Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.3. Samyutta nikaya

2. Nidana vagga


Inleiding         indeling         

Samyutta Nikaya

Sectie 2. Nidana-vagga

een selectie



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilaties of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of oo met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


        

Inleiding

Sectie II, Nidana vagga, is de sectie van oorzakelijk ontstaan. Deze groep met 10 samyuttas is genoemd naar de eerste van de tien samyuttas welke begint met suttas over de nidānas, de twaalf schakels in de keten van oorzakelijkheid.[1]

Indeling

De Nidana vagga is ingedeeld in 10 samyuttas, namelijk:

12. Nidana samyutta

13. Abhisamaya samyutta

14. Dhatu samyutta

15. Anamatagga samyutta

16. Kassapa samyutta

17. Labhasakkara samyutta

18. Rahula samyutta

19. Lakkhana samyutta

20. Opamma samyutta

21. Bhikkhu samyutta     

S.12 = S.XII. = S.II.1. Nidāna-Samyutta

   

Buddhavagga - Het gedeelte over de Boeddha

12.1. Oorzakelijk ontstaan

12.2-10. over oorzakelijk ontstaan

         Āhāra-vagga - over de voedingsstoffen

12.11. Voedsel

12.12. Voedsel

12.13-14. die ouderdom en dood niet/wel kennen

12.16. verkondiger de waarheid [nibbana]

12.17. [oorzakelijk ontstaan]

12.18. De asceet Timbaruka

12.19. Hoe de wijze zich van de dwaas onderscheidt

12.20. oorzakelijk ontstaan

         Dasabalavagga – Over de 10 krachten 

12.21. De tien krachten

12.22. De tien krachten

12.23. Afhankelijk

12.24. asceten met een ander geloof

12.25. Bhūmija

         Kalārakhattiya-vagga 

12.31. Geworden [bevrijd; nibbana]

12.32. [volmaakt]

12.37. [nibbana] [ oorzakelijk ontstaan]

12.38. Het denken (1)

12.39. Het denken (2)

12.40. Het denken (3)

         Gahapativagga – van het gezinshoofd 

12.41. Stroomintrede

12.43. Het lijden

12.44. De wereld

12.45. Nātika

12.46-48. Oorzakelijk ontstaan

12.49. [oorzakelijk ontstaan]

12.50. [oorzakelijk ontstaan] 

Rukkhavagga – van de boom 

12.51. Oorzakelijk ontstaan en kamma [nibbana]

12.52 [oorzakelijk ontstaan]

12.53 [oorzakelijk ontstaan]

12.54-56. idem

12.57 [oorzakelijk ontstaan]

12.58 [oorzakelijk ontstaan]

12.59 [oorzakelijk ontstaan]

12.60 [oorzakelijk ontstaan]

         Mahāvagga – het grote gedeelte 

12.61. [nibbana]

12.62. [contact]

12.63. [voedingsstoffen]

12.64. [voedingsstoffen] [oorzakelijk ontstaan]

12.68. de eerwaarde Musila

12.70. De magische krachten 

Samana-Brāhmana-Vagga – van samanas en brahmanen (S.71-81)

Antara-peyyāla-Vagga – van de afgekorte stukken (S.82-93)

S.12. Nidāna-Samyutta

Buddhavagga – het gedeelte over de Boeddha 

S.12.1. Oorzakelijk ontstaan

Te Sāvatthi, in het Jetavana park. De Boeddha sprak er tot de monniken: “Monniken, ik zal jullie de wet van oorzakelijk ontstaan onderwijzen. Luistert goed en past goed op.” – “Jawel, heer,” zeiden de monniken.

De Boeddha zei toen: De wet van oorzakelijk ontstaan is als volgt: Uit het niet-weten als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn. Uit het bewustzijn als oorzaak ontstaat naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand. Monniken, dit heet ontstaan.

Uit het restloze verdwijnen van niet weten en de opheffing ervan volgt opheffing van de vormingen. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn. Uit de opheffing van het bewustzijn volgt opheffing van naam en vorm. Uit de opheffing van naam en vorm volgt opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

S.12.2-10. over oorzakelijk ontstaan

[Zie: Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden]

Āhāra-vagga – over de voedingsstoffen

S.12.11. Voedsel

Te Savatthi, in het Jetavana sprak de Boeddha over de voedingsstoffen en oorzakelijk ontstaan.

Vier soorten voedsel dienen de wezens die (al) geboren zijn, tot onderhoud. En zij dienen de wezens die naar wedergeboorte zoeken, tot steun.

Die vier soorten voedsel zijn: eetbare spijzen, aanraking, het denken van de geest, het bewustzijn.

De oorzaak, de oorsprong van die vier soorten voedsel is de dorst.

De dorst heeft als oorzaak de gewaarwording, het gevoel.

De gewaarwording heeft als oorzaak de aanraking.

De aanraking heeft als oorzaak de zes zintuigen.

De zes zintuigen hebben als oorzaak naam en vorm.

Naam en vorm hebben het bewustzijn als oorzaak.

Het bewustzijn heeft als oorzaak de formaties.

De formaties hebben als oorzaak het niet weten.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van begeerte volgt opheffing van de formaties. Uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn. (etc)

Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

S.12.12. Voedsel

Te Savatthi, de Boeddha spreekt er over de vier voedingsstoffen.

"Er zijn vier voedingsstoffen die dienen tot onderhoud van de wezens die al geboren zijn, namelijk eetbaar voedsel; aanraking, contact; het denken van de geest; het bewustzijn."

De eerwaarde Moliya-Phagguna vroeg toen wie de voedingsstof bewustzijn tot zich nam. De Boeddha gaf ten antwoord dat de vraag niet juist was. Hij had niet gezegd: "Hij neemt tot zich." Juist is de vraag: Waartoe dient de voedingsstof bewustzijn?" En dan luidt het antwoord:

       

"Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan. Wanneer die geworden zijn, (ontstaan) de zes zintuigen.Uit de zes zintuigen ontstaat aanraking. Uit de aanraking ontstaat de gewaarwording. Uit de gewaarwording ontstaat de dorst. Uit de dorst ontstaat het grijpen. Uit het grijpen ontstaat het worden. Zo komt de hele massa van lijden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gewaarwording. Uit de opheffing van gewaarwording volgt opheffing van de dorst. Uit opheffing van de dorst volgt opheffing van grijpen. Uit opheffing van grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van worden volgt opheffing van geboorte. Uit de opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag opgeheven.

Zo is de opheffing van de hele massa van lijden."

S.12.13-14. die ouderdom en dood niet/wel kennen

Allen die ouderdom en dood niet kennen, de oorsprong ervan niet kennen, de opheffing ervan niet kennen, die het pad dat leidt naar opheffing van ouderdom en dood niet kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die de weg niet kennen die leidt naar de opheffing ervan, – zij allen hebben het doel niet bereikt. Zij komen niet over ouderdom en dood heen.

Maar allen die ouderdom en dood wel kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties wel kennen, die de opheffing ervan kennen, die de weg kennen die naar de opheffing ervan leidt, die hebben het doel hier al bereikt.

S.12.16. verkondiger de waarheid [nibbana]

Te Savatthi. De Boeddha legde er uit wie een verkondiger der waarheid is.

Wanneer iemand tot afkeer van ouderdom en dood, tot het verdwijnen en de opheffing ervan de ware leer verkondigt, dan is hij een verkondiger der waarheid.

Wanneer iemand streeft naar afkeer van ouderdom en dood, naar het verdwijnen en de opheffing ervan, dan is hij iemand die in overeenkomst met de juiste leer leeft.

Wanneer iemand door afkeer van ouderdom en dood, door het verdwijnen en de opheffing ervan, zonder aan iets te hechten, bevrijd is, dan heeft hij in dit leven al Nibbana bereikt.

Wanneer iemand de ware leer verkondigt tot afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, tot afkeer van onwetendheid, tot het verdwijnen en opheffen ervan, dan is hij een verkondiger van de waarheid.

Wanneer iemand streeft naar de afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, onwetendheid, naar het verdwijnen en opheffen ervan, dan is hij iemand die in overeenkomst met de ware leer leeft.

Wanneer iemand door de afkeer van geboorte, worden, hechten, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties, onwetendheid, door het verdwijnen en opheffen ervan, zonder ergens aan te hechten bevrijd is, dan is hij iemand die al in dit leven Nibbana heeft bereikt.

S.12.17. [oorzakelijk ontstaan]

Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. 's Morgens ging hij naar de stad voor aalmoezen. De naakte asceet Kassapa zag van verre de Boeddha aankomen, ging naar hem toe, groette eerbiedig en vroeg of het lijden zelf veroorzaakt is of door iemand anders of zowel door iemand zelf als door iemand anders of door toeval. De Boeddha legde hem toen de oorzaak van lijden uit.

"Als men beweert dat het dezelfde is die de daad verricht en die de gevolgen ervan ondervindt, dan is er iemand die vanaf het begin bestaat; beweert men dan dat het lijden zelf veroorzaakt is, dan komt men tot de conclusie van een eeuwig blijvend iets.

Als men beweert dat het iemand anders is die de daad verricht en die de gevolgen ervan ondervindt, dan bestaat er iemand die te maken heeft met gevoel; beweert men dan dat het lijden door iemand anders is veroorzaakt, dan komt men tot de conclusie van volledige vernietiging.

De Tathagata verkondigt de leer van het midden: uit onwetendheid ontstaan de formaties, uit de formaties ontstaat het bewustzijn, (etc). Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van leiden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de formaties; uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van bewustzijn (etc.). Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand."

De naakte asceet nam toen zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha. Hij kreeg van de Boeddha de wijding in de Orde. Na niet lange tijd bereikte hij het hoge doel, hij werd een volmaakte heilige.[2]      

S.12.18. De asceet Timbaruka

(Dit sutta is een variatie op het voorgaande sutta)

Te Savatthi. De asceet Timbaruka ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg of lust en lijden zelf veroorzaakt zijn of door iemand anders veroorzaakt zijn.

De Boeddha zei dat hij zoiets niet onderwees, maar dat hij die uitersten vermeed. [Dan volgt de keten van oorzakelijkheid in directe en omgekeerde volgorde].

Hierna na de asceet Timbaruka zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha. Hij werd een lekenvolgeling van de Boeddha.

S.12.19. Hoe de wijze zich van de dwaas onderscheidt

Te Savatthi. Een dwaas die de hindernis van onwetendheid bezat en die met dorst begiftigd was, heeft daardoor dit tegenwoordige lichaam gekregen. Zo is dit lichaam van thans ontstaan en behalve dit is er naam en vorm. Op die manier is er een paar aanwezig en ten gevolge daarvan is er contact, namelijk het bereik van de zes zintuigen; door het contact daarmee of door één ervan ondervindt de dwaas lust en lijden.

Een wijze die de hindernis van onwetendheid bezat en die met dorst begiftigd was, heeft daardoor dit tegenwoordige lichaam gekregen. Zo is dit lichaam van thans ontstaan en behalve dit is er naam en vorm. Op die manier is er een paar aanwezig en ten gevolge daarvan is er contact, namelijk het bereik van de zes zintuigen; door het contact daarmee of door één ervan ondervindt de wijze lust en lijden.

Het verschil tussen de wijze en de dwaas is als volgt:

De dwaas heeft de onwetendheid niet opgegeven en heeft de dorst niet onderdrukt. Hij heeft geen heilig leven geleid om het lijden volledig te vernietigen. Daarom gaat de dwaas na de dood weer in een lichaam. Hij wordt niet verlost van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, leed, verdriet en wanhoop. Hij wordt niet bevrijd van lijden.

Maar de wijze heeft onwetendheid opgegeven en heeft de dorst onderdrukt. Hij heeft het heilige leven geleid om het lijden volledig te vernietigen. Daarom gaat de wijze na de dood niet meer in een lichaam. Daardoor wordt hij bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, leed, verdriet en wanhoop. Hij wordt bevrijd van lijden.

Het verschil tussen de wijze en de dwaas is het wel of niet leiden van een heilig leven.

S.12.20. oorzakelijk ontstaan

Te Savatthi. De wet van oorzakelijk ontstaan.

[Zie: Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden]

Dasabalavagga – Over de 10 krachten

S.12.21. De tien krachten

Te Savatthi. De Tathagata is voorzien van de tien krachten, met de vier redenen voor zelfvertrouwen. Daarom is hij de leider, en zet hij het wiel van de bevrijding in beweging.

[Dan volgt de keten van oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde].

S.12.22. De tien krachten

Te Savatthi. De Tathagata is voorzien van de tien krachten, met de vier redenen voor zelfvertrouwen. Daarom is hij de leider, en zet hij het wiel van de bevrijding in beweging.

Slecht leeft de trage. Verstrikt in slechte dingen mist hij het grote zegenrijke doel. De energieke echter leeft goed. Vrij van slechte dingen bereikt hij het grote zegenrijke doel.

Het bereiken van het hoogste is niet mogelijk voor een lage, maar wel voor een hoge. Streeft daarom ijverig om te bereiken wat nog niet bereikt is. Op die manier zal de afkeer van de wereld niet tevergeefs zijn. Ze zal resultaat hebben en de goede daden van de mensen die ons kleding, voedsel en drank, medicijnen en onderdak geven, zullen rijke vrucht dragen.

Als men het eigen heil voor ogen heeft, moet men onvermoeibaar streven. Als men het heil van anderen voor ogen heeft, moet men onvermoeibaar streven. En dat geldt ook als men het heil van beiden voor ogen heeft.

S.12.23. Afhankelijk

Te Savatthi. Bij de wetende treedt vernietiging van de invloeden (āsavā) op, niet bij de onwetende. Men moet weten: zo is vorm, zo is de oorsprong van vorm, zo is het verdwijnen van vorm. Zo is gevoel, de oorsprong ervan, het verdwijnen ervan. Zo zijn de vormingen, de oorsprong ervan, het verdwijnen ervan. Zo is bewustzijn, het ontstaan ervan, het verdwijnen ervan.

Het weten van de vernietiging van wereldse invloeden is afhankelijk van de bevrijding. De bevrijding is afhankelijk van het verdwijnen. Het verdwijnen is afhankelijk van de afkeer. De afkeer is afhankelijk van het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn is afhankelijk van de geestelijke concentratie. De geestelijke concentratie is afhankelijk van de gelukzaligheid. De gelukzaligheid is afhankelijk van de gemoedsrust (vrede van gemoed). De gemoedsrust is afhankelijk van de vreugde. De vreugde is afhankelijk van het welbehagen. Het welbehagen is afhankelijk van het vertrouwen. Het vertrouwen is afhankelijk van het lijden. Het lijden is afhankelijk van geboorte. Geboorte is afhankelijk van worden. Worden is afhankelijk van grijpen. Grijpen is afhankelijk van dorst. Dorst is afhankelijk van gevoel. Gevoel is afhankelijk van contact. Contact is afhankelijk van de zes zintuigen. De zes zintuigen zijn afhankelijk van naam en vorm, geestlichamelijkheid. Naam en vorm is afhankelijk van bewustzijn. Bewustzijn is afhankelijk van de vormingen. De vormingen zijn afhankelijk van het niet weten (onwetendheid).

Zo hebben de vormingen onwetendheid als voorwaarde; het bewustzijn heeft de vormingen als voorwaarde; naam en vorm hebben bewustzijn als voorwaarde; de zes zintuigen hebben naam en vorm als voorwaarde; contact heeft naam en vorm als voorwaarde; gevoel heeft contact als voorwaarde; de dorst heeft contact als voorwaarde; het grijpen heeft de dorst als voorwaarde; het worden heeft het grijpen als voorwaarde; geboorte heeft het worden als voorwaarde; het lijden heeft geboorte als voorwaarde; het vertrouwen heeft het lijden als voorwaarde; het welbehagen heeft het vertrouwen als voorwaarde; de vreugde heeft het welbehagen als voorwaarde; de gemoedsrust heeft de vreugde als voorwaarde; de zaligheid heeft de gemoedsrust als voorwaarde; de geestelijke concentratie heeft de gemoedsrust als voorwaarde; het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, heeft de geestelijke concentratie als voorwaarde; de afkeer heeft het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, als voorwaarde; het verdwijnen heeft de afkeer als voorwaarde; de bevrijding heeft het verdwijnen als voorwaarde; het weten van de vernietiging van wereldse invloeden heeft de bevrijding als voorwaarde.

