī. Dit wil zeggen dat hij niet iemand is wiens bewustzijn bij het lichamelijke en fijnstoffelijke verdwenen is. - Het Mahāniddesa: 'Hij heeft niet deel aan de vier onlichamelijke meditatie-toestanden (na pi so catunnam arūpasamāpattīnam lābhī).

Want uit het bewustzijn stamt de veelheidswereld in haar delen (saññā-nidāna hi papañca-samkhā). Zie hierover Maj.Nik.18 (Madhupindika-Sutta).(MN. II. 18) Deze leerrede kan als commentaar bij dit vers dienen.

134 Het toppunt (aggam) wordt in het Mahāniddesa als de onstoffelijke meditatieve verdiepingen uitgelegd. In het bijzonder is aan het gebied van noch waarneming noch niet waarneming te denken.

135 Steunpilaren (nissaye): hiermee zullen vooral de steunpilaren in het begeren en theoretiseren (tanhāditthi-nissaya) zijn bedoeld.

136 Het Maha Niddesa citeert hiertoe Maj.Nik.74 (MN.VIII.4): "De monnik wiens geest zo bevrijd is, keurt niemand goed en maakt ook geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan."

137 Maha Niddesa: "De waarheid is de opheffing van lijden, het Nibbāna; of ook de waarheid van het pad, de waarheid van de uitweg (uit het lijden), het edele achtvoudige pad.”

138 Maha Niddesa leest ‘saccāni suttāni’ en parafraseert het met ‘sutāni,’ dit is gehoorde, geleerde of overgeleverde waarheden. De Pali Text Society leest: ‘su tāni’ ("wel deze"). Volgens die lezing zou de vertaling zijn: “Is het wel omdat deze waarheden zelf veelvuldig en verschillend zijn?”

139 Takkañca ditthīsu pakappayitvā; zich uit theorieën een logisch gedachten-systeem verzonnen hebbende.

140 Nyanaponika: ‘regels, rituelen’

141 zelfvoldaan (pahassamāno); letterlijk: zich verheugende.

142 heel buitensporige visie; een vrije weergave voor atisāram-ditthi, letterlijk: de (boven iets) uitlopende visie, d.w.z. ze slaat iets over, ziet iets niet. Het Maha Niddesa: "uitgaande boven het gerechtvaardigde, boven de karakteristieke eigenschappen van een ding enz.”

143 Zuiverheid duidt hier en in vers 892 vooral de ‘orthodoxie’ van een visie aan.

144 Nyanaponika: ‘Men zegt andere leringen geen zuiverheid toe.’

145 Onrein, d.w.z. onorthodox, ketters.

146 Norman 1984: ‘Maar de wijze persoon die alle besluitvorming achter heeft gelaten, veroorzaakt geen overlast in de wereld.’


147 De tweevoudige vrucht van ruzie is lofprijzing of berisping.

148 khemābhipassam avivādabhummam; de rust of hoogste veiligheid is Nibbāna.

149 Norman 1984: ‘Met geen ervan laat hij zich in.’ - D.w.z. hij bemoeit zich niet ermee; het beweegt hem niet (na upeti).

150 Anūpayo so upayam kim eyya; het Maha Niddesa: "Tot welke lichamelijkheid, welk gevoel enz. zou hij naderen met de gedachte: ‘Dit is mijn ik’? Welke wedergeboorte, welk bestaan enz. zou hij naderen?”

151 ‘in het geziene en gehoorde’. Volgens het Maha Niddesa heeft dit weer betrekking op de zuivering door gelukbrengende objecten van zien, horen enz. [zie Sn.IV.4, vers 788, noot 3]. Maar het is toch ook algemeen op te vatten als het onbevredigd zijn van de zintuiglijke waarneming. Vergelijk in vers 851: ‘Hij ziet in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan.’

152 D.w.z. enkel en alleen door het navolgen van een zedelijke of ascetische discipline. - Norman 1984 vertaalde: ‘Zij die deugdzaam gedrag als het hoogste beschouwen, zeggen dat zuiverheid is door zelfbedwang.’

153 Norman 1984: ‘Indien hij afvalt van zijn deugdzaam gedrag en geloften,’ - Het Maha Niddesa: "omdat hij door anderen weggelokt werd of omdat het navolgen van die regels en geloften voor hem te zwaar is.”

