Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.3. Samyutta nikaya

3. Khandha vagga


Indeling    

Samyutta Nikaya

Sectie 3. Khandha-vagga

een selectie

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilaties of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of oo met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



        

Indeling

        Sectie III, Khandha vagga, gaat over de  groepen van bestaan. Deze sectie is ingedeeld in 13 samyuttas.

22. Khandha-Samyutta

23. Rādha-Samyutta

24. Ditthi-Samyutta

25. Okkantika-Samyutta

26. Uppāda-Samyutta

27. Kilesa-Samyutta

28. Sāriputta-Samyutta

29. Nāga-Samyutta

30. Supanna-Samyutta

31. Gandhabbakāya-Samyutta

32. Valāha-Samyutta

33. Vacchagotta-Samyutta

34. Samadhi-Samyutta

S.22. = S.XXII = S.III.1.  Khandha-Samyutta

De lichamelijke en geestelijke aggregaten die het “individu” vormen. (S.22.1-158)

22.1. Nakulapitā 

22.2. Devadaha 

22.20. Ik-loze oorzaak

22.22. De last

22.32. Het onverwoestbare [nibbana]

22.53. Naderen 

22.57. Volleerd

22.59. De kenmerken van anatta

22.82. Op de Uposatha dag

S.22. Khandha-Samyutta

S.22.1.  Nakulapitā

De Boeddha zei eens aan de oude Nakulapita: "Ziekelijk is het lichaam, gebrekkig. Maar de geest moet niet ziekelijk zijn." De eerwaarde Sariputta legde dit later uit.

"In hoeverre is het lichaam ziekelijk en ook de geest? – Een onervaren wereldmens, die de edelen niet kent, die niet bekend is met de leer van de edelen, die er niet in geschoold is, die beschouwt lichamelijkheid als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend, of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. 'Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu die lichamelijkheid. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo beschouwt hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn als het zelf, of het zelf als gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn bezittend, of gevoel, waarneming, formaties, het bewustzijn als in het zelf of het zelf als in gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. 'Ik ben gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn; gevoel, waarneming, de formaties, het bewustzijn is van mij.' Hij blijft stoer bij zo'n mening. Bij hem verandert nu dat gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Door die verandering ontstaan bij hem geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk en ook de geest.

Hoe is het lichaam ziekelijk maar niet de geest? – Een edele volgeling, die de edelen kent, die bekend is met de leer van de edelen, erin geschoold, die beschouwt de lichamelijkheid niet als het zelf of het zelf als lichamelijkheid bezittend of de lichamelijkheid als in het zelf of het zelf als in lichamelijkheid. Hij blijft niet stoer bij de mening: “Ik ben de lichamelijkheid; de lichamelijkheid is van mij.” Bij hem verandert de lichamelijkheid. Maar bij hem ontstaan door die verandering van de lichamelijkheid niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Evenzo met het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn. Hij beschouwt die niet als het zelf (etc). Hij blijft niet bij de mening dat hij het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn is, dat ze hem toebehoren. Er komt verandering in het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn maar door die verandering ontstaan bij hem niet geweeklaag, gejammer, pijn, droefenis en wanhoop.

Zo is het lichaam ziekelijk maar de geest niet."

S.22.2. Devadaha

De eerwaarde Sariputta legde de leer uit aan andere monniken, die op reis wilden gaan. Als aan hen onderweg iets gevraagd werd, dan moesten zij de leer juist kunnen uitleggen om geen verwijten te krijgen.

Vraag: Wat onderwijst de Boeddha?

Antwoord: De Boeddha onderwijst de overwinning van begeerte, en wel de begeerte naar lichamelijkheid, naar gevoel, naar waarneming, naar formaties, naar bewustzijn.

Vraag: Welk kwaad is er in die soorten van begeerte?

Antwoord: Wanneer bij de lichamelijkheid, bij het gevoel, bij de waarneming, bij de formaties, bij het bewustzijn de begeerte niet is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen, niet zijn verdwenen, dan ontstaan door verandering van de lichamelijkheid, van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn zorgen, gejammer, pijn, leed en wanhoop.

Daarom onderwijst de Boeddha de overwinning van begeerte.

