Facetten van het Boeddhisme


naar index   of   naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.6. Anguttara Nikaya, Chakka-nipata; het boek van zes.
 

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



indeling         inleiding


Anguttara Nikaya  

Chakka-Nipāta

Het boek van zes

Indeling

Het Chakka-Nipāta, het boek van zes van de Anguttara Nikaya, is verdeeld in 12 hoofdstukken. In totaal zijn er 140 suttas in dit boek.

Hoofdstuk 1: Ahuneyya-vagga

A.VI.1-4 De monnik die eer waard is I-IV

A.VI.5-7 Het standhaftige paard I-III

A.VI.8 Onovertrefbare goederen

A.VI.9 De zes overwegingen I

A.VI.10 De zes overwegingen II

Hoofdstuk 2: Sāranīya-vagga

A.VI.11-12 Zes dingen die de monnik in acht moet nemen I-II

A.VI.13 De zes elementen van ontkomen

A.VI.14-15 Slechte en goede dood I-II

A.VI.16 De vrouw als raadgeefster van de man

A.VI.18 De dieren- en mensendoder

A.VI.19 Het beschouwen van de dood I

A.VI.20 Het beschouwen van de dood II

Hoofdstuk 3: Anuttariya-vagga

A.VI.23 De ellende van de zinnelijke lusten

A.VI.24 De macht van concentratie

A.VI.25 Zuivering door de zes overwegingen

A.VI.26 Middelen naar de bevrijding

A.VI.29 Zes gebieden waar men aan moet denken

A.VI.30 Onovertroffen

Hoofdstuk 4: Devatā-vagga

A.VI.32-33 Zes bevorderlijke dingen I-II

A.VI.34 Hemelse in de stroom getredenen

A.VI.35 Overwegingen leidende naar weten

A.VI.37 Zes voordelen bij het geven van aalmoezen

A.VI.38 Eigen en vreemde daad

A.VI.39 Zes redenen van ontstaan van daden

A.VI.40 De duur van de leer

A.VI.41 De boomstam [de elementen]

A.VI.42 Nāgita

Hoofdstuk 5: Dhammika-vagga

A.VI.43 De edele Naga [eerbetoon aan de Boeddha]

A.VI.44 Oordeel niet over de mensen

A.VI.45 Armoede

A.VI.47 De zichtbare leer I

A.VI.48 De zichtbare leer II

A.VI.50 Het een gebaseerd op het andere

A.VI.51 Hoe verkrijgt men kennis?

A.VI.53 Ijver

A.VI.54 Het lot van de slechte mens

Hoofdstuk 6: Mahā-vagga

A.VI.55 De gelijkenis van de luit

A.VI.56 De dood van Phagguna; voordelen van het luisteren naar de leer

A.VI.57 Pūrana Kassapa en de zes soorten mensen

A.VI.58 De opdroging van alle neigingen

A.VI.59 De kieskeurige aalmoezengever

A.VI.60 Citta, de zoon van de olifanten-drijver

A.VI.61 De naaister ‘begeerte’

A.VI.62 Het inzicht van de Volmaakte van de menselijke vaardigheden

A.VI.63 De doordringende uiteenzetting

A.VI.64 De zes krachten van de Volmaakte

Hoofdstuk 7: Devatā-vagga

A.VI.65 De niet-wederkeer

A.VI.66 De heiligheid

A.VI.67 Het een uit het andere I

A.VI.68 Het een uit het andere II

A.VI.69 Zes bevorderlijke eigenschappen

A.VI.70 De zes hogere geestelijke krachten

A.VI.71 Het vermogen van het verwerkelijken

A.VI.72 Vastheid in de concentratie

A.VI.73 Het bereiken van de eerste verdieping I

A.VI.74 Het bereiken van de eerste verdieping II

Hoofdstuk 8: Arahatta-vagga

A.VI.75 Twee soorten einde

A.VI.76 Verwerkelijking van de heiligheid

A.VI.77 Verwerkelijking van het hoogste inzicht

A.VI.78 De middelen tot opdroging van de neigingen

A.VI.79 Het verwerven van het goede

A.VI.80 Geestelijke macht

A.VI.81-82 Hel en hemel 

A.VI.83 Het bereiken van heiligheid

A.VI.84 Achteruitgang en vooruitgang

Hoofdstuk 9: Sīti-vagga

A.VI.85 De uitdoving

A.VI.86 Het pad van zekerheid I

A.VI.87 Het pad van zekerheid II

A.VI.88 Het pad van zekerheid III

A.VI.89-91 Meesterschap in inzicht I-III

A.VI.92-95 Zes onmogelijkheden I-IV

Hoofdstuk 10: Ānisaṃsa-vagga

A.VI.96 Zes zeldzaamheden

A.VI.97 Voordelen van stroomintrede

A.VI.98 Overtuiging overeenkomstig de leer I

A.VI.99 Overtuiging overeenkomstig de leer II

A.VI.100 Overtuiging overeenkomstig de leer III

A.VI.101 Overtuiging overeenkomstig de leer IV

A.VI.102 Onbeperkte voorstelling van de vergankelijkheid

A.VI.103 Onbeperkte voorstelling van dukkha, het lijden

A.VI.104 Onbeperkte voorstelling van de onpersoonlijkheid  [anatta]

A.VI.105 Het einde van lijden I

A.VI.106 Het einde van lijden II

Hoofdstuk 11: Tika-vagga

A.VI.107-116 Te overwinnen en te ontplooien

Hoofdstuk 12: Sāmañña-vagga

A.VI.117 Hindernissen bij de contemplatie over het lichaam

A.VI.118 Hindernissen bij de oefening van oplettendheid

A.VI.119-139 Edele lekenvolgelingen

A.VI.140 Reeks overwegingen

Inleiding

          Het Chakka-Nipāta gaat vooral over onderwerpen betreffende de monnik. De zesvoudige plicht van een monnik: afzien van (kamma-producerende) daden, woordentwisten, slaap en gezelschap, nederigheid en omgang met de wijze. 

Hoofdstuk 1. Ahuneyya Vagga

A.VI.1-4. De monnik die eer waard is I-IV - Pathama-, Dutiya-ahuneyya, Indriya, Bala sutta

        Wanneer de monnik van zes eigenschappen is voorzien, dan is hij offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard met eerbied gegroet te worden, en is het beste veld in de wereld voor goede daden. Die zes eigenschappen zijn:

(1) beteugeling van de zintuigen.

(2) De hogere geestelijke krachten.

(3-6) De vaardigheden en krachten samengaande met de uitdroging van de neigingen.

ad 1). Ziet de monnik met het oog een vorm, hoort hij met het oor een geluid, ruikt hij met de neus een geur, proeft hij met de tong een smaak, voelt hij met het lichaam een aanraking, onderkent hij met de geest een gedachte, dan wordt hij noch blij gestemd, noch ontstemd; gelijkmoedig vertoeft hij, oplettend en helder bewust.[2]

Ad 2) Hij verheugt zich over de verschillende soorten magische krachten. Van één wordt hij veel, en uit veelvuldig weer één […][3] Met het hemelse oor, het zuivere, bovennatuurlijke,verneemt hij beide soorten geluiden, de hemelse en de menselijke, of veraf of nabij. Hij onderkent de gezindheid van andere wezens, van andere personen; hij doordringt ze met zijn geest. Hij herinnert zich aan de veelvuldige vroegere vormen van bestaan, zoals aan één leven, twee levens (etc). Met het hemelse oog, het zuivere, bovennatuurlijke, ziet hij de wezens heengaan en weer verschijnen […] Door uitdroging van de neigingen komt hij nog tijdens zijn leven in het bezit van de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende.[4]

Ad (3-6). Uitgerust met de vaardigheden en krachten van vertrouwen, van willen, oplettendheid, concentratie en wijsheid; en door uitdroging van de neigingen komt hij reeds in dit leven in het bezit van de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende.

        Als de monnik met deze zes eigenschappen is uitgerust, is hij offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is het beste veld in de wereld voor goede daden.

A. VI.5-7. Het standhaftige paard I-III – Pathama-, Dutiya-, Tatiya-âjânîya sutta

        

        Het edele paard van de koning dat zes eigenschappen heeft, is waard voor de dienst bij de koning. Die eigenschappen zijn: het is standhaftig bij vormen, standhaftig bij geluiden, standhaftig bij geuren, standhaftig bij smaken, standhaftig bij aanrakingen, en het is van volmaakte bouw.

        (Als verdere eigenschap heeft tekst 6: het is van volmaakte kracht; en tekst 7: het is van volmaakte snelheid).

        Evenzo is de monnik die met zes eigenschappen is uitgerust, offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is het beste veld in de wereld voor goede daden. Die zes eigenschappen zijn: Hij is standhaftig bij vormen, standhaftig bij geluiden, standhaftig bij geuren, standhaftig bij het proeven van smaken, standhaftig bij aanrakingen en standhaftig bij de objecten van de geest.

A.VI.8. Onovertrefbare goederen

vgl.  A.VI.30; en A.I.22.

A.VI.9. De zes overwegingen I - Anussatitthana sutta

        Er zijn zes onderwerpen van overweging, namelijk:

1. De overweging over de Verlichte,

2. De overweging over de leer,

3. De overweging over de gemeenschap van de monniken,

4. De overweging over deugdzaamheid,

5. De overweging over vrijgevigheid,

6. De overweging over de godheden.

        Deze overwegingen worden in de volgende leerrede uitgelegd.

A.VI.10. De zes overwegingen II - Mahanama sutta

        Eens vertoefde de Verhevene in het vijgenbosje bij Kapilavatthu in het land van de Sakyers. De Sakyer Mahanama (een Sakyer-vorst en oom van de Boeddha) kwam naar de Verhevene, groette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. Hij vroeg toen:

        "Heer, wie als edele volgeling succes heeft en de leer begrepen heeft, in welke toestand vertoeft zo iemand vaak?"

        "Mahanama, zo’n edele volgeling vertoeft vaak in de volgende toestand:

        De edele volgeling denkt aan de Volmaakte aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        Wanneer de edele volgeling aan de Volmaakte denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Volmaakte is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de Verlichte.

        Verder denkt een edele volgeling aan de leer: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

        Wanneer de edele volgeling aan de leer denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de leer is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de leer.

        Verder denkt een edele volgeling aan de gemeenschap van de Orde: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

        Wanneer de edele volgeling aan de Orde denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Orde is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de Orde.

        Verder denkt de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid die ongebroken is, niet gekwetst, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend, door wijzen geprezen, niet beïnvloedbaar en die de geestelijke concentratie bevordert.

        Wanneer de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de deugdzaamheid is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over eigen deugdzaamheid.

        Verder denkt de edele volgeling aan eigen vrijgevigheid: ‘Goed heb ik het getroffen dat ik temidden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'

        Wanneer de edele volgeling aan de vrijgevigheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de vrijgevigheid is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over de vrijgevigheid.

        Verder denkt de edele volgeling aan de godheden: ‘Er zijn de Vier Grote Koningen, er zijn de goden van de Drieëndertig, er zijn de Yama-goden (de gelukzalige goden), er zijn de tevreden goden (in de Tusita-hemel), er zijn de goden die graag scheppen, er zijn de goden die heersen over de scheppingen van anderen, er zijn de goden in de wereld van Brahmā, en er zijn goden in sferen hoger dan deze.

        Die goden hadden zo’n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zo’n vertrouwen is ook in mij aanwezig.

        Die goden waren deugdzaam, edelmoedig en vrijgevig, zij waren leergierig en hadden begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.'

        Wanneer de edele volgeling aan de goden denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de goden is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de overweging over goden.

        Wie als edele volgeling succes heeft en de leer heeft begrepen, die vertoeft vaak in deze toestand.[5]

2. Hoofdstuk 2: sāranīya-vagga

A.VI.11-12. Zes dingen die de monnik in acht moet nemen

sāranīyā dhammā, ook in D.16 (1e deel); en M.48.

A.VI.13. De zes elementen van ontkomen. -  Nissâranîya sutta

        Er zijn zes elementen van het ontkomen,[6] namelijk:

        1. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende liefdevolle vriendelijkheid (metta) heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan door haat geboeid is. Want de gemoed bevrijdende goedheid bestaat immers uit het ontkomen aan haat.

        2. Het is niet mogelijk dat bij iemand die het gemoed bevrijdende mededogen heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan geboeid wordt door vijandigheid. Want in het ontkomen aan vijandigheid bestaat immers het gemoed bevrijdende mededogen.

        3. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende medevreugde heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest dan door ontevredenheid of tegenzin[7] geboeid is. Want uit het ontkomen aan ontevredenheid en tegenzin bestaat immers de gemoed bevrijdende medevreugde.

        4. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, de geest door begeerte geboeid is. Want in het ontkomen aan de begeerte bestaat immers de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid.[8]

        5. Het is niet mogelijk dat bij iemand die de gemoed bevrijding zonder voorwaarden[9] heeft ontplooid, ze vaak heeft geoefend, tot leidraad en basis heeft genomen, ze uitgeoefend, vermeerderd en tot volmaaktheid heeft gebracht, het bewustzijn dan toch nog de voorstellingen van oorzakelijkheid navolgt. Want in het ontkomen aan alle voorstellingen van oorzakelijkheid bestaat immers de voorwaardeloze gemoed bevrijding.

        6. Het is niet mogelijk dat bij iemand in wie de ik-gedachte verdwenen is en die niet meer de mening heeft ‘dit ben ik’, toch nog door de borende twijfel en onzekerheid de geest geboeid gehouden wordt. Want in het ontkomen aan borende twijfel en onzekerheid bestaat immers de vernietiging van de ik-waan.

        Deze zes elementen van ontkomen zijn er.

Met andere woorden:

        Het is niet mogelijk dat bij iemand de geest geboeid blijft door afkeer, als hij de bevrijding van het gemoed door het overdenken van metta, liefdevolle vriendelijkheid, ontplooit, vaak oefent. Want de gemoed-bevrijdende vriendelijkheid bestaat in het ontgaan van afkeer.

        Het is niet mogelijk dat bij iemand die mededogen ontplooit, vaak oefent, de geest geboeid blijft door vijandschap. Want het gemoed-bevrijdende mededogen bestaat in het ontgaan van vijandschap.

        Het is niet mogelijk dat bij iemand die medevreugde ontplooit, vaak oefent, de geest geboeid wordt door ongenoegen. Want de gemoed-bevrijdende medevreugde bestaat in het ontgaan van ongenoegen.

        Het is niet mogelijk dat bij iemand die gelijkmoedigheid ontplooit, vaak oefent, de geest door begeerte geboeid wordt. Want in het ontgaan van begeerde bestaat de gemoed-bevrijdende gelijkmoedigheid.

A.VI.14-15. Slechte en goede dood I-II

De eerwaarde Sāriputta zei: “Broeders, daar leidt een monnik zo'n leven dat hem daardoor geen goede dood, geen goed einde te wachten staat. En op welke manier?

Broeders, daar vindt een monnik behagen en vreugde aan lichamelijke bezigheden, is eraan toegewijd. Hij vindt behagen en vreugde aan praten - aan slapen - aan gezelschap.[10] Hij vindt behagen en vreugde aan vertrouwelijke omgang met leken. Hij vindt behagen en vreugde aan het wereldlijke, is toegewijd aan de vreugde aan het wereldlijke.

        In zoverre leidt een monnik zo'n leven dat hem daardoor geen goede dood, geen goed einde te wachten staat.

Broeders, van deze monnik zegt men dat hij aan de persoonlijkheidsformatie (sakkāyābhirato) zijn vreugde heeft; hij heeft de persoonlijkheidsformatie niet overwonnen, om zo aan het lijden een volledig einde te maken.

Broeders, daar leidt een monnik zo'n leven dat hem daardoor een goede dood, een goed einde te wachten staat. En op welke manier?

Broeders, daar vindt een monnik geen behagen, geen vreugde aan lichamelijke bezigheden, is niet eraan toegewijd. Hij vindt geen behagen, geen vreugde aan praten - aan slapen - aan gezelschap - aan vertrouwelijke omgang met leken. Hij vindt geen behagen, geen vreugde aan het wereldlijke, is niet toegewijd aan de vreugde aan het wereldlijke.

        In zoverre leidt een monnik zo'n leven dat hem daardoor een goede dood, een goed einde te wachten staat.

Broeders, van deze monnik zegt men dat hij aan Nibbana zijn vreugde heeft; hij heeft de persoonlijkheidsformatie overwonnen, om zo aan het lijden een volledig einde te maken.

Wie zich overgeeft aan de wereldlijkheid,

de wereld begeert, zoals het geile wild,

heeft het nibbana verbeurd

en de hoogste veiligheid.

Wie, van alle wereldlijkheid ontrukt,

door het aan de wereld ontrukte oord gelukkig gemaakt wordt,

die heeft Nibbāna verworven

en de allerhoogste veiligheid.[11]

A.VI.16. De vrouw als raadgeefster van de man. -  Nakulapitu sutta

Eens vertoefde de Verhevene in het land van de Bhaggers, bij Sumsumâragira, in het wildpark van het Bhesakalâ-bos. In die tijd werd huisvader Nakulapitâ erg ziek. Zijn vrouw Nakulamâtâ zei toen tot hem:

“Moge je niet vol zorgen sterven. Want vol kwalen sterft men als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt. Misschien denk je dat ik na je dood niet in staat ben om de kinderen te voeden en het huishouden te voeren. Maar zoiets mag je niet denken. Want ik kan katoen spinnen en wol verwerken,[12] en daardoor ben ik goed in staat om voor de kinderen te zorgen en het huishouden te voeren. Moge jij daarom niet vol zorgen sterven.

        Maar misschien denk je dat ik na je dood een andere man zal nemen. Dat moet je niet geloven. Want zowel jij als ik hebben sedert 16 jaren als echtelieden de kuise levensweg op ons genomen. Moge je daarom niet vol zorgen sterven. Want men sterft vol kwalen als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt.

        Maar misschien denk je dat ik na je dood geen verlangen meer heb om de Verhevene en de gemeenschap van de monniken op te zoeken. Dat mag je niet geloven. Want na je dood zal ik nog begeriger zijn om de Verhevene op te zoeken en de gemeenschap van de monniken. Moge je daarom niet vol zorgen sterven. Vol kwalen sterft men als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt.

        Maar misschien denk je dat ik na je dood niet meer de regels van deugdzaamheid vervul. Dat mag je echter niet geloven. Want onder de vrouwelijke lekenvolgelingen ben ik iemand die de regels van deugdzaamheid vervult. Wie daarover twijfel of onzekerheid heeft, die moge naar de Verhevene gaan en hem vragen. Moge je daarom niet vol zorgen sterven. Vol kwalen sterft men als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt.

        Maar misschien denk je dat ik nog niet de innerlijke rust van de geest heb bereikt. Dat mag je echter niet geloven. Want onder de vrouwelijke lekenvolgelingen ben ik iemand die de innerlijke rust van de geest heeft bereikt. Wie daarover twijfel of onzekerheid heeft, die moge naar de Verhevene gaan en hem vragen. Moge je daarom niet vol zorgen sterven. Vol kwalen sterft men als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt.

        Maar misschien denk je dat ik in deze leer en discipline nog geen vaste voet heb gevat, geen steun en troost heb gevonden; dat ik nog niet aan de twijfel en de onzekerheid ontkomen ben, nog geen zelfvertrouwen heb, nog niet onafhankelijk van anderen ben in de leer van de Meester. Dat mag je echter niet geloven. Want onder de vrouwelijke lekenvolgelingen ben ik iemand die aan de twijfel en onzekerheid ontkomen ben en die zelfvertrouwen heeft, onafhankelijk van anderen in de leer van de Meester. Wie daarover twijfel of onzekerheid heeft, die moge naar de Verhevene gaan en hem vragen. Moge je daarom niet vol zorgen sterven. Vol kwalen sterft men als men vol zorgen is. De Verhevene heeft de zorgenvolle dood berispt."

        Toen huisvader Nakulapitâ zo door zijn vrouw Nakulamâtâ vermaand was, verdween zijn ziekte plotseling. Hij stond van zijn ziekbed op en ging, op een stok leunend, naar de Verhevene. Hij groette hem vol eerbied en ging naast hem zitten. De Verhevene zei toen tot Nakulapitâ:

        “Je hebt het goed getroffen dat je in je echtgenote zo’n zorgzame, op je heil bedachte onderwijzeres en vermanerin hebt gevonden. Want zij vervult inderdaad de regels van deugdzaamheid, heeft de innerlijke rust van de geest bereikt, heeft in deze leer en discipline vaste voet gevat en heeft steun en troost gevonden; ze is aan de twijfel en onzekerheid ontkomen en bezit zelfvertrouwen, is onafhankelijk van anderen in de leer van de Meester. Goed heb je het getroffen.“

(Vgl. A.IV.55).

A. VI.18. De dieren- en mensendoder - Macchabandha sutta

        Eens ging de Verhevene met een grote schare monniken door het land van Kosala. En hij zag er hoe een visser de ene na de andere vis dood sloeg en verkocht. De Verhevene boog van de weg af, ging aan de voet van een boom zitten en zei tot de monniken:

        “Zagen jullie hoe die visser de ene na de andere vis dood sloeg en verkocht?” – “ Ja, Heer.”

        “Hebben jullie ooit meegemaakt of ervan gehoord dat een visser die zo handelde, daardoor in staat gesteld werd olifanten, paarden, wagens en voertuigen te houden, zijn bezit te genieten en een groot vermogen te krijgen?” – “ Neen, Heer.”

        “Ook ik heb dat nog nooit meegemaakt noch ervan gehoord. En dat kan ook niet want die visser wacht de vissen op met slechte bedoeling.”

        “Evenzo is het met een slachter van runderen, schapen, varkens, met een vogelvanger, een jager die zijn geschoten wild verkoopt. Ook zij kunnen daardoor niet tot rijkdom komen. En wel omdat hun bedoeling slecht is.

        Met iemand die met slechte bedoeling een mens opwacht om hem te doden, is het nog erger. Dat strekt hem lang tot onheil en lijden. Na de dood komt hij in de lagere wereld, op een lijdensweg, in de afgronden van bestaan, in de hel.”

