Facetten van het Boeddhisme


naar INDEX  of  naar  Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.9. Anguttara Nikaya, Navaka-nipata, het boek van negen.

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


indeling        inleiding      

Anguttara Nikaya 

Navaka-Nipāta

Het boek van negen

een selectie

Indeling        

Het Navaka-Nipāta, het boek van negen, heeft tien hoofdstukken (vaggas), met in totaal 93 suttas.

Hoofdstuk 1. sambodhi-vagga                        

A.IX.1. De basis van de Verlichting                

A.IX.2. Volmaakt gesteund                        

A.IX.3. Meghiya - voorwaarden voor goede concentratie

A.IX.4. De zegeningen van de leertoespraak                 

A.IX.5. Bevrijd van vijfvoudige angst; vier krachten 

A.IX.7. Onmogelijkheden voor een heilige I 

A.IX.8. Onmogelijkheden voor een heilige II         

A.IX.9. Negen soorten mensen         

A.IX.10. Negen waardige mensen; nibbana         

Hoofdstuk 2. sīhanāda-vagga                        

A.IX.11. Sāriputtas gebrul van de leeuw                 

A.IX.12. Ontkomen aan de lagere sferen van bestaan

A.IX.13. Het doel van het heilige leven                 

A.IX.14 het wezenlijke van gedachten-overwegingen 

A.IX.15. Het ettergezwel (walgelijkheid van het lichaam) 

A.IX.16. Negen contemplaties                

A.IX.17. Te vermijden gezinnen                

A.IX.18. De zegen van de vastendag                 

A.IX.19. De berouwvolle godheden                 

A.IX.20. Het beschouwen van de vergankelijkheid – de hoogste verdienste

        Hoofdstuk 3. sattāvāsa-vagga                        

A.IX.21. De bewoners van Uttarakuru 

A.IX.22. De negen paarden         

A.IX.23. Dingen die in hevig verlangen wortelen        

A.IX.24. De negen vormen van bestaan        

A.IX.25. Volmaakte ontwikkeling van de geest I         

A.IX.26. Volmaakte ontwikkeling van de geest II

A.IX.31. Trapsgewijze bevrijding 

Hoofdstuk 4. mahā-vagga

A.IX.32. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden 

A.IX.33. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden

A.IX.34. Een geluk hoger dan de gevoelens; nibbana

A.IX.35. De koe in de bergen; de onverstandige monnik 

A.IX.36. Kalmte van geest en inzicht                         

A.IX.37. De wonderbaarlijke leer         

A.IX.38. Het einde van de wereld                         

A.IX.39. De strijd tussen goden en demonen 

A.IX.40. De olifant van de eenzaamheid 

A.IX.41. De afgrond van de verzaking; meditatieve verdiepingen

Hoofdstuk 5. sāmañña-vagga        

A.IX.42. De uitweg uit de benauwdheid 

A.IX.43. De lichaamsgetuige         

A.IX.44. De door weten bevrijde        

A.IX.45. De beiderzijds bevrijde [de tweevoudig bevrijde]        

A.IX.46-51. Nibbāna         

Hoofdstuk 6. khema-vagga                        

A.IX.52-61. De vrede         

A.IX.62. De heiligheid         

Hoofdstuk 7. satipatthāna-vagga 

Hoofdstuk 8. sammappadhāna-vagga

Hoofdstuk 9. iddhipada-vagga

Hoofdstuk 10. rāgapeyyāla-vagga                         

Inleiding

        Het boek van negen gaat over de volgende onderwerpen: Negen contemplaties: onzuiverheid, dood, onaangenaamheid van voedsel, onverschilligheid t.o.v. de wereld, vergankelijkheid, dukkha veroorzaakt door vergankelijkheid, de niet-werkelijkheid van dukkha, ontzegging, gelijkmoedigheid. Negen soorten van personen: degenen die de vier paden naar Nibbāna hebben betreden en de vruchten ervan ondervinden, en als negende de wereldling (puthujjana).[1]

Hoofdstuk 1: sambodhi-vagga

A.IX.1. De basis van de Verlichting

        Te Savatthi. "Monniken, wanneer rondtrekkende asceten met een ander geloof jullie vragen wat de basis is voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen, dan moeten jullie als volgt antwoord geven.

        'Broeders, de monnik heeft edele vrienden, edele metgezellen. Dat is de eerste basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

        Broeders, verder is de monnik rein van zeden, hij volgt de discipline van de Orde, is volmaakt in gedrag en omgang. Hij deinst terug voor het geringste vergrijp en schoolt zich in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen. Dat is de tweede basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

        Broeders, verder wat betreft de gesprekken die bevorderlijk zijn voor de ontsluiting van de geest, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, alleen vertoeven, afgezonderdheid, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken worden hem naar wens, zonder moeite ten deel. Dat is de derde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

        Broeders, verder spant de monnik zijn wilskracht in om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen te verwerven. Hij is standvastig, met gestaalde kracht, niet nalatig in het goede. Dat is de vierde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.

        Broeders, verder is de monnik wijs: hij is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, die edel is, doordringend en die naar volledige vernietiging van lijden leidt. Dat is de vijfde basis voor de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen.’

        Want bij een monnik die edele vrienden heeft, edele metgezellen, is te verwachten dat hij rein van zeden zal zijn; dat hij de discipline van de Orde navolgt, dat hij terugdeinst voor het geringste vergrijp en zich schoolt in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen; dat hem gesprekken die bevorderlijk zijn voor de ontsluiting van de geest, naar wens, zonder moeite ten deel vallen; dat hij zijn wilskracht zal inspannen om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen te verwerven; dat hij wijs zal zijn, uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, die edel is, doordringend en die naar volledige vernietiging van lijden leidt.

        Monniken, wanneer nu de monnik in deze vijf dingen gevestigd is, dan moet hij bovendien nog vier verdere dingen ontplooien: de voorstelling van de onreinheid van het lichaam moet hij ontplooien om de begeerte te overwinnen; de liefdevolle vriendelijkheid moet hij ontplooien om haat te overwinnen; de oplettendheid bij het in- en uitademen moet hij ontplooien om de gedachten af te snijden;[2] de voorstelling van de vergankelijkheid moet hij ontplooien om de ik-waan uit te rotten. Bij de voorstelling van de vergankelijkheid namelijk wordt in de monnik de voorstelling van de ikloosheid gevestigd; en wanneer hij de ikloosheid heeft opgemerkt, bereikt hij de uitroeiing van de ik-waan en verkrijgt nog tijdens zijn leven het Nibbana.

A.IX.2. Volmaakt gesteund

        

        Een monnik vroeg eens aan de Verhevene: “Heer, in hoeverre is iemand volmaakt gesteund?”

        "Monnik, als een monnik, gesteund op vertrouwen, het onheilzame overwint en het heilzame ontplooit, dan is in hem dat onheilzame overwonnen. Wanneer hij, op schaamte gesteund - op morele vrees gesteund - op wilskracht gesteund - op wijsheid gesteund, het onheilzame overwint en het heilzame ontplooit, dan is in hem dat onheilzame overwonnen. Dat onheilzame nu is in de monnik grondig overwonnen, dat onheilzame dat hij, met heilige wijsheid onderkennend, heeft overwonnen.

Monnik, als nu die monnik in deze vijf dingen gevestigd is, dan moet hij gesteund op vier dingen vertoeven. Welke zijn die vier?

Monnik, de monnik maakt bezonnen gebruik van bepaalde dingen[3]; bezonnen verdraagt ​​hij andere[4]; bezonnen vermijdt hij andere[5]; bezonnen verdrijft hij andere[6].

Monnik, op deze manier is de monnik volmaakt gesteund.”

A.IX.3. Meghiya - voorwaarden voor goede concentratie

       

                Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Cālikā op de Cālikā-berg.[7] Op die tijd was de eerwaarde Meghiya de verzorger van de Verhevene.[8] De eerwaarde Meghiya ging naar de Verhevene toe, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde staan en zei: “Eerwaarde Heer, ik wil graag naar Jantugāma[9] gaan voor aalmoezen.”  - “Meghiya, doe nu wat jou goeddunkt.”

          Toen legde de eerwaarde Meghiya in de voormiddag zijn gewaad aan, nam zijn nap en buitengewaad en ging naar Jantugāma voor aalmoezen. Na de aalmoezen-ronde in dat dorp ging hij terug, en na de maaltijd ging hij naar de oever van de rivier Kimikālā. Toen hij daar naast de rivier heen en weer liep [al mediterende] voor oefening,[10] zag hij een aangenaam en lieflijk mango-bosje. En hij dacht: “Dit mango-bosje is erg aangenaam en lieflijk. Het is uitstekend geschikt voor een jonge man uit goede familie[11] die ijverig zich wil inspannen. Als de Verhevene het mij toestaat, zal ik hierheen komen en in dit mango-bosje ijverig streven.”

         Toen ging de eerwaarde Meghiya naar de Verhevene, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde zitten en zei dat hij na de aalmoezen-rondgang, na de maaltijd naar de rivier Kimikālā was gegaan, daar een lieflijk mango-bosje had gezien en nu toestemming vroeg om er ijverig te gaan mediteren.

          De Verhevene gaf ten antwoord: “Meghiya, omdat wij alleen zijn, wacht een beetje totdat een andere bhikkhu komt.”[12]

         Een tweede keer richtte de eerwaarde Meghiya zich tot de Verhevene en zei: “Eerwaarde Heer, de Verhevene heeft verder niets dat gedaan moet worden en niets dat toegevoegd moet worden aan wat gedaan is. Maar Eerwaarde Heer, voor mij is er iets dat nog gedaan moet worden en iets dat nog toegevoegd moet worden aan wat gedaan is. Als de Verhevene het mij toestaat, wil ik graag naar dat mango-bosje gaan om mij in te spannen (in meditatie).”

          Een tweede keer gaf de Verhevene ten antwoord: “Meghiya, omdat wij alleen zijn, wacht een beetje totdat een andere bhikkhu komt.”

          Een derde keer vroeg de eerwaarde Meghiya aan de Verhevene toestemming om naar dat mango-bosje te mogen gaan om er ijverig te streven (in meditatie).

          “Omdat jij van streven spreekt, Meghiya, wat kan ik nog zeggen? Doe nu wat jou goeddunkt.”

         Toen stond de eerwaarde Meghiya op, knielde met het hoofd tot op de grond voor de Verhevene neer en ging, met de rechter kant naar hem toegekeerd, naar dat mango-bosje. Daar ging hij aan de voet van een boom zitten om er de rest van de namiddag door te brengen.

         Terwijl nu de eerwaarde Meghiya in dat mango-bosje verbleef, verschenen vaak in hem drie slechte, onheilzame soorten van gedachten: gedachten van zinnelijkheid, gedachten van kwaadwil, en gedachten van gewelddadigheid. De eerwaarde Meghiya overwoog toen dat het inderdaad vreemd en opmerkelijk was dat hij, hoewel hij uit vertrouwen uit het huis in de huisloosheid was vertrokken, toch overweldigd was door die drie soorten van onheilzame gedachten.[13] 

          Toen stond de eerwaarde Meghiya in de late namiddag op uit die afzondering, ging naar de Verhevene, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde zitten en vertelde dat hij in dat mango-bosje overweldigd was door die drie soorten van onheilzame gedachten.

          [De Verhevene gaf ten antwoord:]

          “Meghiya, wanneer de bevrijding van de geest nog niet rijp is, leiden vijf dingen tot de rijpheid ervan, namelijk:

Een bhikkhu heeft edele vrienden, edele metgezellen. - Dat is het eerste ding dat leidt naar de rijpheid van de geest.

Een bhikkhu is deugdzaam, hij leeft beveiligd door de Patimokkha,[14] hij is begiftigd met goed gedrag en juist verblijf. Hij ziet gevaar in de geringste fouten, hij oefent zich in de regels van oefening die hij heeft  aangenomen. - Dat is het tweede ding dat leidt naar de rijpheid van de geest.

Een bhikkhu krijgt naar wens, zonder problemen of moeite, gesprekken die naar uitwissing leiden, die een hulp zijn bij het openen van de geest, en die leiden naar het volledige zich afwenden, naar onthechting, beëindiging, vrede, directe kennis, Verlichting en Nibbana, - namelijk gesprekken over het hebben van weinig wensen, over tevredenheid, over afzondering, gesprekken over alleen leven, over het aanwenden van energie, gesprekken over deugdzaamheid, over concentratie, over wijsheid, gesprekken over bevrijding en over de kennis en het inzicht van bevrijding. - Dat is het derde ding dat leidt naar de rijpheid van de geest.

Een bhikkhu leeft met energie om onheilzame staten van de geest te verwijderen en om heilzame staten van de geest te verkrijgen; hij is krachtig, energiek en volhardend wat betreft heilzame staten. - Dat is het vierde ding dat leidt naar de rijpheid van de geest.

Verder is een bhikkhu wijs, begiftigd met het doordringende begrijpen van ontstaan en vergaan welk begrijpen leidt naar het volledige einde van lijden.[15] - Dat is het vijfde ding dat leidt naar de rijpheid van de geest.

          Meghiya, wanneer de bevrijding van de geest bij iemand nog niet rijp is, is te verwachten dat deze vijf dingen leiden naar de rijpheid ervan en naar vernietiging van lijden.

         Het is te verwachten van een bhikkhu die goede vrienden, goede metgezellen heeft, dat hij deugdzaam zal zijn, dat hij beveiligd leeft door de Patimokkha, dat hij begiftigd is met goed gedrag en juist verblijf, en dat hij, gevaar ziende in de geringste fouten, zich oefent in de regels van oefening die hij heeft  aangenomen.

          Het is te verwachten van een bhikkhu die goede vrienden, goede metgezellen heeft, dat hij naar wens, zonder problemen of moeite, gesprekken krijgt die naar uitwissing leiden, die een hulp zijn bij het openen van de geest, en die leiden naar het volledige zich afwenden, naar onthechting, beëindiging, vrede, directe kennis, Verlichting en Nibbana, - namelijk gesprekken over het hebben van weinig wensen, over tevredenheid, over afzondering, gesprekken over alleen leven, over het aanwenden van energie, gesprekken over deugdzaamheid, over concentratie, over wijsheid, gesprekken over bevrijding en over de kennis en het inzicht van bevrijding. 

          Het is te verwachten van een bhikkhu die goede vrienden, goede metgezellen heeft, dat hij leeft met energie om onheilzame staten van de geest te verwijderen en om heilzame staten van de geest te verkrijgen; dat hij krachtig is, energiek en volhardend wat betreft heilzame staten.

          Het is te verwachten van een bhikkhu die goede vrienden, goede metgezellen heeft, dat hij wijs is, begiftigd met het doordringende begrijpen van ontstaan en vergaan welk begrijpen leidt naar het volledige einde van lijden.

             Meghiya, een bhikkhu die in deze vijf dingen gevestigd is, moet ook nog vier andere dingen ontwikkelen: contemplatie over de onreinheid (van het lichaam)[16] moet ontplooid worden om lust te overwinnen; liefdevolle vriendelijkheid[17] moet ontplooid worden om kwaadwil te overwinnen; oplettendheid bij het ademhalen moet ontplooid worden om het discursieve denken tot stilstand te brengen; de waarneming van onbestendigheid, vergankelijkheid moet ontplooid worden om de eigendunk ‘ik ben’ te verwijderen. Want Meghiya, wanneer iemand het vergankelijke waarneemt, wordt in hem de waarneming van niet-zelf, van de ikloosheid gevestigd. Wanneer hij niet-zelf waarneemt, bereikt hij het uitroeien van de eigendunk ‘ik ben’[18] en hij bereikt Nibbana hier al in dit leven.[19]

(Deze toespraak staat met verzen ook in Udāna IV.1.)

A.IX.4. De zegeningen van de leertoespraak

        Eens verbleef de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. De eerwaarde Nandaka onderwees toen juist in de ontvangsthal de monniken met een leergesprek, vermaande hen, bemoedigde hen en spoorde hen aan.

        Toen nu de Verhevene 's avonds zich uit de afzondering verheven had, begaf hij zich naar de ontvangsthal. Daar bleef hij aan de deuringang staan om het einde van de leerrede af te wachten. Toen hij merkte dat de leerrede ten einde was, schraapte hij zijn keel en klopte aan de deur. De monniken openden de deur voor de Verhevene waarna hij de hal binnenging en op de hem aangeboden zitplaats ging zitten. Toen sprak hij tot de eerwaarde Nandaka als volgt:

        "Nandaka, lang was de leerrede die jou voor de monniken was ingevallen.[20] Ja, mijn rug deed pijn toen ik daar bij de deuringang stond en het einde van je toespraak afwachtte."

        Na deze woorden sprak de eerwaarde Nandaka met verlegen gelaatsuitdrukking tot de Verhevene:

        "Heer, ik wist niet dat de Verhevene aan de deuringang stond; want als ik het had geweten dan was bij mij zeker niet de gedachte opgekomen om zo'n lange leerrede te houden."