Welk voordeel is er in de overwinning van begeerte? – Wanneer bij lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn begeerte verdwenen is, wil, toeneiging, vurig verlangen verdwenen is, dan ontstaan niet bij hem door verandering van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn leed, gejammer, pijn, leed en wanhoop.

Dat is het voordeel ervan.

Men kan zeggen: 'Ook bij het uitoefenen van onheilzame dingen kan men al in dit leven in een gelukkige toestand vertoeven, zonder problemen, zonder wanhoop, zonder pijn. En na de dood kan men in een gelukkige sfeer terecht komen. De Verhevene zou daarom het opgeven van onheilzame dingen niet moeten aanbevelen.'

 Dan moet men antwoorden: 'Omdat men bij het uitoefenen van onheilzame dingen al in dit leven in een smartelijke toestand vertoeft, vol problemen, vol wanhoop, vol pijn, en omdat na de dood een slecht sfeer van bestaan te verwachten is, daarom raadt de Verhevene aan onheilzame dingen op te geven.'

Men kan dan zeggen: 'Ook bij het uitoefenen van heilzame dingen kan men al in dit leven in een treurige toestand vertoeven, vol problemen, vol wanhoop, vol pijn. En na de dood kan een slechte sfeer van bestaan te verwachten zijn. Daarom zou de Verhevene het uitoefenen van heilzame dingen niet moeten aanbevelen.'

Het antwoord luidt dan: 'Omdat men bij het uitoefenen van heilzame dingen al in dit leven in een gelukkige toestand vertoeft, zonder problemen, zonder wanhoop, zonder pijn, en omdat na de dood een goede sfeer van bestaan te verwachten is, daarom raadt de Boeddha het uitoefenen van heilzame dingen aan.'"

Dat was de raad van de eerwaarde Sariputta aan die monniken.

S.22.20. Ik-loze oorzaak

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De Boeddha sprak er tot de monniken over niet-ik.

"Monniken, de lichamelijkheid is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, ook dat is niet-ik. De lichamelijkheid die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

Gevoel is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van gevoel, ook dat is niet-ik. Het gevoel dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Waarneming is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de waarneming, ook dat is niet-ik. De waarneming die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

De formaties zijn niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de formaties, ook dat is niet-ik. De formaties die ontstaan zijn door iets dat zonder een ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?

Het bewustzijn is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van het bewustzijn, ook dat is niet-ik. Het bewustzijn dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Ze zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?

S.22.22 De last

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster sprak de Verhevene eens tot de monniken: “De last zal ik jullie tonen, de drager van de last, het opladen van de last, en het afwerpen van de last. Luistert en let goed op.

Wat nu is de last, wie is de drager van de last, wat is het opladen van de last en hoe kan de last afgeworpen worden?  

De last bestaat uit de vijf groepen van hechten, namelijk lichamelijkheid, gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. De drager van de last is het "individu",[1] namelijk deze of die geachte persoon met zo'n naam, van zo'n geslacht.

Het opladen[2] van de last is het verlangen dat wedergeboorte produceert, dat met lust en hebzucht verbonden is, dat hier en daar behagen schept, namelijk het verlangen naar zinnelijkheid, naar bestaan, naar niet-bestaan.

Het afwerpen van de last is de restloze opheffing en vernietiging van dat verlangen, de verzaking, vervreemding, verlossing, de vrijheid van hechten.  

"Waarlijk, de groep van vijf is de last,

en ze wordt gedragen door de mens.

Het lijden in de wereld heet 'dragen van die last';

van de last bevrijd te zijn, dat is het geluk.

Wanneer de zware last is afgeworpen,

neemt hij nergens een andere last aan.

Wanneer de begeerte ontworteld is,

dan is hij stil, helemaal bevrijd."

De last bestaat uit datgene waaraan men gehecht is, namelijk het lichamelijke en het geestelijke: lichaam, gevoel, waarneming, gedachten en ideeën en bewustzijn.

Het 'dragen van die last' heet ook ‘het lijden in de wereld’.