Het niet weten als voorwaarde hebben de vormingen. De vormingen als voorwaarde heeft het bewustzijn. (etc). … De bevrijding als voorwaarde heeft het weten van de vernietiging [van wereldse invloeden].

S.12.24. asceten met een ander geloof

Te Rajagaha. De eerwaarde Sariputta verbleef er in het Veluvana park. In de voormiddag ging hij op weg naar de stad om aalmoezen te vergaren. Maar hij vond het nog te vroeg en hij ging daarom naar het park waar asceten met een ander geloof vertoefden. Na onderlinge begroetingen ging hij er neerzitten. De asceten stelden hem vragen over kamma.

"Er zijn mensen die beweren dat het lijden zelf veroorzaakt is. Anderen beweren dat het lijden door iemand anders veroorzaakt is. Weer anderen beweren dat het lijden zowel zelf als door anderen veroorzaakt is. En sommigen beweren dat het lijden niet zelf en niet door anderen veroorzaakt is maar door toeval ontstaat. Wat is de leer van de Boeddha hierover?"

De eerwaarde Sariputta antwoordde dat het lijden oorzakelijk ontstaan is, en wel door contact.

De eerwaarde Ananda had het gesprek gehoord. Na de maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem over het gesprek van de eerwaarde Sariputta met de asceten.

De Boeddha bevestigde de woorden van de eerwaarde Sariputta.

De eerwaarde Ananda sprak toen over de keten van oorzakelijk ontstaan, in directe en omgekeerde volgorde.

S.12.25. Bhūmija

Te Sāvatthi. De eerwaarde Bhūmija ging ΄s avonds naar de eerwaarde Sāriputta, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Hij zei: “Vereerde Sāriputta, sommige samanas en brahmanas, aanhangers van de leer van kamma, verkondigen dat lust en lijden zelf veroorzaakt is. Anderen verkondigen dat lust en lijden door iemand anders veroorzaakt is. Weer anderen verkondigen dat lust en lijden zowel zelf als door iemand anders veroorzaakt is. En nog anderen verkondigen dat lust en lijden niet zelf en niet door iemand anders verkondigd is maar door toeval ontstaat. – Wat onderwijst de Verhevene daarover?”

De eerwaarde Sāriputta gaf ten antwoord: “Oorzakelijk ontstaan is lust en lijden. De oorzaak is contact. In alle voornoemde gevallen is lust en lijden ontstaan ten gevolge van contact als oorzaak.”

De eerwaarde Ānanda had naar het gesprek tussen de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Bhūmija geluisterd. Hij ging naar de Verhevene toe en berichtte dat gesprek.

De Boeddha zei: “Goed, Ānanda, oorzakelijk ontstaan is lust en lijden. De oorzaak is contact.

Wanneer lichamelijke actie plaats heeft, dan ontstaat wegens het bewust worden van lichamelijke actie voor de eigen persoon lust en lijden. Of wanneer praten plaatsvindt, dan ontstaat wegens het bewust worden van het praten voor de eigen persoon lust en lijden. Of wanneer denken plaatsvindt, dan ontstaat wegens het bewust worden van het denken voor de eigen persoon lust en lijden.[3]

Door het niet weten als oorzaak produceert men zelf een vorm van het lichamelijke doen. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het lichamelijke doen. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het lichamelijke doen of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.

Men produceert zelf een vorm van het praten. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het praten. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het praten of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.

Men produceert zelf een vorm van het denken. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Of anderen produceren door het niet weten een vorm van het denken. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden. Met overleg produceert men een vorm van het denken of zonder overleg. Ten gevolge daarvan ontstaat voor de eigen persoon lust en lijden.

Ānanda, In al deze gevallen is men tot niet-weten (als laatste oorzaak) gekomen. Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen lichamelijke actie ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.

Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen praten ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.

Na het restloze verdwijnen en na opheffing van het niet-weten is er geen denken ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.

Er is dan geen veld, geen basis, geen bereik, geen betrekking ten gevolge waarvan voor de eigen persoon lust en lijden ontstaat.

[m.a.w. alle voorwaarden voor verder ontstaan van lust en lijden ontbreken].

Kalārakhattiya-Vagga

S.12.31. Geworden [bevrijd; nibbana]

Te Savatthi.

'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht van de werkelijkheid. En wanneer men dat juist heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van het gewordene, op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Het ontstaan ervan is door zijn voedingsstof,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft gezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat ontstaan heeft door een voedingsstof. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

Op die manier is men iemand die ijverig streeft.

Hoe evenwel wordt men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld?

'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men ten gevolge van de afkeer van het gewordene, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan, bevrijd door niet hechten, door niet inbezitname.[4]

'Het gewordene heeft zijn ontstaan door zijn voedingsstof,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat ontstaan is door een voedingsstof, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan door niet inbezitname, niet hechten.

Op die manier is men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld.

S.12.32. [volmaakt]

Te Savatthi. De eerwaarde Sariputta spreekt er over oorzakelijk ontstaan en over volmaakte heiligheid.

Bhikkhu Kalārakhattiya[5] ging naar de eerwaarde Sariputta, groette hem eerbiedig en zei dat de bhikkhu Moliya-Phagguna de training had opgegeven en tot het lage leven was teruggekeerd.

Sariputta: "Dan heeft die eerwaarde in onze leer en discipline geen troost gevonden."

Kalara: "Dan heeft dus de eerwaarde Sariputta in deze leer en discipline troost gevonden?"

Sariputta: "Ik koester daarover geen enkele twijfel."

Kalara: "Maar misschien in de toekomst?"

Sariputta: "Daarover maak ik mij geen zorgen."

De bhikkhu Kalara stond op, nam afscheid, ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei: 'De eerwaarde Sariputta heeft verklaard dat hij het hoogste inzicht heeft bereikt:[6]  'Vernietigd is geboorte; gedaan is wat gedaan moet worden; er is verder niets meer te doen.'

De Verhevene vroeg toen aan een bhikkhu om aan de eerwaarde Sariputta te zeggen dat hij hem wilde spreken.

De eerwaarde Sariputta ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. De Verhevene vroeg hem toen of hij inderdaad had verklaard dat hij het hoogste inzicht had bereikt [door te zeggen]: 'Vernietigd is geboorte, volbracht is wat volbracht moest worden, er is verder niets meer te doen.' De eerwaarde Sariputta antwoordde dat hij dat niet met deze woorden had uitgesproken.

De Verhevene: "In welke vorm iemand het bereiken van het hoogste inzicht verklaart, die verklaring moet als een dergelijke begrepen worden.

Sariputta, wanneer men je zou vragen op grond van welk weten en welk inzicht heb je het bereiken van het hoogste inzicht verklaard: 'vernietigd is geboorte,' wat zou je dan antwoorden?"

"Heer, ik zou dan het volgende als antwoord geven:

'Vernietigd is geboorte, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden. Niet meer heb ik voortaan iets te maken met het wereldse bestaan. Ik heb ingezien dat wanneer de oorzaak vernietigd is, het resultaat ervan vernietigd is, en daarmee is geboorte vernietigd.'

'De geboorte heeft als oorzaak het worden. Het worden heeft als oorzaak het grijpen. Het grijpen heeft als oorzaak de dorst. De dorst heeft als oorzaak het gevoel.'

'Er is bij mij geen aangenaam gevoel ontstaan, op grond van het volgende. Er zijn drie soorten gevoel: aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam noch onaangenaam is (neutraal gevoel). Die drie soorten gevoel zijn vergankelijk. Wat vergankelijk is, is vol lijden. Omdat ik dat heb ingezien, is bij mij geen aangenaam gevoel ontstaan.'

De Boeddha gaf ten antwoord: "Goed, Sariputta. Men kan het ook kort omschrijven: 'Wat gevoeld, waargenomen wordt, dat behoort tot het smartelijke.

Wie de volmaakte heiligheid heeft bereikt, heeft niets meer te maken met het wereldse bestaan.'"

Sariputta: “Op grond van de bevrijding van de eigen persoon[7] leef ik door vernietiging van alle grijpen in zo'n zelfbezinning dat mij daardoor de wereldse invloeden niet overstromen, en ik laat mijzelf niet zonder oplettendheid.”[8]

 De Boeddha: “Dit kan ook kort gezegd worden: 'Over wereldse invloeden koester ik geen twijfel. Ze zijn bij mij beëindigd. Ik maak me daarover geen zorgen.'"

Na deze woorden stond de Verhevene op en ging in de Vihara. Een korte tijd daarna sprak de eerwaarde Sariputta tot de bhikkhus aldus:

"Toen de Verhevene de eerste vraag tot mij richtte, raakte ik in verlegenheid omdat ik zijn bedoeling niet begreep. Maar toen de Verhevene mijn antwoord op die vraag genadig aannam, toen dacht ik: 'Als de Verhevene mij de hele dag en de hele nacht – ja zeven dagen en zeven nachten - over dit onderwerp vragen zou stellen, zou ik hem hetzelfde antwoord geven, steeds met andere woorden.'”

       

Bhikkhu Kalara stond toen op en ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei: "Heer, de eerwaarde Sariputta heeft het gebrul van een leeuw laten klinken."[9] [Dan volgen de woorden van de eerwaarde Sariputta].

De Boeddha: "Bhikkhu, het wezen van de waarheid is door Sariputta zo volmaakt doordrongen, dat hij mij steeds hetzelfde antwoord zou geven."

S.12.37. [nibbana] [ oorzakelijk ontstaan]

Te Savatthi.

Dit lichaam behoort ons niet toe, noch behoort het anderen toe.

Het lichaam is te verstaan als het vroegere kamma,[10] door daden voortgebracht, door denken voortgebracht, door gevoel voortgebracht.

Daarom overweegt een onderwezen edele volgeling de wet van het oorzakelijk ontstaan, namelijk: als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dat niet is, volgt dat niet; uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere.

D.w.z. uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn … etc.

Op zo'n manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand. Maar uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de vormingen. Uit de opheffing van de vormingen volgt opheffing van het bewustzijn … etc.

Op zo'n manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

S.12.38. Het denken (1)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn.[11]

Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan doet zich voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan voor. Wanneer voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan aanwezig zijn, dan ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, maar wel bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan doet zich voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan voor. Wanneer voor de toekomst wedergeboorte en nieuw bestaan aanwezig zijn, dan ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, komt er geen voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan treedt voor de toekomst geen wedergeboorte en geen nieuw bestaan in. Wanneer wedergeboorte en nieuw bestaan niet aanwezig zijn, dan worden voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

S.12.39. Het denken (2)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn.

Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan openbaart zich naam en vorm.

Uit naam en vorm als voorwaarde ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Uit naam en vorm als voorwaarde ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, komt er geen voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan openbaart zich niet naam en vorm.

Uit de opheffing van naam en vorm volgt opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gevoel. Uit de opheffing van gevoel volgt opheffing van dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van grijpen. Uit de opheffing van grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

S.12.40. Het denken (3)

Te Savatthi.

Wat iemand denkt, en wat iemand van plan is, en waarbij hij volhardt (blijft), daarmee ontstaat een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op. Wanneer het bewustzijn voortbestaat en toeneemt, dan openbaart zich toeneiging[12] (naar de dingen). Wanneer toeneiging aanwezig is, ontstaat komen en gaan. Wanneer komen en gaan aanwezig is, ontstaat uittreden en weer ontstaan. Wanneer uittreden en weer ontstaan aanwezig is, ontstaan voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Wanneer iemand echter niet denkt, en niets van plan is, maar toch bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee een basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer een basis aanwezig is, treedt voortbestaan van het bewustzijn op.

Wanneer het bewustzijn voortduurt en toeneemt, dan openbaart zich toeneiging (tot de dingen). Wanneer toeneiging aanwezig is, ontstaat komen en gaan. Wanneer komen en gaan aanwezig is, ontstaat beëindigen en weer ontstaan. Wanneer beëindigen en weer ontstaan aanwezig is, dan ontstaat voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop. Op die manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Maar wanneer iemand niet denkt en niets van plan is, en ook niet bij de dingen blijft, dan ontstaat daarmee geen basis voor het voortbestaan van het bewustzijn. Wanneer geen basis aanwezig is, dan openbaart zich geen voortbestaan van het bewustzijn.

Wanneer het bewustzijn niet voortduurt en niet toeneemt, dan openbaart zich geen toeneiging (tot de dingen). Wanneer geen toeneiging aanwezig is, ontstaat geen komen en gaan. Wanneer komen en gaan niet aanwezig is, ontstaat geen beëindigen en weer ontstaat. Wanneer beëindigen en weer ontstaan niet aanwezig is, dan worden voor de toekomst geboorte, ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

Gahapativagga – van het gezinshoofd

S.12.41. Stroomintrede

De Boeddha:

Wanneer een edele volgeling de vijfvoudige vrees en vijandigheid heeft overwonnen, en met de vier kenmerken van de stroomintrede is voorzien, en de edele methode[13] met het verstand goed heeft gezien en volledig heeft doordrongen, dan kan hij wanneer hij dat wenst, van zichzelf zeggen: 'Verwijderd is voor mij de hel, verwijderd is voor mij wedergeboorte als dier, verwijderd is voor mij de sfeer van de ongelukkige geesten, verwijderd is voor mij een lage vorm van bestaan, een smartelijk bestaan en verdoemenis. Ik ben iemand die in de stroom is ingetreden. Het is onmogelijk voor mij om terug te vallen in de verdoemenis. Ik ben veilig; de volmaakte Verlichting is mijn doel.'

Welke vijfvoudige vrees en vijandigheid heeft hij overwonnen?

1. De angst en vijandigheid die iemand die levende wezens doodt, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het doden. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van het doden van levende wezens, dan overwonnen.

2. De angst en vijandigheid die iemand die iets neemt wat niet gegeven is, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het stelen. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet die hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van stelen dan overwonnen.

3. De angst en vijandigheid die iemand die seksueel niet goed handelt,[14] voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van seksueel onjuist gedrag. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van seksueel onjuist gedrag dan overwonnen.

4. De angst en vijandigheid die iemand die liegt voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het liegen. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van liegen dan overwonnen.

5. De angst en vijandigheid die iemand die alcoholische dranken geniet, voor het tegenwoordige leven teweegbrengt ten gevolge van het genot van alcoholische dranken. En de angst en vijandigheid die iemand voor het toekomstige bestaan teweegbrengt evenals het geestelijke leed en het verdriet dat hij daarbij voelt.

Deze angst en vijandigheid heeft degene die zich onthoudt van het genot van alcoholische drank, dan overwonnen.

Deze vijfvoudige angst en vijandigheid heeft hij dan overwonnen.

En met welke vier kenmerken van stroomintrede is hij dan voorzien?

Een edele volgeling is voorzien van het op ervaring gebaseerde vertrouwen in de Boeddha, in de Dhamma en in de (Ariya)Sangha, namelijk zo: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

       

‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

       

Verder is hij voorzien van de deugden van zedelijk goed gedrag, welke deugden door de edelen hoog geprezen worden. Die deugden maken vrij, worden van buiten niet beïnvloed, ze leiden naar geestelijke concentratie.

Verder overweegt hij met het verstand de edele methode en heeft die volledig doordrongen, namelijk de wet van oorzakelijk ontstaan.

Als dit is, volgt dat; als dit niet is, volgt dat niet. (etc).

Wanneer iemand deze vijfvoudige angst en vijandigheid heeft overwonnen, en wanneer hij met die vier kenmerken van stroomintrede is voorzien, en wanneer hij deze edele methode met het verstand goed heeft gezien en volledig heeft doordrongen, dan kan hij, wanneer hij dat wenst, van zichzelf beweren: 'Verwijderd is voor mij de hel, verwijderd is voor mij wedergeboorte als dier, verwijderd is voor mij de sfeer van de ongelukkige geesten, verwijderd is voor mij een lage vorm van bestaan, een smartelijk bestaan en verdoemenis. Ik ben iemand die in de stroom is ingetreden. Het is onmogelijk voor mij om terug te vallen in de verdoemenis. Ik ben veilig; de volmaakte Verlichting is mijn doel.'

