Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.2. (7-9) Majjhima nikaya  VII-IX (M.61-90)


   M.VII. Bhikkhu-vagga (M.61-70)        M.VIII. Paribbājaka-vagga (M.71-80)         M.IX. Rāja-vagga (M.81-90)

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Majjhima Nikāya

Vagga VII-IX (M.61-90)

M.VII. Bhikkhu-vagga (M.61-70) (M.VII. 1-10)

M.61 (MN.VII.1)

M.62 (MN.VII.2)

M.63 (MN.VII.3)

M.64 (MN.VII.4)

M.65 (MN.VII.5)

M.66 (MN.VII.6)

M.67 (MN.VII.7)

M.68 (MN.VII.8)

M.69 (MN.VII.9)

M.70 (MN.VII.10)

        De noodzaak van het vermijden van leugens en van het beoefenen van oplettendheid. Meditatie met de adem als concentratiemiddel. De praktijk van het heilige leven hangt niet af van de vragen: “Is het universum eeuwig of niet; is de ziel hetzelfde als het lichaam of is de ziel het ene en het lichaam het andere; bestaat er leven na de dood of niet?” De Boeddha onderwijst alleen dukkha, de oorzaak ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan leidt. De vijf lagere boeien, namelijk geloof in persoonlijkheid, twijfel, gehechtheid aan verkeerde praktijk, zintuiglijk verlangen, en kwaadwil. Wanneer de vijf krachten, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht, goed zijn ontwikkeld, kunnen ook strenge regels met gemak nagevolgd worden. De gevaren in een leven als monnik: kwaadwil jegens degenen die hen onderrichten en leiden; ontevredenheid met oefenregels zoals het gebruik van maaltijden of omgang met vrouwen; en zintuiglijke genietingen. Bovennatuurlijke krachten kunnen schadelijk zijn tenzij iemand de hogere niveaus van de paden van heiligheid heeft bereikt. Regels voor monniken die in het bos leven. Over de voordelen van eten vóór 12:00 uur en het nadeel van eten in de avond.[1]


 

M.61. (M.VII.1) Ambalatthika-Rāhulovāda sutta

        Te Rājagaha. Rāhula was zeven jaar. De Boeddha legde hem uit dat liegen, het bewust zeggen van de onwaarheid, niet goed is. Als men zich niet ervoor schaamt met opzet te liegen, dan is er geen kwaad dat men niet zou doen. De onwaarheid moet men niet zeggen, ook niet voor de grap. Verder onderwees de Boeddha dat Rahula eerst moest nadenken voordat hij iets verrichtte in daad, woord of gedachten. Hij moest overwegen of die actie heilzaam of onheilzaam was voor hemzelf en voor anderen. Onheilzame acties zou Rahula achterwege laten; heilzame acties zou hij uitvoeren. Iedereen die zijn acties in daad, woord en gedachten zuiverde, deed dat door erover na te denken.

M.62. (M.VII.2) Mahā Rāhulovāda sutta

        Te Savatthi. De Boeddha onderwees er Rahula die toen 18 jaar was. "Vorm is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. En evenzo gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn."

        De Eerwaarde Sariputta gaf toen verder de raad om oplettendheid te ontwikkelen bij het in- en uitademen. Als die ontplooid en ontwikkeld is, heeft ze grote verdiensten en is tot groot nut. Rahula ging 's avonds naar de Boeddha toe en vroeg nadere uitleg van wat de Eerwaarde Sariputta gezegd had. De Verhevene sprak toen over de vijf grote elementen: aarde, water, vuur, lucht en ruimte. Die elementen moest Rahula aldus beschouwen: „Dit is niet van mij; dat ben ik niet; dat is niet mijn zelf.“ Door zo te overwegen wordt de geest vrij van begeerte met betrekking tot die elementen. Rahula werd aangeraden meditatie te ontwikkelen over de elementen en ook over de goddelijke verblijven: liefdevolle vriendelijkheid, medeleven; medevreugde en gelijkmoedigheid. Dan zouden kwaadwil en wreedheid, afgunst en tegenstreven overwonnen worden. Verder gaf de Boeddha aan Rahula de raad om meditatie te beoefenen over niet-mooiheid (walgelijkheid); want daarmee wordt elke begeerte overwonnen. En ook meditatie over de waarneming van vergankelijkheid; daardoor wordt elke mening van „ik“ overwonnen. En ook gaf de Boeddha uitleg over de meditatie over de oplettendheid bij het in- en uitademen.