        De Verhevene zag de verlegen gelaatsuitdrukking van de eerwaarde Nandaka en zei tot hem:

        "Goed zo, Nandaka, goed zo. Het betaamt jullie goed, jullie edele volgelingen die vol vertrouwen van thuis in de huisloosheid vertrokken zijn, dat jullie samen zitten om over de leer te spreken. Want Nandaka, wanneer jullie samenkomen dan betaamt jullie twee dingen: of een gesprek over de leer of heilig zwijgen.

        Nandaka, wanneer de monnik vol vertrouwen is maar zonder deugdzaamheid, dan is hij juist in dit opzicht nog onvolkomen. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen ook deugdzaamheid bezitten.'

        Wanneer hij echter naast het vertrouwen ook nog deugdzaamheid bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.        

        Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam, maar niet in het bezit is van de innerlijke kalmte van geest, dan is hij in dat opzicht nog onvolmaakt. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezitten.'

        Wanneer hij echter naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.

        Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam en in het bezit is van innerlijke kalmte van geest, maar niet in het bezit is van het hogere inzicht, dan is hij juist in dat opzicht onvolmaakt.[21]

        Nandaka, wanneer een viervoetig dier een mismaakte voet heeft, dan is het juist met betrekking tot die voet onvolmaakt. Evenzo ook, Nandaka, is de monnik die wel vertrouwen, deugdzaamheid en innerlijke kalmte van geest heeft, maar niet het hogere inzicht bezit, onvolmaakt juist in deze eigenschap. Die eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen, de deugdzaamheid en de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezitten.'

        Nandaka, wanneer echter de monnik naast het vertrouwen, de deugdzaamheid, de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezit, dan is hij in dit opzicht volmaakt."

        Zo sprak de Verhevene. Na deze woorden verhief hij zich van zijn zitplaats en ging naar zijn cel. Kort daarna wendde de eerwaarde Nandaka zich tot de monniken en zei:

        "Broeders, de Verhevene heeft zojuist in vier zinnen het heel volmaakte, zuivere heilige leven uitgelegd, waarna hij opstond en naar zijn cel ging."

[Dan herhaalt Nandaka de bovenvermelde uitleg van de Boeddha, en gaat verder met:]

        "Broeders, vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt. Die vijf zegeningen zijn:

        Broeders, de monnik toont de monniken de leer die in het begin mooi is, in het midden mooi en aan het einde mooi. Hij verkondigt het heilige leven naar de zin en naar de letterlijke inhoud. Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan is hem de Meester lief en dierbaar; de Meester wordt door hem geacht en geëerd. - Broeders, dit is de eerste zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan voelt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer. - Broeders, dit is de tweede zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan doordringt hij wijs de diepzinnige punten in deze leer en hij ziet ze in. - Broeders, dit is de derde zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan wordt hij door zijn medebroeders in de Orde des te hoger gewaardeerd, denkende: 'Beslist heeft deze eerwaarde het doel bereikt of zal het bereiken.' - Broeders, dat is de vierde zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan zullen diegenen onder de monniken die nog in opleiding zijn, die de bevrijding nog niet hebben bereikt en die naar de onvergelijkbare veiligheid streven, na het vernemen van die leer hun wilskracht inspannen om het nog niet bereikte te bereiken, om het nog niet verworvene te verwerven, om het nog niet verwerkelijkte te verwerkelijken. Degenen echter onder de monniken die reeds heiligen zijn, vrij van  neigingen, die het heilige leven hebben voltooid, die hun taak hebben volbracht, die de last hebben afgeworpen en hun eigen heil hebben bereikt, die van de boeien van het bestaan bevrijd zijn en in het hoogste weten bevrijd zijn, zij wijden zich na het vernemen van deze leer helemaal aan hun huidig geluk. - Broeders, dit is de vijfde zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.

        Broeders, deze vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt."

A.IX.5. Bevrijd van vijfvoudige angst; vier krachten

        Er zijn vier krachten, en wel:

de kracht van wijsheid,

de kracht van willen,

de kracht van onberispelijkheid, en

de kracht van gunsten.

        De kracht van wijsheid bestaat hierin: Alle heilzame, als heilzaam geldende dingen, en alle onheilzame, als onheilzaam geldende dingen; alle te berispen, als te berispen geldende dingen, en alle onberispelijke, als onberispelijk geldende dingen; alle heldere, als helder geldende dingen, en alle donkere, als donker geldende dingen; alle dingen die het navolgen waard zijn, en alle dingen die waard zijn vermeden te worden; alle dingen die schadelijk zijn voor de heiligheid, en alle dingen die bevorderlijk zijn voor de heiligheid, - als men al die dingen met wijsheid goed heeft ingezien en goed heeft overwogen, dat noemt men de kracht van wijsheid.

        De kracht van willen bestaat hierin: Wanneer men zijn wil opwekt, zich vermant, zijn energie inzet, zijn geest inspant en strijdt om alle onheilzame dingen te overwinnen, om de te berispen, donkere, te vermijden, voor de heiligheid nadelige dingen te overwinnen; en wanneer men zijn wil opwekt, zich vermant, zijn energie inzet en strijdt om alle heilzame dingen te verkrijgen, om de onberispelijke, heldere, na te volgen, voor de heiligheid bevorderlijke dingen te verkrijgen, - dat noemt men de kracht van willen.

        De kracht van onberispelijkheid bestaat hierin: de edele volgeling is onberispelijk in daden, woorden en gedachten. - Dat is de kracht van onberispelijkheid.

        De kracht van gunsten bestaat hierin: Er zijn vier soorten van gunsten:[22] geven, vriendelijke woorden, hulpvaardig gedrag en blijk geven van gelijkheid.

        Het beste van geven is de gave van de leer.

        Het beste van vriendelijke woorden is het iemand die ernaar verlangt en ernaar luistert steeds weer de leer te onderwijzen.

        Het beste hulpvaardig gedrag is degene zonder vertrouwen aan te moedigen tot het verkrijgen van vertrouwen en hem daarin te sterken en te vestigen; de zedeloze aan te moedigen tot het verkrijgen van deugdzaamheid en hem daarin te sterken en te vestigen; de gierigaard aan te moedigen tot het verkrijgen van vrijgevigheid en hem daarin te sterken en te vestigen; degene zonder inzicht aan te moedigen tot het verkrijgen van wijsheid en hem daarin te sterken en te vestigen.

        Het beste blijk geven van gelijkheid is zich als een in de stroom getredene gelijk te noemen aan een [andere] in de stroom getredene, zich als eenmaal wederkerende gelijk te noemen aan een [andere] eenmaal wederkerende, zich als niet meer wederkerende gelijk te noemen aan een [andere] niet meer wederkerende, zich als heilige gelijk te noemen aan een [andere] heilige.

        Dit is de kracht van gunsten.

        Die vier krachten zijn er.

        

        De met deze vier krachten voorziene edele discipel heeft vijf soorten van angst overwonnen: angst wegens levensonderhoud, angst voor een slechte naam, angst voor mensen, angst voor de dood en angst voor een smartelijke wedergeboorte.

        Die edele discipel denkt bij zich: "Ik heb geen angst wegens mijn levensonderhoud. Waarom zou ik bang daarvoor zijn? Ik heb immers de vier krachten: de kracht van wijsheid, de kracht van willen, de kracht van onberispelijkheid en de kracht van gunsten. De onwijze kan bang zijn wegens zijn levensonderhoud, de trage, iemand die berispelijke daden verricht in daden, woorden en gedachten. Of iemand die nooit een gunst bewees kan wegens zijn levensonderhoud bang zijn.

        Ik heb geen angst voor een slechte naam – geen angst voor mensen – geen angst voor de dood – geen angst voor een smartelijke wedergeboorte.

        Waarom zou ik bang daarvoor zijn? Ik heb immers de vier krachten: de kracht van wijsheid, de kracht van willen, de kracht van onberispelijkheid en de kracht van gunsten. De onwijze kan bang zijn wegens zijn levensonderhoud, de trage, iemand die berispelijke daden verricht in daden, woorden en gedachten. Of iemand die nooit een gunst bewees kan wegens zijn levensonderhoud bang zijn."

        Wanneer de edele volgeling met die vier krachten is voorzien, dan heeft hij die vijf soorten van angst overwonnen.

A.IX.7. Onmogelijkheden voor een heilige I

Negen praktijken waar een Arahant geen behagen in schept: 1) Hij doodt niet met opzet een wezen. 2) Hij neemt niet, met de bedoeling te stelen, wat niet is gegeven. 3) Hij heeft geen seksuele omgang. 4) Hij zegt niet bewust wat niet waar is. 5) Hij schept geen behagen in de geneugten van de zintuigen. 6-9) Hij is niet vooringenomen door discriminatie, door illusie of door angst.

A.IX.8. Onmogelijkheden voor een heilige II

De Verhevene sprak tot de zwervende asceet Sajjha: “De monnik die een heilige is, in wie de neigingen zijn uitgedoofd, een volmaakte, iemand die zijn taak heeft volbracht, die de last heeft afgelegd, die zijn eigen heil verwerkelijkt heeft, die van alle boeien van het bestaan ontledigd en op de juiste manier bevrijd is, een dergelijk iemand is niet meer in staat tot het verrichten van negen dingen:

1) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om bewust een wezen van het leven te beroven.

2) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om iets dat hem niet is gegeven, zich toe te eigenen met de bedoeling te stelen.

3) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om seksuele handelingen te verrichten.

4) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om bewust de onwaarheid te spreken.

5) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om van opgeslagen goederen te genieten zoals vroeger toen hij nog in een huis woonde.

6) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om van de Verlichte af te vallen.

7) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om van de Leer af te vallen.

8) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om van de gemeenschap van de monniken af te vallen.

9) De van neigingen vrije monnik is niet in staat om van de training af te vallen.

A.IX.9. Negen soorten mensen

Monniken, negen mensen zijn in de wereld te vinden. Welke negen?

De heilige en degene die op weg is om het doel van heiligheid te verwerkelijken;

de niet meer wederkerende en degene die op weg is om het doel van niet meer wederkeer te verwerkelijken;

de eenmalige wederkerende en degene die op weg is om het doel van de eenmaal wederkeer te verwerkelijken;

de in de stroom getredene en degene die op weg is om het doel van stroomintrede te verwerkelijken;

en verder de wereldling (puthujjana).[23]

A.IX.10. Negen waardige mensen; nibbana

Monniken, negen mensen zijn offergaven waard,  een gastgeschenk waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. Welke zijn deze negen?

De heilige en degene die op weg is om het doel van heiligheid te verwerkelijken;

de niet meer wederkerende en degene die op weg is om het doel van niet meer wederkeer te verwerkelijken;

de eenmalige wederkerende en degene die op weg is om het doel van de eenmaal wederkeer te verwerkelijken;

de in de stroom getredene en degene die op weg is om het doel van stroomintrede te verwerkelijken;

alsmede de 'rijp gewordene' (gotrabhū).[24] 

Hoofdstuk 2: sīhanāda-vagga

A.IX.11. Sāriputtas gebrul van de leeuw

        Te Sāvatthī in het Jetavana-klooster zei de eerwaarde Sāriputta aan de Verhevene dat hij de regentijd te Sāvatthī beëindigd had en dat hij graag op rondreis door het land wilde gaan.

“Goed, Sāriputta, zoals het je goeddunkt.

En de eerwaarde Sariputta stond op van zijn zitplaats, groette de Verhevene eerbiedig en vertrok, met de rechter kant naar hem toegewend. Maar nauwelijks was hij vertrokken toen een van de monniken tegen de Verhevene zei: "Heer, de geachte Sāriputta heeft mij geduwd en, zonder zich te verontschuldigen, is hij op rondreis gegaan."[25]

De Verhevene liet toen Sāriputta ontbieden.[26] 

Toen gingen de eerwaarde Mahā-Moggallāna en de eerwaarde Ananda, de sleutels met zich meenemende, van cel naar cel met het verzoek: "Kom, geachte, kom. Nu zal de eerwaarde Sāriputta in aanwezigheid van de Verhevene het gebrul van de leeuw laten weerklinken."

En de eerwaarde Sariputta ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Toen hij was gaan zitten, zei de Verhevene tot hem dat een van zijn medemonniken een klacht had ingediend en had beweerd dat de vereerde Sāriputta hem had geduwd en zonder zich te verontschuldigen, vertrokken was.

"Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen. Heer, of men nu iets reins of onreins op de aarde gooit, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed op de aarde gooit, de aarde wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op de aarde lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of men nu iets reins of onreins in het water wast, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed in het water wast, het water wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op het water lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of men nu iets reins of onreins in het vuur verbrandt, of men iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed in het vuur verbrandt, het vuur wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op het vuur lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of de wind nu over iets reins of onreins waait, of de wind over iets dat bevlekt is met uitwerpselen, urine, speeksel, pus of bloed waait, de wind wordt daardoor niet ontstemd, boos of verontwaardigd. Heer, evenzo verblijf ik met een gemoed dat op de wind lijkt, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, net zoals wanneer een jongetje of meisje van de verschoppelingen, met een mand in zijn hand, in gescheurde kleding, een dorp of een stad binnenkomt, het er met een deemoedige gezindheid binnenkomt; Heer, evenzo verblijf ik als het ware met een gemoed van een jonge verschoppeling, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

 Heer, of net zoals wanneer een makke, goed getemde stier met gekorte horens, terwijl hij van straat naar straat, van plein naar plein loopt, noch met zijn poten noch met de horens iemand verwondt, Heer, evenzo verblijf ik als het ware met het gemoed van een dergelijke stier, met een uitgestrekt, verheven, onbeperkt gemoed, vrij van haat en kwaadwil.

Heer, of net zoals wanneer men een kadaver van een slang, hond of mens zou willen hangen aan de nek van een vrouw of een man, jong, jeugdig, sieraden minnend, met  gewassen hoofd, zij ontzetting, walging en afschuw zouden voelen, evenzo ondervind ik ontzetting, walging en afschuw voor dit bedorven lichaam. Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen.

Heer, of juist zoals wanneer een man een pot die gevuld is met vet en die uit veel gaten lekt en druipt, met zich mee zou dragen, Heer evenzo draag ik dit lichaam dat uit vele gaten lekt en druipt met mij mee. Heer, bij wie er bij het lichaam niet de beschouwing over het lichaam tegenwoordig is, een dergelijk iemand zou natuurlijk in staat zijn om een ​​van zijn broeders in de Orde te duwen en om op pad te gaan zonder zich te verontschuldigen.”

Toen stond die monnik op van zijn zitplaats, ordende het gewaad over een schouder, viel aan de voeten van de Verhevene met gebogen hoofd en zei: “Heer, een schuld heeft mij aangegrepen in mijn dwaasheid, mijn dwaling, mijn slechtheid, doordat ik de eerwaarde Sāriputta op een valse, ijdele, leugenachtige, onware manier beschuldigde. Heer, moge de Verhevene de bekentenis van mijn schuld aanvaarden, opdat ik mij in de toekomst ervoor moge hoeden."

“Waarlijk, monnik, een schuld heeft je aangegrepen in je dwaasheid, je dwaling, je slechtheid, dat je de eerwaarde Sāriputta op valse, ijdele,leugenachtige, onware manier hebt beschuldigd. Maar monnik, in zoverre jij jouw schuld als schuld inziet en overeenkomstig de regels boete doet, zo zal ik jouw bekentenis aannemen. Want het geldt in de discipline van de edelen  als vooruitgang wanneer men zijn schuld als schuld bekent, overeenkomstig de regels boete doet en in de toekomst ervoor op zijn hoede is.”

Daarop wendde de Verhevene zich tot de eerwaarde Sāriputta en zei: "Sāriputta, vergeef deze dwaas, voordat zijn hoofd ter plekke in zeven stukken barst." - "Heer, ik ben bereid de geachte te vergeven, als hij tegen mij zegt: 'Moge de geachte mij vergeven.'"

A.IX.12. Ontkomen aan de lagere sferen van bestaan

Eens verbleef de Verhevene in het Jetavana bij Sāvatthī, in het klooster van Anāthapindika. En de eerwaarde Sāriputta kleedde zich 's morgens aan, nam buitengewaad en nap en ging naar Sāvatthī voor aalmoezen-eten. En hij dacht: “Het is nog te vroeg om in Sāvatthi rond te gaan voor aalmoezen-voedsel. Dus zal ik het klooster van de andersdenkende dolende asceten bezoeken." En de eerwaarde Sāriputta ging naar het klooster van de andersdenkende dolende asceten. Daar aangekomen wisselde hij vriendelijke groeten uit met die andersdenkende dolende asceten, en na hoffelijke, beleefde woorden te hebben uitgewisseld, ging hij terzijde zitten. Bij die gelegenheid echter kwam onder de andersdenkende dolende asceten, terwijl ze daar samen zaten, het gesprek erover dat niemand die sterft met nog een rest van hechten[27], bevrijd is van de hel, van de dierenschoot en van het geestenrijk en dat niemand die zo sterft ontsnapt is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

De eerwaarde Sāriputta evenwel keurde de woorden van die andersdenkende dolende asceten niet goed noch keurde hij ze af. Zonder goedkeuring of afkeuring te tonen stond hij op van zijn zitplaats en ging weg, denkend: "Van de Verhevene zal ik wel de stand van zaken van deze woorden ervaren." Nadat nu de eerwaarde Sāriputta van zijn aalmoezenrondgang was teruggekeerd, ging hij in de namiddag, na beëindiging van de maaltijd, naar de Verhevene en deelde hem de zaak mee.