A.VI.19. Het beschouwen van de dood I.

Vgl. A.VIII.73.

A.VI.20. Het beschouwen van de dood II  

Vgl. A.VIII.74.

Hoofdstuk 3: anuttariya-vagga

A.VI.23. De ellende van de zinnelijke lusten

Monniken, als een gevaar duidt men de zinnelijke lusten aan, als een lijden, een ziekte, een gezwel, een boei, als een moeras.

Maar waarom, monniken, duidt men de zinnelijke lust aan als een gevaar? Ontbrand in zinnelijke begeerte wordt degene die verstrikt is in zijn verlangens niet vrij van de gevaren van het huidige bestaan, wordt hij niet vrij van de gevaren van toekomstig bestaan. Daarom duidt men de zinnelijke lusten aan als een gevaar.

Maar waarom duidt men de zinnelijke lusten aan als een lijden - als een ziekte - als een gezwel - als een boei - als een moeras? Ontbrand in zinnelijke begeerte wordt degene die in zijn verlangens verstrikt is, niet vrij van het lijden - van de ziekte - van het gezwel - van de boei - van het moeras van het huidige bestaan, wordt hij niet vrij van het lijden - van de ziekte - van het gezwel - van de boei - van het moeras van toekomstige bestaan. Daarom duidt men de zinnelijke lusten aan als een lijden - als een ziekte - als een gezwel - als een boei - als een moeras.

Als gevaar, lijden, zwakheid, gezwel,

als boei en als een moeras

duidt men de zinnelijke lusten aan,

waaraan de grote menigte hangt.

Maar wie gevaar ziet in hechten,

de oorsprong van geboorte en dood,

die wordt, geboorte en dood vernietigend,

zonder hechten van elke waan bevrijd.

De veiligen, de zaligen,

bij wie al in het leven de waan is uitgedoofd,

zij zijn aan alle kwaad en gevaren,

aan al het lijden ontsnapt.

A.VI.24. De macht van concentratie

Wanneer de monnik uitgerust is met zes eigenschappen, dan is hij in staat om de Himālaya, de koning van de bergen, in stukken te laten springen, om nog maar te zwijgen van de algemene onwetendheid[13]. Wat zijn deze zes kenmerken?

Daar, monniken, heeft de monnik verstand van het intreden in de concentratie, van het vertoeven in de concentratie, van het uittreden uit de concentratie, van de veredeling van de concentratie,[14] van de objecten van de concentratie[15] en van de verhoging van de concentratie.[16]

Uitgerust met deze zes eigenschappen, monniken, is de monnik in staat om de Himālaya, de koning van de bergen, in stukken te laten springen, om nog maar te zwijgen van de algemene onwetendheid.

A.VI.25. Zuivering door de zes overwegingen - Anussatitthâna sutta

        Monniken, er zijn zes onderwerpen van overweging, namelijk: het denken aan de Volmaakte, aan de leer, aan de gemeenschap van de [heilige] monniken, aan de eigen deugdzaamheid, de eigen vrijgevigheid en aan de godheden.

        Op die tijd wanneer men daarover nadenkt, is de geest noch door begeerte omsponnen, noch door haat noch door onwetendheid. Juist gericht is de geest dan, vrij van begeerte. De begeerte is een aanduiding van de vijf lusten der zinnen. Maar daardoor dat zij die voorstellingen koesteren, worden veel wezens gezuiverd.[17]

A.VI.26.  Middelen naar de bevrijding

De eerwaarde Mahā-Kaccana zei:' Het is wonderbaarlijk, broeders, het is verbazingwekkend, broeders, hoe daar de Verhevene, de kenner, de ziener, de heilige, volmaakt Verlichte, de weg uit de engte naar de open ruimte[18] heeft ingezien, voor de zuivering van de wezens, tot overwinning van zorgen en geweeklaag, tot opheffing van pijn en droefenis, tot het bereiken van het juiste pad en tot verwerkelijking van het nibbana, namelijk de zes voorwerpen van overweging. Welke zes?

Broeders, daar denkt de edele discipel aan de Volmaakte, aan de leer, aan de gemeenschap van de monniken, aan de eigen deugdzaamheid, aan de eigen vrijgevigheid en aan de godheden.

Op een tijd wanneer de edele volgeling daarover nadenkt, is de geest noch door begeerte omsponnen, noch door haat noch door onwetendheid. Juist gericht is zijn geest dan, ontkomen aan, vrij van, ontheven van begeerte. Broeders, de begeerte is een aanduiding van de vijf lusten der zinnen. Die edele volgeling nu vertoeft dan met een geest die geheel en al lijkt op de ruimte, een verre, hoge, grenzeloze geest, vrij van elke haat en wrok. Daardoor nu dat zij deze voorstellingen koesteren, worden heel veel wezens deelachtig aan de zuivering.

A.VI.29. Udâyî Sutta - Zes gebieden waaraan men moet denken - [jhanas; contemplaties]

De Verhevene wendde zich tot de eerwaarde Udāyi en vroeg hem:"Hoeveel gebieden om zich te binnen te brengen[19] zijn er, Udāyi?" Bij deze woorden bleef de eerwaarde Udāyi zwijgen. Maar de Gezegende stelde hem deze vraag een tweede en een derde keer. En voor de tweede en derde keer bleef de eerbiedwaardige Udāyi zwijgen. Toen zei de eerwaarde Ananda tegen de eerwaarde Udāyi: "'De Meester, broeder Udāyi, spreekt tot jou."

"Broeder Ananda, ik heb de Verhevene wel goed gehoord. Daar, Heer, herinnert een monnik zich aan menige vroegere vorm van bestaan. . . inclusief hun speciale kenmerken, hun speciale kentekenen."

De Verhevene nu zei tegen Ananda: "Ik wist het wel, Ananda, dat deze Udāyi[20] niet toegewijd is aan de hogere discipline van de geest. Ananda, hoeveel gebieden om zich te binnen te brengen zijn er wel?"

"Heer, daar verkrijgt de monnik, helemaal afgezonderd van de zinnen-dingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest. . . de eerste, tweede en derde verdieping. Dit gebied van zich te binnen brengen, Heer, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot tegenwoordig welzijn.

Verder, Heer, overweegt de monnik de voorstelling van het licht, hecht zijn geest aan die voorstelling van de dag [het daglicht], zowel overdag als 's nachts, zowel 's nachts als overdag. Zo ontvouwt hij met een waakzame, onbezoedelde geest een door heiligheid vervulde bewustzijnstoestand. Dit gebied van zich te binnen brengen, Heer, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot het verwerven van de blik van inzicht.[21]

Verder, Heer, beschouwt de monnik dit lichaam, vanaf de voetzool opwaarts en vanaf de bovenkant van het haar neerwaarts, het lichaam door de huid omgrensd, met allerlei afval opgevuld, namelijk: 'Er zijn aan dit lichaam hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, darmen, ingewanden, maaginhoud, ontlasting, hersenen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, snot, gewrichtsolie en urine.'

Dit gebied van zich te binnen brengen, Heer, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot het overwinnen van de zinnelijke lust.

Verder, Heer: alsof de monnik een lijk zag dat op het lijkveld was gegooid, één, twee of drie dagen na de dood, opgezwollen, blauw verkleurd, vol etter; dan concludeert hij over zijn eigen lichaam: 'Ook dit lichaam heeft een dergelijke bestemming, een dergelijk lot, kan er niet aan ontsnappen.' - Of: alsof hij een lijk zag dat op het lijkveld was gegooid, zoals het door kraaien, zeearenden, gieren, honden, jakhalzen of door allerlei soorten wormen wordt opgegeten; dan concludeert hij over zijn eigen lichaam: 'Ook dit lichaam heeft een dergelijke bestemming, een dergelijk lot, het kan er niet aan ontsnappen.'' - Of: alsof hij een lichaam zag dat op het lijkveld was gegooid: een skelet dat bij elkaar wordt gehouden door pezen, waaraan nog vlees en bloed plakken. . . een skelet dat bij elkaar wordt gehouden door pezen, bevlekt met bloed en zonder vlees . . . botten, van de pezen losgemaakt en in alle richtingen verspreid: hier een handbot, daar een voetbot, daar een beenbot, daar een dijbeen, daar een heupbeen, daar de ruggengraat, daar de schedelplaat; . . . gebleekte botten, schelpachtig. . . botten in grote aantallen, na verloop van vele jaren. . . botten, verdord, tot stof uiteen gevallen; dan concludeert de monnik over zijn eigen lichaam: 'Ook dit lichaam heeft een dergelijke bestemming, een dergelijk lot, kan er niet aan ontsnappen.' Dit gebied van zich te binnen brengen, Heer, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot de vernietiging van de ik-waan.

Verder, Heer: na het verdwijnen van aangenaam gevoel en pijn en het al eerder uitdoven van blijdschap en droefenis, verkrijgt de monnik de vierde verdieping, waarin geen lijden en geen vreugde is, bestaande in de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en oplettendheid. Dit gebied van zich te binnen brengen, Heer, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot het doordringen van de veelvuldige elementen.[22]

Heer, dat zijn de vijf gebieden van zich te binnen brengen.”

"Goed zo, Ananda, goed zo. Dan moge jij nog dit zesde gebied van zich te binnen brengen onthouden: Daar gaat de monnik met een heldere geest vooruit; met een heldere geest komt hij terug; met een heldere geest blijft hij staan; met een heldere geest gaat hij zitten; met een heldere geest gaat hij liggen; met een heldere geest wendt hij zich tot zijn werk. Dit gebied van zich te binnen brengen, Ananda, zodanig ontwikkeld en vaak beoefend, leidt tot opmerkzaamheid en helderheid van weten."

A.VI.30. Onovertroffen

        Zes dingen zijn onovertroffen: 1) Het zien van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste zien. 2) Het horen van de Dhamma van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste horen. 3) Vertrouwen in de Tathāgata of zijn discipelen is het edelste vertrouwen. 4) De hoogste deugd leren, de hoogste geest ontwikkelen, hoogste wijsheid is het edelste leren. 5) Dienstverlening aan de Tathāgata of zijn discipelen is de edelste dienst. 6) Het overwegen van de deugdzaamheden van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste overwegen.

Hoofdstuk 4: devatā-vagga

A.VI.32-33. Zes bevorderlijke dingen

Vgl. A.VII.31-32.

A.VI.34. Hemelse in de stroom getredenen

Vgl. A.VII.53.

A.VI.35. Overwegingen leidende naar weten

Zes dingen, monniken, leiden naar weten. Welke zes? - Het beeld van de vergankelijkheid, het beeld van het lijden bij de vergankelijkheid, het beeld van de ikloosheid bij het lijden, het beeld van het opgeven, het beeld van het vrij zijn van verslaving,

het beeld van de uitdoving.

Deze zes dingen, monniken, leiden naar weten.

A.VI.37. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen - Chalangadâna sutta

        Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Savatthi. De lekenvolgelinge Nantamâtâ uit Velukantaka gaf de gemeenschap van de monniken, met aan het hoofd de eerwaarden Sâriputta en Moggallâna, een van zes voordelen voorziene aalmoezenmaaltijd. De Verhevene zag dit met zijn bovennatuurlijk oog en zei tot de monniken:

        “Zes voordelen heeft deze gave van Nandamâtâ, drie voordelen voor de geefster en drie voor de ontvangers.

De gever is al vóór het geven blijgestemd; tijdens het geven verblijdt zich de geest; na het geven voelt de gever zich tevreden.

        De ontvangers zijn aan de begeerte ontkomen of op weg om aan de begeerte te ontkomen; ze zijn aan de haat ontkomen of op weg om aan de haat te ontkomen; ze zijn aan de onwetendheid ontkomen of op weg om aan de onwetendheid te ontkomen.”

        Moeilijk kan men de verdienste van deze aalmoezengave meten. Het is - net zoals het water van de grote oceaan onmetelijk is - een grenzeloze, onmetelijke verdienste.

        Wanneer men zich vóór het geven verheugt, en blij gestemd is wanneer men geeft, en gelukkig is na het geven, dan is dat geven een winst.

        Degenen bij wie begeerte, haat en onwetendheid en alle neigingen zijn opgedroogd, die zelfbedwongen en kuis zijn, zij zijn het beste veld van de gaven.

        Wie, na zich goed gewassen te hebben, eigenhandig de gave geeft, hem of haar brengt een dergelijke gift in latere tijden hoog loon.

        Wie zo’n goede gave brengt, vrijgevig en vol vertrouwen, een wijs en verstandig mens, die gaat naar de leedloos-zalige wereld.”

A.VI.38. Eigen en vreemde daad

Een brahmaan zei aan de Verhevene:

"Heer Gotama, ik beweer en ben van mening dat er noch een eigen uitwerking is, noch een uitwerking van anderen[23]."

''Moge ik toch, brahmaan, van iemand met een dergelijke mening en dergelijke opvattingen nooit iets zien of horen. Hoe kan men dan, terwijl men toch zelf heen- en weer loopt, beweren dat er noch een eigen uitwerking is noch een uitwerking van anderen? Wat denk je, brahmaan, zijn er zulke eigenschappen als die van weer opstaan[24], van het verder streven, van de krachtige uitvoering, van het doorzettingsvermogen en van de ambitie?" - "Zeker, heer."

"Maar als er nu zulke eigenschappen zijn zoals het weer opstaan en de andere, zijn er dan niet ook wezens aan wie deze eigenschappen eigen zijn?" - "Zeker, heer."  - "Dus als er zulke eigenschappen zijn, brahmaan, en er wezens te vinden zijn aan wie deze eigenschappen eigen zijn, dan is er bij de wezens eigen uitwerking en uitwerking van anderen. Moge ik toch, brahmaan, van iemand met zo'n overtuiging en zulke opvattingen nooit iets zien of horen. Hoe kan men dan, terwijl men toch zelf heen- en weer loopt, beweren dat er noch een eigen uitwerking is noch een uitwerking van anderen?"

        “Heer Gotama, dat is voortreffelijk uitgelegd. Vanaf vandaag kan heer Gotama mij beschouwen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen.”

A.VI.39. Zes redenen van ontstaan van de daden

Er zijn drie redenen voor het ontstaan van de daden, monniken. Welke drie?

Hebzucht is een reden voor het ontstaan van de daden; Haat is een reden voor het ontstaan van de daden; verblinding is een reden voor het ontstaan van de daden.[25]

Monniken, niet ontstaat uit hebzucht het vrij zijn van hebzucht, maar uit hebzucht ontstaat gewoon weer hebzucht.

Niet ontstaat uit haat het vrij zijn van haat, maar uit haat ontstaat gewoon weer haat.

Niet ontstaat uit verblinding de niet-verblinding, maar uit verblinding ontstaat gewoon weer verblinding.

Monniken, niet worden ten gevolge van een daad die uit hebzucht, haat en verblinding is geboren, hemelse wezens of menselijke wezens waarneembaar of een ander soort van gelukkig bestaan; maar ten gevolge van een daad geboren uit hebzucht, haat en verblinding worden de werelden van de hellen waarneembaar, het dierenrijk, het rijk van de geesten of een andere soort van oord van lijden.

Deze drie redenen voor het ontstaan van de daden zijn er.

Monniken, drie verdere redenen voor het ontstaan van de daden zijn er. Welke drie?

Het vrij zijn van hebzucht is een reden voor het ontstaan van de daden; het vrij zijn van haat is  een reden voor het ontstaan van de daden; niet-verblinding is een reden voor het ontstaan van de daden.

Monniken, uit het vrij zijn van hebzucht ontstaat geen hebzucht, maar uit het vrij zijn van hebzucht ontstaat weer vrij zijn van hebzucht.

        Monniken, uit het vrij zijn van haat ontstaat geen haat, maar uit het vrij zijn van haat ontstaat weer vrij zijn van haat.

        Monniken, uit niet-verblinding ontstaat geen verblinding, maar uit niet-verblinding ontstaat weer niet-verblinding. 

Monniken, niet worden ten gevolge van een daad die uit hebzucht-loosheid, haatloosheid en niet-verblinding is geboren, de werelden van de hellen of het rijk van de dieren, het rijk van de geesten waarneembaar of een ander soort van ongelukkig bestaan; maar ten gevolge van een daad geboren uit hebzucht-loosheid, haatloosheid en niet-verblinding worden de werelden van de hemelse wezens waarneembaar, of van menselijke wezens of een andere soort van oord van gelukkig bestaan.

Deze drie redenen voor het ontstaan van de daden zijn er.[26]

A.VI.40. De duur van de goede leer

Gevraagd werd aan de Verhevene wat de oorzaak is wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer niet meer lang blijft bestaan.

Het antwoord van de Verhevene luidde:

"Wanneer de monniken en nonnen, de mannelijke en vrouwelijke leken-discipelen na het heengaan van de Volmaakte geen respect en eerbied hebben voor de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke training, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, dan is dat de reden, dan is dat de oorzaak, wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer niet meer lang blijft bestaan.

Maar wanneer de monniken en nonnen, de mannelijke en vrouwelijke leken-discipelen na het heengaan van de Volmaakte respect en eerbied hebben voor de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke training, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, dan is dat de reden, dan is dat de oorzaak, wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer lang blijft bestaan."[27]

A.VI.41. De boomstam [de elementen]

Eens verbleef de eerwaarde Sāriputta met een grote schare monniken op de Gierepiek te Rājagaha. ‘s Morgens vroeg ging hij met de monniken naar beneden, en zag er een grote boomstam. De eerwaarde Sāriputta vroeg toen: “Broeders, zien jullie die grote boomstam? - “Zeker, broeder.”  

"Wanneer nu, broeders, een monnik met magische krachten, die zijn geest onder controle heeft, het wenste, dan zou hij die boomstam alleen als iets vast kunnen beschouwen (pathavī tveva adhimucceyya). En waarom? Er is, broeders, in die boomstam het vaste element (pathavī-dhātu) ten gevolge waarvan de monnik met magische krachten, die zijn geest onder controle heeft, die boomstam als iets vast kan beschouwen. En als hij dat wenste, dan zou hij die boomstam slechts als iets vloeibaars - iets warms - iets winderigs - iets zuivers - iets onzuivers kunnen beschouwen. En waarom? Er is, broeders, in die boomstam het vloeibare element - het warmte-element - het windelement - het zuivere element - het onzuivere element, ten gevolge waarvan de monnik met magische krachten, die zijn geest onder controle heeft, die boomstam zodanig kan beschouwen."

A.VI.42. Nāgita

vgl. A.V.30  en A.VIII.86

Hoofdstuk 5: dhammika-vagga

A.VI.43. De edele Naga [eerbetoon aan de Boeddha]

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. 's Morgens vroeg kleedde hij zich aan, nam buitengewaad en nap en begaf zich op weg naar Savatthi voor aalmoezen-eten.

Na de rondgang daar en na de maaltijd wendde hij zich na de middag tot de eerwaarde Ananda met de woorden:

        "Ananda, laten wij naar het oostelijke klooster gaan, naar het terrassengebouw van de moeder van Migara,[28] om daar de dag door te brengen." - "Jawel, heer," gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord. En samen met de eerwaarde Ananda ging de Verhevene naar het oostelijke klooster. 's Avonds, nadat de Verhevene zich uit de afzondering verheven had, zei hij aan de eerwaarde Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar de oostelijke badplaats[29] gaan om er onze ledematen af te spoelen." - "Jawel, Heer," gaf de eerwaarde Ananda aan de Verhevene ten antwoord.

        En beiden gingen naar de oostelijke badplaats. Nadat de Verhevene daar zijn ledematen gewassen had en weer uit het water was gekomen, ging hij er - met slechts een enkel gewaad bekleed - staan om de ledematen te laten drogen.

        Op die tijd kwam Seta, de witte olifant van koning Pasenadi van Kosala, onder luide muziek en geluid van trommels van de oostelijke badplaats omhoog. Bij zijn aanblik zeiden de mensen: "Waarlijk, van heerlijke gestalte is de Naga[30] van de koning. Waarlijk bezienswaardig, gracieus, van volmaakte lichaamsbouw is de olifant van de koning." De eerwaarde Udayi[31] zei toen aan de Verhevene: "Noemen de mensen alleen een grote, volwassen, goed gevormde olifant als iets edels, of ook wanneer zij iets anders zien dat groot, volwassen en goed gevormd is?"

        "Udayi, of het nu een grote, volwassen, goed gevormde olifant is die zij zien, of als het een dergelijk paard, rund, slang, een dergelijke boom of een dergelijke mens is die zij zien, zij noemen die allemaal als edel. Maar Udayi, wie in de wereld met haar goden, haar slechte en goede geesten, met haar menigte van asceten en priesters, goden en mensen, niets onedels (na āgu) verricht in daden, woorden en gedachten, die noem ik een edele (nāgo)."[32]

        "Heer, wonderbaarlijk is het, Heer, verbazingwekkend is het hoe de Verhevene zo treffend heeft gezegd dat hij alleen diegene een edele noemt die niets onedels doet. De zo treffend gesproken woorden van de Verhevene wil ik met de volgende verzen mijn instemming betonen.

        Die als een menselijk wezen volledig ontwaakt,

        die zelfbedwongen is, zelfverdiept,

        hij schrijdt voort op het heilige pad

        en verheugt zich over de vrede van het hart.

        Aan wie de mensen eer betonen

        als een meesterkenner van alle dingen,

        aan hem bewijzen ook de goden verering,[33] -

        zo heeft men het mij van de heilige verteld.

        Hij die van alle boeien vrij is,

        van onwetendheid tot Nibbana gekomen,[34]

        die blijgestemd de zinnelijkheid ontging,

        zoals zuiver goud vrij van sintels,

        De edele overstraalt alle wezens,

        zoals de Himalaya uitsteekt boven de bergen.

        Van allen die men 'edel' noemt

        draagt hij in waarheid deze naam.

        De edele olifant zal ik nu beschrijven,

        die niet meer iets onedels doet:

        de mildheid en barmhartigheid

        gelden als zijn voorpoten;

        de achterpoten echter zijn

        het heilige leven, de ascese.