S.12.43. Het lijden

De oorsprong van het lijden en het beëindigen ervan is als volgt.

De oorsprong van het lijden:

Ten gevolge van het oog (het zien) en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van het oor (het horen) en de geluiden ontstaat het hoor-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van de neus (het ruiken) en de geuren ontstaat het ruik-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.        

Ten gevolge van de tong (het proeven) en de smaken ontstaat het smaak-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van het lichaam (het voelen, aanraken) en de voelbare (aan te raken) voorwerpen ontstaat het aanrakingsbewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

Ten gevolge van de geest (het denken) en de gedachten ontstaat het denk-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden.

De beëindiging van het lijden:

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.

Evenzo met horen en geluiden en hoorbewustzijn; evenzo met ruiken en geuren en ruikbewustzijn; evenzo met proeven en smaken en smaakbewustzijn; evenzo met voelen en voelbare voorwerpen en aanrakingsbewustzijn; evenzo met denken en gedachten en denkbewustzijn. - De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.

S.12.44. De wereld

De oorsprong van de wereld en de ondergang ervan.

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Dat is de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het oog (het zien) en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het oor (het horen) en de geluiden ontstaat het hoor-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de neus (het ruiken) en de geuren ontstaat het ruik-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de tong (het proeven) en de smaken ontstaat het smaak-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van het lichaam (het voelen, aanraken) en de voelbare (aan te raken) voorwerpen ontstaat het aanrakingsbewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

Ten gevolge van de geest (het denken) en de gedachten ontstaat het denk-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.

De beëindiging van het lijden:

Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.

Evenzo met horen en geluiden, ruiken en geuren, proeven en smaken, voelen en voelbare voorwerpen, denken en gedachten.

S.12.45. Nātika

[tekst nagenoeg gelijk aan S.12.43]

        De Boeddha onderwees dat het leren van deze uitleg tot heil en zegen strekt. Ze leidt binnen in het pad van de heilige levenswandel.

S.12.46. Oorzakelijk ontstaan

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)

S.12.47. Oorzakelijk ontstaan

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)

S.12.48.

(oorzakelijk ontstaan in directe en omgekeerde volgorde)

S.12.49. [oorzakelijk ontstaan]

Te Savatthi.

Wie oorzakelijk ontstaan en oorzakelijk vergaan overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die heet een edele volgeling(e), iemand met juist inzicht, iemand die het weten van de ijverige heeft. Hij klopt aan aan de poort van Nibbana.

S.12.50. [oorzakelijk ontstaan]

Te Savatthi.

(oorzakelijk ontstaan)

Dit sutta verschilt van het voorgaande slechts hierin dat in sutta S.12.49 de keten van oorzakelijkheid begint met viññāna, het bewustzijn, terwijl in sutta S.12.50 onwetendheid als de eerste schakel in die keten genoemd wordt.

Rukkhavagga – van de boom

S.12.51. Oorzakelijk ontstaan en kamma [nibbana]

“Wanneer een onwetend persoon vormingen (wilsacties) teweegbrengt, die verdienstelijk zijn, dan is dat bewustzijn met verdienste voorzien.

Wanneer een onwetend persoon vormingen teweegbrengt die niet verdienstelijk zijn, dan is dat bewustzijn met niet-verdienste voorzien.

Wanneer die persoon vormingen teweegbrengt waar evenwicht (van verdienste en niet-verdienste) bestaat, dan is dat bewustzijn met evenwicht voorzien.

Wanneer echter bij iemand de onwetendheid is opgeheven en het weten is ontstaan, dan brengt hij ten gevolge daarvan geen verdienstelijke vormingen teweeg. Hij brengt geen niet-verdienstelijke vormingen teweeg; en hij brengt geen vormingen teweeg waarin evenwicht bestaat.

Wanneer hij niet door daden vormingen teweegbrengt en niet door denken vormingen teweegbrengt, dan grijpt hij niets in de wereld. Wanneer hij niets grijpt, ondervindt hij geen dorst. Wanneer hij geen dorst ondervindt, treedt hij uit eigen kracht binnen in het Nibbana. Hij ziet in: vernietigd is de geboorte; het heilige leven is geleefd; voltooid is wat gedaan moest worden; niets meer heb ik voortaan te maken met het wereldse bestaan.

Wanneer hij een gevoel vol begeerte ondervindt, dan ziet hij in dat het niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat dat gevoel er geen is waaraan men hecht, geen waaraan men vreugde heeft.

Wanneer hij een gevoel met pijn ondervindt, dan ziet hij in dat het gevoel niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat men er niet aan hecht, dat men er geen vreugde aan heeft.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat niet vol pijn noch vol begeerte is, dan ziet hij in dat het gevoel niet blijvend is, dat het vergankelijk is. Hij ziet in dat men er niet aan hecht, dat men er geen vreugde aan heeft.

Wanneer hij een gevoel vol begeerte ondervindt, dan ondervindt hij dat als iemand die [van de wereld] losgemaakt is.[15] Evenzo met een pijnlijk gevoel en met een gevoel dat niet pijnlijk noch vol begeerte is. Hij ondervindt dat alles als iemand die van de wereld losgemaakt is.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat de lichaamskrachten ten einde gaan, dan ziet hij in dat hij een dergelijk gevoel heeft.

Wanneer hij een gevoel ondervindt dat het leven ten einde gaat, dan ziet hij dat gevoel in. Hij ziet in dat na het beëindigen van het leven al zijn gevoelens waaraan hij geen vreugde had, ten gevolge van de oplossing van het lichaam koud zullen worden; hij ziet in dat alleen de lichamelijke bestanddelen over zullen blijven.

Iemand bij wie de wereldse invloeden vernietigd zijn, zal geen formaties meer teweegbrengen die verdienstelijk, of niet-verdienstelijk of in evenwicht zijn.

Wanneer helemaal geen formaties aanwezig zijn, zal er – na opheffing van de formaties – geen bewustzijn meer verschijnen.

Wanneer helemaal geen bewustzijn aanwezig is, zal er – na opheffing van het bewustzijn – geen naam en vorm verschijnen.

Wanneer naam en vorm helemaal niet aanwezig is, zal – na opheffing van naam en vorm – het bereik van de zes zintuigen niet verschijnen.

Wanneer het bereik van de zes zintuigen helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het bereik van de zes zintuigen – geen contact, aanraking verschijnen.

Wanneer aanraking, contact helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van de aanraking – geen gevoel verschijnen.

Wanneer gevoel helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van gevoel – geen dorst verschijnen.

Wanneer dorst helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van de dorst – geen grijpen verschijnen.

Wanneer grijpen helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het grijpen – geen worden verschijnen.

Wanneer worden helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van het worden – geen geboorte verschijnen.

Wanneer geboorte helemaal niet aanwezig is, zal er – na opheffing van geboorte – geen ouderdom en dood verschijnen.”

De Boeddha sluit dan af met de woorden: "Zo is dat. Gelooft mij, hebt vertrouwen. Koestert geen twijfel eraan en hebt geen bezwaar. Dit is het einde van het lijden."

S.12.52 [oorzakelijk ontstaan]

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

Het is zoals wanneer men van veel hout een vuur maakt en een man gooit er van tijd tot tijd droge koemest of droog hout op. Dan zal dat vuur lang branden omdat er voedingsstof voor het vuur toegevoegd wordt.

Maar als men geen voedingsstof van koemest of droog hout toevoegt, dan zal dat vuur uitdoven.

S.12.53. [oorzakelijk ontstaan]

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

Zoals wanneer een olielamp brandt vanwege de olie en de lampenpit en een man giet regelmatig olie erbij en voegt nieuwe lampenpit toe. Dan zal die lamp lang branden omdat er voedingsstof toegevoegd wordt. Maar als er geen voedingsstoffen meer toegevoegd worden, zal die lamp uitdoven.

S.12.54-56. idem

Te Sāvatthi. (inhoud gelijk aan S.12.52 en 53, maar andere vergelijkingen).

S.12.57 [oorzakelijk ontstaan]

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

S.12.58. [oorzakelijk ontstaan]

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm niet. Uit de opheffing van naam en vorm volgt de opheffing van het bereik van de zes zintuigen.

Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt de opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt de opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt de opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

S.12.59. [oorzakelijk ontstaan]

Te Sāvatthi. De Boeddha sprak er: “Bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn. Uit bewustzijn als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, gejammer, wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn niet. Uit de opheffing van bewustzijn volgt de opheffing van het bereik van de zes zintuigen.

Uit de opheffing van het bereik van de zes zintuigen volgt de opheffing van de aanraking. Uit de opheffing van de aanraking volgt de opheffing van het gevoel. Uit de opheffing van het gevoel volgt de opheffing van de dorst. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

S.12.60. [oorzakelijk ontstaan]

Eens verbleef de Verhevene in het land van de Kurus[16] in het dorp met naam Kammāsadamma. De eerwaarde Ānanda ging er naar de Verhevene toe en zei: “Wonderbaarlijk, onvergelijkbaar hoe diep deze wet van oorzakelijk ontstaat is. Toch komt ze mij heel helder voor.”

De Boeddha antwoordde: “Ānanda, diep is deze wet van oorzakelijk ontstaan. Ten gevolge van het niet begrijpen ervan is dit geslacht in de war geraakt zoals een verwaarloosd stuk weefsel of een knot garen vol knopen. Daarom komt dit geslacht niet uit boven de lage vorm van bestaan, bestaan vol leed, verdoemenis, kringloop der wedergeboorten.

Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen.

Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geklaag, gejammer en wanhoop opgeheven. Op die manier komt er een einde aan de hele massa van lijden.

Mahāvagga – het grote gedeelte

S.12.61. [nibbana]

Te Savatthi, in het Jetavana.

Een niet onderwezen gewoon mens (d.w.z. iemand die de stroom nog niet heeft betreden) kan t.o.v. het lichaam dat uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht gevormd is, een afkeer koesteren. Hij kan er onverschillig tegen worden, kan zich ervan losmaken.

En waarom? – Omdat men aan dit lichaam dat uit de vier grove elementen gevormd is, toename en afname ziet, groter en kleiner worden. Daarom kan men er een afkeer van krijgen.

Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daartegen is een niet onderwezen gewoon mens niet in staat afkeer te koesteren, onverschillig ertegen te worden, is niet in staat zich ervan los te maken.

En waarom? – Omdat de niet onderwezen gewone mens lange tijd ernaar heeft gestreefd, gewenst, verlangd: 'Dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.'        

Men kan beter het lichaam als zelf aannemen, maar niet het denken.

En waarom? – Men ziet dat het lichaam ééen jaar, twee jaren, 3 – 4 – 5 -10 – 20 – 50 – 80 - 100 jaren of nog langer bestaat. Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daar ontstaat 's nachts en overdag het ene en iets anders wordt opgeheven.[17]

Zoals een aap een tak grijpt en weer loslaat en een andere tak grijpt. Evenzo is het met denken, geest en bewustzijn. Het ene ontstaat en het andere wordt opgeheven.

Maar een onderwezen vrome volgeling overweegt de wet van oorzakelijk ontstaan goed en grondig. Als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dit niet is, volgt dat niet.

Uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere. D.w.z. uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de formaties. (etc)

Op zo'n manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.

Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de formaties. Uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn (etc).

Op zo'n manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

Wanneer een onderwezen vrome volgeling zo ziet, dan vat hij afkeer tegen de vorm, vat afkeer tegen het gevoel, vat afkeer tegen de waarneming, vat afkeer tegen de formaties, vat afkeer tegen het bewustzijn.

En wanneer hij afkeer vat, wordt hij kalm, koel, en ten gevolge van de kalmte maakt hij zich los.

Wanneer hij zich heeft losgemaakt, ontstaat in hem het inzicht: 'ik heb me losgemaakt.' Hij ziet in dat geboorte vernietigd is, dat het heilige leven geleefd is. Voltooid is wat te doen was; niets meer heeft hij verder te maken met werelds bestaan.

S.12.62. [contact]

Te Savatthi.

Ten gevolge van een aanraking met iets dat vol begeerte te ervaren is, ontstaat een gevoel vol begeerte. Na opheffing van die aanraking met iets dat vol begeerte is, zal ook het gevoel dat door aanraking is ontstaan, worden opgeheven.

Ten gevolge van contact met iets dat smartelijk te ervaren is, ontstaat een smartelijk gevoel. Na opheffing van dat contact met wat als smartelijk te ervaren is, wordt ook het gevoel dat door dat contact veroorzaakt wordt, opgeheven.

Ten gevolge van een contact met iets dat niet aangenaam en niet onaangenaam te ervaren is, ontstaat een niet aangenaam noch onaangenaam gevoel. Na opheffing van dat contact wordt ook het gevoel dat door dat contact veroorzaakt is, opgeheven.

S.12.63. [voedingsstoffen]

Er zijn vier voedingsstoffen voor wezens die al geboren zijn en voor wezens die naar geboorte zoeken, nl.

(1) Eetbare spijzen moeten beschouwd worden als vlees van de eigen zoon. Men moet die spijzen eten zonder er vreugde en genot aan hebben; maar alleen tot behoud van het lichaam.

Wanneer eetbare spijs juist is onderkend, is ook de begeerte naar de vijfvoudige zintuiglijke genietingen juist onderkend. Wanneer de begeerte naar de vijfvoudige genietingen juist is onderkend, dan zijn er ook geen boeien waardoor een vrome volgeling weer in deze wereld zou terugkeren.

(2) Aanraking moet beschouwd worden als de open gescheurde huid van een koe. Steeds heeft die koe last van diertjes die in en aan de huid eten.

Wanneer het voedsel aanraking juist is onderkend, zijn ook de drie vormen van gevoel juist onderkend. Wanneer de drie vormen van gevoel juist zijn onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.

(3) Het denken van de geest moet beschouwd worden als een diepe kuil met gloeiende kolen. Men doet alle moeite om er niet in te vallen.

Wanneer het voedsel denken van de geest juist is onderkend, zijn ook de drie vormen van dorst juist onderkend. Wanneer de drie vormen van dorst juist zijn onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.

(4) Bewustzijn moet beschouwd worden als de pijnlijke straf voor een misdadiger.

Wanneer het voedsel bewustzijn juist is onderkend, is ook naam en vorm juist onderkend. Wanneer naam en vorm juist is onderkend, dan is er voor de vrome volgeling niets meer te doen.

S.12.64. [voedingsstoffen] [oorzakelijk ontstaan]

Er zijn vier voedingsstoffen voor wezens die al geboren zijn en voor wezens die naar geboorte zoeken, nl.

Wanneer begeerte naar het voedsel eetbare spijs aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen.[18] Waar het bewustzijn een steunpunt gevonden heeft en tot groei gekomen is, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel aanraking aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel denken van de geest aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer begeerte naar het voedsel bewustzijn aanwezig is, wanneer vreugde eraan aanwezig is, wanneer dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn een steunpunt gevonden en is het tot groei gekomen. Waar het bewustzijn een steunpunt heeft gevonden en tot groei is gekomen, daar verschijnt naam en vorm. Waar naam en vorm verschijnt, daar vindt vermeerdering van de formaties plaats. Waar vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt wedergeboorte en nieuw bestaan. Waar wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar verschijnt geboorte, ouderdom en dood. Waar geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is met pijn verbonden, met angst en met wanhoop.

Wanneer naar eetbare spijs, naar aanraking, naar denken van de geest en naar bewustzijn geen begeerte aanwezig is, wanneer geen vreugde eraan aanwezig is, wanneer geen dorst ernaar aanwezig is, dan heeft het bewustzijn geen steunpunt gevonden en is niet tot groei gekomen. Waar het bewustzijn geen steunpunt gevonden heeft en niet tot groei gekomen is, daar verschijnt geen naam en vorm. Waar naam en vorm niet verschijnen, daar vindt geen vermeerdering van de formaties plaats. Waar geen vermeerdering van de formaties plaatsvindt, daar komt geen wedergeboorte en nieuw ontstaan. Waar geen wedergeboorte en nieuw bestaan komen, daar komen geen geboorte, ouderdom en dood. Waar geen geboorte, ouderdom en dood zijn, dat is vrij zijn van pijn, angst, wanhoop.

