Facetten van het Boeddhisme


Naar index   of   naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.11Anguttara Nikaya, Ekadasaka-nipata, het boek van elf.

 

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Anguttara Nikāya

Ekadasaka-Nipāta

het boek van elf

Indeling

Het Ekadasaka-Nipāta, het boek van elf, is verdeeld in vier hoofdstukken. In totaal zijn er maar 24 suttas, waarvan meerdere gelijkluidend zijn met vroegere teksten.

Hoofdstuk 1: nissaya-vagga 

A.XI. 1-5 (Identiek met eerdere suttas)

A.XI. 6 Het lot van degene die anderen beschimpt

A.XI. 7-8 Niet meer gewaarworden

A.XI. 9 Bevrijde overweging

A.XI. 10 Het overwegen van de edelen

A.XI. 11 Het hoogste - Moranivāpa Sutta

Hoofdstuk 2: anussati-vagga 

A.XI. 12-13 Juiste contemplatie voor leken - Contemplatie over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha

A.XI. 14 Nandiya - juiste overwegingen voor de leek - kenmerken van vertrouwen

A.XI. 15 De kenmerken van vertrouwen

A.XI. 16 Mettanisamsa sutta - De zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid

A.XI. 17 De elf poorten van het doodloze 

A.XI. 18 De koeherder - I

A.XI. 19-22 (identiek met eerdere teksten)

Hoofdstuk 3: sāmañña-vagga 

A.XI. 23 De koeherder - II

         Hoofdstuk 4: rāga-peyyāla 

A.XI. 24 De reeks over het inzien van begeerte 

Inleiding

        Het boek van elf handelt over de volgende onderwerpen: Elf soorten van geluk. Elf wegen naar Nibbāna. Elf goede en slechte eigenschappen van een herder en van een monnik. Elf soorten van achteruitgang die iemand kunnen overkomen die medemonniken beschimpt. Elf voordelen van de ontwikkeling van mettā.[1]

Hoofdstuk 1. nissaya-vagga (XI.1-11)

A.XI.1-5. (Gelijkluidend met eerdere teksten)

        

De teksten 1-4 komen precies overeen met de eerste vijf teksten van het boek van 10. Hier echter worden "afwending" en "onthechting" die daar een dubbel begrip vormen, afzonderlijk vermeld zodat een groep van elf gevormd wordt.

A.XI.6. Het lot van degene die anderen beschimpt

Monniken, het is onmogelijk dat een monnik die zijn medemonnik beledigt en beschimpt, en die een beschimper van de heiligen is, niet een van de volgende elf soorten van tegenspoed zal ondervinden.

        Wat nog niet bereikt is, bereikt hij niet. Wat al bereikt is, verdwijnt bij hem. In de goede leer krijgt hij geen helderheid. Of hij is vol zelfoverschatting wat betreft de goede leer. Of hij leeft het reinheidsleven zonder vreugde (eraan). Of hij begaat een van de besmettende vergrijpen. Of hij geeft de ascese op en keert naar het lagere leven in de wereld terug. Of hij krijgt een zware ziekte. Of hij wordt waanzinnig of raakt geestelijk in de war. Of hij sterft een onrustige dood. Na de dood komt hij in de lagere werelden van bestaan, in verderfenis, in een hel.

A.XI.7-8. Niet meer gewaarworden

De eerwaarde Ananda sprak tot de Verhevene als volgt: “Heer, kan een monnik een dergelijke concentratie bereiken ,

"Ja, Ananda, de monnik kan een dergelijke concentratie bereiken.”

"Heer, maar hoe kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken?”

"Ananda, de monnik heeft dan deze waarneming:

Zo, Ananda, kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken dat hij met het oog op de aarde zonder waarneming van de aarde is, ... [etc] ... dat hij met het oog op datgene wat hij heeft gezien, gehoord, gevoeld, ingezien, gezocht, in de geest onderzocht heeft, ook daarbij zonder waarneming is, en dat hij desondanks waarneming heeft." [2]

II[3]

        De eerwaarde Ananda verheugde zich over de woorden van de Verhevene en verhief zich van zijn zitplaats. Hij nam vol eerbied afscheid van de Verhevene met de rechter zijde naar hem toegewend. Daarna ging hij naar de eerwaarde Sāriputta en stelde daar dezelfde vragen als hierboven.

