Facetten van het Boeddhisme


naar INDEX  of  naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.7. Anguttara Nikaya, Sattaka-nipata, het boek van zeven.

indeling        inleiding       geraadpleegde bronnen


     

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Anguttara Nikaya

Sattaka-Nipāta

Het boek van zeven

Indeling

Het boek van zeven, Sattaka-Nipāta, is verdeeld in tien hoofdstukken, vaggas, met in totaal 84 suttas.

Hoofdstuk 1: dhana-vagga

A.VII.1-2. Niet en wel geliefd

A.VII.3. Zeven krachten I 

A.VII.4. Zeven krachten II

A.VII.5. Zeven schatten I

A.VII.6. Zeven schatten II

A.VII.7. Twee soorten schatten

A.VII.8. Zeven boeien I

A.VII.9. Zeven boeien II

A.VII.10. Zeven boeien III

Hoofdstuk 2: anusaya-vagga 

A.VII.11-12. Zeven neigingen I-II

A.VII.13. Te vermijden gezinnen

A.VII.14. Zeven waardige mensen I

A.VII.15. Degenen die duiken

A.VII.16. Zeven waardige mensen I

A.VII.17. Zeven waardige mensen II

A.VII.18. Zeven grondslagen van eerbiedwaardigheid

Hoofdstuk 3: vajji-sattaka-vagga 

A.VII.19. Te Sarandada - Dingen leidende naar voorspoed van een volk

A.VII.20. Vassakāra - Dingen leidende naar voorspoed van een volk II

A.VII.21. Tot voorspoed van de Orde I

A.VII.22-25. Tot voorspoed van de Orde II-V

A.VII.26. Nadelig en voordelig voor de monnik 

A.VII.27-30. Nadelig en voordelig voor de lekenvolgeling

Hoofdstuk 4: devatā-vagga

A.VII.31-33. Zeven bevorderlijke dingen I-III

A.VII.34. Zeven bevorderlijke dingen

A.VII.35. De echte vriend I

A.VII.36. De echte vriend II

A.VII.37. De vier soorten analytische kennis

A.VII.38. De zelfbeheerste

A.VII.39. De eerwaarde monnik I

A.VII.40. De eerwaarde monnik II

Hoofdstuk 5: mahā-yañña-vagga 

A.VII.41. De zeven sferen van bewustzijn

A.VII.42. De werktuigen van de concentratie

A.VII.43. De zeven vuren

A.VII.44. Het grote offer

A.VII.45-46. Zeven zegenrijke overwegingen

A.VII.47. Het leven in kuisheid

A.VII.48. Verbinding en losmaken

A.VII.49. Het aalmoes

A.VII.50. Nandamātā

Hoofdstuk 6: abyākata-vagga 

A.VII.51. De onuitlegbare problemen; nibbana

A.VII.52. De zeven paden van hogere mensen  [en Nibbana zonder hechten]

A.VII.53. Niet alle goden hebben hoger inzicht 

A.VII.54. De vrucht van het geven 

A.VII.55. Zonder angst en blaam

A.VII.56. De duur van de leer

A.VII.57. Eigenschappen naar de Verlichting

A.VII.58. Tot overwinning van slaperigheid

A.VII.58. II. De zegen van metta

A.VII.59. De goede echtgenote

A.VII.60. De gevolgen van hatelijkheid 

Hoofdstuk 7. mahā-vagga 

A.VII.61. Het een gebaseerd op het andere

A.VII.62. Vergankelijkheid

A.VII.63. Zeven goede eigenschappen van de edele

A.VII.64. Zeven eigenschappen van de edele

A.VII.65. De hemelse koraal-boom

A.VII.66. Zeven voorwerpen van eerbied

A.VII.67. Zonder oefening geen vooruitgang

A.VII.68. Het lot van de valse asceet - Aggikkhandha-Sutta

A.VII.69. Het honen, smaden van de edelen

A.VII.70. Heel kort is het leven

Hoofdstuk 8: vinaya-vagga

A.VII.71-78. Beschermer van de discipline

A.VII.79. De juiste leer van de Meester

A.VII.80. Het zevenvoudige bijleggen van geschillen

Hoofdstuk 9: samana-vagga 

A.VII.81. De naam monnik waard

A.VII.82. Goede en slechte eigenschappen

Hoofdstuk 10: āhuneyya-vagga 

A.VII.83. Zeven mensen die verering waard zijn

A.VII.84. De factoren van Verlichting

Inleiding

Het boek van zeven, Sattaka-Nipāta, gaat over de volgende onderwerpen:

        Zeven soorten rijkdom: eerbetoon, goed gedrag, bescheidenheid, afzien van onheilzame daden, (veel) leren, ontzegging, wijsheid; zeven soorten van gehechtheid; het vragen van gunsten, haat, verkeerd vertrouwen, twijfel, trots, werelds bestaan, onwetendheid. De zeven vereisten voor meditatie; de zeven wonderen; de zeven soorten echtgenotes.[1]

Hoofdstuk 1: dhana-vagga

A.VII.1-2. Niet en wel geliefd

In het Jeta-bosje bij Sāvatthī.

Monniken, als de monnik de volgende eigenschappen heeft, wordt hij door zijn broeders in de Orde niet geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd. Welke zijn deze eigenschappen?

De monnik verlangt naar winst, eer, roem, hij is schaamteloos, gewetenloos, vol slechte verlangens, en hij heeft verkeerde opvattingen. Ook is hij jaloers en egoïstisch.

Maar monniken, als de monnik de volgende eigenschappen heeft, wordt hij door zijn broeders in de Orde geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd. Welke zijn deze eigenschappen?

De monnik verlangt niet naar winst, is niet eerzuchtig, verlangt niet naar roem, hij is vol schaamte en morele vrees, is niet jaloers en niet egoïstisch. Hij stelt weinig eisen en heeft juist inzicht.

A.VII.3. Zeven krachten I

Monniken, er zijn zeven krachten. Welke zeven? De kracht van het vertrouwen, van de wil, van schaamte, van morele vrees, van de oplettendheid, van de concentratie en van de wijsheid.

De wijze die deze zeven krachten als steun heeft, leeft gelukkig. Hij doorgrondt de leer diep en ziet wijs de betekenis ervan. En er komt de bevrijding van zijn geest.

A.VII.4. Zeven krachten II

        Bovengenoemde krachten worden hier uitgelegd zoals in A.V.2. (Nrs. 3 en 4) en in A.V.4. (Nrs. 1, 2, 5, 6, 7)

A.VII.5. Zeven schatten I

Monniken, er zijn zeven schatten. Welke zeven? De schat van het vertrouwen, van de deugdzaamheid, van de schaamte, van de morele vrees, van het weten, van de vrijgevigheid en van de wijsheid.

Wie deze zeven schatten bezit, hetzij man of vrouw, die geldt terecht als rijke persoon en heeft niet tevergeefs geleefd. Laat de wijze mens daarom deze zeven schatten koesteren en goed onderhouden, denkende aan de instructies van de Boeddha.

A.VII.6. Zeven schatten II

De uitleg van deze zeven schatten; zie  A.V.2 en  A.V.47.

A.VII.7. Twee soorten schatten

Ugga, de koninklijke raadgever, begaf zich eens naar de Verhevene, en bij hem aangekomen, begroette hij hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend sprak nu Ugga, de koninklijke raadgever, tot de Verhevene aldus:

“Het is wonderbaarlijk, Heer, het is verbazingwekkend hoe rijk en zeer vermogend toch deze Migāra[2] is, de kleinzoon van Rohana.”

"Ugga, hoe rijk is dan wel Migāra, Rohana's kleinzoon?”

"Heer, hij bezit tien miljoen in goud, Heer, om nog maar te zwijgen van het zilver."

"Ugga, dat is inderdaad een schat, en ik ontken niet dat het er een is. Maar deze schat, Ugga, wordt bedreigd door vuur, water, vorsten, rovers en door onaangename erfgenamen. Maar er zijn zeven schatten, Ugga die er niet door zijn bedreigd. En welke zijn die? De schat van vertrouwen, deugdzaamheid, schaamte, morele vrees, weten, vrijgevigheid en wijsheid. Deze zeven schatten, Ugga, zijn niet bedreigd door vuur, water, vorsten, rovers en door onaangename erfgenamen.

Wie deze schatten heeft verworven, hetzij man of vrouw, die geldt in het rijk van de goden en in de menselijke wereld als rijk en onoverwinnelijk.

A.VII.8. Zeven boeien I

        Opsomming van de zeven boeien die ook in A.VII.9 genoemd worden.

A.VII.9. Zeven boeien II

Om zeven boeien te overwinnen en te verbreken, monniken, leidt men het heilige leven. Welke zeven boeien?

Tot overwinning en verbreking van

de boei van voorkeur, genegenheid,

de boei van afkeer,

de boei van visies, opvattingen,

de boei van twijfel,

de boei van waan en eigendunk,

de boei van verlangen naar bestaan en

de boei van onwetendheid.

Wanneer nu in een monnik deze zeven boeien zijn overwonnen, grondig verwoest, volledig vernietigd en niet langer blootgesteld aan nieuw ontstaan, dan monniken, zegt men van deze monnik dat hij het verlangen heeft afgesneden, de boeien heeft verwijderd en door het volledige doorzien van de waan en eigendunk een eind heeft gemaakt aan het lijden.

A.VII.10. Zeven boeien III

Monniken, er zijn zeven boeien, en wel:

de boei van voorkeur, genegenheid, de boei van afkeer, de boei van visies, de boei van twijfel, de boei van waan en van eigendunk, de boei van afgunst en de boei van egoïsme.

Hoofdstuk 2: anusaya-vagga

A.VII.11-12. Zeven neigingen I-II

Tot overwinning en uitroeiing van zeven neigingen (anusaya), monniken, leidt men het heilige leven. Van welke zeven neigingen?

Tot overwinning en uitroeiing van de neiging tot

zinnelijke lust, haat, visies, twijfel, waan en eigendunk, verlangen naar bestaan en verblinding.

Wanneer nu in een monnik deze zeven neigingen zijn overwonnen, grondig verwoest, volledig vernietigd en niet meer zijn blootgesteld aan nieuw ontstaan, monniken, dan zegt men van deze monnik dat hij het verlangen heeft afgesneden, de boeien heeft verwijderd en door het volledige doorzien van de waan en eigendunk een einde heeft gemaakt aan het lijden.

(Tekst 11 bevat alleen een opsomming van de zeven neigingen.)

A.VII.13. Te vermijden families

Monniken, naar een familie waarbij zeven eigenschappen te vinden zijn, moet men niet heengaan als men ze nog niet heeft bezocht. Als men er al is heengegaan, dan moet men daar niet gaan zitten. Wat nu zijn deze zeven eigenschappen?

Men staat niet op beleefde manier op,

men groet niet op beleefde manier,

men biedt niet op beleefde manier een zitplaats aan;

men verbergt wat men heeft;

hoewel er veel is, geeft men weinig;

hoewel er iets goeds is, geeft men iets slechts;

men geeft zonder eerbied, niet met respect.

Maar monniken, naar een familie waarbij de volgende zeven eigenschappen te vinden zijn, kan men heengaan als men ze nog niet heeft bezocht. Als men er al is heengegaan, dan mag men daar gaan zitten. Wat nu zijn deze zeven eigenschappen?

Men staat op beleefde manier op,

men groet op beleefde manier,

men biedt op beleefde manier een zitplaats aan;

men verbergt niet wat men heeft;

als er veel is, geeft men veel;

als er iets goeds is, geeft men iets goeds;

men geeft vol eerbied, met respect.

A.VII.14. Zeven waardige mensen I

zie M.70.

A.VII.15. Degenen die duiken

 

        Monniken, er zijn zeven mensen in de wereld die met degenen die duiken te vergelijken zijn. Welke zeven?

Monniken, iemand is één keer gezonken en blijft beneden;

iemand duikt op en zinkt weer;

iemand duikt op en blijft waar hij is;

iemand duikt op en kijkt en verkent;

iemand duikt op en komt vooruit;

iemand duikt op en krijgt vaste voet;

iemand duikt op, doorkruist de stroom, bereikt de andere oever en staat, een heilige, op vaste grond.

Hoe nu, monniken, is een mens één keer gezonken en blijft beneden? Er is iemand behept met extreem slechte en onheilzame eigenschappen. Zo is een mens één keer gezonken en blijft beneden.

Monniken, hoe nu duikt iemand op en zinkt weer?

Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' Maar dit vertrouwen en die schaamte, deze morele vrees, wilskracht en wijsheid blijven niet in hem, noch worden zij sterker, maar ze verdwijnen. Zo duikt iemand op en zinkt weer.

Monniken, hoe nu duikt iemand op en blijft waar hij is?  Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' En dit vertrouwen en die schaamte, deze morele vrees, wilskracht en wijsheid verdwijnen niet bij hem noch worden zij sterker, maar ze blijven gelijk. Zo duikt iemand op en blijft waar hij is.

Monniken, hoe nu iemand duikt op en kijkt en verkent? Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' En na vernietiging van de drie boeien is hij een in de stroom getredene (sotāpanna), ontkomen aan de lagere werelden, veilig, zeker van de volledige Verlichting. Zo duikt iemand op en kijkt en verkent.[3]

Monniken, hoe nu duikt iemand op en komt vooruit? Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' En na vernietiging van de drie boeien en het minder worden van begeerte, haat en onwetendheid keert hij nog een keer terug (sakadāgāmī); en slechts nog één keer naar deze wereld teruggekeerd, maakt hij aan het lijden een einde.

Monniken, hoe nu duikt iemand op en krijgt vaste voet? Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' En na vernietiging van de vijf lagere boeien verschijnt hij weer bij de geestgeboren wezens en daar bereikt hij het Nibbana, keert niet meer van die wereld terug (anāgāmī).

Monniken, hoe nu duikt iemand op, doorkruist de stroom, bereikt de andere oever en staat, een heilige, op vaste grond. Daar duikt een persoon op (terwijl hij denkt): 'Goed is vertrouwen bij heilzame dingen, goed zijn schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid bij heilzame dingen.' En door het opdrogen van de neigingen bereikt hij nog in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende.

        Monniken, deze zeven mensen zijn er in de wereld, die met duikers te vergelijken zijn.

A.VII.16. Zeven waardige mensen I

        Monniken, er zijn zeven mensen die offergaven waard zijn, die gastvrijheid waard zijn, die gaven waard zijn, die waard zijn eerbiedig gegroet te worden, die in de wereld het beste veld voor verdienstelijke werken zijn. Welke zeven mensen?

Daar vertoeft een monnik en beschouwt de vergankelijkheid van alle vormen van bestaan; hij is zich bewust van de vergankelijkheid, de vergankelijkheid kent hij,[4] constant, overal, onverward, met standvastige geest, zich wijs daarin verdiepend.

En hij verkrijgt door het opdrogen van de neigingen nog in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende;

of er heeft bij hem op een en dezelfde tijd het einde van de neigingen plaats en het einde van het leven;

of, na opheffing van de vijf lagere boeien, wordt hij een op halve route uitdovende;

of een na halve route uitdovende;

of een moeiteloos uitdovende;

of een moeizaam uitdovende;

of een stroomopwaarts naar de verheven goden zich haastende.[5]

Deze zeven mensen, monniken, zijn offergaven waard, zijn gastvrijheid waard, zijn gaven waard, zijn  waard eerbiedig gegroet te worden, zijn het beste veld in de wereld voor goede werken.

A.VII.17. Zeven waardige mensen II

        Monniken, er zijn zeven mensen die offergaven waard zijn, die gastvrijheid waard zijn, die gaven waard zijn, die waard zijn eerbiedig gegroet te worden, die in de wereld het beste veld voor verdienstelijke werken zijn. Welke zeven mensen?

        Daar vertoeft een monnik, het lijden van alle vormen van bestaan beschouwend, zich bewust van het lijden, het lijden kennende - de onpersoonlijkheid van alle dingen beschouwende, zich bewust van de onpersoonlijkheid, de onpersoonlijkheid kennende - het geluk van het  Nibbāna beschouwende, zich bewust van het geluk van het Nibbāna, het geluk van het Nibbāna kennende, constant, altijd, onverstoorbaar, met standvastige geest, zich wijs daarin verdiepend.

        En hij verkrijgt door het opdrogen van de neigingen nog in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende;

of er heeft bij hem op een en dezelfde tijd het einde van de neigingen plaats en het einde van het leven;

of, na opheffing van de vijf lagere boeien, wordt hij een op halve route uitdovende;

of een na halve route uitdovende;

of een moeiteloos uitdovende;

of een moeizaam uitdovende;

of een stroomopwaarts naar de verheven goden zich haastende.

        Deze zeven mensen, monniken, zijn offergaven waard, zijn gastvrijheid waard, zijn gaven waard, zijn  waard eerbiedig gegroet te worden, zijn het beste veld in de wereld voor goede werken.

A.VII.18. Zeven grondslagen van eerwaardigheid

Er zijn zeven grondslagen van de eerwaardigheid,[6] monniken. Welke zeven?

Daar heeft de monnik een sterke drang om de geestelijke training na te volgen; en ook later verlaat de liefde om de geestelijke training na te volgen hem niet. Hij heeft een sterke drang tot begrip van de leer - tot beteugeling van zijn wensen te houden - tot afzondering - tot het inzetten van zijn wilskracht - tot oplettendheid en bezonnenheid - tot doordringend inzicht; en ook later verlaat de liefde ertoe hem niet.

Deze zeven grondslagen van de eerwaardigheid zijn er, monniken.

Hoofdstuk 3: vajji-sattaka-vagga

A.VII.19. Te Sarandada - Dingen leidende naar voorspoed van een volk

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Vesālī (in het klooster) bij de Sarandada-stoepa. Toen gingen talrijke Licchaviers naar de Verhevene en, bij hem aangekomen, begroetten zij de Verhevene eerbiedig en gingen terzijde zitten. En de Verhevene zei:

'Zeven dingen die voorspoed brengen,[7] Licchaviers, wil ik jullie laten zien. Luister daarom en let op goed mijn woorden.' - "Ja Heer", gaven de Licchaviers aan de Verhevene ten antwoord, en de Verhevene zei:

"Welke zijn de zeven voorspoed brengende dingen, Licchaviers?

Licchaviers, zo lang als de Vajjis vredig samenkomen en in vrede weer uit elkaar gaan; en zo lang als zij in eendracht hun staatsplichten uitvoeren, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.

Zo lang als de Vajjis geen nieuwe besluiten vaststellen en zij geen bestaande besluiten verwerpen, maar zo lang zij handelen in overeenstemming met hun oude instellingen, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.

Zo lang als de Vajjis respect tonen, eer, achting en verering jegens hun ouderen en zo lang als zij het waard achten naar hen te luisteren, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.

Zo lang als de Vajjis ervan afzien om vrouwen en meisjes van goede families te ontvoeren en haar vast te houden, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.

Zo lang als de Vajjis respect, eer, achting en verering tonen jegens hun heiligdommen,[8] zowel die binnen in de stad als die erbuiten; en zo lang als zij die heiligdommen niet uitsluiten van de verplichte offergaven zoals die vroeger eraan gegeven werden en zoals die ervoor gemaakt werden, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.

Zo lang als de Vajjis op de verschuldigde wijze de heiligen[9] beschermen en behoeden zodat zij die nog niet in het gebied zijn gekomen, graag zouden komen en zodat zij die reeds gekomen zijn, graag daar in vrede zouden leven, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.[10]

'Licchaviers, zolang deze zeven naar voorspoed leidende dingen bij de Vajjis behouden blijven en zij in overeenkomst ermee leven, zolang hebben de Vajjis alleen vooruitgang te verwachten, geen achteruitgang.”

(Deze leerrede wordt vermeld in het volgende gesprek met Vassakara, A.VII.20)

A.VII.20. Vassakāra - Dingen leidende naar voorspoed van een volk II

Eens[11] verbleef de Verhevene te Rājagaha op de heuvel genaamd Gierepiek (Gijjhakuta).[12] Te dien tijde nu wilde koning Ajātasattu van Magadha, zoon van de Vedeha-koningin,[13] oorlog voeren tegen de Vajjis.[14] Hij sprak op deze manier: “Deze Vajjis, machtig en roemrijk als zij zijn, zal ik vernietigen, zal ik verdelgen, zal ik geheel en al verwoesten.”[15]

        En koning Ajātasattu van Magadha richtte zich tot zijn hoofdminister, de brahmaan Vassakāra, met de woorden: “Kom, brahmaan, begeef je naar de Verhevene en bewijs in mijn naam eer aan de voeten van de Verhevene. Vraag of hij vrij is van ziekten en of hij een goede gezondheid, sterkte en geluk heeft. En zeg hem dat ik oorlog wil voeren tegen de Vajjis en ze wil vernietigen. Wat de Verhevene jou ten antwoord geeft, moet je goed onthouden en me laten weten; want Tathāgatas[16] spreken geen onwaarheid!” - “Jawel, heer,” zei de brahmaan Vassakāra toestemmend tot koning Ajātasattu van Magadha. En hij liet een groot aantal prachtige wagens klaarmaken, besteeg zelf één ervan en reed, vergezeld van de rest, vanuit Rājagaha weg naar de Gierepiek. Zover als de wagen gebruikt kon worden, ging hij per wagen. Daarna steeg hij uit en ging te voet verder naar de Verhevene. Na het uitwisselen van hoffelijke begroetingen met de Verhevene welke gepaard gingen met vele prettige woorden, ging hij terzijde neerzitten. En hij vertelde wat de koning hem had opgedragen.

Op die tijd stond de Eerwaarde Ānanda[17] achter de Verhevene en wuifde hem koelte toe.[18] En de Verhevene sprak tot de Eerwaarde Ānanda aldus:

        “Wat heb je gehoord, Ānanda; hebben de Vajjis vaak bijeenkomsten en zijn die dan goed bezocht?” – “Heer, ik heb gehoord dat dit zo is.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”

“Wat heb je gehoord, Ānanda; komen de Vajjis vredig[19] samen en gaan zij in vrede weer uit elkaar? En voeren zij in eendracht hun staatsplichten uit?” – “Heer, ik heb gehoord dat dit zo is.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”

“Wat heb je gehoord, Ānanda; stellen de Vajjis geen nieuwe besluiten vast en verwerpen zij geen bestaande besluiten, maar handelen zij in overeenstemming met hun oude instellingen?” – “Heer, ik heb gehoord dat zij aldus handelen.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”

“Wat heb je gehoord, Ānanda; tonen de Vajjis respect, eer, achting en verering jegens hun ouderen en achten zij het waard naar hen te luisteren?” – “Heer, ik heb gehoord dat zij aldus handelen.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”

“Wat heb je gehoord, Ānanda; ontvoeren de Vajjis de vrouwen en dochters van goede gezinnen niet en houden zij haar niet met geweld bij zich?” - “Heer, ik heb gehoord dat zij aldus handelen.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”

“Wat heb je gehoord, Ānanda; tonen de Vajjis respect, eer, achting en verering jegens hun heiligdommen,[20] zowel die binnen in de stad als die erbuiten? En sluiten zij die heiligdommen niet uit van de verplichte offergaven zoals die vroeger eraan gegeven werden en zoals die ervoor gemaakt werden?” – “Heer, ik heb gehoord dat zij hun heiligdommen vereren en niet uitsluiten van offergaven.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”[21]

“Wat heb je gehoord, Ānanda; beschermen en behoeden de Vajjis op de verschuldigde wijze de heiligen,[22] zodat zij die nog niet in het gebied zijn gekomen, graag zouden komen en zodat zij die reeds gekomen zijn, graag daar in vrede zouden leven?” – “Heer, ik heb gehoord dat zij zo handelen.” – “Ānanda, zolang als dat het geval is, is de groei van de Vajjis te verwachten en niet hun verval.”[23]

En de Verhevene richtte zich tot de brahmaan Vassakāra met deze woorden: “Brahmaan, eens vertoefde ik te Vesāli bij het Sārandada-heiligdom.[24] En daar onderwees ik aan de Vajjis deze zeven voorwaarden die leiden naar het welzijn van een volk. Brahmaan, zolang als deze voorwaarden in stand blijven onder de Vajjis en zolang als de Vajjis erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”

Daarop sprak de brahmaan Vassakāra tot de Verhevene aldus: “Eerwaarde Gotama, indien de Vajjis slechts begiftigd waren met één van deze voorwaarden die naar welzijn leiden, waarlijk, hun groei zou te verwachten zijn en niet hun verval. Inderdaad, geen letsel kan de Vajjis in strijd toegebracht worden door koning Ajātasattu van Magadha behalve door verraad en onenigheid.[25] Welnu, Eerwaarde Gotama, wij nemen thans afscheid want wij hebben veel uit te voeren, hebben veel werk te doen.”