Het verdwijnen van de last bestaat in wat genoemd wordt het verwijderen van het lichamelijke en het geestelijke. Dat verwijderen gaat door de restloze opheffing en vernietiging van die begeerte, het vrij zijn van hechten.  

Het is dus niet een verwijderen van het lichaam met de geest. Door het inzien dat zij “mij” niet toebehoren, dat zij niet “van mij” zijn, verdwijnt gehechtheid aan lichaam en geest. En ook door het verwijderen van verlangen naar lichaam en geest is er geen vastklampen, geen gehechtheid meer aan lichaam en geest. Dat heet “het bevrijd zijn van de last”; het is het verdwijnen van het verlangen naar of van afkeer van het lichamelijke en het geestelijke.

Het lichamelijke en het geestelijke vinden in de geest dan ook geen steunpunt meer omdat de mening van een “ik” die voorheen als steun diende, er niet meer is.

S.22.32. Het onverwoestbare [nibbana]

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De Boeddha sprak er over het verwoestbare en het onverwoestbare.

"Monniken, het verwoestbare en het onverwoestbare zal ik jullie tonen.

Het verwoestbare is de lichamelijkheid. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is het gevoel. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is de waarneming. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare zijn de formaties. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare.

Het verwoestbare is het bewustzijn. De opheffing, de uitdoving, de beëindiging ervan, dat is het onverwoestbare."

S.22.53. Naderen[3]  [nibbana; vrije bewustzijn]

over het bevrijde, niet gevestigde bewustzijn

Eens verbleef de Verhevene te Savatthi en hij sprak aldus: “Degene die nadert, is niet bevrijd; degene die niet nadert, is bevrijd.

Monniken, als een vorm genaderd wordt,[4] en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met vorm als steun, met vorm als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.[5]

Monniken, als gevoelens genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met gevoelens als steun, met gevoelens als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als waarneming genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met waarneming als steun, met waarneming als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Monniken, als geestelijke formaties genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met geestelijke formaties als steun, met geestelijke formaties als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.

Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.[6]

Als verlangen naar het gebruik van vorm is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn.[7] Als verlangen naar het gebruik van bewustzijn is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, daar het niet groeit en niet samenstelt.[8] Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan.[9] Zo is degene die nadert, niet bevrijd, en zo is degene die niet nadert, bevrijd.”

S.22.57. Volleerd

Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi. Daar sprak hij de volgende leerrede:

“Monniken, een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op drie manieren, die monnik heet: ‘volleerd[10] in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.’

En hoe is een monnik bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig vorm.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van vorm.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van vorm.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat leidt naar de beëindiging van vorm.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in vorm is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in vorm is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan vorm.

En wat, monniken, is vorm? - Het zijn de vier grote elementen en de vorm die afhankelijk is van die vier grote elementen. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm; van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm. En het pad dat leidt naar het beëindigen van vorm is dit edele achtvoudige pad, namelijk : juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, dat is de voldoening die er in vorm is. In zoverre als vorm vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in vorm is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm zijn, dat is de ontsnapping aan vorm.

Monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in vorm is, die het lijden begrijpen dat er in vorm is en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor vorm, het zich losmaken van vorm, en het ophouden van vorm, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in vorm begrijpen en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, zij zijn, zonder zich aan vorm te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dankzij hun walgen voor vorm, hun zich losmaken van vorm en hun ophouden van vorm bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk[11] waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig gevoelens.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van gevoelens.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van gevoelens.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat leidt naar de beëindiging van gevoelens.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in gevoelens is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in gevoelens is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan gevoelens.

En wat, monniken, zijn gevoelens? - Er zijn deze zes indelingen van gevoelens, namelijk: gevoel dat geboren is uit contact met het oog, gevoel dat geboren is uit contact met het oor, gevoel dat geboren is uit contact met de neus, gevoel dat geboren is uit contact met de tong, gevoel dat geboren is uit contact met het lichaam, en gevoel dat geboren is uit contact met de geest. Dit heet gevoel.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van gevoel; van het beëindigen van contact is het beëindigen van gevoel. En het pad dat leidt naar het beëindigen van gevoel is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege gevoel, dat is de voldoening die er in gevoel is. In zoverre als gevoel vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in gevoel is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in gevoel zijn, dat is de ontsnapping aan gevoel.

Monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in gevoel is, die het lijden begrijpen dat er in gevoel is en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor gevoel, het zich losmaken van gevoel en het ophouden van gevoel, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in gevoel begrijpen en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - zij zijn, zonder zich aan gevoel te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dankzij hun walgen voor gevoel, hun zich losmaken van gevoel en hun ophouden van gevoel bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig waarneming.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van waarneming.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van waarneming.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat leidt naar de beëindiging van waarneming.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in waarneming is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in waarneming is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan waarneming.

En wat, monniken, is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.

Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van waarneming; van het beëindigen van contact is het beëindigen van waarneming. En het pad dat leidt naar het beëindigen van waarneming is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege waarneming, dat is de voldoening die er in waarneming is. In zoverre als waarneming vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in waarneming is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in waarneming zijn, dat is de ontsnapping aan waarneming.

Monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in waarneming is, die het lijden begrijpen dat er in waarneming is en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor waarneming, het zich losmaken van waarneming en het ophouden van waarneming, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in waarneming begrijpen en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, zij zijn, zonder zich aan waarneming te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dankzij hun walgen voor waarneming, hun zich losmaken van waarneming en hun ophouden van waarneming bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig geestelijke activiteiten.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van geestelijke activiteiten.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van geestelijke activiteiten.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat leidt naar de beëindiging van geestelijke activiteiten.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in geestelijke activiteiten is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in geestelijke activiteiten is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

En wat, monniken, zijn geestelijke activiteiten? - Er zijn deze zes indelingen van intenties, namelijk: de intentie van vormen, de intentie van geluiden, de intentie van geuren, de intentie van smaken, de intentie van aanrakingen en de intentie van ideeën. Dit heet geestelijke activiteiten. Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van geestelijke activiteiten; van het beëindigen van contact is het beëindigen van geestelijke activiteiten. En het pad dat leidt naar het beëindigen van geestelijke activiteiten is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege geestelijke activiteiten, dat is de voldoening die er in geestelijke activiteiten is. In zoverre als geestelijke activiteiten vergankelijk zijn, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in geestelijke activiteiten is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in geestelijke activiteiten zijn, dat is de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.

Monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in geestelijke activiteiten is, die het lijden begrijpen dat er in geestelijke activiteiten is en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor geestelijke activiteiten, het zich losmaken van geestelijke activiteiten en het ophouden van geestelijke activiteiten, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in geestelijke activiteiten begrijpen en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, zij zijn, zonder zich aan geestelijke activiteiten te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dankzij hun walgen voor geestelijke activiteiten, hun zich losmaken van geestelijke activiteiten en hun ophouden van geestelijke activiteiten bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?

1. Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig bewustzijn.

2. Hij begrijpt volledig het ontstaan van bewustzijn.

3. Hij begrijpt volledig het beëindigen van bewustzijn.

4. En hij begrijpt volledig het pad dat leidt naar de beëindiging van bewustzijn.

5. Hij begrijpt volledig de voldoening die er in bewustzijn is.

6. Hij begrijpt volledig het lijden dat er in bewustzijn is.

7. En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan bewustzijn.

En wat, monniken, is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van 'naam-en- vorm' komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van 'naam-en-vorm' is het beëindigen van bewustzijn. En het pad dat leidt naar het beëindigen van bewustzijn is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.

Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. In zoverre als bewustzijn vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.

Monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor bewustzijn, het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.

En monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat leidt naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in bewustzijn begrijpen en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, zij zijn, zonder zich aan bewustzijn te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dankzij hun walgen voor bewustzijn, hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.

Op deze manier is een monnik bekwaam in de zeven punten.

En hoe is een monnik een onderzoeker op de drie manieren? Welnu, monniken, hij onderzoekt dingen:

1. via de elementen,[12]

2. via de zintuiglijke sferen,[13]

3. via afhankelijk ontstaan.[14]

Dat is de manier waarop een monnik een onderzoeker wordt op de drie manieren.

Een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op de drie manieren, hij heet volleerd in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.”

S.22.59. Anattā-Lakkhana-Sutta, de kenmerken van anatta, niet-zelf.