M.63. (M.VII.3) Cūla Mālunkya sutta

        Te Sāvatthi. De monnik Mālukya stopte op een middag met zijn meditatie, ging naar de Boeddha toe en stelde de klassieke vragen: “Is het universum eeuwig of niet; is de ziel hetzelfde als het lichaam of is de ziel het ene en het lichaam het andere; bestaat er leven na de dood of niet?”

        De Boeddha legt met de gelijkenis van de giftige pijl uit dat de praktijk van het heilige leven niet afhangt van deze vragen. Wat men er ook over denkt, dood, ziekte etc. blijven bestaan. De Boeddha onderwijst alleen dukkha, de oorzaak ervan, de opheffing ervan en de weg die naar de opheffing ervan leidt.

(Vergelijk ook M.72).

M.64. (M.VII.4) Mahā Mālunkya sutta

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er met de Eerwaarde Ananda over de vijf lagere boeien, namelijk persoonlijkheidsvisie, twijfel, vasthouden aan regels en rituelen, zintuiglijke begeerten, kwaadwil. De Boeddha onderwees hoe die lagere boeien overwonnen kunnen worden.

        Ook legde de Boeddha uit dat het verschil tussen de bevrijding van het hart en de bevrijding door wijsheid ligt in de vaardigheden.

M.64. (M.VII.4) De vijf lagere boeien

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er met de eerwaarde Ananda over de vijf lagere boeien,[2] namelijk persoonlijkheidsvisie, twijfel, vasthouden aan regels en rituelen, zintuiglijke begeerten, kwaadwil.

        Een niet onderwezen wereldling die geen acht slaat op de edelen en die in hun leer niet geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en die in hun leer niet geschoold is, die persoon vertoeft er met een hart dat door de visie van een persoonlijkheid bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan die ontstane persoonlijkheidsvisie ontkomt. En wanneer die persoonlijkheidsvisie tot een gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei.

        Hij vertoeft met een hart dat door twijfel bezeten en verslaafd is, en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane twijfel ontkomt. En wanneer die twijfel tot gewoonte is geworden en in hem niet ontworteld is, dan is zij een lagere boei.

        Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door het vasthouden aan regels en rituelen. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane vasthouden aan regels en rituelen ontkomt. Wanneer dat vasthouden aan regels en rituelen tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

         Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door zinsbegeerte. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane zinsbegeerte ontkomt. Wanneer die zinsbegeerte tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

        Hij vertoeft met een hart dat bezeten en verslaafd is door kwaadwil. En hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane kwaadwil ontkomt. Wanneer die kwaadwil tot een gewoonte is geworden, en in hem niet ontworteld is, dan is dat een lagere boei.

        Een goed onderwezen edele volgeling die acht slaat op de edelen en in hun leer geschoold is, die oprechte mensen acht en in hun leer geschoold is, die vertoeft niet met een hart dat door geloof in een persoonlijkheid bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane geloof in een persoonlijkheid ontkomt. Het geloof in persoonlijkheid is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

        Hij vertoeft niet met een hart dat door twijfel bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane twijfel ontkomt. De twijfel is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

        Hij vertoeft niet met een hart dat door vasthouden aan regels en rituelen bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan het ontstane vasthouden aan regels en rituelen ontkomt. Het vasthouden aan regels en rituelen is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

        Hij vertoeft niet met een hart dat door zinsbegeerte bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane zinsbegeerte ontkomt. De zinsbegeerte is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

        Hij vertoeft niet met een hart dat door kwaadwil bezeten en verslaafd is. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe men aan de ontstane kwaadwil ontkomt. De kwaadwil is in hem overwonnen samen met de eraan ten grondslag liggende neiging.

        Er is een pad, een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Zonder dat pad te begaan kan men de lagere boeien niet kennen of zien of overwinnen.

        Er is een pad, een weg naar het overwinnen van de vijf lagere boeien. Door dat pad te begaan is het mogelijk de vijf lagere boeien te kennen of te zien of te overwinnen.

        Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, maar als zijn geest niet daarin intreedt en geen vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een zwak iemand.

        Als men iemand de Dhamma onderwijst met als doel het ophouden van de persoonlijkheid, en als zijn geest daarin intreedt en vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid verkrijgt, dan is hij te beschouwen als een sterk iemand.

        Het pad, de weg naar de overwinning van de vijf lagere boeien is als volgt. Na het overwinnen van onheilzame toestanden van de geest treedt men binnen in de eerste jhana en men vertoeft erin.

        Wat er ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.[3]

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Verder treedt men binnen in de tweede jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Verder treedt men binnen in de derde jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Verder treedt men binnen in de vierde jhana en vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien

        Verder treedt men binnen in de vormloze sfeer van „ruimte is oneindig“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn,[4] men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Verder treedt men binnen in de sfeer van „oneindig is het bewustzijn“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Verder treedt men binnen in de sfeer van „er is niets“ en men vertoeft erin. Wat daarin ook bestaat aan vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn, men ziet deze toestanden als vergankelijk, als onvoldaan, als een ziekte, een gezwel, als een ongeluk, als lijden, als iets vreemds, als iets dat zich oplost, als leeg, als niet-zelf.

        Men wendt zijn geest van deze toestanden af en leidt hem naar het doodloze element aldus: 'Dit is vol vrede, dit is het hoogste, namelijk het tot stilstand komen van alle formaties, het loslaten van alle toeëigening, de vernietiging van alle verlangens, de ontzegging, het beëindigen, Nibbana.' Op deze basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die blijdschap over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ertoe voorbestemd is om spontaan (in de Zuivere Bereiken) weer te verschijnen en daar Nibbana te bereiken, zonder ooit van die wereld terug te keren. Dat is het pad naar de overwinning van de vijf lagere boeien.

        Hoe is het mogelijk dat men van enkele monniken zegt dat zij de bevrijding van het hart bereiken en van anderen dat zij de bevrijding door wijsheid bereiken?

        Het verschil ligt in de vaardigheden.[5]

 

M.65. (M.VII.5) Bhaddālī sutta

        Te Sāvatthi. De monnik Bhaddāli weigerde de regel op te volgen niet meer te eten na 12 uur ΄s middags. De Boeddha legde uit dat een monnik door het volgen van die regel niet wordt berispt door zijn leraar, medemonniken, devas en niet door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij een bovenmenselijke toestand, een helderheid van het weten. Hij kan de jhanas binnentreden en kan bovennatuurlijke krachten verkrijgen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt wat de neigingen zijn, de oorsprong ervan, het beëindigen ervan, de weg naar het beëindigen ervan. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

        Uitgelegd wordt ook waarom er vroeger minder regels van discipline waren en meer heiligen, en tegenwoordig meer regels van discipline en minder heiligen.

        Tien eigenschappen van een monnik waardoor hij een veld van verdienste is voor de wereld.

M.65. (M.VII.5) Over regels van discipline

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot de monniken over eenmaal eten per dag.

        “Monniken, ik eet slechts één keer per dag. Zo ben ik vrij van ziekte en onbehagen, en ik verheug me in gezondheid, sterkte en een licht leven. Ik vraag jullie ook maar eenmaal per dag te eten."

        De eerwaarde Bhaddali was niet bereid om slechts eenmaal per dag te eten. Hij vreesde dat hij dan zorgen en angst kreeg.

        De Boeddha zei dat Bhaddali dan moest eten waar hij uitgenodigd werd en een deel van het eten mee zou nemen. Op die manier zou hij voldoende kunnen eten.

        Ook daarmee ging Bhaddali niet akkoord. Nadat die regel[6] door de Verhevene was bekend gemaakt, verkondigde Bhaddali openlijk in de Sangha dat hij niet bereid was om aan die regel te voldoen. Drie maanden (in de regentijd) liet hij zich niet zien omdat hij zich niet aan die regel hield.

        Bij die gelegenheid was een aantal monniken bezig met het maken van een gewaad voor de Verhevene. Zij dachten daarbij dat de Verhevene aan het einde van de regentijd daarmee kon rondgaan.