        “Zoals het u passend schijnt, brahmaan,” gaf de Verhevene ten antwoord. En de brahmaan Vassakāra, hoofdminister van Magadha, keurde de woorden van de Boeddha goed. Terwijl hij zich erover verheugde, stond hij van zijn zitplaats op en vertrok.

        (Deze tekst is later ingevoegd in D.16)

A.VII.21. Tot voorspoed van de Orde I

Op de Gierepiek te Rājagaha.

“Zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, zal ik u tonen, monniken. Luistert aandachtig naar wat ik u ga zeggen.” – “Jawel, Heer.” – “Monniken, de groei van de monniken is te verwachten en niet hun verval:

zolang als zij vaak samenkomen en elkaar in grote aantallen ontmoeten;[26]

zolang als zij in vrede samenkomen en in vrede uiteengaan, en zolang als zij in eendracht de zaken van de Orde (Sangha) behartigen;[27]                  

zolang als zij geen nieuwe regels vaststellen en de bestaande regels niet verwerpen, maar voortgaan in overeenstemming met het reglement van oefening (Vinaya) dat vastgesteld is;         

zolang als zij respect, hoogachting, verering en eerbied betonen tegenover de oudere monniken,[28] degenen die meer ervaring hebben, die al lang uit het huis in de huisloze staat vertrokken zijn,[29] de vaders en leiders van de Sangha, en zolang als zij het waard achten naar hen te luisteren;         

zolang als zij niet onder de invloed komen van de begeerte die naar nieuw bestaan leidt;[30]

zolang als zij de diepten van het bos liefhebben als hun verblijfplaats;

en zolang als zij zichzelf individueel[31] in oplettendheid vestigen,[32] zodat deugdzame broeders in de Orde die nog niet gekomen zijn, graag komen en zodat degenen die reeds gekomen zijn, in vrede kunnen leven.

 

        Monniken, zolang als deze zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, onder de monniken voortduren en zolang als de monniken erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”[33]

(Deze tekst is opgenomen in D.16, het Mahā-Parinibbāna-Sutta)

A.VII.22-25. Tot voorspoed van de Orde II-V

“Zeven andere voorwaarden die naar welzijn leiden, zal ik u tonen, monniken. Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen.” – “Jawel, Heer.”

        “Monniken, de groei van de monniken is te verwachten en niet hun verval:

Zolang als zij geen behagen scheppen in, zich niet verheugen in en niet verzot zijn op activiteiten.[34] 

Zolang als zij geen behagen scheppen in, zich niet verheugen in en niet verzot zijn op geklets en praatjes.[35] Zolang als zij geen behagen scheppen in, zich niet verheugen in en niet verzot zijn op lang slapen.         

Zolang als zij geen behagen scheppen in, zich niet verheugen in en niet verzot zijn op gezelschap.         

Zolang als zij geen euvele verlangens koesteren en niet in de ban ervan raken.         

Zolang als zij geen slechte vrienden, metgezellen of kameraden hebben.

Zolang als zij niet halverwege[36] stoppen op grond van het een of andere onbeduidend[37] werelds succes.         

        Monniken, zolang als deze zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, onder de monniken voortduren en zolang als de monniken erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”

“Nog zeven andere voorwaarden die naar welzijn leiden, zal ik u tonen, monniken. Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen.” – “Jawel, Heer.”

“Monniken, de groei van de monniken is te verwachten en niet hun verval:

Zolang als zij vertrouwen hebben.

Zolang als zij morele schaamte hebben.[38]

Zolang als zij bevreesd zijn voor wangedrag.[39]

Zolang als zij bedreven zijn in leren.[40]                 

Zolang als zij vastberaden zijn.         

Zolang als zij oplettend zijn.[41]                  

Zolang als zij wijs zijn en begrip hebben.         

        ”Monniken, zolang als deze zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, onder de monniken voortduren en zolang als de monniken erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”

“Zeven andere voorwaarden die naar welzijn leiden, zal ik u tonen, monniken. Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen.” – “Jawel, Heer.”

“Monniken, de groei van de monniken is te verwachten en niet hun verval, zolang als zij de factoren van Verlichting ontwikkelen. Die factoren zijn:

Oplettendheid (sati).[42]

Het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya).[43]

Energie (viriya).[44]

Enthousiasme (pīti).[45]                  

Kalmte (passaddhi).[46]

Concentratie (samādhi).[47]

Gelijkmoedigheid (upekkha).[48]

”Monniken, zolang als deze zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, onder de monniken voortduren en zolang als de monniken erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”[49]

“Zeven andere voorwaarden die naar welzijn leiden, zal ik u tonen, monniken. Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen.” – “Jawel, Heer.”

“Monniken, de groei van de monniken is te verwachten en niet hun verval:

Zolang als zij de waarneming van vergankelijkheid ontwikkelen.

Zolang als zij de waarneming van niet-zelf ontwikkelen.[50]

Zolang als zij de waarneming van onreinheid van het lichaam ontwikkelen.         

Zolang als zij de waarneming van het gevaar van het lichaam ontwikkelen.         

Zolang als zij de waarneming van het opgeven van begeerte ontwikkelen.

Zolang als zij de waarneming van koelheid, onpartijdigheid en van het vervagen van begeerte ontwikkelen.         

Zolang als zij de waarneming van het beëindigen van begeerte ontwikkelen.”         

”Monniken, zolang als deze zeven voorwaarden die naar welzijn leiden, onder de monniken voortduren en zolang als de monniken erom bekend zijn, zolang is hun groei te verwachten en niet hun verval.”

(Deze leerreden zijn eveneens opgenomen in D.16)

A.VII.26. Nadelig en voordelig voor de monnik

Zeven dingen, monniken, strekken de oefenende monnik tot nadeel.  Welke zeven?

Genieten van lichamelijke bezigheid,

genieten van praten,

genieten van slapen,

genieten van gezelschap,

onbewaakte poorten van de zintuigen,

onmatigheid bij de maaltijd;

en als er voor de gemeenschap van de monniken zaken van de Orde geregeld moeten worden, dan zegt de oefenende monnik niet tot zichzelf: 'De oude, ervaren, ijverige ouderlingen in de Orde die lang geleden in de huisloosheid zijn vertrokken, zullen het wel afhandelen', maar hij doet zelf moeite vanwege deze zaken.

Deze zeven dingen strekken de oefenende monnik tot nadeel.

Zeven dingen, monniken, strekken de oefenende monnik tot voordeel.  Welke zeven?

Geen behagen scheppen in lichamelijke bezigheid,

geen behagen scheppen in praten,

geen behagen scheppen in slapen,

geen behagen scheppen in gezelschap,

bewaakt zijn bij de poorten van de zintuigen,

matigheid bij de maaltijd;

en als er voor de gemeenschap van de monniken zaken van de Orde geregeld moeten worden, dan zegt de oefenende monnik tot zichzelf: 'De oude, ervaren, ijverige ouderlingen in de Orde die lang geleden in de huisloosheid zijn vertrokken, zullen het wel afhandelen', en hij doet geen moeite vanwege deze zaken.

Deze zeven dingen strekken de oefenende monnik tot voordeel.”

A.VII.27-30. Nadelig en voordelig voor de lekenvolgeling

Zeven dingen, monniken, strekken de lekenvolgeling tot nadeel. Welke zeven?

Hij verzuimt het bezoek bij de monniken;

hij verwaarloost het luisteren naar de Goede Leer;

hij oefent zich niet in hogere deugdzaamheid;

hij is zeer wantrouwig tegenover oudere, middele en jongere monniken;

hij luistert met boosaardige gezindheid naar de leer, op zoek naar fouten;

hij zoekt buiten [de Orde] naar degenen die gaven waard zijn, en daar bedient hij eerst.

Deze zeven dingen, monniken, strekken de lekenvolgeling tot nadeel, betekenen zijn falen (upāsakassa vipattiyo) en strekken hem tot schande.

Maar zeven dingen, monniken, strekken de lekenvolgeling tot voordeel. Welke zeven?

Hij verzuimt niet het bezoek bij de monniken;

hij verwaarloost niet het luisteren naar de Goede Leer;

hij oefent zich in hogere deugdzaamheid;

hij heeft groot vertrouwen in de oudere, middele en jongere monniken;

hij luistert niet met boosaardige gezindheid naar de leer en zoekt niet naar fouten;

        hij zoekt niet buiten [de Orde] naar degenen die gaven waard zijn, en niet bedient hij daar het eerst.

Deze zeven dingen, monniken, strekken de lekenvolgeling tot voordeel, betekenen zijn meesterschap en strekken hem tot eer.

Een lekenvolgeling die het afwijst

om zelfbedwongenen te bezoeken,

om de verheven leringen te horen,

die zich niet oefent in hogere deugdzaamheid,

en tegen de monniken van de Verhevene

de afgunst steeds weer voedt;

wie alleen in een boosaardige gezindheid

gehoor schenkt aan de goede leer

en onder vreemden, buiten,

naar degenen speurt die de gaven waard zijn

en daar allereerst

de donatie aanbiedt:

Een dergelijke persoon, die deze zeven

duidelijk uiteengezette dingen volgt,

die hem tot ondergang strekken,

valt van de goede leer af.

Maar wie als lekenvolgeling het niet afwijst

om zelfbedwongenen te bezoeken, 

om de verheven leringen te horen,

die zich oefent in hogere deugdzaamheid,

en vertrouwen in de gemeenschap van de monniken

in zich steeds sterker laat worden,

en vrij van boosaardige gezindheid

gehoor schenkt aan de goede leer;

wie niet onder vreemden, buiten,

naar degenen speurt die de gaven waard zijn,

maar aan deze gemeenschap van discipelen

vooral de allereerste gave geeft:

Een dergelijke persoon, die deze zeven

duidelijk uiteengezette dingen volgt,

die hem naar eigen heil leiden strekken,

valt nooit van het goede af.

Hoofdstuk 4. devatā-vagga

A.VII.31-33. Zeven bevorderlijke dingen I-III

“Vannacht, monniken, kwam op een vergevorderd uur een hemelse geest naar mij toe, die in zijn hemelse schoonheid het hele Jeta-bosje verlichtte. Nadat hij mij eerbiedig had begroet, stond hij terzijde en zei:

'Zeven dingen, Heer, strekken de monnik tot steun. Welke zeven?

"Respect voor de Meester, respect voor de leer, respect voor de gemeenschap van de monniken, respect voor de geestelijke training, respect voor de concentratie van de geest, respect voor serieus streven, respect voor vriendelijke hulpvaardigheid.

Degene die eerbied voor de Meester heeft,

voor de leer en de gemeenschap van de discipelen;

wie aandacht schenkt aan de concentratie van de geest,

de training hoog en heilig houdt,

de ijver toegeneigd is,

de vriendelijkheid kan weet te waarderen,

is niet meer in staat tot achteruitgang,

is niet meer ver van het Nibbana.

"Respect voor de Meester, respect voor de leer, respect voor de gemeenschap van de monniken, respect voor de geestelijke training, respect voor de concentratie van de geest, respect voor het gevoel van schaamte, respect voor morele vrees.

Wie respect heeft voor de Meester,

voor de leer en de gemeenschap van de discipelen,

wie respect toont voor de concentratie van de geest,

de training hoog en heilig houdt,

vol schaamte en morele vrees is

en fijngevoel alsmede respect toont,

is niet meer in staat tot achteruitgang,

is niet meer ver van het Nibbana.

"Respect voor de Meester, respect voor de leer, respect voor de gemeenschap van de monniken, respect voor de geestelijke training, respect voor de concentratie van de geest, alsmede toegankelijkheid voor instructies en edele omgang.

Wie respect heeft voor de Meester,

voor de leer en de gemeenschap van de discipelen,

wie respect toont voor de concentratie van de geest,

de training hoog en heilig houdt, 

wie edele vrienden kiest,

toegankelijk is en graag leert

en fijngevoel en respect toont,

is niet meer in staat tot achteruitgang,

is niet meer ver van het Nibbana.”

A.VII.34. Zeven bevorderlijke dingen

(zoals A.VI.69, met "respect voor de concentratie van de geest’ als zevende)

A.VII.35. De echte vriend I

Een monnik die zeven eigenschappen heeft, die kan men, monniken, tot  vriend kiezen. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

Hij geeft wat moeilijk te geven is; doet wat moeilijk te doen is; verdraagt wat moeilijk te verdragen is; zijn geheimen vertrouwt hij iemand toe; wat geheim moet worden gehouden houdt hij geheim; hij verlaat iemand niet in ongeluk; hij veracht iemand niet wanneer die in armoede is.

Een vriend geeft wat niet gemakkelijk te geven is

en doet wat moeilijk te volbrengen is;

hij blijft geduldig, ook bij heftige spraak,

bij woorden die men moeilijk verdraagt.

Wat geheim is deelt hij met iemand,

wat toevertrouwd is houdt hij goed geheim,

laat de vriend niet in nood achter,

veracht de arme man niet.

Bij wie dan ook in de wereld

men deze zeven dingen vindt,

hem moge tot vriend kiezen

ieder die een vriend wenst.

A.VII.36. De echte vriend II

Monniken, met een monnik die zeven eigenschappen heeft, moet men als vriend omgaan, contact onderhouden en gezelschap houden, zelfs wanneer het iemand wordt geweigerd. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

Hij is liefdevol en hulpvaardig, serieus, eerbied waard, hij geeft instructies en neemt vermaningen aan, hij voert diepzinnige gesprekken en verleidt niet tot verkeerde dingen.

Vriendelijk, serieus en waardig,

een leraar die instructies neemt,

onderwijzend in diepe leer,

niet aanzettend tot slechte daad:

bij wie dan ook in de wereld

men deze zeven dingen vindt -

zelfs wanneer men het wil weigeren,

laat men hem als vriend kiezen,

wanneer men een vriend wenst

en bezorgd is voor het eigen heil.

A.VII.37. De vier soorten analytische kennis

Monniken, in het bezit van zeven eigenschappen kan een monnik na helemaal niet lange tijd de vier soorten analytische kennis zich eigen maken, ze zelf inziende en verwerkelijkende; en ermee uitgerust, heeft hij zich de vier soorten analytische kennis eigen gemaakt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

Monniken, daar weet de monnik overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze geestelijke slapheid is er in mij.' Als zijn geest innerlijk verkrampt is,[51] dan weet hij overeenkomstig de werkelijkheid: 'Mijn geest is innerlijk verkrampt.' Als zijn geest naar buiten verstrooid is, dan weet hij: 'Mijn geest is naar buiten verstrooid'. Bewust komen de gevoelens  bij hem op, bewust zijn ze daar, bewust verdwijnen ze. Bewust komen de waarnemingen in hem op, bewust zijn ze daar, bewust verdwijnen ze. Bewust komen de gedachten in hem op, bewust zijn ze daar, bewust verdwijnen ze.[52] Bij de gunstige en ongunstige, de gemene en edele dingen en de tegenstellingen van goed en kwaad, heeft hij de oorzaak goed gevat, weloverwogen, goed begrepen, in wijsheid goed doordrongen.

(Aansluitend wordt hetzelfde door Sāriputta gezegd.)

A.VII.38. De zelfbeheerste

In het bezit van zeven eigenschappen, monniken, heeft de monnik zijn geest onder controle, wordt niet door zijn geest beheerst. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

De monnik heeft verstand van de concentratie, van het intreden in de concentratie, van het verblijven in de concentratie, van het uittreden uit de concentratie, van het veredelen van de concentratie, van de objecten van de concentratie en van het verhogen van de concentratie.

In het bezit van deze zeven eigenschappen, monniken, heeft de monnik zijn geest onder controle, wordt niet door zijn geest beheerst. (Vgl. A.VI.24)

(Aansluitend wordt hetzelfde door Sāriputta gezegd.)

A.VII.39. De eerwaarde monnik I

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī, in het klooster van Anāthapindika. En de eerwaarde Sāriputta kleedde zich 's ochtends aan, pakte oppergewaad en nap en ging naar Sāvatthī voor aalmoezenvoedsel. Maar toen dacht hij: "Het is nog te vroeg om in Sāvatthī voor aalmoezenvoedsel te gaan. Dus wil ik het klooster van de andersdenkende dolende asceten bezoeken." En de eerwaarde Sāriputta ging naar het klooster van de andersdenkende dolende asceten. Daar aangekomen, wisselde hij vriendelijke groeten en na  hoffelijke en beleefde woorden te hebben uitgewisseld, ging hij terzijde zitten. Bij deze gelegenheid nu kwam onder de andersdenkende dolende asceten, toen zij zo bij elkaar zaten, het gesprek erop dat iemand die twaalf jaren lang het volmaakte en zuivere heilige leven leidt, terecht als een 'eerwaarde monnik'[53] aangeduid kan worden. De eerwaarde Sāriputta echter keurde de woorden van die andersdenkende dolende asceten niet goed noch af. Zonder goedkeuring of afkeuring te tonen, stond hij van zijn zitplaats op en verwijderde zich, denkend: 'Van de Verhevene zal ik wel de betekenis van die toespraak vernemen.' Nadat nu de eerwaarde Sāriputta voor aalmoezenvoedsel was gegaan, ging hij 's middags, na beëindiging van de maaltijd, naar de Verhevene. Daar aangekomen begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend deelde hij alles aan de Verhevene mee en zei: "Heer, kan men wel in deze leer en discipline een monnik enkel vanwege het aantal van zijn jaren in de Orde als 'eerwaarde' noemen?"

        "Nee, Sāriputta, men kan in deze leer en discipline een monnik niet enkel vanwege het aantal van zijn jaren in de Orde als" eerwaardig "noemen. Zeven grondslagen van de eerwaardigheid, Sariputta, heb ik getoond, nadat ik ze zelf onderkend en verwerkelijkt heb. Welke zeven?

Daar heeft de monnik een sterke neiging tot het navolgen van de geestelijke training, en ook later verlaat de liefde tot het navolgen van de geestelijke training hem niet.

Hij heeft een sterke neiging tot het begrijpen van de leer - tot beteugeling van zijn wensen - tot afzondering - tot het inzetten van zijn wilskracht - tot opmerkzaamheid en bezonnenheid - tot doordringend inzicht, en ook later verlaat die liefde daartoe hem niet.

Sariputta, deze zeven grondslagen van de eerwaardigheid heb ik getoond,[54] nadat ik ze zelf onderkend en verwerkelijkt heb.

Sāriputta, wanneer een monnik, met deze zeven grondslagen van de eerwaardigheid uitgerust, twaalf of vierentwintig jaren of zesendertig jaren of achtenveertig jaren lang het volmaakte en zuivere leven leidt, dan kan men hem terecht een "eerwaardige monnik" noemen."

A.VII.40. De eerwaarde monnik II

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene in het Ghosita-klooster te Kosambi. En de eerwaarde Ananda kleedde zich 's ochtends aan, pakte oppergewaad en nap en ging naar Sāvatthī voor aalmoezenvoedsel. Maar toen dacht hij: "Het is nog te vroeg om in Kosambi voor aalmoezenvoedsel te gaan. Dus wil ik het klooster van de andersdenkende dolende asceten bezoeken." En de eerwaarde Ananda ging naar het klooster van de andersdenkende dolende asceten. Daar aangekomen, wisselde hij vriendelijke groeten en na  hoffelijke en beleefde woorden te hebben uitgewisseld, ging hij terzijde zitten. Bij deze gelegenheid nu kwam onder de andersdenkende dolende asceten, toen zij zo bij elkaar zaten, het gesprek erop dat iemand die twaalf jaren lang het volmaakte en zuivere heilige leven leidt, terecht als een 'eerwaarde monnik' aangeduid kan worden. De eerwaarde Ananda echter keurde de woorden van die andersdenkende dolende asceten niet goed noch af. Zonder goedkeuring of afkeuring te tonen, stond hij van zijn zitplaats op en verwijderde zich, denkend: 'Van de Verhevene zal ik wel de betekenis van die toespraak vernemen.' Nadat nu de eerwaarde Ananda voor aalmoezenvoedsel was gegaan, ging hij 's middags, na beëindiging van de maaltijd, naar de Verhevene. Daar aangekomen begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend deelde hij alles aan de Verhevene mee en zei: "Heer, kan men wel in deze leer en discipline een monnik enkel vanwege het aantal van zijn jaren in de Orde als 'eerwaarde' noemen?"

        "Nee, Ananda, men kan in deze leer en discipline een monnik niet enkel vanwege het aantal van zijn jaren in de Orde als" eerwaardig "noemen.

Daar, Ananda, heeft een monnik vertrouwen, schaamte, morele vrees, grote kennis, wilskracht, opmerkzaamheid en wijsheid. Deze zeven grondslagen van de eerwaardigheid heb ik getoond nadat ik ze zelf onderkend en verwerkelijkt heb.'"[55]

Hoofdstuk 5. mahā-yañña-vagga

A.VII.41. De zeven sferen van bewustzijn

“Er zijn zeven sferen van bewustzijn,[56] monniken. Welke zeven?

Monniken, er zijn wezens die verschillend zijn in lichaamsvorm en verschillend in waarneming,[57] zoals de mensen, sommige hemelse wezens[58] en sommige wezens van de lagere werelden. Dat is de eerste bewustzijns-sfeer.

Monniken, er zijn wezens die verschillend zijn in lichaamsvorm, maar gelijk in waarneming, zoals de goden van de Brahma-wereld, die door de eerste verdieping zijn ontstaan.[59] Dat is de tweede bewustzijns-sfeer.

        Monniken, er zijn wezens die gelijk zijn in lichaamsvorm maar verschillend in waarneming,  zoals de Stralende Goden.[60] Dat is de derde sfeer van bewustzijn.

Monniken, er zijn wezens die gelijk zijn in lichaamsvorm en gelijk in waarneming, zoals de alles-stralende goden.[61] Dat is de vierde sfeer van bewustzijn.