154 Commentaar: "zoals een reiziger die zijn karavaan heeft verloren, naar de karavaan of naar huis verlangt.”

155 Maha Niddesa: “niet verlangend naar de voor ‘zuiver’ gehouden vijf zintuiglijke objecten en de vele verkeerde visies of naar alles wat wereldlijk heilzaam is; niet verlangend naar het ‘onzuivere’, d.w.z. naar wat karmisch onheilzaam is of naar de vele verkeerde visies.”

156 Nyanaponika vertaalde: ‘laat men zich daaraan onttrekken en laat men niet de vrede daarin vinden.’ - d.w.z. laat men het niet als de vrede aannemen. - 'Vrede' heeft volgens het Maha Niddesa en het commentaar betrekking op de verkeerde visie erover. - Alternatieve vertaling: ‘laat hij zichzelf onthecht gedragen, geen visies aannemen.’

157 ‘missen zij de weg’ is een vrije weergave van uddham-sarā, letterlijk: er boven uit staand. Het werd opgevat in de zin van atisāram-ditthi in vers 889. Daarvoor spreekt ook de inhoudelijke parallel tot vers 899 (regels a en b), Maha Niddesa: “De asceten en brahmanen die aanhangers zijn van accanta-suddhi (hoogste zuiverheid; zie vers 794), die aan zuivering door samsāra geloven, die leren dat er geen resultaat van daden is, die geloven in een eeuwigheid, dezen noemt men uddham-sarā. Zij verkondigen de zuivering door samsāra." Een alternatieve vertaling ervan zou dan kunnen zijn: “die verder (in de kringloop van bestaan, samsāra) ronddraaien (sarā)."

158 Norman 1984 vertaalde: ‘Afhankelijk van ascese of een walgelijk gebruik, of op wat is gezien of gehoord of gedacht, spreken zij van zuiverheid door middel van verder blijven in samsāra, met hun begeerte naar het ene na het andere bestaan niet verdwenen.’

159 Commentaar: “Bij de verlangende komen steeds nieuwe verlangens, bevrediging van de verlangens vermeerdert het verlangen alleen maar.”

160 ‘Bezorgheid’ (samvedhitam); letterlijk: beven, sidderen. - ‘wensen’ (pakappitesu), Maha Niddesa: "Als men bang is dat zijn bezittingen gestolen worden, siddert men; wanneer de bezittingen gestolen worden en ook na de diefstal, siddert men; als men bang ervoor is zijn bezittingen te verliezen, siddert men, enz.”

161 Maha Niddesa: “Geen andere leer behalve de viervoudige concentratie van oplettendheid ... het edele achtvoudige pad.”

162 Maha Niddesa: "Welk nut heeft het voor hem om door te dringen tot het lijden, het opgeven van het ontstaan van lijden, tot oefening van het pad enz.”

163 Maha Niddesa: “Hij zal ze als blijvend, aangenaam en met een ‘ik’ zien; maar hij zal niet het ontstaan en verdwijnen ervan, het genot, de ellende ervan en het ontkomen eraan zien.”

164 ‘niet gemakkelijk in staat en bereid om iets te leren’ (na subbināyo). De Pali Text Society heeft een niet zeer waarschijnlijke lezing ‘suddhi-nāyo’ (misschien voor nāyako?), ‘leider naar zuiverheid’.

165 ‘verzonnen visie’ (pakappitam ditthim); de speculatieve fantasie of fantastische theorie; zie vers 784.

166 Commentaar: “Zoals zijn mening is, juist zo ziet hij het; hij wil het niet anders zien.”

167 letterlijk: hij is geen vriend van weten (na ñāna-bandhu). Maha Niddesa: "Noch het weten van de acht meditatieve verdiepingen, noch de vijf soorten van hoog weten (abbiññā), noch een verkeerd weten maakt hij uit begeerte of uit verkeerde visie tot een binding (bandham) voor zich.” Vergelijk vers 800.

168 Upekhati uggahananta-m-aññe; upekhati betekent ‘gelijkmoedig beschouwen’. - Bij het woord uggahananta = ugganhantā werd het Maha Niddesa gevolgd; het werd vertaald als ganhanti zonder voorvoegsel: “zij grijpen, namelijk naar die meningen van de massa”. Het commentaar legt letterlijk uit: “de anderen leren, bestuderen deze meningen.”