        Dan volgen dezelfde antwoorden als in het eerste deel van deze tekst. Het einde ervan luidt als volgt:

“Wonderbaarlijk is het toch, broeder, hoe daar met betrekking tot het hoogste doel[4] de uitleg en woordelijke inhoud van de Meester overeenkomt met de uitleg en woordelijke inhoud van zijn discipel. Zojuist namelijk heb ik de Verhevene betreffende deze zaak vragen gesteld. En de Verhevene heeft mij de zaak in dezelfde woorden en uitdrukkingen uitgelegd zoals de eerwaarde Sāriputta. Het is wonderbaarlijk dat de uitleg en woordelijke inhoud van de Meester en die van zijn discipel overeenkomen en elkaar niet tegenspreken.”

A.XI.9. Bevrijde overweging

De eerwaarde Ananda sprak tot de Verhevene aldus: “Heer, kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken dat hij niet oog en vorm overweegt (manasikareyya), niet oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, lichaam en lichaamsindruk, dat hij niet aarde, water, vuur is en wind overweegt, niet het gebied van ruimte-oneindigheid, het gebied van bewustzijn-oneindigheid, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming overweegt, noch deze noch gene wereld overweegt, ook niet datgene overweegt wat hij gezien, gehoord, gevoeld, herkend, bereikt, gezocht, in de geest onderzocht heeft, maar dat hij toch overweging heeft?"

        "Ja, Ananda, de monnik kan een dergelijke concentratie bereiken."

        "Heer, hoe kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken?"

        "Ananda, daar overweegt de monnik aldus:' Dit is vrede, dit is het verhevene, namelijk de stilstand van alle karmische vormende krachten, de  bevrijding van alle grondslagen van bestaan, het opdrogen van het verlangen, de onthechting, uitdoving, Nibbana.' Zo, Ananda, kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken."

A.XI.10.  Het overwegen van de edelen

zie A.VIII.13

A.XI.11. Het hoogste

Eens verbleef de Verhevene in Rājagaha, in het klooster van de rondtrekkende asceten, aan de voederplaats van de pauwen. Daar wendde de Verhevene zich tot de monniken:

'Met drie eigenschappen uitgerust, monniken, heeft de monnik de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste veiligheid, de hoogste heiligheid, het hoogste doel en geldt als eerste onder goden en mensen. Welke zijn deze drie eigenschappen?

Hij is uitgerust met de overvloed aan deugdzaamheid die eigen is aan degene die geen training meer nodig heeft,

hij is uitgerust met de overvloed aan de concentratie die eigen is aan degene die geen training meer nodig heeft,

hij is uitgerust met de overvloed aan de wijsheid die eigen is aan degene die geen training meer nodig heeft.

En met drie verdere eigenschappen uitgerust, monniken, heeft de monnik de hoogste volmaaktheid bereikt:

met het magische wonder,

het wonder van waarzeggen en

het wonder van onderricht.[5] 

        

Ook met drie verdere eigenschappen uitgerust, monniken, heeft de monnik de hoogste volmaaktheid bereikt:

met juist inzicht,

juist weten en

juiste bevrijding.

En ook met deze twee eigenschappen uitgerust, monniken, heeft de monnik de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste veiligheid, de hoogste heiligheid, het hoogste doel en geldt als eerste onder goden en mensen:

met volmaakt weten en

volmaakt gedrag.

Met deze beide eigenschappen uitgerust, monniken, heeft de monnik de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste veiligheid, de hoogste heiligheid, het hoogste doel en is de eerste onder goden en mensen.

        Monniken, ook Sanankumāra[6] de Brahma, heeft de volgende verzen gesproken:

'De edelman geldt als hoogste,

waar men de leer van de kasten volgt;

maar onder de goden, mensen is de hoogste

wie wijs en vol deugdzaamheid is."

Deze verzen nu, monniken, heeft Sanankumāra, de Brahma, terecht gereciteerd,  niet ten onrechte voorgedragen, heeft ze correct gesproken, niet verkeerd gesproken; en ze zijn doelmatig, niet doelloos en hebben mijn toestemming. Want ook ik zeg:

De edelman geldt als hoogste,

waar men de leer van de kasten volgt;

maar onder de goden, mensen is de hoogste

wie wijs en vol deugdzaamheid is."