S.12.65. Oorzakelijk ontstaan, en het edele achtvoudige pad

S.12.66-67. Oorzakelijk ontstaan

S.12.68. de eerwaarde Musila

Behalve vertrouwen in de Boeddha, welbehagen in de leer, herhalen van het gehoorde, overwegen van de leer, en geestelijke verdieping in juist inzicht had de eerwaarde Musila ook inzicht in oorzakelijk ontstaan.

Maar de eerwaarde Musila was toen nog geen Arahant.

S.12.69. Oorzakelijk ontstaan/vergaan

S.12.70. De magische krachten

Niet alle Arahants hebben de magische krachten. Degenen die door inzicht bevrijd zijn,[19] hebben die krachten niet.

Eerst komt het weten van de wetmatigheid, daarna komt het weten van Nibbana.

Vorm is niet blijvend, is vergankelijk.

Wat niet blijvend, wat vergankelijk is, dat is vol lijden. 'Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.'

Gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – ze zijn niet blijvend, zijn vergankelijk. Men moet juist denken: 'Het behoort mij niet toe, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.'

Zo ziende ondervindt een goed onderwezen edele volgeling van de Boeddha afkeer t.o.v. vorm, t.o.v. waarneming, t.o.v. formaties, t.o.v. bewustzijn. Zo wordt hij gelijkmoedig. Ten gevolge daarvan wordt hij bevrijd. Het weten ontstaat in de bevrijde: 'Dat is bevrijding; geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd; gedaan is wat gedaan moest worden; niets meer heb ik verder te maken met werelds bestaan.'

(Dan volgt de keten van oorzakelijk ontstaan/oorzakelijk opheffen).

Samana-Brāhmana-Vagga – van samanas en brahmanen

S.12.71. Samanas en brahmanen

S.12.72-81. Oorzakelijk ontstaan

Antara-peyyāla-Vagga – van de afgekorte stukken

S.12.82-93. oorzakelijk ontstaan

S.13. (S.XIII) Abhisamaya-Samyutta

De aansporing om de belemmeringen volledig te verwijderen.[20] (S.13.1-11)

13.1-11. Stroomintrede

S.13. Abhisamaya-Samyutta

S.13.1-11.  Stroomintrede

Degene die in de stroom is getreden, wordt ten hoogste nog zeven keer herboren. Zijn/haar lijden is nagenoeg voorbij.

S.14. [S.XIV] Dhātu-Samyutta

De beschrijving van fysieke, mentale en abstracte elementen.

[Zie: Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden. 4. De elementen I, en 7. Soort zoekt soort, en 10, De elementen II.]

14.1. [elementen]

14.2. Contact

14.3. [elementen]

14.4. [elementen]

14.5. Verscheidenheid

14.6. Verscheidenheid der elementen

14.7. Verscheidenheid der elementen

14.8. Verscheidenheid der elementen

14.11. De zeven

14.12. Met oorzakelijke basis

14.13. Het element onwetendheid

14.14. overeenkomstig hun elementen

14.15. overeenkomstig hun elementen

14.16-29.  soort zoekt soort

14.30-39. Vier elementen en ontkomen eraan

S.14. Dhātu-Samyutta

Nānattavagga – het eerste deel - het deel van de verscheidenheid

S.14.1. [elementen]

Er zijn verschillende elementen.

Het element oog (zien), het element vorm, het element bewustzijn van het zien.

Het element oor (horen), het element geluid, het element bewustzijn van het horen.

Het element neus (ruiken), het element geur, het element bewustzijn van het ruiken.

Het element tong (proeven), het element smaak, het element bewustzijn van het proeven.

Het element lichaam (voelen), het element voelbaar voorwerp, het element bewustzijn van het lichaam.

Het element geest (denken), het element gedachte, het element bewustzijn van het denken.

S.14.2. Contact

Ten gevolge van de verschillende elementen ontstaat verscheidenheid van contact.

Ten gevolge van het element zien ontstaat het contact van het zien.

Ten gevolge van het element horen ontstaat het contact van het horen.

Ten gevolge van het element ruiken ontstaat het contact van het ruiken.

Ten gevolge van het element proeven ontstaat het contact van het proeven.

Ten gevolge van het element voelen ontstaat het contact van het voelen.

Ten gevolge van het element denken ontstaat het contact van het denken.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen de verscheidenheid van de contacten.

S.14.3. [elementen]

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten. Maar niet andersom. Uit de verscheidenheid van de contacten ontstaat niet de verscheidenheid van de elementen.

S.14.4. [elementen]

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten.

    Ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen).

   En hoe ontstaat dat alles? –

Ten gevolge van het element zien ontstaat het contact van het zien. Ten gevolge van het contact van het zien ontstaat het gevoel dat door het contact van het zien veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element horen ontstaat het contact van het horen. Ten gevolge van het contact van het horen ontstaat het gevoel dat door het contact van het horen veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element ruiken ontstaat het contact van het ruiken. Ten gevolge van het contact van het ruiken ontstaat het gevoel dat door het contact van het ruiken veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element proeven ontstaat het contact van het proeven. Ten gevolge van het contact van het proeven ontstaat het gevoel dat door het contact van het proeven veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element voelen ontstaat het contact van het voelen. Ten gevolge van het contact van het voelen ontstaat het gevoel dat door het contact van het voelen veroorzaakt is.

Ten gevolge van het element denken ontstaat het contact van het denken. Ten gevolge van het contact van het denken ontstaat het gevoel dat door het contact van het denken veroorzaakt is.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen de verscheidenheid van de contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen).

S.14.5. Verscheidenheid

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid van de contacten. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens (waarnemingen). Maar niet andersom.

S.14.6. Verscheidenheid der elementen

De verscheidenheid der elementen vorm, geluid, geur, smaak, voelbaar voorwerp, en gedachte.

S.14.7. Verscheidenheid              

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat verscheidenheid van de voorstelling. Ten gevolge van de verscheidenheid van de voorstelling ontstaat verscheidenheid van het willen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het willen ontstaat verscheidenheid van de begeerte. Ten gevolge van de verscheidenheid van de begeerte ontstaat verscheidenheid van het vurig verlangen. Ten gevolge van de verscheidenheid van het vurig verlangen ontstaat verscheidenheid van het opzoeken.

Hoe ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen verscheidenheid van de voorstelling? En hoe ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid van de voorstelling verscheidenheid van het willen … de begeerte …. vurig verlangen … opzoeken?

Ten gevolge van het element vorm ontstaat voorstelling van vorm. Ten gevolge van de voorstelling van vorm ontstaat willen van vorm. Ten gevolge van het willen van vorm ontstaat begeerte naar vorm. Ten gevolge van begeerte naar vorm ontstaat vurig verlangen naar vorm. Ten gevolge van vurig verlangen naar de vorm ontstaat opzoeken van de vorm.

Ten gevolge van het element geluid ontstaat voorstelling van geluid. Ten gevolge van de voorstelling van geluid ontstaat willen van geluid. Ten gevolge van het willen van geluid ontstaat begeerte naar geluid. Ten gevolge van begeerte naar geluid ontstaat vurig verlangen naar geluid. Ten gevolge van vurig verlangen naar geluid ontstaat opzoeken van geluid.

Ten gevolge van het element geur ontstaat voorstelling van geur. Ten gevolge van de voorstelling van geur ontstaat willen van geur. Ten gevolge van het willen van geur ontstaat begeerte naar geur. Ten gevolge van begeerte naar geur ontstaat vurig verlangen naar geur. Ten gevolge van vurig verlangen naar geur ontstaat opzoeken van geur.

Ten gevolge van het element smaak ontstaat voorstelling van smaak. Ten gevolge van de voorstelling van smaak ontstaat willen van smaak. Ten gevolge van het willen van smaak ontstaat begeerte naar smaak. Ten gevolge van begeerte naar smaak ontstaat vurig verlangen naar smaak. Ten gevolge van vurig verlangen naar smaak ontstaat opzoeken van smaak.

Ten gevolge van het element voelbaar object ontstaat voorstelling van voelbaar object. Ten gevolge van de voorstelling van voelbaar object ontstaat willen van voelbaar object. Ten gevolge van het willen van voelbaar object ontstaat begeerte naar voelbaar object. Ten gevolge van begeerte naar voelbaar object ontstaat vurig verlangen naar voelbaar object. Ten gevolge van vurig verlangen naar voelbaar object ontstaat opzoeken van voelbaar object.

Ten gevolge van het element gedachte ontstaat voorstelling van gedachte. Ten gevolge van de voorstelling van gedachte ontstaat willen van gedachte. Ten gevolge van het willen van gedachte ontstaat begeerte naar gedachte. Ten gevolge van begeerte naar gedachte ontstaat vurig verlangen naar gedachte. Ten gevolge van vurig verlangen naar gedachte ontstaat opzoeken van gedachte.

Op die manier ontstaat ten gevolge van de verscheidenheid der elementen verscheidenheid van de voorstelling, van het willen, van de begeerte, van vurig verlangen, verscheidenheid van opzoeken.

S.14.8. Verscheidenheid der elementen

Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat verscheidenheid van de voorstelling, van het willen, van de begeerte, van vurig verlangen, verscheidenheid van opzoeken. Maar het is niet andersom.

Dutiya vagga – het tweede deel

S.14.11. De zeven

Te Savatthi. Zeven meditatieve verdiepingen.

Zeven elementen zijn er, namelijk: het element lichtglans, het element mooi, het element sfeer van ruimte-oneindigheid, het element sfeer van bewustzijnsoneindigheid, het element sfeer van nietsheid, het element sfeer waar geen voorstelling noch niet voorstelling is, het element opheffing van voorstelling en gevoel. Dat zijn de zeven elementen.

Hoe komen die elementen te voorschijn?

 Het element lichtglans komt te voorschijn ten gevolge van de duisternis.[21]

Het element iets moois komt te voorschijn ten gevolge van iets dat niet mooi is.

Het element sfeer van ruimte-oneindigheid komt te voorschijn ten gevolge van de vorm.[22]

Het element sfeer van bewustzijnsoneindigheid komt te voorschijn ten gevolge van de sfeer van ruimte-oneindigheid.

Het element sfeer van nietsheid komt te voorschijn ten gevolge van de sfeer van bewustzijnsoneindigheid.

Het element sfeer waar geen voorstelling noch niet voorstelling is, komt tevoorschijn ten gevolge van de sfeer van nietsheid.

Het element opheffing van voorstelling en gevoel komt te voorschijn ten gevolge van de opheffing.[23]

Die voorgaande elementen, als wat voor bereiking kunnen ze verkregen worden?

 De elementen lichtglans tot en met het element nietsheid kunnen verkregen worden als resultaat van de meditatieve voorstelling.

Het element sfeer waar geen voorstelling is noch niet voorstelling, kan verkregen worden als 'het bereiken van de laatste rest der formaties'.

Het element opheffing van voorstelling en gevoel kan verkregen worden als 'het bereiken van de opheffing'.

S.14.12. Met oorzakelijke basis

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van zinnelijke lust (kāma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van boosheid (vyāpāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van gewelddadigheid; ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Hoe ontstaan zulke gedachten?

Ten gevolge van het element zinnelijke lust ontstaat de voorstelling van zinnelijke lust. Ten gevolge van de voorstelling van zinnelijke lust ontstaat het willen van de zinnelijke lust. Ten gevolge van het willen van de zinnelijke lust ontstaat begeerte naar zinnelijke lust. Ten gevolge van begeerte naar zinnelijke lust ontstaat vurig verlangen naar zinnelijke lust. Ten gevolge van het vurig verlangen naar zinnelijke lust ontstaat opzoeken van de zinnelijke lust.

De niet onderwezen gewone mens die zinnelijke lust opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element boosheid ontstaat de voorstelling van boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van boosheid ontstaat het willen van de boosheid. Ten gevolge van het willen van de boosheid ontstaat begeerte naar boosheid. Ten gevolge van begeerte naar boosheid ontstaat vurig verlangen naar boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar boosheid ontstaat opzoeken van de boosheid.

De niet onderwezen gewone mens die boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden, met taalgebruik, met denken.

Ten gevolge van het element gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van gewelddadigheid ontstaat het willen van de gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van de gewelddadigheid ontstaat begeerte naar gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar gewelddadigheid ontstaat opzoeken van de gewelddadigheid.

De niet onderwezen gewone mens die gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Wie deze verkeerde soorten van gedrag niet opgeven, verwijderen, die hebben in dit leven al pijn en leed en wanhoop. En na de dood is een bestaan in lijden te verwachten.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van ontzegging (nekkhhamma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-boosheid (avyapāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-gewelddadigheid (avihimsā-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

Hoe ontstaan zulke gedachten?

Ten gevolge van het element ontzegging ontstaat de voorstelling van ontzegging. Ten gevolge van de voorstelling van ontzegging ontstaat het willen van de ontzegging. Ten gevolge van het willen van de ontzegging ontstaat begeerte naar ontzegging. Ten gevolge van begeerte naar ontzegging ontstaat vurig verlangen naar ontzegging. Ten gevolge van het vurig verlangen naar ontzegging ontstaat opzoeken van ontzegging.

De onderwezen edele volgeling die ontzegging opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element niet-boosheid ontstaat de voorstelling van niet-boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-boosheid ontstaat het willen van niet-boosheid. Ten gevolge van het willen van niet-boosheid ontstaat begeerte naar niet-boosheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-boosheid ontstaat vurig verlangen naar niet-boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-boosheid ontstaat opzoeken van niet-boosheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Ten gevolge van het element niet-gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-gewelddadigheid ontstaat het willen van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van niet-gewelddadigheid ontstaat begeerte naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid ontstaat opzoeken van niet-gewelddadigheid.

De onderwezen edele volgeling die niet-gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

Allen die verkeerde voorstellingen die bij hen ontstaan, direct opgeven, verwijderen, die leven hier in dit leven al gelukkig. En na de dood is een gelukkig bestaan te verwachten.

S.14.13. Het element onwetendheid

Het element onwetendheid is heel groot.

Ten gevolge van een laag element ontstaat een lage voorstelling, een lage gedachte, laag wensen, een lage persoonlijkheid, laag taalgebruik. Wat laag is deelt hij mee. Laag is zijn wedergeboorte.

Ten gevolge van een middelmatig element ontstaat een middelmatige voorstelling, een middelmatige gedachte, middelmatig wensen, een middelmatige persoonlijkheid, middelmatig taalgebruik. Wat middelmatig is deelt hij mee. Middelmatig is zijn wedergeboorte.

Ten gevolge van een voortreffelijk element ontstaat een voortreffelijke voorstelling, een voortreffelijke gedachte, voortreffelijk wensen, een voortreffelijke persoonlijkheid, voortreffelijk taalgebruik. Wat voortreffelijk is deelt hij mee. Voortreffelijk is zijn wedergeboorte.

S.14.14. overeenkomstig hun elementen

Te Sāvatthī. De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen. Degenen met lage neigingen komen samen met anderen die lage neigingen hebben. Degenen met voortreffelijke neigingen komen samen met anderen die voortreffelijke neigingen hebben.

Dat was vroeger zo. Ook in de toekomst zal dat zo zijn. En ook tegenwoordig is dat zo.

S.14.15. overeenkomstig hun elementen

Eens vertoefde de Verhevene te Râjagaha op de berg Gijjhakûta. In de buurt liep toen de eerwaarde Sâriputta met talrijke monniken heen en weer. En ook de eerwaarden Mahâ-Moggallana, Mahâ-Kassapa, Anuruddha, Punna, de zoon van Mantâni, Upâli, en Ananda liepen er in de buurt met talrijke monniken heen en weer.        

En ook Devadatta liep er met talrijke monniken heen en weer.