Monniken, er zijn wezens die door volledige overwinning van de waarnemingen van lichamelijkheid, door het verdwijnen van de terugwerk-waarnemingen en het negeren van de veelheids-waarnemingen, met de voorstelling van de oneindigheid van de ruimte, in het gebied van de oneindigheid van de ruimte zijn verschenen. Dat is de vijfde sfeer van bewustzijn.

        Monniken, er zijn wezens die door het volledig overwinnen van het gebied van de oneindigheid van de ruimte, met de voorstelling van de oneindigheid van het bewustzijn, in het gebied van oneindigheid van bewustzijn zijn verschenen. Dat is de zesde sfeer van bewustzijn.

Monniken, er zijn wezens die door het volledige overwinnen van het gebied van de oneindigheid van het bewustzijn, met de voorstelling 'er is niets', in het gebied van nietsheid verschenen zijn. Dat is de zevende sfeer van bewustzijn.[62]

Deze zeven sferen van bewustzijn zijn er, monniken.”

A.VII.42. De werktuigen van de concentratie

Monniken, er zijn zeven werktuigen van de concentratie.[63] Welke zeven?

Juist inzicht, juiste mentaliteit, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning en juiste opmerkzaamheid. Maar de eenheid van de geest die met deze zeven factoren is uitgerust, monniken, noemt men de edele juiste concentratie, inclusief de grondslag ervan, inclusief de werktuigen ervan.

A.VII.43. De zeven vuren

Monniken, er zijn zeven vuren:

het vuur van de hebzucht,

het vuur van de haat,

het vuur van de verblinding,

het offerwaardige vuur,

het vuur van het gezinshoofd,

het gaven-waardige vuur en

het houtvuur.

(Uitleg in de volgende leerrede A.VII.44).

A.VII.44. Het grote offer

        Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana klooster. Op die tijd zou een groot offerfeest van de brahmaan Uggata-Sarīra gehouden worden. Vijfhonderd stieren had men voor het offer naar de offerpaal gebracht. Hetzelfde was gebeurd met vijfhonderd jonge stieren, vijfhonderd vaarsen, vijfhonderd geiten en vijfhonderd rammen. De brahmaan Uggata-Sarīra ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei aan de Verhevene:

        Heer Gotama, ik heb vernomen dat het brengen van vuuroffers en het oprichten van offerpalen hoog loon en zegen brengt."

        "Ook ik heb dat vernomen, brahmaan."

        "Heer Gotama, dan stemmen wij dus hierin met elkaar overeen."

        

        Na deze woorden zei de eerwaarde Ananda tot de brahmaan Uggata-Sarīra dat men op zo'n manier niet met de Volmaakte moest omgaan. Maar op de volgende manier moest men aan de Volmaakte de vraag stellen: "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."

        Daarop zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene: "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."

        De Verhevene gaf ten antwoord: "Brahmaan, wie een vuuroffer brengt en de offerpaal laat oprichten, die richt al vóór het offeren drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende. Het is het zwaard in daden, het zwaard in woorden en het zwaard in gedachten.

        Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die laat al vóór het offeren deze gedachten in zich opkomen: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarzen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij is van mening dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit eerste zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

        Verder brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die spreekt al voor het offeren woorden zoals: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarzen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij is van mening dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al vóór het offeren in gedachten dit tweede zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

        Verder, brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die begint zelf als eerste met het slachten van stieren, jonge stieren, vaarzen, geiten en rammen. Hij is van mening dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al vóór het offeren in gedachten dit derde zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

        Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al vóór het offeren deze drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende, leed brengende.

        Brahmaan, drie soorten vuur moet men verwerpen, moet men vermijden, niet onderhouden, namelijk het vuur van begeerte, het vuur van haat en het vuur van onwetendheid. Want door begeerte, haat en onwetendheid gedreven en overweldigd, met geobsedeerd hart, heeft men in daden, woorden en gedachten een slecht gedrag. En daardoor komt men na de dood in een lagere wereld, op een weg van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Daarom, brahmaan, moet men deze drie soorten van vuur verwerpen, vermijden, niet onderhouden.

        Maar drie soorten van vuur moet men in een goede toestand houden, doordat men ze hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt. Die drie soorten vuur zijn het offerwaardige vuur, het vuur van het gezinshoofd en het vuur dat gaven waard is.

        Het offerwaardige vuur bestaat hierin: wanneer iemands vader en moeder nog in leven zijn, dan gelden zij voor hem als offerwaardig vuur. En wel omdat men door hen ter wereld werd gebracht, van hen afstamt. Daarom moet men dit offerwaardige vuur in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

        Het vuur van het gezinshoofd bestaat hierin: wat iemand bezit aan vrouwen, kinderen, dienaren en arbeiders, dat noemt men het vuur van het gezinshoofd. Daarom moet men dit vuur van het gezinshoofd in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

        Het vuur dat gaven waard is, bestaat hierin:

Er zijn asceten en brahmanen die afkerig zijn van verkeerde leer, die gevestigd zijn in verdraagzaamheid en goedertierenheid, die alleen hun ik bedwingen, tot rust brengen en laten uitdoven. Dat noemt men het vuur dat gaven waard is. Daarom moet men dit vuur dat gaven waard is, in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

        Brahmaan, het houtvuur moet men van tijd tot tijd aansteken; men moet er van tijd tot tijd naar kijken; men moet het van tijd tot tijd uitdoven; men moet het van tijd tot tijd brandend houden."

        Na deze woorden zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene dat hij voortreffelijk gesproken had. De brahmaan nam zijn toevlucht tot de Boeddha en werd een lekenvolgeling. De offerdieren liet hij vrij.

A.VII.45-46. Zeven zegenrijke overwegingen

Zeven overwegingen, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengen hoog loon en zegen; ze monden uit in het doodloze, eindigen in het doodloze. Welke zeven?

De overweging van de onzuiverheid [van het lichaam],

de overweging van de dood,

de overweging van het walgelijke bij het voedsel,

de overweging van het onaantrekkelijke van het hele bestaan,

de overweging  van de vergankelijkheid,

de overweging van het lijden in de vergankelijkheid,

de overweging van de ikloosheid in het lijden.

Er werd gezegd dat de overweging van de onzuiverheid van het lichaam, wanneer ze wordt ontplooid en vaak wordt beoefend, hoog loon en zegen brengt; dat ze uitmondt in het doodloze, in het doodloze eindigt. Waarmee rekening houdende werd dat gezegd? Wie zich onder de monniken vaak met de overweging van de onzuiverheid bezig houdt, diens geest schrikt terug voor seksuele omgang, wendt zich weg, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of afkeer ontstaan.

Monniken, juist zoals een haneveer of een stuk boogpees, in het vuur geworpen, samenkrimpt, zich kromt, samenrolt en zich niet meer uitstrekt: juist zo, monniken, schrikt de geest van zo'n monnik terug voor de geslachtsgemeenschap, wendt zich weg, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of afkeer ontstaan.

Monniken, wanneer nu bij een monnik die zich vaak met de overweging van de onzuiverheid bezig houdt, de geest nog naar de geslachtsgemeenschap toe streeft en er geen afkeer ervoor bestaat, dan zou de monnik moeten weten: 'De overweging van de onzuiverheid is in mij nog niet ontplooid. Tussen vroeger en nu is er in mij geen verschil. De vrucht van de meditatie heb ik nog niet verkregen.' Zo is hij  zich daarvan duidelijk bewust.

Maar monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging van de onzuiverheid bezig houdt, de geest terugschrikt voor de geslachtsgemeenschap, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van de onzuiverheid. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu.  Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Werd dus gezegd dat de overweging van de onreinheid, wanneer ontplooid en vaak beoefend, hoog loon en zegen brengt en in het doodloze uitmondt, in het doodloze eindigt, dan werd dat rekening houdende hiermee gezegd.

Monniken, wie onder de monniken zich vaak bezig houdt met de overweging van de dood, dienst geest schrikt terug voor de levenslust. [...]  

En monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging van de dood bezig houdt, de geest terugschrikt voor de levenslust, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van de dood. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu.  Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Monniken, wie zich onder de monniken vaak bezig houdt met de overweging van het walgelijke bij het voedsel, diens geest schrikt terug voor de begeerte naar smaken. [...]         

En monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging van het walgelijke bij het voedsel bezig houdt, de geest terugschrikt voor de begeerte naar smaken, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van het walgelijke bij het voedsel. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Monniken, wie zich onder de monniken vaak bezig houdt met de overweging van het onaantrekkelijke van het hele bestaan, diens geest schrikt terug voor wereldlijke gedachten.[64] [...]

En monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging van het onaantrekkelijke van het hele bestaan bezig houdt, de geest terugschrikt voor wereldlijke gedachten, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van het onaantrekkelijke van het hele bestaan. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Monniken, wie zich onder de monniken vaak bezig houdt met de overweging van de vergankelijkheid, diens geest schrikt terug voor winst, eer en roem. [...]         

En monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging  van de vergankelijkheid bezig houdt, de geest terugschrikt voor winst, eer en roem, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging  van de vergankelijkheid. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Monniken, wie zich onder de monniken vaak bezig houdt met de overweging van het lijden in de vergankelijkheid, die heeft wat betreft de luiheid, traagheid, slapheid, nalatigheid en onnadenkendheid die sterkste overwegingen van het gevaar voor zich, juist zoals voor een moordenaar met getrokken zwaard. [...]         

En monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak met de overweging van het lijden in de vergankelijkheid bezig houdt, de geest terugschrikt voor luiheid, traagheid, slapheid, nalatigheid en onnadenkendheid, zich ervan afwendt, afkeert, zich niet ertoe aangetrokken voelt, en gelijkmoedigheid en afkeer ontstaan, dan zou de monnik moeten weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van het lijden in de vergankelijkheid. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie.’ Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust.

Monniken, wie zich onder de monniken vaak bezig houdt met de overweging van de ikloosheid in het lijden, diens geest is wat betreft dit met bewustzijn voorziene lichaam, alsmede alle uiterlijke objecten, vrij van de waan van het ik en mijn, is aan de eigenwaan ontkomen, is stil geworden, volledig bevrijd.

Monniken, wanneer nu bij een monnik die zich vaak met de overweging van de ikloosheid in het lijden bezig houdt, wat betreft dit met bewustzijn voorziene lichaam, alsmede alle uiterlijke objecten, de geest niet vrij is van de waan van het ik en mijn, niet aan de eigenwaan is ontkomen, niet stil is geworden, niet volledig is bevrijd, dan zou de monnik moeten weten: 'De overweging van de ikloosheid in het lijden is in mij nog niet ontplooid. Tussen vroeger en nu is er in mij geen verschil  De vrucht van de meditatie heb ik nog niet verkregen.' Zo is hij  zich daarvan duidelijk bewust.

Maar monniken, wanneer bij een monnik die zich vaak bezighoudt met de overweging van de ikloosheid in het lijden, met betrekking tot dit met bewustzijn voorziene lichaam, alsmede alle uiterlijke objecten, de geest vrij is van de waan van het ik en mijn, aan de waan ontkomen is, tot stilstand gekomen en volledig bevrijd, dan zou de monnik moeten weten: ontplooid is in mij de overweging van de ikloosheid in het lijden.  Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. Verkregen heb ik de vrucht van de meditatie. Zo is hij zich daarvan helder bewust.

Werd dus gezegd dat de overweging van de ikloosheid in het lijden, wanneer ontplooid en vaak beoefend, hoog loon en zegen brengt en in het doodloze uitmondt, in het doodloze eindigt, dan werd dat rekening houdende hiermee gezegd.

Monniken, deze zeven overwegingen, wanneer ontplooid en vaak beoefend, brengen hoog loon en zegen; zij monden uit in het doodloze, eindigen in het doodloze.

(A.VII.45 bestaat alleen uit de opsomming van de zeven overwegingen.)

A.VII.47. Het leven in kuisheid

Jānussonī de brahmaan ging naar de Verhevene en zei tegen hem aldus:

“Zegt heer Gotama van zich dat hij een kuis leven leidt?”[65] 

"Wanneer men, brahmaan, terecht van iemand kan zeggen dat hij een ongebroken, volledig, onbevlekt, onbezoedeld, volmaakt, zuiver leven in kuisheid leidt, dan kan men dat terecht van mij zeggen.Want ik, brahmaan, leidt een volmaakt zuiver leven in kuisheid, dat  ongebroken, volledig, onbevlekt, onbezoedeld is.”

"Maar hoe, heer Gotama, is het leven in kuisheid ongebroken, volledig, onbevlekt en onbezoedeld?"

"Daar, brahmaan, verricht een asceet of priester die beweert volledig kuis te leven, met de vrouw samen niet juist de geslachtsdaad, maar hij wordt graag door een vrouw gewreven, omhelsd, gebaad en gestreeld, hij verheugd zich erover, verlangt ernaar, vindt er voldoening in. Of wanneer hij dat niet doet, dan maakt hij grappen, speelt en flirt met de vrouw; - of wanneer hij dat niet doet, dan zoekt en observeert hij de blik van de vrouw; - of wanneer hij dat niet doet, dan luistert hij achter wand of muur naar de stem van de vrouw hoe zij lacht, praat, zingt of huilt; - of wanneer hij dat niet doet, dan herinnert hij zich aan zijn eerdere grappen, praatjes en flirten met de vrouw; - of wanneer hij dat niet doet, dan ziet  hij een huisvader of de zoon van een huisvader, hoe hij in het bezit en vermogen van de vijf zinnelijke geneugten leeft; - of wanneer hij dat niet doet, dan leidt hij het leven in kuisheid alleen in de hoop op een hemelse wereld: 'Oh, moge ik toch ten gevolge van dit deugdzame leven, deze gewoonte, deze ascese, dit leven in kuisheid als God wederverschijnen, als een van de hemelse wezens.’ En daaraan verheugt hij zich, verlangt ernaar, vindt er voldoening in.

Maar brahmaan, een dergelijk leven in kuisheid is fragmentarisch, onvolledig, bevlekt en bezoedeld. En van zo'n monnik zegt men dat hij een onzuiver leven in kuisheid leidt, dat hij verstrikt is in de boei van de seksualiteit en niet bevrijd wordt van geboorte, ouder worden en sterven, van zorgen, geweeklaag, pijn, droefenis en wanhoop, dat hij niet bevrijd wordt van lijden: dat zeg ik.

Brahmaan, zolang ik mijzelf niet bevrijd zag van de ene of andere van deze zeven seksuele boeien, zo lang, brahmaan, was ik mij niet ervan bewust dat ik in de wereld met haar hemelse wezens, Māra- en Brahma-goden, met haar menigte van asceten, priesters, hemelse wezens en mensen, de onovertroffen, hoogste verlichting had bereikt. Maar zodra ik mijzelf bevrijd zag van elke van deze zeven seksuele boeien, toen was ik er zeker van dat ik de onovertroffen, hoogste verlichting had verkregen.

En het oog van inzicht ontstond in mij: 'Onwrikbaar is mijn bevrijding. Dit is mijn laatste geboorte. Er is voor mij geen nieuw bestaan."

Na deze woorden sprak Jānussonī de brahmaan tot de Verhevene: "Uitstekend, heer Gotama! Uitstekend, heer Gotama! Moge de Heer Gotama mij beschouwen als zijn lekenvolgeling, die vanaf nu in zijn leven toevlucht heeft genomen."

A.VII.48. Verbinding en losmaken

“De leer van verbinding en losmaken wil ik jullie laten zien, monniken.

Monniken, de vrouw heeft bij zich de zin gericht op vrouwelijkheid, op vrouwelijke bezigheid, vrouwelijk gedrag, vrouwelijke ijdelheid, vrouwelijke neigingen, vrouwelijke stem en vrouwelijke sieraden. Daaraan genot en plezier vindend, richt zij naar buiten de zin op mannelijkheid, op mannelijke bezigheid, mannelijk gedrag, mannelijke ijdelheid, mannelijke neigingen, mannelijke stem en mannelijke sieraden. Maar daaraan genot en plezier vindend, zoekt zij verbinding naar buiten. En wat er ontstaat ten gevolge van de verbinding aan vreugde en vrolijkheid, ook dat zoekt zij. De wezens die enthousiast zijn met hun vrouwelijkheid, monniken, zijn aan de mannen geboeid. Op deze manier komt de vrouw niet over haar vrouwelijkheid heen.

Monniken, de man heeft bij zich de zin gericht op mannelijkheid, op mannelijke bezigheid, mannelijk gedrag, mannelijke ijdelheid, mannelijke neigingen, mannelijke stem en mannelijke sieraden. Daaraan genot en plezier vindend, richt hij naar buiten de zin op vrouwelijkheid, op vrouwelijke bezigheid, vrouwelijk gedrag, vrouwelijke ijdelheid, vrouwelijke neigingen, vrouwelijke stem en vrouwelijke sieraden. Maar daaraan genot en plezier vindend, zoekt hij verbinding naar buiten. En wat er ontstaat ten gevolge van de verbinding aan vreugde en vrolijkheid, ook dat zoekt hij. De wezens die enthousiast zijn met hun mannelijkheid, monniken, zijn aan de vrouwen geboeid. Op deze manier komt de man niet over zijn mannelijkheid heen.

        Monniken, zo komt het tot verbinding. Maar hoe komt het tot losmaken?

Monniken, de vrouw heeft bij zich de zin niet gericht op vrouwelijkheid, niet op vrouwelijke bezigheid, niet op vrouwelijk gedrag, niet op vrouwelijke ijdelheid, niet op vrouwelijke neigingen, niet op vrouwelijke stem en niet op vrouwelijke sieraden. Daaraan geen genot en plezier vindend, richt zij naar buiten de zin niet op mannelijkheid, op mannelijke bezigheid, mannelijk gedrag, mannelijke ijdelheid, mannelijke neigingen, mannelijke stem en mannelijke sieraden. Daaraan geen genot en plezier vindend, zoekt zij naar buiten geen verbinding. En wat er ten gevolge van de verbinding ontstaat aan vreugde en vrolijkheid, ook dat zoekt zij niet. De wezens die niet enthousiast zijn met hun vrouwelijkheid, hebben zich van de mannen losgemaakt. Op deze manier komt de vrouw over haar vrouwelijkheid heen.

Monniken, de man heeft bij zich de zin niet gericht op mannelijkheid, niet op mannelijke bezigheid, niet op mannelijk gedrag, niet op mannelijke ijdelheid, niet op mannelijke neigingen, niet op mannelijke stem en niet op mannelijke sieraden. Daaraan geen genot en plezier vindend, richt hij naar buiten zijn zin niet op vrouwelijkheid, op vrouwelijke bezigheid, vrouwelijk gedrag, vrouwelijke ijdelheid, vrouwelijke neigingen, vrouwelijke stem en vrouwelijke sieraden. Daaraan geen genot en plezier vindend, zoekt hij naar buiten geen verbinding. En wat er ten gevolge van de verbinding ontstaat aan vreugde en vrolijkheid, ook dat zoekt hij niet. De wezens die niet enthousiast zijn met hun mannelijkheid, hebben zich van de vrouwen losgemaakt. Op deze manier komt de man over zijn mannelijkheid heen.

Monniken, zo komt het tot losmaken.

Dat is de leer van verbinding en losmaken.

A.VII.49. Het aalmoes

        

Eens verbleef de Verhevene te Campa, (in het land Anga) aan de oever van de Gaggara-vijver. Talrijke lekenvolgelingen uit Campa gingen toen naar de eerwaarde Sariputta. Zij begroetten hem eerbiedig en zeiden dat zij al lang geen leerrede meer gehoord hadden van de Boeddha. De eerwaarde Sariputta gaf hun de raad om op de Uposatha dag te komen. Dan zouden zij een leerrede van de Verhevene kunnen horen.

        "Goed, heer," gaven de lekenvolgelingen ten antwoord, namen vol eerbied afscheid van de eerwaarde Sariputta en gingen terug naar huis.

        Op de Uposatha dag kwamen de lekenvolgelingen uit Campa naar de eerwaarde Sariputta toe. Samen gingen zij naar de Verhevene. De eerwaarde Sariputta begroette de Verhevene eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

        "Heer, is het mogelijk dat een gave die door de een wordt gebracht, hoog loon en zegen brengt, terwijl dezelfde gave, door een ander gebracht, geen hoog loon en zegen brengt?"

        "Dat is mogelijk, Sariputta."

        "Heer, wat is de oorzaak en reden ervoor?"

        "Sariputta, iemand geeft uit egoïstisch verlangen, met geboeid hart, uit zucht naar winst in de hoop dat hij de beloning voor die gave na de dood zal genieten.

        Als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, crèmes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

        "Zeker, heer."

        "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt ten gevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.

        Verder Sariputta, iemand geeft een gave weliswaar niet uit egoïstisch verlangen, niet met geboeid hart, niet uit zucht naar winst noch in de hoop dat hij de beloning daarvoor na de dood zal genieten. Maar hij geeft een gave met de gedachte dat geven iets goeds is. Of hij geeft een gave omdat zijn ouders en voorvaderen eveneens vroeger aalmoezen gegeven en zo gehandeld hebben, en het daarom voor hem niet juist is om van dat oude familiegebruik af te wijken. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat hij zelf kookt maar dat de anderen niet koken, en dat het daarom voor de kokende niet juist is het geven aan niet kokenden na te laten. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat zijn verdeling van gaven zijn moet zoals dat grote offer dat door de zieners van de voortijd gebracht werd, zoals Atthaka, Vāmaka, Vāmadeva, Vessāmitta, Yamataggi, Angīrasa, Bhāradvāja, Vāsettha, Kassapa en Bhagu. Of hij geeft gaven omdat bij het geven zich bij hem het hart verblijdt en bevrediging en vreugde ontstaat.

        En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, crèmes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

        "Zeker, heer."

        "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt ten gevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.

        Verder Sariputta, iemand geeft een gave niet uit bovengenoemde redenen, maar hij geeft een gave als een veredeling en zuivering van zijn geest. En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, crèmes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"

        "Zeker, heer."

        "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt ten gevolge van die gave na de dood bij de schare van de goden in de Brahma-wereld. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, komt hij niet meer naar deze wereld terug. (Hij wordt een niet meer wederkerende).

        Sariputta, dat is de reden, de oorzaak dat een gave die door de een gegeven is, hoog loon en zegen brengt, terwijl diezelfde gave, door iemand anders gegeven, geen hoog loon en zegen brengt.

A.VII.50. Nandamātā

        Eens bevonden de eerwaarden Sariputta en Maha-Mogallana zich op een tocht naar Dakkhinagiri,[66] samen met een groot aantal monniken. De lekenvolgelinge Nandamata uit Velukantaka was vroeg in de morgen opgestaan,[67] en reciteerde de verzen van "Weg naar de andere oever."[68] Juist op die tijd trok de grote koning Vessavana[69] van het noorden naar het zuiden wegens de een of andere zaak. Koning Vessavana hoorde nu hoe de lekenvolgelinge Nandamātā die verzen reciteerde. Hij bleef staan om het einde van de recitatie af te wachten. Na de recitatie zweeg Nandamātā. Toen de Grote Koning Vessavana merkte dat de recitatie ten einde was, prees hij haar met de woorden: "Goed zo, zuster."[70]

        Zij vroeg: "Wie is de edele heer?"

        "Zuster, ik ben je broer, de grote koning Vessavana."

        "Goed, edele heer. Dan beschouw de gereciteerde leerrede als gastgeschenk."