169 Een beschouwer of ‘gelijkmoedig’ (upekkhako).

170 Hij volgt niet de willekeur (na chandagū). Het door de wijze eveneens vermeden andere uiterste is het verkondigen van dogma's (nivissavādī).

171 Norman 1984: ‘Hij hecht niet aan de wereld en maakt zichzelf geen verwijten.’

172 Onbegrijpelijk (na kappiyo); vergelijk vers 860 (akappiyo) en vers 521. - Hij ontzegt niet en verlangt niet (nūparato na patthiyo); vergelijk de verzen 795 en 813.

173 Norman 1984 vertaalde dit vers zo: “Hij is iemand zonder verbindingen wat betreft alle mentale verschijnselen, wat is gezien of gehoord, of gedacht. Die wijze met de last neergelegd, volledig bevrijd, is zonder verzinsels, zich niet onthoudende van iets en niet verlangende naar iets,” zei de Gezegende. - Alternatieve vertaling: ‘hij die de vijand heeft overwonnen wat betreft alle visies.’


174 Mūlam papañca-samkhāyā; vergelijk vers 874.

175 deugd’ = dhamma, hier als guna (goede eigenschap) uitgelegd.

176 Maha Niddesa: “Wat men ook steeds als eigen voortreffelijke eigenschap moge herkennen of als die van zijn leraar enz.”

177 Namelijk in de zin van de drie bovenvermelde vergelijkende zelfwaarderingen.

178 Ajjhattam eva upasame: letterlijk: ‘Laat men het innerlijke tot rust brengen’, d.w.z. volgens het Maha Niddesa, zijn begeerte, zijn haat en zijn waan, als ook alle andere smetten en onheilzame eigenschappen van het innerlijke.

179 natthi attam kuto nirattam vā; vergelijk vers 787.

180 Maha Niddesa: "Met zee is bedoeld de oceaan die 84000 yojanas diep is. Beneden, tot een diepte van 40.000 yojanas, is namelijk het water door de vissen in beweging gebracht. Boven, in een gebied van eveneens 40.000 yojanas, wordt het water door de winden bewogen. Maar in het midden, in een omvang van 4000 yojanas, beweegt het water niet, het wordt niet in beroering gebracht, het is onbeweeglijk, stil.”

181 ‘opwelling’ (ussadam), zeker zinspelend op het beeld van de zee; bedoeld zijn de opwellingen van alle hartstochten.

182 Maha Niddesa: “Dag en nacht indelend in zes onderdelen, laat hij tijdens vijf ervan wakker zijn, en laat hij slechts tijdens één enkel onderdeel ervan gaan liggen (namelijk tijdens het vijfde, de middelste nachtwake van 10-2 uur.”

183 ‘toverspreuken’, āthabbanam = de Atharva, een verzameling van toverspreuken die pas later als de vierde Veda is erkend.

184 iets afkeurenswaardigs (upavādam), volgens het Maha Niddesa: “laat hij in zich geen afkeuring veroorzakende smetten produceren (upavādakare kilese na karevya).”

185 d.w.z. laat hij geen woorden uiten die toespelen op het ontvangen van gaven enz.

186 Maha Niddesa: ‘de uitdoving van begeerte, haat en waan.’

187 ‘vol eerbied’ (namassam); letterlijk: vererend. Maha Niddesa: “Vererend met daad, woord en gedachte, vererend door goed gedrag in overeenkomst met de leer.”

Dit vers sluit af met ‘-ti Bhagavā’; het wordt dus net als het voorgaande, door de oude tekstredacteuren toegeschreven aan de Boeddha. Maar dat de Boeddha over zich in vers 933 als Gotama, in vers 934 in de derde persoon zou hebben gesproken, is niet erg waarschijnlijk. Dit kan de reden ervoor zijn geweest dat K. E. Neumann deze beide verzen ‘de vragende’ in de mond legt. Wij [=Nyanaponika] hebben het echter hier principieel uitgesloten om in de vertaling zelf van de huidige tekstversie af te wijken.