(De Verhevene :) "Onervaren dwazen, Sāriputta, zijn die andersdenkende dolende asceten. En die zouden onderkennen wie er nog een rest van hechten heeft en wie  van die rest van hechten bevrijd is?

Negen mensen die nog een rest van hechten hebben, Sāriputta, zijn bij hun dood bevrijd van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en zijn ontkomen aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan. Welke zijn deze negen mensen?

        Sāriputta, iemand is volmaakt in de deugdzaamheid, volmaakt in de concentratie van de geest, maar slechts matig ontwikkeld in wijsheid. Na het verdwijnen van de vijf lagere boeien wordt hij een 'op halve route uitdovende'. Dat, Sāriputta, is de eerste persoon die nog een rest van hechten bezit, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van  bestaan.

Verder, Sāriputta, iemand is volmaakt in deugdzaamheid, volmaakt in de concentratie van de geest, maar slechts matig ontwikkeld in wijsheid. Na het verdwijnen van de vijf lagere boeien wordt hij een 'na halve route uitdovende' - een 'moeiteloos uitdovende' - een 'met moeite uitdovende' - een 'stroomopwaarts naar de Zuivere goden gaande'.[28] Dat, Sāriputta, is de tweede, derde, vierde en vijfde persoon die nog een rest van hechten heeft, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Verder, Sāriputta, iemand is volmaakt in deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in concentratie van de geest en in wijsheid. Na het verdwijnen van drie boeien en het afnemen van hebzucht, haat en begoocheling keert hij nog één keer terug; en nog één keer in deze wereld terugkerend, maakt hij aan het lijden een einde.[29] Dat, Sāriputta, is de zesde persoon die nog een rest van hechten heeft, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Verder, Sāriputta, iemand is volmaakt in deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in de concentratie van de geest en in wijsheid. Na het verdwijnen van drie boeien wordt hij een 'nog eenmaal ontluikende' en maakt hij, slechts nog eenmaal in menselijk bestaan wedergeboren, een einde aan het lijden. Dat, Sāriputta, is de zevende persoon die nog een rest van hechten heeft, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Verder, Sāriputta, iemand is volmaakt in deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in concentratie van de geest en in wijsheid. Na het verdwijnen van drie boeien wordt hij 'iemand die van geslacht tot geslacht gaat': nog twee of drie keer wordt hij wedergeboren bij edele families, en daarna maakt hij aan het lijden een einde. Dat, Sāriputta, is de achtste persoon die nog een rest van hechten heeft, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Verder, Sāriputta, iemand is volmaakt in deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in concentratie van de geest en in wijsheid. Na het verdwijnen van drie boeien wordt hij ‘iemand die hoogstens nog zeven keer wedergeboren wordt.’ Nog maximaal zeven keer wordt hij wedergeboren onder goden en mensen, en daarna maakt hij aan het lijden een einde.[30] Dat, Sāriputta, is de negende persoon die nog een rest van hechten heeft, die bij zijn dood bevrijd is van de hel, de dierenschoot en het geestenrijk en die ontkomen is aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Onervaren dwazen, Sāriputta, zijn die andersdenkende dolende asceten. En die zouden onderkennen wie er nog een rest van hechten heeft en wie van die rest van hechten bevrijd is?

Deze negen personen die nog een rest van hechten hebben, zijn bij hun dood bevrijd van de hel, van de dierenschoot en van het rijk der geesten, en zij zijn ontkomen aan de lagere werelden, het pad van lijden en de afgronden van bestaan.

Sāriputta, deze uiteenzetting van de leer heb ik nog niet aan de monniken en nonnen, aan de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen gegeven. En waarom niet? Opdat zij na het luisteren naar deze uiteenzetting van de leer niet tot nalatigheid vervallen. Alleen als antwoord op jouw vraag, Sāriputta, heb ik deze uiteenzetting van de leer gegeven.

A.IX.13. Het doel van het heilige leven

De eerwaarde Mahā-Kotthita vroeg eens aan de eerwaarde Sāriputta om welke redenen men onder de Verhevene het heilige leven leidt. “Is het opdat iemands daad[31] die tijdens het leven actief is, een daad wordt die in de toekomst zal werken? Of soms opdat de daad die in de toekomst van kracht wordt, een daad wordt die nog tijdens het leven werkt? Of soms opdat iemands daad die vreugde voortbrengt een daad wordt die lijden veroorzaakt? Of soms opdat iemands daad die lijden voortbrengt een daad wordt die vreugde veroorzaakt? Of soms opdat iemands daad die geen uitwerking meer heeft, een daad wordt die wel nog uitwerking heeft?” [En hij stelde nog meer vragen over kamma, wilsacties].

 En op elke vraag antwoordde de eerwaarde Sariputta ontkennend.

De eerwaarde Mahā-Kotthita zei toen dat Sariputta steeds zei: ‘Dat niet, broeder.’ “Maar tot welk doel dan leidt men onder de Verhevene het heilige leven?”

"Om het niet-herkende, ongeziene, onbereikte, niet-verwerkelijkte, ondoordrongene te herkennen, te zien, te bereiken, te verwerkelijken en te doordringen: daarom, broeder, leidt men onder de Verhevene het heilige leven."

"Maar wat, broeder Sāriputta, is het niet-herkende, ongeziene, onbereikte, niet-verwerkelijkte, ondoordrongene, om dat te herkennen, te zien, te bereiken, te verwerkelijken en te doordringen men onder de Verhevene het heilige leven leidt?"

" 'Dit is het lijden' - 'Dit is het ontstaan van het lijden' - 'Dit is de opheffing van het lijden' - 'Dit is het pad dat leidt naar de opheffing van het lijden' - dit is het niet-herkende, het ongeziene, het onbereikte, het onverwerkelijkte en  ondoordrongene, om dat te herkennen, te zien, te bereiken, te verwerkelijken en te doordringen leidt men onder de Verhevene het heilige leven."

A.IX.14. het wezenlijke van gedachten-overwegingen

        De eerwaarde Sāriputta sprak tot de eerwaarde Samiddhi[32]:

"Samiddhi, wat is de basis[33] van het in de mens opkomende denken en streven?"[34]

"Eerwaarde, het geestelijke en het lichamelijke."[35]

"Maar waarin hebben zij hun veelvuldigheid?"

"Eerwaarde, in de zintuiglijke elementen."[36] 

"En waardoor ontstaan zij?"

"Eerwaarde, door de zintuiglijke indruk (phassa)."[37] 

"En wat houdt ze samen?"

"Eerwaarde, het gevoel."[38]

"Waarin ligt de leider ervan?"

"Eerwaarde, in de concentratie van de geest."[39]

"En door wie worden zij beheerst?"

"Eerwaarde, door de oplettendheid."

"En wat is het hoogste ervan?"

"Eerwaarde, de wijsheid."[40] 

"En wat is de ware bedoeling ervan?"[41]

"Eerwaarde, de bevrijding."

"En waarin monden zij uit?"

"Eerwaarde, in het doodloze."[42]

"Voortreffelijk, Samiddhi, voortreffelijk. Je hebt mijn vragen goed beantwoord. Moge bij jou daarom geen eigenwaan ontstaan."[43] 

A.IX.15. Het ettergezwel (walgelijkheid van het lichaam)

        Monniken, stel dat er een ettergezwel is dat vele jaren oud is; dat gezwel heeft negen wondopeningen die vanzelf ontstaan zijn. Wat er nu uitstroomt en eruit druipt, dat alles is onzuiver, walgelijk, en ruikt slecht.

        Maar monniken, als een ettergezwel noemt men dit lichaam dat uit de vier grondstoffen is samengesteld, door vader en moeder verwekt, dat met rijst en grutten gevoed wordt, dat onderhevig is aan vergankelijkheid, dat gezalfd en gemasseerd moet worden, en dat aan ontbinding en verval onderhevig is.

        Dit lichaam heeft negen natuurlijke openingen. En wat er uitstroomt en eruit druipt, dat alles is onzuiver, walgelijk en ruikt slecht. Daarom, monniken, wendt jullie af van dit lichaam.

A.IX.16. Negen contemplaties

Zie A.VII.45.

A.IX.17. Te vermijden gezinnen

Monniken, naar een gezin waarbij negen eigenschappen te vinden zijn, moet men niet heengaan als men ze nog niet heeft bezocht. Als men er al is heengegaan, dan moet men daar niet gaan zitten. Wat nu zijn deze negen eigenschappen?

Men staat niet op beleefde manier op,

men groet niet op beleefde manier,

men biedt niet op beleefde manier een zitplaats aan;

men verbergt wat men heeft;

hoewel er veel is, geeft men weinig;

hoewel er iets goeds is, geeft men iets slechts;

men geeft zonder eerbied, niet met respect;

men gaat niet zitten om naar de leer te luisteren;

men luistert niet goed naar wat er gesproken wordt.[44]

Maar monniken, naar een familie waarbij de volgende negen eigenschappen te vinden zijn, kan men heengaan als men ze nog niet heeft bezocht. Als men er al is heengegaan, dan mag men daar gaan zitten. Wat nu zijn deze negen eigenschappen?

Men staat op beleefde manier op,

men groet op beleefde manier,

men biedt op beleefde manier een zitplaats aan;

men verbergt niet wat men heeft;

als er veel is, geeft men veel;

als er iets goeds is, geeft men iets goeds;

men geeft vol eerbied, met respect;

men gaat zitten om naar de leer te luisteren;

men luistert goed naar wat er gesproken wordt.

A.IX.18. De zegen van de vastendag

Zoals A.VIII.44, deel 1, met toevoeging van de volgende negende eigenschap:

De edele discipel doordringt met een van liefdevolle vriendelijkheid gevulde geest de ene hemelrichting, evenzo de tweede, de derde en de vierde; zo doordringt hij boven, beneden, kruiselings, in het midden, overal, in alles zichzelf herkennend, de hele wereld met een geest gevuld met liefdevolle vriendelijkheid, een uitgestrekte, alomvattende, onmetelijke, bevrijd van haat en kwaadwil. Met deze negende schakel is hij voorzien.

Op deze manier nagevolgd, monniken, brengt de vastendag van de negen vaste voornemens hoog loon, grote zegen, is machtig in waardigheid en grootheid.

A.IX.19. De berouwvolle godheden

Monniken, vannacht kwamen op een laat uur talrijke godheden naar mij toe. Zij verlichtten heel Jetavana met hun heerlijke pracht, begroetten mij eerbiedig en stonden terzijde. Terzijde staande nu zeiden die godheden tegen mij:

"Heer, vroeger, toen wij nog mensen waren, kwamen asceten naar onze huizen. Eerwaarde, we bedienden hen weliswaar, maar we groetten hen niet met eerbied. Op een dergelijke manier onvolmaakt in daden, vol berouw en wroeging, zijn wij nu in de lagere hemelse wereld wederverschenen.

Andere talrijke godheden kwamen naar mij toe en zeiden: “Eerwaarde, vroeger, toen wij nog mensen waren, kwamen asceten naar onze huizen. We bedienden hen weliswaar en begroetten hen eerbiedig, maar wij boden hun geen zitplaatsen aan." - Weer anderen kwamen en zeiden: "Wij boden de asceten wel zitplaatsen aan, maar wij deelden aan hen niet naar kracht en mogelijkheid gaven uit."- Weer anderen zeiden: "Wij deelden wel aan de asceten naar kracht en mogelijkheid gaven uit , maar we gingen niet bij hen zitten om naar de leer te luisteren." - Weer anderen zeiden: "Wij gingen wel bij de asceten zitten om naar de leer te luisteren, maar we luisterden er niet met volle aandacht naar" - Weer anderen zeiden: "Wij luisterden wel met volle aandacht naar de leer, maar we bewaarden de vernomen leringen niet in het geheugen.” - Weer anderen zeiden: “Wij bewaarden de vernomen leer wel in het geheugen, maar wij onderzochten niet de zin ervan.”  - Weer anderen zeiden: “Wij kenden de leer en de zin ervan, maar wij leefden niet in overeenkomst ermee. Op een dergelijke manier onvolmaakt in daden, vol berouw en wroeging, zijn wij nu in de lagere hemelse wereld wederverschenen.

Toen echter kwamen andere talrijke godheden naar mij toe en zeiden: “Eerwaarde, vroeger, toen wij nog mensen waren, kwamen asceten naar onze huizen. We bedienden hen en begroetten hen eerbiedig, wij boden hun zitplaatsen aan en wij deelden aan hen naar kracht en mogelijkheid gaven uit. We gingen bij hen zitten om naar de leer te luisteren; we luisterden er met volle aandacht naar.  We bewaarden de vernomen leringen in het geheugen en wij onderzochten de zin ervan. Wij leefden in overeenkomst ermee. Op een dergelijke manier volmaakt in daden zijn wij nu in de hogere hemelse wereld wederverschenen.”

Monniken, jullie hebben nu plaatsen onder de bomen, jullie hebben lege woningen. Oefent verdieping, monniken, en weest niet nalatig, opdat jullie later geen berouw krijgen zoals die vroegere godheden.

A.IX.20. Het beschouwen van de vergankelijkheid – de hoogste verdienste

        Te Sāvatthī, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot gezinshoofd Anāthapindika.

        "Gezinshoofd, geeft men in jouw huis aalmoezen [aan bedelaars]?"

        "Heer, natuurlijk geeft men in mijn huis aalmoezen, en wel ruwe rode rijst, en als tweede een rijstsoep.

        "Gezinshoofd, of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het zonder eerbied en hoffelijkheid geeft, niet eigenhandig, als hij alleen afval geeft, zonder geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed, waar de uitwerking van die gave ook intreedt, geen vreugde aan voortreffelijke spijzen, aan kostbare kleding en statige wagens, geen vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem niet, luisteren niet naar hem, zorgen niet voor hem. En wel omdat handelingen die zonder eerbied uitgevoerd werden, een dergelijk resultaat hebben.

        Of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het met eerbied en hoffelijkheid geeft, eigenhandig, geen afval, met het geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed, waar de werking van die gave ook intreedt, vreugde aan voortreffelijke spijzen, kostbare kleding, statige wagens, vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem, luisteren naar hem en zijn opmerkzaam. En wel omdat handelingen die met eerbied verricht werden, een dergelijk resultaat hebben.

        Gezinshoofd, eens leefde er een brahmaan met naam Velāma. Hij gaf de volgende gave, een geweldige gave: hij schonk 84000 gouden vaten gevuld met zilver, 84000 zilveren vaten gevuld met goud, 84000 bronzen schotels gevuld met kleinodiën, 84000 met goud versierde olifanten die met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 wagens die met leeuwen-, tijger- en pantervellen en gele woldekens overtrokken waren en met goud versierd, met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 met zijde bedekte en met bronzen melkvaten behangen koeien, 84000 maagden die getooid waren met oorringen met edelstenen bezet, 84000 dekens van witte wol met franjes en met bloemen erin verwerkt, en rustbedden voorzien van mooie antilopenvellen, bovendekens, en met purperen kussens aan beide bed-einden, 84000 koti[45] gewaden uit het fijnste linnen, fijnste zijde, fijnste wol en katoen. Wat moet men dan nog zeggen over het eten en drinken, over de lekkernijen en dranken die er tevens in stromen vloeiden?

        Gezinshoofd, je zult nu wel denken dat de brahmaan Velāma, die toen een dergelijke grote gave schonk, de een of andere vreemdeling is geweest. Maar dat moet je niet denken. Want de brahmaan Velāma, die toen die grote gave schonk, was ik. Maar bij het geven van die gave was er niemand aanwezig die gaven waard was; niemand heiligde die gave.

        Veel verdienstelijker dan die grote gave van de brahmaan Velāma is het, wanneer men voedsel geeft aan iemand die inzicht heeft. [d.w.z. aan een in de stroom getredene].

        Nog veel verdienstelijker echter is het voedsel te geven aan honderd inzicht bezittenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een eenmaal wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd eenmaal wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een niet meer wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd niet meer wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een heilige. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd heiligen. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een Paccekaboeddha. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd Paccekaboeddhas. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de Volmaakte, Heilige, volmaakt Verlichte. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Verlichte. Veel verdienstelijker is het wanneer men voor de gemeenschap van de monniken van alle vier windrichtingen een klooster opricht. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, diens leer en tot de gemeenschap van de monniken. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen de regels van deugdzaamheid op zich neemt: vermijden van doden, van stelen, van seksueel wangedrag, van liegen en van bedwelmende middelen. Veel verdienstelijker echter is het wanneer men, al is het maar voor een handomdraai, een gemoed van liefdevolle vriendelijkheid opwekt. Maar het meest verdienstelijke van dit alles is het wanneer men het beschouwen van de vergankelijkheid oefent, al is het maar voor een ogenblik.