        "Goed, zuster. Maar beschouw dit als mijn eigen gastgeschenk: morgenvroeg zal een menigte monniken met aan het hoofd de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana, te Velukantaka aankomen, zonder hun maaltijd te hebben genuttigd. Die menigte monniken moet jij onthalen en hun mijn gave aanbieden. Dat zal mijn gastgeschenk zijn.[71]

        Toen de nacht voorbij was liet de lekenvolgelinge Nandamātā in haar eigen huis uitgelezen harde en zachte spijzen klaarmaken. Toen de menigte monniken met aan het hoofd de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallāna te Velukantaka aankwam, gaf Nandamātā aan een man de opdracht naar het klooster te gaan en de monniken uit te nodigen voor de maaltijd. De eerwaarden Sariputta en Maha Moggallāna gingen toen met de menigte monniken naar de woning van Nandamātā. Daar bediende en onthaalde zij die menigte monniken eigenhandig met voortreffelijke harde en zachte spijzen. Na de maaltijd ging zij terzijde neerzitten. En de eerwaarde Sariputta vroeg haar:

        "Nandamātā, wie heeft je de aankomst van de monniken meegedeeld?"

        "Heer, na de recitatie van de verzen "Weg naar de andere oever" kreeg ik de goedkeuring van koning Vessavana. Hij vertelde me dat hij mijn broer was en gaf als gastgeschenk de mededeling dat een menigte monniken zou aankomen. En ik zou die monniken bedienen en opwachten. Eerwaarde heer Sariputta, moge daarom de verdienste van deze gave de grote koning Vessavana ten goede komen."[72]

        "Nandamata, het is wonderbaarlijk, het is buitengewoon hoe jij in staat bent je een gesprek te voeren met die grote koning Vessavana, die zo machtige godenzoon."

        "Eerwaarde Heer, ik heb niet alleen deze wonderbaarlijke, buitengewone eigenschap. Maar ik heb nog een andere wonderbaarlijke, buitengewone eigenschap.

        Heer, eens had ik een enige, lieve en dierbare zoon, Nanda geheten. De vorsten sleepten hem bij de een of andere gelegenheid met geweld weg en doodden hem. Heer, ik ben me er echter niet van bewust dat tijdens of na het wegslepen en doden van de knaap mijn gemoed een verandering ondervond."

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, buitengewoon hoe jij de opkomende gedachten kunt zuiveren."

        "Heer, ik heb nog een andere wonderbaarlijke eigenschap. Toen mijn echtgenoot gestorven was en als ongelukkige geest wedergeboren was, toonde hij zich aan mij in zijn vroegere gedaante. Heer, ik ben me er echter niet van bewust dat toen mijn gemoed een verandering ondervond."

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, buitengewoon hoe jij de opkomende gedachten kunt zuiveren."

        "Heer, ik heb nog een andere wonderbaarlijke eigenschap. Sinds ik als jonge vrouw naar mijn echtgenoot werd gebracht, ben ik me er niet van bewust ook maar in gedachten iets verkeerds gedaan te hebben, laat staan in daden."

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, buitengewoon hoe jij de opkomende gedachten kunt zuiveren."

        "Heer, ik heb nog een andere wonderbaarlijke eigenschap. Sinds ik verklaarde een lekenvolgelinge van de Boeddha te zijn, ben ik me er niet van bewust ook maar één regel van deugdzaamheid bewust overtreden te hebben."

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, buitengewoon hoe jij de opkomende gedachten kunt zuiveren."

        "Heer, ik heb nog een andere wonderbaarlijke eigenschap. Wanneer ik maar wil bereik ik de eerste jhana, de tweede jhana, de derde jhana en de vierde jhana.

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, dat is buitengewoon."

        "Heer, ik heb nog een andere wonderbaarlijke eigenschap. Heer, van de vijf lagere boeien die de Verhevene gewezen heeft, merk ik niet een die niet door mij overwonnen is."        

        "Nandamātā, dat is wonderbaarlijk, dat is buitengewoon."

        De eerwaarde Sariputta onderwees de lekenvolgelinge Nandamātā met een leerrede, moedigde haar aan en verblijdde haar. Daarna stond hij op en vertrok.

Hoofdstuk 6. abyākata-vagga

A.VII.51. De onuitlegbare problemen; nibbana

Een van de monniken vroeg aan de Verhevene:

"Heer, wat is wel de oorzaak, wat is de reden dat bij de ervaren, edele discipel geen twijfelt meer ontstaat wat betreft de onverklaarbare problemen?"  

"Omdat, monnik, in de ervaren, edele discipel de visies verdwenen zijn, daarom ontstaat bij hem geen twijfel wat betreft de onverklaarbare problemen.

Dat de Volmaakte na de dood bestaat, of dat hij niet bestaat, of dat hij gedeeltelijk bestaat, gedeeltelijk niet bestaat, of dat hij noch bestaat noch niet bestaat: dat, monnik, is een steeg van de visies.

        Monnik, de onervaren wereldling onderkent niet wat een visie is, onderkent niet het ontstaan van de visie, onderkent niet het overwinnen van de visie, onderkent niet de weg die naar het overwinnen van de visie leidt. Daarom neemt in hem die visie toe; en hij wordt niet bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van zorgen, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop, wordt niet bevrijd van lijden, zo zeg ik.

Maar de ervaren edele discipel onderkent wat een visie is, onderkent het ontstaan van de visie, onderkent de opheffing van de visie, en onderkent de weg die naar de opheffing van de visie leidt. Daarom komt die visie in hem tot verdwijnen; en hij wordt bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van zorgen, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop, wordt bevrijd van lijden, zo zeg ik.

        Monnik, de ervaren, edele discipel, die aldus weet, aldus onderkent, verklaart niet meer dat de Volmaakte na de dood bestaat, of dat hij niet bestaat, of dat hij gedeeltelijk bestaat, gedeeltelijk niet bestaat, of dat hij noch bestaat noch niet bestaat. En aldus wetend, aldus onderkennend, heeft de ervaren, edele discipel niet meer de neiging om onverklaarbare problemen te willen verklaren. En aldus wetend, aldus onderkennend, beeft hij niet meer, siddert hij niet meer, wankelt hij niet meer, raakt hij niet meer in rusteloosheid vanwege de onverklaarbare problemen.

Dat de Volmaakte na de dood bestaat, of dat hij niet bestaat, of dat hij gedeeltelijk bestaat, gedeeltelijk niet bestaat, of dat hij noch bestaat noch niet bestaat: monnik, dat is een steeg is van het verlangen, een steeg van verkeerde voorstellingen, het is een hoogmoedige mening hebben, een zich bezig houden met conceptuele verstrekkende dingen, een steegje van de gehechtheden en (een bron) van innerlijke rusteloosheid.

De onervaren wereldling, monnik, onderkent niet de steeg van het verlangen ... onderkent niet de innerlijke rusteloosheid, onderkent niet het ontstaan van de innerlijke rusteloosheid, onderkent niet het overwinnen van de innerlijke rusteloosheid, onderkent niet de weg die leidt tot de opheffing van innerlijke rusteloosheid. Daarom neemt die innerlijke rusteloosheid in hem toe; en hij wordt niet bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van zorgen, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop, wordt niet bevrijd van lijden, zo zeg ik.

Maar de ervaren, edele discipel onderkent de steeg van de visies ... onderkent de innerlijke rusteloosheid, onderkent het ontstaan van  de innerlijke rusteloosheid, onderkent de opheffing van de innerlijke rusteloosheid en onderkent de weg die leidt naar de opheffing van innerlijke rusteloosheid. Daarom komt die innerlijke rusteloosheid in hem tot verdwijnen; en hij wordt bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van zorgen, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop, is bevrijd van lijden, zeg ik.

Monnik, de ervaren, edele discipel die aldus weet, aldus onderkent, verklaart niet meer dat de Volmaakte na de dood bestaat of dat hij niet bestaat of dat hij gedeeltelijk bestaat, gedeeltelijk niet bestaat, of dat hij noch bestaat noch niet bestaat. En aldus wetend, aldus onderkennend, heeft de ervaren, edele discipel niet meer de neiging om onverklaarbare problemen te willen verklaren. Aldus wetend, aldus onderkennend, beeft hij niet meer, siddert hij niet meer, wankelt hij niet meer, raakt hij niet meer in rusteloosheid wat betreft de onverklaarbare problemen.

Monnik, dat is de oorzaak, dat is de reden dat bij de ervaren, edele discipel geen twijfel meer ontstaat wat betreft de onverklaarbare problemen."

A.VII.52. De zeven paden van hogere mensen  [en Nibbana zonder hechten]

Monniken, zeven paden van de mensen[73] zal ik jullie laten zien en het Nibbāna zonder hechten. Monniken, welke zijn nu die zeven paden van de mensen?

Monniken, daar oefent een monnik: 'Als er niet (in een vroeger bestaan wedergeboorte producerende daad of karma) was geweest, dan was mij nu niet (bestaan) ten deel gevallen; als er (nu) geen (karma) zal zijn, dan zal mij niet (toekomstig bestaan) ten deel vallen.[74] Wat is en wat werd,[75] dat verwerp ik.' Zo bereikt hij gelijkmoedigheid.[76] En hij hecht niet aan het bestaan,[77] hecht niet aan het worden.[78] 'Hoger dan dat is er een plaats van de vrede',[79] zo onderkent hij in correcte wijsheid.

Weliswaar heeft hij die toestand nog niet geheel en al verwerkelijkt, en de neigingen (anusaya) van de waan, van de begeerte naar bestaan en van de verblinding zijn in hem nog niet geheel en al verdwenen. Zo komt het dan dat hij na het opheffen van de vijf lagere boeien 'op halve route het Nibbāna bereikt'.[80] 

Juist zoals bijvoorbeeld monniken, als men op een ijzeren pot slaat die overdag is verwarmd, een stuk ervan afspringt en snel koud wordt ; - of als het eraf springt, dan in de lucht vliegt en dan meteen afkoelt; - of als het eraf springt, in de lucht vliegt en zonder de grond aan te raken, al eerder afkoelt: juist zo komt het, monniken, dat een monnik na opheffing van de vijf lagere boeien 'op halve route het Nibbāna bereikt'.

Juist zoals bijvoorbeeld monniken, als men op een ijzeren pot slaat die overdag is verwarmd, een stuk ervan af springt, in de lucht vliegt en pas afkoelt nadat het de grond heeft aangeraakt: juist zo komt het, monniken, dat een monnik na opheffing van de vijf lagere boeien 'na halve route het Nibbāna bereikt'.[81]

Juist zoals bijvoorbeeld monniken, als men op een ijzeren pot slaat die overdag is verwarmd, een stuk ervan af springt, in de lucht vliegt en op een klein hoopje stro of hout valt, daar vuur en rook produceert en, nadat het vuur dat kleine hoopje stro of hout heeft verteerd, dan uit gebrek aan brandstof uitdooft: juist zo komt het, monniken, dat een monnik na opheffing van de vijf lagere boeien 'moeiteloos[82] het Nibbāna bereikt'.

Juist zoals bijvoorbeeld monniken, als men op een ijzeren pot slaat die overdag is verwarmd, een stuk ervan af springt, in de lucht vliegt en op een grote hoop stro of hout valt, daar vuur en rook produceert en, nadat het vuur die grote hoop stro of hout heeft verteerd, dan uit gebrek aan brandstof uitdooft: juist zo komt het, monniken, dat een monnik na opheffing van de vijf lagere boeien 'moeizaam[83] het Nibbāna bereikt'.

Monniken, daar oefent een monnik: 'Als er niet (in een vroeger bestaan wedergeboorte producerende daad of karma) was geweest, dan was mij nu niet (bestaan) ten deel gevallen; als er (nu) geen (karma) zal zijn, dan zal mij niet (toekomstig bestaan) ten deel vallen. Wat is en wat werd,[84] dat verwerp ik.' Zo bereikt hij gelijkmoedigheid. En hij hecht niet aan het bestaan, hecht niet aan het worden. 'Hoger dan dat is er een plaats van de vrede', zo onderkent hij in correcte wijsheid.

Weliswaar heeft hij die toestand nog niet geheel en al verwerkelijkt, en de neigingen van de waan, de begeerte naar bestaan en de verblinding zijn in hem nog niet geheel en al verdwenen. Zo komt het dan dat hij na het opheffen van de vijf lagere boeien 'stroomopwaarts naar de eerbiedwaardige goden zich haast'.[85] 

Juist zoals bijvoorbeeld monniken, als men op een ijzeren pot slaat die overdag is verwarmd, een stuk ervan af springt, in de lucht vliegt en op een geweldig grote hoop stro of hout valt, daar vuur en rook produceert en, nadat het vuur die geweldig grote hoop stro of hout heeft verteerd, dan het struikgewas en het bos aangrijpt en tenslotte, bij een groene wei, een weg, een rots, een water of een lieflijk veld aangekomen, ter plekke uit gebrek aan brandstof uitdooft: juist zo komt het, monniken, dat een monnik na opheffing van de vijf lagere boeien 'stroomopwaarts naar de eerbiedwaardige goden zich haast’.

Monniken, deze zeven soorten van mensen zijn er. Maar wat is het Nibbana zonder hechten?

Monniken, daar oefent een monnik: 'Als er niet (in een vroeger bestaan wedergeboorte producerende daad of karma) was geweest, dan was mij nu niet (bestaan) ten deel gevallen; als er (nu) geen (karma) zal zijn, dan zal mij niet (toekomstig bestaan) ten deel vallen. Wat is en wat werd, dat verwerp ik.' Zo bereikt hij gelijkmoedigheid. En hij hecht niet aan het bestaan, hecht niet aan het worden. 'Hoger dan dat is er een plaats van de vrede', zo onderkent hij in correcte wijsheid.

En die toestand heeft hij geheel en al verwerkelijkt, en de neigingen van de waan, van de begeerte naar bestaan en van de verblinding zijn in hem geheel en al verdwenen. Zo verkrijgt hij na het opheffen van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Monniken, dat noemt men het Nibbāna zonder hechten.

        Monniken, dat zijn de zeven paden van de mensen, en dat is het Nibbana zonder hechten.”

A.VII.53. Niet alle goden hebben hoger inzicht -

De eerwaarde Maha Moggallana in de hemel van de Brahmas en de zeven mensen

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Rājagaha op de Gierepiek. Toen gingen op een gevorderd uur van de nacht twee godheden naar de Verhevene en verlichtten met hun heerlijke  pracht de hele Gierepiek. Bij hem aangekomen, begroetten zij de Verhevene eerbiedig en gingen terzijde staan. Terzijde staand zei een van die godheden aan de Verhevene aldus: 'Heer, bevrijd zijn deze nonnen.'[86] En de andere godheid zei: "Volmaakt, zonder een rest van hechten bevrijd, Heer, zijn deze nonnen." Zo spraken deze goden en de Meester stemde toe. Zich bewust van de toestemming  van de Meester begroetten zij de Verhevene eerbiedig en, hem de rechter zijde toekerend, verdwenen zij ter plekke. Na afloop van die nacht nu wendde de Verhevene zich tot de monniken (en vertelde aan hen wat er gebeurd was).

Gedurende die tijd nu zat de eerwaarde Mahā-Moggallāna niet ver van de Verhevene. En de eerwaarde Mahā-Moggallāna dacht: 'Welke godheden toch kunnen degenen als zodanig onderkennen die nog een rest van hechten hebben en degenen die van elke rest van bestaan bevrijd zijn?'[87]

In die tijd echter was kort daarvoor een monnik met naam Tissa gestorven en in een Brahmā-wereld weer verschenen. Daar wist men van hem: 'Hij is de Brahmā Tissa, de zeer machtige, zeer krachtige.' En in een handomdraai[88] verdween de eerwaarde Mahā-Moggallāna van de Gierepiek en verscheen in die Brahmā-wereld. Tissa, de Brahmā, zag nu de eerwaarde Mahā-Moggallāna al van verre aankomen, en toen hij hem zag, zei hij tegen hem: "Kom dichterbij, vereerde Moggallāna. Welkom, vereerde Moggallāna. Sinds lang weer eens, vereerde Moggallāna, heb jij de gelegenheid genomen om hierheen te komen. Ga zitten, vereerde Moggallāna, de zitplaats is klaar. " De eerwaarde Mahā-Moggallāna ging op de aangeboden zitplaats zitten. En de Brahmā Tissa maakte eerbiedig een buiging voor de eerwaarde Mahā-Moggallāna en ging terzijde zitten. De eerwaarde Mahā-Moggallāna sprak nu tot Brahmā Tissa aldus:

"Welke godheden, Tissa, kunnen toch degene die nog een rest van hechten heeft en degene die van elke rest van hechten is bevrijd, als zodanig onderkennen?"

        “Eerwaarde Maha-Moggallana, de goden van de Brahmā-wereld hebben een dergelijk inzicht.”

        “Hebben dan alle goden van de Brahmā-wereld zo’n inzicht?”

        “Eerwaarde Maha-Moggallana, niet alle goden van de Brahmā-wereld hebben een dergelijk inzicht. Diegenen onder de Brahmā-goden namelijk die genoegen vinden aan het Brahmā-leven, aan Brahmā-schoonheid, Brahmā-geluk, Brahmā-waarde en Brahmā-heerschappij, zij begrijpen niet overeenkomstig de werkelijkheid een ontkomen daarboven uit, en zij hebben niet een dergelijk inzicht wie nog een rest van hechten heeft en wie vrij is van elke rest van hechten.

        Maar diegenen onder de Brahmā-goden die geen genoegen vinden aan het Brahmā-leven, aan Brahmā-schoonheid, Brahmā-geluk, Brahmā-waarde en Brahmā-heerschappij, zij begrijpen overeenkomstig de werkelijkheid het ontkomen daarboven uit, en zij hebben een dergelijk inzicht.

        Eerwaarde Moggallana, iemand is een 'beiderzijds' bevrijde' of hij is iemand die door weten bevrijd is.[89] Van dezen weten die goden: 'Deze eerwaarde is een beiderzijds bevrijde; die eerwaarde is iemand die door weten bevrijd is. Zolang als zijn lichaam bestaat zien hem goden en mensen. Maar na het verval van het lichaam, na de dood zullen goden en mensen hem niet meer zien.'

        Eerwaarde Moggallana, op deze manier weten die goden of iemand nog een rest van hechten heeft of van elke rest van hechten bevrijd is.

        Eerwaarde Moggallana, verder is iemand een 'lichaamsgetuige'. Van hem weten die goden: 'Deze eerwaarde is een lichaamsgetuige'.

        Verder is iemand 'rijp in visie'. Van hem weten die goden: 'Deze eerwaarde is iemand die rijp in visie is.'

        Verder is iemand door vertrouwen bevrijd. Van hem weten die goden: 'Deze eerwaarde is een door vertrouwen bevrijde.'

        Verder is iemand de waarheid toegedaan. Van hem weten die goden: 'Deze eerwaarde is iemand die de waarheid is toegedaan.'

        Wanneer die persoon nu passende huisvestingen bewoont, met edele vrienden omgang heeft en de (vijf) vaardigheden[90] ontplooit, dan kan hij dat hoogste doel van de heiligheid omwille waarvan edele zonen helemaal van thuis weg gaan in de huisloosheid, misschien nog tijdens dit leven zich eigen maken, het zelf inziende en verwerkelijkende. Eerwaarde Moggallana, op deze manier weten die goden of iemand nog een rest van hechten heeft of van elke rest van hechten bevrijd is."

        De eerwaarde Maha-Moggallana betoonde over de woorden van de Brahmā Tissa zijn vreugde en instemming, verdween in een handomdraai uit de Brahmā-wereld en op de Gierepiek verscheen hij weer. Hij ging er naar de Verhevene en deelde hem het hele gesprek met de Brahmā Tissa mee.

        (En de Verhevene zei:) : Moggallana, de Brahmā Tissa heeft je echter niet de zevende mens uitgelegd, degene die 'in het oorzaakloze vertoeft'."[91]

        "Heer dan is het nu tijd dat de Verhevene de zevende mens uitlegt, degene die in het oorzaakloze vertoeft. Het woord van de Verhevene zullen de monniken onthouden."

        "Moggallana, dan luister en let goed op mijn woorden."

        "Jawel, heer," gaf de eerwaarde Maha-Moggallana ten antwoord; en de Verhevene sprak:

        "Moggallana, daar verkrijgt iemand door het niet acht slaan op alle voorwaarden[92] de concentratie van de geest zonder voorwaarden (animitta-cetosamādhi). Van hem weten dan die goden: 'Door niet acht slaan op alle voorwaarden vertoeft die eerwaarde in het bezit van de concentratie van de geest die zonder voorwaarden is.'

Wanneer hij nu passende huisvestingen bewoont, met edele vrienden omgang heeft en de (vijf) vaardigheden ontplooit, dan kan hij dat hoogste doel van de heiligheid omwille waarvan edele zonen helemaal van thuis weg gaan in de huisloosheid, misschien nog tijdens dit leven inzien, verwerkelijken en zich eigen maken. Moggallana, op deze manier weten die goden of iemand nog een rest van hechten heeft of van elke rest van hechten bevrijd is."

        Zo sprak de Verhevene tot de eerwaarde Moggallana.

A.VII.54. De vrucht van het geven

(Zie A.V.34; A.VIII.2).

A.VII.55. Zonder angst en blaam

        “Monniken, in vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen, en in drie dingen is hij onberispelijk.

        Monniken, in de volgende vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen:

        De Volmaakte is van zuiver gedrag in daden, van zuiver gedrag in woorden, van zuiver gedrag in gedachten en van zuivere levenswijze. Bij hem is geen slecht gedrag in daden, woorden of gedachten en geen onjuiste levenswijze, zodat hij zich in acht zou moeten nemen opdat dit niemand bij hem merkt. In deze vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen.

        Monniken, in de volgende drie dingen is hij onberispelijk:

        De Volmaakte heeft de leer juist verkondigd. Dat nu een asceet of priester, een goede of slechte geest, een god of iemand anders in de wereld terecht mij voorwerpen kan maken dat ik de leer niet juist verkondigd zou hebben, zo'n mogelijkheid zie ik niet. En omdat ik zo'n mogelijkheid niet zie, blijf ik rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

        Aan de discipelen heb ik het pad dat naar Nibbana leidt, juist onderwezen. Wanneer zij dit pad begaan krijgen mijn discipelen na opdroging van de neigingen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Dat nu een asceet of priester, een goede of een slechte geest, een god of iemand anders in de wereld terecht mij voorwerpen zou kunnen maken dat ik dat pad niet juist zou hebben onderwezen, zo'n mogelijkheid zie ik niet. En omdat ik zo'n mogelijkheid niet zie, blijf ik rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

        Na opdroging van de neigingen hebben vele honderden van mijn discipelen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkregen, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Dat nu een asceet of priester, een goede of slechte geest, een god of iemand anders in de wereld mij terecht voorwerpen zou kunnen maken dat dit niet zo is, zo'n mogelijkheid zie ik niet. En omdat ik zo'n mogelijkheid niet zie, blijf ik rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

        In deze drie dingen is hij onberispelijk.

        Monniken, dat zijn de vier dingen waarin de Volmaakte zich niet in acht hoeft te nemen en in deze drie is hij onberispelijk.”

A.VII.56. De duur van de leer

(In het bamboebos bij Kimbila.)