188 ‘Geweld schept grote angst . Attadandā, letterlijk: uit het opgegrepen wapen, d.w.z. door aanwending van geweld; of: door iemand die tot geweld heeft gegrepen. Atta betekent hier weer ‘opgenomen’, ‘gegrepen’ (zie vers 787) en niet ‘zelf’. Danda betekent stok, wapen, geweld, macht; straf; scepter (als teken van de heersende en strafrechtelijke macht). - Jāyati bhayam (ontstaat grote angst); bhaya betekent subjectief ‘angst’, objectief ‘gevaar’. - Beide begrippen samen werden met ‘grote angst’ vertaald.

Het commentaar volgt hier het Maha Niddesa, waar danda als het drievoudige slechte gedrag (duccarita) in daden, woorden en gedachten wordt uitgelegd. - Het commentaar: “Angst of gevaar ontstaat uit de oorzaak van het eigen slechte gedrag” (attano duccarita-kāranā). Het commentaar neemt dus atta als ‘zelf’. K. E. Neumann vat attadando blijkbaar op als “iemand die zichzelf tuchtigt” en vertaalt “zelfkwaal” en neemt het als een synoniem voor attantapo (zelfkweller).
Maar er bestaat geen twijfel dat bovenstaande opvatting van ons [= van Nyanaponika] toetreffend is en dat attadanda een synoniem is voor ādinna-danda ādinnasattha in Vinaya I, 349 (PTS), d.w.z. opgenomen stok, opgenomen zwaard. Het vormt de tegenstelling tot de uitdrukking nidhāya dandam die in de teksten zeer vaak voorkomt (bijvoorbeeld de verzen 35, 394, 629); letterlijk: ‘de wapens neergelegd hebbende’. In de verzen 629-630 (= Dhammapada 405-406) staan deze beide begrippen in uitdrukkelijke tegenoverstelling, en daar (vers 630) legt het commentaar attadanda juist uit als ‘hatthagate dande vā satthe vā, avijjamāne pi paresam pahāradānato’, d.w.z. “met in de hand genomen stok of zwaard, of bij gebrek daarvan, daardoor dat men de ander slagen toebrengt...”

189 zoals ze door mij werd ondervonden; commentaar: ‘als een Bodhisatta.’

190 Maha Niddesa: “Want als er weinig water is, moeten de vissen er bang voor zijn om door vogels aangevallen en verslonden te worden.”

191 zonder kern. - Maha Niddesa: "De werelden van de hellen, dieren, ongelukkige geesten, mensen en godheden, de wereld van de groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen, - al deze werelden zijn zonder een kern, namelijk zonder een kern van blijvendheid, zonder een kern van geluk, zonder een kern van ‘ik’. Ze zijn zonder blijvendheid, zonder duur, zonder eeuwigheid, zonder onveranderlijkheid. Zoals de stam van een bananenboom [en zoals een ui] zonder een kern is, evenzo ook zijn deze werelden zonder een kern.”

192 alle delen ervan zijn doordrongen van beweging (sabbe disā sameritā); letterlijk: “alle hemelrichtingen zijn in beweging, in siddering of in vibratie.” - Maha Niddesa: “Wat er in oostelijke, westelijke, noordelijke en zuidelijke richting bestaat aan gevormde dingen, die zijn in constante beweging (erita), in sterke beweging (samerita), in het sidderen, in vibratie (calita); ze zijn geslagen met vergankelijkheid, uitgeleverd aan geboorte, aangevreten door ouderdom, overweldigd door ziekte, overwonnen door de dood, gebaseerd in onvoldaanheid. Ze zijn zonder bescherming, zonder onderdak, zonder toevlucht, toevluchtloos.”

193vaste woonplek, oord waar men zich thuis kan voelen (bhavanam); Maha Niddesa: veiligheid, onderdak, toevlucht.

194 onbewoond (anositam); Maha Niddesa omschrijft het met anajjhositam (onbegeerd). Zoals de vissen van de gelijkenis zich naar het weinige water dringen, er ruzie om maken, zo is er geen plek op deze wereld waarom de wezens geen ruzie maken, die niet ‘ bewoond’ is door hun begeerte. - Maha Niddesa: "Met alle jeugd ‘woont’ (ositam) ouderdom; met alle gezondheid ‘woont’ ziekte; met alle leven ‘woont’ dood; met alle winst ‘woont’ verlies; met alle roem ‘woont’ schande; met alle lofprijzing ‘woont’ berisping; met alle geluk ‘woont’ leed.”