        Vertrouwen vormt zijn slurf,

        zijn witte tanden is de gelijkmoedigheid.

        De hals is zijn oplettendheid,

        waarop het hoofd, de wijsheid rust.

Zijn voel-orgaan[35] is denken overeenkomstig de leer,

        de lichaamswarmte is de leer,[36]

        zijn staart: de afzondering.[37]

        Zoals hij blij is met lichte adem,

zo maakt hem de meditatieve verdieping gelukkig.

        Zijn innerlijk is goed gevat.

        Ook wanneer hij gaat en staat

        is de edele, verhevene, bezonnen.

        Ook wanneer hij zit en ligt

        behoudt hij bezonnenheid;

        en rondom is hij steeds beheerst.

        Dit waarlijk is de edele soort.

        Onberispelijk is zijn voedsel.

        Met voedsel en gewaad bedacht,

        zal hij dat niet opsparen.

        Of de boei nu sterk was of zwak,

        elke band heeft hij geëlimineerd.

        Daarom, waar hij ook gaat,

        hij gaat steeds vrij van zorgen.

        Zoals de lotusbloem, in de poel ontstaan,

        steeds hoger groeit,

        door het water helemaal niet nat gemaakt,

        heerlijk en met een zoete geur,

        zo trad de Boeddha in de wereld,

        en in de wereld vertoeft hij;

        maar die kan hem niet besmetten

        zoals het water niet de lotuskelk.

        Juist zoals de lichte vuurgloed uitdooft

        zodra de brandstof ontbreekt,

        zo geldt hij als uitgedoofd zonder rest

        zodra de levenswil sterft.[38]

        Deze gelijkenis, het begrijpelijke,

        werd door de wijze getoond.

        De grote Nagas[39] zullen allen

        de Naga begrijpen, door de Naga uitgelegd.

        De Naga in wie begeerte, haat en waan

        en alle neigingen zijn opgedroogd,

        laat zijn laatste lichaam terug,

        bevrijd van elke neiging en van onwetendheid."

A.VI.44. Oordeel niet over de mensen

Eens verbleef de Verhevene in het Jeta-park bij Sāvatthī, in het klooster van Anāthapindika. En de eerwaarde Ananda kleedde zich 's ochtends vroeg aan, nam gewaad en nap en ging naar de woning van de lekenvolgelinge Migasālā. Daar aangekomen ging hij op de gereedgemaakte zitplaats zitten. En de lekenvolgelinge Migasālā ging naar de eerwaarde Ananda toe, begroette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. Terzijde zittend sprak zij tegen de eerwaarde Ananda aldus:

"Hoe dan, eerwaarde Ananda, hoe moet men wel de door de Verhevene getoonde leer verstaan, volgens welke iemand die kuis leeft en iemand die niet kuis leeft na de dood allebei hetzelfde resultaat zullen hebben? Mijn vader Pūrana namelijk, eerwaarde, leefde kuis, onthoudzaam, afgewend van de ordinaire geslachtsgemeenschap. Na diens dood heeft de Verhevene over hem gezegd dat hij de eenmaal wederkeer had bereikt en in de hemel van de Zalige Goden weer verschenen is. Mijn vaders broer Isidatta evenwel, eerwaarde, leefde niet kuis, maar in een gelukkig huwelijk. Maar ook na diens dood heeft de Verhevene van hem gezegd dat hij de eenmaal wederkeer had bereikt en weer was verschenen in de hemel van de Zalige Goden. Hoe nu, eerwaarde, moet men deze door de Verhevene getoonde leer verstaan, volgens welke iemand die kuis leeft en iemand die niet kuis leeft na de dood allebei hetzelfde resultaat zullen hebben?"

"Ja, zo heeft de Verhevene dit uitgelegd, zuster."

Nadat nu de eerwaarde Ananda in het huis van de lekenvolgelinge Migasālā zijn aalmoezen-eten had ontvangen, stond hij op van zijn zitplaats en ging weg. In de namiddag echter, na beëindiging van de maaltijd, ging de eerwaarde Ananda naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend gaf nu de eerwaarde Ananda bericht aan de Verhevene [over wat er was gebeurd].

[Daarop sprak de Verhevene:] "Wie, Ananda, is dan de lekenvolgelinge Migasālā, deze dwaze, onervaren vrouw met vrouwelijke spitsvondigheid? En wat zijn in vergelijking daarmee zulke personen die de hogere of lagere vermogens van de wezens kunnen onderkennen?[40]

Zes mensen, Ananda, zijn in de wereld te vinden. Welke zes?

Daar, Ananda, is iemand liefdevol en een aangename metgezel, en zijn broeders in de Orde wonen graag met hem samen. Maar hij is zonder ervaring, zonder grote ijver,[41] heeft met kennis niets doordrongen en  ook de tijdelijke bevrijding[42] wordt hem niet ten deel. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een achteruitgang, geen vooruitgang; hij gaat terug en gaat niet hoger.

Daar, Ananda, is een monnik liefdevol, een aangename metgezel, en zijn broeders in de Orde wonen graag met hem samen. En hij heeft ervaring en grote ijver, heeft in inzicht iets bereikt; ook krijgt hij soms de bevrijding. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een vooruitgang, geen achteruitgang; hij stijgt hoger en valt niet terug.

Hier nu, Ananda, oordelen de critici (pamānikā paminanti) als volgt: 'De een heeft die eigenschappen, en ook de ander heeft die eigenschappen. Waarom zou de een lager zijn en de ander hoger?' - Maar zo'n [veroordelen], Ananda, zal hen lang tot onheil en lijden strekken. Ananda, wie ervaring en grote ijver heeft, in inzicht iets bereikt heeft en aan wie zo nu en dan de bevrijding ten deel valt, deze persoon, Ananda, is hoger en edeler dan die eerste. En waarom? Wel Ananda, omdat de stroom van de leer deze persoon met zich meesleurt. Wie behalve de Volmaakte is wel in staat om zo'n verschil te onderkennen? Daarom Ananda, oordeel niet over mensen. Stel geen maat vast voor de mensen. Men schaadt zichzelf als men over de mensen oordeelt. Natuurlijk, Ananda, ik ben in staat om de mensen te beoordelen of iemand die op mij lijkt.

Daar Ananda, komt bij iemand wrok en eigendunk, en van tijd tot tijd ontstaan bij hem begeerlijke toestanden. En hij is zonder ervaring, zonder grote ijver, heeft met inzicht niets doordrongen, ook valt hem niet nu en dan bevrijding ten deel. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een achteruitgang, geen vooruitgang; hij gaat terug en gaat niet hoger.

Daar Ananda, komt bij iemand wrok en eigendunk, en van tijd tot tijd ontstaan bij hem begeerlijke toestanden. Maar hij heeft ervaring, grote ijver, heeft in inzicht iets bereikt; ook valt hem nu en dan bevrijding ten deel. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een vooruitgang, geen achteruitgang; hij gaat hoger en valt niet terug.

Daar Ananda, komt bij iemand wrok en eigendunk, en van tijd tot tijd uit hij boze woorden. En hij is zonder ervaring, zonder grote ijver, heeft met inzicht niets doordrongen, ook valt hem niet nu en dan bevrijding ten deel. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een achteruitgang, geen vooruitgang; hij gaat terug en gaat niet hoger.

        Daar Ananda, komt bij iemand wrok en eigendunk, en van tijd tot tijd uit hij boze woorden. Maar hij heeft ervaring, grote ijver, heeft in inzicht iets bereikt; ook valt hem nu en dan bevrijding ten deel. Een dergelijk iemand maakt bij het verval van het lichaam, na de dood een vooruitgang, geen achteruitgang; hij gaat hoger en valt niet terug.

Hier nu, Ananda, oordelen de critici als volgt: 'De een heeft die eigenschappen, en ook de ander heeft die eigenschappen. Waarom zou de een lager zijn en de ander hoger?’ - Maar zo'n [veroordelen], Ananda, zal hen lang tot onheil en lijden strekken. Wanneer Ananda, bij een persoon wrok en eigendunk ontstaan, hem ook van tijd tot tijd boze woorden ontvallen, maar wanneer hij ervaring heeft, grote ijver, in inzicht iets bereikt heeft en hem ook nu en dan bevrijding ten deel valt - deze persoon, Ananda , is hoger en edeler dan die eerste. En waarom? Wel omdat, Ananda, de stroom van de leer deze persoon met zich meesleurt. Wie behalve de Volmaakte is wel in staat om zo'n verschil te onderkennen? Daarom Ananda, oordeel niet over mensen. Stel geen maat vast voor de mensen. Men schaadt zichzelf als men over de mensen oordeelt. Natuurlijk, Ananda, ik ben in staat om de mensen te beoordelen of iemand die op mij lijkt.

Ananda, deze zes mensen zijn in de wereld te vinden.

Ananda, als Isidatta dezelfde deugdzaamheid had gehad als Pūrana, dan zou Pūrana de toekomstige staat van Isidatta niet hebben bereikt; en als Pūrana dezelfde wijsheid had gehad als Isidatta, dan zou Isidatta de toekomstige staat van Pūrana niet hebben bereikt. Zomede, Ananda, waren deze beide mensen in ieder één eigenschap onvolmaakt."

A.VI.45. Armoede

“Een ellende is het arm te zijn,

een ellende is de last van schulden,

want wie geleend goed geniet

die arme wordt verteerd door kwalen.

Als hij de aanmaningen niet kan betalen

vervolgt men hem en hij komt in de gevangenis.

Maar een ellende zijn de boeien voor hem

die naar genot verlangt.

Zo is het ook in de discipline van de Heer

met iemand die geen vertrouwen heeft,

die geen schaamte en geen morele vrees heeft

en die uit is op slechte daden.

Want wie zich slecht gedraagt

met lichaam, woord en in gedachten,

die wenst dat men het niet van hem te weten komt.

Hij kronkelt zich in zijn handelen,

in zijn woorden, zijn geest,

doordat hij het kwaad steeds meer

nu eens hier, nu weer daar tot groei brengt.

Zo'n boosdoener, zo'n dwaas,

die zich goed bewust is van zijn schuld,

is als een arme schuldenaar,

die vol kwaal zijn brood eet.

En dan achtervolgen overal

droefgeestige beelden zijn geest,

geschapen door de wroeging -

zij het in het dorp, zij het in het bos.

Zo'n boosdoener, zo'n dwaas,

die zich van zijn daad goed bewust is,

komt in de lagere dieren-schoot terecht,

of misschien wel in de hel.

Een ellende noem ik zo'n boei,

waaruit de wijze zich bevrijdt,

degene die met de juist verkregen schatten

met een blij hart gaven geeft.

Laat de huisbewoner vol vertrouwen

zijn doel aan beide kanten verkrijgen:

het welzijn in deze wereld,

gelukzaligheid in de volgende wereld.

Zo neemt verdienste toe bij huisbewoners

door hun vrijgevige geest.

En verder: wie in edele discipline

gevestigd is in vertrouwen,

vol schaamte en morele vrees,

vol wijsheid, moreel goed voorzien,

van hem wordt gezegd dat hij vol geluk

in de heilige Orde kan leven.

En als hij het zuivere geluk heeft bereikt,

dan wacht hij tot het einde in gelijkmoedigheid.

De vijfvoudige belemmering overwinnend

en altijd door nieuwe kracht bezield,

verwerft hij de verdiepingen,

met verenigde geest, bezonnen, helder.

Nadat de boeien allemaal zijn opgedroogd,

de dingen beschouwend zoals ze zijn,

aan niets meer hechtend, nergens,

wordt zijn gemoed volledig bevrijd.

En zo in de geest helemaal bevrijd,

ontstaat bij een dergelijk persoon het inzicht:

'De boei van het bestaan ist vernietigd,

ik ben voor altijd bevrijd.'

Het allerhoogste weten is het,

het is een onvergelijkbaar geluk:

de vrede, zonder lijden, onbezoedeld,

de hoogste vrijheid van de zware taak."

A.VI.47. De zichtbare leer I

        De rondtrekkende asceet Moliyasīvaka stelde aan de Verhevene de volgende vraag:

        "Heer, men spreekt van de zichtbare leer. In hoeverre is die leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend 'Kom en zie,' naar het doel leidend, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zichzelf?"         

        "Sivaka, ik zal je hierover vragen stellen; en jij kunt dan antwoord geven zoals het jou goeddunkt. Wat meen je, Sivaka? Wanneer begeerte in je is, weet je dan dat in jou begeerte is? Of wanneer geen begeerte in je is, weet je dan dat in jou geen begeerte is?"

        "Zeker, Heer."

        "Wel Sivaka, in zoverre als je zoiets weet, in zoverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend: 'Kom en zie,' naar het doel leidende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich.

        Sivaka, wat meen je? Wanneer haat in je is ... of wanneer onwetendheid in je is ... of wanneer een met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest in je is, weet je dan: 'Deze toestanden zijn in mij?"

        "Zeker, Heer."

        "Sivaka, wat meen je? Wanneer geen begeerte in je is, ...of wanneer geen haat in je is ... of wanneer geen onwetendheid in je is ... of wanneer geen met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest in je is, weet je dan: 'Deze toestanden zijn niet in mij?"        

        "Zeker, Heer."

        "Wel Sivaka, in zoverre als je zoiets weet, in zoverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend: 'Kom en zie,' naar het doel leidende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich."

A.VI.48. De zichtbare leer II

        

(In tekst A.VI.48 staat in plaats van Moliyasīvaka 'een andere brahmaan' en in plaats van de laatste drie eigenschappen staat: 'verdorvenheid in daden, woorden en gedachten.' Al het andere is gelijkluidend met A.VI.47.)

A.VI.50. Het een gebaseerd op het andere

Via zes stappen kan men bevrijding verkrijgen: beheersing van de zintuigen is de basis van deugdzaamheid. Deugdzaamheid is de basis voor juiste concentratie. Juiste concentratie is de basis van het begrijpen van de ware aard van lichamelijke en geestelijke verschijnselen. Met begrip van de ware aard van lichamelijke en geestelijke verschijnselen komt er afwending en onthechting. Wanneer die beide er zijn, ontstaat de kennis en visie van bevrijding.

Deze tekst verschilt van A.V.24. alleen daardoor dat hier als eerste schakel “beheersing van de zintuigen” is toegevoegd.

A.VI.51. Hoe verkrijgt men kennis?

De eerwaarde Ananda zei tegen de eerwaarde Sāriputta: "Hoe komt het toch, broeder Sāriputta, dat er bij een monnik, wanneer hij leringen te horen krijgt die nog niet vernomen zijn, de leringen die vernomen zijn niet verdwijnen, dat hem de reeds eerder in de geest overwogen leringen te binnen schieten en dat hij wat voordien nog niet begrepen werd, leert verstaan?"

"De eerwaarde Ananda heeft veel kennis. Moge dan de eerwaarde Ananda het antwoord te binnen schieten" - "Dan luister, broeder Sāriputta, en let goed op mijn woorden."- "Zeker, broeder, " antwoordde de eerwaarde Sāriputta. En de eerwaarde Ananda zei:

“Daar, broeder Sāriputta, leert iemand de leer; en zoals hij ze heeft gehoord en geleerd, legt hij ze tot in detail uit aan anderen, laat ze tot in detail door anderen leren, zegt ze zelf tot in detail op, overweegt en denkt erover na en overdenkt ze in de geest.[43] Hij begint het regenseizoen[44] in een klooster waar ouderlingen in de Orde zijn die grote kennis hebben, bekend zijn met wat geleerd moet worden, kenners van de leer, van de discipline van de Orde en van de richtlijnen. Hij bezoekt hen van tijd tot tijd en vraagt hun om opheldering: 'Hoe staat het hiermee, Heer? Hoe moet men dat verstaan?' En zij onthullen hem wat hem nog verborgen was, leggen hem uit waarover hij nog in onduidelijkheid was en lossen zijn twijfels op in menige twijfelachtige vragen. Zo komt het, broeder Sāriputta, dat bij een monnik wanneer hij leringen te horen krijgt die hij nog niet vernomen had, de vernomen leringen niet verdwijnen, dat hem de al eerder in de geest overwogen leringen invallen en dat hij datgene wat eerder nog niet begrepen werd, leert begrijpen."

"Het is geweldig, broeder, het is verbazingwekkend, broeder, hoe de eerwaarde Ananda zo juist heeft gesproken. Als met deze zes eigenschappen uitgerust willen wij aan de eerwaarde Ananda denken."

A.VI.53. Ijver

        De eigenschap van ijver[45] is een bron van geluk, zowel nu als later.

A.VI.54.  Het lot van de slechte mens

vergelijk A.VII.69. Honen, smaden van de edelen.

Hoofdstuk 6: mahā-vagga

A.VI.55. De gelijkenis van de luit

        Eens verbleef de Verhevene op de Gierepiek te Rājagaha. De eerwaarde Sona[46] woonde in die tijd in het Koude Bos bij Rājagaha. Terwijl de eerwaarde Sona eenzaam en afgezonderd verbleef, kwam de volgende overweging bij hem op: "Van degenen onder de discipelen van de Verhevene die vol ijver[47] streven, ben ik er één. Maar toch vindt mijn hart niet de hechtloze bevrijding van de neigingen. Nu bezit mijn familie een grote rijkdom, en men kan immers van zijn schatten genieten en daarbij goede werken doen. Dus wil ik dan liever de opleiding opgeven, naar het lagere leven in de wereld terugkeren, van mijn bezittingen genieten en goede werken doen."

        Maar de Verhevene herkende in zijn gedachten de gedachten van de eerwaarde Sona. En in een handomdraai verdween de Verhevene van de Gierepiek en verscheen in het Koude Bos voor de eerwaarde Sona. De Verhevene nam plaats op de gereedstaande zitplaats, en ook de eerwaarde Sona ging na eerbiedige begroeting van de Verhevene terzijde zitten. En de Verhevene sprak tot hem aldus:

        "Sona, toen jij eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam toen niet de gedachte bij je op om de opleiding op te geven en weer naar het lagere leven in de wereld terug te keren, van je bezittingen te genieten en goede werken te doen?”

        “Zo is het, Heer.”

        “Sona, jij was vroeger, als leek, toch heel bedreven in het spelen op de luit.”

        “Ja, Heer.”

“Sona, als de snaren van jouw luit te strak gespannen waren, gaf je luit dan een volle klank en kon ze gebruikt worden?”

        “Neen, Heer.”

        “Maar wanneer de snaren van je luit te slap gespannen waren, gaf je luit dan wel een volle klank en kon ze gebruikt worden?”

        “Neen, Heer.”

“Sona, wanneer nu de snaren van je luit niet te strak noch te slap gespannen waren, maar goed afgestemd waren, gaf je luit dan wel een volle klank en kon ze gebruikt worden?”

“Ja, Heer.”

“Sona, evenzo leidt al te strakke inspanning van de wilskracht tot opwinding, al te slappe inspanning echter tot traagheid. Sona, houdt daarom een evenwicht in je wilskracht, verwerf een evenwicht in je vaardigheden[48] en streef dan zo naar het doel.”[49]

        “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Sona aan de Verhevene ten antwoord. Hierna verdween de Verhevene uit het Koude Bos en verscheen weer op de Gierepiek.

De eerwaarde Sona nu hield zich in de volgende tijd aan het evenwicht van zijn wilskracht, verwierf een evenwicht van zijn vaardigheden, en zo streefde hij naar het doel. Eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten vertoevend, verkreeg dan de eerwaarde Sona na helemaal niet lange tijd dat hoogste doel van het reinheidsleven, omwille waarvan edele jongelingen helemaal van huis weggaan in de huisloosheid, en hij onderkende en verwerkelijkte het voor zichzelf.

En hij wist: "De wedergeboorte is uitgedroogd, het heilige leven is vervuld, ten einde gebracht is de taak, gedaan is wat gedaan moest worden, niets verder meer na dit hier." Zo was de eerwaarde Sona een van de heiligen geworden.

Nadat evenwel de eerwaarde Sona de heiligheid had bereikt, dacht hij: "Zo wil ik mij nu naar de Verhevene begeven en hem mijn kennis van heiligheid meedelen."

En de eerwaarde Sona ging naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. Terzijde zittend zei de eerwaarde Sona tegen de Verhevene:

"Heer, degene die een heilige is, iemand bij wie de neigingen opgedroogd zijn, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht, de last heeft afgelegd en de boeien van het bestaan heeft losgemaakt, die door de kennis van volmaakte heiligheid bevrijd is, zo'n monnik is zes dingen toegenegen: hij is geneigd tot verzaking, tot afzondering, tot vrijheid van haat, tot opdroging van begeerte, tot opdroging van gehechtheid en tot niet-verblinding.

Nu kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts vanwege zijn alleen maar vertrouwen dat deze eerwaarde geneigd is tot verzaking.' Maar zo moet men niet denken. Een monnik, Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot verzaking.

Verder kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts vanwege zijn verlangen naar winst, eer en roem dat deze eerwaarde geneigd is tot afzondering.' Maar zo moet men niet denken. Een monnik, Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot afzondering.

Verder kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts omdat hij de toewending tot de regels van deugdzaamheid en asceten-gebruiken als het wezenlijke beschouwt, dat deze eerwaarde geneigd is tot het vrij zijn van haat.' Maar zo moet men niet denken. Een monnik, Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot vrij zijn van haat.

Verder kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts ten gevolge van het opdrogen van begeerte, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan, dat deze eerwaarde geneigd is tot opdroging van begeerte.’

Maar zo moet men niet denken. Een monnik, Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot vrij zijn van begeerte.

Verder kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts ten gevolge van het opdrogen van begeerte, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan, is hij geneigd tot opdroging van gehechtheid.’

Maar zo moet men niet denken. Een monnik,  Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot vrij zijn van gehechtheid.

Verder kan een eerwaarde broeder misschien aldus denken: 'Het is zeker slechts ten gevolge van het opdrogen van begeerte, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan, dat hij geneigd is tot niet-verblinding.’

Maar zo moet men niet denken. Een monnik, Heer, bij wie de neigingen zijn opgedroogd, die het heilige leven heeft voltooid en zijn taak heeft volbracht en die bij zich niets meer ziet dat hij nog zou moeten verrichten of zou moeten toevoegen aan wat is bereikt, die is nu ten gevolge van het opdrogen van hebzucht, haat en verblinding, door het verdwenen zijn ervan geneigd tot niet-verblinding.