De eerwaarde Kimbila zei tegen de Verhevene als volgt: 'Heer, wat is wel de reden, wat is de oorzaak wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer niet meer lang blijft bestaan?'

"Kimbila, wanneer na het heengaan van de Volmaakte de monniken en nonnen, de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen geen respect en eerbied hebben voor de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke training, de concentratie van de geest, de serieuze inspanning en voor vriendelijke hulpvaardigheid, dat, Kimbila, is dan de reden, dat is de oorzaak wanneer na het heengaan van de Volmaakte  de goede leer niet meer lang blijft bestaan.'

(Hierna volgt de omkering.)

(Zie A.V.201; A.VI.40; A.VI.69; A.VII.31-33)

A.VII.57. Eigenschappen naar de Verlichting

Uitgerust met zeven eigenschappen, monniken, kan de monnik na helemaal niet lange tijd, door opdroging van de neigingen, de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door  wijsheid verkrijgen, ze zelf onderkennend en verwerkelijkend. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

De monnik bezit vertrouwen, deugdzaamheid, grote kennis, afzondering, wilskracht, opmerkzaamheid en wijsheid.

A.VII.58. Tot overwinning van slaperigheid

Zo heb ik gehoord.  Eens verbleef de Verhevene in het land Bhagga, bij Sumsumāragiri, in het wildpark van het Bhesakalā-bos. In het land Māgadha, in het dorp Kallavālaputta, was toen juist op die tijd de eerwaarde Mahā-Moggallāna bij het zitten slaperig geworden.[93] De Verhevene zag dit met het hemelse oog, het gezuiverde, bovenmenselijke. Toen hij dit zag, verdween hij uit het wildpark van het Bhesakalā-bos en in een handomdraai[94] trad hij in het land Māgadha, in het dorp Kallavālaputta voor de eerwaarde Mahā-Moggallāna weer in verschijning. De Verhevene ging op de voorbereide zitplaats zitten en zei tegen de eerwaarde Mahā-Moggallāna:

“Ben je slaperig, Moggallāna? Ben je slaperig, Moggallāna?” - "Ja heer."

"Dan mag jij, Moggallāna, aan die overweging waarin vertoevend de vermoeidheid je overvalt, geen aandacht schenken, ze niet groter laten worden. Dan kan het zijn dat wanneer jij op die manier vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

Maar als terwijl jij zo vertoeft, jouw vermoeidheid niet verdwijnt, dan kun jij over de leer zoals jij die hebt vernomen en geleerd, nadenken en overwegen, ze in de geest onderzoeken. Dan kan het zijn dat als jij zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

Maar als, terwijl jij zo vertoeft, jouw vermoeidheid niet verdwijnt, dan kun jij, Mogallāna, de leer zoals jij die hebt vernomen en geleerd, uitvoerig opzeggen. Dan kan het zijn dat als jij zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

Maar als, terwijl jij zo vertoeft, jouw vermoeidheid niet verdwijnt, dan kun jij, Mogallāna, beide oren heen en weer schudden en met je hand over je ledematen wrijven. Dan kan het zijn dat als je zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

Maar als jouw vermoeidheid niet verdwijnt terwijl jij zo vertoeft, dan kun jij, Mogallāna, opstaan van jouw zitplaats, jouw ogen met water afspoelen, daarna naar hemellichamen kijken. Dan kan het zijn dat als jij zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

        Maar als jouw vermoeidheid niet verdwijnt terwijl jij zo vertoeft, dan kun jij, Mogallāna, jouw geest op de voorstelling van het licht hechten, de voorstelling van de dag vasthouden: zowel overdag als 's nachts, zowel 's nachts als overdag. Zo kun jij met een waakzame, onbezoedelde geest, een bewustzijnsstaat gevuld met helderheid, de voorstelling van het licht ontplooien. Dan kan het zijn dat als je zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

        Maar als, terwijl jij zo vertoeft, jouw vermoeidheid niet afneemt, dan kun jij, Mogallāna, bewust van het heen en weer lopen, op en neer lopen met naar binnen gerichte zintuigen, zonder de geest naar buiten te laten dwalen. Dan kan het zijn dat als je zodanig vertoeft, jouw vermoeidheid verdwijnt.

        Maar als, terwijl jij zo vertoeft, jouw vermoeidheid niet verdwijnt, dan kun jij, Moggallāna, op de rechter zijde liggend, in de leeuwenhouding uitrusten, het ene been boven het andere, opmerkzaam, helder bewust, de geest op de gedachte van het weer opstaan instellend. Maar bij het ontwaken, Mogallāna, moet jij snel opstaan en eraan denken: 'Ik wil mij niet overgeven aan het genot van het uitrusten en het slapen.' Zo, Mogallāna, moet jij oefenen.

Verder, Mogallāna, moet jij daarin oefenen: 'Ik wil met opgeblazen geest niet naar de gezinnen gaan.' Want als een monnik met een opgeblazen geest naar de gezinnen gaat, maar daar zaken te verrichten zijn omwille waarvan de mensen geen aandacht schenken aan de aankomende monnik, dan komt bij de monnik de gedachte: 'Wie heeft  met dit gezin een breuk veroorzaakt? Deze mensen lijken nu een afkeer tegen mij te hebben.' En omdat hij niets ontvangt, is hij ontzet; ten  gevolge van zijn ontzetting wordt hij opgewonden; maar als hij  opgewonden is, dan is hij zonder beheersing; zonder beheersing is zijn geest ver van de concentratie.

Verder, Mogallāna, moet jij daarin oefenen: 'Ik zal geen heftige woordenwisseling voeren.' Want bij een heftige woordenwisseling heeft men een grote massa van woorden te verwachten, bij een grote massa woorden echter opwinding, bij opwinding een gebrek aan beheersing, en zonder beheersing is de geest ver van de concentratie.

Moggallāna, niet prijs ik elke gemeenschap; en niet berisp ik, Moggallāna, elke gemeenschap. Gemeenschap met monniken die zich met de huismensen verbinden,[95] die prijs ik niet. Maar wat er is aan  woningen, ontoegankelijk voor lawaai en geruis,  door koele winden omwaait, aan de mensen onttrokken, geschikt voor bevrijding: de gemeenschap (met monniken) in dergelijke woningen, die prijs ik.”

        Na deze woorden zei de eerwaarde Mahā-Moggallāna aan de Verhevene aldus:[96]

"Heer, in hoeverre nu is een monnik, in het kort, door het opheffen van begeerte bevrijd, in het bezit van hoogste zekerheid, hoogste veiligheid, hoogste zuiverheid, hoogste volmaaktheid, is de edelste onder goden en mensen?"

"Moggallāna, daar heeft een monnik vernomen: geen ding[97] is waard dat men eraan hecht. Als de monnik dit heeft vernomen, dan leert hij elk ding grondig kennen.[98] Heeft hij het grondig leren kennen, dan doorziet hij elk ding.[99] Wanneer hij dan zo elk ding heeft doorzien en hij dan het een of andere gevoel ondervindt, hetzij aangenaam, hetzij onaangenaam of noch aangenaam noch onaangenaam, dan verblijft hij bij deze gevoelens bij de beschouwing  van de vergankelijkheid ervan, in de beschouwing van de opheffing ervan, en in de beschouwing van het losmaken ervan. Vertoevend in dergelijke beschouwing van de gevoelens,  hecht hij aan niets meer in de wereld. Aan niets meer hechtend, siddert hij niet meer; niet meer sidderend, bereikt hij uit zichzelf het Nibbāna: 'De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld; gedaan is wat gedaan moest worden; hierna niets anders meer', zo ziet hij in.[100]

Moggallāna, in zoverre is een monnik, in het kort, door het opheffen van begeerte bevrijd, in het bezit van hoogste zekerheid, hoogste veiligheid, hoogste zuiverheid, hoogste volmaaktheid, is de edelste onder goden en mensen."

A.VII.58. II. De zegen van metta

(in de uitgave van de PTS is dit sutta toegevoegd aan de voorgaande tekst)

Bhikkhus, wees niet bang voor verdienstelijke daden. Dit is namelijk een aanduiding voor geluk. Ik weet uit ervaring,[101] monniken, dat ik voor het goede dat ik gedurende lange tijd heb gedaan, sedert lange tijd gewenste, plezierige, aangename vruchten heb gekregen. Zeven jaar lang beoefende ik liefdevolle gezindheid (metta-cittam), en nadat ik zeven jaar lang liefdevolle gezindheid had beoefend, keerde ik voor de tijd van zeven wereldondergangen en wereldontstaan niet meer terug naar deze wereld.

Toen de wereld ten onder ging, monniken, verscheen ik weer bij de Stralende Goden.

Toen de wereld weer ontstond, verscheen ik in een leeg Brahma-paleis. Daar, monniken, was ik Brahma, de Grote Brahma, de overwinnaar, de onverslagene, de alziende, de almachtige.

Zesendertig keer, monniken, was ik Sakka, de Heer van de Goden.

Een paar honderd keer was ik een wereldheerser, een rechtvaardige koning van de wet, heerser van de vier werelddelen, mijn rijk veiligheid gevend, in het bezit van de zeven ideale dingen. Monniken, de volgende zeven ideale dingen bezat ik: het ideaal van een heerser-wiel, het ideaal van een olifant, het ideaal van een paard, het ideaal van een diamant, het ideaal van een vrouw, het ideaal van een burger en het ideaal van een raadgever als zevende. Monniken, meer dan duizend zonen had ik, helden, heroïsche figuren die de vijandelijke legers hadden kunnen vernietigen. Zo leefde ik op deze aarde, die ik tot aan de zee door de wet had veroverd, zonder stok en zwaard.

Bezie het loon van de goede daden,

jullie die op zoek zijn naar geluk.

Omdat ik liefdevolle vriendelijkheid in mijn hart droeg,

monniken, zeven jaar lang,

kwam ik voor zeven wereld-aeonen

niet meer naar deze wereld terug.

Toen dan de wereld te gronde ging,

verscheen ik bij de 'Stralenden'.

Zodra de nieuwe wereld ontstond,

kwam ik in de lege Brahma-wereld;

en zeven keer was ik daar

de grote Brahma, met macht begaafd.

Daarna kreeg ik zesendertig maal

de heerschappij over de goden.

toen werd ik wereldkeizer

en heerser over het Indiase land.

Een adellijke telg met het hoofd gekroond,

was ik de opperste heer van de mensen.

Maar zonder stok en zonder zwaard

had ik deze wereld veroverd.

Ik oefende zonder enige dwang

in zachtheid mijn heerschappij uit.

En toen ik op deze aardbol

rechtvaardige heerschappij had uitgeoefend,

verscheen ik in een edel huis,

dat machtig, rijk, vermogend was,

genietingen van alle soorten toonde

en zeven juwelen bezat.

De Boeddha's hebben meegevoel met de wereld;

ook dezen hebben correct onderwezen

dat dit de reden voor het hogere is

en men het koningschap krijgt.

Rijk aan schatten en aan goederen,

werd ik een koning, vol waarde,

met macht en met grote roem,

de heerser over het Indiase land.

Wie hoort dit goed en is niet blij,

al is hij zelf van een lagere soort?

Wie daarom welzijn en geluk wenst

en ernaar streeft het hogere te bereiken,

laat hij de goede leer hooghouden,

denkende aan de instructie van de Boeddha.

(Vgl. It.22, en eventueel ook A.VII.62)

A.VII.59. De goede echtgenote

Eens verbleef de Verhevene in het Jeta-bosje te Sāvatthī, in het klooster van Anāthapindika. En de Verhevene kleedde zich 's ochtends aan, pakte gewaad en nap en ging naar de woning van Anathapindika, de huisvader. Daar aangekomen ging hij op de voorbereide zitplaats zitten. Op die tijd echter maakten in de woning van huisvader Anathapindika de mensen een groot, hard kabaal. En de huisvader Anāthapindika ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. En de Verhevene zei tegen hem:

“Huisvader, waarom maken de mensen in het huis zo'n groot, hard kabaal, net als vissers die hun visvangst te koop aanbieden?”

"'Heer, dat is Sujātā,[102] de schoondochter van het huis, die vanuit een rijk huis (naar mijn zoon als vrouw) werd gebracht. Deze zorgt noch voor haar schoonmoeder noch voor haar schoonvader, noch voor haar man. Zelfs niet eens de Verhevene eert, acht, looft en waardeert zij."

Toen riep de Verhevene Sujātā, de schoondochter van het huis, naderbij met de woorden: "Kom hier, Sujātā!" - "Ja, Heer", gaf Sujātā aan de Gezegende ten antwoord. En Sujātā kwam tot bij de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. En de Verhevene zei tegen haar:

“Sujātā, er zijn zeven soorten van echtgenotes van een man. Welke zeven?

Welke van dezen nu ben jij?"

        - "Heer, ik begrijp de exacte betekenis niet van wat de Verhevene daar in het kort heeft gezegd. Het zou goed zijn, Heer, als de Verhevene mij de leer zo wilde voordragen dat ik de betekenis van datgene wat de Verhevene in het kort heeft gezegd, uitvoerig kan begrijpen" - "Dan luister, Sujātā, en let goed op mijn woorden!"- "Ja, heer!" gaf Sujātā ten antwoord, en de Verhevene zei:

        

“Die met een kwaad hart geen rekening houdt met het welzijn van de echtgenoot,

naar anderen begeert, de eigen man verachting toont,

hem die haar door schatten verkreeg, probeert te doden:

zo'n vrouw die aan de man is gegeven,

kan men terecht een moordenares noemen.

Als van het geld dat de man verdient,

of het nu door een ambacht, handel of landbouw is,

de vrouw ook maar weinig probeert te nemen:

Zo'n vrouw die aan de man is gegeven,

kan men wel terecht een dievegge noemen.

De vrouw die arbeidsschuw, onmatig bij het eten, traag is,

en onstuimig en heftig boze woorden spreekt,

de man die zich altijd moeite doet, probeert te beheersen:

zo'n vrouw die aan de man is gegeven,

kent men terecht als heerszuchtig.

De vrouw die altijd denkt aan het welzijn van haar echtgenoot,

die hem beschermt zoals de moeder haar zoon,

en de schatten die door hem zijn verworven, goed bewaakt:

zo'n vrouw die aan de man is gegeven,

kan men terecht een moeder noemen.

De vrouw die zoals de jongere zus tot de oudere,

zich vol respect voor haar man gedraagt,

van schaamte vervult zich aan zijn wil onderwerpt:

zo'n echtgenote die aan de man is gegeven,

kan men terecht een zus noemen.

Zij die bij de aanblik van haar man vol vreugde is,

zoals vrienden die elkaar na een lange tijd weer zien;

van adellijk huis, rein van zeden, trouw aan de echtgenoot:

zo'n echtgenote die aan de man is gegeven,  

kan men terecht een vriendin noemen.

Zij die zonder woede is en uit angst voor strengheid en straf

de echtgenoot gewillig toegeeft zonder verbittering in het gemoed

en zonder enige haat de wil van de echtgenoot doet:

zo'n echtgenote die aan de man is gegeven,

kan men terecht een dienares noemen.

De vrouw die men een moordenares noemt,

die men een dievegge, een bazin noemt,

die zedeloos en grof is, die geen respect kent:

zo'n echtgenote die aan de man is gegeven,

gaat naar de hel, als later eens het lichaam vergaat.

Maar zij die moeder, zus of vriendin heet,

die men de dienares van de echtgenoot kan noemen,

in deugdzaamheid vast, door lange jaren goed beheerst,

gaat naar de hemel, wanneer later eens het lichaam vergaat.

Deze zeven vrouwen van een man zijn er, Sujātā. Maar welke van deze ben jij?”

"Heer, vanaf vandaag moge de Verhevene mij kennen als een op een dienstmeisje lijkende echtgenote van de man."

A.VII.60. De gevolgen van hatelijkheid

Zeven dingen die wenselijk en nuttig zijn voor de vijand, monniken, treffen de hatelijke, hetzij man of vrouw. Welke zeven?

1. Daar, monniken, wenst de vijand de vijand: "Oh, dat deze toch een lelijk uiterlijk heeft." En waarom? Omdat, monniken, de vijand niet blij is met de schoonheid van de vijand. Zelfs als de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens, zich grondig baadt, zalft, haar en baard verzorgt en zich kleedt in witte gewaden, dan heeft hij toch steeds een lelijk uiterlijk, als hij zich laat beheersen door haat.

Dat, monniken, is het eerste ding dat voor de vijand gewenst en nuttig is en dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

2. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "Oh, dat hij toch een slechte slaap heeft." En waarom? Wel, omdat, monniken, de vijand niet blij is met de goede nachtrust van de vijand. Zelfs als de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens op een sofa slaapt waarop een deken van geitenhaar is uitgespreid of een witte wollen deken of een deken van het fijnste antilopenvel, en die voorzien is van een sprei en aan beide zijden met paarse kussens, dan slaapt hij toch slecht als hij zich laat beheersen door haat.

Dat, monniken, is het tweede ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

3. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "Oh, dat hem toch geen groot geluk ten deel wordt." En waarom? Wel omdat, monniken, de vijand niet blij is met het geluk van de vijand. Maar als nu de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens een nadeel heeft geleden, dan meent hij dat hij een voordeel heeft behaald, en als hij een voordeel heeft behaald, meent hij dat hij een nadeel heeft geleden. Omdat hij echter, overweldigd door haat, deze beide dingen met elkaar verwisselt, daarom strekken zij hem lange tijd tot onheil en lijden.

Dat, monniken, is het derde ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

4. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "Oh, dat deze toch niet rijk is." En waarom? Wel omdat, monniken, de vijand niet blij is met de rijkdom van de vijand. Maar als nu de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens ook schatten bezit, geoorloofde, rechtmatig verkregen, die hij heeft verkregen door vlijt en  inspanning, door het werk van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht heeft vergaard, dan laten de vorsten zijn bezittingen in de koninklijke schatkamers gaan (als straf voor de daden gepleegd in woede) als hij zich laat beheersen door haat.

Dat, monniken, is het vierde ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

5. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "Oh, dat deze toch geen achting bezit." En waarom? Wel monniken, omdat de vijand niet blij is als zijn vijand achting bezit. Alles dat nu de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens door zijn ijver heeft verworven, dat verliest hij als hij zich door haat laat beheersen.

Dat, monniken, is het vijfde ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

6. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "O, dat deze toch geen vrienden heeft." En waarom? Wel, monniken, omdat de vijand niet blij is als zijn vijand vrienden heeft. Ook al heeft de hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens vrienden en kameraden, neven en bloedverwanten, dan vermijden dezen hem toch als hij zich laat beheersen door haat.

Dat, monniken, is het zesde ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

7. Verder, monniken, wenst de vijand de vijand: "O, dat deze toch bij het verval van het lichaam, na de dood, in de lagere wereld moge komen, op een pad van lijden,  in de afgronden van het bestaan, in de hel." En waarom? Wel, monniken, omdat de vijand niet blij is als zijn vijand op een gelukkig pad van bestaan komt. De hatelijke, door haat overweldigde, door haat verteerde mens echter leidt een slecht leven in daden, in woorden en in gedachten; en zo'n slecht leven leidende, komt hij bij het verval van het lichaam, na de dood, in de lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel, omdat hij zich laat beheersen door haat.

Dat, monniken, is het zevende ding dat gewenst en nuttig is voor de vijand, dat de hatelijke treft, hetzij man of vrouw.

        Deze zeven dingen die wenselijk en nuttig zijn voor de vijand, monniken, treffen de hatelijke, hetzij man of vrouw.

Wie haat, is lelijk om naar te kijken,

ligt onrustig op het bed.

En als hij een voordeel krijgt,

meent hij dat het een nadeel is.

        

Als door woord of daad

de door haat verteerde mens een moord pleegt,

verliest hij, door haat overweldigd,

al zijn bezittingen.

Verleid door de hartstocht van haat

verliest hij zijn goede naam.

en dierbare broer, familielid, vriend,

mijden de hater.

Verderf brengt hatelijkheid,

hatelijkheid verstoort het hart,

maar hij merkt het gevaar niet,

dat zo in zijn hart groeit.

De hater weet niet wat voor hem nuttig is,

hij kan de leer niet begrijpen;

want duisternis en blindheid heersen,

waar haat de mens op de knieën dwingt.

Wat de hatende ook vernietigt,

hetzij met moeite, hetzij gemakkelijk te doen,

zodra de haat is uitgedoofd

wordt hij als door vuur verteerd.

Als de haat eenmaal is ontstoken,

waardoor de wereld in woede ontbrandt,

toont hij opwinding,

net zoals rook uit het vuur komt.

Hij kent geen schaamte noch morele vrees,

is zonder respect wanneer hij spreekt;

en wanneer hij door haat wordt overmand,

dan weet hij nooit van ophouden.

Vol kwalen zijn de daden,

die terzijde van het goede liggen.

Die wil ik jullie nu laten zien,

dus luister hoe het ermee staat:

In woede doodt men de vader;

in woede brengt men de moeder om het leven;

in woede slaat men de priester dood,

in woede de gewone man.

Door welke gekoesterd, door welke verzorgd

de wereldling deze wereld betrad,

de moeder die hem het leven gaf,

zelfs die brengt hij in woede om het leven.

Iedereen heeft zichzelf tot vriend,

zichzelf heeft men het liefste,

en toch brengt men in woede zichzelf om het leven,

verleid door veelvoudige waan.

Men doodt zichzelf met het zwaard,

slikt ook vergif in, door waan overweldigd,

hangt zich aan een touw op,

springt van een rots naar beneden.

Wie een levenskiem vernietigt,[103] 

wie zelfmoord pleegt,

begrijpt niet wat hij daarmee doet:

uit woede ontstaat zijn ondergang.

Zo kan dan uit de woede ontstaan

een heel verborgen doods-strop.

Roei hem uit door zelfbeheersing,

inzicht, wijsheid, ijver.

En zoals de mens met inzicht

doodt hij deze boze neiging,

zo moeten jullie in het goede oefenen,

opdat opwinding jullie niet meer pakt.

Van woede en van wanhoop vrij,

van hebzucht ontdaan en van verlangen,

hij die bedwongen de haat overwon,

bereikt Nibbāna, bevrijd van neiging.

Hoofdstuk 7. mahā-vagga

A.VII.61. Het een gebaseerd op het andere

Zie: A.V.24; A.VI.50; A.VIII.81; A.X.3.

A.VII.62. Vergankelijkheid

(De zeven zonnen)

(In het park van Ambapāli te Vesāli)

"Monniken, vergankelijk zijn de formaties. Monniken, onbestendig zijn de formaties. Monniken, troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties, beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, Sineru,[104] de koning van de bergen, is vierentachtigduizend yojana's lang, vierentachtigduizend yojana's breed, vierentachtigduizend yojana's diep gaat hij in de oceaan en vierentachtigduizend yojana's strekt hij er bovenuit.

         Maar er komt ooit een tijd, monniken, dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, gedurende vele jaren, vele honderden jaren, vele duizenden jaren, vele honderdduizenden jaren, er geen regen valt. Wat daar, monniken, aan kiemen en planten, aan kruiden, grassen en bomen bestaat, dat moet zonder regen verdorren, uitdrogen en verdwijnen.

Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties.  Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een tweede zon verschijnt. Monniken, als nu die tweede zon is verschenen, dan zullen alle kleine rivieren en poelen uitdrogen, opdrogen en verdwijnen. Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties.

Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd, monniken, dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een derde zon verschijnt. Monniken, als nu die derde zon is verschenen, dan zullen alle grote rivieren, de Gangā, Yamunā, Aciravatī, Sarabhū en Mahī uitdrogen, opdrogen en verdwijnen.

Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een vierde zon verschijnt. Als de vierde zon is verschenen, dan zullen alle grote meren waaruit de grote rivieren ontspringen, zoals Anotattā, Sīhapapātā, Rathakārā, Kannamundā, Kunālā, Chaddantā en Mandākī, uitdrogen, opdrogen en verdwijnen.

Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een vijfde zon verschijnt. Als de vijfde zon is verschenen, dan zal het water van de oceaan honderd yojanas terug gaan, tweehonderd, driehonderd, zevenhonderd yojanas terug gaan. En het water van de oceaan staat dan nog maar zeven palmen hoog, nog maar zes, vijf, vier, drie, twee, ja slechts één palm hoog. Daarna staat het water van de oceaan nog maar zeven man hoog, staat nog maar zes, vijf, vier, drie, twee man hoog, zinkt omlaag tot op één man hoog, tot de helft van één man hoog, nog slechts tot aan de heupen, dan nog maar tot aan de knieën en tenslotte slechts tot aan de enkels.

Monniken, juist zoals wanneer in de herfst hevige regen valt, hier en daar het water in de hoefsporen van de runderen blijft staan, evenzo ook, monniken, reikt dan het water van de oceaan hier en daar nog maar tot aan de enkels. Maar na het verschijnen van de vijfde zon staat het water van de oceaan zelfs niet een vingerkootje hoog.

Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een zesde zon verschijnt. Als de zesde zon is verschenen, dan begint deze grote aarde inclusief Sineru, de koning van de bergen, te roken en te walmen. Monniken, juist zoals de pottenbakkersoven, wanneer hij vers met klei werd ingesmeerd, eerst rookt en walmt; evenzo ook, monniken, begint bij het verschijnen van de zesde zon, deze grote aarde inclusief Sineru, de koning van de bergen, te roken en te walmen.

Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden.

Monniken, er komt ooit een tijd dat op een gegeven moment, aan het einde van een lange periode, een zevende zon verschijnt. Als de zevende zon is verschenen, dan begint deze grote aarde inclusief Sineru, de koning van de bergen, op te vlammen, op te laaien, wordt tot een enkele vuurmassa. En monniken, terwijl deze grote aarde samen met Sineru, de koning van de bergen, in vlammen staat en brandt, stijgen de vlammen, door de wind aangedreven, omhoog tot de Brahma-wereld. Monniken, terwijl de Sineru, de koning van de bergen, in vlammen staat, brandt, ondergaat en door een machtige vlammenzee wordt overspoeld, barsten de één, twee, drie, vier- en vijfhonderd yojana's hoge toppen uiteen. Monniken, terwijl deze grote aarde samen met Sineru, de koning van de bergen, in vlammen staat en brandt, verschijnen er geen sintels noch as. Juist zoals, monniken, bij het verbranden van geklaarde boter of olie noch sintels noch as verschijnen, evenzo ook verschijnen noch sintels noch as wanneer deze grote aarde samen met Sineru, de koning van de bergen, in vlammen staat en brandt.

 Monniken, zo vergankelijk zijn de formaties. Monniken, zo onbestendig zijn de formaties. Monniken, zo troosteloos zijn de formaties. Waarlijk, het is genoeg om alle formaties beu te worden, genoeg om zich ervan af te keren, genoeg om zich ervan te bevrijden. Monniken, wie kan dit wel inzien of geloven dat deze machtige aarde samen met Sineru, de koning van de bergen, door vuur zal worden verteerd, vergaan en verdwijnen, behalve degenen die het doel hebben gezien.[105]

Monniken, eens leefde er een meester en grondlegger van het geloof genaamd Sunetta,[106] die vrij was van verlangen naar de zintuiglijke dingen. Deze meester Sunetta nu, monniken, had vele honderden van discipelen, en aan deze discipelen toonde hij de weg naar wedergeboorte onder de goden van de Brahma-wereld. Degenen nu die, terwijl de meester Sunetta de leer over wedergeboorte in de Brahma-wereld[107] voordroeg, zijn instructie geheel en al begrepen, zij kwamen bij het verval van het lichaam, na de dood, op een gelukkig pad, in een Brahma-wereld. Degenen nu die zijn instructie nog niet geheel en al begrepen, verschenen weer, deels onder de 'godheden die heersen over de scheppingen van anderen', deels onder de 'godheden die zich verheugen in scheppen', deels onder de 'zalige godheden', deels onder de Yama-goden, deels onder de goden van de Drieëndertig, deels onder de Vier Grote Koningen van de goden, deels onder machtige edelen, onder machtige brahmanen of machtige burgers. Toen nu kwam bij meester Sunetta de gedachte op: "Het is niet juist voor mij als het met mij in de toekomst hetzelfde zal aflopen als met mijn discipelen. Als ik nu eens een hoger pad[108] betreed?"

En monniken, meester Sunetta beoefende zeven jaar  lang liefdevolle vriendelijkheid, en nadat hij zeven jaar lang liefdevolle vriendelijkheid had beoefend, keerde hij gedurende de periode van zeven wereldondergangen en wereldontstaan niet meer naar deze wereld terug. Toen de wereld onderging, verscheen hij weer onder de stralende goden. En toen de wereld weer opnieuw ontstond, verscheen hij weer in een leeg Brahma-paleis. Daar nu, monniken,  was hij de Brahma, de Grote Brahma, de overwinnaar, de onoverwonnene, de alziende, de almachtige. Zesendertig keer, monniken, werd hij Sakka, heer van de goden. Een paar honderd keer werd hij een wereldheerser, een rechtvaardige koning van de wet, heerser over de vier werelddelen, zijn rijk veiligheid gevende, in het bezit van de zeven ideale dingen. Hij had meer dan duizend zonen, monniken, helden, heroïsche figuren die de vijandige legers hadden kunnen vernietigen. Zo leefde hij op deze aarde, die hij tot aan de zee door de wet, zonder stok en zwaard had veroverd.

Monniken. hoewel nu deze meester Sunetta zo'n hoge ouderdom bereikte, zo lang in leven bleef, werd hij toch niet bevrijd van geboorte, ouder worden en sterven, van zorgen, gejammer, smart, droefenis en wanhoop, werd hij niet bevrijd van lijden, zeg ik. En waarom niet? Omdat hij vier dingen niet heeft begrepen en doordrongen. Welke vier? Edele deugdzaamheid, edele concentratie van de geest, edele wijsheid en edele bevrijding. Maar nu is die edele deugdzaamheid begrepen en doordrongen, is die edele concentratie van de geest begrepen en doordrongen, is die edele wijsheid begrepen en doordrongen, is die edele bevrijding begrepen en doordrongen. Het verlangen naar bestaan is afgesneden, het touw aan bestaan is losgemaakt, er zal geen verder bestaan meer komen."

Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden zei de Gezegende, de Meester, nog dit:

"Deugdzaamheid, wijsheid en concentratie,

onvergelijkbare bevrijding, -

die dingen nu zag hij,

de Verheven Gotama.

De Boeddha doorzag dit

en onderwees de waarheid aan zijn discipelen.

Hij, de Meester, de vernietiger van lijden,

ziener, die van onwetendheid is verlost."[109]

A.VII.63. Zeven goede eigenschappen van de edele

Monniken, wanneer een koninklijke grensvesting goed is voorzien van de zevenvoudige uitrusting en daarin de vier levensmiddelen naar wens, zonder moeite en inspanning kunnen worden verkregen, dan geldt die koninklijke grensvesting als onneembaar door externe vijanden en tegenstanders.

Wat nu is de zevenvoudige uitrusting waarmee de koninklijke grensvesting voorzien is?

Monniken, de koninklijke grensvesting heeft een toren met een onwrikbaar fundament dat diep in de aarde is gemaakt, Monniken, dat is de eerste uitrusting waarmee de koninklijke grensvesting is voorzien, ter bescherming van de inwoners en ter verdediging tegen vreemdelingen.

Verder, monniken, heeft de koninklijke grensvesting een brede, diepe vestinggracht. Dat, monniken, is de tweede uitrusting.

Verder, monniken, heeft de koninklijke grensvesting een hoge, brede rondweg voor observatie. Dat, monniken, is de derde uitrusting.

Verder, monniken, zijn in de koninklijke grensvesting veel wapens opgestapeld, zowel projectielen (pijlen, werpspiezen) als draagwapens. Monniken, dat is de vierde uitrusting.

Verder, monniken, zijn in de koninklijke grensvesting veel strijdkrachten, zoals olifanten-troepen, cavalerie-troepen, strijdwagens, boogschutters, vaandeldragers, veldslag-ordebewaarders, proviand-verzorgers, en ook trotse koninklijke zonen, vermetele, zeer machtige helden, evenals schilddragers en huursoldaten. Dat, monniken, is de vijfde uitrusting.

Verder, monniken, is in de koninklijke grensvesting als poortwachter een intelligente, ervaren, verstandige man  die alle onbekenden afwijst en alleen de bekenden binnen laat. Dat, monniken, is de zesde uitrusting.

Verder, monniken, is de koninklijke grensvesting omgeven door een hoge en brede vestingwal die goed gepleisterd en witgekalkt is. Dat, monniken, is de zevende uitrusting waarmee de koninklijke grensvesting is voorzien, ter bescherming van de inwoners en ter verdediging tegen vreemdelingen.

Monniken, welke zijn nu de vier levensmiddelen die in de koninklijke grensvesting naar wen, zonder moeite en inspanning, verkrijgbaar zijn?

In de koninklijke grensvesting is een grote voorraad aan stro, brandhout en water opgestapeld voor gebruik door de inwoners, voor hun geruststelling, voor hun welzijn en om de tegenstanders af te weren.

Verder is in de koninklijke grensvesting een grote voorraad aan rijst en gerst opgestapeld;

een grote voorraad aan sesam, linzen, bonen en ander voedsel;

een grote voorraad aan geneesmiddelen, zoals boterolie, boter, olie, honing, suiker en zout, tot gebruik voor de bewoners, tot hun geruststelling, voor hun welzijn en om de tegenstanders af te weren.

Deze vier levensmiddelen, monniken, zijn in de koninklijke grensvesting naar wens verkrijgbaar, zonder moeite en inspanning.

Monniken, als een koninklijke grensvesting met deze zevenvoudige uitrusting goed is voorzien en daarin deze vier levensmiddelen naar wens verkrijgbaar zijn, zonder moeite en inspanning, dan geldt die koninklijke grensvesting als onneembaar door externe vijanden en tegenstanders.

Evenzo ook, monniken, als de edele discipel met zeven goede eigenschappen is uitgerust, en zowel naar wens, zonder moeite of inspanning deel heeft aan de vier verdiepingen, de verheven-geestelijke die tegenwoordig welzijn verschaffen, dan geldt zo'n edele discipel als onoverwinnelijk door Māra, de boze.

Welke nu zijn die zeven eigenschappen waarmee hij is uitgerust?

Monniken, net zoals de koninklijke grensvesting een onbeweeglijke, onwrikbare toren heeft, [...]  zo, monniken, heeft de edele discipel vertrouwen: hij heeft vertrouwen in de Verlichting van de Volmaakte, aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

De edele discipel nu die met de toren van vertrouwen is uitgerust, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij houdt zijn hart zuiver. Hij is uitgerust met deze eerste goede eigenschap.

Monniken, net zoals de koninklijke grensvesting een diepe, brede vestinggracht heeft, zo heeft de edele discipel schaamte; hij schaamt zich voor slecht gedrag in daden, woorden en gedachten; hij schaamt zich voor het verrichten van slechte, onheilzame daden. De edele discipel nu die met de vestinggracht van schaamte is uitgerust, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij houdt zijn hart zuiver. Hij is uitgerust met deze tweede goede eigenschap.

Monniken, net zoals de koninklijke grensvesting een hoge, brede rondweg voor observatie heeft, zo heeft de edele discipel morele vrees; hij schuwt het slechte gedrag in daden, woorden en gedachten, schuwt het verrichten van slechte, onheilzame daden. De edele discipel die uitgerust is met de rondweg van morele vrees, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij houdt zijn hart zuiver. Met deze derde goede eigenschap is hij uitgerust.

Monniken, net zoals in de koninklijke grensvesting veel wapens zijn opgestapeld, [...] zo is de edele discipel rijk aan weten, een drager van weten, heeft een grote hoeveelheid weten vergaard; en die leerstellingen die in het begin uitstekend zijn, in het midden uitstekend en aan het eind uitstekend, die in voltooide zin en uitdrukking een volmaakt, gezuiverd heilig leven verkondigen, naar deze leerstellingen heeft hij vaak geluisterd, ze uit het hoofd geleerd, ze woordelijk geleerd, in de geest overwogen en ze wijs begrepen. De edele discipel die uitgerust is met het wapen van weten, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij houdt zijn hart zuiver. Hij is uitgerust met deze vierde goede eigenschap.

Monniken, net zoals in de koninklijke grensvesting veel strijdkrachten zijn, zo heeft de edele discipel de wil om de onheilzame dingen op te geven en om de heilzame dingen te verwerven; hij is standvastig, van gestaalde kracht en niet onachtzaam in datgene dat heilzaam is. De edele discipel die uitgerust is met de wil van de strijdkracht, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij bewaart zijn hart in zuiverheid. Hij is uitgerust met deze vijfde goede eigenschap.

Monniken, net zoals er in de koninklijke grensvesting een verstandige, ervaren, pientere man als poortwachter is die alle onbekenden afwijst en alleen de bekenden binnen laat, zo is de edele discipel opmerkzaam, uitgerust met de grootste opmerkzaamheid en bezonnenheid. Zelfs wat lang geleden werd gedaan en gesproken, dat herinnert hij zich. De edele discipel die de opmerkzaamheid als wachter heeft, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij houdt zijn hart zuiver. Hij is uitgerust met deze zesde goede eigenschap.

Monniken, net zoals de koninklijke grensvesting met een goed gepleisterde en witgekalkte, hoge en brede vestingwal is omgeven, zo is de edele discipel wijs, heeft hij inzicht in het ontstaan en vergaan, het edele, doordringende, naar de volledige vernietiging van lijden leidende. De edele discipel die als het ware gepleisterd en bekleed  is met wijsheid, overwint het onheilzame en ontplooit het heilzame, overwint het berispelijke en ontplooit het onberispelijke, en hij bewaart zijn hart in zuiverheid. Hij is uitgerust met deze zevende goede eigenschap.

Dit zijn de zeven goede eigenschappen waarmee hij is uitgerust. Maar wat zijn de vier verdiepingen, de verheven geestelijke die tegenwoordig geluk waarborgen, waaraan hij deelneemt naar wens, zonder moeite en problemen?

Monniken, net zoals in het koninklijke grensvesting een grote voorraad aan stro, brandhout en water is opgestapeld, voor het gebruik van de inwoners, voor hun geruststelling, voor hun welzijn en om vreemden af te weren, zo verkrijgt de edele discipel, geheel afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame gemoedstoestanden, de eerste verdieping die verbonden is met denken en overwegen, geboren in de afzondering, vervuld van vervoering en geluk, tot eigen vreugde, voor zijn geruststelling, voor zijn welzijn en om tot Nibbāna te komen.

Monniken, net zoals in de koninklijke grensvesting een grote voorraad aan rijst en gerst is opgestapeld, voor het gebruik van de inwoners, voor hun geruststelling, voor hun welzijn en om vreemden af te weren, zo verkrijgt de edele discipel, na het tot stilstand komen van denken en overwegen, de tweede verdieping, de innerlijke vrede, de eenheid van de geest die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vervuld van vervoering en geluk, tot eigen vreugde, voor zijn geruststelling, voor zijn welzijn en om tot Nibbāna te komen.

Monniken, net zoals in de koninklijke grensvesting een grote voorraad aan sesam, linzen, bonen en ander voedsel is opgestapeld, voor het gebruik van de inwoners, voor hun geruststelling, voor hun welzijn en om vreemden af te weren, zo vertoeft de edele discipel gelijkmoedig, oplettend, helder bewust, en hij ervaart in zijn innerlijk een geluk waarvan de edelen zeggen: ‘De gelijkmoedige, oplettende vertoeft gelukkig’; zo verkrijgt hij de derde verdieping, tot eigen vreugde, voor zijn geruststelling, voor zijn welzijn en om tot Nibbāna te komen.

Monniken, net zoals in de koninklijke grensvesting een grote voorraad aan geneesmiddelen is opgestapeld, zoals boterolie, boter, olie, honing, suiker en zout, zo verkrijgt de edele discipel na het verdwijnen van vreugde en smart en het al eerder uitdoven van blijdschap en droefenis, de vierde verdieping die zonder leed en zonder vreugde is, bestaande uit de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en opmerkzaamheid, tot eigen vreugde, voor zijn geruststelling, voor zijn welzijn en om tot Nibbāna te komen.

Dit zijn de vier verdiepingen, de verheven geestelijke die tegenwoordig geluk garanderen, waaraan de edele discipel naar wens deel heeft, zonder moeite problemen.

Monniken, wanneer de edele discipel met deze zeven goede eigenschappen is uitgerust, en ook naar wens, zonder moeite en probleem, deel heeft aan de vier verdiepingen, de verheven geestelijke, die tegenwoordig geluk garanderen, dan geldt hij als onoverwinnelijk door Māra, de boze.

A.VII.64. Zeven eigenschappen van de edele

De monnik die met zeven eigenschappen is uitgerust, monniken, is offergaven waardig, gastgeschenken waardig, gaven waardig, is waardig eerbiedig begroet te worden, is het beste veld voor goede werken in de wereld. Welke zijn deze zeven eigenschappen?

Monniken, daar is de monnik bekend met de leer, weet de betekenis ervan, kent zichzelf, weet de juiste maat, weet de juiste tijd, kent de groepen van de menselijke samenleving en kent de persoonlijke verschillen.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de leer? Daar kent de monnik de leer, en wel de leerteksten, gemengd proza, exegese, verzen, hymnen, uitspraken, geboorteverhalen, de wonderbaarlijke dingen en de uitleg. Als hij de leer niet op deze manier kent, dan kan hij niet gelden als iemand die bekend is met de leer. Maar als hij de leer op deze manier kent, dan geldt hij als iemand die bekend is met de leer. In zoverre heeft hij kennis van de leer.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de betekenis ervan? Daar kent de monnik de betekenis van elke leerrede: 'Dat is de betekenis van deze leerrede, dat is de betekenis van die leerrede.' Als hij de betekenis van de leerrede niet op een dergelijke manier weet, dan kan hij niet gelden als iemand die bekend is met de betekenis. Maar als hij de betekenis van de leerrede op een dergelijke manier weet, dan geldt hij als iemand die bekend is met de betekenis. In zoverre kent hij de leer en de betekenis ervan.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met zichzelf? Daar kent de monnik zichzelf: 'Zo gaat het met mij met betrekking tot vertrouwen, kennis, vrijgevigheid, wijsheid en scherpzinnigheid.' Als hij zichzelf op deze manier niet kent, dan kan hij niet gelden als iemand die bekend is met zichzelf. Maar als hij zichzelf op zo'n manier kent, dan geldt hij als iemand die bekend is met zichzelf. In zoverre is hij bekend met de leer, bekend met de betekenis en bekend met zichzelf.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de juiste maat? Daar kent de monnik de juiste maat bij het ontvangen van gewaad, aalmoezenvoedsel, rustplaats en de nodige geneesmiddelen en medicijnen. Als hij daarin niet de juiste maat kent, dan kan hij niet gelden als iemand die bekend is met de juiste maat. Maar als hij daarin de juiste maat kent, dan geldt hij als iemand die bekend is met de juiste maat. In zoverre is hij bekend met de leer, met de betekenis, met zichzelf en met de juiste maat.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de juiste tijd? Daar kent de monnik de juiste tijd en weet: 'Dit is de juiste tijd om te onderrichten, dit is de juiste tijd om te bespreken, dit is de juiste tijd voor inspanning, dit is de juiste tijd voor afgezonderde overweging.' Als hij hierin niet de juiste tijd kent, dan kan niet gelden als iemand die bekend is met de juiste tijd. Maar als hij hierin de juiste tijd kent, geldt hij als iemand die bekend is met de juiste tijd. In zoverre is hij bekend met de leer, met de betekenis, met zichzelf, met de juiste maat en met de juiste tijd.

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de groepen van de menselijke samenleving? Daar weet de monnik: 'Dit is een gemeenschap van edelen, dit is een gemeenschap van brahmanen, dit is een gemeenschap van gezinshoofden, dit is een gemeenschap van asceten. Daar moet men op deze manier naderen, op deze manier staan, op deze manier handelen, op deze manier zitten, op deze manier  spreken, op deze manier zwijgen.' Als hij deze gezelschappen niet op een dergelijke manier kent, kan hij niet gelden als iemand die ermee bekend is. Maar als hij ze kent, geldt hij als iemand die bekend is met de groepen van de menselijke samenleving. In zoverre is hij bekend met de leer, met de betekenis, met zichzelf, met de juiste maat, met de juiste tijd en met de groepen van de menselijke samenleving.

 

Maar monniken, in hoeverre is de monnik bekend met de persoonlijke verschillen? [110] Daar, monniken, kent de monnik de mensen op twee manieren: Er zijn twee soorten mensen: de een bezoekt graag de edelen, de ander niet. Degene die niet graag de edelen bezoekt, moet daarom  berispt worden; maar wie de edelen graag bezoekt, moet daarom  geprezen worden.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die de edelen bezoeken: de een wil graag de goede leer horen, de ander niet. Wie niet graag de goede leer wil horen, is daarom te berispen; maar wie graag de goede leer wil horen, is daarom te prijzen.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die graag de goede leer willen horen: de een luistert naar de leer met open oren, de ander niet. Wie naar de leer niet met open oren luistert, is daarom te berispen; maar wie met open oren naar de leer luistert, is daarom te prijzen.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die met open oren  naar de leer luisteren: de een bewaart de vernomen leer in het geheugen, de ander niet. Wie de vernomen leer niet in het geheugen bewaart, is daarom te berispen; maar wie de vernomen leer in het geheugen bewaart, is daarom te prijzen.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die de vernomen leer in het  geheugen bewaren: de een onderzoekt de betekenis van de leringen die in het geheugen zijn bewaard, de ander onderzoekt niet. Wie de betekenis van de in het geheugen bewaarde leringen niet onderzoekt, is daarom te berispen; maar wie de betekenis van de in het geheugen bewaarde leringen onderzoekt, is daarom te prijzen.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die de betekenis onderzoeken van de leringen die in het geheugen zijn bewaard: de een kent de leer en de betekenis ervan en leeft volgens de leer; de ander kent weliswaar de leer en de betekenis ervan, maar leeft niet volgens de leer. Wie de leer en de betekenis ervan kent en niet volgens de leer leeft, is daarom te berispen; Maar wie de leer en de betekenis ervan kent en volgens de leer leeft, is daarom te prijzen.

Er zijn twee soorten mensen onder degenen die de leer en de betekenis ervan kennen en volgens de leer leven: de een handelt voor zijn eigen heil en niet voor het heil van anderen; maar de ander handelt zowel voor zijn eigen heil als voor het heil van de anderen. Degene die voor zijn eigen heil handelt, maar niet voor het heil van anderen, is daarom te berispen. Maar wie zowel voor zijn eigen heil als ook voor het heil van de anderen handelt, is daarom te prijzen.