Hoofdstuk 2. anussati-vagga

A.XI.12-13. Juiste contemplaties voor leken - contemplatie over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha

Eens verbleef de Verhevene in het land van de Sakyers, in het Vijgenboom-klooster (Nigrodharama) te Kapilavatthu. Destijds nu was juist de Sakyer Mahānāma van een ziekte genezen. Op die tijd nu waren talrijke monniken ermee bezig om voor de Verhevene gewaden te maken; want wanneer de gewaden klaar waren, wilde de Verhevene zich na beëindiging van de drie regen-maanden op pad begeven. De Sakyer Mahānāma vernam dit en ging naar de Verhevene. Daar aangekomen begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde zitten. Terzijde zittend zei hij tegen de Verhevene aldus:

"Heer, Ik heb vernomen dat talrijke monniken ermee bezig zijn om voor de Verhevene gewaden te maken, en dat de Verhevene, wanneer de gewaden klaar zijn, na beëindiging van de drie regen-maanden op pad wil gaan. Heer, wij die ons met allerlei dingen bezig houden, welke bezigheid past bij ons?”

“Goed zo, Mahānāma! Het past goed bij jullie, edele zonen, dat jullie naar de Volmaakte komen en hem daarover vragen stellen. Degene vol vertrouwen, Mahānāma, is succesvol, niet degene zonder vertrouwen; de wilskrachtige is succesvol, niet de trage, de oplettende is succesvol, niet de onoplettende; de geconcentreerde is succesvol, niet de ongeconcentreerde; de wijze is succesvol, niet de onwijze. Maar zodra jij, Mahānāma, in deze vijf eigenschappen gevestigd bent, kun jij verder nog zes dingen ontwikkelen.

Mahānāma, jij kunt aan de Volmaakte denken:

‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan de Volmaakte denkt, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht, noch omgeven door haat en verblinding; en met het oog op de Volmaakte is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de Verlichte.”

        (In tekst A.XI.13 staat i.p.v. de laatste alinea:)

“Ook bij het lopen, Mahānāma, kun jij deze beschouwing over de Verlichte beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun je ze beoefenen.

Verder, Mahānāma, kun jij denken aan de leer:

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan de leer denkt, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht, noch omgeven door haat en verblinding; en met het oog op de leer is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de leer.

        Ook bij het lopen, Mahānāma, kun jij deze beschouwing over de leer beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun jij ze beoefenen.

Verder, Mahānāma, kun je aan de gemeenschap van de monniken denken:

‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is gaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan de gemeenschap van de monniken denkt, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht noch omgeven door haat en verblinding; en met het oog op de gemeenschap van de monniken is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de gemeenschap van de monniken.

Ook bij het lopen, Mahānāma, kun je deze beschouwing over de gemeenschap van de monniken beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun je ze beoefenen.

Verder, Mahānāma, kun je aan de eigen deugdzaamheid denken, die ongebroken is, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed[7]; ze bevordert geestelijke concentratie.'

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan de deugdzaamheid denkt, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht, noch omgeven door haat en verblinding; en met het oog op de deugdzaamheid is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de deugdzaamheid.

Ook bij het lopen, Mahānāma, kun je deze beschouwing over de deugdzaamheid beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun je ze beoefenen.

Verder, Mahānāma, kun jij aan de eigen vrijgevigheid denken:

‘Goed heb ik het getroffen dat ik temidden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan de vrijgevigheid denkt, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht noch door haat en verblinding omgeven; en met het oog op de vrijgevigheid is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de vrijgevigheid.

Ook bij het lopen, Mahānāma, kun je deze beschouwing over de vrijgevigheid beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun je ze beoefenen.

Verder, Mahānāma, kun je aan de godheden denken:

“Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn de goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook bij mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.” [8]

Op een tijd, Mahānāma, wanneer de edele discipel aan deze eigenschappen denkt die hemzelf en de goden eigen zijn, dan is zijn geest niet omgeven door hebzucht, noch omgeven door haat en verblinding; en met het oog op de goden is zijn geest op zo'n tijd juist gericht. En met juist gerichte geest, Mahānāma, verkrijgt de edele discipel enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, verkrijgt hij vreugde aan de leer. In de vreugdige stijgt vervoering op; met vervoerde geest wordt het innerlijk rustig; innerlijk tot rust gekomen voelt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich.

Van deze edele discipel wordt gezegd dat hij onder de verkeerd gerichte mensheid in het bezit van het juiste vertoeft; dat hij onder de lijdende mensheid zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer getreden, ontplooit hij de beschouwing over de godheden.