Heer, zelfs wanneer bij een monnik bij wie de geest zodanig volmaakt bevrijd is, heel nadrukkelijk[50] zichtbare vormen in het gezichtsveld treden. . . hoorbare geluiden in het hoorgebied treden. . . ruikbare geuren in het ruikgebied treden. . . proefbare smaken in het smaakgebied treden. . . lichamelijke indrukken in het aanrakingsgebied treden. . . door de geest herkenbare dingen in het denk-veld treden, dan zijn zij niet meer in staat om zijn geest te boeien; zijn geest blijft onaangetast, standvastig, onwankelbaar, en in dit alles ziet hij de vergankelijkheid."

“Wie tot de verzaking is geneigd.

en tot geestelijke afzondering,

toegewijd aan vrijheid van haat,

losgemaakt van alle hechten,

wie het einde van de begeerte vond,

de warboel van de geest overwon

en het ontstaan van de zintuigen kent,[51]

ja, diens geest is goed bevrijd.

En zo'n goed bevrijde monnik,

die het stil zijn van zijn hart vond,

heeft zonder rest zijn taak vervuld,

en er is niets meer voor hem te doen.

Zoals een rots uit één stuk

door de storm niet bewogen wordt,

zo kunnen noch vorm noch geluid,

noch geur, noch smaak, ook aanraking niet,

niets lieflijks, niets walgelijks

ooit de heilige in beroering brengen.

Gevestigd is zijn geest, bevrijd,

overal let hij op overtredingen."

A.VI.56. De dood van Phagguna; voordelen van het luisteren naar de leer

Eens was de eerwaarde Phagguna onwel, lijdend, ernstig ziek. En de eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied, ging terzijde zitten en zei:

"Heer, de eerwaarde Phagguna is onwel, lijdend, ernstig ziek. Het zou goed zijn, Heer, als de Verhevene uit mededogen naar de eerwaarde Phagguna ging."

Door zwijgen gaf de Verhevene zijn toestemming te herkennen. Nadat nu de Verhevene tegen de avond uit zijn afzondering was getreden, ging hij naar de eerwaarde Phagguna. Al van verre zag de eerwaarde Phagguna de Verhevene aankomen, en toen hij hem zag, richtte hij zich in zijn bed op. Maar de Verhevene zei tegen de eerwaarde Phagguna: “Laat maar, Phagguna. Blijf maar liggen. Er zijn immers zitplaatsen door anderen klaargemaakt. Daar ga ik zitten.” De Verhevene ging op een van de voorbereide zitplaatsen zitten en zei toen tegen de eerwaarde Phagguna:

"Gaat het draaglijk met je, Phagguna? Gaat het enigermate met je? Nemen jouw pijnen af en nemen ze niet toe? Is de afname ervan te merken en geen toename ervan?”

“Neen, Heer. Het gaat niet draaglijk met me; mijn pijnen zijn hevig, nemen toe en nemen niet af. De pijnen in mijn hoofd kwellen mij alsof een sterke man een spits zwaard in mijn hoofd stootte. Of alsof een riem om mijn hoofd dichtgetrokken werd. En de gassen in mijn lichaam pijnigen mij alsof een slager met een scherp mes de buik van een koe open sneed. En mijn lichaam gloeit alsof ik boven een kuil met gloeiende kolen geroosterd werd. Neen, Heer, het gaat niet draaglijk met me. Ik heb erge pijn.”

        Nadat nu de Verhevene de eerwaarde Phagguna door een leergesprek had geïnstrueerd, vermaand, aangemoedigd en moed had gemaakt, stond hij op van zijn zitplaats en vertrok. Kort nadat evenwel de Verhevene vertrokken was, stierf de eerwaarde Phagguna. Maar op het moment van zijn sterven werd zijn geest heel helder. En de eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. Daarna zei hij:

“Heer, kort nadat de Verhevene vertrokken was, is de eerwaarde Phagguna gestorven. Maar op het moment van zijn sterven werd zijn geest heel helder.”

        “Ananda, waarom zou in de monnik Phagguna zijn geest niet helder zijn geworden? Hoewel het hart van de monnik Phagguna nog niet bevrijd was van de vijf lagere boeien, zo werd zijn hart na het vernemen van de uitleg van de leer toch bevrijd van de vijf lagere boeien.

Ananda, zes voordelen brengt het op de juiste tijd luisteren naar de leer[52] en het op de juiste tijd onderzoeken van de betekenis ervan. Welke zes?

Ananda, daar is het hart van een monnik nog niet vrij van de vijf lagere boeien. Maar hij krijgt op het uur van zijn dood de Volmaakte te zien; . . . of hij krijgt weliswaar niet de Volmaakte te zien, maar wel een discipel van de Volmaakte. Deze nu wijst hem de leer, die in het begin mooi is, mooi in het midden en mooi aan het einde; naar de betekenis en de formulering verkondigt hij het heel volmaakte, zuivere leven van heiligheid. Na het luisteren naar deze uitleg van de leer echter wordt zijn hart bevrijd van de vijf lagere boeien. Dit eerste en tweede voordeel, Ananda, wordt verleend door het te juister tijd luisteren naar de leer.

Verder, Ananda, daar is het hart van een monnik nog niet vrij van de vijf lagere boeien. Hij krijgt nu weliswaar niet in het uur van zijn dood de Volmaakte te zien of een discipel van de Volmaakte, maar in zijn geest denkt hij na over de leer zoals hij ze gehoord en geleerd heeft, en hij vestigt ze in zijn geest. Daarbij nu wordt zijn hart vrij van de vijf lagere boeien. Dit derde voordeel, Ananda, wordt verleend door het op de juiste tijd onderzoeken van de betekenis van de leer."

"Verder, Ananda, daar is het hart van een monnik vrij van de vijf lagere boeien, maar het is nog niet vrij door de onvergelijkbare opheffing van alle steunpunten van bestaan (upadhi). Maar op dat moment, in het uur van zijn dood, krijgt hij de Volmaakte te zien; . . . of hij krijgt weliswaar niet de Volmaakte te zien, maar wel een discipel van de Volmaakte. Deze nu wijst hem de leer, die in het begin mooi is, mooi in het midden en mooi aan het einde; naar de betekenis en formulering verkondigt hij het heel volmaakte, zuivere reinheidsleven. Na het luisteren naar deze leer echter wordt zijn hart bevrijd door de onvergelijkbare opheffing van alle steunpunten van bestaan. Dit vierde en vijfde voordeel, Ananda, wordt verleend door het te juister tijd luisteren naar de leer."

Verder, Ananda, daar is het hart van een monnik vrij van de vijf lagere boeien, maar het is nog niet vrij door de onvergelijkbare opheffing van alle steunpunten van bestaan. Hij krijgt nu weliswaar niet op die tijd, in het uur van zijn dood, de Volmaakte te zien of een discipel van de Volmaakte, maar in zijn geest denkt hij na en denkt hij over de leer zoals hij ze gehoord en geleerd heeft, en hij vestigt ze in zijn geest. Daarbij nu wordt zijn hart bevrijd door de onvergelijkbare opheffing van alle steunpunten van bestaan. Dit zesde voordeel, Ananda, wordt verleend door het te juister tijd onderzoeken van de betekenis van de leer.

        Ananda, deze zes voordelen worden verleend door het te juister tijd luisteren naar de leer en door het te juister tijd onderzoeken van de betekenis ervan.”

A.VI.57. Pūrana Kassapa en de zes soorten mensen

Op de Gierepiek bij Rājagaha zei de eerwaarde Ananda tegen de Verhevene: "Heer, Pūrana Kassapa onderwijst zes soorten mensen: de zwarte, de donkerblauwe, de bloedrode, de gele, de witte en de heel witte.[53]

Heer, als zwarte soort mensen nu noemt Pūrana Kassapa de slachters van schapen, de slachters van varkens, de vogelvangers, de sluipjagers, de jagers, vissers, rovers, beulen, cipieren of wat er nog meer is aan wreed handwerk.

Heer, als donkerblauwe soort mensen nu noemt Pūrana Kassapa de bhikkhus[54] die een aanstootgevende[55] levensstijl leiden, evenals alle anderen die de daad onderwijzen en de werkzaamheid van de daden (kamma-vādā, kiriya-vādā).

Heer,  als bloedrode soort mensen nu noemt Pūrana Kassapa die Niganthas (d.w.z. Jainas), die slechts een enkel gewaad dragen.

Heer, als gele soort mensen nu noemt Pūrana Kassapa de in het wit geklede lekenvolgelingen van de Acelakas.[56] 

Heer, maar als witte soort mensen noemt Pūrana Kassapa de mannelijke en vrouwelijke Ajīvakas.[57]

Maar Heer, als heel witte soort mensen noemt Pūrana Kassapa de Nanda Vaccha, Kisa Sankiccha en Makkhali Gosāla.

Dit, Heer, zijn de zes soorten mensen die door Pūrana Kassapa worden onderwezen.”

"Zeg, Ananda, is de hele wereld het eens met Pūrana Kassapa wanneer hij deze zes soorten mensen onderwijst?" - "Natuurlijk niet, Heer." - "Juist zo, Ananda, als wanneer men daar een arme man, zonder goederen, zonder vermogen, tegen zijn wil een stuk vlees wil opdringen en zeggen: 'Dit vlees, beste man, moet je opeten en ervoor betalen,' - evenzo, Ananda, werden door Pūrana Kassapa, zonder toestemming van deze asceten en brahmanen die zes soorten mensen onderwezen, zoals dat overeenkomt met een dwaze, onervaren, onwetende en onbekwame persoon. Maar ik, Ananda, wil jou zes soorten mensen onderwijzen. Luister daarom en let goed op mijn woorden."

“Zeker, Heer,” gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord. En de Verhevene sprak aldus:

        

“Ananda, wat zijn de zes soorten mensen?

Daar baart een zwart geborene iets zwarts;

een zwart geborene baart iets wits;

een zwartgeborene baart het noch zwarte noch witte nibbana;

een wit geborene baart iets zwarts;

een wit geborene baart iets wits;

een wit geborene baart het noch zwarte noch witte nibbāna.[58]

Maar hoe, Ananda, baart een zwart geborene iets zwarts? Iemand wordt wedergeboren in een lagere klasse van mensen: bij de verschoppelingen of in de mandenvlechterskaste, de jagerskaste, de wagenbouwer-kaste of de veeg-kaste; in een gezin, dat arm is, dat gebrek heeft aan eten en drinken, dat een jammerlijk bestaan leidt, waarin men slechts met moeite het noodzakelijke voedsel krijgt. Daarbij is hij lelijk, met weerzinwekkend uiterlijk; of hij is mismaakt, ziekelijk, blind, kreupel, mank of lam. Eten, drinken, kleding, voertuig, bloemen, welriekende geuren, zalven, bed, woning en verlichting worden hem niet ten deel. En hij leidt een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. Maar omdat hij een slecht gedrag leidt in daden, woorden en gedachten, komt hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood in een lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Zo, Ananda, baart een zwart geborene iets zwarts.

Maar hoe, Ananda, baart een zwart geborene iets wits? Iemand wordt in een lagere klasse van mensen wedergeboren bij de verschoppelingen of in de mandenvlechterskaste, de jagerskaste, de wagenbouwer-kaste of de veeg-kaste; in een gezin, dat arm is, dat gebrek heeft aan eten en drinken, dat een jammerlijk bestaan leidt, waarin men slechts met moeite het noodzakelijke voedsel krijgt. Eten, drinken, kleding, voertuig, bloemen, welriekende geuren, zalven, bed, woning en verlichting worden hem niet ten deel. Maar hij leidt een goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En omdat hij een goed gedrag leidt in daden, woorden en gedachten, komt hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood op een goed pad van bestaan, in een hemelse wereld. Zo, Ananda, baart een zwart geborene iets wits.

Maar hoe, Ananda, baart een zwart geborene het noch zwarte noch witte nibbāna?  Ananda, iemand wordt wedergeboren in een lagere klasse van mensen: bij de verschoppelingen of in de mandenvlechterskaste, de jagerskaste, de wagenbouwer-kaste of de veeg-kaste; in een gezin, dat arm is, dat gebrek heeft aan eten en drinken, dat een jammerlijk bestaan leidt, waarin men slechts met moeite het noodzakelijke voedsel krijgt. Daarbij is hij lelijk, onooglijk, mismaakt. Maar hij scheert zijn hoofdharen en baard, trekt de bleke gewaden aan en gaat van het huis in de huisloosheid. Aldus de wereld verzakend, overwint hij de vijf belemmeringen, deze vertroebelingen van de geest, die de wijsheid verzwakken; hij vestigt zijn geest in de vier grondslagen van de oplettendheid, ontplooit op de juiste manier de zeven schakels van de Verlichting en produceert zo het noch zwarte noch witte nibbana. Zo, Ananda, baart een zwart geborene het noch zwarte noch witte nibbāna.[59]

Maar hoe, Ananda, baart een wit geborene iets zwarts? Iemand wordt in een vooraanstaande familie wedergeboren, in een machtige adellijke familie of een machtige brahmaanse familie of een machtige burger-familie, een rijke, met veel goederen, met een groot vermogen, die een overvloed heeft aan goud en zilver, aan bezit en goederen, aan geld en graan. Daarbij heeft hij een indrukwekkende gestalte en een knap uiterlijk, begiftigd met gratie en buitengewone schoonheid. Hij krijgt eten, drinken, kleding, voertuig, bloemen, welriekende geuren, zalven, bed en verlichting. Maar hij leidt een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten. En omdat hij een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten leidt, komt hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood in een lagere wereld, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Zo, Ananda, baart een wit geborene iets zwarts.

Maar hoe, Ananda, baart een wit geborene iets wits? Iemand wordt in een vooraanstaande familie wedergeboren, in een machtige adellijke familie of een machtige brahmaanse familie of een machtige burger-familie, een rijke, met veel goederen, met een groot vermogen, die een overvloed heeft aan goud en zilver, aan bezit en goederen, aan geld en graan. Daarbij heeft hij een indrukwekkende gestalte en een knap uiterlijk, begiftigd met gratie en buitengewone schoonheid. Hij krijgt eten, drinken, kleding, voertuig, bloemen, welriekende geuren, zalven, bed en verlichting. En hij leidt een goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En omdat hij een goed gedrag leidt in daden, woorden en gedachten, komt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, op een goed spoor van bestaan, in een hemelse wereld. Zo, Ananda, baart een wit geborene iets wits.

Maar hoe, Ananda, baart een wit geborene het noch zwarte noch witte Nibbāna? Iemand wordt wedergeboren in een vooraanstaande familie: een machtige adellijke familie of een machtige brahmaanse familie of een machtige burger-familie, een rijke, met veel goederen, met een groot vermogen, die een overvloed heeft aan goud en zilver, aan bezittingen en goederen, aan geld en graan. Daarbij heeft hij een indrukwekkende gestalte en een knap uiterlijk, is begiftigd met gratie en buitengewone schoonheid. Hij is knap van vorm en uiterlijk, begiftigd met gratie en buitengewone schoonheid. Hij krijgt eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, welriekende geuren, zalven, bed en verlichting. Maar hij scheert zijn hoofdharen en baard, trekt de bleke gewaden aan en gaat van het huis in de huisloosheid. Zo de wereld verzakend, overwint hij de vijf belemmeringen, de vertroebelingen van de geest, die de wijsheid verzwakken; hij vestigt zijn geest in de vier grondslagen van de oplettendheid, ontplooit op de juiste manier de zeven schakels van de Verlichting en produceert zo het noch zwarte noch witte nibbana. Zo, Ananda, baart een wit geborene het noch zwarte noch witte Nibbāna.

Deze zes soorten mensen zijn er, Ananda."

A.VI.58. De opdroging van alle neigingen

“Wanneer een monnik zes eigenschappen heeft, is hij offergaven waard, geschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, het beste veld van verdienste in de wereld. Wat zijn die zes eigenschappen?

Daar, monniken, zijn in een monnik de neigingen die door beteugeling overwonnen moeten worden, door beteugeling overwonnen; de door zorg te overwinnen neigingen zijn door zorg overwonnen; de door geduld te overwinnen neigingen zijn door geduld overwonnen; de door vermijding te overwinnen neigingen zijn door vermijding overwonnen; de door verdrijving te overwinnen neigingen zijn door verdrijving overwonnen; en de neigingen die door ontwikkeling van de geest overwonnen moeten worden, zijn in hem door ontwikkeling van de geest overwonnen.[60]

Monniken, welke nu zijn de door beteugeling te overwinnen neigingen die hij door beteugeling heeft overwonnen? Daar waakt een monnik wijs bezonnen over zijn gezichtszintuig. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem bij een onbewaakt oog zouden kunnen ontstaan, die kunnen, terwijl hij over zijn gezichtszintuig waakt, niet ontstaan. Hij waakt wijs bezonnen over zijn gehoor-zintuig . . . zijn reukzintuig . . . zijn smaakzintuig . . . zijn tastzintuig . . . zijn geestelijke zintuig. En de kwellende,  verwondende neigingen die bij hem bij een onbewaakte geest zouden kunnen ontstaan, die kunnen, terwijl hij over zijn gehoor-zintuig . . . zijn reukzintuig . . . zijn smaakzintuig . . . zijn tastzintuig . . . zijn geestelijke zintuig waakt, niet ontstaan. Dit, monniken, zijn de door beteugeling te overwinnen neigingen die hij door beteugeling heeft overwonnen.

Monniken, welke nu zijn de door zorg te overwinnen neigingen die hij door zorg heeft overwonnen? Daar zorgt de monnik wijs bezonnen voor het gewaad, alleen om kou en hitte, muggen en horzels, wind en zon en de storende reptielen van zich weg te houden, alleen om de schaamte te bedekken. Wijs bezonnen zorgt hij voor aalmoezen-eten, niet voor vermaak of bedwelming of om mooi en aangenaam te worden, maar alleen om dit lichaam te behouden, om schade te voorkomen en om het  heilige leven te ondersteunen. [Want hij zegt tegen zichzelf:] 'Op deze manier zal ik het vorige gevoel (d.w.z. hongergevoel) doden en geen nieuw gevoel laten ontstaan; een lang leven zal mij ten deel vallen, onberispelijkheid en welzijn.' Wijs bezonnen zorgt hij voor de woonplek, alleen om kou en hitte, muggen en horzels, wind en zon en de storende reptielen van zich weg te houden, alleen om onaangename toestanden van het weer te vermijden en om te kunnen genieten van de afzondering. Wijs bezonnen zorgt hij voor medicijnen en geneesmiddelen, alleen om de opstijgende, door ziekte veroorzaakte pijnen van zich weg te houden, alleen omwille van de hoogste vrijheid van lijden. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem zonder zo'n zorg zouden kunnen ontstaan, die kunnen ten gevolge van de zorg niet ontstaan. Dat, monniken, zijn de door zorg te overwinnen neigingen die hij door zorg heeft overwonnen.

Monniken, wat nu zijn de door geduld te overwinnen neigingen die hij door geduld heeft overwonnen? Daar verdraagt de monnik wijs bezonnen hitte en kou, honger en dorst, evenals de stoornis door muggen, horzels, wind, zon en reptielen. Vol geduld blijft hij bij hatelijke, onaangename woorden, bij opstijgende lichamelijke gevoelens van pijn, scherpe, stekende, brandende, vermoeiende, onaangename, levensgevaarlijke. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem zonder zo'n geduld zouden kunnen ontstaan, die kunnen wanneer hij geduld toont, niet ontstaan. Monniken, dat zijn de door geduld te overwinnen neigingen die hij door geduld heeft overwonnen.

Monniken, welke nu zijn de door vermijding te overwinnen neigingen die hij door vermijding heeft overwonnen? Daar vermijdt de monnik wijs bezonnen een wilde olifant, een wild paard, een wilde koe, een wilde hond, een slang, een boomstronk, een doornige weg, een kuil, een helling, een poel, een plas; en waar, bij het zitten op een onpassende plaats, bij het lopen op onpassend gebied, bij de omgang met slechte vrienden, verstandige Orde-broeders hem zouden kunnen verdenken van slecht gedrag, vermijdt hij wijs bezonnen zo'n onpassende plaats, zo'n onpassend gebied, zulke slechte kameraden. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem ten gevolge van het niet vermijden zouden kunnen ontstaan, die kunnen door het vermijden niet ontstaan. Dat, monniken, zijn de door vermijden te overwinnen neigingen die hij door vermijden heeft overwonnen.

Monniken, welke nu zijn de door verdrijving te overwinnen neigingen die hij door verdrijving heeft overwonnen? Daar laat de monnik wijs bezonnen een ontstane gedachte van zinnelijk verlangen, van kwaadwil of van benadeling geen voet vatten; hij overwint, verdrijft, onderdrukt en vernietigt ze. Hij laat deze of gene in hem opstijgende slechte en onheilzame dingen geen voet vatten; hij overwint, verdrijft, onderdrukt en vernietigt ze. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem ten gevolge van het niet verdrijven zouden kunnen ontstaan, die kunnen bij het verdrijven niet ontstaan. Dat, monniken, zijn de door verdrijven te overwinnen neigingen die hij door verdrijven heeft overwonnen.

Monniken, welke nu zijn de door ontplooiing van de geest te overwinnen neigingen, die hij door ontplooiing van de geest heeft overwonnen? Daar ontplooit de monnik wijs bezonnen het op afwending, onthechting en opheffing gebaseerde, op de bevrijding gerichte verlichtingselement van de oplettendheid, van het onderzoek van de werkelijkheid, van de wilskracht, van de vervoering, de rust, de concentratie en de gelijkmoedigheid. En de kwellende, verwondende neigingen die bij hem bij gebrek aan ontplooiing van de geest zouden kunnen ontstaan, die kunnen, terwijl hij ontplooiing van de geest oefent, niet ontstaan. Dat, monniken, zijn de door ontplooiing van de geest te overwinnen neigingen die hij door ontplooiing van de geest heeft overwonnen.