Monniken, op deze manier kent de monnik de mensen op twee manieren. En zo, monniken, is de monnik bekend met de persoonlijke verschillen.

De monnik die met deze zeven eigenschappen is uitgerust, is offers waard, is gastvrijheid waard, is gaven waard, is waard eerbiedig begroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken.

A.VII.65. De hemelse koraal-boom

vgl. It. 82. Vreugdevolle uitingen.

A.VII.66. Zeven voorwerpen van eerbied

        Toen de eerwaarde Sariputta eens eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam in zijn geest deze gedachte op: "Waarop kan de monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien?" En de eerwaarde Sariputta zei tot zichzelf: "Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien." Verder dacht de eerwaarde Sariputta toen: "Deze dingen zijn bij mij weliswaar rein en zuiver, maar wanneer ik de Verhevene over deze dingen zou berichten, dan zullen zij nog reiner en zuiverder worden."

        's Avonds verhief zich de eerwaarde Sariputta uit zijn afzondering, ging naar de Verhevene toe en deelde hem zijn gedachten mee.

        De Verhevene zei: "Goed zo, Sariputta, goed zo. Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien."

        Na deze woorden sprak de eerwaarde Sariputta tot de Verhevene als volgt: "Heer, van wat de Verhevene hier in het kort heeft gezegd, begrijp ik de uitvoerige zin als volgt:

        Heer, dat een monnik die de Meester niet eert, de leer zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester niet eert, die eert ook de leer niet.

        Heer, dat een monnik die de Meester en de leer niet eert, de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer niet eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken niet.

        Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken niet eert, die eert ook de geestelijke oefening niet.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening niet eert, die eert ook de geestelijke concentratie niet.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest niet eert, die eert ook de ijver niet.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver niet eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid niet.         

        Heer, dat evenwel een monnik die de Meester eert, de leer niet zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester eert, die eert ook de leer.

        Dat een monnik die de Meester en de leer eert, niet de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken.

        Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken eert, die eert ook de geestelijke oefening.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening eert, die eert ook de concentratie van de geest.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest eert, die eert ook de ijver.

        Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid.

        Heer, op deze manier begrijp ik de uitvoerige zin van datgene wat de Verhevene in het kort heeft gezegd."

        "Goed zo, Sariputta, goed zo. Je begrijpt juist de uitvoerige zin van datgene wat ik in het kort heb uitgelegd. Sariputta, dat namelijk moet men als de uitvoerige zin ervan beschouwen."

A.VII.67. Zonder oefening geen vooruitgang

Monniken, hoezeer ook een monnik die geen enkele training van de geest ontwikkelt, de wens moge koesteren: "Ach, dat toch mijn hart van de neigingen bevrijd wordt zonder hechten", zo wordt het hart  toch niet bevrijd. En waarom niet? "Omdat hij zijn geest niet heeft ontplooid," is het antwoord. En waarin?

In de vier grondslagen van de opmerkzaamheid, de vier juiste inspanningen, de vier wegen naar macht, de vijf geestelijke vaardigheden, de vijf geestelijke krachten, de zeven factoren van Verlichting en het edele achtvoudige pad.[111]

Monniken, stel dat een kip acht of tien of twaalf eieren heeft gelegd, maar dat zij ze niet genoeg heeft uitgebroed, niet genoeg heeft verwarmd, niet genoeg tot ontwikkeling heeft gebracht. Hoeveel nu die kip ook kan wensen: "Ach, dat toch mijn kuikentjes met de punt van hun klauwen of hun snavel de eierschaal mogen doorbreken en veilig mogen uitkomen", zo zullen zij toch nog niet daartoe in staat zijn. En waarom niet? Wel, omdat de kip haar eieren niet genoeg heeft uitgebroed, ze niet genoeg heeft verwarmd, ze niet genoeg tot ontwikkeling heeft gebracht. Zo is het ook met een monnik die geen training van de geest onderhoudt.

Maar monniken, zelfs als een monnik die de training van de geest onderhoudt, niet de wens zou koesteren dat zijn hart zonder hechten van de neigingen bevrijd moge worden, zo wordt hij toch van de neigingen bevrijd. En waarom? "Wel, omdat hij zijn geest heeft ontplooid," moet men antwoorden. En waarin?

In de vier grondslagen van opmerkzaamheid, de vier juiste inspanningen, de vier wegen naar macht, de vijf geestelijke vaardigheden, de vijf geestelijke krachten, de zeven factoren van Verlichting en het edele achtvoudige pad.

Monniken, stel dat een kip acht of tien of twaalf eieren heeft gelegd, en dat zij ze voldoende heeft uitgebroed, voldoende heeft verwarmd, voldoende tot ontwikkeling heeft gebracht. Zelfs als deze kip niet de wens zou koesteren dat haar kuikentjes met de punt van hun klauwen of met de snavel door de eierschaal breken en veilig uitkomen, zo zullen ze toch naar buiten kruipen. En waarom? Wel, omdat de kip haar eieren voldoende heeft uitgebroed, ze voldoende heeft verwarmt, ze voldoende tot ontwikkeling heeft gebracht. Zo is het ook met een monnik die de training van de geest koestert.

Of monniken, juist zoals wanneer bij een timmerman of leerling-timmerman het handvat van zijn bijl is versleten, afdrukken van de vingers te zien zijn, hij dan toch niet weet dat er vandaag zo veel, gisteren zoveel en op een andere tijd zoveel van het handvat van de bijl werd versleten; maar hij dat wat versleten is, als versleten onderkent. Evenzo ook, monniken, is het met de monnik die de training van de geest koestert. Ook al weet hij niet dat bij hem vandaag zoveel, gisteren zoveel en op een andere tijd zoveel van de neigingen zijn verdwenen, zo onderkent hij toch datgene wat verdwenen is als verdwenen.

Of  monniken, juist zoals bij een zeeboot die vastgebonden is aan een paal, nadat ze zes maanden in het water heeft rondgevaren en daarna in de winter aan land werd getrokken, de touwen die door wind en zon zwakker zijn geworden, die blootgesteld waren aan de moessonregen, gemakkelijk rot worden en verrotten; evenzo ook, monniken, gaan bij de monnik die de training van de geest koestert, helemaal zonder moeite de boeien los en verrotten.

A.VII.68. Het lot van de valse asceet - Aggikkhandha-Sutta

Zo heb ik gehoord. Eens liep de Verhevene met een grote menigte monniken door het land Kosala. Terwijl nu de Verhevene over de straat liep, merkte hij op een bepaalde plek een groot flikkerend, laaiend, glanzend vuur op. Toen hij het zag, sloeg hij van de weg af en ging aan de voet van een boom zitten op een gereed gemaakte zitplaats.Toen wendde hij zich tot de monniken en zei:

"Monniken, zien jullie dat grote flikkerende, laaiende, stralende vuur?” - "Zeker, Heer."

"Monniken, wat vinden jullie beter: dat men dat grote, flikkerende, laaiende, stralende vuur omarmt, ernaast gaat zitten, ernaast gaat liggen, of echter dat men een jonge vrouw met zachte, tere handen en voeten, uit de kaste van de adel,  brahmanen of burgers, omarmt en naast haar gaat zitten of naast haar gaat liggen? "

"Heer, het is natuurlijk beter dat men een jonge vrouw met zachte, tere handen en voeten, uit de kaste van de adel,  brahmanen of burgers, omarmt en naast haar gaat zitten of naast haar gaat liggen; want Heer, het veroorzaakt pijn als men dat grote, flikkerende, laaiende, stralende vuur wil omarmen, ernaast wil gaan zitten, ernaast wil gaan liggen.”

"Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het zou waarlijk beter zijn voor de zedeloze monnik, toegewijd aan het kwaad, met onzuiver en verdacht gedrag, met verborgen daad, voor de niet-asceet die zich voordoet als een asceet, voor de onkuise die voorgeeft kuis te leven, die innerlijk bedorven is, bevlekt, met een  smerige aard, dat hij dat grote flikkerende, laaiende, stralende vuur omarmt en ernaast gaat zitten, ernaast gaat liggen, dan dat hij een jonge vrouw met zachte, tere handen en voeten uit de kaste van de adel, brahmanen of burgers omarmt en naast haar gaat zitten of naast haar gaat liggen. En waarom? -

Daardoor kan hij weliswaar tot de dood of dodelijke pijn vervallen; maar hij komt daarom bij het verval van het lichaam, na de dood  niet in de lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Maar als een dergelijk iemand een jonge vrouw, begiftigd met zachte,tedere handen en voeten uit de kaste van de adel, brahmanen of burgers, omarmt en naast haar gaat zitten of naast haar gaat liggen, dan strekt hem dat, monniken, lange tijd tot onheil en lijden; en bij het verval van het lichaam, na de dood komt hij in de lagere wereld terecht, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.

Monniken, wat vinden jullie beter: dat een sterke man iemand een stevig, hard touw om beide benen slingert en heen en weer wrijft, zodat het touw eerst door de opperhuid schaaft, dan de onderhuid, dan het vlees, dan de pezen, dan de botten doorsnijdt en uiteindelijk het beenmerg bereikt - of dat men van machtige edelen, brahmanen of burgers een respectvolle begroeting krijgt?"

"Heer, het is natuurlijk beter dat men van machtige edelen, brahmanen of burgers een respectvolle begroeting ontvangt; want Heer, het veroorzaakt pijn wanneer een sterke man een stevig, hard touw om beide benen slingert en heen en weer wrijft."

"Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het zou waarlijk beter zijn voor de zedeloze monnik, toegewijd aan het kwaad, met onzuiver en verdacht gedrag, met verborgen daad, voor de niet-asceet die zich voordoet als asceet, de onkuise die voorgeeft dat hij kuis leeft, die innerlijk verdorven is, bevlekt, met een smerige aard, dat een sterke man een sterk, harig touw om zijn benen slingert en heen en weer wrijft ... , dan dat hij van  machtige edelen, brahmanen of burgers een respectvolle begroeting krijgt....

Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het is waarlijk beter voor een dergelijk iemand dat een sterke man een scherp met olie gereinigd speer in zijn borst stoot, dan dat hij door machtige edelen, brahmanen of burgers eerbiedig met gevouwen handen[112] begroet wordt.

"Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het is waarlijk beter voor een dergelijk iemand dat een sterke man een gloeiend ijzeren panser om zijn lichaam legt dan dat hij het door machtige edelen, brahmanen of burgers uit vertrouwen geschonken gewaad aandoet...

Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het is waarlijk beter voor een dergelijk iemand dat een sterke man zijn mond met een gloeiende ijzeren tang open trekt en een gloeiende ijzeren bol in zijn mond laat vallen, die zijn lippen, mond, keel en lichaam verbrandt en ingewanden en darmen met zich meevoerend beneden weer naar buiten komt, dan dat hij de door machtige edelen, brahmanen of burgers uit vertrouwen geschonken aalmoezenmaaltijd eet...

Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het is waarlijk beter voor een dergelijk iemand dat een sterke man hem bij de haren of aan de schouders pakt en hem op een gloeiend ijzeren bed of een gloeiende ijzeren stoel dwingt, dan dat hij een door machtige edelen, brahmanen of burgers uit vertrouwen geschonken bed of stoel gebruikt...

        Monniken, ik zeg jullie, monniken, ik verkondig jullie: het is waarlijk beter voor een dergelijk iemand dat een sterke man hem bij de voeten pakt en hem hals over kop in een gloeiende ketel gooit en hij, terwijl hij daar kookt, met het omhoog kokende schuim nu eens naar boven, dan weer naar beneden en dan weer dwars erover gedreven wordt, dan dat hij in een door machtige edelen, brahmanen of burgers uit vertrouwen geschonken klooster woont. En waarom? Daardoor kan hij weliswaar tot de dood of dodelijke pijn vervallen; maar hij komt daarom bij het verval van het lichaam, na de dood  niet in de lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Maar wanneer een dergelijk iemand in een door machtige edelen, brahmanen of burgers uit vertrouwen geschonken klooster woont, dan strekt hem dat, monniken, lange tijd tot onheil en lijden; en bij het verval van het lichaam, na de dood komt hij in de lagere wereld terecht, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.

Daarom, monniken, moet men op een dergelijke manier streven: 'Mogen de gaven van degenen wier gewaden, aalmoezenspijzen, rustplaats en medicijnen wij gebruiken, een grote beloning en zegen brengen. En moge onze verzaking van de wereld niet vruchteloos zijn, maar vrucht en resultaat brengen.' Daarnaar, monniken, moeten jullie streven.

Monniken, met het oog op iemands eigen heil is het gepast om onvermoeibaar naar het doel te streven. Met het oog op het vreemde heil, monniken, is het gepast om onvermoeibaar naar het doel te streven. En met het oog op het heil van beiden, monniken, is het gepast om onvermoeibaar naar het doel te streven."

Zo sprak de Verhevene. Maar terwijl de Verhevene deze verklaring gaf, gutste bij zestig monniken bloed uit de mond;[113] en nog eens zestig monniken gaven de ascese op[114] en keerden terug naar het lagere leven in de wereld, denkend: 'Het is heel moeilijk, Verhevene! Het is heel moeilijk, Verhevene ' Bij zestig monniken evenwel werd het hart zonder hechten bevrijd van de neigingen.

A.VII.69. Het honen, smaden van de edelen

“Monniken, eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Sunetta, die vrij was van hebzucht naar de objecten van de zintuigen. En eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Mūgapakkha - en eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Aranemi - en eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Kuddālaka - en eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Hatthipāla - en eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Jotipāla - en eens leefde er een meester en stichter van een geloof genaamd Araka, - die vrij was van hebzucht naar de objecten van de zintuigen. Maar deze Meester had vele honderden discipelen. En aan deze discipelen toonde hij de weg naar wedergeboorte onder de goden van de Brahma-wereld. Degenen nu die geen vertrouwen toonden toen de Meester de weg naar wedergeboorte in de Brahma-wereld toonde, zij allen kwamen bij het verval van het lichaam, na de dood, in een lager bestaan, op een pad van lijden, in de afgronden van bestaan, in de hel. Maar degenen die vertrouwen toonden, zij allen kwamen bij het verval van het lichaam, na de dood, op een gelukkig pad, in hemelse wereld.

Monniken, wat denken jullie? Als er iemand deze zeven meesters en stichter van een geloof, die zich hadden afgekeerd van de objecten van de zintuigen, rondom welke vele honderden discipelen zich verzamelden, in een kwaadaardige gezindheid beschimpt of hoonde, zou een dergelijk iemand dan niet grote schuld op zich laden? " - "Zeker Heer."

"Monniken, wie evenwel een enkele persoon die vervuld is met inzicht (d.w.z. een in de stroom getredene, sotāpanna) in kwaadaardige gezindheid beschimpt of hoont, hij laadt een nog grotere schuld op zich. En waarom? Wel, omdat er buiten deze leer geen dergelijke ernstige schuld bestaat als die tegen de eigen broeders in de Orde. Monniken, daarom moet men ernaar streven: 'We willen niet kwaadaardig gezind zijn jegens onze broeders in de Orde.' Daar moet men naar streven, monniken.”

(Deze tekst is identiek aan het laatste deel van A.VI.54, maar zonder de verzen daar; hier echter met de toevoeging van een zevende meester uit het verleden, Araka.)

A.VII.70. Heel kort is het leven

“Monniken, er leefde eens heel lang geleden een meester en stichter van een geloof genaamd Araka, die vrij was van hebzucht naar de objecten van de zintuigen. Deze meester Araka nu had vele honderden discipelen. Aan hen verkondigde hij een dergelijke leer:

'Heel kort, brahmaan, is het leven van de mensen,  beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is, ontsnapt aan de dood.

        Brahmaan, net zoals bijvoorbeeld  de dauwdruppel op het puntje van een grassprietje bij het opkomen van de zon heel snel vergaat, niet lang blijft, evenzo brahmaan, is het met de dauwdruppel vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men onderkennen, goed doen en het reinheidsleven leiden, want niemand die geboren is, ontsnapt aan de dood.

Brahmaan, net zoals bijvoorbeeld, wanneer een machtig samengepakte regenwolk in stromen giet, de bellen op het water heel snel verdwijnen, niet lang blijven, evenzo, brahmaan, is het met de waterbel vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.

Brahmaan, net zoals de groef die met een stok in het water is getrokken, heel snel vergaat, niet lang blijft, evenzo, brahmaan, is het met de groef in het water vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.

Brahmaan, net zoals de bergstroom die in de verte zich haast, alles met zich mee sleept, zelfs niet voor een ogenblik, een tijdje, een minuut stil staat, maar steeds verder zich haast, verder vloeit, verder stroomt, evenzo, brahmaan, is het met de bergstroom vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.

        Brahmaan, net zoals een sterke man met het puntje van zijn tong een balletje speeksel vormt en het zonder enige inspanning uitspuugt, evenzo, brahmaan, is het met het balletje speeksel vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is, ontsnapt aan de dood.

Brahmaan, net zoals wanneer men een stuk vlees gooit  in een metalen pot die overdag is verwarmd, dat vlees heel snel uiteen valt, niet lang blijft, evenzo, brahmaan, is het met het stuk vlees vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.

Brahmaan, net zoals een slachtvee dat naar de slachtplaats wordt geleid, ongeacht welke voet het opheft, heel dicht bij de slacht is, heel dicht bij de dood, evenzo, brahmaan, is het met het slachtvee vergelijkbare leven van de mensen heel beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.

Monniken, in die tijd nu bedroeg de ouderdom van een mens zestigduizend jaren. Op vijfhonderd jarige leeftijd werd een meisje huwbaar. En in die tijd waren er onder de mensen maar zes kwalen: koude, hitte, honger, dorst, uitwerpselen en urine. Maar hoewel de mensen zo oud werden, zo lang leefden en zo weinig ziekten kenden, zo verkondigde Araka, de meester, aan zijn discipelen toch een dergelijke leer: ‘Heel kort, brahmaan, is het leven van de mensen, beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.’

Heden evenwel, monniken, kan men waarlijk terecht zeggen: ‘Heel kort is het leven van de mensen, beperkt en vluchtig, vol lijden en kwalen. Wijs moet men dit onderkennen, goed doen en het heilige leven leiden, want niemand die geboren is ontsnapt aan de dood.’ Want wie vandaag lang leeft, leeft honderd jaren of iets meer. Maar gedurende de honderd jaren van zijn leven brengt hij driehonderd seizoenen door: honderd winters, honderd zomers en honderd regenseizoenen. Maar terwijl hij driehonderd seizoenen leeft, brengt hij twaalfhonderd maanden door: vierhonderd wintermaanden, vierhonderd zomermaanden en vierhonderd regenseizoen-maanden. Maar terwijl hij twaalfhonderd maanden leeft, brengt hij vierentwintighonderd halve maanden door: achthonderd halve wintermaanden, achthonderd halve zomermaanden en achthonderd halve maanden van het regenseizoen. Maar terwijl hij vierentwintighonderd halve maanden leeft, brengt hij zesendertigduizend dagen door: twaalfduizend winterdagen, twaalfduizend zomerdagen en twaalfduizend regenseizoen-dagen. Maar terwijl hij zesendertigduizend dagen leeft, consumeert hij tweeënzeventigduizend maaltijden: vierentwintigduizend maaltijden in de zomer, vierentwintigduizend maaltijden in de winter en vierentwintigduizend maaltijden in het regenseizoen, in zoverre men het zogen van de moeder en het uitvallen van maaltijden meerekent. De volgende maaltijden namelijk vallen uit: als men opgewonden is, eet men niets; als men ontstemd is, eet men niets; als men ziek is, eet men niets; als men de vastendag houdt, eet men niets; en als men niets krijgt, eet men niets. Zomede, monniken, heb ik het leven van een honderdjarige mens berekend: de leeftijdsgrens, het aantal seizoenen, jaren, maanden, halve maanden, dagen en nachten, maaltijden, evenals het uitvallen van maaltijden. Monniken, wat een meester kan doen voor zijn discipelen uit welwillendheid en liefde, bewogen door mededogen, dat heb ik voor jullie gedaan. Hier zijn plekken onder de bomen, daar zijn eenzame woningen. Oefen verdieping, monniken, opdat jullie niet nonchalant worden en bij jullie later geen spijt ontstaat. Dit, monniken, is mijn instructie voor jullie.”

        

Hoofdstuk 8. vinaya-vagga

A.VII.71-78. Beschermer van de discipline

“Monniken, wanneer een monnik zeven eigenschappen heeft, dan geldt hij als een beschermer van de discipline. Die zeven eigenschappen zijn:

(71) Hij weet wat een overtreding is; hij weet wat geen overtreding is; weet wat een lichte overtreding is; weet wat een zware overtreding is; hij is moreel zuiver, hij volgt de regels van de orde na, is volmaakt in gedrag en omgang en,  voor de kleinste overtreding terugdeinzend, oefent hij zich in de regels van oefening die hij op zich heeft genomen; de vier verdiepingen, de verheven geestelijke die tegenwoordig geluk garanderen, verkrijgt hij naar wens, zonder moeite en problemen; door het opdrogen van de neigingen verkrijgt hij al tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid, ze zelf onderkennend en verwerkelijkend.

(72) Hij weet wat een overtreding is; weet wat geen overtreding is; weet wat een lichte overtreding is; weet wat een zware overtreding is; hij heeft zich goed vertrouwd gemaakt met alle details van de regels van beide Orden (voor monniken en nonnen), kent ze goed in de indeling ervan, beheerst ze volledig en heeft ze goed bestudeerd volgens de tekst van de regels[115] en aanvullende toelichtingen[116]; hij verkrijgt de vier verdiepingen naar wens; en de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid heeft hij zich als tijdens zijn leven eigen gemaakt.

(73) Hij weet wat een overtreding is; weet wat geen overtreding is; weet wat een lichte overtreding is; weet wat een zware overtreding is;  in de discipline van de Orde is hij vast en onwrikbaar; de vier verdiepingen verkrijgt hij naar wens en al tijdens zijn leven heeft hij de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid zich eigen gemaakt.

(74) Hij weet wat een overtreding is; weet wat geen overtreding is; weet wat een lichte overtreding is; weet wat een zware overtreding is; hij herinnert zich zijn vorige oorden van bestaan, zoals aan één geboorte, twee geboorten ...; met het hemelse oog, het gezuiverde, bovenmenselijke, onderkent hij hoe de wezens overeenkomstig hun daden weer verschijnen; en al tijdens zijn leven heeft hij de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid zich eigen gemaakt.

        Wanneer een monnik met deze zeven eigenschappen is uitgerust, geldt hij als een beschermer van de discipline van de Orde.

(75-78) En met al deze eigenschappen uitgerust (zoals bovenstaande teksten 71-74) schittert de monnik als een beschermer van de discipline van de Orde.”

A.VII.79. De juiste leer van de Meester

Eens ging de eerwaarde Upāli naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en zei: “Heer, het zou goed zijn als de Gezegende mij de lering in het kort zou willen uitleggen, zodat ik na het horen van de leer eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten kan verblijven.'

"Van die dingen, Upāli, waarvan je merkt dat ze niet leiden tot volledige afkeer, onthechting, opheffing, stil worden, doorzien en niet tot Nibbāna, daar kun jij, Upāli, met zekerheid aannemen dat dit niet de leer is, niet de discipline, niet de instructie van de meester.