        Ook bij het lopen, Mahānāma, kun je deze beschouwing over de godheden beoefenen; bij het staan kun je ze beoefenen; bij het zitten kun je ze beoefenen; bij het liggen kun je ze beoefenen; ook terwijl je jouw bezigheid verricht, kun je ze beoefenen; ook wanneer je in het huis vol kinderen woont, kun je ze beoefenen.[9]

A.XI.14. Nandiya - juiste overwegingen voor de leek -  kenmerken van vertrouwen

Eens verbleef de Verhevene in het land van de Sakyers, in het vijgenboomklooster, te Kapilavatthu. Destijds nu was de Verhevene van plan om de regentijd in Sāvatthī te beginnen. Dit vernam Nandiya, de Sakyer, en hij zei bij zichzelf: "Dan wil ook ik de regentijd in Sāvatthī doorbrengen en daar mijn zaken verrichten. Dan kan ik van tijd tot tijd de Verhevene bezoeken." En de Verhevene begon het regenseizoen in Sāvatthī; en ook Nandiya, de Sakyer, nam daar tijdens de regentijd zijn verblijf. Daar verrichtte hij zijn zaken en kon daarbij van tijd tot tijd der Verhevene bezoeken.

Op die tijd nu waren talrijke monniken ermee bezig om voor de Verhevene gewaden te maken; want wanneer de gewaden klaar waren, wilde de Verhevene na beëindiging van de de drie regen-maanden op pad gaan. Dat vernam de Sakyer Nandiya en ging naar de Verhevene. Daar aangekomen begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde  zitten. Terzijde zittend zei hij tegen de Verhevene aldus:

"Heer, Ik heb vernomen dat talrijke monniken ermee bezig zijn om voor de Verhevene de gewaden te maken, en dat de Verhevene, wanneer de gewaden klaar zijn, na beëindiging van de drie regen-maanden op pad wil gaan. Heer, wij die ons met allerlei dingen bezig houden, welke bezigheid past bij ons?”

“Goed zo, Nandiya. Het past goed bij jullie, edele zonen, dat jullie naar de Volmaakte komen en hem daarover vragen stellen. Degene vol vertrouwen, Mahānāma, is succesvol, niet degene zonder vertrouwen; de wilskrachtige is succesvol, niet de trage, de oplettende is succesvol, niet de onoplettende; de geconcentreerde is succesvol, niet de ongeconcentreerde; de wijze is succesvol, niet de onwijze. 

Nandiya, zodra jij nu in de zes eigenschappen gevestigd bent, kun je nog bij vijf dingen de oplettendheid innerlijk tegenwoordig houden.

Nandiya, daar kun je aan de Volmaakte denken - aan de leer denken - aan de edele vrienden denken: 'Goed heb ik het getroffen dat ik zulke edele vrienden heb, onderwijzers en raadgevers die meegevoel tonen, mij heil toewensen.’

Nandiya, zo kun je met het oog op de edele vrienden innerlijk de oplettendheid tegenwoordig houden.

Verder Nandiya, kun je aan de eigen vrijgevigheid denken - kun je aan de godheden denken:

‘Die godheden die aan gene zijde van de gemeenschap van de van grofstoffelijk voedsel levende godheden, in een door de geest geschapen wereld weer verschenen zijn, die zien niets meer wat zij nog moeten vervullen of wat zij, na vervuld te zijn, nog moeten vermeerderen; juist zoals de permanent bevrijde[10] monnik niets meer ziet wat hij nog moet volbrengen of aan het volbrachte moet toevoegen. Zo kun jij, Nandiya, met het oog op de godheden innerlijk de oplettendheid tegenwoordig houden.

Uitgerust met deze elf eigenschappen, Nandiya, overwint de edele discipel vast en zeker de slechte, onheilzame dingen en hecht niet meer eraan vast. Juist zoals, Nandiya, bij een omgekeerde pot het water dat eruit stroomde, niet meer terugstroomt; of juist zoals het vuur dat op een droog grasveld uitgebroken is, brandend vooruit gaat en naar het verbrande niet meer terugkeert: evenzo ook, Nandiya, overwint de edele discipel vast en zeker de slechte, onheilzame dingen en hecht er niet meer aan vast.”

A.XI.15 De kenmerken van vertrouwen

De eerwaarde Subhūti ging samen met de monnik Saddha naar de Verhevene. Daar aangekomen begroette hij de Verhevene eerbiedig en ging terzijde zitten. Toen hij was gaan zitten, zei de Verhevene tegen de eerwaarde Subhūti aldus:

"Wie is deze monnik, Subhūti?"