Monniken, met deze zes eigenschappen voorzien, is de monnik offergaven waard, geschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, het beste veld van verdienste in de wereld.”

A.VI.59. De kieskeurige aalmoezengever

        

Eens verbleef de Verhevene te Nadika. Een gezinshoofd, een houthandelaar, ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg hem:

        "Gezinshoofd, geeft men in jouw gezin aalmoezen?"

        Antwoord: "Heer, natuurlijk geeft men in mijn gezin aalmoezen, en wel aan zulke monniken die in het bos wonen, voor aalmoezen rondgaan, gewaden uit lompen dragen, en die heiligen zijn of zulke die zich op weg naar heiligheid bevinden."

        De Verhevene: "Gezinshoofd, jij leeft met een gezin, geniet de vreugden van de zintuigen, jij hebt een huis vol kinderen en gebruikt zeer fijn sandelpoeder, bloemen, reukwerken en crèmes, je maakt gebruik van goud en zilver; jij zult toch wel moeilijk onderkennen wie een heilige is of wie zich op het pad naar heiligheid bevindt.

        Wanneer een monnik die in het bos woont, opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.

        Maar wanneer een monnik die in het bos woont, niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.

        

        Gezinshoofd, of een monnik nu in het dorp woont, of hij voor aalmoezen rondgaat of uitnodigingen aanneemt, of hij zich in zelfgemaakte lompengewaden kleedt of gewaden draagt die hij van de mensen heeft gekregen, wanneer hij opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.

        Maar wanneer hij niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.

        Welaan, gezinshoofd, geef aalmoezen aan de gemeenschap van de monniken. Want dan zal jouw gemoed blijmoedig vertrouwen krijgen, en vol blijmoedig vertrouwen zul je na de dood in een hemelse wereld verschijnen."

        "Heer, vanaf vandaag zal ik aan de gemeenschap van de monniken aalmoezen geven."

A.VI.60. Citta, de zoon van de olifanten-drijver

        Eens verbleef de Verhevene in het hertenpark nabij Varanasi. Meerdere oudere monniken zaten toen ‘s middags samen in de ontvangsthal en spraken er over de hogere leer[61]. Maar de eerwaarde Citta, de zoon van de olifanten-drijver praatte er altijd tussen. De eerwaarde Mahā-Kotthita zei toen aan de eerwaarde Citta dat hij niet steeds ertussen moest praten. Hij zou het einde van het gesprek afwachten.

        Na deze woorden zeiden enkele monniken die met de eerwaarde Citta bevriend waren, tegen de eerwaarde Mahā-Kotthita: "Moge de eerwaarde Mahā-Kotthita de eerwaarde Citta, de zoon van de olifanten-drijver, niet afwijzend beoordelen. Wijs is de eerwaarde Citta, de zoon van de olifanten-drijver. Hij is bevoegd om tot de oudere monniken over de hogere leer te spreken."

[Mahā-Kotthita:] “Broeders, moeilijk kunnen dat zulke personen beoordelen die de gedachtengang van een ander niet doorzien. Daar is iemand, broeders, zolang hij bij de Meester is of bij een eerbiedwaardige Ordebroeder, heel mild, heel deemoedig, heel rustig. Maar als hij gescheiden is van de Meester of van eerbiedwaardige Ordebroeders, dan leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, leraren van een dwaalleer en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen is, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Maar met een hart dat door hebzucht is gekweld, geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven van leek.

Stel, broeders, er is een koe die het jonge zaaigoed eet; die legde men dan aan een touw of men sloot ze op in de stal. Als men nu, broeders, wilde zeggen dat die koe vanaf nu niet meer in het jonge zaaigoed zal lopen, zou men dan met zo'n uitspraak gelijk hebben?" - "Wellicht niet, broeder. Want het kan zijn dat die koe die het jonge zaad eet, het touw kapot zal trekken of uit de stal zal breken en weer in het jonge zaaigoed zal lopen."

Op gelijke wijze, broeders, is er iemand die zolang hij bij de Meester is of bij een eerbiedwaardige Ordebroeder, heel mild, heel deemoedig, heel rustig. Maar als hij gescheiden is van de Meester of van eerbiedwaardige Ordebroeders, dan leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen leeft, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Maar met een hart dat door hebzucht is gekweld, geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.

Stel, broeders, op een kruispunt van vier straten ontlaadt zich een dik gebalde regenwolk die het stof laat verdwijnen en de grond modderig maakt. Als men nu, broeders, zou zeggen dat daar vanaf nu geen stof meer zal ontstaan, zou men dan met zo'n uitspraak gelijk hebben?" - "Dat wel niet, broeder. Want het is toch waarschijnlijk dat mensen of koeien of geiten weer over die plek lopen, dat wind en zon de vochtigheid opdrogen en dat er weer nieuw stof zal ontstaan."

'Evenzo, broeders, verkrijgt daar iemand, heel afgezonderd van de zinnendingen, de eerste verdieping. Maar in het bewustzijn: 'Ik heb de eerste verdieping verkregen', leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen leeft, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Met een door hebzucht gekweld hart evenwel geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.

Stel, broeders, niet ver van een dorp of een stad is een grote vijver. En een dik gebalde regenwolk ontlaadt zich en maakt de schaaldieren en schelpen, het grind en de stenen onzichtbaar. Als men nu, broeders, zou zeggen dat vanaf nu de schaaldieren en schelpen, het grind en de stenen niet meer te voorschijn zullen komen, zou men dan met zo'n uitspraak gelijk hebben?" - "'Ik denk het niet, broeder. Want  aangenomen kan worden dat mensen of koeien en geiten weer uit die vijver drinken, dat wind en zon het water opdrogen en dat dan de schaaldieren en schelpen, het grind en de stenen weer te voorschijn zullen komen."

'Evenzo, broeders, verkrijgt daar iemand, heel afgezonderd van de zinnendingen, de tweede verdieping. Maar in het bewustzijn: 'Ik heb de tweede verdieping verkregen', leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen leeft, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Met een door hebzucht gekweld hart evenwel geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.

Stel, broeders, nadat iemand een voortreffelijke maaltijd heeft gegeten, smaakt hem een slecht voedsel niet meer. Wanneer men nu, broeders, zou zeggen dat deze man vanaf nu het eten niet meer zal smaken, zou men dan wel met zo'n uitspraak gelijk hebben?" - "Dat wel niet, broeder. Want aangenomen kan worden dat deze man die van het voortreffelijke voedsel heeft genoten, slechts zolang geen ander voedsel zal smaken zolang die voedingsstof nog in zijn lichaam aanwezig is; maar dat, zodra die voedingsstof verdwenen is, hem het eten weer zal smaken."

Evenzo, broeders, verkrijgt daar iemand, heel afgezonderd van de zinnendingen, de derde verdieping. Maar in het bewustzijn: 'Ik heb de derde verdieping verkregen', leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen leeft, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Met een door hebzucht gekweld hart evenwel geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.

 

Stel, broeders, in een laagte van een berg is een vijver, windstil, vrij van golven. Wanneer men nu, broeders, zou zeggen dat op die vijver vanaf nu geen golven meer zullen komen, zou men dan wel met zo'n uitspraak gelijk hebben?" - "Dat wel niet, broeder. Want aangenomen kan worden dat ooit vanuit het oosten, westen, noorden of zuiden hevige wind en regen zullen komen en op die vijver golven zullen veroorzaken."

'Evenzo, broeders, verkrijgt daar iemand, heel afgezonderd van de zinnendingen, de vierde verdieping. Maar in het bewustzijn: 'Ik heb de vierde verdieping verkregen', leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in gezelschap van hen leeft, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Met een door hebzucht gekweld hart evenwel geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.

Veronderstel, broeders, een koning of een koninklijke raadgever is met een vierkoppige legermacht op een lange mars en slaat in een bosgebied voor de nacht het kamp op; en ten gevolge van het lawaai van de olifanten, paarden, wagens en soldaten en het kabaal van de pauken, trommels en trompetten wordt het getjilp van de krekels onhoorbaar. Maar als men nu, broeders, zou zeggen dat men in dat bosgebied vanaf nu geen getjilp van krekels meer zal horen, zou men dan wel met zo'n uitspraak gelijk hebben?" -  "Dat wel niet, broeder. Want aangenomen kan worden dat die koning of koninklijke raadgever het bosgebied verlaat en dat zo het getjilp van de krekels weer te horen zal zijn."

“Evenzo, broeders, verkrijgt daar iemand door het niet acht slaan op alle bestaansvoorwaarden, de onvoorwaardelijke concentratie van de geest.[62]

 Maar in het bewustzijn: 'Ik heb de onvoorwaardelijke concentratie van de geest verkregen', leeft hij in gezelschap van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, koningen en koninklijke raadgevers, valse leraren en discipelen van die valse leraren. En terwijl hij in het gezelschap van hen leeft, ongebonden, onbeteugeld, overgegeven aan praten, wordt zijn hart gekweld door hebzucht. Enr met een hart dat door hebzucht is gekweld, geeft hij de training van monnik op en keert terug naar het lagere leven in de wereld.”

Enige tijd later gaf nu de eerwaarde Citta, de zoon van de olifanten-drijver, de training van monnik op en keerde terug naar het lagere leven in de wereld. Toen gingen de vrienden van de eerwaarde Citta naar de eerwaarde Mahā-Kotthita en zeiden: "Had de eerwaarde Mahā-Kotthita het hart van Citta in de geest doorschouwd en onderkend dat hij in het bezit was van deze en gene staten van verworvenheid, maar dat hij niettemin de training van monnik zou opgeven en terug zou keren naar het lagere leven in de wereld? Of hebben goden hem dit verteld?" - "In de geest, broeders, heb ik het hart van Citta, de zoon van de olifanten-drijver, doorzien en onderkend, en ook goden hebben het mij verteld."

        Hierna gingen de vrienden van Citta naar de Verhevene en vertelden dat Citta de training had opgegeven en weer leek was geworden.

        De Verhevene zei toen dat Citta na niet lange tijd zich zou herinneren aan de verzaking van de wereld. En na niet lange tijd trad Citta weer in de Orde. En eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten vertoevend, verkreeg Citta, de zoon van de olifanten-drijver, dat hoogste doel van het reinheidsleven, omwille waarvan edele zonen helemaal weg van huis in de huisloosheid vertrekken, doordat hij het zelf onderkende en verwerkelijkte. En hij wist: "Opgedroogd is de wedergeboorte, het heilige leven is vervuld; gedaan is wat gedaan moest worden; er is verder niets meer te doen.”[63]

A.VI.61. De naaister ‘begeerte’

Eens verbleef de Verhevene in het hertenpark bij Varanasi. Toen daar meerdere monniken 's middags na de maaltijd samen in de ontvangsthal zaten, ontstond onder hen het volgende gesprek:

"Broeders, dit werd door de Verhevene gezegd in de 'Weg naar de andere oever' op Metteyya's vraag.[64]

“De wijze die beide einden kent

en die niet hecht aan het midden,

hem noem ik een groot man.

Hij is de naaister[65] te boven gekomen."

"Wat nu, broeders, is het ene uiteinde, wat het andere uiteinde, wat is het midden en wie is de naaister?"

Na deze woorden zei een van de monniken tegen de oudere monniken: "De zintuiglijke indruk,[66] broeders, is het ene uiteinde, het ontstaan van de zintuiglijke indruk[67] is het andere uiteinde, de opheffing van de zintuiglijke indruk[68] is het midden, maar het verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waardoor deze of gene vorm van bestaan ontstaat. In zoverre, broeders, onderkent de monnik wat er te onderkennen is, doorziet hij wat doorzien moet worden.[69] Maar doordat hij onderkent wat onderkend moet worden en doorziet wat doorzien moet worden, maakt hij nog tijdens zijn leven een einde aan het lijden."

Daarna zei een andere monnik tegen de oudere monniken: "Het verleden, broeders, is het ene uiteinde, de toekomst is het andere uiteinde, het heden is het midden. Het verlangen echter is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waaruit deze of gene vorm van bestaan ontstaat. In zoverre, broeders, onderkent de monnik wat er te onderkennen is, doorziet hij wat doorzien moet worden."

Een ander zei: "Het aangename gevoel, broeders, is het ene uiteinde, het onaangename gevoel is het andere uiteinde, het gevoel dat noch aangenaam noch onaangenaam is, is het midden. Maar verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waaruit deze of gene vorm van bestaan ontstaat."

Een ander zei: "Het geestelijke[70], broeders, is het ene uiteinde, het lichamelijke is het andere uiteinde, het bewustzijn[71] is het midden. Maar verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waaruit deze of gene vorm van bestaan ontstaat."

Een ander zei: "De zes innerlijke grondslagen van de zintuigen zijn het ene uiteinde, de zes uiterlijke grondslagen van de zintuigen zijn het andere uiteinde, het bewustzijn[72] is het midden. Maar verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waaruit deze of gene vorm van bestaan ontstaat."

Een ander zei: "De persoonlijkheid[73], broeders, is het ene uiteinde, het ontstaan van de persoonlijkheid is het andere uiteinde, de opheffing van de persoonlijkheid is het midden. Maar het verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar waaruit deze of gene vorm van bestaan ontstaat. In zoverre, broeders, onderkent de monnik wat onderkend moet worden, doorziet hij wat  doorzien moet worden. Doordat hij nu onderkent wat onderkend moet worden, doorziet wat doorzien moet worden, maakt hij nog tijdens zijn leven een einde aan het lijden."

Daarna zei een van de monniken tegen de andere monniken: "Naar eigen inzicht, broeders, hebben wij nu allen geantwoord. Laten wij nu naar de Verhevene gaan. Zoals de Verhevene het ons zal uitleggen, zo  willen wij het onthouden.” - "Goed, broeders," gaven die monniken ten antwoord, en de oudere monniken begaven zich daarop naar de Verhevene. Bij de Verhevene aangekomen, begroetten zij hem eerbiedig en gingen terzijde zitten. Daarop vertelden zij aan de Verhevene het hele gesprek dat tussen hen allen had plaatsgevonden en vroegen hem: "Heer, wie heeft correct gesproken?"

“Jullie hebben allen correct gesproken, monniken, ieder op zijn eigen manier. Maar waarop mijn antwoord op Metteyya's vraag in de 'Weg naar de andere oever' betrekking had, dat wil ik jullie nu  vertellen. Luister dus en let goed op mijn woorden.” - “ Ja, Heer," gaven de oudere monniken ten antwoord, en de Verhevene zei:

"De zintuiglijke indruk, monniken, is het ene uiteinde, het ontstaan van de zintuiglijke indruk is het andere uiteinde, de opheffing van de zintuiglijke indruk is het midden. Maar het verlangen is de naaister. Want het verlangen naait beide uiteinden aan elkaar tot ontstaan van deze of gene vorm van bestaan. In zoverre, monniken, onderkent de monnik wat er te onderkennen is, doorziet hij wat doorzien moet worden. Maar doordat hij onderkent wat onderkend kan worden, doorziet wat doorzien kan worden, maakt hij al tijdens zijn leven een einde aan het lijden."

A.VI.62. Het inzicht van de Volmaakte van de menselijke vaardigheden

Tijdens een tocht in het land van Kosala kwam de Verhevene, vergezeld door een grote groep monniken, bij een buurtschap genaamd Dandakappa. Hij boog van de weg af en ging aan de voet van een boom zitten op een voorbereide zitplaats. De monniken evenwel gingen naar Dandakappa om accommodatie te zoeken.

De eerwaarde Ananda echter ging, vergezeld van een aantal monniken, naar de rivier Aciravati om zijn ledematen te wassen. Nadat hij zijn ledematen had gewassen en weer uit de rivier aan de oever was gekomen, ging hij er staan, gekleed in een enkel gewaad, om de ledematen te laten drogen. Toen kwam een van de monniken naar de eerwaarde Ananda en zei tegen hem:

        "Zeg, broeder Ananda, toen de Verhevene van Devadatta verklaarde: 'Devadatta is bestemd voor de lagere wereld, de hel, aeonen lang en niet te redden,' had de Verhevene toen wel alles in de geest overwogen of werd het door hem slechts in een bepaald opzicht gezegd?"

        “Broeder, zo heeft de Verhevene het gezegd.”[74] En de eerwaarde Ananda ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en rapporteerde wat er gebeurd was.

[De Verhevene:] “Ananda, dit zal wel een jongere monnik zijn geweest die pas onlangs in de huisloosheid vertrokken is, of een oude, onverstandige dwaas. Hoe kan men wel over dat wat ik op ondubbelzinnige manier[75] heb uitgelegd, nog twijfel hebben? Ik weet geen andere persoon, Ananda, bij wie ik, voordat ik een verklaring over hem aflegde, zoveel over alles had nagedacht als juist bij Devadatta. Zolang ik namelijk, Ananda, bij Devadatta nog zoveel goeds als het puntje van een haar opmerkte, zolang heb ik van hem nog niet verklaard: 'Devadatta is bestemd voor  de lagere wereld, de hel, aeonen lang en niet te redden.' Maar Ananda, toen ik niet eens zo veel goeds als een haarpuntje bij Devadatta kon opmerken, toen heb ik dit van hem verklaard.

Stel, Ananda, er is een mestkuil die de eigenaar tot aan de rand met uitwerpselen heeft gevuld. Daarin is nu een man tot boven zijn hoofd gezonken. En er komt een andere man aan die hem goedgezind is, bezorgd is over zijn heil en zijn redding en hem uit die mestkuil wil trekken. Maar terwijl hij helemaal rond die mestkuil loopt, kan hij bij die man niet eens een plek van een haarbreed vinden die onbezoedeld is van uitwerpselen, waar hij hem zou kunnen vastpakken om hem eruit te trekken. Evenzo, Ananda, toen ik bij Devadatta niet eens zo veel goeds als een haarpuntje bij Devadatta kon opmerken, toen heb ik van hem verklaard: 'Devadatta is bestemd voor  de lagere wereld, de hel, aeonen lang en niet te redden.'

Als jullie[76] het willen horen, Ananda, dan zal ik jullie het inzicht van de Volmaakte van de menselijke vaardigheden uitleggen." - "Verhevene, het is nu tijd, Gezegende, het is tijd dat de Verhevene zijn inzicht van de menselijke vaardigheden uitlegt."

“Ananda, dan luister en let goed op mijn woorden.” -  “Jawel, Heer.” gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord en de Verhevene zei:

Stel, Ananda, er zijn onbeschadigde en onbedorven zaadkorrels, onbeschadigd door wind en zon, kerngezond en goed bewaard gebleven; die zaait men op vette aarde, op goed bewerkte grond. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels zullen bloeien, groeien en zich ontvouwen?"

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De heilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, onheilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het goede[77] is in hem nog niet vernietigd. Vanuit die drijvende kracht tot het goede zal in hem iets heilzaams verschijnen, en zo zal deze persoon in de toekomst niet meer zijn blootgesteld aan teruggang. Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

Maar stel, Ananda, dat er onbeschadigde en onbedorven zaadkorrels zijn, onbeschadigd door wind en zon, kerngezond en goed bewaard gebleven; die zaait men op een grote rots. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels niet kunnen bloeien, niet kunnen groeien, zich niet kunnen ontwikkelen?"

“Zeker, Heer."

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De onheilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, heilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het slechte is in hem nog niet vernietigd. Vanuit die drijvende kracht tot het slechte zal in hem iets onheilzaams verschijnen, en zo zal deze persoon in de toekomst nog aan teruggang zijn blootgesteld. Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

        

Stel, Ananda, er zijn bedorven en rotte zaadkorrels, beschadigd door wind en zon; die zaait men op vette aarde, op goed bewerkte grond. Zou je dan weten, Ananda, dat deze zaadkorrels niet kunnen bloeien, niet kunnen groeien en zich niet kunnen ontvouwen?"

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: ‘Zelfs niet zoveel goeds als het puntje van een haar bevindt zich in die persoon. Deze persoon is begiftigd met extreem donkere, onheilzame eigenschappen. Bij het verval van het lichaam, na de dood, zal hij in de lagere wereld komen, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.' Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

        Na deze woorden nu zei de eerwaarde Ananda aan de Verhevene aldus: "Heer, kan men nog drie andere mensen noemen als tegenhangers van deze drie?''

"Dat kan men wel, Ananda," gaf de Verhevene ten antwoord.

“Stel, Ananda, men strooit brandende, vurige, gloeiende kolen op een grote rots. Zou je dan weten dat dit kolenvuur niet zal toenemen, niet sterker zal worden en zich niet zal verspreiden?”

“Ja, Heer.”

“Of Ananda, wanneer 's avonds de zon ondergaat, weet je dan dat het licht zal vervagen en de duisternis zal intreden?”

“Zeker, Heer.”

“Of Ananda, wanneer, de tweede helft van de nacht nadert[78], tegen etenstijd,[79] weet je dan dat het licht dan is verdwenen en de duisternis is ingetreden?'

        “Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De heilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, onheilzame eigenschappen maken zich merkbaar, maar de drijvende kracht tot het goede is in hem nog niet vernietigd. Maar ook die komt geheel en al tot verdwijnen. Daarom zal deze persoon in de toekomst aan teruggang zijn blootgesteld.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

        “Maar stel, Ananda, men strooit brandende, vurige, gloeiende kolen op een hoop droog gras of op een stapel brandhout. Zou jij dan weten dat dit vuur verder zal toenemen, sterker zal worden en zich zal verspreiden?"

“Zeker, Heer.”

        “Of Ananda, wanneer 's morgens, bij het ochtendgloren de zon opkomt, weet je dan dat de duisternis zal verdwijnen en het licht zal worden?

“Zeker, Heer.”

        “Of Ananda, wanneer de middag nadert, tegen etenstijd, weet je dan dat de duisternis is verdwenen en dat het helder is geworden?”

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, terwijl ik in de geest zijn hart doorzie: 'De onheilzame eigenschappen van deze persoon zijn verdwenen, heilzame eigenschappen maken zich merkbaar. Weliswaar is de drijvende kracht tot het slechte nog niet vernietigd, maar ook die komt geheel en al tot verdwijnen. Daarom zal deze persoon in de toekomst niet meer aan teruggang zijn blootgesteld.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

Stel, Ananda, men strooit koude, uitgegloeide kolen op een hoop droog gras of een stapel brandhout. Zou je dan weten dat door deze kolen geen vuur kan ontstaan, zich niet kan ontwikkelen en verspreiden?”