De Verhevene sprak toen tot de monniken:

'Alle monniken die met de eerwaarde Sariputta heen en weer lopen zijn begiftigd met hoog inzicht.

Alle monniken die met de eerwaarde Moggallana heen en weer lopen, zijn begiftigd met hoge bovennatuurlijke krachten.

Alle monniken die met de eerwaarde Maha Kassapa heen en weer lopen houden zich aan de strenge praktijken.

Alle monniken die met de eerwaarde Anuruddha heen en weer lopen, bezitten het hemelse oog.

Alle monniken die met de eerwaarde Punna heen en weer lopen zijn verkondigers van de leer.

Alle monniken die met de eerwaarde Upali heen en weer lopen zijn kenners van de regels (van discipline).

Alle monniken die met de eerwaarde Ananda heen en weer lopen zijn goed onderwezen.

En alle monniken die met Devadatta heen en weer lopen zijn kwaadaardig.

Want de wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk.

S.14.16-29.  soort zoekt soort

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk.

Vermijdt de trage die een zwakke wil ontplooit.

Sluit je aan bij de edelen die eenzaam leven, met vastbesloten geest, die meditatieve verdieping uitoefenen, die hun wilskracht inspannen.

De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich verkeerd moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen.

Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens met nauwgezette; fijngevoeligen met fijngevoeligen; goed onderwezenen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen.

S.14.30-39. Vier elementen en ontkomen eraan

Er zijn vier elementen, namelijk aarde, water, vuur en lucht. (S.14.30) – Wat is het aangename ervan, wat is het nadelige ervan en wat is het ontkomen eraan?

Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename ervan.

Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat ten gevolge van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan.

Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen.

Als er bij die elementen niets aangenaams was, zouden de wezens er geen welbehagen in vinden.

Als er bij die elementen niets nadeligs was, zouden de wezens er geen afkeer van hebben.

Als er bij die elementen geen ontkomen was, zouden de wezens er niet aan ontkomen.

Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)

Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang zijn zij nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan, zijn er dan nog niet van losgeraakt, afgescheiden.

Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

       

Wanneer de elementen alleen maar lijden waren, gevolgd door lijden, begeleid door lijden, wanneer ze niet ook begeleid werden door lust, dan zouden de wezens geen welgevallen eraan vinden. Maar ze zijn begeleid door lust en daarom vinden de wezens er welbehagen aan.

Wanneer de elementen alleen maar lust waren, begeleid door lust, wanneer ze niet ook door lijden begeleid werden, dan zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Maar ze zijn begeleid door lijden en daarom vinden de wezens er afkeer van. (S.14.34)

Wie vreugde heeft aan de elementen, die heeft vreugde aan het lijden. En die is niet bevrijd van lijden. Wie geen vreugde heeft aan de elementen, die heeft geen vreugde aan het lijden. En die is bevrijd van lijden. (S.14.35)

Het ontstaan van de elementen dat is ontstaan van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood.

De opheffing van de elementen, het tot rust komen ervan, dat is de opheffing van het lijden, van ziekte, ouderdom en dood. (S.14.36)

Wie bij de vier elementen het aangename, het schadelijke en het ontkomen niet overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die hebben het doel niet bereikt.

Maar wie bij de vier elementen het aangename, het schadelijke en het ontkomen overeenkomstig de werkelijkheid inziet, die hebben het doel begrepen en verwerkelijkt. (S.14.37-38).

Wie de elementen niet kent, wie de oorsprong ervan niet kent, wie de opheffing ervan niet kent en wie het pad niet kent dat leidt naar de opheffing ervan, die heeft het doel niet bereikt.

Maar wie de elementen wel kent, de oorsprong ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, die heeft het doel door eigen inzicht bereikt. (S.14.39)

S.15. [S.XV] Anamatagga-Samyutta

Over het ontelbare begin (van samsāra).[24] Twintig suttas. (S.15.1-20)

15.1-4. Geen eerste begin bekend

15.5-6. Lengte van aeon

15.7-8. Aeonen

15.9. begin van de kringloop van bestaan is onbekend

15.10. begin van de kringloop van bestaan is onbekend 

15.13. begin van de kringloop van bestaan is onbekend

15.14-19. Familie in kringloop van bestaan

15.20. vergankelijk en troosteloos zijn de formaties

S.15. Anamatagga-Samyutta

S.15.1-4. Geen eerste begin bekend

Het begin van de kringloop van geboorten is onbekend. Men kent geen eerste begin van de wezens die door onwetendheid gevangen zijn in de boei van de dorst.

S.15.5-6. Lengte van aeon

De lengte van een aeon (wereldperiode) is niet gemakkelijk uit te rekenen. Als iemand om de honderd jaren een grote berg aanraakte met een zijden doekje, dan zou die berg sneller ten einde komen dan een aeon. Of, als er een plek was van 1 km lang, 1 km breed en 1 km hoog, gevuld met mosterdzaadjes. Als nu iemand om de honderd jaren één zaadje wegneemt, dan zouden die zaadjes opgebruikt zijn, verdwenen voordat een aeon ten einde is.

En veel aeonen, honderden, duizenden, werden doorlopen, en wel omdat het begin van geboorte onbekend is.

S.15.7-8. Aeonen

Hoeveel aeonen er al doorlopen zijn, maken de volgende gelijkenissen duidelijk. Er waren eens vier leerlingen, ieder honderd jaren oud. Zij herinnerden zich elke dag aan 100.000 aeonen. En op een leeftijd van honderd jaren stierven zij. Zoveel aeonen zijn al doorlopen. Het is niet gemakkelijk ze uit te rekenen. Of, de zandkorrels tussen de oorsprong van de Ganges en de plek waar ze in de zee uitmondt, zijn niet gemakkelijk uit te rekenen. Nog veel meer aeonen zijn al doorlopen.

S.15.9. begin van de kringloop van bestaan is onbekend

Het begin van de kringloop van bestaan is onbekend. Juist zoals een stok die in de lucht omhoog is gegooid, nu eens met het benedeneinde op de grond valt, dan weer met het boveneinde, en dan weer met het middenstuk, evenzo komen de wezens die in de hindernis van onwetendheid, in de boei van de dorst gevangen zijn en die van geboorte naar geboorte rondtrekken, nu eens vanuit deze wereld in een andere wereld en dan weer vanuit een andere wereld in deze wereld. En wel omdat de oorsprong van de geboorten onbekend is. Op die manier hebben jullie lange tijd lijden en pijn ondervonden, is verlies geleden, is het lijkenveld toegenomen. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

S.15.10. begin van de kringloop van bestaan is onbekend

Te Rājagaha op de Gijjhakūta berg. Het begin van de kringloop van bestaan is onbekend. Als iemand een aeon rondging (van geboorte naar geboorte), dan zou een hoop beenderen ontstaan zo groot als de Vepulla-berg, indien die beenderen niet zouden vergaan.

Maar wanneer men de heilige waarheden op de juiste manier inziet, namelijk lijden, ontstaan ervan, overwinning ervan, het edele achtvoudige pad dat naar de overwinning ervan leidt, dan zal men ten hoogste nog zeven keer wedergeboren worden en dan aan het lijden een einde maken.[25] 

S.15.13. begin van de kringloop van bestaan is onbekend

Te Rajagaha. Dertig Bhikkhus van Pava die er in de wildernis leefden, die van aalmoezen leefden, in lompen gekleed waren, die maar drie gewaden bezaten, maar allen nog gevangen in boeien, gingen op bezoek bij de Verhevene. Bij hem kwam toen de gedachte op dat zij allen nog geboeid waren en dat hij hun de leer zo moest uitleggen dat zij door niet-hechten bevrijd werden van wereldse invloeden. En de Verhevene sprak:

"Een begin van de kringloop der geboorten is onbekend. Er is in die lange tijd meer bloed van jullie vergoten door onthoofden dan het water in de vier oceanen.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als runderen geslacht werden.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als buffels, schapen, geiten, antilopen, hanen, varkens geslacht werden.

Nog meer bloed van jullie is in die lange tijd vergoten toen jullie als misdadigers, wegens plundering van dorpen, wegens struikroverij, wegens verkrachting van vrouwen door anderen gevangen werden en onthoofd werden.

Waarom? - Het begin van deze kringloop van bestaan is onbekend. Op die manier hebben jullie lange tijd lijden en pijn ondervonden, is verlies geleden, is het lijkenveld toegenomen. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

De bhikkhus verheugden zich over de woorden van de Verhevene. Het denken van de bhikkhus van Pava werd door niet hechten bevrijd van de wereldse invloeden.

S.15.14-19. Familie in kringloop van bestaan

Te Sāvatthī. Onbekend is het begin van deze kringloop van bestaan. Er is geen wezen te vinden dat niet vroeger eens moeder, vader, broer, zus, zoon, dochter is geweest tijdens die lange tijd.

S.15.20. vergankelijk en troosteloos zijn de formaties

Eens vertoefde de Verhevene te Rajagaha op de Gijjhakūtaberg. Hij sprak er de monniken toe.

Onbekend is het begin van de kringloop van de geboorten. Men kent geen eerste begin bij de wezens die, gevangen in de hindernis van onwetendheid, in de boei van de dorst, van geboorte tot geboorte rondgaan.

Eens, lang geleden, had deze Vepulla-berg de naam Pācīnavamsa gekregen. In die tijd hadden de mensen die er woonden, de naam van de Tivara mensen gekregen. Hun levensspanne bedroeg 40.000 jaren. De Tivara mensen hadden vier dagen nodig om de Pācīnavamsaberg omhoog te gaan en vier dagen om weer af te dalen.

In die tijd was in de wereld de Verheven Boeddha Kakusandha verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingen-paar met naam Vidhura en Sajiva.

De naam van die berg is verdwenen en die mensen zijn gestorven, en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

Eens, lang geleden, had deze Vepulla-berg de naam Vankaka gekregen. In die tijd hadden de er wonende mensen de naam van de Rohitassā gekregen. De levensspanne van hen bedroeg 30.000 jaren. De Rohitassa mensen hadden drie dagen nodig om de Vankaka-berg omhoog te gaan en drie dagen om weer naar beneden te komen.

In die tijd was in de wereld de verheven Boeddha Konagamana verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingen-paar met naam Bhiyyosa en Uttara.

De naam van die berg hier is verdwenen, die mensen zijn gestorven, en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

Eens, lang geleden, had deze Vepulla-berg de naam Supassa gekregen. De er wonende mensen hadden de naam van de Suppiyā gekregen. Hun levensspanne was 20.000 jaren. De Suppiya mensen hadden twee dagen nodig om de Supassaberg omhoog te gaan en twee dagen om weer naar beneden te komen.

In die tijd was in de wereld de Verheven Boeddha Kassapa verschenen. Hij had een voortreffelijk leerlingen-paar, met naam Tissa en Bhāradvāja.

De naam van die berg hier is verdwenen, die mensen zijn gestorven en die Verhevene is in het volmaakte Nibbana ingegaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden t.o.v. alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden.

In de tegenwoordige tijd heeft deze Vepulla-berg de naam Vepulla gekregen. De hier wonende mensen hebben de naam van de Māgadhakā gekregen. Hun levensspanne is gering, weinig; wie lang leeft, die leeft honderd jaren of een beetje meer. De Māgadhaka mensen hebben een ogenblik nodig om de Vepulla-berg omhoog te gaan en een ogenblik om weer naar beneden te komen.

Thans ben ik in de wereld verschenen, de volmaakt Verlichte. Ik heb een voortreffelijk leerlingen-paar met naam Sāriputta en Moggallāna.

Er zal echter een tijd komen waarin de naam van deze berg zal verdwijnen, deze mensen zullen sterven en ik zal in het volmaakte Nibbana ingaan.

Zo onstandvastig, zo vergankelijk zijn de formaties; zo troosteloos zijn de formaties. Dat moet oorzaak genoeg zijn om afkerig te worden ten opzichte van alle formaties, om gelijkmoedig ten opzichte ervan te worden, om zich ervan te bevrijden."

Zo sprak de Verhevene. En verder zei hij: "Onstandvastig, vergankelijk voorwaar zijn de formaties; ze zijn aan de wet van ontstaan en vergaan onderhevig. Nadat zij zijn ontstaan, gaan zij onder. De uitdoving ervan is vol zegen.


S.16. [S.XVI] Kassapa-Samyutta

Over de eerwaarde Kassapa. Dertien suttas. (S.16.1-13)

16.1. Tevreden

16.2. Fijngevoelig

16.3. Aan de maan gelijk

16.4. Bezoeker van de gezinnen

16.5. Maha Kassapa, oud geworden

16.6. Vermaning (I)

16.7. Vermaning (II)

16.8. Vermaning (III)

16.9. De verdiepingen en de wonderkrachten

16.10. Maha Kassapa en Ananda

16.11. Het gewaad

16.12. Is de Tathagata na het overlijden?

16.13. Vervalsing van de goede leer


S.16. Kassapa-Samyutta

S.16.1. Tevreden

Te Savatthi. De Boeddha spreekt er tot de monniken over de eerwaarde Maha Kassapa.

Kassapa is tevreden met elk gewaad. Hij doet geen onpassende dingen om een gewaad te krijgen. Als hij geen gewaad heeft gekregen, mist hij dat niet. En als hij een gewaad heeft ontvangen, geniet hij ervan zonder begeerte. Hij houdt het nadelige ervan in het oog, en kent de manier waarop hij (aan de boeien) kan ontkomen.

Kassapa is tevreden met elk aalmoes. Hij is tevreden met elke slaapplaats. Hij is tevreden met elke uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken. - Hij doet geen onpassende dingen om een aalmoes, een slaapplaats, gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen te krijgen. Als hij niets heeft gekregen, mist hij dat niet. En als hij iets heeft ontvangen, geniet hij ervan zonder begeerte. Hij houdt het nadelige ervan in het oog, en kent de manier waarop hij (aan de boeien) kan ontkomen.

Daarom, monniken, moeten jullie oefenen op gelijke manier.        

S.16.2. Fijngevoelig

Eens vertoefden de eerwaarde Maha Kassapa en de eerwaarde Sariputta te Varanasi, te Isipatana, in het antilopenpark. In de avond stond de eerwaarde Sariputta op uit eenzame meditatie en ging naar de eerwaarde Maha Kassapa. Hij begroette hem, ging terzijde zitten en sprak hem als volgt toe.

"Kassapa, men zegt dat iemand die niet ijverig en niet fijngevoelig is, niet in staat is om de volmaakte verlichting te verkrijgen. Maar wie ijverig en fijngevoelig is, die is in staat om de volmaakte verlichting, de onvergelijkbare innerlijke vrede, te verkrijgen.

In hoeverre nu is men niet ijverig en niet fijngevoelig; in hoeverre is men niet in staat om nibbana te verwerkelijken? En in hoeverre is men dat wel?

Een bhikkhu spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het wel ontstaat, tot nadeel zijn." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij spant zich niet ijverig in als hij niet denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die niet ijverig is.

En hoe is men iemand die niet fijngevoelig is? – Een bhikkhu heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij, als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft geen fijngevoel als hij niet denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die geen fijngevoel heeft.

Op deze manier is men niet ijverig, niet fijngevoelig, niet in staat om de volmaakte verlichting te verkrijgen, niet in staat om de onvergelijkbare innerlijke vrede te verwerven.

En hoe is men iemand die ijverig is?

Een bhikkhu spant zich ijverig in als hij denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het wel ontstaat, tot nadeel zijn." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij spant zich ijverig in als hij denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die ijverig is.

En hoe is men iemand die fijngevoelig is? – Een bhikkhu heeft fijngevoel als hij denkt: "Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het kwade dat in mij is ontstaan, kan mij, als het niet opgegeven wordt, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het goede dat in mij nog niet is ontstaan, kan mij, als het niet ontstaat, tot nadeel strekken." En hij heeft fijngevoel als hij denkt: "Het goede dat in mij is ontstaan, kan mij, als het weer verdwijnt, tot nadeel strekken."

Op deze manier is men iemand die fijngevoel heeft.