(In deze leerrede worden de kenmerken besproken van niet-ik, welke kenmerken de afwezigheid van een blijvende ik-substantie duidelijk maken. Deze leerrede werd gericht tot de groep van vijf asceten die metgezellen van de Boeddha waren vóór diens Verlichting.  Zij hadden toen al het niveau van stroomintrede bereikt. Hoe belangrijk de leer van niet-ik, anattā is, blijkt uit het feit dat die vijf asceten na het luisteren naar en begrijpen van deze leerrede het niveau van volmaakte heiligheid Heiligkeit verkregen. Deze leerrede is ook in Vinaya, Mahāvagga I.6).

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef  de Verhevene te Isipatana, in het hertenpark. Hij richtte zich tot de groep van vijf asceten met de volgende woorden:

“Monniken, vorm[15] is niet-zelf. Als vorm het zelf was, dan zou vorm, het lichamelijke niet ziek worden. Dan zou men de vorm kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Moge mijn lichaam zo zijn, moge het lichaam niet zo zijn.’ Maar omdat vorm niet-ik is, geen zelf is, daarom is de lichamelijkheid onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men kan de vorm, het lichaam niet laten zijn zoals men wenst: ‘Moge mijn lichaam zo zijn, moge het lichaam niet zo zijn.’

“Monniken, het gevoel is niet-zelf, is niet-ik. Als het gevoel het zelf, het ik was, dan zou het gevoel niet ziek worden. Dan zou men het gevoel kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Moge mijn gevoel zo zijn, moge het gevoel niet zo zijn.’

Maar omdat het gevoel niet-ik is, geen zelf is, daarom is het gevoel onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men kan het gevoel niet laten zijn zoals men wenst: ‘Moge mijn gevoel zo zijn, moge het gevoel niet zo zijn.’

 

“Monniken, de waarneming is niet-zelf, is niet-ik. Als de waarneming het zelf, het ik was, dan zou de waarneming niet ziek worden. Dan zou men de waarneming kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Moge de waarneming zo zijn, moge de waarneming niet zo zijn.’

Maar omdat de waarneming niet-ik is, niet-zelf is, daarom is de waarneming onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men kan de waarneming niet laten zijn zoals men wenst: ‘Moge mijn waarneming zo zijn, moge de waarneming niet zo zijn.’

“Monniken, de geestelijke formaties[16] zijn niet-zelf, zijn niet-ik. Als de formaties het zelf, het ik waren, dan zouden de formaties niet ziek worden. Dan zou men de formaties kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Mogen de formaties zo zijn, mogen de formaties niet zo zijn.’

Maar omdat de formaties niet-ik zijn, niet-zelf zijn, daarom zijn de formaties onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men kan de formaties niet laten zijn zoals men wenst: ‘Mogen mijn formaties zo zijn, mogen de formaties niet zo zijn.’  

“Monniken, het bewustzijn is niet-zelf, is niet-ik. Als het bewustzijn het zelf, het ik was, dan zou het bewustzijn niet ziek worden. Dan zou men het bewustzijn kunnen laten zijn zoals men wenste: ‘Moge het bewustzijn zo zijn, moge het bewustzijn niet zo zijn.’

Maar omdat het bewustzijn niet-ik is, niet-zelf is, daarom is het bewustzijn onderhevig aan ziekte en daarom kan men niet ermee handelen zoals men wenst. Men kan het bewustzijn niet laten zijn zoals men wenst: ‘Moge mijn bewustzijn zo zijn, moge het bewustzijn niet zo zijn.’

“Monniken, wat menen jullie: is vorm, het lichamelijke onvergankelijk of vergankelijk?” – “Ze is vergankelijk, Eerwaarde Heer.” – “Welnu, wat vergankelijk is, is dat smartelijk of prettig?” – “Het is smartelijk, Eerwaarde Heer.” – “Welnu, wat vergankelijk is, wat smartelijk is omdat het onderhevig is aan verandering, kan men dat als volgt beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?’” – “Neen, Eerwaarde Heer.”