“Zeker, Heer.”

“Evenzo, Ananda, onderken ik, wanneer ik in de geest het hart van iemand doorzie: 'In deze persoon bevinden zich zowel heilzame als ook onheilzame eigenschappen.' In de volgende tijd echter onderken ik, wanneer ik in de geest zijn hart doorzie: ‘Zelfs niet zoveel slechts als het puntje van het haar bevindt zich in deze persoon. Met extreem zuivere, onberispelijke eigenschappen is deze persoon begiftigd. Nog tijdens zijn leven zal hij het Nibbana bereiken.’ Zo, Ananda, kent de Volmaakte een persoon wanneer hij in de geest zijn hart doorziet. En zo, Ananda, zijn aan de Volmaakte de vaardigheden van de mensen bekend wanneer hij ze in de geest doorziet. En zo, Ananda, kent de Volmaakte het toekomstige ontstaan van eigenschappen wanneer hij in de geest het hart van de mens doorziet.”

“Hier nu, Ananda, is van de eerste drie personen de ene aan geen teruggang blootgesteld, maar de andere is aan teruggang blootgesteld, en de derde is bestemd voor de lagere werelden, de hel. Van de laatste drie personen echter, Ananda, is de een aan teruggang blootgesteld, maar de ander is niet aan teruggang blootgesteld en de derde is zeker van Nibbana.”

A.VI.63. De doordringende uiteenzetting

"De doordringende uiteenzetting wil ik tonen, monniken, een uiteenzetting van de leer.[80] Dus luister en let goed op mijn woorden." - " Ja, Heer," gaven de monniken ten antwoord. En de Verhevene zei: "Monniken, wat is nu de doordringende uiteenzetting, de uiteenzetting van de leer?

Monniken, de zinnelijke lusten (kāmā) moet men onderkennen alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt naar de opheffing ervan.

De gevoelens moet men onderkennen, de waarnemingen moet men onderkennen, de neigingen moet men onderkennen, het handelen (de wilsacties, kamma) moet men onderkennen, het lijden moet men onderkennen, evenals het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan.

(Zinnelijke lusten) 

Er werd gezegd dat men de zinnelijke lust moet onderkennen, evenals het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dat gezegd?

De volgende vijf zinnelijke dingen (kāmā-gunā) zijn er: de door het oog herkenbare vormen, de door het oor herkenbare geluiden, de door de neus herkenbare geuren, de door de tong herkenbare smaken, de door het lichaam herkenbare lichaamsindrukken, de gewenste, plezierige, aangename, lieflijke, verlangen opwekkende, verrukkelijke.

Maar monniken, zelf zijn die dingen geen 'zinnelijke lusten' (kāmā); slechts 'objecten van de zinnelijke lust' (kāmā-gunā) noemt men die in de discipline van de edelen.

De begeerte van het hart geldt als de zinnelijke lust van de mens, maar niet de lieflijke objecten van deze wereld. De begeerte van het hart geldt als de zinnelijke lust van de mens, het mooie in de wereld blijft daarbij altijd hetzelfde, maar wijzen wenden hun wil ervan af.

En wat, monniken, is het oorzakelijk ontstaan van de zinnelijke lusten? - Afhankelijk van de zinnelijke indruk (phassa)[81] is het ontstaan van de zinnelijke lust.

En wat, monniken, is de verscheidenheid van de zinnelijke lusten? Iets anders, monniken, is de zinnelijke lust bij de vormen, iets anders bij de geluiden, iets anders bij de geuren, iets anders bij de smaken, iets anders bij de lichaamsindrukken.

Monniken, dit noemt men het verschil van de zinnelijke lusten.

En monniken, wat is het resultaat (vipāka) van de zinnelijke lusten? - Deze of die soort van de bestaansvorm die een persoon die ernaar verlangt, tot ontstaan brengt, hetzij een verdienstelijke hetzij een niet verdienstelijke. Dat, monniken, noemt men het resultaat van de zinnelijke lusten.

En monniken, wat is de opheffing van de zinnelijke lusten? - In de opheffing van de zintuiglijke indruk, monniken, bestaat de opheffing van de zinnelijke lusten. Dit edele achtvoudige pad echter is het pad dat leidt naar de opheffing van de zinnelijke lusten, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op zo'n manier de zinnelijke lusten onderkent, alsook het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven,[82] de opheffing van de zinnelijke lusten. Werd dus gezegd dat men de zinnelijke lusten moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt tot de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

(de soorten van gevoel)

Verder werd gezegd dat men de gevoelens moet onderkennen, evenals het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dit gezegd?

Er zijn drie gevoelens, monniken:

het aangename gevoel, het onaangename gevoel en het noch aangename noch onaangename gevoel.

En wat is het oorzakelijk ontstaan van de gevoelens? - Door de zintuiglijke indruk is het ontstaan van de gevoelens bepaald.

En wat is de verscheidenheid van de gevoelens?

Er is een wereldlijk[83] aangenaam gevoel en een bovenwereldlijk aangenaam gevoel, een wereldlijk onaangenaam gevoel en een bovenwereldlijk onaangenaam gevoel, een wereldlijk noch aangenaam noch onaangenaam gevoel en een bovenwereldlijk noch aangenaam noch onaangenaam gevoel.

Dat noemt men de verscheidenheid van de gevoelens.

En wat is het resultaat van de gevoelens? - Deze of die soort van bestaansvorm die men als een voelende tot ontstaan brengt, hetzij een verdienstelijke, hetzij een onverdienstelijke. Dat, monniken, noemt men het resultaat van de gevoelens.

En wat is de opheffing van de gevoelens? - In de opheffing van de zintuiglijke indruk, monniken, bestaat de opheffing van de gevoelens. En dit edele achtvoudige pad is de weg die leidt naar de opheffing van de gevoelens, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op een dergelijke manier de gevoelens onderkent, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven, de opheffing van de gevoelens. Werd dus gezegd dat men de gevoelens moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt tot de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

(de waarnemingen)

Er werd verder gezegd dat men de waarnemingen moet onderkennen, evenals het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dit gezegd?

Er zijn zes waarnemingen, monniken: waarneming van vormen, van geluiden, van geuren, van smaken, van lichaamsindrukken en van geest-objecten.

En wat is het oorzakelijke ontstaan van de waarnemingen? - Monniken, door zintuiglijke indruk bepaald is het ontstaan van de waarnemingen.

En wat is de verscheidenheid van de waarnemingen? - Monniken, anders is de waarneming bij de vormen, anders bij de geluiden, anders bij de geuren, anders bij de smaken, anders bij de lichaamsindrukken en anders bij de geest-objecten. Monniken, dat noemt men de verscheidenheid van de waarnemingen.

En wat is het resultaat van de waarnemingen? - Uit de waarneming zeg ik, monniken, is het spreken het resultaat. Want al naargelang men iets waarneemt, drukt men het in woorden uit: ‘Zo'n waarneming had ik.' Monniken, dat noemt men het resultaat van de waarnemingen.

En wat is de opheffing van de waarnemingen? - Monniken, in de opheffing van de zintuiglijke indruk bestaat de opheffing van de waarnemingen. En dit edele achtvoudige pad is de weg die leidt naar de opheffing van de waarnemingen, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op een dergelijke manier de waarnemingen onderkent, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven, de opheffing van de waarnemingen. Werd dus gezegd dat men de waarnemingen moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt tot de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

(de neigingen)

Er werd verder gezegd dat men de neigingen moet onderkennen, evenals het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dit gezegd?

Monniken, er zijn drie neigingen: de zinnelijkheids-neiging, de bestaans-neiging en de onwetendheids-neiging.

En wat is het oorzakelijke ontstaan van de neigingen? - Monniken, door onwetendheid is het ontstaan van de neigingen bepaald.

En wat is de verscheidenheid van de neigingen?

Er zijn neigingen die naar de hel leiden; er zijn neigingen die naar de dierenwereld leiden; er zijn neigingen die naar het rijk van de geesten leiden; er zijn neigingen die naar de menselijke wereld leiden; er zijn neigingen die naar de wereld van de goden leiden.

Monniken, dat noemt men de verscheidenheid van de neigingen.

En wat is het resultaat van de neigingen? - Deze of gene vorm van bestaan die men als een onwetende tot ontstaan brengt, hetzij een verdienstelijke hetzij een vol schuld. Monniken, dat noemt men het resultaat van de neigingen.

En wat is de opheffing van de neigingen? - In de opheffing van de onwetendheid, monniken, bestaat de opheffing van de neigingen. En dit edele achtvoudige pad is de weg die leidt naar het opheffen van de neigingen, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op een dergelijke manier de neigingen onderkent, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven, de opheffing van de neigingen. Werd dus gezegd dat men de neigingen moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

(het handelen (de wilsacties)

Er werd verder gezegd dat men het handelen (de wilsacties, kamma) moet onderkennen, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dit gezegd?

Monniken, de wil noem ik het handelen, want nadat men het heeft gewild, verricht men het handelen in daden, woorden en gedachten.

En wat is het oorzakelijke ontstaan van het handelen[84]? - Door de indruk van de zintuigen, monniken, is het ontstaan van het handelen bepaald.  

En wat is de verscheidenheid van het handelen?

Er is een handelen dat in de hel rijpt; er is een handelen dat in dierenwereld rijpt; er is een handelen dat in het rijk van de geesten rijpt; er is een handelen dat in de menselijke wereld rijpt; er is een handelen dat in de wereld van de goden rijpt.

Monniken, dat noemt men de verscheidenheid van het handelen.

En wat is het resultaat van het handelen? - Monniken, driedelig, zeg ik, is het resultaat van het handelen: het heeft een resultaat ofwel in dit leven, of in het volgende of in een later leven.[85] 

Monniken, dat noemt men het resultaat van het handelen.

En wat is de opheffing van het handelen? - De opheffing van de zintuiglijke indruk is de opheffing van het handelen. En dit edele achtvoudige pad is de weg die leidt naar de opheffing van het handelen, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op een dergelijke manier het handelen onderkent, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven, de opheffing van het handelen. Werd dus gezegd dat men het handelen moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

(het lijden[86])

Er werd verder gezegd dat men het lijden moet onderkennen, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan. Maar waarom werd dit gezegd?

Geboorte is lijden; ouderdom is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; zorgen, geweeklaag, pijn, droefenis en wanhoop zijn lijden; niet verkrijgen wat men verlangt, ook dat is lijden; kortom: de vijf groepen van bestaan die het hechten als objecten dienen, zijn lijden.

En wat is het oorzakelijke ontstaan van het lijden? - Monniken, door het verlangen is het ontstaan van het lijden bepaald.

En wat is de verscheidenheid van het lijden?

Er is een groot lijden, en er is een klein lijden; er is een moeilijk te overwinnen lijden, en er is een gemakkelijk te overwinnen lijden.

Monniken, dat noemt men de verscheidenheid van het lijden.

En wat is het resultaat van het lijden? - Monniken, omdat men door lijden overweldigd en geestelijk geboeid wordt, zich kwelt, jammert, huilend op de borst slaat, wanhopig wordt; of omdat men, door lijden overweldigd en geestelijk geboeid, zijn hoop naar buiten richt en denkt: 'Wie kent er wel een of twee magische spreuken om dit lijden te verdrijven?' Daarom zeg ik, monniken, ontstaat uit het lijden ofwel wanhoop of hoop.

Dat, monniken, noemt men het resultaat van het lijden.

Wat nu is de opheffing van het lijden? - In de opheffing van het verlangen (tanhā) bestaat de opheffing van het lijden. Dit edele achtvoudige pad nu is de weg die leidt naar de opheffing van het lijden, namelijk: juist inzicht, juiste mentaliteit, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste opmerkzaamheid en juiste concentratie.

Monniken, in zoverre nu de edele discipel op een dergelijke manier het lijden onderkent, alsmede het oorzakelijke ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, in zoverre kent hij dit doordringende heilige leven, de opheffing van het lijden. Werd dus gezegd dat men het lijden moet onderkennen, alsmede het oorzakelijk ontstaan ervan, de verscheidenheid ervan, het resultaat ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, dan werd dat hierom gezegd.

        Monniken, dit is de doordringende uiteenzetting, de uiteenzetting van de leer.”

A.VI.64. De zes krachten van de Volmaakte

        Monniken, zes krachten zijn aan de Volmaakte eigen.[87] Daarmee voorzien maakt hij aanspraak op de hoogste plaats, laat hij onder de mensen het leeuwengebrul weerklinken, en sticht hij het rijk van de heiligheid. Die zes krachten zijn:

        Monniken, de Volmaakte onderkent de werkelijkheid overeenkomstig het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.

        Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid het resultaat van de daden die in het verleden, heden en toekomst verricht zijn; hij onderkent dat resultaat elk naar reden en oorzaak.

        Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de droefheid, de zuiverheid en het zich eruit verheffen[88] bij de meditatieve verdiepingen, bij de bevrijdingen (vimokkha), de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden.

        Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, verder herinnert de Volmaakte zich aan talrijke vroegere wedergeboorten, met de specifieke kenmerken en eigenschappen ervan.

        Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, verder onderkent de Volmaakte met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke, hoe de wezens heengaan en weer verschijnen, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige; hij onderkent hoe de wezens overeenkomstig hun daden weer verschijnen.

        Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, verder heeft de Volmaakte, na opdroging van de neigingen, nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid zelf ingezien.

        Monniken, dat hij dit bereikt heeft, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, dit zijn de zes krachten van de Volmaakte die aan de Volmaakte eigen zijn en waarmee voorzien hij aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

        Monniken, wanneer nu anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.        

        Monniken wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het resultaat van de in het verleden, heden en toekomst verrichte daden, elk naar reden en oorzaak, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.

         Monniken wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de droefheid, de zuiverheid en het omhoog stijgen bij de verdiepingen, de bevrijdingen (vimokkha), de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.

        Monniken wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de herinnering aan talrijke vroegere wedergeboorten, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.

        Monniken wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het heengaan en weer verschijnen van de wezens, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.        Monniken wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de vernietiging van de neigingen, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.        

        Maar dit overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het mogelijke als mogelijk, van het onmogelijke als onmogelijk, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde. En ook dat overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de in het verleden, heden en toekomst verrichte daden, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde. En ook dit overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de bezoedeling, de zuivering en het omhoogstijgen bij de verdiepingen, de bevrijdingen (vimokkha), de concentratie en de bereikingstoestanden, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde. En ook dit overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de herinnering aan talrijke vroegere wedergeboorten, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde. En ook dit overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het heengaan en weer verschijnen van de wezens, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde. En ook dit overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de vernietiging van de neigingen, dat is alleen eigen aan de geconcentreerde, niet aan de ongeconcentreerde.

        Monniken, hiermee is de concentratie de juiste weg, het ongeconcentreerd zijn echter een dwaalspoor.

        

Hoofdstuk 7: devatā-vagga

A.VI.65. De niet-wederkeer

Monniken, zonder zes eigenschappen overwonnen te hebben, is men niet in staat om het doel van de niet-wederkeer (anāgāmī-phala) te verwerkelijken. Welke zes? - Vertrouwenloosheid, schaamteloosheid, gewetenloosheid, traagheid, onoplettendheid en onwijs zijn.

Maar monniken, wie deze zes eigenschappen heeft overwonnen, die is in staat om het doel van de niet-wederkeer te verwerkelijken.

A.VI.66. De heiligheid

Monniken, zonder zes eigenschappen overwonnen te hebben, is men niet in staat om heiligheid te verwerkelijken. Welke zes? - Geestelijke starheid, luiheid, opgewondenheid, rusteloosheid van geweten, gebrek aan vertrouwen en onzorgvuldigheid.

Maar monniken, wie deze zes eigenschappen heeft overwonnen, die is in staat om de heiligheid te verwerkelijken.

A.VI.67. Het een uit het andere I

Monniken, het is onmogelijk dat een monnik die slechte vrienden, slechte kameraden, slechte metgezellen heeft, de regels van voorbeeldig gedrag zal vervullen terwijl hij zo'n slechte vriendschap onderhoudt en koestert, zich bij zulke slechte vrienden aansluit en hun voorbeeld volgt. En het is ook niet mogelijk dat hij, zonder de regels van voorbeeldig gedrag vervuld te hebben, de regels van de discipline zal vervullen. En dat hij, zonder de regels van de discipline vervuld te hebben, de regels van deugdzaamheid zal vervullen, ook dat is niet mogelijk.[89] En dat hij, zonder de regels van deugdzaamheid vervuld  te hebben, de zinnelijke begeerte, de begeerte naar fijnstoffelijk bestaan of naar een onstoffelijk bestaan kan opgeven, ook dat is niet mogelijk.

Maar monniken, dat een monnik die edele vrienden, edele kameraden, edele metgezellen heeft, de regels van voorbeeldig gedrag zal vervullen terwijl hij zo'n edele vriendschap onderhoudt en koestert, zich bij zulke edele vrienden aansluit en hun voorbeeld volgt, dat is goed mogelijk. En dat hij, wanneer hij de regels van voorbeeldig gedrag vervult, de regels van de discipline zal vervullen, ook dat is mogelijk. En dat hij, wanneer hij de regels van de discipline vervult, de regels van deugdzaamheid zal vervullen, ook dat is mogelijk. En dat hij, wanneer hij de regels van deugdzaamheid vervult, de zinnelijke begeerte, de begeerte naar fijnstoffelijk bestaan of naar een onstoffelijk bestaan zal opgeven, ook dat is mogelijk.

A.VI.68. Het een uit het andere II

Monniken, dat een monnik die graag in gezelschap is en van gezelligheid geniet, die zich overgeeft aan de vreugde van gezelligheid; die aan trouwe aanhangers vreugde en plezier heeft, die zich overgeeft aan de vreugde van trouwe aanhangers - dat zo iemand van eenzame afzondering zal genieten, is niet mogelijk. En zonder van eenzame afzondering te genieten, is het niet mogelijk dat hij het geestelijke object [van de meditatie] vast kan houden. En dat hij, zonder het geestelijke object te kunnen vasthouden, het juiste inzicht tot volmaaktheid zal brengen, ook dat is niet mogelijk. En dat hij, zonder het juiste inzicht tot volmaaktheid te hebben gebracht, de juiste concentratie tot volmaaktheid zal brengen, dat is niet mogelijk. En dat hij, zonder de juiste concentratie tot volmaaktheid te hebben gebracht, de boeien zal overwinnen, dat is niet mogelijk. En dat hij, zonder de boeien overwonnen te hebben, daar het Nibbana zal verwerkelijken, dat is niet mogelijk.

Maar dat een monnik die niet graag in gezelschap is en niet van gezelligheid geniet, die zich niet overgeeft aan de vreugde van gezelligheid; die aan trouwe aanhangers geen vreugde en geen plezier heeft, die zich niet overgeeft aan de vreugde van trouwe aanhangers - dat zo iemand van eenzame afzondering zal genieten, is goed mogelijk. En het is mogelijk dat hij, van eenzame afzondering genietend, het geestelijke object [van de meditatie] vast zal houden. En het is mogelijk dat hij, het geestelijke object vasthoudend, het juiste inzicht tot volmaaktheid zal brengen. En het is mogelijk dat hij bij volmaakt juiste inzicht, de juiste concentratie tot volmaaktheid brengt. En het is mogelijk dat hij bij volmaakte juiste concentratie de boeien overwint. En het is mogelijk dat hij, na het overwinnen van de boeien het Nibbana zal verwerkelijken.

A.VI.69. Zes bevorderlijke eigenschappen

De Verhevene zei tegen de monniken: “Vannacht, monniken, kwam op een vergevorderd uur een godheid, met haar heerlijke glans het hele Jeta-bosje rondom verlichtend, naar mij toe, begroette mij vol eerbied en ging terzijde staan. Terzijde staand sprak deze godheid nu aldus tegen mij: 'Zes eigenschappen, Heer, strekken de monnik tot steun. Welke zes? Eerbied voor de meester, eerbied voor de leer, eerbied voor de gemeenschap van de monniken, eerbied voor de geestelijke training, toegankelijkheid en edele vriendschap. Deze zes eigenschappen, Heer, strekken de monnik tot steun.' Aldus sprak die godheid. Daarna begroette zij mij vol eerbied en verdween terwijl ze mij de rechter schouder toekeerde.

Na deze woorden maakte de eerwaarde Sāriputta eerbiedig een buiging voor de Verhevene en zei: "Heer, de betekenis van datgene wat de Gezegende daar in het kort heeft gezegd, begrijp ik uitvoerig als volgt: Heer, daar is een monnik zelf vol eerbied voor de Meester, en hij prijst die eerbied voor de Meester. Maar de andere monniken, die geen eerbied voor de Meester hebben, hen spoort hij tot eerbied aan; en aan die monniken die vol eerbied voor de Meester zijn, aan hen brengt hij zijn lofprijzing, overeenkomstig de waarheid en werkelijkheid, op de juiste tijd. Hij is zelf vol eerbied voor de leer - voor de gemeenschap van de monniken - voor de geestelijke training - is zelf toegankelijk - onderhoudt zelf edele vriendschap en spreekt de lofprijzing van edele vriendschap. Maar die monniken die geen edele vriendschap onderhouden, die spoort hij aan tot het onderhouden van edele vriendschap; en aan die monniken die edele vriendschap onderhouden, aan hen brengt hij op de juiste tijd zijn lofprijzing, overeenkomstig de waarheid en werkelijkheid. Op deze manier, Heer, begrijp ik de volledige betekenis van wat de Verhevene in het kort heeft gezegd."

"Correct, Sāriputta. Juist, Sāriputta, begrijp jij in elk detail de betekenis van wat ik in het kort heb gezegd. Want de betekenis van wat ik in het kort heb gezegd, moet men uitvoerig op deze manier begrijpen."

