Facetten van het Boeddhisme


naar INDEX  of  naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.8. Anguttara Nikaya, Atthaka-nipata, het boek van acht.

Indeling        inleiding      


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Anguttara Nikaya

Atthaka-Nipāta

Het boek van acht

Indeling

        

Het boek van acht bestaat uit elf hoofdstukken met in totaal 92 suttas.        

Hoofdstuk 1: mettā-vagga

A.VIII.1. Mettanisamsa sutta - Zegeningen van metta

A.VIII.2. Ontplooiing van de wijsheid

A.VIII.3-4. Niet en wel geliefd

A.VIII.5. De acht wereldwetten I

A.VIII.6. De acht wereldwetten II

A.VIII.7. Devadatta’s ondergang I

A.VIII.8. Devadatta’s ondergang II

A.VIII.9. De voortreffelijke eigenschappen van Nanda

A.VIII.10. Het onkruid

Hoofdstuk 2: mahā-vagga

A.VIII.11. De grote doorbraak

A.VIII.12. De bekering van veldheer Sīha

A.VIII.13. Het edele koningspaard

A.VIII.14. Acht ondeugden van de paarden

A.VIII.15. De acht vlekken

A.VIII.16. De waardige verspreider van de boodschap

A.VIII.17-18. Man en vrouw

A.VIII.19. Gelijkenis van de oceaan

A.VIII.20. Uposatha

Hoofdstuk 3: gahapati-vagga

A.VIII.21. Ugga uit Vesālī

A.VIII.22. Ugga uit Hatthigāma

A.VIII.23. Hatthaka uit Ālavi. I

A.VIII.24. Hatthaka uit Ālavi. II

A.VIII.25. De lekenvolgeling I

A.VIII.26. De lekenvolgeling II

A.VIII.27. Acht krachten

A.VIII.28. Het zelf-inzicht van de heilige 

A.VIII.29. De gunstige gelegenheid voor het  heilige leven

A.VIII.30. De acht gedachten van een groot man

Hoofdstuk 4: dāna-vagga

A.VIII.31. Het geven I

A.VIII.32. Het geven II

A.VIII.33. Het geven III

A.VIII.34. Het vruchtbare veld

A.VIII.35. Wedergeboorte afhankelijk van geven

A.VIII.36. De drie soorten van verdienstelijk handelen

A.VIII.37. Hoe een goed mens gaven geeft

A.VIII.38. De invloed van de goede mens

A.VIII.39. De acht stromen van verdienste

A.VIII.40. De gevolgen van het overtreden van de regels van deugdzaamheid

Hoofdstuk 5: uposatha-vagga

A.VIII.41-43. De zegen van de vastendag.  I-III 

A.VIII.44. De zegen van de vastendag IV

A.VIII.45. De zegen van de vastendag. V

A.VIII.46. Wedergeboorte bij de manapakayika deva

A.VIII.47. Visākhā I

A.VIII.48. Nakulamātā

A.VIII.49. Visākhā II 

A.VIII.50. De victorie van de vrouw

Hoofdstuk 6: gotamī-vagga

A.VIII.51. De stichting van de Bhikkhuni Sangha

A.VIII.52. De waardige vermaner van de nonnen 

A.VIII.53. De kenmerken van de goede leer

A.VIII.54. Vyagghapajja-Sutta - De basis voor welzijn 

A.VIII.55. Ujjaya

A.VIII.56. De ellende van de zinnelijke lusten

Hoofdstuk 7: bhūmicāla-vagga

A.VIII.65. Acht overwinningsgebieden

A.VIII.68. Taalgebruik door een edele 

A.VIII.69. De acht bijeenkomsten

A.VIII.70. Laatste poging van Mara om de Boeddha tot andere gedachten te brengen

Hoofdstuk 8: yamaka-vagga

A.VIII.71-72. Volmaaktheid in monnikschap

A.VIII.73. De contemplatie over de dood

A.VIII.74. Contemplatie over de dood. II

A.VIII.75-76. Meesterschap I-II

A.VIII.79. Acht nadelige dingen

Hoofdstuk 9: sati-vagga

A.VIII.81. Het een gebaseerd op het andere

A.VIII.83. De wortel van alle dingen

A.VIII.85. De Volmaakte, de Verhevene

Hoofdstuk 10: sāmañña-vagga

Hoofdstuk 11: rāgapeyyāla

A.VIII.92. De serie over het herkennen van begeerte

Inleiding

Het boek van acht gaat over de volgende onderwerpen: Acht oorzaken voor oplettendheid; acht dingen waardoor een vrouw een man boeit en andersom; acht soorten aalmoezen; acht eigenschappen die een vrouw moet hebben om als godheid wedergeboren te worden; acht oorzaken voor een aardbeving.[1]

Hoofdstuk 1. mettā-vagga

A. VIII.1. Mettanisamsa sutta - Zegeningen van metta

Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken toe met de leerrede over de zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid:

“Monniken, elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door zichzelf vertrouwd te maken met de gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (mettā), door het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, door deze gedachten steeds te laten toenemen, door liefdevolle vriendelijkheid te beschouwen als een voertuig van uitdrukking, en eveneens als iets dat gewaardeerd moet worden, door in overeenstemming met deze gedachten te leven, door deze denkbeelden in praktijk te brengen en door ze te vestigen. Die elf zegeningen zijn:

1) men slaapt aangenaam;

2) men ontwaakt aangenaam;

3) men heeft geen boze dromen;

4) men is dierbaar aan de mensen;

5) men is dierbaar aan niet-menselijke wezens;

6) de hemelse wezens waken over iemand;

7) vuur, vergif en wapens kunnen iemand niet deren;

8) de onrustige geest concentreert zich;

9) de gelaatsuitdrukking is helder;

10) men sterft met onverward gemoed;

11) en als men hier en nu niet de hoogste heiligheid bereikt, dan komt men in de Brahma-wereld weer tot bestaan.

Monniken, deze elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid.”

A.VIII.2. Ontplooiing van de wijsheid

Acht omstandigheden en voorwaarden, monniken, leiden tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven[2] en tot de uitbreiding, expansie, ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid. Welke acht?

Monniken, daar leeft een monnik in de nabijheid van de Meester of van een eerbiedwaardige broeder in de Orde, en hij is vervuld met de grootste schaamte en morele vrees, met liefde en respect. Monniken, dat is de eerste omstandigheid, de eerste voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

En terwijl hij in de nabijheid van de meester of van een eerbiedwaardige monnik verblijft en daarbij vervuld is van de grootste schaamte en morele vrees, van liefde en hoogachting, gaat hij van tijd tot tijd naar hen toe en stelt aan hen vragen, verzoekt hun om opheldering te geven: 'Hoe is dit, eerwaarde? Hoe moet dit begrepen worden?' En die eerwaarden onthullen hem wat niet begrepen werd, leggen hem uit wat hem onduidelijk was en lossen op veel twijfelachtige punten zijn twijfel op. Monniken, dat is de tweede omstandigheid, de tweede voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

En nadat hij de leer heeft vernomen, vervult hij deze door tweevoudige afzondering: door lichamelijke afzondering en door geestelijke afzondering.[3] Monniken, dat is de derde omstandigheid, de derde voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

Hij is moreel zuiver, volgt de regels van de Orde na, is volmaakt in gedrag en omgang en, voor de kleinste overtreding terugdeinzend, oefent hij zich in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen. Monniken, dat is de vierde omstandigheid, de vierde voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

Hij is rijk aan weten, een bewaarder van het weten, heeft grote kennis vergaard; en die leringen die in het begin voortreffelijk zijn, in het midden voortreffelijk en aan het einde  voortreffelijk, die in volmaakte zin en uitdrukking een heel volmaakt en gezuiverd leven van heiligheid verkondigen, naar deze leringen heeft hij vaak geluisterd, ze uit het hoofd geleerd, heeft de woordelijke inhoud ervan geleerd, in de geest overwogen en ze wijs begrepen. Monniken, dat is de vijfde omstandigheid, de vijfde voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

Hij gebruikt zijn wilskracht om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen op te wekken; hij is standvastig, van gestaalde kracht, niet nalatig in het goede. Monniken, dat is de zesde omstandigheid, de zesde voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

Als hij zich binnen de gemeenschap van de monniken bevindt, voert hij niet allerlei lage gesprekken, maar hij reciteert ofwel zelf de leer of  hij vraagt iemand anders om het te doen, en ook minacht hij niet het edele zwijgen. Monniken, dat is de zevende omstandigheid, de zevende voorwaarde tot het verkrijgen van de nog niet verkregen wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot ontplooiing en voltooiing van de verkregen wijsheid.

Bij de vijf groepen van bestaan (pañc'upādānakkhandha) die de objecten van het hechten vormen, vertoeft hij in de beschouwing van het ontstaan en verdwijnen ervan: 'Zo is de lichamelijkheid, zo ontstaat ze, zo vergaat ze; zo is het gevoel, zo ontstaat het, zo vergaat het; zo is de waarneming, zo ontstaat ze, zo vergaat ze; zo zijn de  formaties van de geest, zo ontstaan ze, zo vergaan ze; zo is het bewustzijn is, zo ontstaat het, zo vergaat het.' Monniken, dat is de achtste omstandigheid, de achtste voorwaarde.

En zijn broeders in de Orde tonen hem hoogachting omdat zij bij zich zeggen: 'Deze eerwaarde leeft in de nabijheid van de Meester of van een eerwaarde broeder in de Orde en daarbij is hij vervuld van uiterste schaamte en morele vrees, van liefde en hoogachting. Zeker begrijpt de eerwaarde wat begrepen moet worden, onderkent wat onderkend moet worden.' En deze omstandigheid leidt tot vriendschap, hoogachting en eerbied, tot eendracht en eensgezindheid.

(En zijn broeders in de Orde zeggen verder bij zich :) 'Terwijl deze eerwaarde in de nabijheid is van de Meester of van een eerbiedwaardige broeder in de Orde vertoeft, gaat hij van tijd tot tijd naar hen toe, stelt aan hen vragen, verzoekt hun om opheldering. Nadat hij de leer heeft vernomen, vervulde hij ze door tweevoudige afzondering: door lichamelijke en door geestelijke. Hij is deugdzaam en volgt de regels van de Orde na. Hij is rijk aan weten, een bewaarder van het weten. Hij is vol wilskracht. Als hij zich midden in de gemeenschap van de monniken bevindt, voert hij niet allerlei lage gesprekken. Bij de vijf groepen van bestaan die de objecten van het hechten vormen, vertoeft hij in de beschouwing van het ontstaan en vergaan ervan. Beslist begrijpt de eerwaarde datgene wat begrepen moet worden, onderkent wat onderkend moet worden.' En deze omstandigheden nu leiden tot vriendschap, hoogachting en eerbied, tot eenheid en eensgezindheid.

Monniken, deze acht omstandigheden en voorwaarden leiden tot het verkrijgen van de nog niet bereikte wijsheid die eigen is aan het heilige leven en tot de uitbreiding, ontplooiing en volmaaktheid van de verkregen wijsheid.

A.VIII.3-4. Niet en wel geliefd

vgl. A.VII.1-2

A.VIII.5. De acht wereldwetten I

Monniken, acht wereldwetten volgen de loop van de wereld, en de loop van de wereld volgt deze acht wereldwetten. Welke zijn zij?

Winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet.[4]

Winst, verlies, verering en minachting,

ook lof en verwijt, vreugde evenals verdriet,

deze wereldwetten zijn heel veranderlijk,

vol onbestendigheid, onderhevig aan verandering.

De wijze, de bezonnene doorziet ze,

onderkent ze als onderhevig aan verandering.

Gewenste dingen kwellen hem niet meer

en ook bij ongewenste komt geen wrevel bij hem op.

In hem zijn toeneiging en ook afkeer

vernietigd, verdwenen, niet meer daar.

Het zorgenvrije, zuivere oord kennende,

is hij aan de andere oever van het bestaan aangekomen.

A.VIII.6. De acht wereldwetten II

Monniken, acht wereldwetten volgen de loop van de wereld, en de loop van de wereld volgt deze acht wereldwetten. Welke zijn zij?

Winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet.

Dit is voor de onwetende leek hetzelfde als voor de wetende edele discipel. Maar er is een verschil.

Monniken, daar valt de onwetende wereldling winst ten deel. Maar hij denkt er niet over na en begrijpt het niet overeenkomstig de werkelijkheid: 'Weliswaar is deze winst voor mij ontstaan, maar hij is vergankelijk, ellendig, aan verandering onderhevig.' En er valt hem verlies, eer, minachting, lof, verwijt, vreugde en verdriet ten deel. Maar hij overweegt daarbij niet dat ze allemaal vergankelijk zijn, ellendig, aan verandering onderhevig. En winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet houden zijn geest omsponnen. Hij is gehecht aan de winst die hem ten deel valt, en over verlies ergert hij zich. Hij is gehecht aan de eer die hem ten deel valt, en minachting ergert hem. Hij is gehecht aan de lof die hem ten deel valt, en verwijt ergert hem. Hij is gehecht aan de vreugde die hem ten deel valt, en verdriet ergert hem. Zo verslaafd aan toeneiging en afkeer, wordt hij niet bevrijd van geboren worden, ouder worden en sterven, van zorgen, gejammer, smart, droefenis en wanhoop, wordt hij niet bevrijd van lijden, zeg ik.

Maar monniken, daar valt nu een wetende, edele discipel winst ten deel. Hij evenwel denkt erover na en begrijpt het overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze winst is weliswaar voor mij ontstaan, maar ze is vergankelijk, ellendig, onderhevig aan verandering.' En hem valt verlies ten deel, eer, minachting, lof, verwijt, vreugde en verdriet. Maar hij denkt erover na en begrijpt het overeenkomstig de werkelijkheid: 'Weliswaar is voor mij deze winst, ... dit verdriet ontstaan, maar ze zijn vergankelijk, ellendig, aan de verandering onderhevig.' En winst en verlies, eer en minachting, lof en verwijt, vreugde en verdriet houden zijn geest niet omsponnen. Hij is niet gehecht aan de winst die hem ten deel valt, en verlies ergert hem niet. Hij is niet gehecht aan de eer die hem ten deel valt, en minachting ergert hem niet. Hij is niet gehecht aan de lof die hem ten deel valt, en verwijt ergert hem niet. Zo zich vrij makend van toeneiging en afkeer, wordt hij bevrijd van geboren worden, ouder worden en sterven, van zorgen, gejammer, smart, droefenis en wanhoop, wordt hij bevrijd van lijden, zeg ik.

Monniken, dat is de verscheidenheid, dat is de bijzonderheid, dat is het verschil tussen de wetende, edele discipel en de onwetende wereldling.”

 (Verzen als in tekst A.VIII.5.)

A.VIII.7. Devadatta’s ondergang I

Eens verbleef de Gezegende  op de Gierepiek te Rājagaha, kort nadat Devadatta van de leer was afgevallen. Daar nu wendde de Verhevene zich met betrekking tot Devadatta tot de monniken:

'Het is goed, monniken, als de monnik van tijd tot tijd de eigen misstappen overweegt; het is goed als hij van tijd tot tijd de misstappen van de anderen overweegt. Het is goed, monniken, als de monnik van tijd tot tijd de eigen vooruitgang beschouwt; het is goed als hij van tijd tot tijd de vooruitgang van de anderen beschouwt.

Door acht slechte dingen overweldigd en omsponnen, monniken, is Devadatta bestemd voor de lagere wereld, bestemd tot de hel, gedurende aeonen en niet te redden. Wat zijn deze acht dingen? Winst en verlies, eer en minachting, goede behandeling en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap. Door deze acht slechte dingen overweldigd en omsponnen, is Devadatta bestemd voor de lagere wereld,  tot de hel, gedurende veel aeonen en niet te redden.

Het is goed, monniken, dat steeds wanneer er winst is, de monnik die overwint; steeds wanneer er verlies, eer, minachting, goede en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap is, dat de monnik deze dingen overwint. En om welke reden moet hij die overwinnen? Wel, monniken, omdat bij degene die deze dingen niet overwint, verontrustende en kwellende neigingen kunnen ontstaan. Maar voor hem die deze dingen overwint, bestaan die verontrustende, kwellende neigingen niet meer.

Daarom, monniken, moeten jullie ernaar streven: 'Zodra winst en verlies is, eer en minachting, goede en slechte behandeling, slechte wensen en slecht gezelschap optreden, willen wij deze dingen overwinnen.' Dat, monniken, moet jullie streven zijn."

A.VIII.8. Devadatta’s ondergang II

Eens vertoefde de eerwaarde Uttara te Mahisavatthu, in het klooster Dhava[5] op de Sankheyya berg. Daar sprak hij de monniken als volgt toe:

“Broeders, het is goed wanneer de monnik van tijd tot tijd de eigen misstappen beschouwt; het is goed wanneer hij van tijd tot tijd de misstappen van de anderen beschouwt. Broeders, het is goed wanneer de monnik van tijd tot tijd de eigen vooruitgang beschouwt; het is goed wanneer hij van tijd tot tijd de vooruitgang van de anderen beschouwt.”

        Net op dat moment ging de grote koning Vessavana[6] van het noorden naar het zuiden vanwege de een of andere aangelegenheid. Hij hoorde wat de eerwaarde Uttara aan de monniken zei. En in een handomdraai verdween hij vandaar en verscheen weer bij de goden van de Drieëndertig. Hij ging naar Sakka, de koning van de goden, en vertelde wat de eerwaarde Uttara had gezegd.

        In een handomdraai verdween Sakka uit de hemel van de Drieëndertig en verscheen op de Sankheyya berg. Daar groette hij de eerwaarde Uttara eerbiedig, ging terzijde staan en vroeg of het juist was dat de eerwaarde Uttara zo de leer uitlegde als boven vermeld.

“Jawel, zo is het, koning der goden.”

“Zijn dat gedachten van uzelf, eerwaarde Uttara, of is zijn het woorden van de Verhevene?”

“Koning der goden, als van een grote hoop graan mensen met korven, kommen of met de hand graan halen, dan halen zij allen dat van dezelfde hoop graan. Evenzo is het wanneer iets juist uitgelegd wordt; dat alles geldt als woorden van de Verhevene. En daaraan ontlenen wij steeds wanneer wij tot anderen spreken.”

“Eerwaarde Uttara, dat is heel goed uitgelegd. Eens, eerwaarde Uttara, vertoefde de Verhevene op de Gierepiek te Rājagaha, kort nadat Devadatta afvallig was geworden. Met betrekking tot Devadatta sprak hij toen tot de monniken: ‘Het is goed wanneer de monnik van tijd tot tijd de eigen misstappen beschouwt; het is goed wanneer hij van tijd tot tijd de misstappen van de anderen beschouwt.

Monniken, het is goed wanneer de monnik van tijd tot tijd de eigen vooruitgang beschouwt; het is goed wanneer hij van tijd tot tijd de vooruitgang van de anderen beschouwt.’

Maar van de vier soorten mensen, namelijk monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, heeft niemand anders dan de eerwaarde Uttara zich deze leerrede eigen gemaakt. Moge de eerwaarde Uttara deze leerrede goed onthouden. Ze is nuttig voor het heilige leven.”

A.VIII.9. De voortreffelijke eigenschappen van Nanda

Monniken, terecht kan men Nanda[7] aanduiden als een edele zoon, als begiftigd met kracht, als bevallig, als vervuld met sterke ijver. Hoe zou Nanda anders het heel gezuiverde kuise leven kunnen leiden als hij niet over de deuren van zijn zintuigen waakte, als hij niet matig was bij de maaltijd, als hij geen oplettendheid en helder inzicht had?

        Monniken, dat geldt bij Nanda als het bewaakt zijn van de deuren van de zintuigen: wanneer hij naar het oosten of westen, noorden of zuiden moet kijken, of naar boven of naar beneden of naar een richting ertussen, dat vat hij bij het kijken alles in de geest samen en denkt: ‘Als ik op een dergelijke manier kijk, dan kunnen begeerte en droefenis alsmede andere, slechte, onheilzame dingen niet bij mij binnendringen.’ Zo is hij daarbij helder bewust. Dat is Nanda’s bewaaktzijn van de deuren van de zintuigen.

Monniken, dit nu is Nanda’s matigheid bij de maaltijd: hij eet het voedsel bezonnen, noch tot tijdverdrijf noch tot genot noch om mooier te worden, maar alleen tot behoud van het lichaam, om schade te voorkomen en om het heilige leven te kunnen leiden; en hij zegt tot zichzelf: 'Zo ik zal het vroegere gevoel verdrijven en geen nieuw gevoel laten opkomen; en een lang leven, onberispelijkheid en goede gezondheid zal mij ten deel vallen.' Monniken, dat geldt als Nanda’s matigheid bij de maaltijd.

Monniken, dit nu is Nanda's beoefening van de waakzaamheid: overdag en tijdens de eerste nachtwake, lopend of zittend, zuivert Nanda zijn geest van belemmerende dingen; in de midden nachtwake rust hij als een leeuw op zijn rechter zijkant, het ene been boven op het andere, nadat hij oplettend en helder bewust zijn geest heeft gericht op de gedachte van het opstaan. In de laatste nachtwake staat hij weer op en, lopend of zittend, zuivert hij zijn geest van belemmerende dingen.[8] Monniken, dat geldt als Nanda's beoefening van de waakzaamheid.

Monniken, dit nu is Nanda's oplettendheid en helder inzicht: Nanda merkt hoe de gevoelens in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen; hij merkt hoe de waarnemingen in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen; hij merkt hoe de gedachten in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen. Monniken, dat geldt als Nanda's oplettendheid en helder inzicht.

Hoe zou Nanda anders het heel gezuiverde kuise leven kunnen leiden als hij niet over de deuren van zijn zintuigen waakte, als hij niet matig was bij de maaltijd, als hij geen oplettendheid en helder inzicht had?”

A.VIII.10. Het onkruid

Eens verbleef de Verhevene te Campā, aan de oever van de Gaggarā-vijver. In die tijd nu wezen de monniken een monnik terecht voor een overtreding. Terechtgewezen door de monniken voor zijn overtreding, dwaalde die monnik af van het ene onderwerp naar het andere, leidde het gesprek naar dingen die niet passend waren, en toonde woede, wrok en wantrouwen. En de Verhevene zei tegen de monniken:

"Monniken, jaag deze persoon weg, verstoot hem. Monniken, een dergelijke persoon moet men wegsturen. Hoe kan die vlegel[9] jullie beledigen?