195 ‘aan het einde’ (osāne) - Maha Niddesa: “Aan alle jeugd maakt ouderdom een einde (osāpeti), aan alle gezondheid maakt ziekte een einde ... (enz).

196 ‘kwam bij mij walging’; Norman 1984: ‘was ik ontevreden.’

197 Maha Niddesa: "Men zinkt niet in de vier stromen (ogha), namelijk de stroom van zinnelijkheid, de stroom van bestaan, de stroom van visies, de stroom van niet-weten.”

198 ‘Nu volgen de verzen van de opleiding’ (tattha sikkh'ānugiyanti); letterlijk: "nu worden de ‘opleidingen’ gereciteerd.” - Deze woorden die in de versmaat overtollig zijn, werden volgens Chalmers opgevat als een invoeging van de oude tekstredacteuren, het wat inhoud betreft duidelijk verschillende tweede deel van het sutta kenmerkend, dat zich met ‘het oefenen naar het eigen Nibbana’ bezig houdt. - Het Maha Niddesa en het commentaar betrekken deze woorden evenwel bij de tekst zelf; dan zou men zo moeten vertalen:

“Diegenen melden hun opleiding, die nog geboeid zijn aan deze wereld. Laat men zich niet ermee bezig houden.”

199 Nyanaponika: ‘de slaap’

200 ‘de mens wiens geest naar het Nibbana is toegewend’ (nibbāna-manaso naro). Het Mahā-Niddesa heeft hiertoe het volgende:

“Iemand geeft een gave, neemt de regels van deugdzaam gedrag op zich, zorgt voor drinkwater of voor dagelijks gebruik, veegt het klooster, vereert de dagoba, tooit ze met guirlanden, loopt er vol eerbied drie keer omheen, of hij verricht een andere karmisch heilzame wilsactie die behoort tot het drievoudige bereik (van zintuiglijk bewustzijn, fijnlichamelijk bewustzijn of van onlichamelijk bewustzijn). En hij verricht die karmisch heilzame daad niet omwille van een toekomstige gelukkige wereld van bestaan, niet omwille van de wedergeboorte, niet omwille van de ronde van bestaan. Hij doet het veeleer met de bedoeling van de bevrijding, gericht op het Nibbāna, neigende naar Nibbāna, strevende naar Nibbāna toe. Zo is zijn geest naar Nibbāna toegewend.
Of: Hij wendt zijn geest af van van het hele bereik van de formaties van bestaan en richt die op het bereik van het doodloze: ‘Dit is de vrede, dit is het verhevene, namelijk het tot rust komen van alle samenstellingen, het opgeven van alle steunen van bestaan, de uitdroging van het verlangen, het niet meer afhankelijk zijn, de opheffing, het Nibbāna.’ Ook zo is de geest naar Nibbāna toegewend.”


        “Niet geven wijzen hun gaven

        om wereldlijk geluk en om een weder-zijn.

        Om aan al het wereldlijke een einde te maken,

        omwille van het niet meer terugkomen dient hun gave.


        Niet beoefenen wijzen de meditatieve verdieping

        om wereldlijk geluk en om een weder-zijn.

        Om aan al het wereldlijke een einde te maken,

        beoefenen zij verdieping, omwille van het niet meer terugkomen.


        Zij geven hun gave, aan de bevrijding denkende;

        hierop gericht is hun denken en streven.

        Zoals rivieren naar het midden van de zee streven,

        Zo hebben zij Nibbāna als hun doel.”

201 hebzucht (ākāsam; vierde naamval); in Maha Niddesa en het commentaar als ‘verlangen’ (tanhā) uitgelegd. Het hangt niet samen met ākāso (de ruimte), maar het komt overeen met het Sanskriet-woord ākarsa (het naar zich toetrekken, de aantrekking). - Maha Niddesa: “omdat men door zijn verlangen de lichamelijkheid, het gevoel enz, een wedergeboorte enz, aantrekt,(ākassati), naar zich toe trekt (samākassati), ze vastgrijpt, daarom wordt verlangen aangeduid als ākāsam (het naar zich toetrekken).”

[Dit wordt nader uitgelegd in de leerrede over ideale eenzaamheid.]