       

Op deze manier is men ijverig, fijngevoelig, in staat om de volmaakte verlichting te verkrijgen, in staat om de onvergelijkbare innerlijke vrede te verwerven.

S.16.3. Aan de maan gelijk

Te Savatthi. De Boeddha sprak er de monniken als volgt toe.

"Zoals de maan moeten jullie de gezinnen opzoeken bij het vergaren van aalmoezen, het lichaam verre houdend, de geest verre houdend, steeds weer welkom, nooit onbescheiden."

"Kassapa zoekt de gezinnen op zoals de maan. Hij houdt het lichaam verre, houdt de geest verre, is steeds weer welkom bij de gezinnen, is nooit onbescheiden."

"Net zoals mijn hand niet hecht aan de lucht, niet door de lucht vastgehouden wordt, evenzo is een bhikkhu wiens denken niet aan de gezinnen hecht wanneer hij de gezinnen op de aalmoezengang opzoekt, wiens denken door de gezinnen niet vastgehouden wordt. Hij denkt dan: 'Zij die winst wensen, mogen zij winnen; zij die verdiensten wensen, mogen zij verdienstelijke werken doen.' Hij gaat rond met een tevreden hart en blij over de winst van anderen, net zoals hij een tevreden hart heeft en blij is over de eigen winst.

Een dergelijke bhikkhu mag de gezinnen opzoeken.

Als Kassapa (bij de aalmoezengang) de gezinnen opzoekt, dan hecht zijn denken niet aan de gezinnen, wordt door hen niet vastgehouden. Hij denkt dan: 'Zij die winst wensen, mogen zij winnen; zij die verdiensten wensen, mogen zij verdienstelijke werken doen.' Hij gaat rond met een tevreden hart en blij over de winst van anderen, net zoals hij een tevreden hart heeft en blij is over de eigen winst."

En verder sprak de Boeddha: "Monniken, welke leerrede is niet zuiver en welke is wel zuiver? – Wanneer een bhikkhu de leer verkondigt met de gedachte: 'Anderen horen van mij de leer, en wanneer zij van mij de leer gehoord hebben, mogen zij er dan welbehagen aan vinden; en wanneer zij er welgevallen aan gevonden hebben, mogen zij dan zo doen als degenen die welgevallen eraan gevonden hebben [d.w.z. mogen zij dan gewaden en gebruiksvoorwerpen schenken]. De leerrede van een dergelijke bhikkhu is niet volmaakt zuiver."

Maar wanneer een bhikkhu de leer aan anderen verkondigt met de gedachte: 'De Verhevene heeft de leer goed uitgelegd, ze heeft al in de tegenwoordige tijd haar uitwerking, ze is tijdloos, ze nodigt uit tot onderzoek, leidt naar het doel, is door wijzen op eigen kracht te begrijpen. Welnu, de anderen mogen van mij de leer horen. En wanneer ze die leer gehoord hebben, mogen zij de leer dan begrijpen. En wanneer zij de leer begrepen hebben, mogen zij dan ernaar streven zo te worden (zoals de leer het voorschrijft). Hij verkondigt de leer aan anderen uit mededogen, uit medelijden. De leerrede van een dergelijke bhikkhu is volkomen zuiver.

Bhikkhus, Kassapa verkondigt de leer aan anderen uit mededogen, uit medelijden. Met het voorbeeld van Kassapa wil ik jullie vermanen. Streeft ernaar zo te worden als Kassapa of zoals iemand die gelijk is aan Kassapa."

S.16.4.  Bezoeker van de gezinnen

Te Savatthi. De Boeddha sprak er tot de bhikkhus wie een gezinnen-bezoeker[26] mag worden en wie niet.

Als een monnik gezinnen opzoekt met de gedachte: "Mogen zij mij geven, mogen zij de gave niet weigeren, mogen zij mij veel geven, niet weinig; mogen zij mij iets voortreffelijks geven; mogen zij snel geven, niet langzaam; mogen zij met achting geven."

Als een monnik met zulke gedachten de gezinnen opzoekt en hij krijgt niets, dan wordt hij onwillig. Hij ondervindt op grond daarvan leed en droefheid. Evenzo als hij weinig krijgt, iets slechts krijgt, iets langzaam krijgt of onachtzaam. Hij wordt dan onwillig. Op grond daarvan ondervindt hij leed en droefheid. Een dergelijke monnik mag geen gezinnen-bezoeker worden.

Maar wanneer een monnik de gezinnen opzoekt met de gedachten: "Hoe zou het toch mogelijk zijn bij andere gezinnen te denken: 'Mogen zij mij geven, mogen zij mij veel geven (etc).'

Wanneer de mensen hem dan bij de aalmoezenrondgang niets geven, dan wordt die monnik niet onwillig. Hij ondervindt op grond daarvan geen leed en geen droefheid. Een dergelijke monnik mag een gezinnen-bezoeker worden.

Kassapa zoekt de gezinnen op met de laatstgenoemde gedachten. Als hij niets krijgt, is hij niet onwillig. Op grond daarvan ondervindt hij geen leed en geen droefheid.

Met het voorbeeld van Kassapa wil ik jullie vermanen. Streeft ernaar te worden zoals hij of zoals iemand die op hem lijkt."

S.16.5. Maha Kassapa, oud geworden

Te Rajagaha in het bamboepark.

De eerwaarde Maha Kassapa ging naar de Boeddha toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha zei tot hem: "Kassapa, je bent oud geworden. De versleten lompenkleren zijn lastig voor je. Draag daarom gewaden die door leken geschonken zijn, geniet van hun uitnodigingen en woon in mijn nabijheid."

Kassapa: "Heer, ik ben al lang een bosbewoner en ik prijs het leven in een bos. Ik leef van aalmoezen en ik prijs dat leven. Ik ben iemand die [slechts] de drie gewaden bezit en prijs het bezit van drie gewaden. Ik ben tevreden en prijs de tevredenheid. Ik leef alleen en prijs het alleen zijn. Ik ben zonder omgang en prijs een dergelijk leven. Ik ben energiek en prijs de energie."

De Boeddha: "Waarom ben je sedert lange tijd een bosbewoner (etc.)?"

Kassapa: "Vanwege twee omstandigheden, Heer; omwille van mijn eigen welbevinden in dit leven en uit medelijden met het latere geslacht. Misschien sluiten de latere geslachten zich aan bij de gedachte: 'Allen die discipelen van de Boeddha of van zijn navolgers waren, zijn lange tijd bosbewoners geweest en hebben het leven in een bos geprezen; zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen; zij droegen lompenkleren en hebben dat geprezen; zij droegen slechts drie gewaden en hebben het bezit van slechts drie gewaden geprezen; zij waren tevreden en prezen de tevredenheid; zij waren eenzaam en prezen de eenzaamheid; zij waren zonder omgang en prezen een celibatair leven; zij waren energiek en prezen de energie.' Het latere geslacht zal dan ernaar streven zo te worden; dat zal hen uiteindelijk tot heil en zegen strekken."

De Boeddha: "Goed, Kassapa. Je hebt gestreefd naar het heil en geluk van veel mensen, uit medelijden met de wereld, tot zegen, heil en geluk van goden en mensen. Daarom, Kassapa, houdt de versleten lompenkleren, ga op aalmoezenrondgang en leef in het bos."

S.16.6. Vermaning (I)

Te Rajagaha, in het bamboepark.

De eerwaarde Maha Kassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Heer, tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk [niet geduldig om iets aan te nemen]. Ze tonen geen eerbied voor een toespraak. [Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak gehoord hebben].

Heer, ik heb twee monniken gezien die elkaar uitnodigden voor een wedstrijd wie van hen het beste kan preken, wie van hen meer, mooier en langer kan praten. Die twee monniken waren Bhanda, de celgenoot van Ananda, en Abhinjika, de celgenoot van Anuruddha."

De Boeddha vroeg toen aan een bhikkhu om die twee monniken te gaan halen. Die twee werden gehaald. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en gingen terzijde neerzitten.

De Verhevene vroeg of zij inderdaad elkaar hadden uitgenodigd voor een spreek-wedstrijd. De twee bhikkhus bevestigden het. De Verhevene zei: "Leggen jullie mijn leer zó uit dat jullie willen weten wie van jullie meer, mooier en langer kan praten?"

De twee bhikkhus: "Neen, Heer."

De Boeddha: "Waarom nodigden jullie elkaar dan uit voor zo'n wedstrijd?"

De twee bhikkhus wierpen zich voor de voeten van de Verhevene neer en zeiden dat zij een fout hadden gemaakt. Zij vroegen vergiffenis.

De Verhevene: "Het is van voordeel als iemand zijn fout als fout inziet, er volgens de voorschriften voor boet en verder ernaar streeft die fout niet meer te maken."

S.16.7. Vermaning (II)

Te Rajagaha, in het bamboepark.

De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken om tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk [niet geduldig om iets aan te nemen]. Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak gehoord hebben."

Kassapa zei verder: "Wie geen geloof heeft in het goede, wie niet nauwgezet is, wie geen fijngevoeligheid, energie en inzicht heeft in het goede, bij die persoon is elke dag en nacht afname in het goede te verwachten, geen toename.

Afname is het volgende: iemand die ongelovig is, gewetenloos, niet fijngevoelig, traag, onwijs, opvliegend, hatelijk, dat is teruggang. De bhikkhu die niet toegankelijk is voor een vermaning, dat is teruggang.

Maar wie geloof heeft in het goede, wie nauwgezet is, wie fijngevoeligheid, energie en inzicht in het goede bezit, bij die persoon is dag en nacht een toename in het goede te verwachten.

Vooruitgang is het volgende: iemand die gelovig is, nauwgezet, energiek, wijs, niet opvliegend, niet hatelijk, dat is vooruitgang. De bhikkhu die toegankelijk is voor een vermaning. Dat is vooruitgang."

De Boeddha zei: "Goed, Kassapa, goed." Hij herhaalde de woorden van Kassapa en bevestigde ze daarmee.

S.16.8. Vermaning (III)

Te Rajagaha, in het Kalandakanivapa.

De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: "Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken."

Kassapa: "Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken om tot hen te praten. Ze zijn niet geduldig om iets aan te nemen. Ze tonen geen eerbied voor een toespraak.”

De Boeddha: "Maar vroeger, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus bosbewoners geweest en hebben het bosleven geprezen. Zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij droegen lompenkleren en prezen het dragen van lompenkleren. Zij bezaten slechts drie gewaden en prezen het bezit van drie gewaden. Zij waren genoegzaam en hebben genoegzaamheid geprezen. Zij waren tevreden en hebben tevredenheid geprezen. Zij leefden alleen en hebben het alleen leven geprezen. Zij waren zonder seksuele omgang en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij waren energiek en hebben de energie geprezen.

Wanneer dan een bhikkhu die een bosbewoner was en het bosleven prees, of een bhikkhu die van aalmoezen leefde en dat leven prees, of iemand die lompenkleren droeg en het dragen ervan prees, of iemand die slechts drie gewaden bezat en het bezit ervan prees, of iemand die genoegzaam was en de genoegzaamheid prees, of iemand die tevreden was en de tevredenheid prees, of iemand die alleen leefde en dat leven prees, of iemand die zonder seksuele omgang was en dat leven prees, wanneer een bhikkhu energiek was en de energie prees, – dan plachten de eerwaarde bhikkhus hem uit te nodigen om te gaan zitten. Zij vroegen dan naar zijn naam en prezen hem, denkende dat hij naar onderricht verlangde.

Dan kwam bij de jonge bhikkhus de volgende gedachte op: "Wanneer een bhikkhu een bosbewoner is ...van aalmoezen leeft ...lompenkleren draagt ...slechts drie gewaden bezit. ..genoegzaam is. ..tevreden is. ..alleen leeft. ..geen seksuele omgang heeft ...energiek is ...en dat leven prijst, dan plegen de ouderlingen hem uit te nodigen om te gaan zitten.” En die jonge bhikkhus zullen dan ernaar streven zoals die bosmonniken te worden. En dat zal hem lang tot heil en zegen strekken.

Maar tegenwoordig, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus geen bosbewoners meer en prijzen het leven in een bos niet. Zij leven niet van aalmoezen. ..dragen geen lompenkleren (etc) ...Zij zijn niet energiek en prijzen de energie niet.

Wanneer dan een bhikkhu welbekend is en beroemd, en wanneer hij gewaden, aalmoezenspijs, bed en uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken (rijkelijk) ontvangt, dan nodigen de eerwaarde bhikkhus hem uit om te gaan zitten. De jonge bhikkhus zien dat en bij hen komt de gedachte op dat beroemde bhikkhus uitgenodigd worden te gaan zitten. Zij streven er dan naar om zo te worden zoals die welbekende bhikkhus. En dat zal hen lang tot onheil en leed strekken.

Kassapa, terecht kan men dan zeggen: 'Schade hebben de vrienden van het heilige leven ondervonden door datgene wat het heilige leven schaadt,[27] geteisterd zijn zij daardoor.'"

S.16.9. De verdiepingen en de wonderkrachten

Te Savatthi.

[De Boeddha:] "Ik, monniken, treed helemaal naar believen binnen in de eerste meditatieve verdieping (jhana), afgezonderd van zinnelijke begeerten, afgezonderd van het kwade. Die eerste jhana is verbonden met gedachten en overwegingen, is uit eenzaamheid ontstaan, maakt gelukkig vol vreugde. En ik verblijf daarin.[28]

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in de eerste jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, na het tot rust komen van gedachten en overwegingen, binnen in de tweede jhana. Zij heeft innerlijke vrede, concentratie (eenwording) van het denken, is vrij van gedachten en overwegingen, ontstaan door geestelijke concentratie. Ze maakt gelukkig, vol vreugde. En daarin verblijf ik.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in de tweede jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, verblijf helemaal naar believen, na het verdwijnen van de vreugde, in gelijkmoedigheid; en bezonnen en volbewust ondervind ik lichamelijk het geluk en treed binnen in de derde jhana. De edelen noemen die jhana gelijkmoedig, bezonnen, gelukkig. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, verblijft helemaal naar believen in gelijkmoedigheid en treedt op gelijke wijze binnen in de derde jhana.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, – na het opgeven van de begeerte en na het opgeven van leed, nadat voordien met succes de ervaringen van gevoelens van geluk en pijn vernietigd zijn, – binnen in de vierde jhana. Deze jhana is vrij van leed, vrij van geluk, is in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverd. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die vierde jhana en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, na volledige overwinning van de vorm-voorstellingen, na vernietiging van voorstellingen van innerlijk tegenstreven, na onderdrukking van de voorstellingen van verscheidenheid, (met de gedachten) oneindig is de ruimte, binnen in de sfeer van de ruimte-oneindigheid. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer, en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van de ruimte-oneindigheid volledig overwonnen heb, (met de gedachte) oneindig is het bewustzijn, binnen in de sfeer van bewustzijnsoneindigheid.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van de bewustzijnsoneindigheid volledig heb overwonnen, (met de gedachte) niets is er, binnen in de sfeer van niets is er. En daarin verblijf ik.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft daarin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van niets is er volledig heb overwonnen, binnen in de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze in die meditatieve sfeer binnen en verblijft erin.

Ik, monniken, treed helemaal naar believen, nadat ik de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming volledig heb overwonnen, binnen in de sfeer van opheffing van waarneming en gevoel. En ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, treedt op gelijke wijze binnen in die meditatieve sfeer en verblijft erin.

Ik, monniken, geniet helemaal naar believen van de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten. Uit één word ik veel, en uit veel word ik één. Ik maak me zichtbaar en onzichtbaar. Ongehinderd ga ik door wanden, muren, bergen zoals in de vrije ruimte. Ik duik in de aarde op en onder, zoals in het water. Ik loop op het water zonder dat het uiteen gaat zoals op vaste bodem. Ik beweeg me in zittende houding in de lucht zoals een vogel. Ik raak met de hand de machtige maan en zon aan en aai ze. Zelfs tot in de Brahma-wereld oefen ik lichamelijke invloed uit.

En ook Kassapa, monniken, geniet op gelijke wijze de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten.