Monniken, daar verschijnt iemand bij het gaan, komen, toekijken, wegkijken, bij het buigen en strekken van de ledematen en bij het dragen van gewaad en aalmoezennap, net als de andere goede monniken, juist zolang als de andere monniken zijn overtreding niet opmerken. Maar zodra de monniken zijn overtreding opmerken, weten zij van hem dat hij de asceten te schande maakt, dat hij als kaf is onder de asceten, als afval. Zij herkennen hem als zodanig en verstoten hem. En waarom? Om te vermijden dat hij de andere goede monniken bederft.

Monniken, stel dat er in een rijp gerstveld een bederfelijk, schadelijk onkruid groeide, waarvan de wortels, stengels en bladeren eruit zagen als die van de andere goede gerst, zolang de aar nog niet gevormd is. Maar zodra de aar ervan gevormd is, merkt men dat het een bederfelijk, schadelijk onkruid is; en wanneer men dit merkt, trekt men het met de wortels uit en gooit het buiten het gerstveld. En waarom? Om te vermijden dat het de andere goede gerst bederft.

Monniken, juist zo verschijnt iemand bij het gaan, komen, toekijken, wegkijken, bij het buigen en strekken van de ledematen en bij het dragen van gewaad en aalmoezennap, net als de andere goede monniken, juist zolang als de andere monniken zijn overtreding niet opmerken. Maar zodra de monniken zijn overtreding opmerken, weten zij van hem dat hij de asceten te schande maakt, dat hij als kaf is onder de asceten, als afval. Zij herkennen hem als zodanig en verstoten hem. En waarom? Om te vermijden dat hij de andere goede monniken bederft.

"In de omgang kunnen jullie ervaren

of hij vol haat en hebzucht is,

een huichelaar, stijfkop, fanaticus,

vol afgunst en gierigheid en arglist.

Weliswaar praat hij onder mensen

heel goedaardig als een echte monnik,

maar in het geheim doet hij kwaad,

respectloos, verkeerde visie toegenegen;

Een onoprechte en leugenachtige persoon.

Wie jullie als zodanig geaard kennen,

zo verenigt u allen

en jaag deze persoon weg.

Ruk het onkruid helemaal uit.

Veeg het afval ver van jullie af.

Blaas dit kaf opzij:[10]

De niet-monnik die denkt dat hij een monnik is.

Jaag de slechtgezinden weg,

die toegewijd zijn aan slechte levenswijze.

Zelf rein, laten jullie met de reinen

samenleven, helder bewust.

Dan kunnen jullie in eenheid wijs

een einde maken aan alle leed."

Hoofdstuk 2. mahā-vagga

A.VIII.11. De grote doorbraak

        Zo heb ik gehoord.[11] Eens verbleef de Verhevene te Verañjā, aan de voet van de Naleru-Pucimanda-boom.[12] Toen kwam een brahmaan uit Verañjā naar de Verhevene toe, wisselde met de Verhevene hoffelijke groeten en ging terzijde zitten. Hij sprak de Verhevene als volgt toe:

"Heer Gotama, ik heb vernomen dat de asceet Gotama oude, hoogbejaarde brahmanen, met grijze haren, met aanzien, in ouderdom gerijpt, niet groet en niet voor hen opstaat, noch hun een zitplaats aanbiedt. En ik zie dat dit inderdaad zo is. En dat vindt ik niet juist.”[13]

“Brahmaan, ik zie in de hele wereld van de goden, goede en slechte geesten, en van de mensen niemand die ik eerbiedig zou moeten groeten of voor wie ik zou moeten opstaan om hem mijn zitplaats aan te bieden. Want brahmaan, indien de Volmaakte iemand vol eerbied zou groeten, voor hem zou opstaan ​​en hem zou uitnodigen om te gaan zitten, dan zou diens hoofd in stukken barsten.”

        “Zonder ergens rekening mee te houden[14] is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als zonder inachtneming kunnen aanduiden; want elk in acht nemen van vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen is in de Volmaakte overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Zonder achting is de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

“Liefdeloos is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als liefdeloos kunnen aanduiden; want elke liefde voor vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen is in de Volmaakte overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Liefdeloos is de asceet Gotama; maar niet zoals jij het bedoelt."

“De passiviteit onderwijst de asceet Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een leraar van de passiviteit kunnen aanduiden; want ik onderwijs het niet uitoefenen van een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten, onderwijs het niet uitoefenen van de veelvoudige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'De passiviteit onderwijst de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

“De vernietiging onderwijst heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een leraar van de vernietiging kunnen aanduiden; want ik onderwijs de vernietiging van begeerte, haat en verblinding, onderwijs de vernietiging van de veelvoudige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'De vernietiging onderwijst de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

“Een verachter is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een verachter kunnen aanduiden; want ik veracht het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten, veracht het uitoefenen van de veelvoudige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Een verachter is de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

“Een ontkenner is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een ontkenner kunnen aanduiden; want ik toon de leer tot ontkenning van begeerte, haat en verblinding, tot ontkenning van de veelvoudige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Een ontkenner is de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

        “Een kweller is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een kweller kunnen aanduiden; want ik zeg dat men de slechte, onheilzame dingen moet neerkwellen,[15] het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten. Maar brahmaan, in wie de neer te kwellen slechte, onheilzame dingen zijn overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen, hem noem ik een kweller. Welnu, in de Volmaakte zijn de neer te kwellen slechte, onheilzame dingen overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Een kweller is de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

        “Een verschoppeling[16] is heer Gotama.”

"Zeker, brahmaan, zou men mij in één opzicht terecht als een verschoppeling kunnen aanduiden; want voor wie de toekomstige moederschoot[17], de wedergeboorte is overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen, hem noem ik een verschoppeling. Welnu brahmaan, voor de Volmaakte is de toekomstige moederschoot, de wedergeboorte overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en aan het nieuwe ontstaan niet meer onderworpen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen: 'Een verschoppeling is de asceet Gotama;’ maar niet zoals jij het bedoelt."

Stel, brahmaan, een kip heeft acht, tien of twaalf eieren gelegd, die ze grondig heeft uitgebroed, grondig heeft verwarmd, grondig tot ontwikkeling heeft gebracht. Datgene nu onder de kuikentjes dat als eerste met de punten van de klauwen of de snavel door de eierschaal breekt en veilig uitkomt, moet men dat als het oudere aanduiden of als het jongere?"

“Als het oudere, heer Gotama; het was immers onder hen het eerste daar.”

“Evenzo, brahmaan, heb ik onder de verblinde mensen, die zich in het ei van de onwetendheid bevinden, die erin ingesloten zijn, de eierschaal van de onwetendheid doorbroken en als eerste in de wereld de onovertroffen hoogste Verlichting bereikt: juist daarom ben ik in de wereld de oudste, de edelste.

Brahmaan, volmaakt evenwel was toen mijn wilskracht en ongebroken, aanwezig en ongestoord mijn opmerkzaamheid, mijn lichaam stil en niet opgewonden,[18] mijn geest geconcentreerd en verenigd. Brahmaan, zo kreeg ik, helemaal afgezonderd van de dingen van de zintuigen, afgezonderd van onheilzame gemoedstoestanden, de eerste verdieping die verbonden is met denken en overleggen, geboren in afzondering, vervuld van vervoering en geluk, en ik verbleef erin.

Na het tot stilstand brengen van denken en overwegen  kreeg ik de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, de tweede verdieping die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vervuld van vervoering en geluk en verbleef daarin.

En nadat ik mij had losgemaakt van de vervoering verbleef ik gelijkmoedig, opmerkzaam, helder bewust, en ik ondervond in mijn innerste een gevoel van geluk, waarvan de edelen verkondigen: 'De gelijkmoedige, oplettende vertoeft gelukkig'; zo verkreeg ik de derde verdieping en verbleef erin.

Na het verdwijnen van behaaglijk gevoel en pijn en het al eerdere uitdoven van blijmoedigheid en droefgeestigheid, verkreeg ik de leedloos-vreugdeloze vierde verdieping, die bestaat in de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en oplettendheid, en verbleef daarin.

Met een zodanig geconcentreerde geest, die gezuiverd was, rein, vlekkeloos, onbezoedeld, gedwee, volgzaam, vast en onwankelbaar, richtte ik mijn geest op de 'herinnerende kennis van vroegere vormen van bestaan'. Met geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte hij de geest op het herinneren aan het vroegere bestaan. Op veelvuldige wijze herinnerde ik mij aan het vroegere bestaan, namelijk aan één geboorte, aan twee geboortes, aan drie ... vier ... vijf ... tien ... twintig ... dertig ... veertig ... vijftig ... honderd ... honderdduizend geboortes. Ik herinnerde mij aan meerdere perioden van wereldvergaan, aan meerdere perioden van wereldontstaan, aan meerdere perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. “Daar was ik, zo'n naam had ik, zo'n geslacht, zo'n kaste, zo'n levensonderhoud, zo beleefde ik aangename en onaangename dingen, zo was het levenseinde. Vandaar verdwenen, dook ik daar weer op. Daar was ik nu, zo'n naam had ik, zo'n geslacht, zo'n kaste, zo'n levensonderhoud, zo beleefde ik aangename en onaangename dingen, zo was het levenseinde. Vandaar verdwenen, ben ik hier weer opgedoken.”

Zo herinnerde ik mij op veelvuldige wijze aan het vroegere oponthoud naar inhoud en plaats. Dit eerste weten, brahmaan, had ik in het eerste deel van de nacht bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen ik daar waakzaam, ijverig en doelbewust vertoefde.

Brahmaan, dit was mijn eerste grote doorbraak, net zoals het kuikentje door de eierschaal breekt.

En met op een dergelijke manier geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte ik mijn geest op het weten van het verdwijnen en weer verschijnen van de wezens. Met het hemelse oog, het reine, dat menselijke mogelijkheden te boven gaat, zag ik de wezens hoe zij verdwijnen en weer ontstaan, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. Ik herkende de wezens hoe zij overeenkomstig hun daden weer in het leven treden: “Waarlijk, die geachte wezens leiden in daden, woorden en gedachten een slechte levenswandel; zij zijn beschimpers van de heiligen, hebben een verkeerde visie en zij handelen overeenkomstig hun verkeerde visie. Bij het verval van het lichaam, na de dood, komen zij in een lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.

Maar die andere geachte wezens leiden in daden, woorden en gedachten een goede levenswandel in daden, woorden en gedachten. Zij zijn geen beschimpers van de heiligen, zij hebben juiste visies, en zij handelen in overeenkomst met die juiste visies. Bij het verval van het lichaam, na de dood, komen zij op een goed pad van bestaan, in een hemelse wereld.”

Zo zag ik met het hemelse oog, het reine dat menselijke mogelijkheden te boven gaat, de wezens hoe zij verdwijnen en weer ontstaan, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. En ik herkende de wezens hoe zij overeenkomstig hun daden weer in het leven treden. Dit had ik in het middendeel van de nacht als tweede weten bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen ik daar waakzaam, ijverig en doelbewust vertoefde.

Brahmaan, dit was mijn tweede grote doorbraak, net zoals het kuikentje door de eierschaal breekt.

En met zodanig geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte ik mijn geest op het weten van het verdwijnen van de smetten.

        “Dit is het lijden," dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is het ontstaan van het lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is de uitdoving van het lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is het pad dat leidt naar de uitdoving van het lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij.

“Dit zijn de neigingen,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is het ontstaan van de neigingen,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is het uitdoven van de neigingen,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. “Dit is het pad dat leidt naar de uitdoving van de neigingen,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij mij. Zo erkende ik, zo doorschouwde ik. En mijn geest maakte zich los van de neiging tot zinnelijkheid. Mijn geest maakte zich los van de neiging tot bestaan. Mijn geest maakte zich los van de neiging tot niet-weten. En in mij, de bevrijde, ontstond het weten van bevrijd te zijn; en ik wist: “Vernietigd is de wedergeboorte, voltooid is het heilige leven, de opgave is volbracht, hierna is verder niets meer te doen.” Dit had ik in het derde deel van de nacht als derde weten bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen ik daar waakzaam, ijverig en doelbewust vertoefde.

Brahmaan, dit was mijn derde grote doorbraak, net zoals het kuikentje door de eierschaal breekt.”

In antwoord op deze woorden sprak de brahmaan uit Verañjā tot de Gezegende: "De oudste is de Heer Gotama. De edelste is de Heer Gotama. Heer Gotama, u hebt de leer heel duidelijk en op meerdere manieren onthuld. Ik neem mijn toevlucht tot Heer Gotama, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken. Heer Gotama kan mij als een lekenvolgeling beschouwen, als iemand die vanaf nu tot aan het einde van mijn leven toevlucht heeft genomen.”

A.VIII.12. De bekering van veldheer Sīha

        Eens verbleef de Verhevene in het grote bos bij Vesālī, in de hal van het gevelhuis. In die tijd nu zaten talrijke zeer gerespecteerde Licchaviers bij elkaar in het gemeentehuis en prezen op veel manieren de Verlichte, zijn leer en de gemeenschap van de monniken. Ook de veldheer Sīha, een volgeling van de Nigantas[19] , bevond zich in die tijd bij de bijeenkomst. En de veldheer Sīha dacht: “Ongetwijfeld moet deze Verhevene een heilige zijn, een volmaakt Verlichte; en juist daarom prijzen deze zeer gerespecteerde Licchaviers op veel manieren de Verlichte, zijn leer en de gemeenschap  van de monniken. Dus wil ik toch deze Verhevene gaan bezoeken, de Heilige, volmaakt Verlichte." En de veldheer Sīha ging naar de Nigantha Nāthaputta en zei tegen hem:

“Heer, ik wil graag de asceet Gotama bezoeken.” - "Hoe, Sīha? Jij, die in activiteit gelooft, wilt de asceet Gotama bezoeken die de passiviteit onderwijst?  De passiviteit onderwijs immers de asceet Gotama; met het doel van passiviteit verkondigt hij de leer, en in die zin voedt hij zijn discipelen op." En de beslissing om de Verhevene te bezoeken verdween er bij de veldheer Sīha.

        Ook een tweede keer herhaalde zich dit op gelijke manier als bovenstaand. En ook een derde keer waren veel zeer gerespecteerde Licchaviers bij elkaar in het gemeentehuis en prezen op veel manieren de Verlichte, zijn leer en de gemeenschap van de monniken. En ook een derde keer dacht de veldheer Sīha: “Ongetwijfeld moet deze Verhevene een heilige zijn, een volmaakt Verlichte; en juist daarom prijzen deze zeer gerespecteerde Licchaviers op veel manieren de Verlichte, zijn leer en de gemeenschap  van de monniken. Of ik nu de Niganthas vraag of niet, wat

kunnen zij mij aandoen? Dus zal ik, zonder de Niganthas te vragen, deze Verhevene een bezoek brengen, de Heilige, volmaakt Verlichte.”

        En de veldheer Sīha ging nu met een gevolg van vijfhonderd wagens in de namiddag naar buiten uit Vesālī, om de Verlichte te bezoeken. Toen hij zover was gereden als de rijweg reikte, steeg hij uit de wagen en ging te voet verder. Bij de Verhevene aangekomen, begroette hij hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend zei de veldheer Sīha tegen de Gezegende als volgt:

"Heer, ik heb gehoord dat de asceet Gotama de passiviteit onderwijst, dat hij zijn leer verkondigt met het doel van de passiviteit en zijn discipelen in deze zin opvoedt. Heer, degenen nu die zulke dingen zeggen, vermelden zij  daarmee wel de woorden van de Verhevene en beschuldigen ze hem soms niet valselijk? Leggen ze dit uit volgens zijn leer, zodat  de betreffende uitspraak niet onjuist blijkt te zijn? Voorwaar,  Heer, wij wensen de Verhevene niet vals te beschuldigen."

 “Sīha, in één opzicht kan men van mij terecht beweren dat ik de passiviteit onderwijs, in een ander opzicht echter dat ik de activiteit onderwijs. Sīha, in één opzicht kan men mij terecht aanduiden als een leraar van de vernietiging, als een verachter, een ontkenner, een kweller, een verschoppeling. Maar Sīha, in een ander opzicht kan men van mij terecht beweren dat ik iemand ben die troost geeft, die de leer verkondigt tot troost en in die zin mijn discipelen opvoedt.

        Sīha, ik onderwijs namelijk het niet uitoefenen van een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten, onderwijs het niet uitoefenen van de veelvoudige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama de passiviteit onderwijst, dat hij met het doel van passiviteit zijn leer verkondigt, en dat hij in die zin zijn discipelen opvoedt. Maar ik onderwijs ook de uitoefening van een goed gedrag in daden, woorden en gedachten, onderwijs de uitoefening van de veelvoudige heilzame dingen. Sīha, in deze zin kan men dus van mij terecht zeggen dat ik de activiteit onderwijs, dat ik tot doel van de activiteit mijn leer verkondig en dat ik in deze zin mijn discipelen opvoedt.

        Sīha, natuurlijk onderwijs ik de vernietiging van begeerte, haat en verblinding, onderwijs de vernietiging van de veelvuldige slechte, onheilzame dingen. In dit opzicht zou men inderdaad terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama de vernietiging onderwijst; dat hij tot doel van de vernietiging zijn leer verkondigt en in deze zin zijn discipelen opvoedt.

        Sīha, natuurlijk veracht ik het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten, veracht het uitoefenen van slechte, onheilzame dingen. In deze zin zou men inderdaad terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama een verachter is, dat hij met het doel van de verachting zijn leer verkondigt en dat hij in die zin zijn discipelen opvoedt.

        Sīha, natuurlijk toon ik een leer tot ontkenning van begeerte, haat en verblinding, tot ontkenning van de veelvuldige slechte, onheilzame dingen. In deze zin zou men inderdaad terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama een ontkenner is, dat hij met het doel van de ontkenning zijn leer verkondigt en dat hij in die zin zijn discipelen opvoedt.

        Sīha, natuurlijk zeg ik dat men de slechte, onheilzame dingen moet neerkwellen, het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten. Sīha, in wie echter die neer te kwellen, slechte, onheilzame dingen overwonnen zijn, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en niet meer onderhevig aan nieuw ontstaan, die noem ik een kweller. Sīha, in de Volmaakte nu zijn die neer te kwellen, slechte, onheilzame dingen overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en niet meer onderhevig aan nieuw ontstaan. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama een kweller is, dat hij met het doel van het kwellen zijn leer verkondigt, en dat hij in die zin zijn discipelen opvoedt.

        Sīha, voor wie de toekomstige schoot, de wedergeboorte, overwonnen is, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en niet meer onderhevig aan nieuw ontstaan, die noem ik een verschoppeling. Sīha, voor de Volmaakte nu is de toekomstige schoot, de wedergeboorte, overwonnen, met de wortel verwoest, als een waaierpalm aan de grond ontrukt, vernietigd en niet meer onderhevig aan nieuw ontstaan. In dit opzicht zou men natuurlijk terecht kunnen zeggen dat de asceet Gotama een verschoppeling is, dat hij met het doel van het verschoppen zijn leer verkondigt, en dat hij in die zin zijn discipelen opvoedt.

        Sīha, ik breng de hoogste troost; om te troosten verkondig ik mijn leer, en in die zin voed ik mijn discipelen op. Sīha, in dit opzicht kan men van mij terecht zeggen: ‘De asceet Gotama is een trooster, om te troosten verkondigt hij zijn leer, en in deze zin voedt hij zijn discipelen op.’ ”

Op deze woorden zei de veldheer Sīha aan de Verhevene: “Voortreffelijk Heer. Heel duidelijk en helder is de leer op veel manieren uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot heer Gotama, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken. Heer Gotama kan mij als een lekenvolgeling beschouwen, als iemand die vanaf nu tot aan het einde van mijn leven toevlucht heeft genomen.”

“Sīha, overleg wat je doet. Voor zulke bekende mensen zoals jij het bent, is het goed om met overleg te handelen.”

        “Daardoor, Heer, dat de Verhevene zo tot mij spreekt, heeft de Verhevene mij nog meer vreugde en geluk geschonken. Want Heer, als personen met een ander geloof mij tot hun volgelingen hadden verworven, dan zouden zij door heel Vesali een vlag ronddragen en uitroepen: 'De veldheer Sīha is tot onze discipelen toegetreden.' De Verhevene echter zegt mij dat ik moet overleggen wat ik doe; dat het voor bekende mensen zoals ik goed is om met overleg te handelen. Voor de tweede keer neem ik mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. De Verhevene moge mij beschouwen als volgeling die van nu af aan voor het leven toevlucht heeft genomen.”

"Lange tijd, Sīha, was je huis als het ware een bron voor de Niganthas. Moge je daarom daaraan denken, wanneer zij naar jouw huis komen, om hun aalmoezenvoedsel te geven."

"Heer, daardoor dat de Verhevene zo tot mij spreekt, heeft hij mij nog meer vreugde en geluk geschonken. Want Heer, er wordt verteld dat de asceet Gotama zegt dat men alleen aan hem gaven moet geven, niet aan anderen; dat men alleen aan zijn discipelen moet geven, niet aan de discipelen van anderen; dat de asceet Gotama zegt dat alleen wat aan hem en aan zijn discipelen is geschonken, grote zegeningen brengt, niet wat aan anderen is geschonken.' Nu echter spoort de Verhevene mij ertoe aan om ook aan de Niganthas aalmoezen te geven. Heer, daarvoor zal ik de juiste tijd weten. Voor de derde keer, Heer, neem ik nu mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. De Verhevene moge mij beschouwen als volgeling die van nu af aan voor het leven zijn toevlucht heeft genomen."

En de Verhevene gaf de veldheer Sīha een stapsgewijze onderrichting over de vrijgevigheid, de deugdzaamheid, de hemelse werelden, en hij belichtte de ellende, de gebrekkigheid en onreinheid van de zinnelijke lusten en de zegen van de verzaking. Maar toen de Verhevene merkte dat de geest van de veldheer Sīha rijp was, soepel, zonder innerlijke belemmeringen, in een verheven gemoedstoestand en vol vertrouwen, toen toonde hij de verkondiging van de leer die aan de verlichte mensen eigen is: de leer van het lijden, van het ontstaan van het lijden, van de opheffing van het lijden en van het pad. En net zoals een rein, smetteloos gewaad onmiddellijk kleur aanneemt, evenzo ging bij de veldheer Sīha, terwijl hij nog op zijn zitplaats zat, het onbezoedelde, smetteloze oog voor de leer open: 'Alles wat ontstaat, moet vergaan.'[20]

En de leer ziende, de leer verwerkelijkende, de leer kennende, de leer doordringende, aan twijfel ontsnapt, van wankelen bevrijd, door geen ander beïnvloed[21] tot de instructie van de meester, zei de veldheer Sīha aan de Verhevene aldus: "Heer, moge de Verhevene mij voor morgen de maaltijd toezeggen, samen met de gemeenschap van de monniken." Zwijgend gaf de Verhevene zijn toestemming te kennen. Toen nu de veldheer Siha merkte dat de Verhevene had toegestemd, stond hij op van zijn zitplaats, begroette de Verhevene met eerbied en met zijn rechter kant naar hem toe verwijderde hij zich.    