Hoofdstuk 3: sattāvāsa-vagga

A.IX.21. De bewoners van Uttarakuru

Monniken, in drie dingen overtreffen de mensen in Uttarakuru zowel de hemelse wezens van de Drieëndertig als ook de mensen in Jambudīpa (India).[46] In welke drie dingen? Ze zijn onbaatzuchtig[47] en zonder hebzucht, en ze bereiken een bepaalde leeftijd; dit zijn hun bijzondere eigenschappen.

Monniken, in drie dingen overtreffen de hemelse wezens van de Drieëndertig zowel de mensen in Uttarakuru als ook die in India. In welke drie dingen? In hemelse levensduur, hemelse schoonheid en hemels geluk.

Monniken, in drie dingen overtreffen de mensen in Jambudīpa (India) zowel de mensen in Uttarakuru als ook de hemelse wezens van de Drieëndertig. In welke drie dingen? In heldhaftigheid, in opmerkzaamheid[48] en in het navolgen van dit heilige leven[49].

A.IX.22. De negen paarden

(De tekst van deze leerrede komt precies overeen met die van A.III.141-143, waar de drie groepen van paarden en mensen in drie afzonderlijke leerreden behandeld worden. Hier in het boek van negen zijn die drie groepen in één leerrede behandeld.)

Vgl. A.VIII.14

A.IX.23. Dingen die in hevig verlangen wortelen

Monniken, negen dingen die geworteld zijn in hevig verlangen wil ik jullie duidelijk maken.

Op het verlangen volgt het zoeken, op het zoeken volgt het verkrijgen, op het verkrijgen volgt de beslissing[50], op de beslissing volgt de hebzucht[51] , op de hebzucht volgt de egoïstische drang[52], op de zelfzuchtige drang volgt het in bezit nemen, op het in bezit nemen volgt hebzucht, op de hebzucht volgt het bewaken, en bij het bewaken grijpt men naar stok en zwaard; er ontstaat ruzie, onmin, twist, lasteren en leugens, en er verschijnen vele andere slechte, onheilzame dingen.

A.IX.24. De negen vormen van bestaan

Monniken, er zijn negen vormen van bestaan ​​van de wezens[53]. Welke negen?

Monniken, er zijn wezens die verschillend zijn in lichaamsvorm en verschillend in waarneming, zoals de mensen, sommige hemelse wezens en enige wezens van de lagere werelden. Dat is de eerste vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die verschillend zijn in lichaamsvorm, maar hetzelfde in waarneming, zoals de goden van de Brahma-wereld die door de eerste (verdieping) ontstonden. Dat is de tweede vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die hetzelfde zijn in lichaamsvorm maar verschillend in waarneming zoals de Stralende Goden. Dat is de derde vorm van bestaan van de wezens.

Er zijn wezens die hetzelfde zijn in lichaamsvorm en hetzelfde in waarneming zoals de goden van oneindige glans. Dat is de vierde vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die zonder waarneming en gevoel zijn, zoals de onbewuste wezens[54]. Dat is de vijfde vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die door volledige overwinning van de waarnemingen van lichamelijkheid, door het verdwijnen van de terugwerk-waarnemingen en het negeren van de veelheidswaarnemingen, met het denkbeeld van de oneindigheid van de ruimte, in het gebied van de ruimte-oneindigheid zijn verschenen. Dat is de zesde vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die door volledige overwinning van het gebied van oneindigheid van de ruimte met het denkbeeld van de oneindigheid van bewustzijn, in het gebied van oneindigheid van bewustzijn zijn verschenen. Dat is de zevende vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die door volledige overwinning van het gebied van oneindigheid van bewustzijn, met het denkbeeld van 'er is niets' in het nietsheid-gebied zijn verschenen Dat is de achtste vorm van bestaan ​​van de wezens.

Er zijn wezens die na volledige overwinning van het nietsheid-gebied in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming zijn ontstaan. Dat is de negende vorm van bestaan ​​van de wezens.

Deze negen vormen van bestaan van de wezens zijn er, monniken.[55]

A.IX.25. Volmaakte ontwikkeling van de geest I

Monniken, wanneer een monnik zijn geest in wijsheid volledig heeft ontwikkeld, dan kan hij terecht van zichzelf zeggen: "De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, wat gedaan moest worden, is gedaan; niets meer hierna.” Maar monniken, hoe heeft een monnik zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld?

Wanneer hij beseft: "Mijn geest is vrij van hebzucht", dan heeft hij op deze manier zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld. Als hij beseft: 'Mijn geest is vrij van haat, vrij van begoocheling; niet meer onderworpen aan hebzucht, haat, begoocheling; mijn geest is niet meer in staat om terug te leiden naar het zinnelijke bestaan, om terug te leiden naar het fijnstoffelijke of onstoffelijke bestaan”, dan heeft hij op deze manier zijn geest in wijsheid volledig ontwikkeld.

A.IX.26. Volmaakte ontwikkeling van de geest II

Zo heb ik gehoord. Eens verbleven de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Candikaputta in het bamboebosje bij Rājagaha, bij de voederplaats van de eekhoorns. Daar wendde de eerwaarde Candikaputta zich tot de monniken en zei:

"Broeders, Devadatta leert dat een monnik die door oefening van de geest zijn geest heeft ontplooid   met recht van zichzelf kan verklaren: 'De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, wat gedaan moest worden, is gedaan; niets meer hierna.'"

Op deze woorden echter gaf hem de eerwaarde Sāriputta ten antwoord: “Broeder, niet zo legt Devadatta de leer uit aan de monniken, maar hij leert dat een monnik die door zijn oefening van de geest zijn geest volledig heeft ontplooid, van zich met recht kan verklaren: 'De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, wat gedaan moest worden, is gedaan; niets meer hierna.'"

En voor de tweede en derde keer sprak de eerwaarde Candikaputta tegen de monniken als voorheen.

En voor de tweede en derde keer gaf de eerwaarde Sāriputta hem hetzelfde antwoord. En hij voegde toe:

Maar broeder, hoe heeft een monnik zijn geest door oefening van de geest volledig  ontplooid?

Als hij beseft: 'Mijn geest is vrij van hebzucht', dan heeft hij op deze manier zijn geest door oefening van de geest volledig ontplooid.

         Als hij beseft: 'Mijn geest is vrij van haat, vrij van verblinding; niet langer onderworpen aan hebzucht, haat, verblinding; mijn geest is niet meer in staat om naar het zinnelijke bestaan terug te leiden, om naar het fijnstoffelijke of onstoffelijke bestaan terug te leiden​​', dan heeft hij op deze manier zijn geest door oefening van de geest volledig ontplooid.

Broeder, zelfs wanneer bij een monnik wiens geest op een dergelijke manier volledig bevrijd is, zichtbare vormen heel nadrukkelijk in het gezichtsveld komen, hoorbare geluiden heel nadrukkelijk in het gehoorgebied komen, ruikbare geuren heel nadrukkelijk in het ruikgebied komen, proefbare smaken heel nadrukkelijk in het smaakgebied komen, lichamelijke indrukken heel nadrukkelijk in het lichaamsgebied komen, mentaal herkenbare dingen heel nadrukkelijk in de denkkring komen, dan zijn ze niet meer in staat om zijn geest te boeien; zijn geest blijft onaangetast, standvastig, onwankelbaar, en in dit alles ziet hij de vergankelijkheid.

Stel, broeder, er is een stenen zuil van zestien voet hoog, die acht voet diep in de grond rust en acht voet boven de grond uitsteekt. Als er nu vanuit het oosten, westen, noorden of zuiden een zware regen en storm zou komen, dan zou die regen en storm niet in staat zijn om de zuil te doen trillen, te bewegen of tot wankelen te brengen. En waarom niet? Juist vanwege de diepte van de fundering, vanwege de goede ingraving van de stenen zuil.

Evenzo ook, broeder, zelfs wanneer bij een monnik wiens geest op een dergelijke manier volledig bevrijd is, zichtbare vormen heel nadrukkelijk in het gezichtsveld komen, hoorbare geluiden heel nadrukkelijk in het gehoorgebied komen, ruikbare geuren heel nadrukkelijk in het ruikgebied komen, proefbare smaken heel nadrukkelijk in het smaakgebied komen, lichamelijke indrukken heel nadrukkelijk in het lichaamsgebied komen, mentaal herkenbare dingen heel nadrukkelijk in de denkkring komen, dan zijn ze niet meer in staat om zijn geest te boeien; zijn geest blijft onaangetast, standvastig, onwankelbaar, en in dit alles ziet hij de vergankelijkheid."

A.IX.31. Trapsgewijze bevrijding

Monniken, er zijn negen trapsgewijze uitdovingen[56]. Welke negen?

Voor degene die de eerste verdieping is ingetreden, zijn de zintuiglijke waarnemingen uitgedoofd (tijdens de verdiepingen is de werking van de vijf zintuigen uitgeschakeld).

Voor degene die in de tweede verdieping is ingetreden, zijn denken en overwegen uitgedoofd.

Voor degene die in de derde verdieping is ingetreden, is vervoering uitgedoofd.

Voor degene die in de vierde verdieping is ingetreden, is in- en uitademing uitgedoofd.

Voor degene die in het gebied van de oneindigheid van de ruimte is ingetreden, zijn de waarnemingen van lichamelijkheid uitgedoofd.

Voor degene die in het gebied van de oneindigheid van bewustzijn is ingetreden, is het denkbeeld van het gebied van oneindigheid van ruimte uitgedoofd.

Voor degene die in het gebied van nietsheid is ingetreden, is het denkbeeld van het gebied van oneindigheid van bewustzijn uitgedoofd.

Voor degene die in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming is ingetreden, is het denkbeeld van het gebied van nietsheid uitgedoofd.

Voor degene die in de 'uitdoving van waarneming en gevoel' is ingetreden, zijn waarneming en gevoel uitgedoofd.

Monniken, dat zijn de negen trapsgewijze uitdovingen.

Hoofdstuk 4: mahā-vagga

A.IX.32. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden

Er zijn negen trapsgewijze toestanden (anupubba-vihāra), monniken. Welke negen?

Monniken, de monnik verkrijgt, helemaal afgescheiden van de dingen van de zintuigen, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, de eerste verdieping  die met denken en overwegen verbonden is, in de afzondering, vervuld van vervoering en een gevoel van geluk, en hij verblijft erin.

        (Hier volgt de gebruikelijke tekst voor de tweede t/m de vierde fijnstoffelijke verdieping, de vier onstoffelijke verdiepingen, en als negende de uitdoving van waarneming en gevoel. De volledige tekst hiervan is te vinden in de desbetreffende paragrafen van de volgende leerrede.)

A.IX.33. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden

Monniken, negen trapsgewijze meditatieve toestanden (anupubba-vihāra-samāpatti) zal ik jullie tonen. Luistert goed en oplettend naar mijn woorden.

1. Waar de zinnelijke dingen tot uitdoving komen en waar diegenen verblijven die de zinnelijke dingen herhaaldelijk tot uitdoving brengen, in deze toestand waarlijk zijn die eerwaarden in zoverre tot stilstand gekomen, zonder waanidee, ontkomen, aan de andere oever aangekomen, zo zeg ik. Waar evenwel komen de zinnelijke dingen tot uitdoving, en waar verblijven degenen die de zinnelijke dingen herhaaldelijk tot uitdoving brengen? Wie zegt dat hij het niet weet en niet kent, hem moet men als volgt uitleggen:

'Broeder, een monnik verkrijgt, helemaal afgescheiden van de dingen van de zintuigen, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, de eerste verdieping die met denken en overwegen verbonden is, in de afzondering geproduceerd, vervuld met vervoering en een gevoel van geluk, en hij verblijft erin. Hier komen de zinnelijke dingen tot uitdoving, en hier verblijven degenen die de zinnelijke dingen herhaaldelijk tot uitdoving brengen.'

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

2. Waar denken en overwegen tot uitdoving komen en waar diegenen verblijven die denken en overwegen herhaaldelijk tot uitdoving brengen, in deze toestand waarlijk zijn die eerwaarden in zoverre tot stilstand gekomen, zonder waanidee, ontkomen, aan de andere oever aangekomen, zo zeg ik. Waar evenwel komen denken en overwegen tot uitdoving, en waar verblijven degenen die denken en overwegen herhaaldelijk tot uitdoving brengen? Wie zegt dat hij het niet weet en niet kent, hem moet men als volgt uitleggen:

'Na het tot stilstand komen van denken en overwegen verkrijgt een monnik de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, de tweede verdieping die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vervuld van vervoering en geluk, en hij verblijft erin. Hier komen denken en overwegen tot uitdoving en hier verblijven diegenen die denken en overwegen herhaaldelijk tot uitdoving brengen.'

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

3. Waar de vervoering tot uitdoving komt en waar diegenen verblijven die de vervoering herhaaldelijk tot uitdoving brengen, in deze toestand waarlijk zijn die eerwaarden in zoverre tot stilstand gekomen, zonder waanidee, ontkomen, aan de andere oever aangekomen, zo zeg ik. Waar evenwel komt vervoering tot uitdoving, en waar verblijven degenen die de vervoering herhaaldelijk tot uitdoving brengen? Wie zegt dat hij het niet weet en niet kent, hem moet men als volgt uitleggen:

'Na het zich losmaken van de vervoering verblijft hij gelijkmoedig, oplettend, helder bewust, en in zijn binnenste ondervindt hij een gevoel van geluk waarvan de edelen zeggen: ‘De gelijkmoedige, oplettende, verblijft gelukkig.’ Zo verkrijgt hij de derde verdieping. Hier verkrijgt hij de vervoering tot uitdoving en hier verblijven degenen die de vervoering herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied staan.

4. Waar het geluk van gelijkmoedigheid[57] tot uitdoving komt en waar degenen verblijven die het geluk van gelijkmoedigheid  herhaaldelijk tot uitdoving brengen, in deze toestand waarlijk zijn die eerwaarden in zoverre tot stilstand gekomen, zonder waanidee, ontkomen, aan de andere oever aangekomen, zo zeg ik. Waar evenwel komt het geluk van gelijkmoedigheid tot uitdoving, en waar verblijven degenen die het geluk van gelijkmoedigheid herhaaldelijk tot uitdoving brengen? Wie zegt dat hij het niet weet en niet kent, hem moet men als volgt uitleggen:

‘Na het verdwijnen van aangenaam gevoel en pijn en het al eerdere uitdoven van blijmoedigheid en droefgeestigheid verkrijgt hij de vierde verdieping die zonder leed en zonder vreugde is, die bestaat in de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en opmerkzaamheid, en hij verblijft erin. Hier komt het geluk van gelijkmoedigheid tot uitdoving en hier verblijven diegenen die het geluk van gelijkmoedigheid herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

5-9: (begin- en eindgedeelte komen overeen met het bovenstaande.)

5. 'Door volledige overwinning van de lichamelijkheidswaarnemingen, door het afnemen van de terugwerkwaarnemingen en het geen acht slaan op de veelheidswaarnemingen verkrijgt de monnik met het denkbeeld: “Oneindig is de ruimte” het gebied van ruimte-oneindigheid, en hij verblijft erin. Hier komen de lichamelijkheidswaarnemingen tot uitdoving, en hier verblijven diegenen die de lichamelijkheidswaarnemingen herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

6. 'Door volledige overwinning van het gebied van ruimte-oneindigheid, met het denkbeeld “bewustzijn is oneindig” verkrijgt de monnik het gebied van bewustzijn-oneindigheid, en hij verblijft erin. Hier komen de waarnemingen van het gebied van ruimte-oneindigheid tot uitdoving, en hier verblijven diegenen die de waarnemingen van het gebied van ruimte-oneindigheid herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

7. 'Door volledige overwinning van het gebied van bewustzijn-oneindigheid, met het denkbeeld “Er is niets” verkrijgt de monnik het gebied van nietsheid en verblijft erin. Hier komen de waarnemingen van het gebied van bewustzijn-oneindigheid tot uitdoving, en hier verblijven diegenen die de waarnemingen van het gebied van bewustzijn-oneindigheid herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

8. 'Door volledige overwinning van het gebied van nietsheid verkrijgt de monnik het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Hier komen de waarnemingen van het gebied van nietsheid tot uitdoving, en hier verblijven diegenen die de waarnemingen van het nietsheid-gebied herhaaldelijk tot uitdoving brengen.

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

9. 'Door volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming verkrijgt de monnik de uitdoving van waarneming en gevoel en verblijft erin. Hier komen de waarnemingen van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming tot uitdoving, en hier verblijven diegenen die de waarnemingen van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming herhaaldelijk tot uitdoving brengen.’