"Heer, deze monnik heet Saddha; hij is de zoon van de lekenvolgeling Sudatta[11], die uit vertrouwen van huis in de huisloosheid is vertrokken."

"Zeg, Subhūti, kan men de monnik Saddha, de zoon van de lekenvolgeling Sudatta, die uit vertrouwen uit het huis in  de huisloosheid vertrok, herkennen aan de kenmerken van vertrouwen?”

[“Heer, ik ken die kenmerken niet.] Het is dus nu de tijd, Verhevene, dat de Verhevene de kenmerken van vertrouwen meedeelt die bij een persoon vol vertrouwen aanwezig zijn. Want dan zal ik weten of deze monnik wel of niet aan de kenmerken van vertrouwen kan worden herkend."

"Dan luister, Subhūti, en let goed op mijn woorden." - "Ja, Heer", gaf de eerwaarde Subhūti aan de Verhevene ten antwoord. En de Verhevene zei:

"Daar, Subhūti, is de monnik rein van zeden; hij volgt de discipline van de Orde, is volmaakt in gedrag en omgang, en, terugschrikkend voor de geringste overtreding, oefent hij zich in de regels van de Orde die hij op zich heeft genomen. Dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, is de monnik rijk aan weten.[12] Hij is een bewaarder van het weten en heeft grote kennis vergaard. Die leringen die uitstekend zijn in het begin, uitstekend in het midden en uitstekend aan het einde, die in volmaakte zin en uitdrukking een heel volmaakt en gezuiverd heilig leven verkondigen, naar deze leringen heeft hij vaak geluisterd, ze uit het hoofd geleerd, heeft ze woord voor woord geleerd, in de geest overwogen en heeft ze wijs begrepen. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, heeft de monnik een edele vriend,[13] een edele metgezel, een edele kameraad. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, is de monnik toegankelijk voor instructies; hij heeft eigenschappen die hem gemakkelijk te onderwijzen maken; hij is gewillig en schenkt aan het onderricht de juiste aandacht. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, is de monnik energiek en ijverig in alle grote en kleine plichten jegens zijn broeders in de Orde. Hij weet op de juiste manier te handelen en te bepalen. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, heeft de monnik liefde voor de leer. Hij is vriendelijk in de omgang en heeft innige vreugde aan de hoge leer en de hoge discipline. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, spant de monnik zijn wilskracht in om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen; hij is standvastig, van gestaalde kracht, niet achteloos in de heilzame dingen. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.[14]

Verder, Subhūti, zal de monnik naar wens, zonder moeite en problemen deel hebben aan de vier verdiepingen, die verheven geestelijk, tegenwoordig welzijn geven. Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, herinnert de monnik zich aan veel vroegere vormen van bestaan.[15] Ook dat, Subhūti, is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, onderkent de monnik met het hemelse oog, het gezuiverde, bovenmenselijke, hoe de wezens heengaan en weer verschijnen. Ook dat, Subhūti, is een teken van vertrouwen.

Verder, Subhūti, heeft de monnik door opdroging van de neigingen al in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Ook dat, Subhūti , is een kenmerk van vertrouwen.

Verder, Subhūti, onderkent de monnik met het hemelse oog, het gezuiverde, bovenmenselijke, hoe de wezens heengaan en weer verschijnen. Ook dat, Subhūti, is een teken van vertrouwen.

Verder, Subhūti, heeft de monnik door opdroging van de neigingen al in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Ook dat, Subhūti , is een kenmerk van vertrouwen.”

Na deze woorden sprak de eerwaarde Subhūti tot de Verhevene aldus:

"Heer, deze kenmerken van vertrouwen die door de Verhevene genoemd zijn, bevinden zich bij deze monnik; en deze monnik kan eraan worden herkend. Want deze monnik, Heer, is rein van zeden [etc ...] en heeft al tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, ze zelf inziende en verwerkelijkende."

"Goed, Subhūti. Dan kun jij dus met deze monnik Saddha samenwonen; en als je de Volmaakte wilt bezoeken, dan kun je samen komen met deze monnik die vol vertrouwen is."