Daarop gaf de veldheer Sīha aan een man het bevel: "Ga, beste man, en zorg voor vers vlees."[22] Toen nu die nacht was afgelopen, liet de veldheer Sīha in zijn huis voortreffelijk vast en zacht voedsel bereiden en daarna aan de Verhevene de tijd aankondigen: "Het is nu tijd, Heer. De maaltijd is klaar."

En de Verhevene kleedde zich in de vroege morgen aan, nam gewaad en aalmoezennap en ging naar het huis van de veldheer Siha. Daar aangekomen nam hij plaats op de voorbereide zitplaats, samen met de gemeenschap van de monniken.

Op dat uur echter trokken de Niganthas in groten getale door Vesālī, van straat tot straat en van plein tot plein, en met opgeheven handen riepen zij uit: “De veldheer Sīha heeft een groot dier geslacht en voor de asceet Gotama als maaltijd klaargemaakt. De asceet Gotama echter geniet bewust van het vlees dat speciaal voor hem is bereid, is dus verantwoordelijk voor de daad."[23]

En een man kwam naar de veldheer Sīha  en fluisterde in zijn oor: 'Weet, eerwaarde heer,[24] dat de Niganthas in grote getale in Vesālī van straat naar straat en van plein tot plein gaan en met opgeheven handen roepen: 'De veldheer Sīha heeft een groot dier geslacht en voor de asceet Gotama tot maaltijd klaargemaakt. De asceet Gotama echter geniet bewust van het vlees dat speciaal voor hem is bereid, is dus verantwoordelijk voor de daad.'”

"Genoeg daarvan, beste man. Al lange tijd hebben die geachte mensen er plezier in om de Verhevene, zijn leer en zijn gemeenschap van monniken te beledigen. Die geachte mensen worden er niet moe van de Verhevene op een valse, ijdele, leugenachtige, onware manier te beschuldigen. Ik wil niet graag opzettelijk een wezen van het leven beroven."

De veldheer Sīha nu bediende en verzorgde eigenhandig de gemeenschap van de monniken met de Verhevene aan het hoofd, met voortreffelijke harde en zachte gerechten. Zodra nu de veldheer Siha merkte dat de Verhevene klaar was met eten en de handen van de aalmoezennap had teruggenomen, ging hij terzijde zitten. En de Verhevene onderwees de veldheer Sīha in woorden van de leer, vermaande, bemoedigde hem en spoorde hem aan. Daarna stond hij van zijn zitplaats op en vertrok.

A.VIII.13. Het edele koningspaard

        Het goede, edele paard van de koning is met acht eigenschappen voorzien. Het is daarom de koning waard, geschikt voor de koningsdienst, en geldt als koninklijk lijfpaard. Die acht eigenschappen zijn:

        Het koningspaard is van zuivere afkomst van beide zijden, zowel van vaders kant als van moeders kant. Het stamt uit die streek waaruit ook alle andere goede, edele paarden komen.[25] Wat men hem aan fris of droog voer aanbiedt, dat verteert het vol opmerkzaamheid, zonder iets ervan rond te strooien. Het heeft een afkeer ervan op uitwerpselen of urine te gaan liggen. Het is mak, verdraaglijk, en het brengt de andere paarden niet in opwinding.

Wat er nog aan ondeugendheid, valsheid, onoprechtheid en sluwheid in hem steekt, dat toont het aan de paardenmenner zoals het werkelijk is. En de paardenmenner probeert die dingen bij het paard uit te drijven. Als het opgetuigd en ingespannen is, denkt het: 'Of de andere paarden de wagen juist zullen trekken of niet, maar ik zal hem trekken.' Bij het gaan volgt het de rechte weg. Het blijft volhardend tot aan zijn levenseinde.

        Wanneer het edele koningspaard met deze acht eigenschappen is voorzien, dan is het geschikt voor de koningsdienst, dan geldt het als koninklijk lijfpaard.

        Evenzo is de monnik die met acht eigenschappen voorzien is, offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, is in de wereld het beste veld van verdienste voor goede werken. Die acht eigenschappen zijn:

        De monnik is rein van zeden, hij volgt de discipline na, is volmaakt in gedrag, volmaakt gezelschap.

        Hij schuwt de kleinste fout, en oefent zich in de regels van discipline die hij op zich genomen heeft.

        Elk voedsel dat hem aangeboden wordt, grof of fijn, geniet hij met achting, zonder lusteloosheid.

        Hij verafschuwt slecht gedrag in daden, woorden en gedachten: hij verafschuwt de uitoefening van slechte, onheilzame dingen.

        Hij is vriendelijk en verdraagzaam; en hij brengt de andere monniken niet in opwinding.

        Wat er nog aan ondeugendheid, valsheid, onoprechtheid en geraffineerdheid in hem steekt, dat onthult hij zoals het werkelijk is, aan de Meester of aan wijze medemonniken. En dezen proberen bij hem die eigenschappen te verdrijven.

        Hij is ijverig in de oefening en denkt: 'De anderen kunnen de oefening volgen of niet; maar ik zal oefenen.

        In zijn gedrag volgt hij alleen de juiste weg; namelijk: juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

        Hij leeft met ingespannen wilskracht, waarbij hij denkt: 'Huid, pezen en beenderen kunnen alleen overblijven, en vlees en bloed in mijn lichaam uitdrogen, maar mijn inspanning zal niet tot stilstand komen totdat bereikt is wat met mannelijke volharding, mannelijk willen en mannelijke kracht bereikbaar is.'

        Monniken, met deze acht eigenschappen voorzien is de monnik offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken."

A.VIII.14. Acht ondeugden van de paarden

Monniken, acht onhandelbare paarden[26] zal ik jullie laten zien en acht ondeugden van de paarden, acht onhandelbare mensen en acht ondeugden van de mensen.

Wat nu zijn de acht onhandelbare paarden en de acht ondeugden van de paarden?

Monniken, wanneer een van de paarden wordt gevraagd verder te gaan en met slagen door de paardenleider wordt aangedreven, gaat het achteruit en duwt de wagen achter zich terug. Van een dergelijke aard, monniken, is dat weerbarstige paard; en dit, monniken, is de eerste slechte gewoonte van paarden.

Wanneer een ander paard wordt gevraagd om verder te gaan en met slagen door de paardenleider wordt aangedreven, slaat het met de achterpoten uit en slaat de dissel kapot, verbreekt het driedelige juk. - Dit, monniken, is de tweede slechte gewoonte van paarden.

Een ander paard maakt dan zijn achterpoten los van de dissel en vertrapt met zijn achterpoten de hele dissel. - Dit, monniken, is de derde slechte gewoonte van paarden.

 Een ander paard slaat dan een verkeerde weg in, brengt de wagen op een verkeerd spoor. - Dit, monniken, is de vierde slechte gewoonte van paarden.

Een ander paard richt zich met het voorlichaam op en trapt uit met de voorpoten. - Dit, monniken, is de vijfde slechte gewoonte van paarden.

Een ander paard bijt in het bit en rent waarheen het wil, zonder zich wat aan te trekken van wagenbestuurder en drijfstok. - Dit, monniken, is de zesde slechte gewoonte van paarden.

Een ander paard gaat niet voor- of achteruit, maar blijft als een zuil stevig op de plek staan. - Dit, monniken, is de zevende slechte gewoonte van paarden.

Een ander paard trekt de voorste en achterste poten naar binnen en gaat op dezelfde plaats erop zitten. Van een dergelijke aard, monniken, is dat weerbarstige paard; en dit, monniken, is de achtste slechte gewoonte van paarden.

Monniken, dat zijn de acht onhandelbare paarden en de acht slechte gewoonten van de paarden.

Welke nu zijn de acht onhandelbare mensen en de acht ondeugden van de mensen?

Monniken, daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken voor een vergrijp vermaand, kronkelt zich eruit door te zeggen: 'Ik kan me niet eraan herinneren.' En met dat weerbarstige paard dat, wanneer hem gevraagd wordt verder te gaan en, met slagen door de paardenleider aangedreven, achteruit gaat en de wagen achter zich terug duwt, daarmee vergelijkbaar noem ik deze persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is die onhandelbare man; en dit is de eerste ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, wijst de vermaner af met de woorden: 'Wat wil jij van mij met jouw toespraak, jij dwaze, onervaren persoon? Jij denkt zeker dat jij ook iets moet zeggen?' En met dat weerbarstige paard dat met zijn achterpoten uitslaat, de dissel kapot slaat en het driedelige juk verbreekt, daarmee vergelijkbaar noem ik deze persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de tweede ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, werpt de aanklacht terug op de aanklager: 'Jij hebt toch zo'n en dergelijke overtreding begaan. Beken vooral eerst zelf jouw eigen schuld.' En met dat weerbarstige paard dat zijn achterpoten van de dissel los maakt en ze dan met de achterpoten kapot trapt, daarmee vergelijkbaar noem ik deze persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de derde ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, gaat van het ene onderwerp naar het andere, leidt het gesprek af naar andere dingen en toont ontevredenheid, ergernis en achterdocht. En met dat onhandelbare paard dat de verkeerde kant op gaat en de wagen op het verkeerde spoor zet, daarmee vergelijkbaar noem ik deze man. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de vierde ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, spreekt, met zijn armen zwaaiend, te midden van de gemeenschap van de monniken. En met dat onhandelbare paard dat met zijn voorlichaam steigert en met de voorpoten uitslaat, daarmee vergelijkbaar noem ik deze persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de vijfde ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken vermaand, bekommert zich noch om de gemeenschap van de monniken, noch om de vermaner, en vervuld van vijandigheid gaat hij waarheen het hem goeddunkt. En met dat weerbarstige paard dat in het bit bijt en, onbekommerd om de wagenmenner en de drijfstok, rent waarheen het hem goeddunkt, daarmee vergelijkbaar noem ik deze persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de zesde ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, antwoordt niet of hij de overtreding heeft begaan of niet, en kwetst zo de gemeenschap van de monniken door zijn zwijgen. En met dat weerbarstige paard dat noch vooruit noch achteruit gaat en als een zuil op dezelfde plek blijft staan, daarmee vergelijkbaar noem ik een dergelijke persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de zevende ondeugd van de mensen.

Verder, monniken: daar vermanen de monniken een monnik wegens een overtreding. Maar hij, door de monniken wegens de overtreding vermaand, geeft hun ten antwoord: 'Wat kwellen jullie eerwaarden mij dan zo erg? Ik geef nu ascese op en keer naar het lagere leven in de wereld terug.' Nadat hij nu de ascese heeft opgegeven en naar het lagere leven in de wereld is teruggekeerd, zegt hij: 'Nu zullen jullie eerwaarden wel tevreden zijn.' En met dat onhandelbare paard dat voor- en achterpoten intrekt en op alle vier gaat zitten, daarmee vergelijkbaar noem ik een dergelijk persoon. Van een dergelijke aard, monniken, is een andere onhandelbare man; en dit is de achtste ondeugd van de mensen.

Monniken, dit zijn de acht onhandelbare mensen en de acht ondeugden van de mensen.

A.VIII.15. De acht vlekken

Niet leren is de vlek van de kennis,

het niets doen is de vlek van de huiselijkheid.

De vlek van de schoonheid is de traagheid,

de vlek van de bewaker is de onverschilligheid.

De vlek van de vrouw is de slechtheid,

de vlek van de gever is gierigheid.

De slechte dingen zijn een vlek

in deze en in de volgende wereld.

 Maar onder al deze vlekken is

onwetendheid de ergste vlek.[27]

A.VIII.16. De waardige verspreider van de boodschap

“Begiftigd met acht eigenschappen, monniken, is de monnik waardig om de boodschap (van de leer) te verspreiden. Wat zijn deze acht eigenschappen?

Monniken, daar is een monnik een goede luisteraar en geeft correct weer wat hij heeft gehoord, hij leert en onthoudt het goed, hij begrijpt het en maakt het begrijpelijk, hij weet wat nuttig en zinloos is en zoekt geen ruzie. Begiftigd met deze acht eigenschappen, monniken, is de monnik waardig om de boodschap (van de leer) te verspreiden.”

(Aansluitend wordt nu hetzelfde door de eerwaarde Sāriputta gezegd.)

"Wie in de kring van hooggeplaatste sprekers

geen angst, geen aarzeling kent,

niet de stroom van de toespraak verliest

en de boodschap niet verbergt,

wie vrij is van aarzelen[28] wanneer hij spreekt

en niet boos is als hij ondervraagd wordt:

Een dergelijke monnik is waardig

dat hij de boodschap overbrengt." [29]

A.VIII.17-18. Man en vrouw

(17) Monniken, door acht dingen bindt de vrouw de man: door haar huilen, lachen en spreken, door haar kleding, door een boeket gemaakt van bosbloemen, door haar geur, haar smaak en haar aanraking.

Monniken, die wezens  zijn heel stevig gebonden die door lichamelijk contact gebonden zijn.

(18) En door deze acht dingen nu, monniken, bindt de man de vrouw. Monniken, die wezens zijn heel stevig gebonden, die door lichamelijk contact gebonden zijn.

A.VIII.19. Gelijkenis van de oceaan

Eens verbleef de Verhevene bij Verañjā, aan de voet van de Naleru-Pucimanda-boom. De demonenvorst Pahārāda[30] ging toen naar de Verhevene, groette hem vol eerbied en ging terzijde staan. De Verhevene vroeg toen:

        "Zeg mij, Paharada, beleven wel alle demonen genoegen aan de oceaan?"

        "Ja, Heer, zij beleven genoegen aan de oceaan."

        "Pahārāda, hoeveel verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen hebben de demonen aan de oceaan opgemerkt dat zij er genoegen aan beleven?"

        "Heer, acht eigenschappen, namelijk:

        De oceaan wordt geleidelijk dieper, zijn bodem zinkt heel geleidelijk, daalt heel geleidelijk af en vormt geen plotselinge afgrond. Heer, dat is de eerste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder is de oceaan bestendig, treedt niet over de oever. Heer, dat is de tweede verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder duldt de oceaan geen lijk in zich. Elk lijk dat zich erin bevindt, gooit hij uit, spoelt het aan de oever, drijft het aan land. Heer, dat is de derde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Verder, Heer, zodra de machtige stromen zoals de Gangā, Yamunā, Aciravati, Sarabhū en Mahī, de oceaan bereiken, verliezen zij hun vroegere namen en aanduidingen en gelden gewoon als de oceaan. Heer, dat is de vierde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder toont de oceaan geen toename noch een afname, ondanks alle erin stromende rivieren en alle regenbuien die vanuit de hemel neerstorten. Heer, dat is de vijfde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder is de oceaan doordrongen van één enkele smaak, de smaak van zout. Heer, dat is de zesde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder bergt de oceaan rijke en veelvuldige schatten. Er zijn veel kostbaarheden in, zoals parels, diamanten, lazuurstenen, mosselen, kwarts,[31] koralen, zilver, goud, robijnen en kattenogen. Heer, dat is de zevende verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Heer, verder is de oceaan het tehuis van geweldige levende wezens. Daar leven reuzenvissen, zeemonsters, leviathanen,[32] demonen, draken en genieën. En daar zijn wezens met een lengte van één-, twee-, drie-, vier- en vijfhonderd yojanas.[33] Heer, dat is de achtste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

        Deze acht verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen merken de demonen bij de oceaan op en daarom beleven zij genoegen eraan. Heer, beleven ook de monniken genoegen aan deze leer en discipline?"

        "Ja, Pahārāda, de monniken beleven genoegen aan deze leer en discipline."

        "Heer, hoeveel verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen hebben de monniken bij deze leer en discipline opgemerkt dat zij eraan genoegen beleven?"

        "Pahārāda, juist zoals de oceaan geleidelijk dieper wordt, de bodem ervan geleidelijk zinkt, heel geleidelijk afdaalt en geen plotselinge afgrond vormt, evenzo ook Pahārāda is er in deze leer en discipline een trapsgewijze opleiding, een trapsgewijze uitoefening, een trapsgewijze vooruitgang; en niet een plotseling bereiken van het hoogste weten. Dat, Pahārāda, is de eerste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan bestendig is, niet over de oever treedt, evenzo ook overschrijden mijn discipelen niet voor hun leven de regels van oefening die door mij aan hen zijn opgelegd. Dat is de tweede verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan geen lijk in zich duldt en elk lijk dat zich erin bevindt, aan de oever spoelt, aan land drijft, evenzo ook duldt de gemeenschap van de monniken onder zich geen deugdloze mens die het slechte toegedaan is, met onzuiver, verdacht gedrag, met verborgen daad, een niet-asceet die zich als asceet uitgeeft, een onkuise die zich als kuis levend uitgeeft, die innerlijk bedorven is, bevlekt, met een smerige aard. Onmiddellijk komt dan de gemeenschap van de monniken samen en stoot hem uit. Maar ook als hij temidden van de gemeenschap van de monniken zit, is hij de gemeenschap van de monniken toch vreemd en vreemd is hem de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, zoals de machtige stromen zoals de Gangā, Yamunā, Aciravati, Sarabhū en Mahī, zodra zij de oceaan bereiken, hun vroegere namen en aanduidingen verliezen en gewoon als de oceaan gelden, evenzo ook verliezen degenen die tot de vier kasten behoren – edellieden, brahmanen, burgers en dienaren – wanneer zij in de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline uit het huis in de huisloosheid zijn vertrokken, hun vroegere namen en aanduidingen en gelden gewoon als ascetendiscipelen van de Sakya-zoon. Dat is de vierde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan geen toename noch een afname toont, ondanks alle erin stromende rivieren en alle regenbuien die vanuit de hemel neerstorten, evenzo ook toont – zelf als veel monniken in het van elke rest van bestaan vrije Nibbana-element ingaan – het Nibbana-element geen toename noch een afname. Dat is de vijfde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan van een enkele smaak is doordrongen, de smaak van zout, evenzo ook is deze leer en discipline van een enkele smaak doordrongen, de smaak van de bevrijding. Dat is de zesde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan rijke en veelvuldige schatten in zich bergt, evenzo ook bergt deze leer en discipline rijke en veelvuldige kostbaarheden in zich, zoals: de vier grondslagen van oplettendheid (satipatthana), de vier juiste inspanningen (padhāna), de vier grondslagen van geestelijke krachten (iddhi-pāda), de vijf vaardigheden (bala), de vijf krachten, de zeven factoren van Verlichting (bojjhanga), en het edele achtvoudige pad (magga). Dat is de zevende verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Pahārāda, juist zoals de oceaan het tehuis is van geweldige levende wezens, evenzo ook is deze leer en discipline het tehuis van geweldige wezens, zoals: de in de stroom getredene en degene die op weg is het doel van stroomintrede te verwerkelijken; de eenmaal wederkerende en degene die op weg is het doel van eenmaal wederkeer te verwerkelijken; de niet meer wederkerende en degene die op weg is het doel van niet meer wederkeer te verwerkelijken; de heilige en degene die op weg is de heiligheid te verwerkelijken. Dat is de achtste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

        Deze acht verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen merken de monniken en en daarom beleven zij genoegen aan deze leer en discipline."[34]

A.VIII.20. Uposatha

Deze leerrede is ook in Udana 5.5.

Hoofdstuk 3. gahapati-vagga

A.VIII.21. Ugga uit Vesālī

Eens verbleef de Verhevene in het Grote Bos te Vesālī, in de hal van het huis met puntgevels. Daar wendde de Verhevene zich tot de monniken en zei:

"Monniken, weet dat bij Ugga, het gezinshoofd uit Vesālī,[35] acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen te vinden zijn." Zo sprak de Verhevene, en na deze woorden stond hij op van zijn zitplaats en ging naar zijn kloostercel.

Een van de monniken nu ging, nadat hij zich 's morgens vroeg had aangekleed, met oppergewaad en  aalmoezennap voorzien, naar de woning van Ugga, het gezinshoofd uit Vesālī. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op de hem toegewezen zitplaats zitten. En het gezinshoofd Ugga kwam naar hem toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Toen zei die monnik tegen Ugga:

"Gezinshoofd, de Verhevene heeft verklaard dat acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen bij jou worden aangetroffen. Welke zijn deze acht?"

"Heer, weliswaar weet ik niet welke acht eigenschappen de Verhevene heeft bedoeld, maar luister naar de volgende acht eigenschappen die bij mij te vinden zijn en let op mijn woorden."