Voorwaar, monniken, een monnik die vrij is van huichelarij en bedrog zou met deze woorden moeten instemmen en ze goedkeuren. En wanneer hij ermee heeft ingestemd en ze heeft goedgekeurd, dan zou hij met eerbiedig gevouwen handen in eerbied gaan staan.

Monniken, dit zijn de negen trapsgewijze meditatieve toestanden.

A.IX.34. Een geluk hoger dan de gevoelens; nibbana

Dit heb ik gehoord. Eens verbleef de eerwaarde Sāriputta te Rājagaha, bij de voederplaats van de eekhoorns. Daar wendde de eerwaarde Sāriputta zich tot de monniken en zei:

“Een geluk, broeders, is het Nibbāna. Een geluk, broeders, is het Nibbāna."

In antwoord op deze woorden sprak de eerwaarde Udāyi[58] tot de eerwaarde Sāriputta aldus:

"Hoe kan dan, broeder, een geluk daar bestaan ​​waar geen gevoelens meer zijn?"

“Daarin, broeder, bestaat immers juist het geluk, dat daar geen gevoelens meer zijn. Er zijn vijf zintuiglijke dingen, broeder. Welke vijf? De vormen, de geluiden, de geuren, de smaken en de lichamelijke indrukken, de begeerde, lieflijke, aangename, dierbare, zinnelijke, prikkelende - dat, broeder, zijn de vijf zintuiglijke dingen. Wat evenwel, broeder, ten gevolge van deze vijf zintuiglijke dingen ontstaat aan vreugde en blijdschap, dat noemt men, broeder, zintuiglijk geluk.

Maar daar, broeder, verkrijgt de monnik, afgezonderd van de zintuiglijke dingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, de eerste verdieping. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met zinnelijkheid, de monnik overkomen, terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd. Juist zoals namelijk, broeder, iemand die gelukkig is, een ongeluk of zelfs een gebrek overkomt, zo overkomen hem die waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met zinnelijkheid. Dat wordt voor hem gewoon als een probleem beschouwd. Maar wat, broeder, een probleem is, dat is lijden, heeft de Verhevene gezegd. Juist in die zin, broeder, moet men het Nibbāna als een geluk beschouwen.

Dan krijgt de monnik verder, na het tot rust komen van denken en overwegen, de tweede verdieping. Wanneer waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met denken en overwegen, de monnik overkomen, terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na onthechting van de vervoering, de derde verdieping. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met vervoering, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na volledige overwinning van vreugde en leed, de vierde verdieping. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met het geluk van gelijkmoedigheid, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na volledige overwinning van de lichamelijkheids-waarnemingen, het gebied van ruimte-oneindigheid. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met lichamelijkheid, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na volledige overwinning van het gebied van ruimte-oneindigheid, het gebied van de bewustzijn-oneindigheid. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met het gebied van ruimte-oneindigheid, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na volledige overwinning van het gebied van bewustzijn-oneindigheid het gebied van niets is er. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met het gebied van bewustzijn-oneindigheid, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Daar verkrijgt de monnik, na volledige overwinning van het gebied van nietsheid het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Wanneer nu waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met het gebied van nietsheid, de monnik overkomen terwijl hij in deze toestand vertoeft, dan wordt dit als een probleem voor hem beschouwd.

Juist zoals namelijk, broeder, een gelukkige persoon een ongeluk of een gebrek overkomt, juist zo overkomen hem die waarnemingen en overwegingen die verbonden zijn met het gebied van nietsheid. Dat nu wordt beschouwd als een probleem voor hem. En broeder, wat een probleem is, dat is lijden, heeft de Verhevene gezegd. In deze zin, broeder, moet men het Nibbāna als een geluk beschouwen.

Daar verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel; en door de invloed van de wijsheid komen in hem de neigingen tot uitdroging. Broeder, in deze zin nu moet men het Nibbana als een geluk beschouwen.”

A.IX.35. De koe in de bergen; de onverstandige monnik

Stel monniken, bij een koe die in de bergen leeft,  die onverstandig is, onervaren, onbekend met het gebied en niet in staat om in de oneffen bergen rond te lopen, komt de gedachte op: "Ach, ik zou graag naar een gebied gaan dat nog niet betreden is, zou graag nog niet geproefde grassen eten en water drinken dat nog niet genoten is.” En nog voordat ze haar voorpoot goed heeft gezet, zou ze al de achterpoot opheffen. Dan zou ze niet in een gebied kunnen lopen dat nog niet betreden was, gras eten dat nog niet geproefd was en water te drinken krijgen dat nog niet genoten was. En ook naar de plaats waar die gedachte bij haar opkwam, zou ze niet veilig kunnen terugkeren. En waarom niet? Omdat die koe die in de bergen leeft, onverstandig is, onervaren, onbekend met het gebied en niet in staat om in de oneffen bergen rond te lopen.

Monniken, zo is ook een monnik onverstandig, onervaren, onbekend met het gebied en niet in staat om, afgezonderd van de dingen van de zintuigen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest,  in de eerste verdieping in te treden. Ook koestert hij niet dat (meditatieve) denkbeeld, wekt het niet op en ontplooit het niet, houdt het niet vast. Bij hem komt nu de gedachte: "Ik zou toch graag, na het tot rust brengen van denken en overwegen, in de tweede verdieping intreden." Maar daartoe is hij niet in staat. Dan denkt hij: "Zo zal ik dan, afgescheiden van de dingen van de zintuigen, afgescheiden van de onheilzame toestanden van de geest, intreden in de eerste verdieping." Maar ook daartoe is hij niet in staat. Monniken, deze monnik geldt als aan beide kanten op een dwaalspoor en verloren, net zoals die koe die in de bergen leeft, die onverstandig is, onervaren en onbekend met het gebied, die niet in staat is om in de oneffen bergen rond te lopen.

Maar stel nu, monniken, bij een koe die in de bergen leeft, die verstandig is, ervaren en bekend met het gebied en die in staat is om in de oneffen bergen rond te lopen, zou de gedachte komen: "Ach, ik zou graag naar een gebied gaan dat nog niet betreden is, gras eten dat nog niet geproefd is, water drinken dat nog niet genoten is." En nadat ze de voorpoot juist heeft neergezet, heft ze de achterpoot op; en zo kan ze lopen in een gebied dat nog niet betreden is, gras eten dat nog niet geproefd is en water drinken dat nog niet genoten is. En ook kan ze veilig terugkeren naar de plek waar die gedachte bij haar opkwam. En waarom is het zo? Omdat de koe die in de bergen leeft,  verstandig is, ervaren, goed bekend met het gebied en in staat om in de oneffen bergen rond te lopen.

Monniken, zo is ook een monnik verstandig, ervaren, bekend met het gebied en in staat om, afgescheiden van de dingen van de zintuigen, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, in de eerste verdieping in te treden. En hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast. Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag, na tot kalmte brengen van denken en overwegen, in de tweede verdieping intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in de tweede verdieping; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast. Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag, na het losmaken van de vervoering, in de derde verdieping intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in de derde verdieping; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag, na het losmaken van de vervoering, in de vierde verdieping intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in de vierde verdieping; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag in het gebied van ruimte-oneindigheid intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in het gebied van ruimte-oneindigheid ; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag in het gebied van bewustzijn-oneindigheid intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in het gebied van bewustzijn-oneindigheid ; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag in het gebied van nietsheid intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in het gebied van nietsheid; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Dan komt bij hem de gedachte op: "Ik wil toch graag in het gebied van de uitdoving van waarneming en gevoel intreden." Hij treedt dan zonder moeite binnen in het gebied van de uitdoving van waarneming en gevoel; en hij koestert dit (meditatieve) denkbeeld, wekt het op en ontplooit het, houdt het vast.

Monniken, wanneer de monnik in al die bereikingstoestanden intreedt en zich er weer uit verheft, dan wordt zijn geest plooibaar en volgzaam. Met een plooibare en volgzame geest nu is de concentratie onbeperkt en goed ontwikkeld. Op welke toestand die door hogere krachten van de geest bereikbaar zijn, hij nu ook steeds de geest richt om die door deze hogere krachten van de geest te verwerkelijken, zo bereikt hij daarbij altijd de vaardigheid van de verwerkelijking, steeds wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan.

Wanneer hij wenst zich over de magische krachten te verheugen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij wenst met het hemelse oor beide soorten van geluiden te horen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij wenst de geest van anderen te doordringen, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij wenst zich aan veel vroegere vormen van bestaan te herinneren, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij wenst met het hemelse oog te zien hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij wenst nog in dit leven de bevrijding van het gemoed, de bevrijding door wijsheid te bereiken, dan bereikt hij daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, telkens wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer hij het wenst, beheerst hij de volgende bovennatuurlijke krachten.

Van één wordt hij meervoudig; van meervoudig wordt hij weer een. Hij kan zichtbaar en onzichtbaar worden. Hij kan door muren, omwallingen, bergen zweven als door de lucht. Hij kan op de aarde op- en onderduiken als in het water. Hij kan op het water lopen zonder te zinken, alsof hij op de aarde loopt. Hij kan in lotuszit door de lucht vliegen als een vogel. Hij kan de maan en de zon met de hand aanraken en betasten. Hij kan het lichaam beheersen tot zelfs in de Brahma-wereld.

Met het hemelse oor, dat zuiver is en dat boven menselijke grenzen reikt, kan hij beide soorten van geluiden horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden van verre en die van nabij.

Hij kan het gemoed van anderen begrijpen nadat hij het met zijn eigen hart heeft omvat. Hij weet wie begerig is en wie niet. Hij weet wie haat heeft en wie niet. Hij weet wie onwetend is en wie wetend. Hij weet wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Hij weet wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Hij weet wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Hij weet wie edel is en wie onedel. Hij weet wie rustig is en wie rusteloos. Hij weet wie bevrijd is en wie niet bevrijd is.

Hij kan zich aan veel vroegere levens herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens, aan veel aeonen van wereldvergaan, aan veel aeonen van wereldontstaan, aan veel aeonen van wereldontstaan en wereldvergaan. Hij herinnert zich welke naam hij er had, tot welke familie hij behoorde; hij herinnert zich hoe hij eruit zag, wat zijn voedsel was, wat hij er ondervond aan wel en wee, hoe zijn levensspanne was; hij herinnert zich waar hij na de dood wedergeboren werd. Hij herinnert zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan.

Met het hemelse oog, dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, kan hij zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Hij begrijpt hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich in daden, woorden en gedachten slecht heeft gedragen, wie de edelen heeft beschimpt, wie onjuiste visies had, komt na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, ja zelfs in de hel. Maar degenen die zich goed gedragen hebben in daden, woorden en gedachten, die de edelen niet hebben beschimpt, die juiste visies hadden en die visies in hun daden tot uiting lieten komen, zijn na de dood wedergeboren op een gelukkig oord van de bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld." Zo ziet hij met het hemelse oog.

Als hij nu, door het opdrogen van de neigingen, nog tijdens zijn leven in het bezit wil komen van de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid,  ze zelf inziende en verwerkelijkende, dan bereikt hij daarbij altijd het vermogen van de verwerkelijking, steeds wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan.

A.IX.36. Kalmte van geest en inzicht

Monniken, op basis van de eerste verdieping onderricht ik de opdroging van de neigingen, ook op basis van de tweede, derde en vierde verdieping onderricht ik de opdroging van de neigingen. Ook op basis van het gebied van ruimte-oneindigheid, het gebied van bewustzijn-oneindigheid, het nietsheid-gebied, (het gebied van noch waarneming noch niet-waarneming, de uitdoving van waarneming en gevoel)[59] onderricht ik de opdroging van de neigingen.

Monniken, ik heb gezegd dat ik op basis van de eerste verdieping de opdroging van de neigingen onderricht. Maar met inachtneming waarvan heb ik dat gezegd?

Monniken, de monnik treedt binnen in de eerste verdieping. Wat daarin nu bestaat aan lichamelijkheid[60], aan gevoel, waarneming, formaties van de geest en aan bewustzijn, al deze verschijnselen beschouwt hij als vergankelijk en pijnlijk, als een slepende ziekte en een gezwel, een stekel, een kwaad, een kwelling, als iets vreemds en gebrekkigs, als leeg en ik-loos[61].

Dan wendt hij zijn geest van deze dingen af, en wanneer hij hem heeft afgewend, richt hij hem op het doodloze element: “Dat is de vrede, dat is het verhevene, namelijk de stilstand van alle karmische vormende krachten, de bevrijding van alle grondslagen van bestaan, de opdroging ​​van begeerte, de vrijheid van verslaafdheid, de uitdoving, nibbāna." In die toestand verblijvend[62], bereikt hij de opdroging van de neigingen; maar als hij die niet bereikt, dan treedt hij ten gevolge van het (nog bestaande) geestelijke verlangen en genot[63], na het verdwijnen van de vijf lagere boeien, in een geestelijke wereld weer in verschijning[64], en daar bereikt hij het Nibbāna zonder uit die wereld terug te keren.

Monniken, juist zoals een boogschutter of zijn leerling eerst op een stropop of een hoop klei oefent en dan later van een grote afstand treft, snel als een bliksemstraal schiet en in staat is om een ​​groot voorwerp te verpletteren, zo is het ook met die monnik.

Monniken, toen ik dus zei dat ik op basis van de eerste verdieping de opdroging van de neigingen onderricht, dan heb ik het met inachtneming hiervan gezegd.

Monniken, ik heb gezegd dat ik op basis van de tweede, derde en vierde verdieping de opdroging van de neigingen onderricht, op basis van de gebieden van de ruimte-oneindigheid, van de bewustzijn-oneindigheid en van de nietsheid. Met inachtneming waarvan heb ik dat gezegd?

Monniken, de monnik treedt binnen in de tweede, derde en vierde verdieping, in de gebieden van de ruimte-oneindigheid, van de bewustzijn-oneindigheid  en van de nietsheid, en hij verblijft erin.

 Wat daarin nu bestaat aan gevoel, waarneming, formaties van de geest en aan bewustzijn[65], al deze verschijnselen beschouwt hij als vergankelijk en pijnlijk, als een slepende ziekte en een gezwel, een stekel, een kwaad, een kwelling, als iets vreemds en gebrekkigs, als leeg en ik-loos.

Dan wendt hij zijn geest van deze dingen af, en wanneer hij hem heeft afgewend, richt hij hem op het doodloze element: “Dat is de vrede, dat is het verhevene, namelijk de stilstand van alle karmische vormende krachten, de bevrijding van alle grondslagen van bestaan, de opdroging ​​van begeerte, de vrijheid van verslaafdheid, de uitdoving, nibbāna.” In die toestand verblijvend, bereikt hij de opdroging van de neigingen. Maar als hij die niet bereikt, dan treedt hij ten gevolge van het (nog bestaande) geestelijke verlangen en genot, na het verdwijnen van de vijf lagere boeien, in een geestelijke wereld weer in verschijning, en daar bereikt hij het Nibbāna zonder uit die wereld terug te keren.

Monniken, toen ik dus zei dat ik op basis van de tweede, derde en vierde verdieping, de gebieden van de ruimte-oneindigheid, van de bewustzijn-oneindigheid en van de nietsheid de opdroging van de neigingen onderricht, dan heb ik het met inachtneming hiervan gezegd.

Monniken, zolang als het nog gaat over een bereikingstoestand die verbonden is met waarneming (saññā-samāpatti), zolang is er een doordringen tot het hoogste weten[66]. Maar monniken, wat betreft die beide gebieden, namelijk de bereikingstoestand van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming en de uitdoving van waarneming en gevoel, zo moeten degenen onder de zich verdiepende monniken die in het bereiken en de opheffing van de bereikingstoestanden ervaren zijn, correct onderwezen worden nadat het bereiken en de opheffing heeft plaatsgevonden, zo zeg ik.

A.IX.37. De wonderbaarlijke leer

        Eens verbleef de eerwaarde Ananda in het Ghosita-klooster bij Kosambi. Daar wendde hij zich tot de monniken:

        "Broeders, het is wonderbaarlijk, het is verbazingwekkend hoe de Verhevene, de Kenner, de Ziener, de Heilige, de volmaakt Verlichte temidden van de benauwdheid[67] de uitweg heeft ingezien, tot zuivering van de wezens, tot overwinning van zorg en klagen, tot opheffing van pijn en droefenis, tot het verkrijgen van de juiste weg en tot verwerkelijking van Nibbana.

        Hetzelfde oog en dezelfde vormen zullen weliswaar blijven, maar dat gebied van de zintuigen zal men niet meer gewaarworden.

        Hetzelfde oor en dezelfde geluiden zullen weliswaar blijven, maar dat gebied van de zintuigen zal men niet meer gewaarworden.

        Dezelfde neus en dezelfde geuren zullen weliswaar blijven, maar dat gebied van de zintuigen zal men niet meer gewaarworden.

        Dezelfde tong en dezelfde smaken zullen weliswaar blijven, maar dat gebied van de zintuigen zal men niet meer gewaarworden.