“Monniken, zijn gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - “Ze zijn vergankelijk, Eerwaarde Heer.” – “Welnu, wat vergankelijk is, is dat smartelijk of prettig?” – “Het is smartelijk, Eerwaarde Heer.” – “Welnu, wat vergankelijk is, wat smartelijk is omdat het onderhevig is aan verandering, kan men dat als volgt beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?’” – “Neen, Eerwaarde Heer.”

Monniken, zo moet met juist begrip elke soort van vorm - hetzij vroeger, toekomstig of tegenwoordig ontstaan, hetzij ruw of fijn, inwendig of uitwendig,[17] hetzij laag of verheven, veraf of nabij - worden beschouwd zoals ze werkelijk is, namelijk: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’

En ook elke soort van gevoel, van waarneming, van geestelijke formaties en van bewustzijn moet aldus worden beschouwd zoals ze werkelijk is, namelijk: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’

Zo moet men dat overeenkomstig de werkelijkheid met correcte wijsheid beschouwen.

Monniken, wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft vernomen, op die manier ziet, wendt hij zich af van vorm. En ook wendt hij zich af van gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.[18]

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En wanneer hij bevrijd is, is er het zekere weten dát hij bevrijd is. En met de gedachte: ‘Volbracht is wat volbracht kan worden, niets gaat meer hierboven uit,’ begrijpt hij dat het heilige leven vervuld is.”

Dit is wat de Gezegende zei. De monniken waren blij en verheugden zich over zijn woorden.

Gedurende deze toespraak werden de harten van de vijf monniken bevrijd van de smetten. Zij hechtten zich nergens meer aan.

S.22.82. Op de Uposatha dag

(Gelijk aan M.109.)

S.23. (S.XXIII) Rādha-Samyutta

Vragen van Rādha. 46 suttas. (S.23.1-46)

S.24. (S.XXIV) Ditthi-Samyutta

Misleidende visies ontstaan door het hechten aan de aggregaten. 96 suttas. (S.XXIV.1-96)

S.25 (S.XXV) Okkantika-Samyutta.

Het betreden van het Pad door vertrouwen (saddhā). (S.25.1-10)

S.26  (S.XXVI). Uppāda-Samyutta.

Het ontstaan van de aggregaten leidt tot onvoldaanheid, lijden. (S.26.1-10)

S.27. (S.XXVII Kilesa-Samyutta

Verontreinigingen ontstaan vanuit de zesvoudige zintuiglijke basis en zinsbewustzijn. 10 suttas. (S.27.1-10)

S.28. (S.XXVIII) Sāriputta-Samyutta

Over de meditatieve verdiepingen. 10 suttas.

S.29. (S.XXIX)  Nāga-Samyutta

Opsomming van vier soorten nāgas. 50 suttas. (S.29.1-50)

S.30. (S.XXX) Supanna-Samyutta

Opsomming van vier soorten garudas. 46 suttas. (S.30.1-46)

S.31. (S.XXXI) Gandhabbakāya-Samyutta

Beschrijving van de gandhabba godheden. 112 suttas. (S.31.1-112)

S.32. (S.XXXII) Valāhaka-Samyutta

Beschrijving van de geesten in de wolken. 57 suttas. (S.32.1-57)

S.33. (S.XXXIII) Vacchagotta-Samyutta

Vacchagotta's metafysische vragen. 55 suttas. (S.33.1-55)

S.34. (S.XXXIV) Samadhi-Samyutta

Opsomming van de vier typen van beoefenaars van de meditatieve verdiepingen (jhanas). 55 suttas. (S.34.1-55)


[1] De term "individu" (puggala) is hier gebruikt in de conventionele betekenis, niet in de filosofische betekenis ervan.

[2] ādānam; letterlijk 'het nemen'; het betekent ook hangen, hechten, vastgrijpen.

[3]  S. XXII,53, in Ñânananda, Bhikkhu: An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972, The Wheel No. 183/185, p. 25-27. - Ook de voetnoten zijn hieraan ontleend.

[4] Als bewustzijn het object heeft genaderd, begeert het dat object, verkrijgt het, bezet het en tenslotte wordt het bewustzijn door dat object in bezit genomen. (De rollen worden dan omgekeerd). Dit laatste is dan het zaad voor een herhaling van het hele proces tot in het oneindige. (Denk hier bijvoorbeeld aan eenmalig gebruik, gewoontevorming, verslaving).