        “Ja, gezinshoofd,” gaf die monnik ten antwoord, en Ugga zei:

"Heer, toen ik de Verhevene voor de eerste keer van verre zag, voelde alleen al bij de aanblik mijn hart vertrouwen tot de Verhevene. Heer, dit is de eerste buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, met een vertrouwend hart bediende ik de Verhevene. En de Verhevene gaf mij een trapsgewijs onderricht over de vrijgevigheid, de deugdzaamheid, de hemelse werelden; en hij belichtte de ellende, de zwakheid en onreinheid van de zinnelijke lusten en de zegen van de verzaking. Toen dan de Verhevene merkte dat mijn geest rijp was, soepel, zonder innerlijke belemmeringen, in een verheven gemoedstoestand en vol vertrouwen, toen toonde hij de verkondiging van de leer die aan verlichte mensen eigen is: de leer van het lijden, van het ontstaan van het lijden, van het opheffen van het lijden en van het pad. En net zoals een schoon, smetteloos gewaad onmiddellijk kleur aanneemt, net zo ging in mij, terwijl ik nog op mijn plaats zat, het onverstoorde, smetteloze oog voor de leer open: 'Alles dat ontstaat, moet vergaan'. En de leer ziende, de leer verwerkelijkende, de leer kennende, de leer doordringende, aan twijfel ontkomen, bevrijd van weifelen, vervuld van zekerheid, door niemand anders beïnvloed (in het vertrouwen) tot de instructie van de Meester, nam ik terstond mijn toevlucht tot de Verlichte, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken, en ik nam de regels van deugdzaamheid op me, met de kuisheid als vijfde. Heer, dit is de tweede buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer ik had er vier jonge echtgenoten. Ik ging nu naar deze vier vrouwen en zei tegen haar: 'Zusters, ik heb nu de regels van deugdzaamheid op me genomen, met de kuisheid als vijfde. Degenen onder jullie die dat wensen, kunnen hier van deze bezittingen genieten en goede werken doen, of naar haar familieleden gaan. Degene echter die een man wil hebben, moet me vertellen tot wie ik haar moet brengen.' Na deze woorden vroeg de oudste echtgenote mij, haar naar een bepaalde man te brengen. Toen, Heer, liet ik die man komen, met mijn linkerhand pakte ik de hand van de echtgenote vast en met de rechterhand het gouden waterschaaltje vasthoudende (met het ritueel dat ook thans nog gebruikelijk is, waarbij water over de handen van het paar gegoten wordt), gaf ik haar aan die man. Maar Heer, terwijl ik zo mijn jeugdige vrouw weggaf, merkte ik geen verandering in mijn hart. Heer, dit is de derde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Er bevinden zich in mijn familie rijkdommen. Heer, deze verdeel ik zonder onderscheid onder moreel zuivere mensen die toegewijd zijn aan het goede. Heer, dit is de vierde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, elke monnik die ik bedien, bedien ik met eerbetoon, niet oneerbiedig. Heer, dit is de vijfde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, als die eerwaarde mij nu de leer voordraagt, dan  luister ik vol eerbetoon, niet oneerbiedig. Maar als hij dat niet doet, dan draag ik hem de leer voor. Heer, dit is de zesde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, het is weliswaar niet wonderbaarlijk, wanneer hemelse wezens naar mij toe komen en zeggen: 'De leer is door de Verhevene goed uitgelegd, gezinshoofd,' en ik  aan hen ten antwoord geef: 'Godheden, of jullie mij dit vertellen of niet, dan is de leer toch zeker goed uitgelegd door de Verhevene.' Maar ik zou niet weten dat daardoor in mijn hart de waan ontstond: 'Ja, de hemelse wezens bezoeken mij en ik onderhoud mij met hen.' Heer, dit is de zevende buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, wat die vijf lagere boeien betreft die door de Verhevene zijn getoond, zo zie ik geen ervan die ik niet van mij heb verwijderd. Heer, dit is de achtste buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, deze acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen zijn bij mij te vinden. Maar ik weet niet met welke acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen ik volgens de Verhevene  begiftigd ben."

Nadat nu die monnik in de woning van Ugga zijn aalmoezenvoedsel in ontvangst had genomen, stond hij  van zijn zitplaats op en vertrok. En 's middags, nadat de maaltijd voorbij was, ging hij naar de Verhevene. Daar aangekomen, begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend gaf die monnik verslag van het hele gesprek dat hij met Ugga, het gezinshoofd uit Vesālī, had gevoerd.

(En de Verhevene sprak:) "Goed, goed, monnik. Zoals Ugga het zo correct heeft uitgelegd, als voorzien van deze buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen, heb  ik hem uitgelegd. En als met deze acht eigenschappen uitgerust, mogen jullie, monniken, je aan Ugga, het gezinshoofd herinneren."

A.VIII.22. Ugga uit Hatthigāma

Eens vertoefde de Verhevene in het land van de Vajji bij Hatthigāma (Olifantendorp). Daar wendde de Verhevene zich tot de monniken: “Weet, monniken dat bij Ugga, het gezinshoofd uit Hatthigāma, acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen te vinden zijn." Zo sprak de Verhevene, en na deze woorden stond hij op van zijn zitplaats en ging naar zijn kloostercel.

Een van de monniken nu ging, nadat hij zich 's morgens vroeg had aangekleed, met oppergewaad en  aalmoezennap voorzien, naar de woning van Ugga, het gezinshoofd uit Hatthigāma. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op de hem toegewezen zitplaats zitten. En het gezinshoofd Ugga kwam naar hem toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Toen zei die monnik tegen Ugga:

"Gezinshoofd, de Verhevene heeft verklaard dat acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen bij jou worden aangetroffen. Welke zijn deze acht?"

        "Heer, weliswaar weet ik niet welke acht eigenschappen de Verhevene heeft bedoeld, maar luister naar de volgende acht eigenschappen die bij mij te vinden zijn en let op mijn woorden."

        “Ja, gezinshoofd,” gaf die monnik ten antwoord, en Ugga zei:

        "Heer, toen ik in het Nagabosje rondliep en de Verhevene voor de eerste keer van verre zag, voelde alleen al bij de aanblik mijn hart vertrouwen tot de Verhevene en mijn roes die door wijn veroorzaakt was, verdween. Heer, dit is de eerste buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, met een vertrouwend hart bediende ik de Verhevene. En de Verhevene gaf mij een trapsgewijs onderricht over de vrijgevigheid, de deugdzaamheid, de hemelse werelden; en hij belichtte de ellende, de zwakheid en onreinheid van de zinnelijke lusten en de zegen van de verzaking. Toen dan de Verhevene merkte dat mijn geest rijp was, soepel, zonder innerlijke belemmeringen, in een verheven gemoedstoestand en vol vertrouwen, toen toonde hij de verkondiging van de leer die aan verlichte mensen eigen is: de leer van het lijden, van het ontstaan van het lijden, van het opheffen van het lijden en van het pad. En net zoals een schoon, smetteloos gewaad onmiddellijk kleur aanneemt, net zo ging bij mij, terwijl ik nog op mijn plaats zat, het onverstoorde, smetteloze oog voor de leer open: 'Alles dat ontstaat, moet vergaan'. En de leer ziende, de leer verwerkelijkende, de leer kennende, de leer doordringende, aan twijfel ontkomen, bevrijd van weifelen, vervuld van zekerheid, door niemand anders beïnvloed (in het vertrouwen) tot de instructie van de Meester, nam ik terstond mijn toevlucht tot de Verlichte, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken, en ik nam de regels van deugdzaamheid op me, met de kuisheid als vijfde. Heer, dit is de tweede buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer ik had er vier jonge echtgenoten. Ik ging nu naar deze vier vrouwen en zei tegen haar: 'Zusters, ik heb nu de regels van deugdzaamheid op me genomen, met de kuisheid als vijfde. Degenen onder jullie die dat wensen, kunnen hier van deze bezittingen genieten en goede werken doen, of naar haar familieleden gaan. Degene echter die een man wil hebben, moet me vertellen tot wie ik haar moet brengen.' Na deze woorden vroeg de oudste echtgenote mij, haar naar een bepaalde man te brengen. Toen, Heer, liet ik die man komen, met mijn linkerhand pakte ik de hand van de echtgenote vast en met de rechterhand het gouden waterschaaltje vasthoudende (met het ritueel dat ook thans nog gebruikelijk is, waarbij water over de handen van het paar gegoten wordt), gaf ik haar aan die man. Maar Heer, terwijl ik zo mijn jeugdige vrouw weggaf, merkte ik geen verandering in mijn hart. Heer, dit is de derde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Er bevinden zich in mijn familie rijkdommen. Heer, deze verdeel ik zonder onderscheid onder moreel zuivere mensen die toegewijd zijn aan het goede. Heer, dit is de vierde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, elke monnik die ik bedien, bedien ik met eerbetoon, niet oneerbiedig. Heer, als die eerwaarde mij nu de leer voordraagt, dan luister ik vol eerbetoon, niet oneerbiedig. Maar als hij dat niet doet, dan draag ik hem de leer voor. Heer, dit is de vijfde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, het is weliswaar niet wonderbaarlijk, wanneer bij uitgenodigde discipelen hemelse wezens naar mij toe komen en zeggen: 'Gezinshoofd, deze monnik is een beiderzijds bevrijde, die monnik is door wijsheid bevrijd, die is een lichaamsgetuige, die is rijp in inzicht, die is iemand die door vertrouwen bevrijd is, die is iemand die de Dhamma toegewijd is, die is iemand die vol vertrouwen is,[36] die monnik is rein van zeden en het goede toegedaan, die is zedeloos en het slechte toegedaan.' Maar terwijl ik de discipelen bedien, zou ik niet weten dat bij mij daarbij de gedachte was opgekomen: 'Aan deze zal ik weinig geven en aan die veel', maar Heer, ik geef met heel gelijke gezindheid. Heer, dit is de zesde buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, het is weliswaar niet wonderbaarlijk, wanneer hemelse wezens naar mij toe komen en zeggen: 'De leer is door de Verhevene goed uitgelegd, gezinshoofd,' en ik aan hen dan ten antwoord geef:  'Godheden, of jullie mij dit vertellen of niet, dan is de leer toch zeker goed uitgelegd door de Verhevene.' Maar ik zou niet weten dat daardoor in mijn hart de waan ontstond: 'Ja, de hemelse wezens bezoeken mij en ik onderhoud mij met hen.' 'Heer, dit is de zevende buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

Heer, als ik vóór de Verhevene sterf, dan zou het niet te verwonderen zijn wanneer de Verhevene van mij zou zeggen: 'Die boei bestaat niet meer waarin het gezinshoofd Ugga uit Hatthigāma verstrikt zou kunnen zijn en weer naar deze wereld zou kunnen terugkeren.' Heer, dit is de achtste buitengewone, wonderbaarlijke eigenschap die bij mij te vinden is.

        Heer, deze acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen zijn bij mij te vinden. Maar ik weet niet met welke acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen ik volgens de Verhevene  begiftigd ben."

        (De rest is als in de voorgaande leerrede A.VIII.21)

A.VIII.23. Hatthaka uit Ālavi. I

Eens verbleef de Verhevene te Alavi bij het belangrijkste heiligdom van de Alavas. Daar wendde de Verhevene zich tot de monniken en zei dat bij Hatthaka uit Ālavi acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen te vinden zijn. Welke zeven?

Hatthaka uit Ālavi is vol vertrouwen, moreel zuiver, heeft schaamte en morele vrees, is rijk aan weten, vrijgevig en wijs, en hij bezit bescheidenheid.

A.VIII.24. Hatthaka uit Ālavi. II

(Viervoudige gunst)

Eens verbleef de Verhevene bij Ālavi, bij het belangrijkste heiligdom van de Ālavas. Toen ging Hatthaka uit Ālavi met een gevolg van vijfhonderd volgelingen naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. En de Verhevene sprak als volgt tot hem:

"Groot, waarlijk, Hatthaka, is jouw gevolg. Hoe heb je, Hatthaka, zo'n groot gevolg gekregen?"

"Heer, het zijn de vier soorten van gunsten[37] die door de Verhevene zijn getoond; daardoor heb ik zo'n groot gevolg gekregen. Van wie ik namelijk weet, Heer, dat hij door gaven kan worden gewonnen, die win ik door gaven. Van wie ik weet dat hij door liefdevolle woorden gewonnen kan worden, die win door liefdevolle woorden. Van wie ik weet dat hij door behulpzaam gedrag  kan worden gewonnen, die win ik door behulpzaam gedrag. Van wie ik weet dat hij door het blijk geven van gelijkheid kan worden gewonnen, die win ik door het blijk geven van gelijkheid. Maar Heer, ik heb ook rijkdom in mijn huis, want men gelooft niet dat men naar een arme op deze manier moet luisteren."

"Juist zo, correct, Hatthaka. Je hebt de middelen om een ​​groot gevolg te krijgen. Want allen, Hatthaka, die in het verleden een groot gevolg kregen, zij allen kregen hun gevolg door deze vier soorten van gunst. En Hatthaka, ook allen die in de toekomst een groot gevolg zullen krijgen, zij allen zullen hun gevolg krijgen door deze vier soorten van gunst. En Hatthaka, ook degenen die nu in het heden een grote gevolg krijgen, zij allen krijgen hun groot gevolg door deze vier soorten van gunst."

En Hatthaka uit Ālavi, door het leergesprek van de Verhevene geïnstrueerd, vermaand, aangemoedigd en aangespoord, stond op van zijn zitplaats, begroette de Verhevene eerbiedig en vertrok, met zijn rechterkant naar hem toekerend. Kort nu nadat Hatthaka was vertrokken, wendde de Verhevene zich tot de monniken:

"Monniken, weet dat Hatthaka uit Ālavi acht buitengewone, wonderbaarlijke eigenschappen heeft: hij is vol vertrouwen, moreel zuiver, heeft schaamte en morele vrees, is rijk aan weten, vrijgevig en bescheiden. Als met deze acht buitengewone wonderbaarlijke eigenschappen voorzien mogen jullie hem kennen."

A.VIII.25. De lekenvolgeling I

Eens verbleef de Verhevene in het vijgenboom-klooster bij Kapilavatthu. Toen ging de Sakya Mahānāma (hij staat aan de top van degenen die uitgelezen spijzen geven) naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en zei: "Heer, 'In hoeverre is iemand een lekenvolgeling (upāsaka)?"

“Als iemand zijn toevlucht heeft genomen tot de Boeddha, zijn toevlucht heeft genomen tot de Dhamma, zijn toevlucht heeft genomen tot de Sangha, in zoverre Mahānāma, is iemand een lekenvolgeling.”

“Maar in hoeverre is een lekenvolgeling deugdzaam?”

“Als een lekenvolgeling zich onthoudt van het nemen van leven, van het nemen wat niet is gegeven, van verkeerd seksueel genot, van verkeerd taalgebruik, en van alcoholische dranken, en andere bedwelmende middelen, die de oorzaak zijn van onoplettendheid, in zoverre is een lekenvolgeling deugdzaam.”

"Heer, in hoeverre leeft een lekenvolgeling voor zijn eigen welzijn, maar niet voor het welzijn van anderen?”

"Mahanama, wanneer een lekenvolgeling zelf vertrouwen, deugd en vrijgevigheid heeft, maar anderen niet aanmoedigt om vertrouwen, deugd en vrijgevigheid te verkrijgen; als hij zelf graag monniken bezoekt en naar de Goede Wet luistert, maar anderen niet aanmoedigt om dat te doen; als hij zelf de leringen onthoudt en de betekenis van die leringen zorgvuldig onderzoekt, maar anderen niet aanmoedigt om dat te doen; als hij zelf, na zowel de letter als de betekenis begrepen te hebben,  leeft in overeenstemming met de Dhamma, maar anderen niet aanmoedigt om dat te doen; - in zoverre, Mahānāma, leeft een lekenvolgeling voor zijn eigen welzijn, maar niet voor het welzijn van anderen.”

"Heer, in hoeverre leeft een lekenvolgeling voor het welzijn van zichzelf en anderen?”

"Mahānāma, wanneer een lekenvolgeling zelf vertrouwen, deugd en vrijgevigheid heeft, en  ook anderen aanmoedigt om vertrouwen, deugd en vrijgevigheid te verkrijgen; als hij zelf graag monniken bezoekt en naar de Goede Wet luistert, en hij ook anderen aanmoedigt om dat te doen; als hij zelf de leringen onthoudt en hun betekenis zorgvuldig onderzoekt, en als hij ook anderen aanmoedigt om dat te doen; als hij zelf, na zowel de letter als de betekenis begrepen te hebben, leeft in overeenstemming met de Dhamma en ook anderen aanmoedigt om dat te doen; - in zoverre leeft een lekenvolgeling voor het welzijn van zowel zichzelf als dat van anderen.”

A.VIII.26. De lekenvolgeling II

De plaats is hier het mango-park van Jīvaka; de vragende is de arts Jīvaka. De tekst is gelijkluidend met  die van A.VIII.25. 

A. VIII.27. Acht krachten

Er zijn acht krachten, monniken. Welke acht?

De kracht van de kinderen, monniken, bestaat in hun huilen; de kracht van de vrouwen bestaat in haar ontstemdheid[38]; de kracht van de rovers bestaat in hun wapens; de kracht van de vorsten bestaat in hun heerschappij; de kracht van de dwazen bestaat in hun prikkelbaarheid[39]; de kracht van de wijzen bestaat in hun nadenken[40]; de kracht van degene die rijk aan weten is, bestaat in zijn zorgvuldige overweging; de kracht van de asceten en priesters bestaat in hun verdraagzaamheid. Deze acht krachten zijn er, monniken.”

A.VIII.28. Het zelf-inzicht van de heilige

De Verhevene  vroeg aan de eerwaarde Sariputta: "Hoeveel krachten, Sāriputta, bezit de monnik in wie de neigingen uitgedroogd zijn, waarmee hij voorzien is en inziet dat de neigingen in hem zijn opgedroogd?"

        - "Heer, er zijn acht krachten, en wel: de monnik in wie de neigingen zijn uitgedoofd, heeft overeenkomstig de werkelijkheid,  met de juiste wijsheid duidelijk ingezien dat alle samengestelde dingen vergankelijk zijn.

Bovendien, Heer, heeft de monnik in wie de neigingen zijn uitgedoofd, overeenkomstig de werkelijkheid, in juiste wijsheid duidelijk ingezien dat de zinnelijke genoegens zijn als een kuil vol met gloeiende kolen.

Bovendien, Heer, is het hart van de monnik in wie de neigingen tot uitdoving zijn gekomen, geneigd tot onthechting, toegewijd aan onthechting, gericht op onthechting, volhardend in onthechting, vreugde vindend in de verzaking, volledig bevrijd van de dingen die de neigingen oproepen.

Verder, Heer, heeft de monnik in wie de neigingen zijn uitgedoofd, de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en goed ontwikkeld - heeft de vier juiste inspanningen ontplooid en goed ontwikkeld - heeft de vier wegen naar macht ontplooid en goed ontwikkeld - heeft de vijf vaardigheden ontplooid en goed ontwikkeld - heeft de vijf krachten ontplooid en goed ontwikkeld - heeft de zeven factoren van Verlichting ontplooid en  goed ontwikkeld - heeft het edele achtvoudige pad ontplooid en goed ontwikkeld.[41] 

Heer, ook dit zijn krachten van de monnik in wie de neigingen zijn uitgedoofd, op basis waarvan hij het opdrogen van zijn neigingen aldus inziet: 'De neigingen zijn in mij opgedroogd.'

Heer, dit zijn de krachten die de monnik bezit in wie de neigingen zijn uitgedroogd.”

A.VIII.29. De gunstige gelegenheid voor het  heilige leven

'Op het juiste moment verricht de wereld haar werken', zo monniken, spreekt de onervaren wereldling, maar hij kent noch de gunstige noch de ongunstige tijd. Er zijn acht ongunstige tijden, ongunstige gelegenheden, monniken, om het heilige leven te leiden. Welke acht?

Monniken, daar verschijnt de Volmaakte in de wereld, de heilige, volledig Verlichte, die volmaakt is in weten en gedrag, de Gezegende, de kenner van de werelden, de beste leider van mensen die leiding nodig hebben, de Meester van goden en mensen, de Verlichte, de Verhevene. En ook de leer wordt verkondigd, de vrede schenkende, volledig bevrijdende, naar de Verlichting leidende, getoond door de Gezegende.

Maar de mens is in een hel weder verschenen - of in de schoot van dieren - of in het geestenrijk - of in een wereld van langlevende goden - of in de grenslanden onder onverstandige barbaren, waar de monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen  niet komen. - Of hij is weliswaar wedergeboren in de gebieden van het Midden-land[42], maar koestert verkeerde opvattingen en heeft de verkeerde mening: 'Aalmoezen en offers zijn ijdel, er is geen vrucht, geen resultaat van de goede en slechte daden; er bestaat niet zoiets als deze wereld en de volgende wereld; vader, moeder en uit de geest geboren wezens zijn lege woorden; er zijn geen asceten en priesters met een correct en volmaakt gedrag, die  zowel deze wereld als de volgende zelf hebben herkend en ervaren en die ze kunnen uitleggen. - Of de mens is wel  in de gebieden van het Midden-land wedergeboren, maar hij is zonder inzicht, is dom en stompzinnig en niet in staat om onderscheid te maken tussen juiste en verkeerde redevoering. - Of de Volmaakte is niet in de wereld verschenen, en de leer wordt niet verkondigd, hoewel de mens in de gebieden van het Midden-land wedergeboren is en vol inzicht is, niet stompzinnig, maar in staat om goede en verkeerde redevoering te onderscheiden. Dat, monniken, is de achtste ongunstige tijd en gelegenheid om het heilige leven te leiden.

Dat, monniken, zijn de acht ongunstige tijden en gelegenheden om het heilige leven te leiden.

Er is maar één gunstige tijd en gelegenheid, monniken, om het heilige leven te leiden. Welke is die?

Monniken, daar verschijnt de Volmaakte in de wereld, de Heilige, volledig Verlichte, die volmaakt is in weten en gedrag, de Gezegende, de kenner van de wereld, de beste leider van mensen die leiding nodig hebben, de Meester van goden en mensen, de Verlichte, de Verhevene. En ook de leer wordt verkondigd, de vrede schenkende, volledig bevrijdende, naar de Verlichting leidende, getoond door de Gezegende. En de mens wordt in de gebieden van het Midden-land wedergeboren, is vol inzicht, niet dom of stompzinnig, en is in staat om juiste en verkeerde redevoering te onderscheiden. Monniken, dat is de enige tijd en gelegenheid om het heilige leven te leiden.

Wie daar als mens in het bestaan treedt,

waar de wet verkondigd wordt,

maar de gelegenheid niet benut,

die heeft de juiste tijd gemist.

Want veel slechte tijden zijn er,

hinderlijk voor het bereiken van het pad.

Heel zelden is zo'n gelegenheid,

dat er een Boeddha in de wereld leeft.

Maar aan wie dat verleend wordt

wat in de wereld zo zeldzaam is -

dat hij als mens geboren wordt

en het woord van de leer kan horen -

een dergelijk wezen zou ernaar moeten streven

wanneer hem aan zijn heil gelegen is:

'Hoe kan ik de leer begrijpen?

hoe kan ik de juiste tijd benutten? '

Wie het juiste tijdstip heeft verzuimd,

het zekere pad van de leer misloopt,

hij krijgt de kwelling van de hel

en zal er lang spijt van hebben.

Juist zoals een koopman lange tijd

over gemiste winst klaagt,

zo klaagt de mens die door waan bevangen is,

die de goede leer niet heeft benut:

De kringloop van geboorte en dood

zal hem nog lang ten deel vallen.