        Hetzelfde lichaam en dezelfde lichamelijke indrukken zullen weliswaar blijven, maar dat gebied van de zintuigen zal men niet meer gewaarworden."

        Na deze woorden sprak de eerwaarde Udayi als volgt tot de eerwaarde Ananda:

        "Broeder, terwijl men dat gebied van de zintuigen niet meer gewaarwordt, bezit men dan toch waarneming of niet?"

        "Broeder, men bezit daarbij waarneming, men is daarbij niet zonder waarneming."

        "Maar welke waarneming bezit men, wanneer men dat gebied van de zintuigen niet meer waarneemt?"

        "Broeder, daar verkrijgt de monnik het gebied van 'ruimte is oneindig.' Tijdens een dergelijke waarneming neemt men dat gebied van de zintuigen niet meer waar.

        Verder verkrijgt de monnik het gebied van 'bewustzijn is oneindig'. Tijdens een dergelijke waarneming neemt men dat gebied van de zintuigen niet meer waar.

        Verder verkrijgt de monnik het gebied van 'niets is er.' Ook tijdens een dergelijke waarneming neemt men dat gebied van de zintuigen niet meer waar.

        Broeder, eens verbleef ik bij Saketa, in het hertenpark van het Añjana-bos. De non Jatilagāhiyā kwam toen naar me toe en vroeg: "Eerwaarde Ananda, welk resultaat wordt door de Verhevene toegezegd aan die concentratie die niet toegeneigd is noch afgeneigd,[68] noch op moeizaam verkregen onderdrukking berust, die ten gevolge van haar bevrijding gevestigd is, ten gevolge van haar vastheid vol zaligheid is, ten gevolge van haar zaligheid niet meer tot wankelen wordt gebracht?"

        Deze vraag van de non Jatilagāhiyā werd door mij als volgt beantwoord:

        "Zuster, een dergelijke concentratie die niet toegeneigd is noch afgeneigd, noch op moeizaam verkregen onderdrukking berust, die ten gevolge van haar bevrijding gevestigd is, ten gevolge van haar vastheid vol zaligheid is, ten gevolge van haar zaligheid niet meer tot wankelen wordt gebracht, een dergelijke concentratie heeft het hoogste weten[69] als resultaat: dat heeft de Verhevene gezegd."

        "Broeder, ook tijdens een dergelijke waarneming neemt men dat gebied van de zintuigen niet meer waar."

A.IX.38. Het einde van de wereld

Twee brahmaanse sophisten (lokāyatikā) kwamen naar de Verhevene en zeiden:

“Heer Gotama, Pūrana Kassapa beweert dat hij alwetend is en alles onderkent en dat hij een onbeperkt inzicht heeft. Of hij nu loopt of staat, slaapt of wakker is, steeds zou bij hem het inzicht aanwezig zijn. En hij zegt dat hij met het onbeperkte inzicht de wereld onderkent en beschouwt als beperkt. Heer Gotama, ook de Nigantha Nātaputta beweert hetzelfde. Heer Gotama, wie van hen beiden die iets verschillends onderrichten en elkaar tegenspreken, heeft de waarheid gezegd en wie de onwaarheid?”

“Brahmanen, genoeg daarmee. Laat het in het midden wie van deze twee de waarheid sprak en wie niet. Brahmanen, ik zal jullie de leer verkondigen. Dus luistert en let goed op mijn woorden."

- "Ja, Heer," gaven die brahmanen aan de Verhevene ten antwoord. En de Verhevene zei:

“Stel, brahmanen, dat er vier mannen stonden die naar de vier hemelrichtingen gewend waren, uitgerust met de grootst mogelijke snelheid en lengte van stappen. Ze hadden een dergelijke snelheid als die van een sterke, getrainde, behendige en ervaren boogschutter die met een lichte pijl moeiteloos tot over de schaduw van een waaierpalm schiet; en de lengte van stappen van deze mannen was zo groot als de afstand van de Oostzee tot de Westzee. En de naar het oosten gewende man - en de naar het westen gewende man  - en de naar het noorden gewende man - en de naar het zuiden gewende zou zeggen: 'Door lopen wil ik het einde van de wereld bereiken.’[70] En zonder eten en drinken, zonder iets te kauwen of te genieten, zonder zich te ontlasten en zonder zich een pauze en rust te gunnen, daarbij honderd jaar in leven blijvend, liep hij honderd jaar lang. Maar zonder het einde van de wereld bereikt te hebben, overviel hem onderweg de dood. En waarom? Omdat door een dergelijk lopen het einde van de wereld niet kan worden onderkend, niet kan worden gezien, niet kan worden bereikt - dat zeg ik. Maar brahmanen - dat zeg  ik -  zonder het einde van de wereld bereikt te hebben kan men geen einde maken aan het lijden.

Brahmanen, als de wereld gelden in de orde van de heilige (d.w.z. de Boeddha) de vijf zinsobjecten. Welke vijf? De vormen, geluiden, geuren, smaken en lichaamsindrukken, de begeerlijke, lieflijke, aangename, dure, zinnelijke, aantrekkelijke. Deze vijf zinsobjecten, brahmanen, gelden in de orde van de heilige als de wereld.

Een monnik bereikt, afgescheiden van de dingen van de zintuigen, de eerste verdieping en verblijft erin. Van deze monnik wordt gezegd dat hij het einde van de wereld heeft bereikt, aan het einde van de wereld verblijft. Maar anderen beweren dat zelfs deze nog tot de wereld behoort, nog niet aan de wereld ontkomen is. En brahmanen, ook ik verklaar dat zelfs deze nog tot de wereld behoort, nog niet aan de wereld is ontkomen.

Verder, brahmanen, daar bereikt een monnik de tweede verdieping, de derde verdieping, de vierde verdieping, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Van deze monnik wordt gezegd dat hij het einde van de wereld heeft bereikt, aan het einde van de wereld verblijft. Maar anderen beweren dat zelfs deze nog tot de wereld behoort, nog niet aan de wereld is ontkomen. En brahmanen, ook ik verklaar dat zelfs deze nog steeds tot de wereld behoort, nog niet aan de wereld is ontsnapt.

Verder, brahmanen, bereikt een monnik, na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de bevrijding van waarneming en gevoel.

En na wijs onderkennen zijn bij hem de neigingen opgedroogd. Brahmanen, van deze monnik zegt men dat hij het einde van de wereld heeft bereikt, dat hij ontkomen is aan het hechten aan de wereld.

A.IX.39. De strijd tussen goden en demonen

Monniken, eens was er een strijd uitgebroken tussen de goden en demonen. In die strijd nu zegevierden de demonen en de goden leden de nederlaag. De overwonnen goden nu, monniken, gingen op de vlucht naar het noorden en de demonen achtervolgden hen. Toen dachten de goden: “De demonen vervolgen ons. Laten we dus voor de tweede keer tegen de demonen strijden."

En voor de tweede keer, monniken, vochten de goden tegen de demonen. Maar ook voor de tweede keer zegevierden de demonen en werden de goden verslagen. De overwonnen goden nu, monniken, vluchtten naar het noorden en de demonen achtervolgden hen. Toen dachten de goden: “De demonen vervolgen ons. Laten we dus voor de derde keer tegen de demonen vechten."

En voor de derde keer, monniken, vochten de goden tegen de demonen. Maar ook voor de derde keer zegevierden de demonen en werden de goden verslagen. De overwonnen goden nu, monniken, haastten zich angstig naar hun goden-kasteel. Toen ze zich in het goden-kasteel bevonden, dachten ze: "Veilig voor gevaar kunnen wij nu voor onszelf leven en hebben niets meer te maken met de demonen." En ook de demonen weten: "Veilig voor gevaar leven de goden nu voor zichzelf en hebben niets meer met ons te maken."

Monniken, eens was er weer een strijd uitgebroken tussen de goden en demonen. In die strijd waren de goden zegevierend en werden de demonen verslagen. De overwonnen demonen, monniken, vluchtten naar het zuiden en de goden achtervolgden hen. Toen dachten de demonen: “De goden vervolgen ons. Laten we dus voor de tweede keer tegen de goden vechten."

En voor de tweede keer, monniken, streden de demonen tegen de goden. Maar ook voor de tweede keer zegevierden de goden en werden de demonen verslagen. De overwonnen demonen, monniken, vluchtten naar het zuiden en de goden achtervolgden hen. Toen dachten de demonen: “De goden vervolgen ons. Laten we dus voor de derde keer tegen de goden strijden."

En voor de derde keer, monniken, streden de demonen tegen de goden. Maar ook voor de derde keer zegevierden de goden en werden de demonen verslagen. De verslagen demonen, monniken, haastten zich nu angstig naar hun demonen-kasteel. Toen ze zich echter in hun demonen-kasteel bevonden, dachten ze: "Veilig voor gevaar kunnen wij nu voor onszelf leven en hebben niets meer met de goden te maken." En ook de goden dachten: "Veilig voor gevaar leven nu de demonen voor zichzelf en hebben niets meer met ons te maken."

Evenzo ook, monniken: als de monnik in de eerste, tweede, derde, vierde verdieping verblijft, dan weet de monnik op zo'n moment: "Beveiligd voor gevaar leef ik nu voor mezelf en heb niets meer te maken met Māra." En ook Māra, de Boze, weet: "Beveiligd voor gevaar leeft nu deze monnik en heeft niets meer met mij te maken."

Als de monnik nu in het gebied van oneindigheid van de ruimte verblijft, in het gebied van oneindigheid van bewustzijn, in het gebied van nietsheid of van noch waarneming noch niet waarneming, dan wordt van deze monnik gezegd dat hij een einde heeft gemaakt aan Māra, het oog van Māra heeft verblind en ontkomen is aan de blikken van de Boze.

Monniken, als verder de monnik, na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, de uitdoving van waarneming en gevoel heeft bereikt en na wijs onderkennen de neigingen in hem zijn opgedroogd, dan wordt van deze monnik gezegd dat hij aan Māra een einde heeft gemaakt, het oog van Mara heeft verblind, de blikken van de Boze is ontgaan en ontkomen is aan het hechten aan de wereld.[71]

A.IX.40. De olifant van de eenzaamheid

Monniken, als de olifant van het bos naar voedsel zoekt en dan mannelijke of vrouwelijke, oude of jonge olifanten, die constant voor hem uit lopen, de punten van het gras afscheuren en telkens de afgebroken twijgen wegvreten, dan, monniken, wordt de olifant van het bos erover ontevreden, geërgerd en ontstemd. Monniken, als de olifant van het bos in het bad is gegaan en dan mannelijke of vrouwelijke, oude of jonge olifanten, die constant voor hem uit lopen, het water met de slurf verstoren of de vrouwtjes in het voorbijgaan tegen zijn lichaam wrijven, dan monniken, wordt de olifant van het bos erover ontevreden, geërgerd en ontstemd.

Monniken, op zo'n tijd komt dan bij de olifant van het bos de gedachte op: “Ik woon hier te midden van de drukte van mannelijke en vrouwelijke, oude en jonge olifanten. Het enige wat ik te eten krijg is gras met afgescheurde punten, en elke keer vreten ze de afgebroken twijgen weg. Ik moet verstoord water drinken en als ik in het bad ben gestegen, wrijven de vrouwtjes in het voorbijgaan tegen mijn lichaam. Voorwaar, het is beter alleen te leven, gescheiden van de kudde." Voortaan leeft hij nu alleen, gescheiden van de kudde, eet gras met intacte punten, eet zelf de twijgen die hij heeft afgebroken, drinkt onvertroebeld water, en als hij in bad is gegaan, wrijven geen vrouwtjes meer tegen zijn lichaam. Monniken, op zo'n tijd nu denkt de olifant van het bos bij zichzelf: “Vroeger leefde ik te midden van de drukte van mannelijke en vrouwelijke, oude en jonge olifanten. Het enige wat ik te eten kreeg was gras met afgebroken punten, en elke keer vraten ze mijn afgebroken twijgen weg. Ik kreeg verstoord water te drinken, en als ik in het bad ging, wreven de vrouwtjes in het voorbijgaan tegen mijn lichaam. Maar nu leef ik alleen, gescheiden van de kudde, en ik vreet nu gras met intacte punten, vreet zelf de twijgen die ik heb afgebroken, drink onvertroebeld water en als ik in bad ga, wrijven geen vrouwtjes meer tegen mijn lichaam." En hij breekt met zijn slurf een twijg af, wrijft ermee over zijn lichaam, en met een opgewekte geest verwijdert hij zo de jeuk.

Evenzo ook, monniken: als een monnik midden in de drukte van monniken en nonnen leeft, midden in de drukte van mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, van vorsten, koninklijke functionarissen, valse leraren en leerlingen van valse leraren, dan, monniken, komt bij deze monnik de gedachte op: “Ik leef hier midden in de drukte van monniken en nonnen, midden in de drukte van mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, van vorsten, koninklijke functionarissen, valse leraren en leerlingen van de valse leraren. Waarlijk, ik zou liever alleen leven, gescheiden van de massa." En hij zoekt nu een afgelegen legerstede, ​​in het bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een grot, in een bergholte, op een lijkveld, in een beboste vlakte, een open plek of een hoop stro. In het bos, aan de voet van een boom of in een lege huisvesting gaat hij nu zitten met zijn benen over elkaar, het lichaam rechtop en de opmerkzaamheid  voor zich gevestigd.

Wereldse begeerte heeft hij overwonnen; hij verblijft met een geest die vrij is van begeerte; hij zuivert zijn geest van begeerte.

De verderfelijke haat heeft hij overwonnen; hij verblijft met een haatloze geest; voor alle levende wezens, voor alle schepselen vol welwillendheid en mededogen reinigt hij zijn geest van haat, de verderfelijke.

Hij heeft starheid en loomheid overwonnen; hij verblijft vrij van starheid en loomheid, met heldere geest,[72] oplettend, helder bewust; hij zuivert zijn geest van starheid en loomheid.

Hij heeft rusteloosheid en gewetenswroeging overwonnen; hij verblijft zonder rusteloosheid, innerlijk met een kalme geest; hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging.

        Twijfel heeft hij overwonnen; hij verblijft ontkomen aan twijfel, hij twijfelt niet aan het goede; hij zuivert zijn geest van twijfel.

Bevrijd van deze vijf hindernissen, de verontreinigingen van de geest die de wijsheid verlammen, verkrijgt hij, afgekeerd van de dingen van de zintuigen, de eerste verdieping. En met een heldere geest verwerpt hij de bekoorlijkheden van de wereld.[73] 

Na het verdwijnen van denken en overwegen verkrijgt hij de tweede verdieping ... de derde verdieping ... de vierde verdieping ... het gebied van oneindigheid van ruimte ... het gebied van oneindigheid van bewustzijn ... het gebied van nietsheid ... het gebied van noch waarneming noch niet waarneming ... het uitdoven van waarneming en gevoel; en na wijs onderkennen komen in hem de neigingen tot uitdoving. En met een heldere geest verwerpt hij de bekoorlijkheden van de wereld.

A.IX.41. De afgrond van de verzaking; meditatieve verdiepingen

 

        Eens verbleef de Verhevene in het land van de Mallas, in de stad Uruvelakappa. ‘s Morgens vroeg kleedde de Verhevene zich aan, nam buitengewaad en nap en begaf zich naar de stad voor aalmoezen-eten. Na terugkeer van de rondgang voor aalmoezen-eten en na beëindiging van de maaltijd wendde hij zich tot de eerwaarde Ananda en zei: “Ananda, blijf hier terwijl ik naar het Grote Bos ga om daar de dag door te brengen.” - “Jawel, Eerwaarde,” gaf  de eerwaarde Ananda ten antwoord. De Verhevene ging toen in het bos aan de voet van een boom zitten om er de dag door te brengen.

         Het gezinshoofd Tapussa kwam naar de eerwaarde Ananda, groette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en zei:  

“Eerwaarde Ananda, wij als huisbewoners genieten van de zintuiglijke dingen, vinden vreugde, plezier en verrukking aan de dingen van de zintuigen. Maar eerwaarde, voor ons huisbewoners die genieten van de dingen van de zintuigen, die vreugde, plezier en verrukking vinden in de dingen van de zintuigen, lijkt verzaking als het ware een afgrond. Maar eerwaarde, ik heb gehoord dat in deze leer en Orde al bij heel jonge monniken het hart een drang voelt tot verzaking, ertoe neigt, zich erin vestigt en er   bevrijding in vindt, in het inzicht: 'Dit is de vrede.' In de verzaking verschillen nu eenmaal in deze leer en Orde de monniken van de grote massa."

“Gezinshoofd, dat is werkelijk een onderwerp van gesprek om daarom de Verhevene  op te zoeken. Laten we naar de Verhevene gaan en hem dit meedelen Zoals de Verhevene het zal uitleggen, zo willen wij het onthouden." - "Goed," antwoordde het gezinshoofd Tapussa aan de eerwaarde Ananda. En ze gingen naar de Verhevene en deelden hem de zaak mee.