A.VI.70. De zes hogere geestelijke krachten

Monniken, wanneer de concentratie van een monnik niet vredig en verheven is, niet naar kalmte en eenheid van de geest heeft geleid, dan is het niet mogelijk dat hij achtereenvolgend van de veelvuldige magische vermogens zal genieten. En het is voor hem niet mogelijk om met het hemelse oor, het gezuiverde, bovenmenselijke, beide geluiden te horen, zowel hemelse als menselijke, ver weg en nabij; het is voor hem niet mogelijk om in zijn geest de harten van andere wezens en personen te onderkennen; het is voor hem niet mogelijk om zich de talrijke eerdere vormen van bestaan te herinneren; het is voor hem niet mogelijk om met het hemelse oog, het gezuiverde, bovenmenselijke, te onderkennen hoe de wezens sterven en weer verschijnen; het is voor hem niet mogelijk om nog tijdens zijn leven, na opdroging van de neigingen, de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid zelf in te zien, te verwerkelijken en zich eigen te maken.

Maar monniken, wanneer de concentratie van een monnik vredig is en verheven en tot kalmte en eenheid van de geest heeft geleid, dan is het wel mogelijk dat hij dit alles zal bereiken.

A.VI.71. Het vermogen van het verwerkelijken

Monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden worden aangetroffen, is niet in staat om op dit of dat gebied het vermogen van het verwerkelijken te verkrijgen. Welke zijn deze zes omstandigheden?

Daar onderkent de monnik niet overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot achteruitgang'; hij onderkent niet overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot stilstand'; hij onderkent niet overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden naar vooruitgang'; hij onderkent niet overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot het doordringen'; hij oefent niet grondig; hij doet wat nadelig voor hem is. Een monnik bij wie deze zes omstandigheden worden aangetroffen, is niet in staat om op dit of dat gebied het vermogen van het verwerkelijken te verkrijgen.

Maar monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden worden aangetroffen, is wel in staat om op dit of dat gebied het vermogen van het verwerkelijken te verkrijgen. Welke zijn die zes omstandigheden?

Daar onderkent de monnik overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot achteruitgang'; hij onderkent overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot stilstand'; hij onderkent overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden naar vooruitgang'; hij onderkent overeenkomstig de werkelijkheid: 'Deze dingen leiden tot het doordringen'; hij oefent grondig; hij doet wat voordelig voor hem is.

Monniken, een monnik bij wie deze zes omstandigheden worden aangetroffen, is wel in staat om op dit of dat gebied het vermogen van het verwerkelijken te verkrijgen.

A.VI.72. Vastheid in de concentratie

Monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden worden aangetroffen, is niet in staat om standvastigheid in de concentratie van de geest te bereiken. Wat zijn deze zes omstandigheden? Daar is de monnik niet erin bedreven om in de concentratie van de geest in te treden; hij is niet erin bedreven om in de concentratie te blijven; hij is niet erin bedreven om zich uit de concentratie te verheffen; hij oefent niet ijverig; hij oefent niet constant; hij doet wat nadelig is. Een monnik bij wie deze zes omstandigheden te vinden zijn, die is, monniken, niet in staat om standvastigheid in de concentratie van de geest te bereiken.

        Maar monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden worden aangetroffen, is wel in staat om standvastigheid in de concentratie van de geest te bereiken. Wat zijn deze zes omstandigheden? Daar is de monnik erin bedreven om in de concentratie van de geest in te treden; hij is erin bedreven om in de concentratie te blijven; hij is erin bedreven om zich uit de concentratie te verheffen; hij oefent ijverig; hij oefent constant; hij doet wat voordelig is.

Een monnik bij wie deze zes omstandigheden te vinden zijn, die is, monniken, wel in staat om standvastigheid in de concentratie van de geest te bereiken.

A.VI.73. Het bereiken van de eerste verdieping  

        Monniken, zonder zes dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om in de eerste verdieping in te treden. Welke zijn die zes dingen?

  1. zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust, begeerte;
  2. haat, afkeer, kwaadwil;
  3. traagheid en luiheid;
  4. rusteloosheid en zich zorgen maken, piekeren, gewetenswroeging;
  5. twijfel;
  6. en het niet overeenkomstig de werkelijkheid met volmaakte wijsheid helder inzien van de ellende van de zinnelijke lusten.

Monniken, zonder deze zes dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om in de eerste verdieping in te treden.

        Maar wie deze dingen heeft overwonnen, die is wel in staat om in de eerste verdieping in te treden.

A.VI.74. Het bereiken van de eerste verdieping II

Monniken, zonder zes dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om in de eerste verdieping in te treden. Welke zijn die zes dingen?

Begerige gedachten, hatelijke gedachten, schadelijke gedachten; begeerlijke denkbeelden, hatelijke denkbeelden en schadelijke denkbeelden.

Monniken, zonder deze zes dingen overwonnen te hebben is men niet in staat om in de eerste verdieping in te treden.

        Maar wie deze dingen heeft overwonnen, die is wel in staat om in de eerste verdieping in te treden.

Hoofdstuk 8: arahatta-vagga

A.VI.75. Twee soorten einde

De monnik die met zes dingen behept is, monniken, leeft al tijdens het leven ellendig, vol leed, wanhoop en kwelling, en bij het verval van het lichaam, na de dood heeft hij een pijnlijk einde te verwachten. Wat zijn deze zes dingen?

Begeerlijke gedachten, hatelijke gedachten, schadelijke gedachten; begeerlijke denkbeelden, hatelijke denkbeelden en schadelijke denkbeelden.

        Maar de monnik die met de volgende zes dingen voorzien is, leeft al tijdens het leven gelukkig, zonder leed, wanhoop en kwelling, en bij het verval van het lichaam, na de dood heeft hij een gelukkig einde te verwachten. Wat zijn deze zes dingen?

Verzakende gedachten, haatloze gedachten, vreedzame gedachten; verzakende denkbeelden, haatloze denkbeelden en vreedzame denkbeelden.

A.VI.76. Verwerkelijking van de heiligheid

Monniken, zonder zes dingen overwonnen te hebben, is men niet in staat om de heiligheid te verwerkelijken. Welke zes?

Eigenwaan, minderwaardigheidsgevoel, superioriteitsgevoel, zelfingenomenheid, koppigheid en

onterende onderdanigheid.

Maar monniken, wie deze zes dingen heeft overwonnen, die is wel in staat om de heiligheid te verwerkelijken.

A.VI.77. Verwerkelijking van het hoogste inzicht

Monniken, zonder zes dingen overwonnen te hebben, is men niet in staat om het bovenmenselijke, edele, hoogste inzicht te verwerkelijken. Welke zes?

Achteloosheid, geestelijke onhelderheid, onbewaakte deuren van de zintuigen, onmatigheid bij de maaltijd, huichelarij en opschepperij.

Maar monniken, wie deze zes dingen heeft overwonnen, die is wel in staat om het bovenmenselijke, edele, hoogste inzicht te verwerkelijken.

A.VI.78. De middelen tot opdroging van de neigingen

Monniken, de monnik, die begiftigd is met zes eigenschappen leeft al tijdens zijn leven gelukkig en vol innerlijke blijdschap en heeft de volle middelen tot opdroging van de neigingen. Wat zijn deze zes eigenschappen?

De monnik heeft vreugde aan de leer, vreugde aan de ontwikkeling van de geest, vreugde aan het opgeven, vreugde aan de afzondering, vreugde aan het oord zonder leed, vreugde aan het bevrijd zijn van de wereld.[90] 

A.VI.79. Het verwerven van het goede

Monniken,  een monnik bij wie zes dingen te vinden zijn, is niet in staat om het goede dat nog niet bereikt is, te bereiken en om het goede dat bereikt is, te versterken. Welke zijn deze zes dingen?

Daar kent de monnik niet wat voordelig is; hij kent niet het nadelige; hij kent niet de juiste middelen; hij wekt niet zijn wil op om het goede dat nog niet verkregen is, te verkrijgen; hij waakt niet over het goede dat verworven is; hij streeft niet naar volharding.

Maar een monnik, bij wie de volgende zes dingen te vinden zijn, die is wel in staat om het goede dat nog niet bereikt is te bereiken en om goede dat bereikt is te versterken. Welke zijn deze zes dingen?

Daar kent de monnik wat voordelig is; hij kent het nadelige; hij kent de juiste middelen; hij wekt zijn wil op om het goede dat nog niet verkregen is, te verkrijgen; hij waakt over het goede dat verworven is; hij streeft naar volharding.

A.VI.80. Geestelijke macht

        

Monniken, met zes eigenschappen uitgerust, krijgt de monnik na helemaal niet lange tijd grootte en macht in geestelijke dingen. Welke zijn deze zes eigenschappen?

1. Daar bezit de monnik grote helderheid van geest,[91] 

2. grote toewijding,

3. groot enthousiasme,

4. grote ontevredenheid [over wat tot nu toe bereikt is],[92] 

5. Hij is niet nalatig in het goede en

6. hij streeft altijd hoger.

A.VI.81-82. Hel en hemel

Monniken, bij wie de volgende dingen te vinden zijn, die gaat overeenkomstig zijn daden naar de hel. Welke dingen?

Moord, diefstal, echtbreuk, leugens, lasteren, grofheid, geklets, hebzucht en meedogenloosheid, ambitie en verkeerde visie.

        Maar wie zich van deze dingen distantieert, die komt overeenkomstig zijn daden in een hemelse wereld.

A.VI.83. Het bereiken van heiligheid

Monniken, wanneer de monnik zes eigenschappen heeft, is hij niet in staat om het hoogste goed, de heiligheid te verwerkelijken. Welke zijn deze zes kenmerken?

Daar is de monnik zonder vertrouwen, is schaamteloos, gewetenloos, traag, onwijs en bezorgd over lichaam en leven.

Maar uitgerust met de volgende zes eigenschappen is de monnik wel in staat om het hoogste goed, de heiligheid te verwerkelijken. Welke zijn deze zes eigenschappen?

De monnik heeft vertrouwen, schaamte, nauwgezetheid, wilskracht, wijsheid en is niet bezorgd over lichaam en leven.

A.VI.84.  Achteruitgang en vooruitgang

Monniken, behept met zes eigenschappen heeft een monnik, ongeacht welke dag of nacht het is, een teruggang in het goede te  verwachten, geen vooruitgang. Welke zijn deze zes eigenschappen?

Een monnik heeft veel wensen, heeft een slecht humeur en is ontevreden met datgene wat hij aan gewaden, aalmoezen-voedsel, slaapplaats en medicijnen ontvangt; hij is zonder vertrouwen, immoreel, traag, onachtzaam en zonder wijsheid.

Maar uitgerust met de volgende zes eigenschappen heeft een monnik, ongeacht welke dag of nacht het is, een vooruitgang in het goede te verwachten, geen achteruitgang. Welke zijn deze zes eigenschappen?

Een monnik heeft niet veel wensen, heeft geen slecht humeur, en hij is tevreden met alles wat hij ontvangt aan gewaden, aalmoezen-voedsel, slaapplaats en medicijnen; hij heeft vertrouwen, zuiverheid van moraliteit, wilskracht, opmerkzaamheid en wijsheid.

Hoofdstuk 9: sīti-vagga

A.VI.85. De uitdoving

Monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden te vinden zijn, die is niet in staat om de hoogste uitdoving[93] [van de hartstochten] te verwerkelijken. Welke zijn deze zes omstandigheden?

Wanneer de monnik op een tijd dat hij zijn geest moet beteugelen, ze niet beteugelt; op een tijd dat hij ze moet inspannen, ze niet inspant; op een tijd dat hij ze moet opvrolijken, ze niet opvrolijkt; op een tijd dat hij ze gelijkmoedig moet stemmen, ze niet gelijkmoedig stemt; wanneer hij neigt naar het lage en plezier vindt aan zijn eigen persoon.[94]

        

        Maar monniken, een monnik bij wie zes omstandigheden te vinden zijn, die is wel in staat om de hoogste uitdoving [van de hartstochten] te verwerkelijken. Welke zijn deze zes omstandigheden?

        Wanneer de monnik op een tijd dat hij zijn geest moet beteugelen, ze beteugelt; op een tijd dat hij ze moet inspannen, ze inspant; op een tijd dat hij ze moet opvrolijken, ze opvrolijkt; op een tijd dat hij ze gelijkmoedig moet stemmen, ze gelijkmoedig stemt; wanneer hij neigt naar het hoge en plezier vindt aan Nibbana.

A.VI.86. Het pad van zekerheid I

Monniken, wie met zes dingen is behept, die is, zelfs wanneer hij de Goede Leer te horen krijgt, niet in staat om het pad van de zekerheid[95] te verwerven, de volmaaktheid in het goede. Welke zijn deze zes?

Hij is gehandicapt door zijn daden,[96] gehandicapt door zijn hartstochten,[97] gehandicapt door het resultaat van zijn daden;[98] hij is zonder vertrouwen, zonder wilskracht en onwijs.

        Maar monniken, wie met de volgende zes dingen is voorzien, die is, wanneer hij de Goede Leer te horen krijgt, wel in staat zijn om het pad van de zekerheid te verwerven, de volmaaktheid in het goede. Welke zijn deze zes?

        Hij is noch door zijn daden gehandicapt, noch door zijn hartstochten, noch door het resultaat van zijn daden; hij bezit vertrouwen, wilskracht en wijsheid.

A.VI.87. Het pad van zekerheid II

        Monniken, wie met zes dingen behept is, die is, zelfs wanneer hij de Goede Leer te horen krijgt, niet in staat om het pad van de zekerheid[99] te verwerven, de volmaaktheid in het goede. Welke zijn deze zes?

Zijn moeder heeft hij van het leven beroofd, zijn vader heeft hij van het leven beroofd, een heilige heeft hij van het leven beroofd, met een boosaardig hart heeft hij het bloed van de Volmaakte vergoten, hij heeft een splitsing in de gemeenschap van de monniken veroorzaakt; en hij is onwijs, dom en stompzinnig.

Wie met het tegenovergestelde voorzien is, die is wel in staat om het pad van de zekerheid te verwerven.

A.VI.88. Het pad van zekerheid III

Monniken, wie met zes dingen behept ist, die is, zelfs wanneer hij de Goede Leer te horen krijgt, niet in staat om het pad van de zekerheid te verwerven, de volmaaktheid in het goede. Welke zijn deze zes?

Als de door de Volmaakte verkondigde leer en de discipline wordt gereciteerd, dan luistert hij niet graag ernaar, leent er geen gehoor aan, richt zijn geest niet naar het begrijpen ervan; het onheilzame pakt hij op, het heilzame vermijdt hij, en hij heeft een overtuiging die tegen de leer is.[100]

Maar monniken, wie met de volgende zes dingen is voorzien, die is, wanneer hij de Goede Leer te horen krijgt, wel in staat zijn om het pad van de zekerheid te verwerven, de volmaaktheid in het goede. Welke zijn deze zes?

Als de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline wordt gereciteerd, dan luistert hij graag ernaar, leent er gewillig gehoor aan, richt zijn geest tot het begrijpen ervan; het heilzame pakt hij op, hij vermijdt het onheilzame, en hij heeft een overtuiging die in overeenkomst met de leer is.

A.VI.89-91. Meesterschap in inzicht I-III

Monniken, zonder zes dingen te hebben overwonnen, is men niet in staat om meesterschap in inzicht[101] te verwerkelijken. Welke zes?

        Geloof in persoonlijkheid, twijfel, hechten aan regels en riten,[102] hebzucht die leidt naar lagere werelden, haat die leidt naar lagere werelden, verblinding die leidt naar lagere werelden.[103]        

Maar monniken, wie deze zes dingen heeft overwonnen, die is in staat om meesterschap in inzicht te verwerkelijken. Deze zes dingen, monniken, heeft de persoon die inzicht bezit[104] overwonnen. En monniken, de met inzicht vervulde persoon is niet in staat om deze zes dingen in zich te laten opkomen.

A.VI.92-95. Zes onmogelijkheden I-IV

Er zijn zes onmogelijkheden, monniken. Welke zes?

(92) Het is onmogelijk dat iemand die inzicht bezit, zonder respect en eerbied is voor de Meester, voor de leer, voor de gemeenschap van de monniken en voor de geestelijke training; dat hij zich op een ontoelaatbaar gebied begeeft[105] en dat hij een achtste wedergeboorte krijgt.

(93) Het is onmogelijk dat iemand die inzicht heeft een vorm van bestaan als onvergankelijk beschouwt; dat hij een vorm van bestaan als geluk brengend beschouwt; dat hij iets als een zelf beschouwt; dat hij een van de ernstige vergrijpen begaat; dat hij hoopt op zuivering door bijgelovige praktijken;[106] dat hij buiten [deze Orde] zoekt naar degenen die de gaven waardig zijn.

(94) Het is onmogelijk dat iemand die inzicht heeft, zijn moeder van het leven berooft, zijn vader van het leven berooft, een heilige van het leven berooft, met kwaadgezind hart het bloed van de Volmaakte vergiet, een splitsing in de gemeenschap van de monniken veroorzaakt of een andere meester kiest.

(95) Het is onmogelijk dat iemand die inzicht heeft, zou geloven dat vreugde en lijden door zichzelf zijn geschapen, of door anderen zijn geschapen, of gedeeltelijk zelf zijn geschapen, gedeeltelijk door anderen zijn geschapen, of niet zelf zijn geschapen maar zonder oorzaak zijn ontstaan,[107] of dat zij niet door anderen geschapen zijn maar zonder oorzaak zijn geschapen, of dat zij noch door zichzelf noch door anderen geschapen zijn maar zonder oorzaak zijn ontstaan. En waarom is dat? Omdat iemand die inzicht heeft de oorzaken en de oorzakelijk ontstane verschijnselen duidelijk heeft doorzien.

Monniken, dat zijn de zes onmogelijke dingen.

Hoofdstuk 10: ānisamsa-vagga

A.VI.96. Zes zeldzaamheden

Zes dingen zijn heel zeldzaam in de wereld:

1) Zeldzaam in de wereld is het verschijnen van een Volmaakt Verlichte Boeddha.

2) Zeldzaam in de wereld is het verschijnen van een leraar van de leer en Vinaya die door de Volmaakte verkondigd is.

3) Zeldzaam in de wereld is wedergeboorte in het land van de Ariyas.[108]

4) Zeldzaam in de wereld is het in het bezit te zijn van gezonde zintuigen.

5) Zeldzaam in de wereld is de afwezigheid van domheid en stompzinnigheid.

6) Zeldzaam in de wereld is de wil om het goede te doen.[109]

A.VI.97. Voordelen van stroomintrede

Het verwerven van de vrucht van in de stroom treden[110] heeft zes voordelen:

1) Men is gevestigd in de goede leer;[111] 

2) het is onmogelijk om terug te vallen;

3) aan het lijden heeft men een grens gezet;[112] 

4) men is begiftigd met bovennatuurlijke kennis;

5) men heeft een helder begrip van de oorzaken, en

6) van de dingen die uit de oorzaken ontstaan.

        

A.VI.98. Overtuiging overeenkomstig de leer I

Monniken, wanneer een monnik een vorm van bestaan als bestendig beschouwt, dan is het onmogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft.

En als hij geen overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het  onmogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden.

Zonder het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben, is het onmogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

Maar monniken, wanneer een monnik elke vorm van bestaan als vergankelijk beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer zal hebben. En als hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het wel mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En als hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het wel mogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

A.VI.99. Overtuiging overeenkomstig de leer II

Monniken, wanneer een monnik een vorm van bestaan als geluk brengend beschouwt, dan is het onmogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft. En als hij geen overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het  onmogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden. Zonder het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben, is het onmogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

Maar monniken, wanneer een monnik elke vorm van bestaan als lijden brengend beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer zal hebben. En als hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het wel mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En als hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het wel mogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

A.VI.100.  Overtuiging overeenkomstig de leer III

Monniken, wanneer een monnik iets als een ik[113] beschouwt, dan is het onmogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft. En als hij geen overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het  onmogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden. Zonder het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben, is het onmogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

Maar monniken, wanneer een monnik elke verschijning als niet-ik beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer zal hebben. En als hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het wel mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En als hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het wel mogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

A.VI.101. Overtuiging overeenkomstig de leer IV

Monniken, wanneer een monnik het Nibbana als lijden beschouwt, dan is het onmogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft. En als hij geen overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het  onmogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid kan betreden. Zonder het volmaakte pad van zekerheid betreden te hebben, is het onmogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

Maar monniken, wanneer een monnik het Nibbana als geluk beschouwt, dan is het wel mogelijk dat hij een overtuiging overeenkomstig de leer zal hebben. En als hij een overtuiging overeenkomstig de leer heeft, dan is het wel mogelijk dat hij het volmaakte pad van zekerheid zal betreden. En als hij het volmaakte pad van zekerheid heeft betreden, dan is het wel mogelijk dat hij de vrucht van de stroomintrede, van de eenmaal wederkeer, van de niet-wederkeer of van heiligheid zal verwerkelijken.

A.VI.102. Onbeperkte voorstelling van de vergankelijkheid

Wanneer een monnik zes zegeningen overweegt, monniken, dan is het waarlijk genoeg voor hem om onbeperkt de voorstelling van de vergankelijkheid van alle vormen van bestaan op te wekken. Welke zijn de zes zegeningen?

'Alle vormen van bestaan zullen mij als onbestendig verschijnen.

Mijn hart zal aan de hele wereld geen behagen meer vinden.

Mijn hart zal boven de hele wereld uitstijgen.

Mijn hart zal naar Nibbana geneigd zijn.

Mijn boeien zullen verdwijnen.

Ik zal met het hoogste ascetendom uitgerust zijn.'

A.VI.103.  Onbeperkte voorstelling van dukkha, het lijden

Wanneer een monnik zes zegeningen overweegt, monniken, dan is het waarlijk genoeg voor hem om onbeperkt de voorstelling van het lijden van alle vormen van bestaan op te wekken. Welke zijn deze zes zegeningen?

'Bij alle vormen van bestaan zal de voorstelling  van ontzetting bij mij aanwezig zijn, net als voor een moordenaar met getrokken zwaard.

Mijn hart zal boven de hele wereld uitstijgen.