202 Nyanaponika vertaalde dit vers zo:
‘Deze hebzucht noem ik een machtige stroom; zuigen noem ik het en een verslaving. Een steun zoeken noem ik het, verlangen; een stroom van de hartstochten is het, moeilijk over te steken.’

203 Maha Niddesa: “De vaste grond is Nibbāna.”

204 ‘die zich van alles heeft ontdaan’. Maha Niddesa: “Met ‘alles’ is bedoeld de twaalf zintuiglijke grondslagen: het oog en het zien-object, het oor en het hoor-object, de neus en het ruik-object, de tong en het smaak-object, het lichaam en het aanrakings-object, de geest en het geest-object. Wanneer bij deze inwendige en uitwendige grondslagen van de zintuigen het verlangen is opgegeven, met de wortel is vernietigd, dan heeft hij zich van alles ontdaan.”

205 Norman 1984: ‘op de juiste manier zich in de wereld gedragende, is hij op niemand hier jaloers.

206 Droog uit wat vroeger was (visosehi; zo in Maha Niddesa; een oude en vaak voorkomende lezing is ook visodhehi, ‘maak zuiver’); Maha Niddesa: “Die hartstochten die op grond van vroegere formaties zouden kunnen ontstaan, laat men die uitdrogen (sukkhāpehi), laat men ze opgeven en vernietigen. Een andere uitleg: Die kamma-formaties waarvan het kamma-resultaat (vipāka) nog niet rijp is, laat men die uitdrogen; laat men de kiemkracht ervan verwijderen (abājam karohi, letterlijk: thuisloos maken) en ze daardoor opgeven en vernietigen.”

207 ‘Laat er voor jou niets toekomstigs zijn’ (pacchā te m'āhu kiñcanam); vergelijk vers 645. Maha Niddesa: “Wat er bij jou met betrekking tot toekomstige formaties zou kunnen ontstaan aan wereldlijke dingen (kiñcanāni), zoals die van begeerte, van haat, van onwetendheid, van eigenwaan, van visies, van hartstochten, van slecht gedrag, laten die niet van jou zijn, laten zij zich niet bij jou vertonen, laat jij ze niet opwekken, en in deze zin moet jij ze opgeven en vernietigen.”

208 Wanneer je in het midden niets vastgrijpt; Maha Niddesa: “Wanneer je de tegenwoordige lichamelijke processen, gevoelens, waarnemingen, enz., de tegenwoordige formaties niet door middel van verlangen of verkeerde visies zult vastgrijpen, je niet eraan zult vasthechten, niet erin behagen zult scheppen, ... “

209 Maha Niddesa: “Voor wie er geen grijpen naar en geen hechten aan de een of andere lichamelijkheid, het een of andere gevoel enz. is, op de manier van: ‘dit behoort mij toe, dit behoort anderen toe,’ - voor een dergelijk iemand is er geen verlies.
Een tekst in Sam.Nik. 2.18 luidt: “Verheug jij je, asceet?” - “Wat is gewonnen , broeder?” - “Treur jij dan, asceet?” - “Wat is verloren, broeder?” - “Dan verheug jij je dus niet, noch treur je, asceet?” - “Zo is het, broeder.”

210 Hiertoe brengt het Maha Niddesa o.a. de volgende verzen:

“Het ontstaan van lege dingen, het verloop van lege formaties, wie het zo beziet zoals het werkelijk is, die kent geen angst,* o Gāmani!

* zie Theragatha verzen 716-719.


“Wanneer men in wijsheid deze wereld als zo vreemd als gras en kreupelhout beschouwt,** dan wenst men niets anders dan alleen nog het niet meer terugkomen.”
** Voor de gelijkenis van gras en kreupelhout, zie Sam.Nik. 22.33 en Sam.Nik. 35.101. [Wanneer iemand gras en kreupelhout verzamelt en in brand steekt, dan verzamelt en verbrandt hij niets van ons. Gras en kreupelhout behoort ons niet toe, is ons vreemd.]