(De Verhevene :) “Zo is het, Ananda. Zo is het, Ananda. Ook ik had vóór mijn volledige Verlichting, toen ik nog niet volledig verlicht was, nog een aspirant voor de Verlichting was, de gedachte: 'Iets goeds is de verzaking. Iets goeds is de afzondering.' Maar Ananda, mijn hart voelde geen drang tot verzaking, neigde er niet toe, vestigde zich niet erin en vond er geen bevrijding in. Daar, Ananda, vroeg ik me af: 'Wat is wel de oorzaak daarvoor, wat is de reden?' En de gedachte kwam bij me op: 'Ik heb het kwaad van de zintuiglijke dingen niet onderkend en vaak overwogen, heb de zegen van de verzaking nog niet ondervonden en weten te verkrijgen. Daarom nu voelt mijn hart geen drang tot verzaking, neigt niet ertoe, vestigt zich niet erin en vindt geen bevrijding erin.' Daarom zei ik tegen mezelf: 'Als ik nu het kwaad van de zintuiglijke dingen onderken en vaak overweeg, en de zegen van de verzaking ondervind en verkrijg, dan kan het goed zijn dat mijn hart dan een drang voelt tot verzaking, ertoe neigt, zich erin vestigt en er bevrijding in vindt.' En nadien, Ananda, onderkende en overwoog ik vaak het kwaad van de zintuiglijke dingen, en ik ondervond en verkreeg de zegen van de verzaking, zodat mijn hart een drang voelde tot verzaking, ernaar neigde, zich erin vestigde en er bevrijding in vond, met het inzicht: 'Dat is de vrede.'

        Nadien nu, Ananda, verkreeg ik, afgescheiden van de dingen van de zintuigen, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, de eerste verdieping en vertoefde erin. Maar Ananda, terwijl ik in deze toestand verbleef, kwamen bij mij waarnemingen en overwegingen op die verband hielden met zinnelijkheid. Dat evenwel gold voor mij als gebrek. Ananda, net zoals namelijk een gelukkig persoon wordt getroffen door een ongeluk of zelfs een gebrek, precies zo stegen bij mij de waarnemingen en overwegingen op die verband hielden met zinnelijkheid. Maar dat gold  voor mij als een gebrek.

Toen kwam de gedachte bij me op: 'Dan wil ik, na het tot kalmte brengen van denken en overwegen, in de tweede verdieping intreden.' Maar Ananda, mijn hart voelde geen drang tot een toestand zonder denken, neigde er niet toe, vestigde zich niet erin en vond er geen bevrijding in. Toen vroeg ik me af: 'Wat is wel de oorzaak daarvoor, wat is de reden?' En de gedachte kwam bij me op: 'Ik heb het kwaad van denken niet onderkend en vaak overwogen, heb de zegen van toestand zonder denken niet ondervonden en verkregen. Daarom voelt mijn hart geen drang daarnaar, neigt er niet naar, vestigt zich niet erin en vindt er geen bevrijding in.' Daarom zei ik tegen mezelf: 'Als ik nu het kwaad van denken onderken en vaak overweeg, en wanneer ik de zegen van een toestand zonder denken ondervind en verkrijg, dan kan het goed mogelijk zijn dat mijn hart een drang ernaar voelt, zich ertoe neigt, zich erin vestigt en er bevrijding in vindt.' En Ananda, nadien onderkende en overwoog ik vaak het kwaad van denken en ondervond en verkreeg de zegen van een toestand zonder denken, zodat mijn hart een drang ernaar voelde, ertoe neigde, zich erin vestigde en er bevrijding in vond, met het inzicht: 'Dit is de vrede.'

Nadien nu, Ananda, verkreeg ik, na het tot kalmte brengen van denken en overwegen, de tweede verdieping en vertoefde erin. Maar Ananda, terwijl ik in deze toestand verbleef, kwamen bij mij waarnemingen en overwegingen op die verband hielden met denken. Dat evenwel gold voor mij als gebrek. ...  

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na mij vrij gemaakt te hebben van de vervoering, in de derde verdieping intreden ...

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van vreugde en leed in de vierde verdieping intreden ...

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van de waarnemingen van lichamelijkheid intreden in het gebied van ruimte-oneindigheid ...

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van het gebied van ruimte-oneindigheid intreden in het gebied van bewustzijn-oneindigheid ...

  Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van het gebied van bewustzijn-oneindigheid intreden in het gebied van nietsheid ...

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van het gebied van nietsheid intreden in het gebied van noch waarneming noch niet waarneming ...

Toen kwam bij mij de gedachte op: 'Dan wil ik, na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming intreden in de uitdoving van waarneming en gevoel.’

        Maar mijn hart voelde geen drang tot uitdoving van waarneming en gevoel, neigde er niet toe, vestigde zich niet erin en vond er geen bevrijding in. Toen vroeg ik me af: 'Wat is wel de oorzaak daarvoor, wat is de reden?' En de gedachte kwam bij me op: 'Ik heb het kwaad van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming niet onderkend en vaak overwogen, heb de zegen van de uitdoving van waarneming en gevoel niet ondervonden en verkregen. Daarom voelt mijn hart geen drang ernaar,

neigt er niet naar, vestigt zich niet erin en vindt er geen bevrijding in.' Daarom zei ik tegen mezelf: 'Als ik nu het kwaad van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming onderken en vaak overweeg, en wanneer ik de zegen van de uitdoving van waarneming en gevoel ondervind en verkrijg, dan kan het goed mogelijk zijn dat mijn hart een drang ernaar voelt, zich ertoe neigt, zich erin vestigt en er bevrijding in vindt.' En Ananda, nadien onderkende en overwoog ik vaak het kwaad van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming en ondervond en verkreeg de zegen van de uitdoving van waarneming en gevoel, zodat mijn hart een drang voelde naar de uitdoving van waarneming en gevoel, zich ertoe neigde, zich erin vestigde en er bevrijding in vond, met het inzicht: 'Dit is de vrede.’ Ananda, zo trad ik toen, na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, binnen in de opheffing van waarneming en gevoel. En wijs onderkennend kwamen in mij de neigingen tot uitdoving.

        Ananda, zolang als ik nog niet in deze negen trapsgewijze bereikingstoestanden, op vooruit en achteruit gaande manier, was binnengetreden, en mij er weer uit had verheven, zolang was ik er niet zeker van of ik de hoogste Verlichting verkregen had, die in de wereld met haar goden, Maras en Brahmas, met haar schare van asceten en brahmanen, hemelse wezens en mensen onovertroffen is. Maar Ananda, zodra ik in deze negen op elkaar volgende bereikingstoestanden, op vooruit en achteruit gaande manier, intrad, en mij weer eruit verhief, toen was ik er zeker van dat ik de hoogste Verlichting verkregen had, die in de wereld met haar goden, Maras en Brahmas, met haar schare van asceten en brahmanen, hemelse wezens en mensen onovertroffen is. En het weten en het inzicht rees in mij op: 'Onwrikbaar is de bevrijding van mijn geest. Dit  is mijn laatste geboorte. Voor mij is er geen nieuw bestaan ​​meer.'"

Hoofdstuk 5: sāmañña-vagga

A.IX.42. De uitweg uit de benauwdheid

        

        Te Kosambi in het Ghosita-klooster. De eerwaarde Udāyī[74] sprak tot de eerwaarde Ananda:

        "Broeder, door Pañcālacanda, de godenzoon, werd het volgende gezegd:

        'De Machtige in weten heeft de uitweg

        uit de benauwdheid ingezien,

        de Boeddha, die de verdieping vond,

        de bevrijde, wijze held.'

        Wat heeft hierbij de Verhevene als benauwdheid aangeduid en wat als de uitweg uit de benauwdheid?"

        "Broeder, de vijf zinnendingen heeft de Verhevene als benauwdheid aangeduid. Het zijn: de vormen, de geluiden, de geuren, de smaken, de lichamelijke indrukken – de begeerde, lieflijke, aangename, dierbare, zinnelijke, prikkelende. Broeder, deze vijf zinnendingen werden door de Verhevene als benauwdheid aangeduid.

        Broeder, daar verkrijgt de monnik, afgescheiden van de zinnendingen, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, de eerste verdieping. In zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht.[75] Maar ook hier is er benauwdheid, en wel: dat denken en overwegen nog niet zijn verdwenen, dat is daarbij de benauwdheid.

        Verder verkrijgt de monnik na uitdoving van denken en overwegen de tweede verdieping. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht. Maar ook hier is er benauwdheid, en wel: dat de vervoering nog niet is verdwenen, dat is daarbij de benauwdheid.

        Verder verkrijgt de monnik na bevrijding van de vervoering de derde verdieping. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht. Maar ook hier is er benauwdheid, en wel: dat daar het geluk van gelijkmoedigheid nog niet is verdwenen, dat is daarbij de benauwdheid.

        Verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van vreugde en leed de vierde verdieping. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht.

        Hij verkrijgt na volledige overwinning van de lichamelijkheidswaarnemingen het gebied van de 'ruimte is oneindig'. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht.

        Hij verkrijgt na volledige overwinning van het gebied 'ruimte is oneindig' het gebied van 'bewustzijn is oneindig'. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht.        

        Hij verkrijgt na volledige overwinning van het gebied van 'bewustzijn is oneindig' het gebied van 'niets is er'. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht.

        Hij verkrijgt na volledige overwinning van het gebied van 'niet is er' het gebied van 'noch waarneming noch niet waarneming'. Ook in zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, in een bepaald opzicht. Maar ook hier is er benauwdheid, en wel: dat daar de waarnemingen die verbonden zijn met het gebied van noch waarneming noch niet waarneming nog niet zijn verdwenen, dat is daarbij de benauwdheid.

        Verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel. En wijze inziende komen in hem de neigingen tot opdroging. In zoverre heeft de Verhevene een uitweg uit de benauwdheid onderwezen, en wel in elk opzicht (nippariyāyena)."

A.IX.43. De lichaamsgetuige

        "Broeder, men spreekt van 'lichaamsgetuige' (kāyasakkhi)'. In hoeverre echter wordt iemand door de Verhevene als lichaamsgetuige aangeduid?"

        "Broeder, daar verkrijgt de monnik de eerste verdieping; en hoever dat gebied ook reikt, zover heeft hij het in eigen persoon verwerkelijkt. In zoverre heeft de Verhevene iemand als lichaamsgetuige aangeduid, in bepaald opzicht.

        Broeder, verder verkrijgt de monnik de tweede verdieping ... [en zo verder tot en met] ... het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. En zover elk gebied ook reikt, zover heeft hij het in eigen persoon verwerkelijkt. Ook in zoverre heeft de Verhevene iemand als lichaamsgetuige aangeduid, in bepaald opzicht.

        Broeder, verder verkrijgt de monnik van volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel. En zover dat gebied ook reikt, zover heeft hij het in eigen persoon verwerkelijkt. In zoverre heeft de Verhevene iemand als lichaamsgetuige aangeduid, in elk opzicht.

A.IX. 44 De door weten bevrijde

        "Broeder, men spreekt van 'door weten bevrijde'. In hoeverre echter wordt iemand door de Verhevene als 'door weten bevrijde' aangeduid?"

        "Broeder, daar verkrijgt een monnik de eerste verdieping, en in wijsheid doordringt hij die. In zoverre heeft de Verhevene iemand als 'door weten bevrijde' aangeduid, in bepaald opzicht.

        Broeder, verder verkrijgt de monnik de tweede verdieping ...[en verder tot en met] ... het gebied van noch waarneming noch niet waarneming; en in wijsheid doordringt hij dat. Ook in zoverre heeft de Verhevene iemand als 'door weten bevrijd' aangeduid, in bepaald opzicht.

        Broeder, verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel. En wijs inziende komen de neigingen in hem tot uitdroging. In zoverre heeft de Verhevene iemand als 'door weten bevrijd' aangeduid, in elk opzicht."

A.IX. 45 De beiderzijds bevrijde [de tweevoudig bevrijde]

        "Broeder, men spreekt van 'beiderzijds bevrijde'. In hoeverre echter wordt iemand door de Verhevene als een beiderzijds bevrijde aangeduid?"

        "Broeder, daar verkrijgt de monnik de eerste verdieping ...[en verder tot en met] ... het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. En hoever dat gebied ook reikt, zover heeft hij het in eigen persoon verwerkelijkt; en in wijsheid doordringt hij het. In zoverre heeft de Verhevene iemand als een beiderzijds bevrijde aangeduid, in bepaald opzicht.

        Broeder, verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel. En hoever dat gebied ook reikt, zover heeft hij het in eigen persoon verwerkelijkt; en in wijsheid doordringt hij het. In zoverre heeft de Verhevene iemand als beiderzijds bevrijde aangeduid, en wel in elk opzicht.(*)

_____

(*) Ter verduidelijking van de drie voorgaande teksten: Als 'lichaamsgetuige' (kāyasakkhi) geldt degene die een of meerdere van de verdiepingen helemaal beheerst, die dus in kalmte van geest (samatha) sterk ontwikkeld is, maar niet in inzicht (vipassanā). - Ook de 'door weten bevrijde' (paññā-vimutta) kan – hoewel niet noodzakelijk – de verdiepingen gedeeltelijk of helemaal bereiken, maar hij beheerst ze geenszins op dat niveau zoals de lichaamsgetuige. Zijn voorkeur bestaat in inzicht. - In de 'beiderzijds bevrijde' (ubbhatobhāga-vimutta) zijn zowel de voortreffelijke eigenschappen van de lichaamsgetuige als ook die van de 'door wijsheid bevrijde' volmaakt vertegenwoordigd.

A.IX.46-51. Nibbāna

        "Broeder, men spreekt van de zichtbare leer, van het zichtbare Nibbana, van Nibbana, van Parinibbana, van gedeeltelijk Nibbana,[76] van Nibbana nog in dit leven. Wat heeft de Verhevene daarover gezegd?"

        "Broeder, daar verkrijgt de monnik de eerste verdieping ... [tot en met] ... het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Dat heeft de Verhevene als de zichtbare leer, het zichtbare Nibbana, Nibbana, Parinibbana, gedeeltelijk Nibbana, Nibbana nog in dit leven aangeduid, in bepaald opzicht.

        Verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel; en wijs inziende komen bij hem de neigingen tot uitdroging. Dat heeft de Verhevene als de zichtbare leer, het zichtbare Nibbana, Nibbana, Parinibbana, gedeeltelijk Nibbana, Nibbana nog in dit leven aangeduid, en wel in elk opzicht.

Hoofdstuk 6: khema-vagga

A.IX.52-61. De vrede

        "Broeder, men spreekt van vrede – van het verkrijgen van de vrede – van het Doodloze – van het verkrijgen van het Doodloze – van het vrij zijn van angst – van het verkrijgen van het vrij zijn van angst – van de kalmering – van de trapsgewijze kalmering – van de uitdoving – van de trapsgewijze uitdoving. Wat heeft de Verhevene hierover gezegd?"

        "Broeder, daar verkrijgt de monnik de eerste verdieping ... [tot en met] ...het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Dat heeft de Verhevene aangeduid als de vrede - het verkrijgen van de vrede – het Doodloze – het verkrijgen van het Doodloze – het vrij zijn van angst – het verkrijgen van het vrij zijn van angst – de kalmering – de trapsgewijze kalmering – de uitdoving – de trapsgewijze uitdoving, in bepaald opzicht.

        Verder verkrijgt de monnik na volledige overwinning van het gebied van noch waarneming noch niet waarneming de uitdoving van waarneming en gevoel. En wijs inziende komen in hem de neigingen tot uitdroging. Dat heeft de Verhevene als de vrede - het verkrijgen van de vrede – het Doodloze – het verkrijgen van het Doodloze – het vrij zijn van angst – het verkrijgen van het vrij zijn van angst – de kalmering – de trapsgewijze kalmering – de uitdoving – de trapsgewijze uitdoving, en wel in elk opzicht."

A.IX.62. De heiligheid

        "Monniken, zonder negen dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om de heiligheid te verwerkelijken. Die negen dingen zijn:

begeerte,

haat,

onwetendheid,

toorn,

woede,

lasteren,

heerszuchtigheid,

afgunst,

gierigheid.

        Maar wie deze negen dingen heeft overwonnen, die is in staat om de heiligheid te verwerkelijken.

Hoofdstuk 7: satipatthāna-vagga

Hoofdstuk 8: sammappadhāna-vagga

Hoofdstuk 9: iddhipada-vagga

Hoofdstuk 10: rāgapeyyāla-vagga

        

Einde van het boek van negen

     


[1] Winternitz 1983, p. 59; Webb 1975, p. 29.

[2] Met gedachten (vitakka) zijn hier alleen de onheilzame gedachten bedoeld, in het bijzonder onrustige, afdwalende en piekerende gedachten.

[3]  Namelijk van de vier benodigdheden voor monniken: gewaad, voedsel, huisvesting en medicijnen.

[4]  Namelijk lichamelijke pijnen, beledigingen, enz.