Maar wie als mens daar geboren werd

waar men de wet verkondigd,

de instructie van de Meester heeft vervuld,

ze nu vervult en in de toekomst ook:

die heeft de juiste tijd ingezien

en de hoogste heiligheid van de wereld,

indien hij het pad heeft bewandeld,

dat de Volmaakte hem toonde. -

In de beteugeling van de zintuigen die ons

de Ziener toonde die uit het licht ontsproot,

behoed, altijd vol oplettendheid,

laat men zo vertoeven, van vlekken vrij.

Wie die neigingen vernietigt

die naar het rijk van Māra dringen,

die is van elke drang bevrijd,

die heeft de stroom van het bestaan ​​overgestoken.

A.VIII.30. De acht gedachten van een groot man

        Eens verbleef de Verhevene in het land Bhagga, nabij Sumsumāragira, in het Bhesakalā-bos, in het wildpark. Op die tijd nu leefde de eerwaarde Anuruddha in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark. Terwijl hij daar eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam bij hem de volgende gedachte op:

        "Deze leer is alleen geschikt voor de bescheidenen, niet voor de onbescheidenen. Deze leer is alleen geschikt voor de genoegzame, niet voor de veeleisende. Deze leer is alleen geschikt voor de afgezonderde, niet voor degene die gezelligheid zoekt. Deze leer is alleen geschikt voor degene met sterke wil, niet voor de trage. Deze leer is alleen geschikt voor de oplettende, niet voor de onoplettende. Deze leer is alleen geschikt voor degene die geestelijk geconcentreerd is, niet voor de ongeconcentreerde. Deze leer is alleen geschikt voor de wijze, niet voor de onwijze."

        De Verhevene herkende in zijn geest de overwegingen van de eerwaarde Anuruddha en verdween in een handomdraai[43] uit het Bhesakalā-bos en kwam in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark weer te voorschijn voor de eerwaarde Anuruddha. Hij ging op de hem aangeboden zitplaats zitten. De eerwaarde Anuruddha begroette de Verhevene vol eerbied en ging terzijde zitten. Daarna zei de Verhevene tot hem:

        "Goed zo, Anuruddha, goed zo. Je hebt de zeven gedachten van een groot man goed overwogen. Dan kun je ook nog de volgende achtste gedachte van een groot man overwegen: 'Alleen voor degene die toegewijd is tot het niet wereldlijke[44], voor degene die zich verheugt aan het niet wereldlijke is deze leer geschikt, niet voor degene die toegewijd is tot het wereldlijke, die zich aan het wereldlijke verheugt.'

        Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt, dan kun je naar wens, geheel afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, de eerste jhana bereiken, die met indrukken, overwegingen en redeneren gepaard gaat, in afzondering geboren en vervuld van vervoering en zaligheid. Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt, dan kun je naar wens de tweede jhana bereiken, welke vrij is van overwegingen en redeneren en vol vreugde en vervoering is. Dan kun je de derde jhana bereiken welke vrij is van overwegingen en redeneren, en vol vreugde en vervoering is. Dan kun je de vierde jhana bereiken, in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust.

        Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt en jij deze vier jhanas, de verheven geestelijke, die tijdelijk welzijn verlenen, geheel naar wens, zonder moeite en inspanning bereikt, dan zal jou, Anuruddha, in jouw genoegzaamheid jouw gewaad uit lompen zo voorkomen zoals een gezinshoofd of zijn zoon de met veel bonte gewaden gevulde kleerkast voorkomt; nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon onder alle soorten rijst de van zwarte korrels gezuiverde, met allerlei sauzen en bestanddelen voorziene rijst voorkomt, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid de uit brokken bestaande aalmoezenspijs voorkomen; nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon zijn huis met topgevel voorkomt, binnen en buiten bepleisterd, tegen de wind beschermd, vergrendeld, met afsluitbare ramen, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid de legerstede voorkomen, nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden, tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon zijn rustplaats voorkomt, die bedekt is met een witte wollen deken met franjes en met bloemenmotief, of bedekt met een mooi antilopenvel en voorzien van een bedsprei en purperen kussens aan beide bed-einden, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid een legerstede uit stro als slaapplaats voorkomen; nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon de verschillende geneesmiddelen voorkomen, zoals boterolie, boter, olie, honing en suiker, evenzo zal jou dan bedorven runderurine als geneesmiddel[45] voorkomen, nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana.

        Anuruddha, zo kun je dan ook de komende regentijd hier in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark doorbrengen."

        "Ja, Heer," gaf de eerwaarde Anuruddha aan de Verhevene ten antwoord.

        De Verhevene ging toen snel terug naar Sumsumāragira in het land Bhagga, in het Bhesakalā-bos. Daar ging hij op de gereed gemaakte zitplaats zitten en zei tot de monniken:

        "Monniken, de acht gedachten van een groot man zal ik jullie tonen. Luister goed en let goed op mijn woorden. De acht gedachten van een groot man zijn de volgende:

        'Deze leer is alleen geschikt voor de bescheidene, niet voor de onbescheidene.

        Deze leer is alleen geschikt voor de genoegzame, niet voor de ongenoegzame.

        Deze leer is alleen geschikt voor de afgezonderde, niet voor degene die gezelligheid zoekt.

        Deze leer is alleen geschikt voor degene met sterke wil, niet voor de trage.

        Deze leer is alleen geschikt voor de oplettende, niet voor de onoplettende.

        Deze leer is alleen geschikt voor degene die geestelijk geconcentreerd is, niet voor de ongeconcentreerde.

        Deze leer is alleen geschikt voor de wijze, degene met inzicht, niet voor degene zonder inzicht.

        Deze leer is alleen geschikt voor degene die toegewijd is tot het niet wereldlijke, voor degene die zich over het niet wereldlijke verheugt, niet voor degene die toegewijd is tot het wereldlijke, die aan het wereldlijke vreugde vindt.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de bescheidene, niet voor de onbescheidene.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, hoewel de monnik bescheiden is, wenst hij niet dat men hem als bescheiden kent. Hoewel hij genoegzaam is, wenst hij niet dat men hem als genoegzaam kent. Hoewel hij afgezonderd is, wenst hij niet dat men hem als afgezonderd kent. Hoewel hij een sterke wil heeft, wenst hij niet dat men hem kent als iemand met sterke wil. Hoewel hij oplettend is, wenst hij niet dat men hem als oplettend kent. Hoewel hij geconcentreerd is, wenst hij niet dat men hem als geconcentreerd kent. Hoewel hij verstandig is, inzicht heeft, wenst hij niet dat men hem als iemand met inzicht kent. Hoewel hij het niet wereldlijke is toegewend, zich aan het niet wereldlijke verheugt, wenst hij niet dat men hem kent als iemand die het niet wereldlijke is toegewend, die zich aan het niet wereldlijke verheugt.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de bescheidene, niet voor de onbescheidene.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de genoegzame, niet voor de ongenoegzame.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        De monnik is tevreden met elke soort van gewaad, aalmoezenspijs, legerstede en geneesmiddel.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de genoegzame, niet voor de ongenoegzame.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de afgezonderde, niet voor degene die gezelligheid zoekt.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, wanneer de afgezonderd vertoevende monnik bezocht wordt door monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, vorsten, koninklijke ambtenaren, geloofsleraren en discipelen van geloofsleraren, dan spreekt hij alleen woorden die erop gericht zijn [de bezoekers] te ontslaan,[46] en wel met een geest die geneigd is naar de afzondering, die gewijd is aan de afzondering, die toegewend tot de afzondering, met een geest die afgezonderd blijft, die aan verzaking vreugde vindt.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de afgezonderde, niet voor degene die gezelligheid zoekt.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor degene met sterke wil, niet voor de trage.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, daar zet de monnik zijn wilskracht in om de onheilzame dingen te overwinnen en de heilzame dingen tot ontstaan te brengen. Hij is standvastig, met een ijzeren wil vervuld, niet achteloos in het goede.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor degene met een sterke wil, niet voor de trage.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de oplettende, niet voor de onoplettende.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, daar bezit de monnik oplettendheid, is voorzien van de hoogste oplettendheid en bezonnenheid. Zelfs wat lang geleden gedaan of gezegd werd, dat herinnert hij zich.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de oplettende, niet voor de onoplettende.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor degene die geestelijk geconcentreerd is, niet voor de ongeconcentreerde.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, daar verkrijgt de monnik, geheel afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, de eerste, tweede, derde en vierde meditatieve verdieping.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de geestelijk geconcentreerde, niet voor de ongeconcentreerde.'         

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de wijze, degene met inzicht, niet voor degene zonder inzicht.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, daar is de monnik met wijsheid vervuld; hij bezit wijsheid ten aanzien van het ontstaan en vergaan, een wijsheid die edel is, doordringend, die naar volledige bevrijding van lijden leidt.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen geschikt voor de wijze, niet voor degene zonder inzicht.'

        Er werd gezegd: 'Deze leer is alleen voor degene die toegewijd is tot het niet wereldlijke, die zich over het niet wereldlijke verheugt, niet voor degene die toegewijd is tot het wereldlijke, die aan het wereldlijke vreugde vindt.' Met inachtneming waarvan werd dit gezegd?

        Monniken, daar dringt de geest van de monnik naar opheffing van het wereldlijke, vrolijkt daarin op, vestigt zich erin, vindt daarin zijn bevrijding.

        Met inachtneming hiervan is gezegd: 'Deze leer is alleen voor degene die toegewijd is tot het niet wereldlijke, die zich over het niet wereldlijke verheugt, niet voor degene die toegewijd is tot het wereldlijke, die aan het wereldlijke vreugde vindt.'”

        En de eerwaarde Anuruddha bracht nu ook de komende regentijd door op dezelfde plaats, in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark. Terwijl hij daar eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten vertoefde, toen kwam hij na niet lange tijd in het bezit van dat hoogste doel van het reinheidsleven omwille waarvan edele zonen helemaal van huis weggaan in de huisloosheid, doordat hij het zelf inzag en verwerkelijkte. En hij zag in: "De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, gedaan is wat gedaan moest worden, hierna is niets verder meer te doen." Zo was de eerwaarde Anuruddha een van de heiligen geworden.

        Toen evenwel de eerwaarde Anuruddha de heiligheid bereikt had, sprak hij op dat ogenblik de volgende verzen:

        "Toen de hoogste Meester in de wereld

        de gedachten in mij zag,

        kwam hij met geest-geproduceerd lichaam

        door magische kracht naar mij toe.

        Wat ik in mijn geest overwoog,

        de Meester onderwees nog meer:

        de bovenwereldlijke zalige Boeddha

        wees mij wat boven de wereld uit gaat.

        Ik doorschouwde zijn wet

        en vond vreugde aan zijn woord.

        Drie soorten weten heb ik verkregen,

        de instructie van de Meester is vervuld."[47]

Hoofdstuk 4. dāna-vagga

A.VIII.31. Het geven I

        Er zijn acht soorten van geven, namelijk:

1. Men geeft spontaan gaven.

2. Of men geeft gaven uit angst [voor verwijten].

3. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men heeft ook aan mij gegeven."

4. Of men geeft gaven omdat het geven iets goeds is.

5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men zal mij iets terug geven."

6. Of men geeft met de gedachte: "Ik kook immers, maar deze niet; en het is niet juist voor mij die kookt, dat ik aan de niet-kokende geen gaven geef."

7. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal zich over mij een goede naam verspreiden."

8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart.

        Deze acht soorten van geven zijn er.

A.VIII.32. Het geven II

        Vertrouwen, schaamte en edel geven

        zijn alle goede mensen dierbaar;

        want ze zijn voorwaar een hemel-voertuig,

        waarmee men naar de hemel gaat.

A.VIII.33. Het geven III

        Er zijn acht soorten van geven, namelijk:

1. Men geeft gaven uit genegenheid [d.w.z. uit persoonlijke toeneiging].

2. Men geeft gaven uit ergernis.

3. Men geeft gaven uit verblinding.

4. Men geeft gaven uit angst.

5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Wat vroeger door de grootvader gegeven en gedaan werd, van die oude familietraditie mag ik niet afwijken."

6. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal ik na de dood op een goede weg, in de hemelse wereld weer verschijnen."

7. Of men geeft met de gedachte: : "Wanneer ik deze gave geef, verblijdt zich mijn gemoed, en tevredenheid en blijdschap komen bij mij op."

8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart.

        

        Deze acht soorten van geven zijn er.

A.VIII.34. Het vruchtbare veld

        Het zaad dat op een veld is uitgestrooid dat de volgende acht eigenschappen heeft, toont geen grote vruchten, geen goede smaak, geen hoge groei. Die acht eigenschappen zijn:

        Het veld is vol verheffingen en dalingen, vol stenen en steenslag, bevat zout, is niet diep genoeg gelegen, bezit geen toevoer, geen afvoer, geen watergeul, geen indammingen.

        Evenzo brengt de gave die men geeft aan asceten en priesters die de volgende acht eigenschappen bezitten, geen rijke vruchten, geen hoge zegen, is zonder grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn:

        De asceet of priester heeft verkeerd inzicht, heeft een verkeerd denken, heeft verkeerd taalgebruik, heeft verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerd streven, verkeerde oplettendheid en verkeerde geestelijke concentratie.

        De gave die men geeft aan iemand die deze acht eigenschappen bezit, draagt geen grote vruchten, brengt geen hoge zegen, is zonder waarde, zonder invloed.

        Maar het zaad dat uitgestrooid is over een veld dat acht eigenschappen bezit, brengt grote vruchten, een goede smaak en hoge groei. Die acht eigenschappen zijn:

        Het veld heeft geen verheffingen en dalingen, geen stenen en steenslag, bevat geen zout, is diep gelegen, bezit een toevoer en afvoer, heeft een watergeul en indammingen.

        Evenzo brengt de gave die men geeft aan een asceet of priester die de volgende acht eigenschappen heeft, rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed. Die acht eigenschappen zijn:

        De asceet of brahmaan heeft juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste oplettendheid en juiste geestelijke concentratie.

        De gave die men aan iemand met deze acht eigenschappen geeft, brengt rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed.

                

"Volmaakte gave aan degene die rein van zeden is

        brengt aan de gever een volmaakt geluk,

        omdat de daad volmaakt is.

        Wie naar volmaakt geluk streeft,

        moet daarom eerst zelf volmaakt zijn

        en wijze vrienden navolgen.

        Dan vindt hij of zij volmaaktheid.

Wie wetend rondgaat, meesterschap heeft bereikt,

        en ook volmaakt is in het hart,

        die verricht alleen volmaakte daad

        en hij bereikt het volmaakte heil.

        Hij onderkent de wereld zoals ze is

        en heeft de juiste blik bereikt.

        Hij volgt het juiste pad

        en gaat met juiste geest.

        Wie alle stof heeft afgeschud

        wie het geluk van Nibbana heeft bereikt,

        die is van alle lijden bevrijd.

        Dat is het hoogste heil.

A.VIII.35. Wedergeboorte afhankelijk van geven

        Er zijn acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van geven, en wel:

        1. Men geeft aan een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men ziet machtige edelen, brahmanen of burgers in het bezit en genot van de vijf zintuiglijke vreugden, omgeven met de vijf zintuiglijke vreugden. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood onder machtige edelen, brahmanen of burgers wedergeboren mag worden." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zulke gedachten, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, leiden hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij onder machtige edelen, brahmanen of burgers. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartenwens van de deugdzame gaat ten gevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.

        2-7. Verder, men geeft aan een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de hemelse wereld van de Vier Grote Koningen – de goden in de hemelse wereld van de Drieëndertig – de gelukzalige goden – de tevreden goden – de goden die graag scheppen – de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden in de hemel van de Vier Grote Koningen – in de hemel van de Drieëndertig – in de hemel van de gelukzalige goden – in de hemel van de tevreden goden – in de hemel van de goden die graag scheppen – in de hemel van de goden die heersen over de scheppingen van anderen." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En een dergelijke gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, leidt hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij in de hemel van die goden. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartenwens van de deugdzame gaat ten gevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.

        8. Verder, men geeft aan een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de wereld van Brahmā. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden bij de goden in de hemel van Brahmā." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zo'n gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, leidt hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij bij de goden in de hemel van Brahma. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen; voor begeertelozen, niet voor mensen die vol begeerte zijn. Want de hartenwens van de deugdzame gaat ten gevolge van de begeerteloosheid ervan in vervulling.

        Dit zijn de acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van gaven.

A.VIII.36. De drie soorten van verdienstelijk handelen

        Er zijn drie soorten van verdienstelijk handelen, namelijk: het in het geven bestaande verdienstelijke handelen, het in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen, en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen.

        Daar is bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen zwak ontwikkeld; en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in erbarmelijke omstandigheden onder de mensen.

        Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen middelmatig ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in gelukkige omstandigheden onder de mensen.

        Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen sterk ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood bij de goden in de hemel van de Vier Grote Koningen.

        Daar echter overtreffen de Vier Grote Koningen die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker ontwikkeld hebben, de goden van hun gevolg in tien dingen: in hemelse levensduur, hemelse schoonheid, hemels geluk, hemelse roem, hemelse heerschappij, hemelse vormen, hemelse geluiden, hemelse geuren, hemelse smaken en hemelse aanrakingen.        

        Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden van de Drieëndertig. Daar evenwel overtreft Sakka, de koning van de goden, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de goden van de Drieëndertig in juist die tien dingen.

        Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de gelukzalige goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Suyama, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de gelukzalige goden in juist die tien dingen.

        Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de tevreden goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Santusita, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de tevreden goden in juist die tien dingen.

        Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die graag scheppen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Sunimitta, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de goden die graag scheppen in juist die tien dingen.

        Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Vasavatti, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de over de scheppingen van anderen heersende goden in juist deze tien dingen.

        Dat zijn de drie soorten van verdienstelijk handelen.

A.VIII.37. Hoe een goed mens gaven geeft

        Acht gaven geeft een goed mens, namelijk:

Hij geeft een zuivere gave, hij geeft een uitgelezen gave, hij geeft op de juiste tijd, hij geeft (wat voor de monnik) geoorloofd is, hij geeft met overleg, hij geeft vaak, bij het geven verheugt zich zijn hart en na het geven voelt hij zich tevreden.

        Deze acht gaven van een goed mens zijn er.

Geoorloofde drank, geoorloofd voedsel,

voortreffelijk, rein, te juister tijd,

geeft hij vaak als gave

aan het sublieme veld van de heiligen.

Waar geen berouw ontstaat

zelfs als men veel schenkt,

daar wordt de gave die men geeft

geprezen door ieder met inzicht.

Degene die wijs gaven geeft,

vol vertrouwen, met vrijgevig gemoed,

een dergelijke wijze persoon zal daarom

naar een leedloze zalige wereld gaan.

A.VIII.38. De invloed van de goede mens

De in een goede familie wedergeboren edele mens strekt veel mensen tot heil, zegen en welzijn. Vader en moeder, vrouw en kind, personeel, vrienden en makkers, asceten en priesters: hen allen strekt hij tot heil, zegen en welzijn.

Zoals een sterke regen het hele gewas tot rijpheid brengt en daardoor velen tot heil, zegen en welzijn strekt, evenzo strekt de in een goede familie wedergeboren edele mens veel mensen tot heil, zegen en welzijn.[48]

Tot zegen waarlijk van veel mensen

leeft de wijze man in zijn huis.

Vooral aan de ouders geeft hij

dag en nacht, zonder ophouden,

het respect dat hij verschuldigd is,

indachtig aan de vroegere diensten.

Met een geest die vast aan vertrouwen is,

eert hij ook degene die uit het huis is vertrokken,

die een zuivere levenswandel leidt

en door hem als goed en bekwaam beschouwd wordt.

Tot zegen voor vorsten en goden,

tot zegen voor neef en vriend,

strekt hij allen tot heil,

in de ware leer gesterkt.

Zich van de ondeugd van gierigheid bevrijdend,

komt hij in een zalige wereld.

A.VIII.39. De acht stromen van verdienste

        Er zijn acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, leiden naar de hemel, leiden naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die acht stromen zijn:

        De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.

        Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.

        Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste.

        Er zijn vijf gaven, grote gaven die bekend zijn als oorspronkelijk, aloud, traditioneel, niet verminderd in hun waarde nu en ook vroeger. Ze zijn niet in waarde gedaald en zullen gelijk in waarde blijven, onberispt door asceten en priesters met inzicht. Die vijf gaven zijn:

        De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de eerste gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vierde stroom van verdienste.

        Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de tweede gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vijfde stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de derde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zesde stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vierde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zevende stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de achtste stroom van verdienste.

        Dat zijn de acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, leiden naar de hemel, leiden naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen.[49]

A.VIII.40. De gevolgen van het overtreden van de regels van deugdzaamheid

Het doden, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het doden brengt de mens een kort leven.

Het stelen, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het stelen brengt de mens het verlies van zijn goederen.

Seksueel verkeerd gedrag, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van seksueel wangedrag brengt de mens vijandschap met zijn rivalen.

Het liegen, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het liegen brengt de mens valse beschuldigingen.

Het lasteren, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het lasteren brengt de mens tweedracht met zijn vrienden.

Het barse praten, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het barse praten leidt ertoe dat de mens onaangename woorden te horen krijgt.

Het lege kletsen, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het kletsen leidt ertoe dat de mens onaanvaardbare woorden spreekt.[50]

Het genot van bedwelmende middelen, monniken, uitgevoerd, gepleegd en vaak verricht, leidt naar de hel, naar de schoot van dieren of naar het rijk der geesten. En reeds het allerkleinste resultaat van het genot van bedwelmende middelen leidt de mens naar verstoring van de geest.[51]

Hoofdstuk 5. uposatha-vagga

A.VIII.41-43. De zegen van de vastendag.  I-III

        

De teksten ervan zijn gelijk aan die in de delen 1 en 2 van A.VIII.44.

        vergelijk ook A.III.71.

A.VIII.44. De zegen van de vastendag. IV [52]

Eens sprak de Verhevene in het Grote Bos te Vesālī, in de hal van het huis met puntgevel, tot de lekenvolgeling Vāsettha, aldus:

I

"Vāsettha, wanneer de Uposatha is opgenomen met de acht praktijken ervan,[53] wanneer men ze heeft aanvaard, dan brengt dat een hoog voordeel, hoge zegen, is machtig aan waarde en grootheid. Op welke manier nu brengt dat hoog voordeel, hoge zegen, is het machtig aan waarde en grootheid?

Vasettha, de edele volgeling overweegt aldus:

‘Tijdens hun leven vermijden Arahants het doden,  zien zij af van het letsel toebrengen aan levende wezens. Zonder stok (om te straffen) en zonder  wapen, vol medegevoel en medelijden zijn zij bedacht op het welzijn en heil van alle levende wezens. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, het doden, houd me verre van het letsel toebrengen aan levende wezens. Zonder stok, zonder wapen, vol  medegevoel en medelijden ben ik op het welzijn van alle levende wezens bedacht. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.’