[5] Elk van de vijf aggregaten fungeert als steun of basis voor bewustzijn. Zij worden soms ‘verblijfplaatsen voor bewustzijn’ genoemd.  

[6] Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.

[7] Het verlangen hier is slechts een andere schaduw van genotzucht. “Door de vernietiging van genot komt de vernietiging van verlangen. Door de vernietiging van verlangen komt de vernietiging van genot. En door de vernietiging van genot en verlangen wordt de geest ‘wel-bevrijd’ genoemd.” (S.III,51).        

Van het verlangen naar bewustzijn zelf is gezegd dat het een steun is voor de vestiging van bewustzijn. Bewustzijn is zó parasietachtig dat het, bij afwezigheid van een tastbaardere steun, gevestigd wordt juist op het ontbreken van gehechtheid.        

“Zelfs als men niet wil, noch mentaal samenstelt, maar als men nog een verborgen neiging heeft, dan wordt dat een object voor het voortbestaan van bewustzijn.” (S.II.67).

[8] Bewustzijn dat niet samenstelt, is bevrijd. Dezelfde idee is aangetoond door de zegswijze: “Mijn geest heeft het niet aan voorwaarden gebondene bereikt” (Dhp.154) en “De geest die gegaan is naar de sfeer van niet-samengesteld zijn.” Hiermee is bedoeld het tot rust komen van de formaties.

[9] Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.

[10] Volleerd (kevalī) = iemand die alleen leeft. De betekenis van volleerdheid, van volledigheid is eronder begrepen. Vergelijk bijvoorbeeld Sn 490: “Zij die in de wereld zwerven zonder hechten, zonder bezit, alleen en zelfbeheerst.” Dit alleen zijn heeft evenwel een diepere betekenis voor de Arahant. Het heeft betrekking op het niet verwikkeld zijn in naam-en-vorm van de heilige. Hij heeft een einde gemaakt aan naam-en-vorm (Sn 537) en die combinatie wordt niet langer overdacht of is niet meer openbaar in zijn bewustzijn. De notitie ‘ik ben’ verschijnt als men overweegt over de vijf aggregaten, juist zoals wanneer men kijkt naar eigen spiegelbeeld dat weerkaatst wordt in een spiegel of in een kom met water. Zo is het hele waanbeeld (waanbegrip) ‘ik ben’ dat als maatstaf genomen wordt, inderdaad afhankelijk en relatief. De Arahant is vrij van dat waanbeeld en steunt niet op standaardmaten van oordelen en beoordelingen (zie bijvoorbeeld Sn 842 en Sn 894); hij is daarom waarlijk alleen, volledig geïntegreerd en volleerd. Hij is een volledigheid, geboren uit inwendige eendracht die te danken is aan het feit dat zijn bewustzijn nergens meer ‘vertoeft’ (zie Sn 810).

Zie ook ‘Ideale eenzaamheid’.

[11] Een draaikolk is een stroming die terugkeert, tegen de hoofdstroom in; ze veroorzaakt zo een draaiende beweging. Deze draaikolk in samsara is eveneens het resultaat van het tegenwerken van de natuurlijke stroom met z'n drie eigenschappen van niet-blijvendheid, onvoldaanheid (lijden) en niet-zelf [en afhankelijk bestaan].

Bewustzijn keert terug van naam-en-vorm; het gaat er niet overheen. Het begrijpen hiervan is de reddende wijsheid die zijn hoogtepunt heeft in een volledig begrijpen van de illusie die bewustzijn vormt. Tussen deze twee schakels van paticca samuppāda is er een draaikolk voor het aanduiden van ‘dit-heid’ (nl. de condities van dit bestaan). Als het reflex-mechanisme van het bewustzijn ontdekt is, verliest de motiverende kracht voor deze draaikolk zijn bekrachtiging. Het voeden van bewustzijn blijkt dan een vicieus systeem van terugkoppeling, van reactie te zijn zoals dat ook het geval is bij een draaikolk. “Naam-en-vorm’ worden dan gezien zuiver als een product van veelvuldigheid (papañca-namarūpam)” (Sn 530).        