[5]  Namelijk lichamelijke en geestelijke gevaren.

[6]  Namelijk slechte gedachten en hartstochten. - Dit zijn de vier "ruggesteunen" (apassenāni); zie A.X.20;  M.2.

[7] Commentaar: in het daar opgerichte grote klooster.

[8] Meghiya was van een vorstelijke Sakya familie. {Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London 1985 p. 40 noot 6}. - Commentaar: Dit was in het 13e jaar na de Verlichting van de Boeddha. - Dit sutta dateert dus uit een periode voordat de eerwaarde Ananda de vaste verzorger van de Boeddha werd. {Ireland, John D. (transl.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy, 1990}

[9] dit is een dorp in de buurt van het klooster.

[10] anucankati anuvicarati: Anucankati betekent ‘heen en weer gaan’. Anuvicarati wordt daarom door Schäfer, Fritz, 1998: Udāna - Verse zum Aufatmen (online versie) als ‘mediterend gaan’ opgevat, en niet, zoals door Seidenstücker, Karl: Udāna, das Buch der feierlichen Worte des Erhabenen. München-Neubiberg 1920. (online versie), als ‘rondslenteren’. Dit laatste zou niet passen bij het ijverig oefenen van Meghiya. {Schäfer 1998}

[11] Kula-putta wordt meestal met ‘zoon uit goede familie’ vertaald. Bedoeld is echter eerder iemand die bijvoorbeeld niet als vondeling of wees is opgegroeid, maar die door opvoeding in een gezin - ongeacht van welke sociale laag - de gedragsvoorwaarden voor omgang met medemensen heeft gekregen. {Schäfer 1998}

[12] Volgens de uitleg van het commentaar zegt de Verhevene dit alleen om het gemoed van de monnik zacht te stemmen, zodat hij, zelfs wanneer hij gaat en zijn doel niet bereikt, uit genegenheid weer terugkeert.

[13] Volgens het commentaar bij Udāna IV.1 was Meghiya in vijfhonderd achtereenvolgende geboorten een koning geweest. Zijn koninklijk park was gelegen waar nu dat mango-bosje was, en hij zat gewoonlijk met zijn dansmeisjes juist op die plek onder de boom waar hij was gaan zitten voor meditatie. Daarom voelde het toen hij op die plek was gaan zitten aan alsof zijn monnikschap hem had verlaten en zijn geest overrompeld was door fantasieën aan mooie dansmeisjes. Verder had hij als koning juist op die plek bevel gegeven om bandieten gevangen te nemen en terecht te stellen. Daarom kwamen op die plek kwaadwillende en wrede gedachten in hem op. {Ireland 1990}

[14] Patimokkha = de disciplinaire regels van de Boeddhistische kloosterorde. {Ireland 1990; Seidenstücker 1920 noot 234}

[15] Deze voorbereidende oefening zoals door de Verhevene is uitgelegd, is nodig voor een monnik die gericht is naar het uitoefenen van de hogere trappen van meditatie. {Khantipalo, Phra (Comp.): The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhāsakathā). A Life of the Buddha. Bangkok Vol. II, 2530/1987, p. 112-115}

[16] asubha; dit is de contemplatie over de onaangename aspecten van het lichaam en zijn functies, welke contemplatie opgenomen wordt om gehechtheid en lust te verwijderen. {Ireland 1990} - Volgens Seidenstücker 1920 noot 240 is onder asubhabhāvanā te verstaan het beschouwen van lijken.

[17] mettā, zie het Metta sutta, Sn. I.8, verzen 143 en verder. {Schäfer 1998}

[18] De bedoeling is de onbestendigheid waar te nemen en niet alleen erover in de geest  na te denken. {Schäfer 1998}

[19] Na de leerrede van de Boeddha bereikte de eerwaarde Meghiya volmaakte heiligheid. {Khantipâlo 1987, p. 115-116}. Zie ook zijn verzen in Theragata 66. {Schäfer 1998}

[20] patibhāsi en patibhāseyya behoren niet tot de Sanskrit-wortel bhās, 'spreken'; en ook niet tot bhā, maar tot Skr: bhās, 'schijnen'. Maar patibhāsati en patibhāti hebben dezelfde betekenis, namelijk: schijnen, bij iemand een licht opgaan, invallen, in de geest ontstaan.

[21] Vgl. A.IV.94.

[22] Vgl. A.IV.32.

[23]  Met deze term wordt iedereen (monnik en leek) aangeduid die geen van de voornoemde acht niveaus van heiligheid heeft bereikt.

[24]  gotrabhū: a) moment van rijpheid, b) de gerijpte. Dit is het ontwikkelingsniveau onmiddellijk voor de 'stroomintrede'; vgl. A.X.16). - Als 'moment van rijpheid' duidt men het laatste van de vier momenten van impulsief bewustzijn aan die onmiddellijk voorafgaan aan het bereiken van een meditatieve verdieping of een van de bovennatuurlijke paden (van stroomintrede enz.) "Wie begiftigd is met die dingen waarop direct de intrede in het edele pad plaatsvindt, deze mens duidt men aan als gerijpte." (Pug. 10).

In het commentaar hierop staat: "Wie ten gevolge van het inzicht in het nibbana ontsnapt aan de hele schare van de wereldlingen (puthujjana), aan de  familie van de wereldlingen, aan de kring van de wereldlingen, aan de aanduiding van een wereldling en binnentreedt in de schare, de familie, de kring van de edelen (ariya-puggala) en de aanduiding van een edele krijgt: deze persoon duidt men aan als gerijpt."

        Hier is dus het moment van overgang van wereldling naar in de stroom getredene bedoeld. In die zin wordt het woord ook vermeld in A.X.16. (Vergelijk ook M.70).

        

[25]  "Commentaar: Die monnik ergerde zich toen hij zag dat de eerwaarde Sāriputta zich klaarmaakte om met veel monniken te vertrekken (en hemzelf achterliet). Toen dacht hij: "Ik zal verhinderen dat hij weggaat." Hiertoe is vermeld dat, toen Sāriputta langs die monnik liep, een hoek van zijn gewaad door de wind werd bewogen en het lichaam van die monnik aanraakte; en dit nam die monnik als aanleiding van zijn beschuldiging.

[26]  Volgens het commentaar wist de Verhevene heel goed dat Sāriputta tot een dergelijke daad niet in staat was; maar om van de kant van de beschuldigende monnik het verwijt van partijdigheid en daarmee het ontstaan ​​van kwade gedachten in hem uit te sluiten, liet de Verhevene Sāriputta roepen.

[27]  sa-upādi-seso; upādi wordt hier uitgelegd met upādāna, 'hechten', anders echter meestal als dat 'waaraan men hecht', namelijk de vijf groepen van bestaan.

[28] Dit zijn de vijf soorten van niet meer wederkerenden. (A.III.88-89; A.IX.12; vgl. A.VII.52, A.X.63; A.X.64)  

[29] Dit is de eenmaal wederkerende (sakadāgāmī).

[30]  Dit zijn de drie soorten van ‘in de stroom getredene’ (sotāpanna).

[31] ditthadhamma-vedanīyam kammam; d.w.z. een daad die nog tijdens het leven een goed of slecht resultaat heeft. Vgl. A.III.34.

[32] Over Samiddhi zie Sam.Nik. 1.20; Maj.Nik.136; Theragāthā 46.

[33] ārammana, 'object'; het commentaar legt het uit met paccaya, 'voorwaarde'.

[34] sankappa-vitakkā; sankappa betekent het denken dat op iets gericht is, dat plannen maakt, het denken met een bedoeling; de geestelijke instelling (cetaso abhiniropana).

[35] nāma-rūpa. Commentaar: "Dit betekent dat de vier geestelijke groepen van bestaan (arūpa-kkhandha) alsmede het lichaam bestaande uit de (vier) elementen en de ervan afhankelijke lichamelijkheid, de voorwaarden zijn voor het ontstaan van de gedachten."

[36] dhātu; de zes basis-objecten: vorm, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en gedachten; door hun verscheidenheid krijgen de gedachten hun veelvuldigheid."

[37] Door het contact overeenkomende met het respectievelijke object.

[38] vedanā, dit is het aangename, onaangename en neutrale gevoel. De emotionele waarde ervan houdt de verschillende aspecten van een gedachte samen.

[39] samādhi-pamukhā. In de concentratie van de geest hebben de gedachten hun grootste intensiteit. Commentaar: het gaat hier om geestelijke processen die het karmische opeenhopen en daarmede de werdergeboorten verminderen (apacaya-pakkhikā).

[40] De wijsheid verbonden met het pad (van bevrijding).

[41] sārā, letterlijk: de (ware) kern ervan; d.w.z. het wezenlijke in de gedachten is of zij nuttig zijn voor de bevrijding of niet. Maar volgens het commentaar gaat het hier alleen om gedachten die tot het wezenlijke zijn doorgedrongen (sārappattā), na het bereiken van de bevrijding in het doel van heiligheid.

[42] Commentaar: in het doodloze (amata), d.w.z. in Nibbana uitmondend vinden de gedachten daar hun rustpunt.

[43] Zie A.X.58.

[44] alternatieve vertaling: men heeft weinig belangstelling in de uitleg van de leer. {U Ko Lay 1985, p. 122}

[45] koti = 20 stuk.

[46]  Volgens de oude Indiase kosmologie zijn er rond het Mahāmeru- (of Sumeru-) gebergte vier continenten gegroepeerd : Pubba-Videha (Oost Videha), Aparagoyāna (West Ossenwagen), Uttara-Kuru (Noord Kuru) en Jambudīpa (rozenappel-eiland). Jambudīpa omsluit India.

[47] amama; het commentaar legt het uit als nittanhā, 'zonder begeerte', maar zegt dat het 'commentaar' (waarschijnlijk de Mahā-Atthakathā) het uitlegt als 'zonder lijden' (niddukkha).

[48]  Commentaar: Bij de goden is de opmerkzaamheid niet sterk ontwikkeld vanwege hun buitengewoon gelukkig leven, en bij de hellenwezens is opmerkzaamheid niet sterk vanwege hun buitengewoon pijnlijke bestaan. Maar bij de mensen van Jambudīpa is opmerkzaamheid sterk ontwikkeld omdat hun leven een mengeling is van vreugde en verdriet.

[49]  brahmacariyāvāso, commentaar: het heilige leven van het achtvoudige pad.

[50]  De beslissing (vinicchaya) over het gebruik van wat  verkregen of gevonden is. De hele reeks kan ook in verband worden gebracht met het geestelijk zoeken dat door verlangen naar geestelijk voedsel teweeggebracht wordt, gevolgd door de vorming van opvattingen, meningen en dogma's en verschil van meningen.

[51]  chandarāga; commentaar: zwakke hebzucht.

[52]  ajjhosāna; commentaar: de sterke houding ten opzichte van 'ik' en 'mijn'.

[53]  sattāvāsa, vgl. A.VII.41.

[54]  asañña-satta. Dezen verschijnen natuurlijk niet onder de zeven 'oorden van bewustzijn' (A.VII.41); evenzo ontbreekt daar de negende schakel van onze indeling, d.w.z. de wezens van de vierde onstoffelijke verdieping, aangezien dezen op de "grens van het bewustzijn" staan.

[55]  Commentaar: Ook de 'Zuivere Verblijven' (suddhāvāsa) die alleen bereikbaar zijn voor niet-wederkerenden, tellen als een vorm van bestaan van de wezens (sattāvāsa). Omdat ze echter niet altijd bestaan, worden ze hier niet vermeld. Met deze Zuivere Oorden van bestaan is het namelijk als met het slagveld van de Verlichten; want gedurende de onmetelijk grote perioden waarin geen Verlichten ontstaan, blijft dit oord leeg.

[56]  anupubba nirodha: De negen 'op elkaar volgende uitdovingen' worden de uitdovingen genoemd die veroorzaakt worden door de acht verdiepingen en de 'uitdoving van waarneming en gevoel' (nirodha-samāpattī).

[57]  Upekhā-sukha, het geluk van gelijkmoedigheid, is het gevoel van vreugde dat door de ethische gelijkmoedigheid (te onderscheiden van de hedonistische onverschilligheid van de gevoelsgroep) gewijzigd is, welk geluk van gelijkmoedigheid kenmerkend is voor de derde verdieping. In de vierde verdieping  is de gelijkmoedigheid door sterk ontwikkelde opmerkzaamheid volledig gezuiverd van elke emotionele kleuring.

[58] hier wordt Lāludāyi bedoeld

[59]  Deze beide bereikingstoestanden die hier tussen haakjes staan, worden in de volgende vragen en antwoorden niet genoemd als toestanden die leiden tot  opdroging van de neigingen. In de toelichting op deze vragen en antwoorden zegt het commentaar: Waarom is hier niet het gebied van noch waarneming noch niet waarneming vermeld? Vanwege de subtiliteit ervan. In deze toestand van meditatie zijn namelijk de vier geestelijke groepen (arūpa-kkhandha) erg subtiel en niet toegankelijk voor onderzoek (door inzicht). Daarom staat er (aan het einde van deze leerrede): "Zolang als het nog gaat over een bereikingstoestand die verbonden is met waarneming, zolang is er een doordringen tot het hoogste weten." Daarmee moet dit tot uitdrukking gebracht worden: zover als een bereikingstoestand verbonden is met waarneming (saññāsamāpatti; d.w.z. met volledig bewustzijn), zolang is er voor degene die grove verschijnselen (in de inzicht-meditatie) onderzoekt, een doordringen tot het hoogste weten (aññā-pativedha) en bereikt hij de heiligheid. Maar het gebied van noch waarneming noch niet waarneming geldt vanwege zijn subtiliteit niet als een meditatieve bereikingstoestand die verbonden is met waarneming.

[60]  Hiermee is blijkbaar het als lichamelijke vorm verschijnende geestelijke  tegenbeeld (nimitta) bedoeld.

[61]  Dit wordt hier gegeven als een oefening in inzicht (vipassanā), die zou moeten aansluiten aan de oefening in gemoedsrust (samatha), d.w.z. de verdiepingen. In de inzichtsoefening worden de processen die in de voorafgaande verdieping zijn opgetreden, beschouwd in het licht van de drie kenmerken als vergankelijk, pijnlijk en onpersoonlijk.

[62]  Commentaar: d.w.z. in het inzicht dat de drie kenmerken beschouwt.

[63]  Dit verwijst naar de gehechtheid aan de meditatieve gemoedstoestanden. Maar ze komt ook voor bij de inzicht-meditatie en vormt dan een van de 'vertroebelingen' ervan.

[64]  En wel als niet meer wederkerende (anāgāmī).

[65]  Bij de onstoffelijke verdiepingen is de groep van lichamelijkheid weggelaten.

[66]  aññā-pativedha. Aññā is het weten dat wordt verkregen met het bereiken van de heiligheid.

[67] Commentaar: als de benauwdheid (sambādha) zijn hier de objecten van de zintuigen te verstaan. - 'Uitweg' (okāsa), letterlijk: de open ruimte.         

[68] Commentaar: niet toegewend door verlangen, niet afgewend door haat.         

[69] aññā-pativedha. Aññā is het weten dat verkregen wordt met het bereiken van de heiligheid.         

[70] vgl A.IV.45-46; en S.2.26.

[71] Hoewel Māra een goddelijk wezen in de zintuiglijke sfeer is, kan hij volgens het commentaar de geest van de mediterenden tot en met de vierde verdieping onderkennen en proberen toegang te vinden, d.w.z. proberen hun geest te beïnvloeden Maar de gebieden van de vier onstoffelijke verdiepingen, de opheffing van waarneming en gevoel en natuurlijk ook het hier als laatste vermelde, de heiligheid zijn voor hem ontoegankelijk.

[72]  ālokasaññī, letterlijk: het licht waarnemend, bewust van het licht.

[73]  Dit betekent hier niet alleen de zintuiglijke bekoorlijkheid en zintuiglijke prikkeling, die al in de eerste verdieping tijdelijk is opgeheven, maar ook de negatieve prikkelingen, irritaties, lasten en overlast van de wereld. Om het meer in het algemeen te formuleren, zou men het ook kunnen weergeven met "hij verschaft zich verzachting met heldere geest".

[74] hier is Kāludāyī bedoeld.

[75] 'In bepaald opzicht' (pariyāyena); vergelijk 'in zoverre' (tad-angena) in A.IX.33. Deze beperking wordt in beide teksten gemaakt omdat de verdiepingen slechts een tijdelijke bevrijding van de zinnendingen geven maar geen definitieve en restloze opdroging van alle neigingen. Die kan alleen verwerkelijkt worden door het doordringende inzicht (vipassanā) wat betreft de vergankelijkheid, het onvoldane en de onpersoonlijkheid van alle vormen van bestaan.         

[76] tadanga-nibbāna. Dit is volgens het commentaar een aanduiding van de verdiepingen, omdat daarin deze of gene procédés en verdiepingsschakels hun tijdelijke uitdoving (nibbāna) vinden.

===