Ik, monniken, hoor helemaal naar believen met het hemelse oor, het zuivere, bovenmenselijke, beide geluiden, hemelse en aardse, geluiden die ver weg zijn en geluiden die nabij zijn.

En ook Kassapa, monniken, heeft het hemelse oor.

Ik, monniken, onderken helemaal naar believen het hart van anderen doordat ik het met het eigen hart begrijp. Ik onderken een met begeerte vervuld denken als een met begeerte vervuld denken. Of ik onderken een van begeerte vrij denken als een van begeerte vrij denken. Ik onderken een van haat vervuld denken als een van haat vervuld denken. Of ik onderken een van haat vrij denken als een van haat vrij denken. Ik onderken een van waan vervuld denken als een van waan vervuld denken. Of ik onderken een van waan vrij denken als een van waan vrij denken. Ik onderken een geconcentreerd denken als een geconcentreerd denken. Of ik onderken een verstrooid denken als een verstrooid denken. Ik onderken een hoog strevend denken als een hoog strevend denken. Of ik onderken een niet hoog strevend denken als een niet hoog strevend denken. Ik onderken een denken met hogere doelen als een denken met hogere doelen. Of ik onderken een denken zonder hogere doelen als een denken zonder hogere doelen. Ik onderken een geestelijk kalm denken als een geestelijk kalm denken. Of ik onderken een geestelijk niet kalm denken als een geestelijk niet kalm denken. Ik onderken een bevrijd denken als een bevrijd denken. Of ik onderken een niet bevrijd denken als een niet bevrijd denken.

En ook Kassapa, monniken, onderkent helemaal naar believen het hart van andere wezens op die manier.

Ik, monniken, herinner mij helemaal naar believen aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan, zoals aan één geboorte, aan twee geboorten, aan drie geboorten, aan vier geboorten, aan vijf geboorten, aan tien geboorten, aan 20, 30, 40, 50, 100, 1000, 100.000 geboorten, aan talrijke tijdperken van wereldvergaan en aan talrijke tijdperken van wereldontstaan en aan talrijke tijdperken van wereldvergaan-wereldontstaan. Toen had ik die en die naam, was van die en die familie, van die en die kaste, voedde mij zus en zo, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo en zo oud. Nadat ik vandaar heengegaan was, werd ik daar en daar wedergeboren. Daar had ik dan weer die en die naam, was van die en die familie, voedde mij zus en zo, ondervond dit en dat aan lust en leed, werd zo en zo oud. Nadat ik wederom van daar was heengegaan, ben ik hier wedergeboren. Zo herinner ik mij aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan met de bijzondere gebeurtenissen en details ervan.

En ook Kassapa, monniken, herinnert zich helemaal naar believen aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan, met de bijzondere gebeurtenissen en details.

Ik, monniken, overzie helemaal naar believen met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke, de wezens en onderken de wezens hoe ze heengaan en wedergeboren worden, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, zoals zij komen overeenkomstig hun kamma. 'Deze wezens daar hadden een kwade levenswandel in lichamelijk doen, en ook in spreken en denken. Zij hebben de edelen gesmaad, hadden verkeerde inzichten en hebben hun handelen gevormd volgens hun verkeerde inzichten. Zij zijn na de dood wedergeboren in een lagere vorm van bestaan, in een bestaan vol lijden, in verdoemenis en hel. Die wezens echter hadden een goede levenswandel in lichamelijk doen, hadden een goede levenswandel in spreken en ook in denken. Zij hebben de edelen niet gesmaad. Zij hadden juist inzicht en zij hebben hun handelen gevormd naar hun juist inzicht. Zij zijn na de dood wedergeboren in een gelukkig bestaan, in de hemelse wereld.' Zo overzie ik met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke de wezens en onderken hoe zij heengaan en wedergeboren worden, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, zoals zij komen overeenkomstig hun kamma.

En ook Kassapa, monniken, overziet helemaal naar believen met het hemelse oog de wezens. (etc)

En ik, monniken, heb na vernietiging van de wereldse invloeden de van wereldse invloeden vrije verlossing van het hart en verlossing van het inzicht nog in dit leven door eigen begrijpen en verwerkelijken bereikt en ik verblijf daarin.

En ook Kassapa, monniken, heeft na vernietiging van de wereldse invloeden de van wereldse invloeden vrije verlossing van het hart en verlossing van het inzicht reeds in dit leven door eigen begrijpen en verwerkelijken bereikt en hij verblijft erin."

S.16.10. Maha Kassapa en Ananda

Eens vertoefde de eerwaarde Maha Kassapa te Savatthi, in het Jetavana-park. Hij werd er door de eerwaarde Ananda uitgenodigd om naar een bijeenkomst van nonnen te gaan. Samen met Ananda ging Maha Kassapa in de voormiddag naar haar toe en Maha Kassapa preekte daar tot haar. De non Thullatissa was er ontevreden over en zei: "Hoe kan Kassapa het passend vinden om de leer te preken in bijzijn van de wijze Ananda." Kassapa was gekwetst[29] door deze woorden. Ananda bracht hem tot rust door te zeggen: "Vrouwen zijn dwaas."[30]

De eerwaarde Maha Kassapa zei toen aan Ananda dat hij persoonlijk door de Boeddha aan de Orde was voorgesteld als iemand die de eerste jhana naar believen kon intreden, net zoals de Boeddha zelf dat ook kon. En hij kon eveneens de tweede, derde en vierde jhana naar believen intreden net zoals de Boeddha. En ook de vijfde, zesde, zevende en achtste meditatieve verdieping kon hij naar believen intreden, net zoals de Boeddha. Dat was door de Boeddha aan de gemeenschap van de monniken meegedeeld.

En de Boeddha had verder Kassapa aan de Sangha voorgesteld als iemand die de bovennatuurlijke krachten bezat, die het hemelse oog en hemelse oor had, die het hart van anderen onderkende, die zich aan de verscheidene vroegere vormen van bestaan herinnerde, die met het hemelse oog onderkende hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun kamma, en die na vernietiging van de wereldse invloeden de bevrijding van het gemoed had ingezien en verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had ingezien en verwerkelijkt.[31]

"Ananda, ben jij door de Verhevene persoonlijk aan de gemeenschap van de monniken op een dergelijke manier voorgesteld?"

(Ananda): "Neen, heer, dat is niet het geval."

De non Thullatissa trad uit de Bhikkhuni Sangha uit.

[M.a.w. volgens Maha Kassapa stond hij op gelijk niveau als de Boeddha wat betreft de jhanas en de bovennatuurlijke krachten. Maar de eerwaarde Maha Moggallana was de beste wat betreft de bovennatuurlijke krachten. Wat in dit sutta verhaald is, is m.i. niet op deze manier door de eerwaarde Maha Kassapa gezegd.]

S. 16.11. Het gewaad

Eens vertoefde de eerwaarde Maha Kassapa te Rajagaha in het bamboepark Kalandakanivapa. In die tijd ging de eerwaarde Ananda te Dakkhinagiri[32] rond met een grote gemeenschap van bhikkhus.

Dertig bhikkhus, celgenoten van de eerwaarde Ananda, van wie de meesten jongelui, hadden de opleiding opgegeven en waren naar het lagere leven teruggekeerd.

Toen de eerwaarde Ananda in Dakkhinagiri zijn ronde had gemaakt, ging hij naar Rajagaha in het bamboepark Kalandakanivapa, naar de plek waar de eerwaarde Maha Kassapa zich bevond. Hij begroette de eerwaarde Maha Kassapa eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De eerwaarde Maha Kassapa vroeg toen aan Ananda onder welke omstandigheden door de Verheven was toegestaan om met drieën in de gezinnen de maaltijd te nemen.

Het antwoord van Ananda luidde: "Drie omstandigheden zijn door de Verhevene toegestaan om met drieën in de gezinnen te eten. (1) Om mensen met een slecht karakter in toom te houden. (2) Voor het welzijn van bekwame bhikkhus opdat niet kwaadaardigen een splitsing in de gemeenschap veroorzaken. (3) Uit medelijden met de gezinnen."

Maha Kassapa zei toen: "Ananda, waarom ga je dan rond samen met die jonge bhikkhus bij wie de poorten van de zinnen nog niet behoed zijn, die bij het eten geen maat weten te houden, die niet bedacht zijn op oplettendheid. Je vernietigt de veldvruchten (gewassen), je bent een bederver van gezinnen. Je gevolg brokkelt af, je volgelingen van wie de meesten nog jong zijn, vallen af. Nog steeds weet deze jongen geen maat te houden."

Ananda gaf ten antwoord: "Kassapa, mijn hoofd is al vol met grijze haren en toch zegt u nu nog steeds 'jongen' tegen mij.

De non Thullananda hoorde dat de eerwaarde Maha Kassapa de eerwaarde Ananda terecht wees en zij ergerde zich erover. Zij zei: "Meent Maha Kassapa, die vroeger tot een andere school behoorde, de wijze Ananda te moeten berispen door hem jongen te noemen?"

Maha Kassapa zei toen tot de eerwaarde Ananda: "Waarlijk, Ananda, het woord van de bhikkhuni Thullananda is te vlug en zonder overleg gesproken. Sinds ik hoofdhaar en baard heb laten knippen en de gele gewaden heb aangelegd en uit het huiselijke in het huisloze leven ben gegaan, erken ik geen andere meester dan de Verhevene, de Volmaakte, de geheel Verlichte, tot wie ik mijn toevlucht neem.

Vroeger toen ik nog een huisbewoner was, ontstond bij mij de gedachte: 'Het huiselijke leven is eng, een stoffig pad. De open lucht is de afkeer van de wereld. Niet gemakkelijk is het voor iemand die in het huis leeft, om een heel volkomen, heel rein heilig leven te leiden. Hoe zou het zijn als ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aanleg en uit het huiselijke leven in het huisloze leven ga?'

Op een andere tijd maakte ik een oppergewaad voor me uit stukken oude kleren, en net zoals de volmaakte heiligen die er zijn, schoor ik hoofdhaar en baard af, legde de gele gewaden aan en trad uit het huiselijke leven in het huisloze leven.

Na me zo van de wereld te hebben afgekeerd,[33] zag ik de Verhevene tussen Rajagaha en Nalanda zitten bij de Bahuputta-cetiya. En de gedachte kwam bij me op: 'De Meester wil ik graag zien, de Verhevene, de volmaakt Ontwaakte.'

Toen wierp ik me met het hoofd bij de voeten van de Verhevene terneer en zei: 'Mijn meester is de Verhevene, ik ben zijn leerling.'

De Boeddha gaf ten antwoord: 'Kassapa, ik weet en ik zie. Daarom moet jij je zo oefenen: pijnlijke zekerheid en fijngevoeligheid moet aanwezig zijn bij de ouden, de jongen en de middelen. Verder moet jij je hierin oefenen: wat voor leerreden ik ook zal horen, die het goede bevatten, die moet je allemaal opnemen en overwegen. Met oplettend oor moet je naar de leer luisteren. Ook moet jij je als volgt oefenen: De oplettendheid bij het lichaam welke oplettendheid met vreugde verbonden is, moet nooit bij je ophouden.'

Na deze aanmaning van de Verhevene stond ik op en ging weg. Ananda, nog zeven dagen genoot ik als onvolmaakte de aalmoezen van de mensen. Op de achtste dag verkreeg ik het hoogste inzicht."

"Ananda, eens ging de Verhevene van de weg af naar de voet van een boom. Daar vouwde ik toen mijn oppergewaad uit stukken stof viervoudig op en spreidde het uit met de woorden: 'Moge de verheven heer hier gaan neerzitten, opdat het mij lange tijd tot heil en zegen moge strekken.'

De Verhevene ging op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten met de woorden: 'Kassapa, je oppergewaad uit stukken stof is zacht.' Ik vroeg hem toen of hij mijn oppergewaad wilde aannemen, uit mededogen.

'Kassapa, zul jij dan mijn versleten gewaden uit lompen van hennep dragen?' – 'Jawel, heer.'

Ik gaf toen mijn oppergewaad aan de Boeddha en ontving zijn versleten gewaden.

Daarom kan men terecht van mij zeggen dat ik een echte zoon van de Verhevene ben, uit zijn mond geboren, uit de waarheid verwekt, uit de waarheid gevormd, een erfgenaam van de waarheid, iemand die versleten lompenkleren van hennep in ontvangst neemt.

Ananda, helemaal naar believen treed ik binnen in de eerste jhana, in de tweede, derde en vierde jhana, net zoals de Boeddha. En ook de [vormloze] vijfde, zesde, zevende en achtste meditatieve verdieping kan ik naar believen intreden, net zoals de Boeddha.

En net zoals de Boeddha beschik ik over de zes bovennatuurlijke krachten."

Verder zei Kassapa dat hij na vernietiging van de wereldse invloeden de bevrijding van het gemoed had ingezien en verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had ingezien en verwerkelijkt.

De bhikkhuni Thullananda trad uit de Bhikkhuni Sangha uit.

S.16.12. Is de Tathagata na het overlijden?

Eens vertoefden de eerwaarde Maha Kassapa en de eerwaarde Sariputta in Varanasi, te Isipatana, in het Antilopenpark.

In de avond ging Sariputta na de meditatie naar Maha Kassapa, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten.

Sariputta vroeg toen aan Maha Kassapa: "Is de Tathagata na de dood?"

[Kassapa]: "De Verhevene heeft niet meegedeeld dat de Tathagata na de dood is."

[Sariputta]: "Is dan de Tathagata niet na de dood?"

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat de Tathagata na de dood is."

[Sariputta]: "Is de Tathagata dan zowel na de dood als niet na de dood?"

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat hij na de dood zowel is als niet is."

[Sariputta]: "Is de Tathagata dan niet noch is hij niet na de dood? "

[Kassapa]: "Ook hierover heeft de Verhevene niet meegedeeld dat hij niet is noch niet is na de dood."

[Sariputta]: "Waarom heeft de Verhevene daarover niets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Het is niet heilzaam en het leidt niet tot het heilige leven noch leidt het naar tegenzin (tegen wereldse dingen), leidt niet naar gelijkmoedigheid, niet naar opheffing, niet naar stilte, niet naar (het verkrijgen van) wonderkracht, niet naar de volmaakte verlichting, nibbana."

[Sariputta]: "Maar waarover heeft de Verhevene iets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Dit is het lijden, dit is de oorsprong van het lijden, dit is de opheffing van het lijden, dit is de weg die leidt naar de opheffing van lijden, – dat is door de Verhevene meegedeeld."

[Sariputta]: Waarom heeft de Verhevene hierover iets meegedeeld?"

[Kassapa]: "Dit is heilzaam, leidt naar een heilig leven, leidt naar tegenzin (tegen de wereldse dingen), leidt naar gelijkmoedigheid, naar opheffing, naar stilte, naar verkrijging van wonderkracht, naar volmaakte Verlichting, nibbana."

S.16.13. Vervalsing van de goede leer

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-park van Anathapindika. De eerwaarde Mahakassapa ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. En Mahakassapa vroeg: "Heer, wat is de oorzaak dat er vroeger minder voorschriften waren maar meer bhikkhus de staat van volmaakte heiligheid bereikt hadden? En Heer, wat is de oorzaak dat er thans meer voorschriften zijn maar minder bhikkhus de staat van volmaakte heiligheid bereikt hebben?"

[De Boeddha]: "Kassapa, de oorzaak is zo: wanneer de wezens teruggaan[34] en de goede leer verdwijnt, dan worden de voorschriften meer en dan bevinden zich minder bhikkhus in de staat van volmaakt inzicht.

Zolang komt er geen verdwijnen van de goede leer, zolang als er geen vervalsing[35] van de goede leer ontstaat. Maar als er een vervalsing van de goede leer in de wereld ontstaat, dan komt er een verdwijnen van de goede leer.

Hier zelf (onder ons) ontstaan de dwaze mensen die de goede leer laten verdwijnen.

Vijf dingen moeten vermeden worden want die vijf dingen leiden naar het ophouden en verdwijnen van de goede leer, namelijk:

1. Er zijn bhikkhus en bhikkhunis, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de meester.

2. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de leer.

3. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de gemeenschap [van de heiligen].

4. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de training.

5. Zij zijn zonder eerbied en zonder hoogachting tegenover de geestelijke concentratie.

Deze vijf dingen moeten vermeden worden. Zij leiden naar het ophouden en verdwijnen van de goede leer.

De volgende vijf dingen strekken tot het behoud, tot niet ophouden en niet verdwijnen van de goede leer, namelijk:

1. Er zijn bhikkhus en bhikkhunis, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen vol eerbied en vol hoogachting tegenover de meester.

2. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de leer.

3. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de gemeenschap [van de heiligen].

4. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de training.

5. Zij zijn vol eerbied en vol hoogachting tegenover de geestelijke concentratie.

        Deze vijf dingen strekken tot het behoud, tot niet ophouden en niet verdwijnen van de goede leer.[36]

S.17. [S.XVII] Lābhasakkāra-Samyutta

Winst, eer en roem zijn een hindernis, een gevaar voor de bhikkhu. (S.17.1-43)

S.18. [S.XVIII] Rāhula-Samyutta

Instructie van Rāhula. (S.18.1-22)

18.1-10.  Toespraak tot Rahula over vergankelijkheid

18.21. Toespraak tot Rahula over niet-ik

18.22. niet-ik


S.18. Rāhula-Samyutta

S.18.1-10.  Toespraak tot Rahula over vergankelijkheid

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De eerwaarde Rahula ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en vroeg om een zodanige uitleg over de leer dat hij na het vernemen ervan afgezonderd, vol ijver en vastbesloten kon vertoeven. De Boeddha zei toen:

"Rahula, zijn de zintuigen - oog, oor, neus, tong, lichaam, geest – onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de diverse soorten bewustzijn - zienbewustzijn, hoorbewustzijn, ruikbewustzijn, smaakbewustzijn, aanrakingsbewustzijn, denkbewustzijn – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is contact door de zintuigen – visueel contact, hoorcontact, ruikcontact, smaakcontact, aanrakingscontact, denkcontact – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Het is vergankelijk, Heer."

"Zijn de gevoelens veroorzaakt door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de waarnemingen van vormen, van geluiden, van geuren, van smaken, van aanrakingen, van geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is de wil naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze is vergankelijk, Heer."

"Is de begeerte, het verlangen naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze is vergankelijk, Heer."

"Is het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element, het bewustzijns-element onvergankelijk of vergankelijk?"- "Die elementen zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn lichamelijkheid, gevoel, waarneming, de formaties, bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Wat vergankelijk is, is dat smartelijk of is het prettig?” – “Heer, het is smartelijk.” – “Datgene wat vergankelijk is, smartelijk en veranderlijk, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rāhula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alwat aangeraakt kan worden, en van geest en gedachten en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.’ Aldus weet hij.”

S.18.11-20. herhaling

(Deze leerreden zijn een herhaling van de voorgaande toespraken S.18.1-10)

S.18.21. Toespraak tot Rahula over niet-ik

Geen “ik” en geen “mijn”

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De eerwaarde Rahula ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en vroeg welke inzicht men moet hebben dat er bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten met alle voorstellingen geen waanidee van "ik" en "mijn" meer is.

"Rahula, wat er bestaat aan lichamelijkheid, aan gevoel, aan waarneming, aan formaties, aan bewustzijn, verleden, toekomstig of tegenwoordig, eigen of vreemd, grof of fijn, gewoon of edel, veraf of nabij, - van elke lichamelijkheid, elk gevoel, elke waarneming, elke formatie, elk bewustzijn geldt: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Zo beschouwt men dit overeenkomstig de werkelijkheid met juiste wijsheid.

Zo inziende is er bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten bij alle voorstellingen geen waanidee van ik en mijn."

S.18.22. niet-ik

Te Savatthi. De eerwaarde Rahula vroeg aan de Verhevene welk inzicht men moet hebben om de geest vrij te hebben van de waanidee van ik en mijn. Wanneer zijn de verschillende soorten van hoogmoed overwonnen;[37] wanneer is men volledig bevrijd?

"Rahula, wat er bestaat aan lichamelijkheid, aan gevoel, aan waarneming, aan formaties, aan bewustzijn, verleden, toekomstig of tegenwoordig, eigen of vreemd, grof of fijn, gewoon of edel, veraf of nabij, - van elke lichamelijkheid, elk gevoel, elke waarneming, elke formatie, elk bewustzijn geldt: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men dat overeenkomstig de werkelijkheid met juiste wijsheid inziet, is men zonder hechten bevrijd.

Met een dergelijk inzicht is de geest bij dit lichaam inclusief het bewustzijn en erbuiten bij alle voorstellingen vrij van de eigendunk van ik en mijn. De geest heeft dan de verschillende soorten van hoogmoed overschreden, is vol vrede en volledig bevrijd."

S.19. [S.XIX] Lakkhana-Samyutta.

Vragen van Lakkhana.[38]  (S.19.1-21)

S.20. [S.XX] Opamma-Samyutta

Gelijkenissen

20.2. wedergeboorte

20.3. Metta

20.4. Metta (2)

20.5. Metta (3)

20.6. Metta (4)


S.20. Opamma-Samyutta

S.20.2. wedergeboorte

Er zijn weinig wezens die in de mensenwereld wedergeboren worden. Talrijker zijn de wezens die buiten de mensenwereld wedergeboren worden. Daarom moet men zo oefenen: “niet zullen wij nalatig leven.”[39]

S.20.3. Metta

Wie de meditatie van liefdevolle vriendelijkheid (metta) niet heeft ontplooid, niet sterker heeft gemaakt, die kan gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.

Maar wie de meditatie van liefdevolle vriendelijkheid (metta), de bevrijding van het gemoed, ontplooid en versterkt heeft, die kan niet gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'

S.20.4. Metta (2)

Wie 's morgens, 's middags of 's avonds een rijkelijke maaltijd geeft, dan brengt dat niet zo'n grote vrucht als wanneer men 's morgens, 's middags of 's avonds de gedachte van liefdevolle vriendelijkheid (metta) ontplooit, al is het maar in geringe mate.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'

S.20.5. Metta (3)

Een booswicht die meent de geest te kunnen verwarren van iemand die metta ontplooid heeft, metta als basis heeft, vermeerderd en goed voltooid heeft, die booswicht zal zich alleen maar moeite en pijn bezorgen.

Daarom moet men aldus oefenen: de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden.'

S.20.6. Metta (4)

De snelheid van een afgeschoten pijl is groot. De snelheid van zon en maan is veel groter. Maar nog veel sneller drogen de levenskrachten op.

Daarom moet men aldus oefenen: 'de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worde

Aanmaningen van de Boeddha en de eerwaarde Maha Moggallāna tot de monniken.[40]  (S.21.1-12)

S.21.1. Kolita

(Kolita is de leken-naam van Maha Moggallāna naar zijn geboortedorp).


De 2e jhana noemt men het edele zwijgen. 


1. Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī, in het Jeta-park, het klooster van Anāthapindika.

 

2. Daar wendde de eerwaarde Mahā-Moggallāna zich tot de monniken: "Broeders!" - "Ja, broeder," gaven die monniken aan de eerwaarde Mahā-Moggallāna ten antwoord.

 

3. De eerwaarde Mahā-Moggallāna sprak aldus: "Toen ik daar, broeders, verborgen, teruggetrokken vertoefde, kwam in mijn geest deze overweging op: 'Edel zwijgen, edel zwijgen', zo zegt men. Wat nu is edel zwijgen?'

 

4. Toen dacht ik, broeders, aldus: 'Na het tot rust brengen van denken en overwegen, vertoeft er de monnik in innerlijke kalmte, in eenheid van de geest, in het bezit van de tweede verdieping die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vergezeld van vervoering en geluk.' Dit, broeders, noemt men edel zwijgen. (S.21.1)



5. Daar verbleef ik nu, gij broeders, na het tot rust brengen van denken en overwegen in innerlijke kalmte, in eenheid van de geest, in het bezit van de tweede verdieping die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vergezeld van vervoering en geluk. Terwijl ik, broeders, in deze toestand vertoefde, kwamen bij mij voorstellingen en overwegingen op die verbonden waren met denken.

 

6. Daar nu, broeders, is de Verhevene door middel van magische kracht naar mij gekomen en heeft aldus gesproken: 'Moggallāna, Moggallāna. Wees niet nalatig, brahmaan, in het edele zwijgen. Vestig de geest in het edele zwijgen, verenig de geest in het edele zwijgen, concentreer de geest in het edele zwijgen.'

 

7. Daar vertoefde ik dan later, broeders, na het tot rust brengen van denken en overwegen, in innerlijke kalmte, in de eenheid van de geest, in het bezit van de tweede verdieping die vrij is van denken en overwegen, geboren in de concentratie, vergezeld van vervoering en geluk. Wanneer men, broeders met recht van iemand kan zeggen: 'De discipel die door de Meester ondersteund wordt, heeft het machtige hogere inzicht (mahābhiññatā) bereikt' - van mij zou men het terecht zeggen: 'De discipel die door de Meester ondersteund wordt, heeft het machtige hogere inzicht bereikt. ''  (S.21.1)


[1] Webb, 1975, p. 23; Thomas 1992, p. 271.

[2] Zie ook: D.8.

[3] Al onze activiteiten bestaan uit lichamelijke acties, praten of denken. Elke handeling, elk woord, elke gedachte is een product, een samkhāra, een maaksel, een vorm(geving). Uit al die enkele producten vormt zich het kamma dat de wedergeboorte bepaalt. (Geiger Bd. II, 1925, p. 59, noot 1).

[4]  Bedoeld is het 'grijpen' van de empirische dingen, het zich ermee bezig houden. Is men ervan losgeraakt, dan is men bevrijd.

[5]  De naam Kalārakhattiya (Kalara de edelman) wijst erop dat de bhikkhu voordat hij in de Orde intrad, tot de kaste van de adel behoorde.

[6] aññā vyākatā. Het woord aññā (skr. Ājñā) is een synoniem van arahatta. Wanneer de bhikkhu tot de overtuiging komt dat hij het hoogste niveau van inzicht heeft bereikt, arahantschap, dan verkondigt hij dat plechtig met bovenvermelde formule. Het is een zwaar vergrijp als men de aññā ten onrechte, uit hoogmoed of zelfoverschatting, verkondigt.

[7] volgens het commentaar betekent dit dat de waardigheid van arahantschap bereikt is na het juist begrijpen (van het wezen) van de vormingen van de eigen persoon, d.w.z. van het eigen kamma.

[8]  Sāriputta verzuimt nooit de zelfbeschouwing. Hij blijft steeds sato sampajāno.

[9] D.w.z. hij heeft een belangrijk en zelfbewust woord gesproken.

[10]  Commentaar: door het vroegere kamma voortgebracht.

[11] De basisgedachte van sutta 38, 39 en 40 is deze, dat door kamma de wedergeboorte veroorzaakt wordt. Door onze relaties tot de empirische wereld die uitgedrukt worden met ceteti "denkt", pakappeti "van plan is" en anuseti "blijft, volhardt", komen de samkhārā, komt het kamma tot stand.  

[12]  nati. Het commentaar legt het begrip uit door tanhā "dorst" en voegt nog toe: "want de dorst wordt 'toeneiging' genoemd vanwege zijn toeneigen naar lieve vormen (piyarūpesu) en de andere zintuiglijke objecten".

[13] Commentaar: Methode betekent de wet van oorzakelijkheid, en het edele achtvoudige pad is ook methode.

[14]  Te denken is aan seksuele teugelloosheid en echtbreuk.

[15] visamyutto, als iemand die vrij is van de tien boeien.

[16] Het gebied van de Kurus was het land om Indraprastha, niet ver van het tegenwoordige Delhi. Het grensde in het noorden aan Kosala en in het zuiden aan het land van de Matsya. (Geiger Bd. II, 1925, p. 129 noot 1).

[17] Blijkbaar wordt bedoeld dat het citta constant in beweging is en steeds verandert, dat gedachten ontstaan en weer vergaan, door oorzaken.  

[18] Het beeld is genomen van een ingeplante boom die wortel heeft geslagen en nu begint te groeien.

[19] De sukkhavipassaka heeft arahantschap bereikt door inzicht van de fysieke en psychische verschijningen. In tegenstelling tot de samathayānika heeft hij nog niet de wereldlijke bovennatuurlijke krachten. Maar zijn eigenschappen zijn opgedroogd (sukkha "droog").

[20] Webb, 1975, p. 23

[21] Commentaar: de duisternis is verborgen door het licht en het licht is verborgen door de duisternis. Door de duisternis wordt het licht duidelijk.

[22] Commentaar: ten gevolge van het bereiken van de vorm-sferen; want wanneer de bereiking van de vorm-sferen aanwezig is, (d.w.z. wanneer de vier eerste meditatieve verdiepingen, de jhanas, die binnen deze sfeer liggen, bereikt zijn) treedt de sfeer van 'ruimte is oneindig' in. Elk hoger meditatief niveau rust op het voorgaande.

[23] Commentaar: onder opheffing (nirodha) wordt verstaan de opheffing van de vier bestanddelen van bestaan (khandhā): vorm, gevoel, waarneming en formaties (kamma).

[24] Webb, 1975, p. 23

[25] bijna gelijkluidend in It. nr. 24.

[26] Een gezinnen-bezoeker is een bhikkhu die op zijn aalmoezenrondgang regelmatig bepaalde gezinnen opzoekt en daardoor in een vriendschappelijke verhouding met hen komt, wat voor de bhikkhu zelf gevaren insluit. (Geiger II, 1925, p. 260 noot 1 ).

[27] Het commentaar zegt dat ermee bedoeld is geschaad door te veel begeerte. (Geiger II, 1925, p.270 noot 2).

[28] De Boeddha kan de jhanas op elke willekeurige tijd intreden en de tijdsduur ervan naar believen uitbreiden. (Geiger II, 1925, p.271, noot 1).

[29] Gekwetst’: een volmaakte heilige heeft geen voorkeur en geen afkeer. Het woord "gekwetst" is zeer zeker door zijn leerlingen gebruikt. Ook de rest van dit sutta waarin de eerwaarde Maha Kassapa pocht over zijn vermogens – iets wat Arahants niet doen – moet een toevoeging zijn. Hij vergelijkt zichzelf ook met de eerwaarde Ananda. Een Arahant vergelijkt zich niet met anderen. Hij kent geen gelijk aan of groter of minder dan iemand anders. Elk idee van "ik" is immers bij hem verdwenen.

[30] Dat vrouwen dwaas zijn, zal Ananda niet hebben gezegd.

[31] M.a.w. hij had nibbana bereikt.

[32] Een district in het zuiden van de heuvels rond Rajagaha.

[33] In het commentaar zijn hier langere teksten over vroegere vormen van bestaan van Kassapa. Hij zou ten tijde van de Boeddha Padumuttara als gezinshoofd met naam Vedeha geleefd hebben. Die Boeddha voorspelde toen dat hij eens de derde discipel (de eersten zijn Sariputta en Moggallana) van de Boeddha Gotama zou worden. (Geiger Bd. II, 1925, p. 2S2, noot 4).

[34] Dit heeft betrekking op de morele teruggang (het morele verval) van de mensen, hun gelijkmoedigheid t.o. v. de leer van de Boeddha. (Geiger II, 1925, p. 287, noot 2).

[35] Letterlijk: een tegenbeeld, een vals afgietsel van de goede leer, iets dat als goed uitziet maar het niet is. (Geiger II, 1925, p. 287, noot 3).

[36] De goede leer verdwijnt niet door uitwendige oorzaken, maar ze wordt van binnen uit ten onder gebracht. (Geiger II, 1925, p. 288, noot 1.)

[37] Er zijn drie soorten hoogmoed (tividha-māno): de mening meer te zijn; de mening minder te zijn; de mening gelijkwaardig te zijn.

[38] Webb, 1975, p. 23. 

[39] niet nalatig (appamatta): onvermoeibaar, oplettend.

[40] Webb 1975, p. 23.

...