Maar van die dingen, Upāli, waarvan je merkt dat ze leiden tot volledige afkeer, tot onthechtheid, opheffing, stil worden, doorzien en tot Nibbāna, daar kun jij, Upāli, met zekerheid aannemen dat dit de leer is, de discipline, dat dit de instructie van de meester is. "

A.VII.80. Het zevenvoudige bijleggen van geschillen

Monniken, er zijn zeven bijleggingen van geschillen (in de Orde),  om de geschillen die telkens ontstaan, te beslechten en bij te leggen. Welke zijn deze zeven?

1. Bijlegging door confrontatie [van de twistende partijen],

2. door [verklaring van onschuld in het geval van onmiskenbare] herinnering [van de kant van een heilige],

3. door het weer toelaten na het doorstaan van een geestesziekte,

4. door bekentenis,

5. bij meerderheid van stemmen,

6. door in de ban doen in geval van een verergering en daardoor,

7. dat men gras erover strooit.

(Zie: A.II.201; M. 104)

Hoofdstuk 9. samana-vagga

A.VII.81. De naam monnik waard

Monniken, omdat iemand zeven dingen heeft vernietigd, daarom is hij een bhikkhu (monnik)[117]. Welke zeven?

1. Omdat het geloof in persoonlijkheid vernietigd is,

2. omdat twijfel,

3. hechten aan regels en riten,

4. begeerte,

5. haat,

6. verblinding en

7. eigendunk vernietigd zijn.

A.VII.82. Goede en slechte eigenschappen

Monniken, er zijn zeven slechte eigenschappen. Welke zeven? Vertrouwenloosheid, schaamteloosheid, gewetenloosheid, onwetendheid, traagheid, onoplettendheid en dwaasheid.

Monniken, er zijn zeven goede eigenschappen. Welke zeven? Vertrouwen, schaamte, morele vrees, rijkdom aan weten, wilskracht, oplettendheid en wijsheid.

Hoofdstuk 10. āhuneyya-vagga

A.VII.83. Zeven mensen die verering waard zijn

Monniken, zeven mensen zijn offergaven waard, gastgeschenken waard, geschenken waard, waard om eerbiedig te worden begroet, zijn het beste veld in de wereld voor goede werken. Welke zeven?

Zie A.VII.16 en A.VII.17; A.VII.52.

A.VII.84. De factoren van Verlichting

Tot het volledige onderkennen van begeerte, haat en verblinding, van toorn, woede, minachting, heerszucht, afgunst, gierigheid, huichelarij, valsheid, hardnekkigheid, heftigheid, eigendunk, hoogmoed, roes en nonchalance; en ook tot het doorzien ervan, het overwinnen ervan, de  vernietiging, uitdoving, het afwenden, de vernietiging, het afzien ervan en tot het zich losmaken ervan, moeten zeven dingen ontplooid worden. Welke zeven?

De factor van Verlichting van de opmerkzaamheid, van het onderzoeken van de werkelijkheid, van de wilskracht, van de vervoering, van de kalmte,van de concentratie en van de gelijkmoedigheid.

Of: de voorstelling van de vergankelijkheid, van de onpersoonlijkheid, van het onzuivere, van de ellende, van het overwinnen, van het onthechten en van de opheffing.

Of: de voorstelling van het onreine, van de dood, van de walgelijkheid van het voedsel, van het onaantrekkelijke van het hele bestaan, van de vergankelijkheid, van het smartelijke bij de vergankelijkheid, van de ikloosheid bij het smartelijke.

Einde van het boek van zeven


bronnen

An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days: Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003

Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.]

Ireland, John D. (Transl). The Itivuttaka. The Buddha's Sayings. Kandy: BPS, 1991.

Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pāli Proper Names. London 1974, Vol. II

Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band II. (1913)

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipāta,: Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Konstanz 1977.

Nyanatiloka (übers.) Die Lehren des Buddha aus der Angereihten Sammlung. Aus dem Pali übersetzt von Nyanatiloka. Neue Gesamtausgabe, Band IV, Siebener- bis Neuner-Buch, Köln, Dumont Schauberg, 1969. 3. revidierte Neuauflage, herausgegeben von Nyanaponika.

Piyadassi Thera (tr.) The Book of Protection, Paritta. Colombo 1975

Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1980.

U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).

Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy 1964. The Wheel No. 67/69.

Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220, With a Bibliography.

Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band II. (1913)

http://www.palikanon.com/angutt/a.htm


[1] Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy 1975. The Wheel No. 217/220, p. 29; Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.) 1983, p. 58-59.

[2]  De schoonvader van de vrome Visakha.

[3] Hij kijkt en verkent het doel. De stroomintrede (sotāpatti) geldt als "de eerste aanblik van het Nibbāna".

[4] anicca-patisamvedī; commentaar: ñānena patisamviditā, door middel van inzicht ervaren of ondervonden. Zie A.VII.83.

[5] Dit zijn de vijf soorten van de "niet-wederkerende" (anāgāmī), uitgelegd in Pug.41-46; zie A.III.88-89; A.VII.52.

[6] niddasa-vatthūni. 'Eerwaardigheid' is slechts een beschrijving van niddaso naar de zin ervan; letterlijk betekent het 'niet (meer) tiental.' Het commentaar legt dit uit als de bij de Niganthas (Jainas) gebruikelijke aanduiding voor iemand die na tien jaren ascetisch leven gestorven is; dat wil zeggen, een dergelijk iemand zal geen verdere tien jaren meer meemaken, en ook geen negen jaren of zelfs maar één jaar. In de leer van de Boeddha echter zou het  betrekking hebben op de heilige (Arahant), aangezien deze geen wedergeboorte meer te wachten staat en hij zomede nooit meer een levensouderdom of ouderdom in de Orde van tien jaren  of zelfs maar van één jaar zal bereiken. Volgens het commentaar zijn er ook corresponderende uitdrukkingen zoals nibisso, 'niet meer twintig jaar oud', enz. - Volgens A.VII.39 (waar nog andere zeven 'grondslagen' genoemd worden) lijkt evenwel de uitdrukking niddaso niet alleen betrekking te hebben op een gestorvene, maar de senioriteit bij een zuiver geleid ascetisch leven aan te duiden.

[7] aparihāniya dhammā,' dingen die niet tot verval leiden '

[8] heiligdom = gedenkteken = cetiya. Dit is een plaats waar men iemand in vertrouwen en vol eerbied gedenkt. (Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.], p. 887, noot 66). Volgens Buddhaghosa zijn met heiligdommen of gedenktekens bedoeld plaatsen van geesten (yakkhas) van Vajji-koningen. (An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days: Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 12).

[9] Heilige: arahant. De arahant is iemand die verering waard is, een heilige omdat hij geheeld (heil) is van alle hartstochten. (Dahlke p. 885, noot 40).

[10] Volgens Buddhaghosa wordt een streek niet meer beschermd door godheden, wanneer arahants en asceten niet meer in die streek wonen. En dan krijgen geesten hun kans. Ziekten kunnen dan ontstaan. (An 2003, p. 15).

[11] Deze leerrede is ingevoegd in D.16 en zou in de 43e regenperiode na de Verlichting zijn gesproken.

[12] Commentaar van Buddhaghosa: De heuvel werd Gierepiek genoemd omdat gieren er leefden en er hun nest bouwden. (An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days: Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 1).

[13] Vedehiputta = zoon van Vedehi. Volgens het commentaar was Ajātasattu's moeder een Kosala-prinses en niet de dochter van de Vedeha-koning. Het commentaar legt ‘Vedehiputta’ uit als ‘zoon van een wijze moeder’. - Ajātasattu werd koning na het vermoorden van zijn vader, koning Bimbisara. (Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy 1964. The Wheel No. 67/69.)

[14] Vajji was een van de zestien grote landen ten tijde van de Boeddha.         

[15] Buddhaghosa merkte op dat Ajātasattu de Vajjis wilde vernietigen vanwege een tolkwestie. Aan de rivier de Ganges was een havenplaats (waarschijnlijk Pātaligāma). Een deel ervan werd beheerd door Ajātasattu en een ander deel door de Licchavis. De handelslieden moesten in de havenplaats tol betalen voor hun vaak zeer kostbare koopwaar. De Licchavis waren steeds als eerste ter plekke omdat zij onderling geen ruzie maakten maar in harmonie met elkaar leefden. Ajātasattu liep zo elk jaar veel tolgeld mis. (An 2003, p. 3).

[16] Tathāgata betekent letterlijk: ‘zó-gegaan’ of ‘zó-gekomen’. Deze benaming werd in het algemeen door de Boeddha gebruikt wanneer hij over zichzelf sprak. (Vajira 1964; en Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.] p. 885 noot 38).

[17] Ānanda was een neef van de Boeddha en diens meest toegewijde dienaar. Hij trad in het tweede jaar na de Verlichting van de Verhevene in de Orde in. (An 2003, p. 5 noot 1). Ananda werd in het 21e jaar na de Verlichting de persoonlijke verzorger van de Boeddha.

[18] Buddhaghosa kon zich blijkbaar moeilijk voorstellen dat de Verhevene van hitte of kou last had. Want hij merkte in zijn commentaar op dat de Boeddha geen koude noch hitte voelde. (An 2003, p. 5 en p. 5 noot 3).

[19] vredig = eensgezind

[20] heiligdom = gedenkteken = cetiya. Dit is een plaats waar men iemand in vertrouwen en vol eerbied gedenkt. (Dahlke p. 887, noot 66). Volgens Buddhaghosa zijn met heiligdommen of gedenktekens bedoeld plaatsen van geesten (yakkhas) van Vajji-koningen. (An 2003, p. 12).

[21] Buddhaghosa’s commentaar: Als de Vajjis de heiligdommen uitsluiten van offergaven, geven de godheden (devatā) geen correcte bescherming. Zij kunnen bijv. een probleem veroorzaken, zoals hoesten of hoofdpijn. (An 2003, p. 13).

[22] Heilige: arahant. De arahant is iemand die verering waard is, een heilige omdat hij geheeld (heil) is van alle hartstochten. (Dahlke p. 885, noot 40).

[23] Volgens Buddhaghosa wordt een streek niet meer beschermd door godheden, wanneer arahants en asceten niet meer in die streek wonen. En dan krijgen geesten hun kans. Ziekten kunnen dan ontstaan. (An 2003, p. 15).

[24] Voordat de Boeddha geboren werd, was er een cetiya waar de demon (yakkha) Sārandada vertoefde. Later bouwde men er een verblijfplaats voor de Verhevene. Omdat die gebouwd was op de plek van het Sārandada heiligdom, werd die plek bekend als ‘Sārandada heiligdom’, aldus het commentaar van Buddhaghosa. (An 2003, p. 15; zie ook: Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pāli Proper Names. London 1974, Vol. II, p. 1109).

[25] Later werd inderdaad onenigheid gebracht onder de Vajjis en werden zij veroverd. Veel Licchavis vluchtten toen naar Nepal. De belangrijkste oorzaak waarom zij verslagen werden, was het gebrek aan eenheid. Dit was in het algemeen een zwakte van de antieke Indiase republieken. (An 2003, p. 20 noot 1).

[26] Het commentaar van Buddhaghosa luidde: Als zij niet vaak samenkomen, vernemen zij niet het nieuws uit andere regio’s. Zij weten dan niet wat er in andere kloosters gebeurd is. In geval van mistoestanden kunnen zij dan niet ingrijpen en de leer of kloosterregels weer in orde brengen. (An 2003, p. 20-21).

[27] De zaken van de Orde: het regelen van ceremonies en bijeenkomsten, het geven van leergesprekken, wijding tot novice of de volledige wijding e.d.; er is niet mee bedoeld: zorg voor stoepa, reparatie van dak of hal, bouw van nieuwe hal, naaiwerk aan gewaad e.d. zoals An noteerde (An 2003, p. 21-22).

[28] Oudere monnik: Thera.         

[29] Degenen die reeds lang vertrokken zijn: pabbajita = degenen die uit de wereld in de Orde zijn gegaan, die de wijding van de pabbajja voltrokken hebben. (Dahlke p. 887 noot 68).

[30] Naar nieuw bestaan leidend: ponobhavika. De levensdorst is het kernloze wiel, het wezenloze rad, de zielloze aandrijving van het "ik". (Dahlke p. 887 noot 69).

[31] Individueel: paccatam. De Boeddha is slechts de leraar; hij geeft de aansporing. Al het andere moet uit eigen kracht verkregen worden. (Dahlke p. 887 noot 70).

[32] Zich in oplettendheid vestigen: de weg die naar het juiste inzicht leidt en toont dat ik geen atta, geen ik-zelf ben maar dat ik an-atta, vrij van een zelf ben. (Dahlke p. 888 noot 71). Voor meditatie over oplettendheid, zie: De vier grondslagen van oplettendheid

[33] De leer van de Boeddha wordt later aangewezen als enige autoriteit. Die leer richt zich tot de enkeling, niet tot de gemeenschap. Het feit dat een minister de Boeddha om politieke raad komt vragen, en dat de Boeddha zijn antwoord daarna ten nutte van de monnikengemeenschap aanwendt, laat vermoeden dat de monniken hier reeds aangespoord worden om in de wereld samen te leven. (Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. 1980, p. 42-43).

[34] Commentaar: Er zijn monniken die graag de hele dag bezig zijn met kleine werkzaamheden zoals het maken van gewaden, een tas om de bedelnap in te dragen, een leestafeltje, e.d. Sommige monniken brengen de hele dag ermee door zoiets te doen. Dit is niet goed. Maar als men zulke bezigheden verricht op de juiste tijd, dan is er geen bezwaar. (An 2003, p. 30-31).

[35] Commentaar: Monniken zouden alleen moeten praten over de leer of anders zwijgen. (An 2003, p. 32).

[36] Halverwege: zolang als zij nog niet arahantschap bereikt hebben. (An 2003, p. 33).

[37] Dahlke vertaalde: na het bereiken van minderwaardige voordelen. (Dahlke p. 136). Minderwaardig, oramattika, tot deze lage wereld behorend. (Dahlke p. 888 noot 72).

[38] Schaamte is gemotiveerd door zelfrespect en is inwaarts gericht.         

[39] Morele vrees is naar buiten gericht; het is vrees voor gevolgen zoals berisping, slechte reputatie, straf.         

[40] Commentaar: Zolang als zij grote kennis hebben van de suttas. (An 2003, p. 35-36).

[41] Volgens Buddhaghosa zijn hiermee bedoeld monniken die zich herinneren wat lang geleden door hen gedaan is. Sati heeft twee verschillende functies: meditatieve oplettendheid en een goed geheugen. Het laatste zou volgens hem hier van toepassing zijn. (An 2003, p. 37 noot 1).

[42] Oplettendheid: Men moet steeds oplettend zijn bij alle daden, zowel geestelijke, mondelinge en schriftelijke of lichamelijke activiteiten. Oplettendheid is hoger dan geleerdheid. Want zonder oplettendheid is men niet in staat om het geleerde in de praktijk te brengen. Ook is men dan niet in staat om slechte gedachten te verdrijven en om ze te vervangen door goede.

[43] Het onderzoeken van de verschijnselen is het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Al wat samengesteld is, valt weer uiteen, verandert. Het is zonder zelfstandigheid. Alles is aan voorwaarden gebonden.

[44] Energie is een geestelijke eigenschap. Iedereen moet zelf streven naar zijn of haar eigen bevrijding. Anderen kunnen daarbij wel een hulp zijn, maar de uiteindelijke vrijheid van leed, van het onvoldane moet door ieder zelf bewerkstelligd worden. - Energie heeft vier functies: (a) het kwade dat al in de geest is ontstaan, uit te roeien; (b) het kwade dat nog niet is ontstaan, te voorkomen; (c) het goede dat nog niet is ontstaan, te ontwikkelen; (d) het goede dat al is ontstaan, verder te ontplooien.

[45] pīti wordt soms ook vertaald met: geluk (sukkha). Maar pīti is geen gevoel, het is vreugdevolle belangstelling, enthousiasme.

[46] De factor van kalmte is tweevoudig: (a) kalmte van de geestelijke factoren van gevoelens, waarneming en willen; (b) kalmte van de geest, van bewustzijn. - Met een onrustige geest kan concentratie niet met succes beoefend worden. Het is moeilijk ook onder ongunstige omstandigheden kalm van geest te blijven.

[47] Concentratie is een noodzakelijke basis voor inzicht en wel door het zuiveren van de geest van de mentale hindernissen. De geest wordt op één punt gericht en zwerft niet meer rond. Wanneer de geest kalm is, wordt ze krachtig. En ze ziet dan de dingen zoals ze werkelijk zijn. De geest kan iemand ziek maken; maar ze kan ook iemand gezond laten blijven. Iemand met een optimistische geest heeft meer kans om beter te worden dan een patiënt die (over)bezorgd is en ongelukkig. (Piyadassi Thera (tr.) The Book of Protection, Paritta. Colombo 1975, p. 11-17).

[48] Gelijkmoedigheid is een ethische eigenschap en moet niet verward worden met onverschilligheid. Het is evenwicht van de geest. Gelijkmoedigheid is een gevolg van een kalme geconcentreerde geest. Men wordt niet meer geraakt door geluk noch door pijn, omdat men verlangen heeft opgegeven.         

[49] Wanneer deze zeven factoren goed ontwikkeld worden, leiden ze naar nibbāna, volmaakte wijsheid.

[50] Waarneming van niet-zelf: anatta-sañña. Het is het inzicht dat het ‘ik’ geen met een ziel begiftigd zelfstandig iets is, maar een proces van individuele verbranding welk proces plaats heeft op grond van de levensdorst (tanha).

[51] sankhitta, 'samengetrokken'. Commentaar: Dit heeft betrekking op mentale starheid en slapheid. Vergelijk de beschouwing van de geest in het Satipatthāna Sutta.

[52] Commentaar: Gevoel en de beide andere begrippen worden hier vermeld als 'wortels van de werelduitbreiding' (papañca-mūla). Gevoel is een wortel van het verlangen (tanhā) omdat namelijk door aangenaam gevoel verlangen ontstaat. Waarneming is een wortel van de valse opvattingen (ditthi) omdat deze namelijk ontstaan door onduidelijke waarneming van een object. Verkeerde gedachten zijn een wortel van de eigenwaan (māna) die door de ik-gedachte ontstaat.

[53] niddaso bhikkhu; zie A.VII.18 met voetnoot.

[54] zie A.VII.18 met voetnoot.

[55] vgl. A.VII.3.

[56] viññānatthitiyo

[57] Dit heeft betrekking op hun bewustzijns-consistentie. Commentaar: De waarneming verbonden met het wedergeboorte-bewustzijn ervan.

[58] D.i., de zes hemelse wezens die tot de zinnelijke sfeer (kāmāvacara) behoren.

[59] pathamābhinibbattā; dat wil zeggen, het kamma dat hun wedergeboorte veroorzaakt, is dat van de eerste verdieping. Tot de goden van de Brahma-wereld behoren de volgende hemelse wezens: het 'gevolg van Brahma' (brahma-pārisajja), de 'ministers van Brahma' (brahma-purohita) en de 'grote Brahmas' (mahā-brahmāno). Van de mate van de intensiteit van de door hen bereikte eerste verdieping hangt hun verscheidenheid in grootte, gestalte en levenstijd van hun etherische lichamelijkheid af. Hun aard van waarneming echter, die overeenkomt met de eerste verdieping, is bij hen identiek.

[60] ābhassarā devā. Hun bewustzijnsniveau kan de tweede of derde verdieping zijn, en wel volgens de indeling in vijf van de Abhidhamma. Volgens deze indeling is in de tweede verdieping nog het verdiepings-element 'superieur' (vicāra) aanwezig, dat pas verdwijnt in de derde verdieping; dit resulteert in een verscheidenheid van de waarneming.

[61] subhakinhā. Hun bewustzijnsniveau is de vierde verdieping, waarin hun uniforme waarneming bestaat.

[62] De vijfde, zesde en zevende bewustzijns-sfeer bestaat in de eerste drie van de vier onstoffelijke werelden (arūpa-loka), die overeenkomen met de betreffende niveaus van verdieping. De vierde, het 'gebied van noch waarneming noch niet waarneming', wordt niet gerekend tot de 'sferen van bewustzijn', aangezien daar het bewustzijn, en daarmee ook de waarneming, bijna tot niet-bestaan gereduceerd is.

[63] samādhi-parikkhāra. Hier is de 'edele concentratie' (ariya-samādhi) bedoeld die verbonden is met een van de vier hoge paden (van heiligheid).

[64] Commentaar: lokacittesu; 'voor de kleurrijke diversiteit, de bonte veelvuldigheid van de wereld'.

[65] Volgens het commentaar dacht de brahmaan daarbij eraan dat de Boeddha in zijn jeugd een gehuwd leven had geleid.

[66] In Avanti, het huidige Ujjain. Volgens het commentaar was de Boeddha zelf van plan naar het veraf gelegen Dakkhinagiri te gaan, maar zag er vanaf op verzoek van een slavin van Anāthapindika, genaamd Punnā, om zijn aanwezigheid niet te onttrekken aan de lekenvolgelingen van Sāvatthī. Punnā kreeg als beloning de vrijheid, werd non en bereikte de heiligheid. 

[67] Het commentaar zegt dat ze zich uit de verdieping had verheven waarin zij een deel van de nacht had doorgebracht.

[68] Het Parāyana Vagga van de Sutta-Nipāta. Commentaar: "Ze droeg de Parāyana Sutta bestaande uit 250 verzen voor met een melodieuze stem." De tekst die wij thans hebben, heeft slechts 174 verzen (zie Sn.V).

[69] Vessavana is de Heer van het Noorden in de hemel van de Vier Grote Koningen (cātummahārājā).

[70] Volgens het commentaar was hij zelf een Sotāpanna en noemde zich daarom broer van Nandamātā die de niet-wederkeer (anāgāmitā) had bereikt.

[71] Commentaar: Nadat hij 1250 vaten met rode rijstkorrels had gevuld en het besluit had genomen dat die niet leeg zouden worden zolang de lekenvolgelinge leefde, vertrok hij.

[72] Dit is een van de zelden voorkomende plaatsen in de Sutta Pitaka, waarin sprake is van de thans in alle boeddhistische landen zeer verbreide gewoonte van 'het overdragen van morele verdiensten' (patti-dāna), die men zelf door goede daad heeft verkregen.

[73] purisa-gatiyo; Commentaar: paden van inzicht. - Ze bestaan in de verschillende niveaus van inzicht, die eigen zijn aan de vijf soorten van de niet-wederkerende. De eerste van deze soorten wordt, zoals in de gelijkenissen aangeduid, driemaal gevarieerd, zodat er zeven paden van inzicht zijn. Zie A.III.88-89.

[74] No c'assa no ca me siyā o na bhavissati na me bhavissati o yad atthi yam bhūtam tam pajahāmi'ti. Commentaar: "Als er in de vroegere bestaansvorm geen (wedergeboorte) voortbrengend kamma was geweest, dan zou mijn huidige bestaansvorm niet bestaan. Als ik nu geen wedergeboorte voortbrengend kamma zal produceren dat een toekomstige bestaansvorm schept, dan zal mij in de toekomst geen bestaan meer te wachten staan." Zie als belangrijke toevoegingen aan onze tekst