211 Norman 1984: ‘Niet bruut, niet begerig, zonder passie, onpartijdig in elk opzicht,’

212 ‘verder bouwen’ (nisankhiti); het woordenboek van de Pali Text Society geeft hiervoor: ophoping, opstapeling, karma-resultaat. - Maha Niddesa legt het uit als de drie soorten van karmisch vorm geven (abhisankhāra): de heilzame, onheilzame, onwrikbare. “Wanneer die zijn opgegeven, met wortel en al, in zoverre zijn er geen ophopingen (nisankhitiyo).” - Norman 1984 vertaalde: ‘..is er geen ophoping van verdienste en niet-verdienste. Hij ziet af van zich opstapelende activiteiten en ziet overal veiligheid,’

213 die ziet zich overal in veiligheid’ (khemam passati sabbadhi); of: ‘die ziet de vrede overal.’

Maha Niddesa: “Wanneer (door het afstaan van karmisch ingrijpen) de dingen die gevaren en angsten scheppen (bhaya-kara), zoals begeerte, haat, onwetendheid enz. zijn opgegeven, dan ziet men overal veiligheid, vrijheid van angst (abhayam) en rust.”

214 zelfzucht’, Norman 1984: ‘gierigheid’.


215 Norman 1992, p. 351.

216 ‘als een leraar’; Norman 1984: ‘met een groep’.

217 Volgens het Maha Niddesa en het commentaar heeft dit betrekking op het neerdalen van de Boeddha uit de Tusita-hemel, waar hij aan de goden de hogere leer [d.w.z. de leer leidende naar heiligheid en Nibbana] had verkondigd. Toen de Boeddha in de stad Sankassa weer op de aarde kwam, was het volgens de overlevering de eerwaarde Sariputta geweest die hem als eerste eer betoonde en aan wie als eerste de basislijnen van de hogere leer werden uitgelegd.

218 Norman 1984: ‘met visie’

219 hoogste zaligheid (rati); Maha Niddesa: ‘de zaligheid van de ontzegging, van de eenzaamheid, van de vrede, van de Verlichting.’

220 Nyanaponika: ‘die vrij is van hechten’

221 Norman 1984: ‘op verschillende soorten van bedden’

222 Nyanaponika: ‘niet meer onzeker zou moeten zijn?’

223 naar ‘onbetreden land’ (agatam disam); in het Maha Niddesa en ook in het commentaar uitgelegd als amatam disam (doodloos land). - Norman 1984 vertaalde eveneens: ‘doodloos land’

224 binnen de regels leeft’ (pariyantacārī; letterlijk: binnen de begrenzing leeft). Het Maha Niddesa maakt onderscheid tussen vier soorten ‘begrenzingen’: door beteugeling van deugdzaamheid (sīlasamvara-pariyanta), door beteugeling van de zintuigen (indriyasamvara-pariyanta), door maat houden bij de maaltijd (bhojane mattaññutā-pariyanta) en door het beoefenen van waakzaamheid (jāgariyānuyoga-pariyanta).
“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van de deugdzaamheid? - Een monnik is deugdzaam; hij volhardt in de beteugeling overeenkomstig de discipline van de Orde; volmaakt in levenswijze en gedrag, gevaar ziende in de kleinste overtreding oefent hij zich in de opgenomen regels van deugdzaamheid. Hij denkt na over het afschrikkende en de gevolgen van een toestand van zedelijk verval, en leeft binnen de begrenzing door beteugeling van deugdzaamheid, hij overschrijdt de grens niet.

“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van de zintuigen ? - Wanneer een monnik met het oog een vorm ziet, dan hecht hij niet aan het geheel noch aan de details. (enz.) Hij denkt na over de leerrede ‘Alles staat in brand’ (de zogenaamde Vuur-toespraak) en leeft binnen de begrenzing door beteugeling van de zintuigen, hij overschrijdt de grens niet.
“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van het maat houden bij de maaltijd? - Een monnik neemt wijs bezonnen de maaltijd tot zich, niet tot vermaak .... Hij denkt na over de gelijkenissen die verband houden met voedselopname, zoals het oliën van een as, het verbinden van een wonde, het vlees van de zoon, en hij leeft binnen de begrenzing door maat te houden bij de maaltijd, hij overschrijdt de grens niet.
“Wat nu is de begrenzing door beteugeling van het beoefenen van de waakzaamheid? - De monnik zuivert overdag, bij het heen en weer lopen of tijdens het zitten, zijn geest van belemmerende dingen; ‘s nachts tijdens de eerste (en laatste van de drie nachtwaken) zuivert hij zijn geest van belemmerende dingen. Hij denkt erover na hoe een bhaddekaratta* (genoemde waakzame) vertoeft, en leeft binnen de begrenzing door het beoefenen van de waakzaamheid, hij overschrijdt de grens niet.