        Met dit eerste besluit is de vastendag voorzien.[54]

'Tijdens hun leven vermijden Arahants het nemen van wat niet is gegeven, houden zich verre van het nemen van wat niet is gegeven. Het gegevene wachten zij af, zijn niet als een dief gezind, Zo vertoeven zij met zuiver hart. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, het nemen van wat niet is gegeven, houd me verre van het nemen van wat niet is gegeven. Het gegevene wacht ik af, ben niet als een dief gezind. Zo vertoef ik met zuiver hart. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.’

Met dit tweede besluit is de vastendag voorzien.

'Tijdens hun leven vermijden de Arahants onkuis gedrag. Kuis en afzijdig levend, houden zij zich verre van seksuele omgang die de gewone weg is van de samenleving. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, onkuis gedrag. Kuis en afzijdig levend, houd ik me verre van seksuele omgang die de gewone weg is van de samenleving. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.'

        Met dit derde besluit is de vastendag voorzien.

'Tijdens hun leven vermijden Arahants de leugen, houden zich verre van verkeerde taal. Zij spreken de waarheid, zij zijn met de waarheid verbonden, oprecht, vertrouwen waard, zij zijn geen bedriegers van de wereld. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, de leugen, houd me verre van onware taal. De waarheid spreek ik, met de waarheid ben ik verbonden, oprecht, vertrouwen waard, geen bedrieger van de wereld. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen worden.'

Met dit vierde besluit is de vastendag verbonden.

'Tijdens hun leven vermijden Arahants het genot van alcoholische drank die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Zij houden zich verre ervan. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, het genot van alcoholische drank die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Ik houd me verre ervan. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.'

Met dit vijfde besluit is de vastendag voorzien.

'Tijdens hun leven gebruiken de Arahants slechts één maaltijd per dag. 's Nachts blijven zij nuchter. Zij zien af van eten buiten de [daarvoor bestemde] tijd.[55] En ook ik neem vandaag, gedurende deze dag en nacht, slechts één maaltijd tot mij, zie af van eten buiten de daarvoor bestemde tijd. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.'

Met dit zesde besluit is de vastendag voorzien.

‘Tijdens hun leven vermijden Arahants dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Zij zien af van het gebruik van bloemenkransen, zien af van het gebruik van welriekende stoffen, crèmes, sieraden en cosmetica. En ook ik vermijd vandaag, gedurende deze dag en nacht, dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Ik zie af van het gebruik van bloemenkransen, zie af van het gebruik van welriekende stoffen, crèmes, sieraden en cosmetica. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn.'

Met dit zevende besluit is de vastendag voorzien.

'Tijdens hun leven vermijden Arahants hoge en brede bedden, houden zich verre van hoge en brede bedden. Zij maken gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. En ook ik vermijd  vandaag hoge en brede bedden, zie af van een hoog en breed bed. Ik maak gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht genomen zijn. '

Met dit achtste besluit is de vastendag voorzien.

Vāsettha, wanneer de vastendag van de acht besluiten op die manier in acht genomen wordt, brengt die hoge beloning, hoge zegen, is machtig aan waardigheid en grootheid.

II

Vāsettha, op welke manier nagevolgd  brengt de vastendag van de acht besluiten hoge beloning, hoge zegen, en hoe is die machtig aan waardigheid en grootheid?

Vāsettha, wanneer iemand bijvoorbeeld heerschappij en koningschap had over de zestien grote landen[56] waarin de zeven schatten overvloedig aanwezig zijn,[57] toch is het niet een zestiende deel waard van de Uposatha opgenomen met de acht besluiten. En om welke reden? Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.

 

Wat bij de mensen 50 jaren zijn, dat is bij de goden van de Vier Grote Koningen een etmaal. Dertig van zulke etmalen vormen een maand, twaalf van zulke maanden vormen een jaar en 500 van zulke jaren is de levensspanne van die goden.[58] Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht besluiten na de dood wedergeboren wordt in de gemeenschap van de goden van de Vier Grote Koningen. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

Wat bij de mensen 100 jaren zijn, is een etmaal bij de godheden van de Drieëndertig. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 1000 van die hemelse jaren.[59] Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht besluiten na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de godheden van de Drieëndertig. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

Wat bij de mensen 200 jaren zijn, is een etmaal bij de Yama-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 2000 van die hemelse jaren.[60] Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Yama-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

Wat bij de mensen 400 jaren zijn, is een etmaal bij de Tusita-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 4000 van die hemelse jaren.[61] Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Tusita-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

Wat bij de mensen 800 jaren zijn, is een etmaal bij de Nimmanarati-godheden, de godheden die graag scheppen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 8000 van die hemelse jaren.[62] Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Nimmanarati-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

Wat bij de mensen 1600 jaren zijn, is een etmaal bij de Paranimmitavasavatti-godheden, de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 16000 van die hemelse jaren.[63] Nu is het mogelijk dat een man of een vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Paranimmitavasavatti-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Armzalig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

"Dood geen leven, en neem niet wat niet is gegeven;

spreek geen leugen, en drink geen bedwelmende drank;

zie af van seks en van onkuis gedrag;

eet in de avond en nacht geen ‘buitentijds’ voedsel;

vermijdt bloemen en ook welriekende parfum,

en maak als je bed een mat op de grond:

dit geldt als het achtvoudige gebod op de vastendag,

goed onderwezen door de Boeddha

die het einde van lijden heeft bereikt.

De zon en de maan zijn beide mooi om te zien.

Zij blijven in hun baan en stralen ver,

verdrijven de duisternis, gaan door de luchten,

en schitteren aan de hemel, alles verlichtend.

Alle schatten in hun lichtcirkel:

parels, juwelen, goud en turkoois,

gouden korrels[64] en goud uit de diepten van de bergen,

geelkleurig goud[65] en nog ander goud[66];

waarlijk, dat alles is geen zestiende waard

van de achtdelige Uposatha,

zoals in het heldere licht van de maan

de sterren zullen verbleken.

Of man of vrouw, wie deugdzaam

de achtdelige vastendag houdt

en zegenrijke, goede werken verricht,

die gaat zonder blaam naar de hemelse wereld.”

III

In antwoord op deze woorden sprak Vāsettha, de lekenvolgeling tot de Verhevene aldus:

"Ja, Heer, mochten ook mijn geliefde neven en familieleden de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lange tijd tot heil en welzijn strekken. En Heer, mochten ook alle edelen, brahmanen, burgers en dienaren de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lang tijd tot heil en welzijn strekken."

"Zo is het, Vāsettha, zo is het. Mochten ook alle edelen, brahmanen, burgers en dienaren de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lang tijd tot heil en welzijn strekken. En mocht ook de hele wereld bewoond door hemelse wezens, goede en slechte geesten, met haar schare van asceten en priesters, goden en mensen, de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen tot heil en welzijn strekken.

En Vāsettha, als ook deze machtige salabomen een wil hadden[67] en de vastendag van de acht besluiten zouden navolgen, dan zou het ook voor hen lange tijd tot heil en welzijn strekken. Wat moet men dan eerst van de menselijke wezens zeggen? "

A.VIII.45. De zegen van de vastendag. V

In het Jetavana gericht tot de lekenvolgelinge Bojjhā. Identiek met A.VIII.44 delen I en II.

A.VIII.46. Wedergeboorte bij de manapakayika deva

        Eens verbleef de Verhevene bij Kosambi in het Ghosita-klooster. De eerwaarde Anuruddha bracht toen de dag in afzondering door en talrijke bevallige godheden (manāpakāyikā devā) kwamen naderbij, begroetten de eerwaarde Anuruddha eerbiedig en gingen terzijde staan. Zij spraken de eerwaarde Anuruddha als volgt toe:

        “Eerwaarde Anuruddha, wij, de bevallige godheden, hebben heerschappij en macht over drie dingen: welke kleur wij ook wensen aan te nemen, die kleur krijgen wij direct; welke stem wij ook wensen aan te nemen, die stem krijgen wij direct; welke vreugde wij ook wensen aan te nemen, die vreugde krijgen wij direct.”

Toen dacht de eerwaarde Anuruddha: “Mogen die godheden toch allen blauw worden, blauw van kleur, met blauwe gewaden, blauwe sieraden.” Die godheden herkenden deze gedachten en zij werden allen blauw, blauw van kleur, met blauwe gewaden en blauwe sieraden.

Daarop dacht de eerwaarde Anuruddha: “Mogen deze godheden toch allen geel worden, geel van kleur, met gele gewaden, gele sieraden.” Die godheden herkenden deze gedachten en zij werden allen geel, geel van kleur, met gele gewaden en gele sieraden.

Daarop dacht de eerwaarde Anuruddha: “Mogen deze godheden toch allen rood worden, rood van kleur, met rode gewaden, rode sieraden.” Die godheden herkenden deze gedachten en zij werden allen rood, rood van kleur, met rode gewaden en rode sieraden.

Daarop dacht de eerwaarde Anuruddha: “Mogen deze godheden toch allen wit worden, wit van kleur, met witte gewaden, witte sieraden.” Die godheden herkenden deze gedachten en zij werden allen wit, wit van kleur, met witte gewaden en witte sieraden.

Daarop begonnen sommige van die godheden te zingen, anderen te dansen, weer anderen in de handen te klappen. Juist zoals het goed geschoolde, goed uitgevoerde spel van vijf[68], door kunstenaars voorgedragen, heel heerlijk, aangenaam, lieflijk en meeslepend klinkt, juist zo klonken de stemmen van die godheden. Maar de eerwaarde Anuruddha wendde zijn zinnen ervan af. Toen die godheden merkten dat de eerwaarde Anuruddha er geen genoegen aan beleefde, verdwenen zij terstond.

        ʼs Avonds nu verhief de eerwaarde Anuruddha zich uit de afzondering en ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Hij vertelde de Verhevene wat er gebeurd was, en verder vroeg hij:  

        “Heer, in het bezit van hoeveel eigenschappen verschijnt een vrouw na de dood in de gemeenschap van de bevallige godheden?”

        “Anuruddha, in het bezit van acht eigenschappen,[69] namelijk:

welke man haar ouders ook voor haar hebben gekozen als echtgenoot, daar staat de vrouw [ʼs morgens] voor hem op en gaat na hem slapen. Zij is een gewillige hulp, een aangename metgezel, en zij spreekt hem met vriendelijke woorden toe.

De personen die de echtgenoot dierbaar zijn, zoals vader en moeder, asceten en brahmanen, die eert de vrouw, zij waardeert hen en zij biedt hun bij hun aankomst een zitplaats en water aan.

Wat er voor de echtgenoot te verrichten is aan huiselijk werk zoals in wol en katoen, daarin is de vrouw bekwaam en ijverig en zij kent ook de juiste middelen om te handelen en voorschriften te geven [aan het dienstpersoneel].

Wat betreft het dienstpersoneel in het huis van de echtgenoot, met name de knechten, dienaren en arbeiders, zij let op welk werk door hen verricht werd en welk nog niet verricht werd. Wanneer zij ziek zijn, onderzoekt zij of zij hun werk kunnen doen of niet. Harde en zachte spijzen overhandigt zij aan hen in passende mate.

Wat de echtgenoot meebrengt aan waardevolle voorwerpen, aan graan, zilver en goud, dat bewaart en behoedt zij; zij bedriegt en besteelt hem niet, is de drank niet toegedaan en richt hem niet te gronde.

Als vrouwelijke leek heeft zij haar toevlucht genomen tot de Verlichte, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken.

Zij is deugdzaam en onthoudt zich van doden, van het nemen wat niet is gegeven, van echtbreuk, van liegen en van het genot van bedwelmende drank.

Zij is vrijgevig, geeft met open handen, het geven maakt haar blij; de behoeftigen is zij toegedaan en zij vindt vreugde in het uitdelen van aalmoezen.

        Anuruddha, dit zijn de acht eigenschappen in het bezit waarvan de vrouw na de dood in de gemeenschap van de bevallige goden verschijnt.”

De man die steeds zijn vrouw beschermt,

voortdurend, ijverig,

die al haar wensen inwilligt,

wordt door zijn vrouw nooit verwaarloosd.

De goede vrouw brengt de man niet door haar jaloersheid verdriet.

De wijze vrouw toont waardering

aan de echtgenoot, aan waardige bezoekers.

Altijd bekwaam en door ijver bezield

en vriendelijk tot het dienstpersoneel,

maakt zij zich dierbaar aan de man

en behoedt zorgzaam zijn bezit.

De vrouw die zich op een dergelijke manier gedraagt,

de wens van de echtgenoot gewillig volgt,

keert weder onder godheden

die men als de bevalligen kent.

A.VIII.47. Visākhā I

Leerrede gesproken in het oostelijk gelegen klooster te Sāvatthī, tot de lekenvolgelinge Visākhā. Identiek (inclusief de verzen) met het einddeel van A.VIII.46 over de acht eigenschappen van de vrouw.

A.VIII.48. Nakulamātā

Te Sumsumāragiri in het land van de Bhaggas in het wildpark van het Bhesakalā-bos. Leerrede tot de lekenvolgelinge Nakulamātā. Identiek (inclusief de verzen) met het einddeel van A.VIII.46 over de acht eigenschappen van de vrouw.

A.VIII.49. Visākhā II

In het oostelijk gelegen klooster te Sāvatthī sprak de Verhevene tot Visākhā, de “moeder van Migara” aldus:

"Visākhā, wanneer de vrouw vier eigenschappen heeft, verovert zij deze wereld, wint zij deze wereld. Welke nu zijn die vier eigenschappen?

De vrouw zorgt grondig voor haar werkzaamheden, ontfermt zich over haar bedienden, toont zich liefdevol jegens haar man en waakt over het verworven bezit.

Hoe nu zorgt de vrouw grondig voor haar werkzaamheden? Wat er voor de echtgenoot te verrichten is aan  huishoudelijke werkzaamheden, zoals met wol en katoen, daarin is de vrouw bekwaam en ijverig en heeft ook verstand van de juiste middelen om te handelen en te regelen.

Hoe nu ontfermt zij zich over haar bedienden? Wat betreft het huispersoneel in het huis van haar man, de knechten, bedienden en arbeiders, zo let zij erop welk werk door hen verricht werd en welk nog niet verricht werd. Als zij ziek zijn, controleert zij of ze hun werk kunnen doen of niet. Zij geeft hen harde en zachte spijzen in passende mate.

Hoe nu toont zij zich liefdevol jegens haar man? Wat voor de man onaangenaam is, zoiets doet de vrouw niet voor haar leven.

Hoe nu waakt zij over het verworven bezit? Wat de echtgenoot aan waardevolle voorwerpen, aan graan, zilver en goud meebrengt, dat bewaart en behoedt zij; zij bedriegt en besteelt hem niet, is niet aan de drank toegedaan en richt hem niet te gronde.

Visākhā, wanneer de vrouw deze vier eigenschappen heeft, verovert zij deze wereld, wint zij deze wereld.

"Maar wanneer de vrouw de volgende vier eigenschappen heeft, Visākhā, verovert de vrouw de volgende wereld, wint zij de volgende wereld.

Daar bezit de vrouw vertrouwen, deugdzaamheid, vrijgevigheid en wijsheid.

Hoe nu bezit de vrouw vertrouwen? Zij is vol vertrouwen en gelooft in de Verlichting van de Volmaakte, namelijk zo: ‘Waarlijk, deze Verhevene is een heilige, volmaakt Verlicht, de Meester in weten en goed gedrag, de Gezegende, de kenner van de werelden, de onovertroffen leider van mensen die leiding nodig hebben, de Leraar van goden en van mensen, de Verlichte, de Verhevene.’

Hoe nu bezit de vrouw deugdzaamheid? De vrouw onthoudt zich van doden, van het nemen wat niet is gegeven, van echtbreuk, van liegen en van het genot van bedwelmende dranken.

Hoe nu bezit de vrouw vrijgevigheid? De vrouw is vrijgevig, geeft met open handen, het geven maakt haar blij; zij is de behoeftigen toegedaan en zij vindt vreugde aan het uitdelen van aalmoezen.

Hoe nu bezit de vrouw wijsheid? De vrouw is wijs, is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan ​​en vergaan begrijpt, het edele, doordringende, dat naar volledige vernietiging van het lijden leidt.

Visākhā, wanneer de vrouw deze vier eigenschappen heeft, verovert zij deze wereld, wint zij deze wereld.”

Het werk in huis doet zij correct,

ontfermt zich over haar bedienden,

ontmoet de man liefdevol

en behoedt zijn schatten goed.

Vol vertrouwen en rein van zeden,

vol zachtaardigheid, vrij van elke gierigheid,

bereidt zij altijd het pad voor

naar het heil in een andere wereld.

De vrouw die deze acht dingen

als eigenschappen in zich koestert,

noemt men rein van zeden,

deugdzaam en waarheidsgetrouw.

Wie zestien dingen zich eigen noemt

en achtvoudig goed voorzien is,

een dergelijke deugdzame lekenvolgelinge

verschijnt in een hemelse wereld,

die men als de lieflijke kent.

A.VIII.50. De victorie van de vrouw

Plaatsaanduiding ontbreekt. Leerrede gericht tot de monniken. Proza en verzen als in A.VIII.49.  

Hoofdstuk 6. gotamī-vagga

A.VIII.51. De stichting van de Bhikkhuni Sangha

Eens verbleef de Verhevene in het land van de Sakyas te Kapilavatthu in het vijgenboomklooster. Toen ging Mahā-Pajāpati Gotamī[70] naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en sprak aldus:  

"Heer, het zou goed zijn als de vrouw de toestemming kreeg om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline vanuit het huis in de huisloosheid te vertrekken."

"Genoeg, Gotamī. Moge jij het niet goedkeuren dat de vrouw de toestemming krijgt om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline vanuit het huis in de huisloosheid te vertrekken."

En een tweede en een derde keer sprak Mahā-Pajāpati Gotamī aldus tot de Verhevene. En telkens gaf de Verhevene hetzelfde antwoord.

Toen nu Mahā-Pajāpati Gotamī zag dat de Verhevene de vrouw niet wilde toestaan om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline vanuit het huis in de huisloosheid te vertrekken, was zij vol smart en droefenis. Huilend, haar gelaat bedekt met tranen, groette zij de Verhevene eerbiedig, en vertrok, met haar rechterkant naar hem toegewend.

Nadat nu de Verhevene zo lang als het hem behaagde in Kapilavatthu had vertoefd, vertrok hij naar Vesālī. Geleidelijk verder lopend kwam hij voor Vesālī aan en bleef daar in het Grote Bos te Vesālī, in de hal van het huis met puntgevel.

Mahā-Pajāpati Gotamī evenwel liet haar haren afscheren, trok bleke gewaden aan en ging, vergezeld door talrijke Sakya-vrouwen, eveneens naar Vesālī. Geleidelijk aan kwam zij naar Vesālī en ging naar het Grote Bos, naar de hal van het huis met puntgevels. Met gezwollen voeten en met stof bedekte ledematen, vol smart en verdriet, huilend, met haar gelaat vol tranen stond Mahā-Pajāpati Gotamī voor de poortingang. De eerwaarde Ananda zag nu hoe zij daar voor de poortingang stond ​​en vroeg waarom zij daar zo voor de ingang stond, met gezwollen voeten en met stof bedekte ledematen, vol smart en verdriet, huilend en met het gelaat vol tranen.

"Heer, omdat de Verhevene niet heeft toegestaan ​​dat de vrouw van het huis naar de huisloosheid vertrekt onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline."

"Gotamī, dan wacht nog zolang hier totdat ik de Verhevene erom heb gevraagd dat de vrouw onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline vanuit het huis in de huisloosheid mag vertrekken."

En de eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Daarop zei hij tegen de Verhevene: "Heer, Mahā-Pajāpati Gotamī staat daar voor de poortingang, met gezwollen voeten en met stof bedekte ledematen, vol smart en verdriet, huilend, haar gelaat met tranen bedekt omdat namelijk de Verhevene het de vrouw niet toestaat om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van huis in de huisloosheid te vertrekken. Heer, het zou goed zijn als de Verhevene dit zou toestaan."

"Genoeg, Ananda. Moge jij het niet goedkeuren dat de vrouw onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid vertrekt."

En voor een tweede en derde keer richtte de eerwaarde Ananda zijn verzoek aan de Verhevene. Maar deze gaf telkens hetzelfde antwoord.

        Toen dacht de eerwaarde Ananda: "De Verhevene wil het de vrouw niet toestaan dat zij onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid vertrekt. Dus wil ik aan de Verhevene nog op een andere manier daarom vragen." En hij sprak als volgt tot de Verhevene:

"Heer, is een vrouw, als zij onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid vertrekt, in staat om het doel van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet- wederkeer en van heiligheid te verwerkelijken?"

"Ja, Ananda, daartoe is de vrouw in staat."

"Heer, als nu dus de vrouw daartoe in staat is en omdat Mahā-Pajāpati Gotamī immers ook grote diensten bewezen heeft aan de Verhevene, zijn tante is die hem opvoedde en grootbracht, die de Verhevene na de dood van zijn moeder met haar eigen melk stilde - daarom, Heer, zou het goed zijn als de Verhevene het aan de vrouw toestond om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid te vertrekken."

"Ananda, als Mahā-Pajāpati Gotamī de acht belangrijke geboden op zich wil nemen, dan kan dat gelden als haar wijding (upasampadā):

Een non moet, ook als zij al honderd jaren geleden de wijding heeft gekregen, zelfs een monnik die pas op dezelfde dag gewijd werd, eerbiedig groeten, voor hem opstaan, hem de eerbiedige handgroet[71] aanbieden en hem respect betonen. Dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

In een hermitage die niet toegankelijk is voor de monniken,[72] mag de non niet de regentijd beginnen. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Een non moet elke halve maand aan de gemeenschap van de monniken twee dingen vragen: de dag van de viering van de Uposatha en het bezoek van een leraar. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Als de non de regentijd heeft beëindigd, moet zij beide gemeenschappen van de Orde[73] in drievoudig opzicht 'genoegdoening' geven:[74] over wat men (tijdens de regentijd bij haar aan overtredingen van de Orderegels) gezien, gehoord of vermoed heeft. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Als de non een ernstige overtreding heeft begaan, moet zij ten overstaan ​​van de twee gemeenschappen van de Orde veertien dagen lang 'boete' (mānatta) doen. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Een oefenende (sikkhamānā) die twee jaren lang de zes regels[75] heeft geoefend, moet bij beide gemeenschappen van de Orde vragen naar de wijding (upasampadā). Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Op geen enkele manier mag de non een monnik beschimpen of kwaad over hem spreken. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Vanaf vandaag is het de nonnen verboden om de monniken (met een vermaning) aan te spreken; maar het is niet de monniken verboden om de nonnen (met een vermaning) aan te spreken. Ook dit gebod moet zij eren, respecteren, waarderen en in ere houden en het zolang zij leeft niet overtreden.