Met de visie van de dingen zoals ze zijn, komt er een afkeer voor deze wisselwerking die niets anders is dan een secundaire manifestatie van een conflict (dukkha) met de ‘hoofdstroom’ van de natuur. Deze afkeer geeft aanleiding tot een zich afwenden en dit leidt tot de vrijheid van het conflict dat samsarisch bestaan kenmerkt. Er kan alleen een aanduiding als ‘dit-heid’ (itthatta) zijn, zolang als de draaikolk van individueel bestaan gaande wordt gehouden. Als de draaikolk ophoudt te bestaan, verliezen alle wijzen van aanduiding hun punt van referentie. Immers, waar een ‘dit-heid’ (itthatta) was, is dan een tathatā (zo-heid of aldusheid). De Tathāgata, de Transcendente, wordt aldus waarlijk: diep, onmetelijk als de grote oceaan (M.I,488). De vijf aggregaten die hij heeft opgegeven, hebben alleen een schijn van connectie met hem nu, zoals het in beroering gebrachte oppervlaktewater dat nog een teken heeft van een draaikolk die al lang naar de diepte ervan verdwenen is.        

De draaikolk is er niet meer voor de arahants omdat het tegendeel van bewustzijn, nl. naam-en-vorm, niet langer aanwezig is. Hierover twee teksten uit de Pali Canon: “Dit bewustzijn keert terug van naam-en-vorm; het overschrijdt hem niet. In zoverre kan men geboren worden, of ouder worden, of sterven, of heengaan, of weer verschijnen, in zoverre als dit is, namelijk: bewustzijn is afhankelijk van naam-en-vorm, naam-en-vorm is afhankelijk van bewustzijn, de zes zintuiglijke sferen zijn afhankelijk van naam-en-vorm, contact is afhankelijk van de zes zintuiglijke sferen, gevoel is afhankelijk van contact, begeerte is afhankelijk van gevoel, hechten is afhankelijk van begeerte, worden is afhankelijk van hechten, geboorte is afhankelijk van worden, en ouderdom, dood, verdriet, geweeklaag, pijn, smart en wanhoop zijn afhankelijk van geboorte. Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden.” (D.14).        

“In zoverre kan men slechts geboren worden of ouder worden of sterven of heengaan of weer verschijnen, in zoverre slechts is er een pad voor terminologie, in zoverre slechts is er een pad voor aanduidingen, in zoverre slechts is er enige sfeer van kennis, in zoverre slechts is er een draaikolk voor een aanduiding van ‘dit-heid’, d.w.z. in zoverre als er naam-en-vorm bestaat samen met bewustzijn.” (D.15).

[12] De achttien elementen zijn: oog, zichtbaar object, oog-bewustzijn, oor, geluid, oor-bewustzijn; neus, geur, neus-bewustzijn; tong, smaak, tong-bewustzijn; lichaam, tastbare objecten, lichaam-bewustzijn; geest, ideeën, geest-bewustzijn.

[13] De twaalf zintuiglijke sferen zijn: oog, zichtbaar object; oor, geluid; neus, geur; tong, smaak; lichaam, tastbare objecten; geest, ideeën. - Gewoonlijk worden zij in twee groepen verdeeld: de inwendige (= de zes zintuigen) en de uitwendige (= de resp. objecten).

[14] Dit heeft betrekking op de contemplatie over het ontstaan en vergaan van de vijf aggregaten van hechten overeenkomstig het principe van paticca samuppāda.  

[15] Vorm (rupa) is omschreven in termen van de vier grote elementen, namelijk: aarde (vastheid), water (cohesie), vuur (hitte, vertering) en lucht (beweging).

[16] Geestelijke formaties zijn o.a. besluit, wil, gedachten, afkeer, sympathie, enz.

[17] inwendig of uitwendig: d.w.z. bij de beschouwer zelf of bij anderen.

[18] d.w.z. hij beschouwt ze niet meer als eigendom, als tot zichzelf behorende. Hij laat ze los; ze raken hem niet meer.

...