A.XI.16. Mettanisamsa sutta - Leerrede over de zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid

Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken toe met de leerrede over de zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid:

“Monniken, elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door zichzelf vertrouwd te maken met de gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (mettā), door het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, door deze gedachten steeds te laten toenemen, door liefdevolle vriendelijkheid te beschouwen als een voertuig van uitdrukking, en eveneens als iets dat gewaardeerd moet worden, door in overeenstemming met deze gedachten te leven, door deze denkbeelden in praktijk te brengen en door ze te vestigen. Die elf zegeningen zijn:

1) men slaapt aangenaam;

2) men ontwaakt aangenaam;

3) men heeft geen boze dromen;

4) men is dierbaar aan de mensen;

5) men is dierbaar aan niet-menselijke wezens;

6) de hemelse wezens waken over iemand;

7) vuur, vergif en wapens kunnen iemand niet deren;

8) de onrustige geest concentreert zich;

9) de gelaatsuitdrukking is helder;

10) men sterft met onverward gemoed;

11) en als men hier en nu niet de hoogste heiligheid bereikt, dan komt men in de Brahma-wereld weer tot bestaan.

Monniken, deze elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid.”

        Aldus sprak de Gezegende. En die monniken verheugden zich over zijn woorden.[16]

A.XI.17 De elf poorten van het doodloze

(Ook in M.52, Atthakanagara-Sutta)

A.XI.18 De koeherder - I

(Ook in  M.33)

A.XI.19-22 (Gelijkluidend met eerdere teksten)

De hoofdinhoud van deze vier teksten is gelijk aan die van A.XI.7 (I); alleen de personen die vragen en antwoorden wisselen.

Hoofdstuk 3. sāmañña-vagga

A.XI.23 De koeherder II

zie  M.33. 

Hoofdstuk 4. rāga-peyyāla

A.XI.24  De reeks over het inzien van begeerte

Tot het volledige inzien van begeerte, haat en onwetendheid, van toorn, woede, minachting, overheersing, jaloezie, gierigheid, bedrog, valsheid, hardnekkigheid, opgewondenheid, eigenwaan, hoogmoed, overmoed en nalatigheid; alsook tot het doorzien ervan, de overwinning ervan, de vernietiging en uitdoving ervan, afkeer, verwoesting, ontzegging en bevrijding ervan, moeten elf dingen ontplooid worden, en wel:

de eerste, tweede, derde en vierde jhana; de bevrijding van het gemoed door liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid; alsmede de meditatieve gebieden van ruimte-oneindigheid, van bewustzijn-oneindigheid en van nietsheid.

Einde van het boek van elf


[1] U Ko Lay 1985, p. 124; Webb 1975, p. 29.

[2]  Vgl. A.IX.37

[3]  In de uitgave van de Pali Text Society wordt het volgende tekstgedeelte als een afzonderlijke leerrede (A.XI.8) geteld; in een andere uitgave sluit het tekstgedeelte direct aan bij de voorgaande tekst (A.XI.7). Het begin van het volgende tekstgedeelte maakt dit waarschijnlijker. Maar om niet af te wijken van de PTS-uitgave werd de oude telling aangehouden.

[4] aggapada; letterlijk: het hoogste oord; dit is Nibbana.

[5] Zie A.III.61.

[6] Sanankumāra, letterlijk: de eeuwige jongeling, is in de Hindoe-mythologie een van de vier zonen van Brahmā.

[7] Onbeïnvloed, d.w.z. de deugdzaamheid is niet door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel beïnvloedt, noch door verkeerde meningen (ditthi).

[8] zie ook A.III.71.

[9] Vergelijk A.VI.10.

[10] Alle heilige discipelen (van de vier niveaus van heiligheid) gelden met betrekking tot de 'heilige bevrijding' als 'permanent bevrijd'

[11] Sudattassa Upāsakassa. Sudatta is beter bekend onder zijn bijnaam Anāthapindika. Meerdere teksten en de bijbehorende commentaren lezen hier echter Saddhassa Upāsakassa, "een zoon vol vertrouwen van een lekenvolgeling." - Commentaar: Dit heeft betrekking op Anāthapindika. Diens zoon was namelijk onder zijn oom in de huisloosheid vertrokken en Subhūti Thera had hem meegenomen en was naar de Meester gegaan. Hoewel de Meester het wist, stelde hij toch om het gesprek te openen zijn vraag (om, met aanknopingspunt de naam van de monnik, de kenmerken van iemand vol vertrouwen uiteen te zetten).

[12] Rijk aan weten, veel weten, zie: A.IV.186.

[13] echte vriend, edele vriend, zie: A.III.136.

[14] vergelijk voor deze zes kenmerken A.X.18.

[15] Zie: Bovennatuurlijke krachten. 4. Herinnering aan vroegere vormen van bestaan.

[16] vgl. A.VIII.1

--