Ananda, als Mahā-Pajāpati Gotamī deze acht belangrijke geboden op zich wil nemen, dan kan dat als haar wijding gelden."

Nadat nu de eerwaarde Ananda van de Verhevene deze acht belangrijke geboden had geleerd, ging hij naar Mahā-Pajāpati Gotamī en deelde haar mee dat, als zij deze acht belangrijke geboden op zich wil nemen, dit dan als haar wijding kan gelden.

(Gotamī) "Ananda, juist zoals wanneer een vrouw of een man, jong, jeugdig, die van sieraden houdt, met een rein gewassen hoofd, een krans van lotusbloemen of jasmijn of andere welriekende bloesems ontvangt, die met beide handen in ontvangst neemt en die op het edelste lichaamsdeel, het hoofd, zou willen bevestigen; juist zo, Heer, neem ik deze acht belangrijke geboden op mij die het hele leven lang niet mogen worden overtreden."

Daarop ging de eerwaarde Ananda naar de Verhevene en zei: "Heer, Mahā-Pajāpati Gotamī heeft de acht belangrijke voorschriften die het hele leven lang niet mogen worden overtreden, op zich genomen."

        "Ananda, als de vrouw niet de toestemming had gekregen om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid te vertrekken, dan zou het heilige leven nog lang duren, dan zou de goede leer nog duizend jaren blijven bestaan. Nu evenwel, Ananda, aangezien de vrouw de toestemming heeft gekregen om onder de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het huis in de huisloosheid te vertrekken, zal thans het heilige leven niet lang duren, slechts nog vijfhonderd jaren zal thans de goede leer bestaan.

Net zoals Ananda, die gezinnen waarin veel vrouwen en weinig mannen zijn, gemakkelijk door rovers en inbrekers[76] te gronde gericht worden; evenzo ook, Ananda, is in een leer en discipline waaronder de vrouw van huis in de huisloosheid vertrekt, het heilige leven niet van lange duur. Of Ananda, net zoals wanneer in een rijp rijstveld een bepaalde ziekte, meeldauw genaamd, uitbreekt en dat rijstveld niet lang kan bestaan, of wanneer in een suikerrietveld de ziekte genaamd krap uitbreekt en dat suikerrietveld niet lang kan bestaan; evenzo ook, Ananda, is in een leer en discipline waaronder de vrouw van huis in de huisloosheid vertrekt, het heilige leven niet van lange duur.

Maar Ananda, zoals een man bij een grote vijver al van tevoren een dam bouwt zodat het water niet kan overstromen, evenzo ook, Ananda, heb ik al van tevoren de nonnen de acht belangrijke geboden gegeven die het hele leven lang niet mogen worden overtreden."[77]

A.VIII.52. De waardige vermaner van de nonnen

In het grote bos bij Vesālī, in de hal van het huis met puntgevels vroeg de eerwaarde Ananda aan de Verhevene hoeveel eigenschappen een monnik moet bezitten om tot vermaner van de nonnen benoemd te worden. Het antwoord van de Boeddha luidde dat een monnik de volgende acht eigenschappen moet bezitten om tot vermaner van de nonnen benoemd te worden.

1. Hij is moreel zuiver, hij volgt de regels van de Orde na, is volmaakt in gedrag en omgang, en, terugschrikkend voor de kleinste overtreding, oefent hij zich in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen.

2. Hij bezit veel weten. Hij heeft zich vertrouwd gemaakt met alle details van de regels voor beide Orden, kent ze goed in de indelingen ervan, beheerst ze volledig en heeft ze goed bestudeerd volgens de tekst van de regels en aanvullende uitleg.[78]

3-4. Hij is een goede spreker, een goede redenaar; zijn toespraak is prettig en vloeiend, onberispelijk in uitspraak en begrijpelijk in de zin.

5. Hij heeft het vermogen om de gemeenschap van de nonnen door middel van een toespraak over de leer te onderwijzen, te vermanen, aan te moedigen en op te wekken.

6. Hij is over het algemeen de nonnen sympathiek en aangenaam.

7. Hij heeft nooit een ernstige overtreding begaan met iemand die, als een volgelinge van de Verhevene, gekleed in het vale gewaad, in de huisloosheid vertrok.

8. Hij heeft twintig of meer jaren in de Orde achter de rug.

Deze acht eigenschappen moet een monnik bezitten om benoemd te worden tot vermaner van de nonnen."

A.VIII.53. De kenmerken van de goede leer

        In het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis sprak Mahā-Pajāpati Gotamī tot de Verhevene als volgt:

        "Heer, het zou goed zijn wanneer de Verhevene mij in het kort de leer uitlegt, opdat ik, na ze vernomen te hebben, eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten kan vertoeven."

        "Gotami, bij die verschijningen, waarvan je weet dat zij naar begeerte leiden en niet naar afkeer van de begeerte, dat zij naar binding[79] leiden en niet naar het zich losmaken, dat zij naar opstapeling leiden en niet naar het afstapelen,[80] dat zij naar onbescheidenheid leiden en niet naar bescheidenheid, dat zij naar ongenoegzaamheid leiden en niet naar genoegzaamheid, dat zij naar gezelligheid leiden en niet naar afzondering, dat zij naar traagheid leiden en niet naar wilskracht, dat zij naar moeilijkheden bij de ondersteuning leiden en niet naar gemakkelijke ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit niet de leer is, niet de discipline, niet de instructie van de Meester.

        Maar Gotami, bij die verschijningen waarvan je weet dat zij naar afwending van de begeerte leiden en niet naar begeerte, dat zij naar het zich losmaken leiden en niet naar binding, dat zij naar het afstapelen leiden en niet naar opstapeling, dat zij naar bescheidenheid leiden en niet naar onbescheidenheid, dat zij naar genoegzaamheid leiden en niet naar ongenoegzaamheid, dat zij naar afzondering leiden en niet naar gezelligheid, dat zij naar wilskracht leiden en niet naar traagheid, dat zij naar gemakkelijke ondersteuning leiden en niet naar moeilijkheden bij de ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit de leer is, de discipline, de instructie van de Meester."

A.VIII.54. Vyagghapajja-Sutta - De basis voor welzijn

        (Deze leerrede is een van de meest populaire teksten over lekenethiek)

        Eens verbleef de Verhevene in het land Koliya, in de stad Kakkarapatta. Toen kwam Dīghajanu naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:

        'Heer, wij als gezinshoofden genieten van de vreugden van de zintuigen. Wij wonen midden in de drukte van vrouwen en kinderen. Wij gebruiken zeer fijn sandelhout, gebruiken bloemen, geurstoffen en zalven, gebruiken goud en zilver. Heer, moge de Verhevene ons toch de leer onderwijzen opdat het ons tot heil en zegen strekt, aan deze kant en voor het hiernamaals."

        "Vyagghapajja, vier dingen strekken een edele zoon tot heil en zegen aan deze kant, en wel: meesterschap in ijver, meesterschap in waakzaamheid, edele omgang en een gematigde levenswijze.

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in ijver? - Daar verwerft een edele zoon door de een of andere arbeid zijn levensonderhoud, hetzij door landbouw, door handel of door veeteelt, als boogschutter of koninklijke ambtenaar of door het een of andere handwerk. Daarin is hij bedreven en niet slordig, en hij weet met de juiste middelen te handelen en te regelen. Dat noemt men meesterschap in ijver.

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in waakzaamheid? - Daar bezit een edele zoon goederen die hij met vlijt en ijver heeft verworven, door het werk van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht heeft verzameld, wettelijke goederen, rechtschapen verkregen. Deze goederen hoedt en bewaakt hij, om te voorkomen dat vorsten of rovers ze wegnemen of het vuur ze verwoest, het water ze wegspoelt of liefdeloze erfgenamen ze naar zich toe trekken. Dat noemt men meesterschap in waakzaamheid.

        Vyagghapajja, wat is edele omgang? - In het dorp of in de stad waar de edele zoon woont, wat daar aan gezinshoofden of hun zonen, jong en met een rijp karakter of oud en met een rijp karakter, aan wie vertrouwen, deugdzaamheid, vrijgevigheid en wijsheid eigen is, met zulke personen heeft hij omgang, onderhoudt zich met hen, voert gesprekken met hen. En degene die dusdanig vol vertrouwen is, streeft hij in vertrouwen na, degene die dusdanig deugdzaam is streeft hij in deugdzaamheid na, degene die dusdanig vrijgevig is streeft hij in vrijgevigheid na, degene die dusdanig wijs is streeft hij in wijsheid na. Dat noemt men edele omgang.

        Vyagghapajja, wat is gematigde levenswijze? - Daar kent een edele zoon zijn inkomsten en uitgaven en richt dienovereenkomstig zijn levenswijze in, niet te weelderig en niet te armoedig, wetende: 'Op deze manier zullen de inkomsten mijn uitgaven overtreffen en niet mijn uitgaven de inkomsten.'

        Vyagghapajja, wanneer de edele zoon bij geringe inkomsten een weelderige levenswijze heeft, dan zegt men van hem dat hij zijn bezit verkwist als een vijgeneter (die meer vijgen van de boom schudt dan hij voor het eten nodig heeft).

        Wanneer hij echter bij grote inkomsten een armoedige levenswijze voert, dan zegt men van hem dat hij als een hongerlijder zal sterven.

        Maar Vyagghapajja, wanneer de edele zoon zijn inkomsten en uitgaven kent en zijn levenswijze dienovereenkomstig inricht, dan noemt men dat een gematigde levenswijze.

        Vyagghapajja, voor het zo verkregen bezit zijn er vier afvloeiingen: ontucht, drankzucht, dobbelspel en omgang met slechte vrienden, slechte metgezellen, slechte kameraden.

        Vyagghapajja, voor het zo verkregen bezit zijn er vier toevoerkanalen: het mijden van ontucht, van drankzucht, van dobbelspel, en de omgang met edele vrienden, edele metgezellen, edele kameraden.

        Vyagghapajja, deze vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen aan deze zijde.

        Vyagghapajja, vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen voor het hiernamaals, en wel: meesterschap in vertrouwen, meesterschap in deugdzaamheid, meesterschap in vrijgevigheid en meesterschap in wijsheid.

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in vertrouwen? - Daar bezit de edele zoon vertrouwen. Hij heeft vertrouwen in de Verlichting van de Volmaakte, aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in deugdzaamheid? - Daar onthoudt de edele zoon zich van het vernietigen van leven, onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven, onthoudt zich van onjuist gedrag in de lusten van de zintuigen, onthoudt zich van de leugen, onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die de oorzaak zijn van onverschilligheid.

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in vrijgevigheid? - Daar leeft de edele zoon thuis met een hart dat vrij is van de ondeugd van gierigheid; hij is vrijgevig en geeft met open handen; hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.

        Vyagghapajja, wat is meesterschap in wijsheid? - Daar is aan de edele zoon wijsheid eigen. Hij is voorzien van die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele, doordringende wijsheid die naar volledige vernietiging van het lijden leidt.

        Vyagghapajja, deze vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen voor het hiernamaals."

        'Vol vlijt in alles wat hij doet,

        vol energie en vol gevoel voor orde,

        leidt hij zijn leven heel gematigd

        em hoedt zijn schatten goed.

        Vol vertrouwen en rein van deugd,

        vrijgevig, zonder enige gierigheid

        bereidt hij steeds het pad voor

        tot heil in een andere wereld.

        Zo leiden deze acht dingen,

        door de leraar van de waarheid verkondigd,

        de mens die vol vertrouwen thuis vertoeft,

        tot heil aan beide zijden,

        tot welzijn in deze wereld

        en tot toekomstige gelukzaligheid.

        Zo nemen van dag tot dag

        bij de lekenvolgeling

        verdiensten toe en milde gedachten."

A.VIII.55. Ujjaya

        Eens ging de brahmaan Ujjaya naar de Verhevene, groette hem vriendelijk en hoffelijk, ging terzijde neerzitten en zei tot de Verhevene:

        "Heer ik wil naar het buitenland gaan. Moge de heer Gotama mij zodanig de leer onderwijzen dat ons de onderrichtingen tot heil en zegen strekken aan deze kant en tot heil en zegen voor het hiernamaals."        

        (Het volgende is gelijkluidend met tekst A.VIII.54)

A.VIII.56. De ellende van de zinnelijke lusten

zie A.VI.23.

Hoofdstuk 7. bhūmicāla-vagga

A.VIII.65. Acht overwinningsgebieden

vgl. A.X.29. acht overwinningsgebieden

A. VIII.68. Taalgebruik door een edele

Er zijn acht soorten van taalgebruik door een edele: als hij iets niet gezien, niet gehoord, niet gevoeld, niet geweten heeft, dan zegt hij dat hij dat niet gezien, niet gehoord, niet gevoeld, niet geweten heeft. En wanneer hij iets heeft gezien, gehoord, gevoeld, geweten, dan zegt hij dat hij iets heeft gezien, gehoord, gevoeld, geweten.[81]

A.VIII.69. De acht bijeenkomsten

“Monniken, er zijn acht soorten bijeenkomsten, namelijk: bijeenkomsten van edelen, bijeenkomsten van brahmanen, bijeenkomsten van gezinshoofden, bijeenkomsten van asceten, bijeenkomsten van de Vier Grote Koningen, bijeenkomsten van de goden van de Drieëndertig, bijeenkomsten van Maras en bijeenkomsten van Brahmas. Ik verklaar, monniken, dat ik naar elke van deze soorten bijeenkomsten, die vele honderden bedroegen, ben gegaan. 

En ik heb al met hen samen gegeten, gepraat en gesprekken gevoerd. Daarbij liet ik mijn uiterlijk op het hunne lijken, liet ik mijn stem op die van hen lijken. En aldus onderwees ik hen in de leer en wekte hen op, stichtte en verblijdde hen. Maar terwijl ik zo tot hen sprak, kenden zij mij nochtans niet. Zij vroegen zich wel af: ‘Wie is degene die tot ons spreekt? Is hij een god of een mens?’ En ook nadat ik hen over de leer onderwezen, opgewekt, gesticht en verblijd had, wisten zij na mijn verdwijnen niet of degene die verdween, een god of een mens was.

        Deze acht soorten bijeenkomsten zijn er.

A.VIII.70. Laatste poging van Mara om de Boeddha tot andere gedachten te brengen

        Eens verbleef de Verhevene in het Grote Bos bij Vesālī, in de hal van het gevelhuis. In de ochtend, nadat hij zich aangekleed en de bedelnap genomen had, ging hij naar Vesāli om bedelspijs te vergaren. Teruggekeerd sprak hij na de maaltijd tot de eerwaarde Ānanda: “Neem de zitmat,[82] Ānanda en laat ons naar het gedenkteken van Cāpāla gaan.” – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord, nam de zitmat en volgde de Verhevene stap voor stap. Bij het Cāpāla-gedenkteken aangekomen, ging de Verhevene op de klaargemaakte zitplaats zitten en zei aan Ānanda: “Ānanda, verrukkelijk is Vesāli, verrukkelijk zijn de gedenktekens van Udena, Gotamaka, Bahuputta, Sattambaka, Sārandada en van Cāpāla.[83] Ānanda, iedereen die de vier wegen naar hogere bekwaamheden ontwikkeld, geoefend, versterkt heeft, ze zich eigen heeft gemaakt, alwie ze als basis heeft en ze perfect beheerst, die zou, als hij dat wenste, de levensspanne[84] kunnen blijven leven of de rest van de levensspanne. Ānanda, de Volmaakte heeft de vier wegen naar de hogere bekwaamheden ontwikkeld, geoefend, versterkt, heeft ze begaan, ze zich eigen gemaakt, heeft ze als basis en beheerst ze perfect. Ānanda, de Volmaakte zou, indien hij dat wenste, de hele levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest ervan.”

           Zelfs toen kon de eerwaarde Ānanda, ondanks het feit dat de Verhevene hem zo’n grote wenk en aanwijzing gaf, niets merken. Hij vroeg de Verhevene niet om de levensspanne te blijven leven of nog de rest ervan, tot heil voor velen, tot zegen voor velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn, heil en zegen voor goden en mensen. Hij merkte niets en vroeg niets omdat zijn geest door Māra bezeten was. En een tweede en een derde keer sprak de Verhevene tot Ānanda als tevoren. En zelfs toen merkte de eerwaarde Ānanda niets en vroeg hij de Verhevene niets. Zijn geest bleef onder de invloed van Māra.[85]

        Toen zei de Verhevene tot Ānanda: “Ga nu, Ānanda, en handel zoals het je behaagt.” – “Ja, Heer,” zei Ānanda, verhief zich van zijn zitplaats, begroette de Verhevene vol eerbied, liep met de rechter kant naar de Verhevene toegewend om hem heen[30] en liet zich niet ver van hem vandaan aan de voet van een boom neer.

             Spoedig nadat de eerwaarde Ānanda was weggegaan, begaf Māra, de Boze, zich naar de Verhevene. Hij ging terzijde staan en sprak tot de Verhevene aldus: “Heer, moge thans de Verhevene definitief uitdoven; Heer, moge de Gezegende definitief uitdoven. De tijd is thans aangebroken voor het definitieve uitdoven van de Verhevene. De Gezegende heeft immers eens[86] aan mij gezegd: ‘Niet eerder, jij Boze, zal ik definitief uitdoven voordat mijn monniken en nonnen, mijn mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen discipelen zullen zijn die wijs zijn, welopgevoed, vol vertrouwen, wel ervaren, dragers van de leer. Niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij geheel volgens de leer leven, op de juiste manier leven, overeenkomstig de leer handelen; niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij, na het woord van de Meester geleerd te hebben, het kunnen meedelen, tonen, verkondigen, vestigen, openbaar maken, in detail uitleggen en duidelijk maken; niet eerder zal ik definitief uitdoven totdat zij een ontstaan dispuut met het wapen van de leer grondig beëindigd hebben, niet eerder totdat zij de overtuigende en bevrijdende leer kunnen verkondigen.’ En thans, Heer, zijn de monniken en nonnen, de mannelijke en de vrouwelijke lekenvolgelingen van de Verhevene zulke discipelen geworden als voormeld. Heer, moge thans de Verhevene en Gezegende definitief uitdoven. Heer, het is thans tijd voor het definitieve uitdoven van de Verhevene. Want hij heeft ook deze woorden gesproken: ‘Jij Boze, ik zal niet definitief uitdoven zolang niet dit reinheidsleven[87] machtig en bloeiend zal zijn, wijd verbreid, met talrijke en uitgestrekte scharen aanhangers, totdat het onder goden en mensen welbekend is.’ En ook dit, Heer, is nu gebeurd op vermelde manier. Moge daarom de Verhevene thans definitief uitdoven, moge de Gezegende definitief uitdoven. Heer, het is thans tijd voor het definitieve uitdoven van de Verhevene.”

"Doe geen moeite, jij Boze. Weldra zal het definitieve uitdoven van de Verhevene plaats hebben. Over drie maanden vanaf nu zal de Volmaakte definitief uitdoven."[88]

             Daar nu, bij het Cāpāla-gedenkteken zag de Verhevene volbewust en bezonnen af van de verdere vorming van het leven. En toen hij zo ervan had afgezien, ontstond er een grote, verschrikkelijke aardbeving die de haren te berge deed rijzen, en de donderslagen kraakten. De Verhevene zag de betekenis hiervan in en sprak de plechtige woorden:

        “Wat leven veroorzaakt, onbegrensd of beperkt,[89]

zijn proces van worden, dit gaf de Wijze op.

Met innerlijke kalmte en vreugde verbrak hij,

als ware het een maliënkolder,

de oorzaak van zijn eigen leven.”[90]

          Toen kwam bij de eerwaarde Ānanda de gedachte op: “Verwonderlijk waarlijk, wonderbaarlijk waarlijk; dat was een grote, een verschrikkelijk grote, vreselijke aardbeving die de haren te berge deed rijzen, en daarbij kraakten de donderslagen. Wat kan wel de reden en de oorzaak zijn voor het optreden van deze grote aardbeving?” Hij ging naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied, ging terzijde neerzitten en vroeg aan de Verhevene naar de oorzaak en reden van die grote aardbeving. En de Verhevene antwoordde: “Ānanda, er zijn acht oorzaken voor het optreden van een grote aardbeving, namelijk:

Deze grote aarde rust op water. Het water rust op de atmosfeer. De atmosfeer rust op de ruimte. Ānanda, wanneer nu grote atmosferische beroeringen plaats hebben, dan wordt daardoor het water geschud. Het geschokte water schudt de aarde. Dat is de eerste reden.        

Een boeteling of brahmaan kan hogere krachten bezitten, kan met geestelijke macht begiftigd zijn. Of een godheid kan machtig en sterk zijn. Iemand van hen nu die concentratie ontwikkelt over het begrensde aspect van het aarde-element en in onbegrensde mate over het water-element, veroorzaakt aldus dat de aarde schokt en heen en weer schudt. Dat is de tweede reden.        

Als een toekomstige Boeddha uit het gezelschap van de Tusita-goden verdwijnt en volbewust, bezonnen in het moederlichaam afdaalt, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de derde reden.        

Als een toekomstige Boeddha volbewust, bezonnen het moederlichaam verlaat, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de vierde reden.        

Als een Volmaakte in onvergelijkbare hoogste ontwaking volledig ontwaakt, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de vijfde reden.        

Als een Volmaakte het onvergelijkbare wiel der leer in beweging zet, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de zesde reden.        

Als een Volmaakte volledig bewust, bezonnen van de verdere vorming van leven afziet, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de zevende reden.        

Als een Volmaakte definitief uitdooft in die staat van nibbāna waarin geen element van hechten overblijft,[91] dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de achtste reden.        