Ik zal de vrede zien in het Nibbana.

De slechte neigingen zullen in mij tot opheffing komen.

Mijn taak zal ik vervuld hebben en

de Meester zal ik door liefdevol gedrag geëerd hebben.'

A.VI.104. Onbeperkte voorstelling van de onpersoonlijkheid  [anatta]

Wanneer een monnik zes zegeningen overweegt, monniken, dan is het waarlijk genoeg voor hem om onbeperkt de voorstelling van de onpersoonlijkheid van alle dingen in zich op te wekken. Welke zijn deze zes zegeningen?

'Met betrekking tot de hele wereld zal ik zonder hechten[114] zijn.

De ik-gedachten zullen bij mij verdwijnen.

De mijn-gedachten zullen bij mij verdwijnen.

Met buitengewoon inzicht zal ik uitgerust zijn.

Ik zal de oorzaken duidelijk zien

 en ook de dingen die uit oorzaken zijn ontstaan.'

A.VI.105. Het einde van lijden I

Monniken, drie soorten van bestaan moet men overwinnen, en in drie oefeningen moet men zich trainen. Welke drie soorten van bestaan echter moet men overwinnen?

Zinnelijk bestaan,

fijnstoffelijk bestaan en

onstoffelijk bestaan.

Deze drie soorten van bestaan moet men overwinnen.

 

Maar in welke drie oefeningen moet men zich trainen?

In de oefening van de hoge zedelijkheid,

in de oefening van de hoge geestelijkheid en

in de oefening van de hoge wijsheid.

In deze drie oefeningen moet men zich trainen.

Monniken, als nu een monnik de drie soorten van bestaan heeft overwonnen en zich heeft getraind in de drie oefeningen, dan heeft deze monnik, naar men zegt, het verlangen afgesneden, de boeien weggedaan en heeft door een volmaakt doorzien van de eigendunk een einde gemaakt aan het lijden.

A.VI.106. Het einde van lijden II

Monniken, drievoudig verlangen moet men overwinnen en drievoudige eigenwaan. Welk drievoudig verlangen nu moet men overwinnen?

Het verlangen naar zinnelijkheid,

het verlangen naar bestaan en

het verlangen naar zelfvernietiging.

Dit drievoudige verlangen moet men overwinnen. En welke drievoudige eigendunk moet men overwinnen?

De eigendunk,

de waan van minderwaardigheid en

de waan van superioriteit.

Deze drievoudige eigendunk moet men overwinnen.

Monniken, wanneer nu een monnik dit drievoudige verlangen heeft verwonnen en deze drievoudige eigendunk, dan heeft deze monnik, naar men zegt, het verlangen afgesneden, de boeien weggedaan en heeft door een volmaakt doorzien van de eigendunk een einde gemaakt aan het lijden.

Hoofdstuk 11: tika-vagga

A.VI.107-116. Te overwinnen en te ontplooien

(107)

Monniken, er zijn drie dingen. Welke drie?

Hebzucht, haat en verblinding. Deze drie dingen zijn er.

Om deze drie dingen te overwinnen, moet men drie andere ontplooien. Welke drie?

Om hebzucht te overwinnen moet men de voorstelling van het onzuivere ontplooien; om haat te overwinnen moet men de voorstelling van universele liefdevolle vriendelijkheid ontplooien; om verblinding te overwinnen moet men wijsheid ontplooien.

(108)

Om slecht gedrag in daden te overwinnen, moet men goed gedrag in daden ontplooien; om slecht gedrag in woorden te overwinnen, moet men goed gedrag in woorden ontplooien; om slecht gedrag in denken te overwinnen, moet men goed gedrag in denken ontplooien.

(109-111)

Om de begerige gedachten, voorstellingen en instellingen[115] te overwinnen, moet men gedachten, voorstellingen en de instelling van verzaking ontplooien; om hatelijke gedachten, voorstellingen en instellingen te overwinnen, moet men gedachten, voorstellingen en de instelling van de haatloosheid ontplooien; om de schadelijke gedachten, voorstellingen en instellingen te overwinnen, moet men gedachten, voorstellingen en de instelling van niet-schade ontplooien.

(112)

Om het geloof in gelukzaligheid te overwinnen,[116] moet men de voorstelling van de vergankelijkheid ontplooien; om het geloof in een ik (attānuditthi) te overwinnen, moet men de voorstelling van de onpersoonlijkheid ontplooien; om verkeerde visie te overwinnen, moet men juist inzicht ontplooien.

(113)

Om het slechte humeur te overwinnen, moet men de medevreugde ontplooien; om het benadelen te overwinnen moet men het niet benadelen ontplooien; om onrechtschapen gedrag te overwinnen, moet men rechtschapen gedrag ontplooien.

(114)

Om de ontevredenheid te overwinnen, moet men tevredenheid ontplooien; om geestelijke onhelderheid te overwinnen moet men helderheid van weten ontplooien; om hebzucht te overwinnen moet men behoefte-loosheid ontplooien.

(115)

Om de onbeleerbaarheid te overwinnen moet men toegankelijkheid ontplooien; om slechte omgang te overwinnen moet men goede omgang onderhouden;

om geestelijke verstrooidheid te overwinnen, moet men oplettendheid op de adem ontplooien.

(116)

Om de opwinding te overwinnen, moet men kalmte van geest ontplooien; om het onbeteugeld zijn te overwinnen, moet men beteugeling ontwikkelen; om nalatigheid te overwinnen, moet men ijver ontplooien.

Hoofdstuk 12: sāmañña-vagga

A.VI.117. Hindernissen bij de contemplatie over het lichaam

Monniken, zonder zes dingen opgegeven te hebben, is men niet in staat om bij de beschouwing van het lichaam te blijven. Welke zijn deze zes dingen?

graag lichamelijk bezig zijn, graag praten, graag slapen, graag in gezelschap zijn, onbewaakte poorten van de zintuigen en onmatigheid bij de maaltijd.

Maar monniken, wie deze zes dingen heeft opgegeven, is in staat om bij de beschouwing van het lichaam te blijven.

A.VI.118. Hindernissen bij de oefening van oplettendheid

Monniken, zonder zes dingen opgegeven te hebben, is men niet in staat om naar binnen, naar buiten en naar binnen en naar buiten bij het beschouwen van het lichaam, van de gevoelens, van het bewustzijn en van de objecten van de geest te blijven. Welke zijn deze zes dingen?

Verlangen naar lichamelijke bezigheid, graag praten, graag slapen, verlangen naar gezelschap, onbewaakte poorten van de zintuigen en onmatigheid bij de maaltijd.

Maar monniken, wie deze zes dingen heeft opgegeven, is in staat om naar binnen, naar buiten en naar binnen en naar buiten bij de beschouwing van het lichaam, van de gevoelens, van het bewustzijn en van de objecten van de geest te blijven.

A.VI.119-139. Edele lekenvolgelingen

Monniken, uitgerust met zes eigenschappen, heeft de huisvader Tapussa zekerheid verkregen wat betreft de Volmaakte, heeft het doodloze gezien en leeft in de verwerkelijking van het doodloze. Welke zijn deze zes eigenschappen?

Onwankelbaar vertrouwen in de Verlichte, onwankelbaar vertrouwen in de leer, onwankelbaar vertrouwen in de gemeenschap van de monniken, edele deugdzaamheid, edel inzicht en edele bevrijding.

Met [dezelfde] zes eigenschappen uitgerust hebben [ook de volgenden] zekerheid bereikt wat betreft de Volmaakte, hebben het doodloze gezien en leven in de verwerkelijking van het doodloze: de huisvader Bhallika, de huisvader Sudatta [genaamd Anāthapindika], de huisvader Citta uit Macchikasanda, de Alaver Hatthaka, de Sakyer Mahānāma, de huisvader Ugga uit Vesālī, de huisvader Uggata, Sūra Ambattha, Jīvaka Kumārabhaccaul, de huisvader Nakulapita,[117] de huisvader Tavakannika, de huisvader Pūrana, de huisvader Isidatta, de huisvader Sandhāna, de huisvader Vijaya, de huisvader Vajjiyamahita, de huisvader Mendaka, de lekenvolgeling Vāsettha, de lekenvolgeling Arittha en de lekenvolgeling Sāragga.[118]

A.VI. 140 Reeks overwegingen

vgl. A.V.303. Inzicht van begeerte

Einde van Anguttara Nikaya, het boek van zes.


[2] Commentaar: Hier worden de 'onveranderlijke geestestoestanden' (satata-vihara) beschreven van een heilige bij wie de neigingen zijn uitgedroogd. (Vgl. A.IV.195 en D 33).

[3] Zie verder: De verscheidene magische krachten

[4] Voor de uitvoerige tekst van deze zes hogere geestelijke krachten (abhiñña), zie De bovennatuurlijke krachten. (of A.III.102)

[5] vgl. A.XI.12-13.

[6] nissâranîyâ dhâtuyo. Vergelijk eventueel A.V.200.

[7] ontevredenheid, mismoedigheid, neerslachtigheid; arati, 'lusteloosheid, tegenzin'.

[8]  Deze vier gemoed-bevrijdende eigenschappen worden ook de goddelijke toestanden of verheven verblijven (brahma-vihâra) genoemd.

[9] animittâ cetovimutti. Volgens het commentaar is hier het intensieve inzicht (balava-vipassanâ) bedoeld. Degenen die de lange suttas uitleggen (de Dîgha-bhanaka) beweren echter dat het betrekking heeft op het bereiken van het doel van heiligheid. Want die toestand heet ‘zonder voorwaarden’ omdat daarin de voorwaarden (nimitta), (zoals begeerte, haat en onwetendheid), en lichamelijkheid (namelijk gevoel, waarneming, vormingen en bewustzijn), en blijvendheid (namelijk echt geluk en een ikheid) niet te vinden zijn. Nimitta kan hier ook als het (bedrieglijke) voorstellingsbeeld van bestaansvorm opgevat worden.

[10] vgl. A.V.89-90.

[11] Deze verzen staan ook in “Theragatha” 989-990.

[12] venim olikhitum;commentaar: de geitenharen scheren, glad maken en tot een vlechtwerk verwerken.

[13] avijjā, het niet begrijpen van de vier nobele waarheden.

[14] samādhissa kallita-kusalo. Dit heeft betrekking op die vertrouwdheid met de geestestoestand van de concentratie, die mogelijk wordt gemaakt door een herhaald soepel en ongestoord verloop en door een regelmatigheid van de energie die eraan wordt besteed.

[15] samādhissa gocara-kusalo. Het commentaar geeft twee verschillende verklaringen: 1. ervaren in het vermijden van wat schadelijk is voor de meditatie en in het beoefenen van wat heilzaam is; 2. vertrouwd met het respectievelijke meditatie-object, of het nu het mentale nabeeld (nimitta) is bij het ontplooien van mentale rust of de drie kenmerken zijn in de inzichtsoefening.

[16] samādhissa abhinīhāra-kusalo; bekend met de 'voortzetting' van de concentratie van de eerste naar de tweede verdieping enz.

[17] Zie ook A.VI.10; A.VI.26 en A.VI.32-33.

[18] sambādhe okāsādhigamam; okāsa, de open ruimte.

[19] Het Pāli-woord hiervoor (anussati-tthāna) is hetzelfde als voor de zes 'objecten van contemplatie' in A.VI.25. Omdat het hier echter om een andere groep van zes overwegingen gaat, is de weergave gevarieerd.

[20] over hem zie A.III.81; A.V.166.

[21] Met ñāna-dassana is hier de kennis bedoeld die verbonden is met het hemelse oog (dibba-cakkhu-ñāna).

[22] aneka-dhātu-pativedhāya. Dezelfde manier van uitdrukken in A.I.22. Het subcommentaar: de elementen zoals oog etc. (cakkhu-dhātu), sfeer van zinnelijkheid etc. (kāma-dhātu).

[23] Of: eigen activiteit, vreemde activiteit, eigen of vreemde invloed. Dit is de fatalistische leer van Makkhali Gosāla, die zegt dat het menselijke lot noch kan worden bepaald door de eigen handelingen, noch kan worden beïnvloed door anderen, door advies of interventie, maar dat het menselijke lot onderworpen is aan een onveranderlijke wet.

[24] ārambha-dhātu; de begin-inspanning, het initiatief.

[25] vgl. A.III.34.

[26] vgl. A.X.47

[27] Vgl. A.V.201.

[28] Migara's moeder: hiermee wordt de vrome Visakha aangeduid.         

[29] pubba-kotthaka. De volgende scène met de olifant maakt de uitleg in het subcommentaar waarschijnlijk dat het hier gaat om een badstrand gelegen in de buurt van de oostelijke poort van de stad aan de oever van de rivier Aciravati, waar afzonderlijke plaatsen voor de koning, de stadsbewoners, de gemeenschap van de monniken en de Boeddha waren gereserveerd.

[30] Naga is een aanduiding voor olifant, slang, drakensoortige slangengodheden, en ook in overdragende zin voor bijzondere geweldige en edele wezens, zoals zieners, yogis, heiligen en voor de Boeddha zelf. 

[31] Volgens het commentaar gaat het hier om de monnik Kaludayi machtig in het analytische weten.

[32] Het hier gegeven woordspel (na agu – nago) is natuurlijk niet als een etymologie van het woord nāga bedoeld.

[33] De nadruk van deze beide verzen ligt blijkbaar daarop dat de Boeddha als een menselijk wezen (manussa-bhūtam) zelfs door de goden gehuldigd moet worden.         

[34] vanā nibbānam āgatam. Het woordspel in het Pali heeft betrekking op een oude etymologie voor Nibbāna (Skr: nirvāna): nir-vana, vrij zijn van de jungle (vana) van de lust.         

[35] vīmamsā, 'het zoekende'. Commentaar: de punt van de slurf.         

[36] kucchi-samātapo. Commentaar: samāvāpo. Dit heeft blijkbaar betrekking op de lichaamswarmte die het voedsel verteert. Als de 'leer' (dhamma) geldt hier, volgens het commentaar, de vierde verdieping als uitgangspunt voor verscheidene hogere geestelijke krachten en bewustzijnstoestanden.

[37] Commentaar: zoals de staart van de olifant de muggen verjaagt, zo houdt de innerlijke en uiterlijke afzondering van de Verhevene de storingen af door gezinshoofden en monniken.

[38] sankhāres'ūpasantesu; letterlijk: wanneer de karmische wilskracht is beëindigd, uitgedoofd. - Het is het opheffen van de persoonlijkheid. Zie hierover: De zesvoudige zesheid (M.148) 

[39] nāgā; hier: de heiligen. 

[40] purisa-puggala-paropariya-ñāna. Dit is een van de 'tien krachten van de Volmaakte' (dasa tathāgata-balāni); zie A.X.21 en M.12. 

[41] bāhusaccena. In deze verbinding is sacca meestal = Skr: srautya 'weten'. Maar hier legt het commentaar het uit met viriya, 'energie' (Skr sakti, Pāli: satti).

[42] samāyikani vimuttim. Commentaar: hij vindt niet van tijd tot tijd vreugde en enthousiasme bij het luisteren naar de leer.

[43] vgl. A.V.26.

[44] zie A.II.10.

[45] appamāda, letterlijk: niet onachtzaam, d.w.z. waakzaamheid, ernst, is nauw verwant met 'oplettendheid'.

[46] Sona, de Kolivīser die in de gemeenschap van de discipelen 'aan de top staat van degenen met sterke wil' (vgl. A.I.24 Ib) had oorspronkelijk de bijnaam "de gevoelige" (Sukhumala-Sona), omdat hij een teder lichaam had. Om deze lichamelijke gevoeligheid te overwinnen, spoorde hij meedogenloos zijn energie aan, en tijdens zijn meditatie-oefeningen liep hij zo lang over het looppad heen en weer totdat zijn voetzolen pijn deden. Maar het lukte hem niet om vooruitgang te boeken totdat de meester hem in onze tekst instrueerde hoe hij de energie gelijkmatig moest gebruiken.

[47] āraddha-viriya, met volle inzet van energie.

[48] viriya-samatam en indriya-samatam. Indriya heeft hier weer betrekking op de vijf 'geestelijke vaardigheden'; over het evenwicht hiervan luidt het commentaar als volgt: "Als namelijk vertrouwen met wijsheid en wijsheid met vertrouwen, wilskracht met concentratie en concentratie met wilskracht verbonden zijn, dan is de harmonie van de vaardigheden bereikt. Oplettendheid (sati) daarentegen is voor alles nuttig. Ze moet altijd goed ontwikkeld zijn.

[49] tattha ca nimittam ganhāhi. Commentaar: In zo'n (gelijkmatige) gemoedstoestand. . . neem het object op (of bereik het doel) van de kalmte van geest, van inzicht, van de hoge paden of van de hoge doelen.

[50] bhusā. Commentaar: vergelijkbaar met hemelse vormen, etc.

[51] disvā āyatan'uppādam. Commentaar: "het ontstaan en vergaan" van de innerlijke en uiterlijke grondslagen van de zintuigen (āyatana), d.w.z. van de zes zintuiglijke organen en de bijbehorende zes objecten van de zintuigen. Dit ontstaan en vergaan bij de werking van de zintuigen en de grondslagen ervan duidelijk te zien, is een van de hoofdopgaven van inzicht-meditatie.

[52] vgl Sn.II.4, vers 265.

[53] chal-abhijātiyo. In D.2 (sāmaññaphala-sutta) wordt deze leer niet aan Pūrana Kassapa, maar aan een andere van de zes ketterse leraren toegeschreven, namelijk aan Makkhali Gosāla die in onze tekst genoemd wordt als een vertegenwoordiger van de 'heel witte soort mensen'. Ook de Jains, tot wie Makkhali Gosāla oorspronkelijk behoorde, hebben een vergelijkbare indeling in zes soorten mensen (lesiyā genaamd), met iets verschillende kleuraanduidingen.

[54] d.w.z. de boeddhistische monniken

[55] letterlijk doornig. Vanuit het standpunt van de extreem ascetische sekte van de ājīvakas of acelakas, tot wie Pūrana Kassapa behoorde, leiden namelijk de boeddhistische monniken een laks en te luxueus leven en gebruiken daarom hun benodigdheden (zoals voedsel, gewaad, enz.) als het ware met een 'toevoeging van doornen' (sa-kantaka).

[56] d.w.z. 'de gewaadlozen' of naakten; een ascetische sekte.

[57] d.w.z. zulke personen die de nadruk leggen op een onberispelijk 'levensonderhoud' (ājīva). Eveneens een ascetische sekte.

[58] Voor het volgende vgl. S.3.21.

[59] Degene die het nibbana heeft bereikt, de Arahant, produceert geen verdienstelijke (kusala) of onheilzame (akusala) daden (kamma) meer. Wat hij ook doet, kan geen invloed meer hebben op zijn bestemming in dit bestaan, en een toekomstig bestaan is er voor hem niet meer.

[60] neigingen = āsavā. In M.2 is nog een zevende soort neiging, die op de eerste plaats wordt genoemd: de neigingen die overwonnen moeten worden door herkenning.

[61] abhidhamma-kathā.

[62] animittam cetosamādhim. Commentaar: sterke inzicht-concentratie.

[63] Volgens de overlevering zou Citta zeven keer de Orde hebben verlaten en weer zijn ingetreden. Na de zevende keer bereikte hij de volmaakte heiligheid.

[64] Snp V.2, vers 1042.

[65] sibbanī. Commentaar: dit is het verlangen (tanhā), de begeerte. Vergelijk de Nornen, de godinnen die het lot spinnen. 

[66] phassa; volgens het commentaar heeft dit betrekking op de tegenwoordige vorm van leven, omdat ze door vroegere indrukken van de zintuigen en van het bewustzijn is ontstaan.

[67] phassa-samudaya; volgens het commentaar het toekomstige bestaan, dat gebaseerd is op de tegenwoordige zintuiglijke indrukken en op de karmische wilsacties die erdoor gevoed worden.

[68] phassa-nirodha, d.i Nibbāna.

[69] Commentaar: d.w.z. doorziet hij de vier waarheden.

[70] nāmam; hier: gevoel, waarneming en formaties (wil, etc.).

[71] Commentaar: het wedergeboorte-bewustzijn.

[72] Commentaar: het karmische bewustzijn.

[73] sakkāya = sat-kāya, eigenlijk 'de werkelijk bestaande groep', de 'groep van zijn'; een naam voor de vijf groepen van bestaan (khandha). Commentaar: de drie niveaus van de ronde van bestaan.

[74] vgl. A.VIII.7.

[75] ekamsena; vgl. A.III.68.

[76] ‘jullie’ slaat hier niet alleen op Ananda maar vooral op de monniken die bij hem waren.

[77] kusala-mūla, letterlijk: de wortels van het heilzame.

[78] Het commentaar legt dit zo uit: 'tegen het midden van de nacht, wanneer het midden van de nacht nadert'.

[79] Namelijk voor koninklijke en andere hooggeplaatste families die volgens het commentaar op dit late uur hun avondmaal nuttigen.

[80] nibbhedikam pariyāyam dhamma-pariyāyam; het commentaar legt pariyāya in het eerste geval niet uit met 'uiteenzetting' (desanā), wat het zeker in het tweede geval betekent, maar omschrijft het met kārana, 'oorzaak'; d.w.z. oorzaak, middel of methode van het 'doordringen' of van de 'doorbraak'; namelijk voor het doordringen of doorbreken van hebzucht, haat en verblinding.

[81] Commentaar: De zintuiglijke indruk (sahajāta-fasso) die gelijktijdig bestaat (met de gedachten van lust).

[82] Of: het heilige leven dat tot de doorbraak leidt (nibbhedikam brahmacariyam). Commentaar: het (hoge of bovenwereldlijke) pad.

[83] sāmisa ... nirāmisa. Zie het beschouwen van gevoelens in het Satipatthāna sutta (M. 10).

[84] Hier heeft de tekst altijd het meervoud kammānam, 'de daden'.

[85] zie A.III.34.

[86] Met lijden, dukkha, wordt bedoeld het onvoldane, niet tevreden stellende, het onbevredigende van dit bestaan.

[87] Tathāgata-balāni.