*De uitdrukking bhaddekaratta is ontleend aan de gelijknamige leerrede Maj.Nik.131.Maj.Nik.131. [De leerrede over ideale eenzaamheid]. De betekenis ervan is letterlijk: ‘iemand die de feest- of inwijdingsnacht doorbrengt’. Het heeft betrekking op een brahmaanse feestnacht die ook tegenwoordig nog begaan wordt en als ekarātri bekend is. Ze wordt vastend, wakend en mediterend doorgebracht.

225 Norman 1984: ‘laat hij met liefdevolle vriendelijkheid schepsels doordringen, zowel zij die bewegen als die stil staan.’

226 ‘deel van de donkere’: (kanho) is een bijnaam van Māra.

227 geleid door wijsheid (paññam purakkhatvā); Maha Niddesa: purato katvā (vooraan gesteld hebbend). Maha Niddesa legt het uit 1) als de voorrang en bepalende invloed van wijsheid en inzicht in het leven van de monnik, als de bedachtzame basishouding; 2) als de leidersrol van oplettendheid en helder inzicht, en citeert hiertoe uit het Satipatthāna-sutta de ‘oplettendheid bij de lichaamshoudingen’ en het tekstgedeelte over ‘helder inzicht’.

228 vervuld met edele vreugde (kalyāna-pīti); Maha Niddesa: op grond van de tien beschouwingen: over de Boeddha, de Dhamma, de Ariyasangha, over deugdzaamheid, vrijgevigheid, godheden, over in- en uitademen, de dood, het lichaam en de vrede. (zie Ang.Nik. 1.26. = AN. I. 16. 1. 1-10).

229 afkeer van het afgezonderde leven (aratim . . . sayanamhi pante); letterlijk: afkeer van afgezonderde rustplaats (zie vers 960). Maha Niddesa voegt toe: “ook de afkeer van de andere dingen die in hoogste zin heilzaam (adhikusala) zijn.”

230 met tevreden geluk in de zin (tosanattham); ofwel = tosanatthāya (omwille van de tevredenheid), ofwel, zoals het commentaar het opvat, als adjectief bij het voorgaande mattam (maat), d.w.z. de maat die door genoegzaamheid van een monnik is bepaald. Tosena heeft beide, in de vertaling weergegeven betekenis-nuancen: tevredenheid en vreugde.

231 door gelijkmoedigheid; hier is, met betrekking tot de concentratie, volgens Maha Niddesa de geheel gezuiverde gelijkmoedigheid van de vierde meditatieve verdieping bedoeld.

232 niet op een onpassende tijd (nātivelam), letterlijk: ‘niet over de tijd heen’, d.w.z. niet te lang; en ook: ‘op de juiste tijd’.

233 met bevrijde geest (suvimutta-citto). De letterlijke vertaling “met goed bevrijde geest” werd niet gekozen, om een op een vergissing berustende gelijkstelling met de hoogste bevrijding in de heiligheid uit te sluiten. De uitdrukking heeft hier vooral betrekking op de tijdelijke bevrijding van de geest door het bereiken van de meditatieve verdiepingen, d.w.z. door de methode van kalmte van geest (samatha); vergelijk de uitdrukking cetovimutti (bevrijding van het gemoed) die eveneens betrekking heeft op de geestelijke concentratie.

234 Op de juiste tijd. Maha Niddesa: “Bij een opgewonden geest is het de juiste tijd voor de kalmte van geest (samatha), bij een geconcentreerde geest is het de juiste tijd voor inzicht (vipassanā)."

235 ‘laat hij alle duisternis van onwetendheid verdrijven’ - Met deze zin worden de woorden van Sāriputta in vers 956 (‘die alle duisternis van onwetendheid verdreef’), waarmee hij de Boeddha prees, opgenomen en toegepast op de monnik die de leer verwerkelijkt. Ook deze wordt, wanneer hij aan het doel van heiligheid is aangekomen, een vernietiger van alle duisternis, juist zoals de Boeddha zelf.


naar boven