        Ananda, dit zijn de acht redenen en oorzaken voor het ontstaan van een grote aardbeving.[92]

Hoofdstuk 8. yamaka-vagga

A.VIII.71-72. Volmaaktheid in monnikschap

(Vgl. A.IX.4 en A.X.8-10)

A.VIII.73. De contemplatie over de dood

        Eens vertoefde de Verhevene in het bakstenen huis nabij Nātika. Daar wendde hij zich tot de monniken met de volgende woorden: "De contemplatie over de dood, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoge beloning en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. Monniken, beoefenen jullie wel de contemplatie over de dood?"

Na deze woorden gaf een van de monniken aan de Verhevene ten antwoord: "Heer, ik beoefen de contemplatie over de dood." - "Hoe dan, monnik, beoefen jij de contemplatie over de dood?" - "Heer, ik denk dan: 'Dat het mij toch vergund is om nog een dag en een nacht te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.' Op deze manier, Heer, beoefen ik de contemplatie over de dood."

        Iemand anders van de monniken echter sprak tot de Verhevene: "Ook ik, Heer, beoefen de contemplatie over de dood." - "Hoe dan, monnik, beoefen jij ze?" - "Dan denk ik, Heer: 'Dat het mij toch vergund is om nog deze dag te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overdenken. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken."

(En andere monniken antwoordden:) “Dat het mij toch vergund is om nog een halve dag te blijven leven - nog zo lang als een aalmoezenmaaltijd duurt - nog zo lang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - nog zo lang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen rijst duurt - nog zolang als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. - Dat het mij toch vergund mag zijn om nog te blijven leven gedurende de tijdspanne die tussen een inademing en een uitademing ligt of tussen een uitademing en een inademing. Ik wil nog graag de instructie van de Verhevene overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken."

        Na deze woorden sprak de Verhevene als volgt tot de monniken:

        "Degenen, monniken, die de contemplatie over de dood beoefenen door te denken: 'Dat het mij toch vergund is om één dag en één nacht te blijven leven - nog één dag - een halve dag - zolang als een aalmoezenmaaltijd duurt - zolang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - zolang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken,' - monniken, van deze monniken zegt men dat zij achteloos leven en op een langzame manier de contemplatie over de dood beoefenen, om de opdroging van de neigingen te bereiken.

        Maar van die monnik die de contemplatie over de dood beoefent waarbij hij denkt: 'Dat het mij toch vergund is om zolang te blijven leven als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.' - Of hij denkt: Dat het mij toch vergund is om nog in leven te blijven gedurende de tijdspanne die ligt tussen inademen en uitademen, of tussen uitademen en inademen. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.' -

Monniken, van een degelijke monnik zegt men dat hij in volle ernst leeft en ijverig de contemplatie over de dood beoefent, om de opdroging van de neigingen te bereiken.

        Daarom, monniken, moeten jullie ernaar streven: 'Vol ernst willen wij leven en ijverig de contemplatie over de dood beoefenen om de opdroging van de neigingen te bereiken.' Dat, monniken, moet jullie streven zijn."

A.VIII.74. Contemplatie over de dood. II

        In het bakstenen huis bij Nātika.

        "De contemplatie over de dood, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengt een hoge beloning en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. Op welke manier echter ontplooid en beoefend, brengt de contemplatie over de dood hoge beloning en zegen en mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze?

        Monniken, wanneer de dag ten einde loopt en het nacht wordt - of wanneer de nacht wijkt en de dag aanbreekt, dan denkt de monnik bij zichzelf: 'Waarlijk, er bestaan voor mij veel mogelijkheden om te sterven: een slang zou me kunnen bijten, of een schorpioen of een duizendpoot zou me kunnen steken, en daardoor zou ik om het leven kunnen komen. Maar dat zou voor mij een hindernis zijn. Ik zou eens kunnen struikelen en vallen, of het gegeten voedsel zou me slecht kunnen bekomen, of gal, slijm of stekende gassen zouden opgewekt worden, of mensen of demonen zouden mij kunnen aanvallen. En daardoor zou ik om het leven kunnen komen. Maar dat zou een hindernis voor mij zijn.'

        Monniken, dan moet de monnik bij zich aldus overwegen: ‘Bevinden zich in mij nog onoverwonnen, slechte, onheilzame eigenschappen die mij tot schade kunnen strekken wanneer ik vannacht - op de dag van vandaag zou sterven?’ Monniken, wanneer dan de monnik bij zijn contemplatie merkt dat in hem nog onoverwonnen slechte, onheilzame eigenschappen te vinden zijn die hem, wanneer hij stierf, tot nadeel zouden kunnen strekken, dan moet die monnik uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid tonen om deze slechte, onheilzame eigenschappen te overwinnen.

        Monniken, juist zoals iemand, wiens kleding of haren in brand staan, om ze te blussen uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid toont, evenzo, monniken, moet die monnik uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid tonen om deze slechte, onheilzame eigenschappen te overwinnen.

        Monniken, wanneer evenwel de monnik bij zijn contemplatie merkt dat in hem geen onoverwonnen slechte, onheilzame eigenschappen meer te vinden zijn, dan kan die monnik in gelukzalige vreugde vertoeven, in het goede zich oefenende overdag en 's nachts.

De contemplatie over de dood, monniken, aldus ontplooid en vaak beoefend, brengt hoge beloning en zegen en mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze."

A.VIII.75-76. Meesterschap I-II

vgl. A.VIII.54.

A.VIII.79. Acht nadelige dingen

Vgl. A.VII.26.

Hoofdstuk 9. sati-vagga

A.VIII.81. Het een gebaseerd op het andere

        

        Vgl: A.V.24;  A.VI.50

A.VIII.83. De wortel van alle dingen

Zoals in A.X.58; maar hier zonder de vragen waarin zij uitmonden en eindigen.

A.VIII.85. De Volmaakte, de Verhevene

        

        "Monniken, asceet is een aanduiding voor de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte.

        Brahmaan, meester in weten, arts, Onbevlekte, Smetteloze, een Kenner, Bevrijde, - monniken, dat zijn aanduidingen voor de Volmaakte, de Heilige, volmaakt Verlichte.

        Wat een asceet ook bereikt,

        een brahmaan die volbracht heeft

        wat een kundige in weten,

        een arts het hoogste vindt,

        wat een smetteloze mens

        verwerft, zuiver en onbevlekt,

        wat een kenner, wat een bevrijde daar

        als hoogste kan verwerven,

        daarom heb ik overwonnen en ben bevrijd,

        de boei van anderen maak ik nu los,

        een Verhevene, volledig zelfbedwongen,

        heb de strijd gestreden en ben bevrijd.

Hoofdstuk 10. sāmañña-vagga

Hoofdstuk 11: rāgapeyyāla

A.VIII.92.  De serie over het herkennen van begeerte

zie: A.II.231-246

Daarna volgt de tekst van de acht overwinningsgebieden zoals in A.VIII.65.

Einde van het boek van acht

[1] Winternitz 1983, p. 59; Webb 1975, p. 29.

[2]  Dit heeft betrekking op het inzicht (vipassanā) verbonden met de vier niveaus van heiligheid (stroomintrede, enz.), d.w.z. het inzicht in de vergankelijkheid, het lijden en ikloosheid van alle vormen van bestaan.

[3]  Lichamelijke afzondering (kāya-vūpakāsa), d.w.z. leven in eenzaamheid; geestelijke afzondering (citta-vūpakāsa), d.w.z. de innerlijke bevrijding van de bezoedelingen van de geest.

[4] vgl. A.IV.192

[5]  De naam van een klooster dat zich in een Dhava-struikgewas bevond. Dhava zou identiek zijn aan de Ceylonese Malita (ook Mayila), een struik met altijd mooie rode bloemen.

[6]  Vessavana is de heer van het noorden onder de vier grote goden-koningen; hij is identiek aan Kubera, de god van de rijkdom.

[7] Nanda was de zoon van Mahā-Pajāpati, de tante en pleegmoeder van de Boeddha. Hij werd door de Boeddha aan het hoofd van die discipelen geplaatst die de poorten van de zintuigen bewaken. - Zie eventueel ook Dhammapada, verhaal I:9  bij de verzen 13-14 (1:13-14): Vurig verlangen doordringt het hart van de onontwikkelde, maar niet dat van de ontwikkelde.

[8]  De drie nachtwaken zijn van 18.00 uur tot 22.00 uur, van 22.00 uur tot 02.00 uur en van 02.00 uur tot 06.00 uur.

[9] paraputto; letterlijk: zoon van anderen, d.w.z. een niet ertoe behorende persoon.

[10] vgl. Sn. II.6, verzen 281-283.

[11] Deze leerrede is ook in Vin. III, 1.

[12]  De Pucimanda, ook bekend als de Nimba- of Margosa-boom, is identiek aan de Ceylonese Kohomba-boom. De vruchten ervan hebben een bittere smaak. Zie A.X.104.

[13]  vgl. A.II.39.

[14]  arasarūpo, letterlijk: 'smakeloos', d.i. niet beleefd. Dienovereenkomstig zou de letterlijke vertaling van het volgende zijn: "want elke smaak voor vormen enz. is in de Volmaakte overwonnen."

[15] of 'gloeien' (tapanīyā); 'kweller' = tapassī.

[16]  apagabbho.  Het commentaar legt uit: iemand geboren uit de lagere schoot (gabbha); iemand die niet in staat is tot wedergeboorte in de wereld van de goden.

[17]  gabbha-seyyā, aanknopend aan het eerdere apagabbho.

[18]  passaddho kāyo asāraddho; commentaar: het geestelijke en het materiële lichaam.

[19]  Commentaar: In India waren drie hoofdsponsoren van de Nigantas (Jainas): in Nālanda het gezinshoofd Upali (zie M. 56), in Kapilavatthu de Sakya Vappo (A.IV.195) en in Vesālī de veldheer Sīha. - Meer over die veldheer, zie A.V.34.

[20]  Deze uitspraak geeft in de teksten altijd het bereiken van de stroomintrede (sotāpatti) aan.

[21] Commentaar: in zijn vertrouwen.

[22]  pavatta-mamsa; commentaar: Neem geld en zoek in de bazaar naar "op normale manier ten deel gevallen" (pakatiyā pavattam) en (voor monniken) toegestaan vlees (kappiya-mamsa), d.w.z. niet van dieren die zijn geslacht of die tijdens de jacht zijn gedood.

[23]  De visie van de Niganthas was dat de helft van de morele schuld op de gever en de andere helft op de ontvanger viel.

[24]  Dit is de enige passage die bekend is, waar iemand die in het wereldse leven staat, wordt aangesproken met de respectvolle aanspreektitel bhante.

[25]  volgens het commentaar uit het dal van de Indus.

[26] In A.IX.22 (en A.III.141-143) worden drie soorten paarden genoemd: assakhalunka, assasadassa en assājāniya, waarbij assakhalunka overeenkomt met sotāpanna, d.w.z. de beginner onder de vier 'hoge mensen' (ariya-puggala) die het eerste niveau van heiligheid bereikt heeft.

[27] Vergelijk Dhammapada, Mala vagga, verzen 241-243.

[28] Commentaar: hij laat zich niet storen.

[29]  Deze leerrede is ook in het Cūla-Vagga van de Vinaya, Sanghabhedaka-khandhaka.

[30] Volgens het commentaar bestaan er drie vorsten van de demonen (asura): Vepacitti, Rāhu en Pahārāda.         

[31] silā, rode arsenicum.

[32] timi timingalo timiranpingalo; Commentaar: van deze drie vissen kan de tweede de eerste opslokken en de derde de beide anderen.

[33] Een yojana is gelijk aan wat het koninklijke leger op één dag kon afleggen. Bij benadering varieerde dit van 9,6 tot 18 of 24 kilometer. Normaal wordt een afstand van 15 kilometer aangehouden.

[34] Vgl. Ud. V.5 

[35] Hij werd door de Boeddha aan het hoofd van de 'toegewijde schenkers' geplaatst (zie A.I.24 onder III).

[36] zie: Soorten bevrijdingen.

[37] sangahavatthu; Hatthaka uit Ālavi staat aan het hoofd van degenen die door de vier gunsten aanhangers krijgen.

[38] kodha-balī; schelden, zeuren.

[39] ujjhatti; gevoeligheid, wrok.

[40] nijjhatti, de voor- en nadelen overwegen.

[41] De bovenstaande zeven groepen van termen vormen de 37 factorenen die naar de Verlichting leiden (bodhipakkhiya-dhamma).

[42] majjhimesu janapadesu. Hiermee is waarschijnlijk oorspronkelijk Midden-India bedoeld, als het werkterrein van de Boeddha en het culturele centrum van India in die tijd, in tegenstelling tot de eerder genoemde onbeschaafde grensgebieden.

[43] Letterlijk staat er: zo snel als een sterke man de gebogen arm kan strekken en de gestrekte arm kan buigen.

[44] nippapañca, het vrij zijn van de veelheidswereld, Nibbana.

[45]  Runderurine vermengd met de bittere Myrobalan-vrucht (harītakī), in de grond begraven en opgeslagen, geldt als werkzaam genees- en versterkingsmiddel.

[46] uyyojanika-patisamyuttam katham, letterlijk: gesprek met betrekking tot het wegzenden, afscheid nemen. Commentaar: upatthāna-gamanakam yevā'ti attho, wat vermoedelijk te verstaan is als upatthānam katvā gamanam, d.w.z. het gaan [van de bezoekers] na de begroeting. Een monnik die aan afzondering denkt, geeft hoffelijk antwoord op de begroeting en het eerbetoon van de bezoekers, hun vragen naar zijn welbevinden enz., maar meer zegt hij niets dat tot een voortgaan van het gesprek zou kunnen dienen.

[47] Zoals Theragāthā 901-903.

[48] vgl. A.V.42.

[49] vgl. A.IV.51 en A.V.45.

[50] De vierde regel van deugdzaamheid, die betrekking heeft op liegen (musā-vāda; letterlijk: vals taalgebruik), is hier uitgebreid tot de vier soorten niet correct taalgebruik, waarvan de taak in de derde schakel van het pad is ingesloten.

[51] ummattaka, 'waanzin'. Commentaar: verwarring van de geest of geestelijke sufheid.

[52]  Van de vijf gedeeltelijk met elkaar overeenkomende teksten over dit onderwerp is hier de langste versie gekozen voor volledige weergave. Ze omvat het complete materiaal van de andere vier teksten. Delen I en II van deze tekst 44 zijn identiek aan A.III.71, delen II en III.

[53] Letterlijk: de vastendag die met de acht factoren (d.w.z. de acht besluiten) is voorzien.

[54]  letterlijk: met deze eerste schakel is hij  (de vastendag) voorzien.

[55] Monniken gebruiken slechts één maaltijd tussen 06:00 en 12:00 uur.

[56] Genoemd worden de landen Anga, Magadha, Maccha, Kasia, Kosala, Vajjhi, Malla, Cetiya, Bengalen, Kuru, Pancala, Surasena, Assaka, Avanti, Gandhāra, Cambodja.

[57] De zeven schatten zijn: goud, zilver, parels, kristal, turkoois, diamant en koraal.

[58] 9 miljoen menselijke jaren

[59] 36 miljoen menselijke jaren

[60] 144 miljoen menselijke jaren

[61] 576 miljoen menselijke jaren

[62]  2304 miljoen menselijke jaren

[63] 9216 miljoen menselijke jaren

[64] singi-suvanna; een goudsoort die in hoornvormige goudkorrels gevonden wordt en die erg geschikt is voor het maken van sieraden.

[65] jatarūpa; deze goudsoort zou lijken op de huidskleur van de Boeddha.

[66] hātaka; goudstof die door mieren zou zijn verzameld.

[67] sace cinteyyum. Commentaar: De Boeddha wees daarbij op twee salabomen die voor hem stonden. - Vergelijk A.IV.193 die op dezelfde plek gesproken werd.  

[68] De vijf instrumenten van het spel van vijf waren: ātata, een eenzijdig bespannen trommel; vitata, een dubbelzijdig bespannen trommel; ātata-vitata, een volledig met vel bespannen trommel; susira, een houten blaasinstrument, wellicht een soort fluit of klarinet; verschillende soorten van cymbalen.

[69] De eerste vijf ervan worden ook vermeld in A.V.33. 

[70] De tante en pleegmoeder van de Boeddha. Zij was de moeder van Nanda (zie A.VIII.9).

[71] añjali, eigenlijk de ruimte gevormd door het samenvoegen van beide handpalmen. De handeling van añjali bestaat erin de handen, die zo zijn samengevouwen, naar het voorhoofd te heffen. Het is een in alle boeddhistische landen gebruikelijke vorm van verering, die men aan eerbiedwaardige personen zoals monniken, ouders, leraren betoont.

[72] Bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot het klooster van de monniken. De non moet de mogelijkheid hebben om vermaning en onderricht van de monniken te ontvangen.

[73] zowel de Bhikkhu sangha als de Bhikkhuni sangha.

[74] pavāranā-ceremonie, op het einde van de regenperiode. De monniken en nonnen vermanen elkaar dan onderling.

[75] Deze zes regels zijn: het vermijden van doden, stelen, onkuisheid, liegen, bedwelmende middelen en eten op een onpassende tijd.

[76] kumbha-thenaka; letterlijk: pot [dragende] dieven. Commentaar: Zij steken een licht in een pot aan, en zoeken met dit licht in de huizen naar buit.

[77] Zie: Bhikkhuni Sangha, voor opmerkingen betreffende de Boeddhistische nonnen.  

[78] Zie A.VII.72.

[79] Commentaar: binding aan de kringloop van bestaan.

[80] Namelijk naar het afstapelen van het bestaansproces dat zich uit in steeds nieuwe wedergeboorte.         

[81] U Ko Lay 1985, p. 122.

[82] Zitmat: een stuk leer om op te zitten.

[83] Het Cāpāla-gedenkteken was de plaats waar de yakkha met naam Cāpāla vroeger had gewoond. Die plek werd bekend als het Cāpāla-heiligdom of het Cāpāla-gedenkteken. Later werd er een klooster gebouwd voor de Boeddha. Dat klooster werd eveneens Cāpāla-gedenkteken genoemd. Evenzo is het met de andere hier genoemde gedenktekens. (Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford : PTS, 1995, Vol. II, p. 851-852).

[84] In het Pāli staat kappa. Dahlke vertaalde dit met ‘wereldtijdperk’ (mahākappa). Het commentaar gebruikt kappa niet in de zin van wereldperiode of aeon, maar als āyu-kappa = levensspanne. Commentaar: ‘Hij kan blijven leven en de levensspanne afmaken die op de respectievelijke tijd aan mensen toebehoort.’ Sub-commentaar: ‘De maximum-levensspanne.’ In de Pāli Canon is kappa nooit gebruikt in de betekenis van levensspanne. Gnanarama schreef dat latere volgelingen van de Boeddha er niet mee konden instemmen dat de Verhevene een normale dood stierf. Zij maakten hem tot een superman. Zij legden kappa uit als levensspanne. (Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 89, 92-93, en 96. Zie ook An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 88 noot 4).

[85] De Boeddha zou, indien Ānanda dit had gevraagd, een aeon hebben kunnen blijven leven. De Boeddha was toen al oud en te veronderstellen dat hij met een dergelijke  gesteldheid had kunnen blijven leven, is onjuist. Indien hij inderdaad een aeon had kunnen blijven leven, dan was een verzoek van Ānanda niet nodig geweest. (Gnanarama 1997, p. 84-86). Na het overlijden van de Boeddha wilden zijn discipelen niet accepteren dat hij een natuurlijke dood gestorven was. Zij weigerden aan te nemen dat de Boeddha was heengegaan. (Gnanarama 1997, p. 89). In het Kathavatthu, samengesteld bij het derde concilie, wordt ontkend dat iemand die de vier paden van psychische krachten heeft ontplooid, een aeon lang kan leven. Niemand kan ouderdom en dood te boven komen. (Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford 1993, 11, 5, p. 258-260). Omdat veel discipelen de dood van de Boeddha niet wilden zien als iets natuurlijks, gaven zij Ānanda de schuld. (Gnanarama 1997, p. 96). In de Chinese toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan zegt de Boeddha dat zelfs als hij een aeon bleef leven, dit geen voordeel zou zijn omdat de leer compleet was voor iedereen. (zie: De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan. De allerlaatste instructies)  - De Boeddha bleef geen kappa leven want Boeddhas blijven alleen voor zover behoefte eraan is om voor degenen die in staat zijn geleid te worden, een leider en gids te zijn.

[86] In de achtste week na de Verlichting.

[87] Reinheidsleven: Brahmacariya. De gebruikelijke betekenis ervan is de Boeddhistische manier van leven die niet alleen uit theoretische kennis bestaat maar die in de praktijk verwerkelijkt moet worden. (Dahlke p. 884 noot 17). Met het reine of heilige leven wordt bedoeld het leven van een monnik. Ook de lekenvolgeling(e) die de acht regels onderhoudt, leeft een zuiver en heilig leven. Het hoogste doel van een zuiver leven is de ‘onwrikbare bevrijding van de geest’. (Nyānatiloka: Buddhist Dictionary: Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy 1980, p. 43).

[88] De komst van Mara en diens verzoek aan de Boeddha om direct uit het leven te scheiden, waarna de Boeddha nog drie maanden wil blijven leven, is een latere toevoeging. (Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt 1980, p. 40).

[89] Letterlijk: de meetbare en onmeetbare oorzaak van leven, d.w.z. de wilsactie die wedergeboorte veroorzaakt in de begrensde zinnelijke sfeer of in de onbegrensde fijnstoffelijke en onstoffelijke sfeer. (Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy: BPS, 1964. The Wheel No. 67/69).

[90] Udana VI.1. - Commentaar: ‘Hij breekt door het hele net van belemmeringen waardoor individueel bestaan omwikkeld is als door een maliënkolder. Hij (ver)breekt de belemmeringen zoals een groot krijger na de strijd zijn wapenrusting breekt.’ (Vajira 1964). Dit verhaal met vers is in D.16 ingevoegd.

[91] anupadisesa nibbana dhatu, de staat van uitdoving zonder rest.

[92]  Commentaar: De eerste aardbeving ontstaat door een storing van de elementen; de tweede wordt veroorzaakt door magische kracht; de derde en vierde aardbeving ontstaan door de intense kracht van verdienstelijke daden (puñña-teja); de vijfde door de intensieve kracht van het inzicht (ñāna-teja); de zesde aardbeving ontstaat als een kennisgeving van goedkeuring (sādhukāra-dāna); de zevende ontstaat uit medelijden (met de wereld die de Boeddha nu gaat verlaten); de achtste aardbeving als een uiting van rouw. - Dit hele sutta is in D.16 ingevoegd.

===