        De eerwaarde Bhaddali ging naar die monniken toe, groette hen eerbiedig en ging naast hen zitten. Zij zeiden tot hem dat zij een gewaad voor de Boeddha gereed maakten zodat hij dat na de regentijd kon gebruiken. Zij vroegen hem voorzichtig te zijn met wat hij verkondigde opdat hij er later geen problemen mee kreeg.

        Bhaddali ging toen naar de Verhevene toe en bekende dat hij een fout tegen de regels gemaakt had omdat hij als een nar, verward, openlijk verkondigd had dat hij de regel van eenmaal eten per dag niet wilde aannemen. Bhaddali vroeg daarom vergiffenis. Hij wilde de eetregel nu wel aannemen.

        De Boeddha maakte toen op verschillende manieren duidelijk dat Bhaddali een grote fout had gemaakt. Hij vergaf hem zijn fout.

        En de Boeddha onderwees Bhaddali verder. „Een monnik volgt de oefening in de leer van de Leraar niet op. Hij gaat naar een afgezonderde plek, en wil er een bovenmenselijke toestand verwerkelijken, helderheid van het weten. Maar hij wordt berispt door zijn leraar, door zijn medemonniken, door devas en door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij geen enkele bovenmenselijke toestand, geen helderheid van het weten. En wel omdat hij de oefening in de leer van de leraar niet navolgt.

        Maar een monnik volgt de oefening in de leer van de Leraar wel op. Hij gaat naar een afgezonderde plek, en wil er een bovenmenselijke toestand verwerkelijken, helderheid van het weten. Hij wordt niet berispt door zijn leraar, niet door zijn medemonniken, niet door devas en niet door zichzelf. Daarom verwerkelijkt hij een bovenmenselijke toestand, een helderheid van het weten. En wel omdat hij de oefening in de leer van de leraar navolgt.

        Hij treedt binnen in de eerste, tweede, derde en vierde jhana en vertoeft erin. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

        Dan richt hij zijn geconcentreerde geest die gezuiverd is, smetteloos en helder, op het weten van de herinnering aan vroegere levens. Daarna richt hij zijn geest op het weten van dood en wedergeboorte van wezens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens sterven en weer verschijnen overeenkomstig hun wilsacties. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

        Dan richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt wat de neigingen zijn, de oorsprong ervan, het beëindigen ervan, de weg naar het beëindigen ervan. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

        Zijn geest is dan bevrijd van de neiging van de zintuigen, van de neiging tot worden en van de neiging van onwetendheid. Hij weet dat hij bevrijd is. Zijn taak is volbracht. En wel omdat hij de oefening in de leer van de Leraar opvolgt.

        De eerwaarde Bhaddāli vroeg toen waarom in het ene geval een bhikkhu vermaand wordt en in het andere geval niet.

        De Boeddha: "Er is een bhikkhu die veel fouten maakt. Als de medemonniken hem berispen, heeft hij uitvluchten, is toornig, heeft haat en is verbitterd. Hij gedraagt zich niet goed, is niet gedwee en wil niet zo handelen dat de Sangha tevreden is. Zijn geval wordt door de medemonniken langzaam besproken zodat het lang gaat duren.

        En er is een Bhikkhu die veel fouten maakt. Als de medemonniken hem berispen, heeft hij geen uitvluchten, is niet toornig, heeft geen haat en is niet verbitterd. Hij gedraagt zich goed, is gedwee en wil zo handelen dat de Sangha tevreden is.         

        Zijn geval wordt door de medemonniken besproken en snel bijgelegd.

        Er is een Bhikkhu die met een zekere maat aan vertrouwen en liefde vorderingen maakt. In dat geval overwegen de medemonniken aldus: 'Laten wij ervoor zorgen dat hij die zekere mate aan vertrouwen en liefde niet verliest. Laten wij hem niet steeds vermanen.'

        Om die redenen wordt in het ene geval iets ondernomen en in het andere geval niet."

        Bhaddali: "Eerwaarde Heer, waarom waren er vroeger minder regels van discipline en werden meer bhikkhus thuis in het uiteindelijke inzicht? Waarom zijn er tegenwoordig meer regels van discipline en worden minder bhikkhus thuis in het uiteindelijke inzicht?".

        De Boeddha: "Als de wezens slechter worden en de ware leer verdwijnt, dan zijn er meer regels van discipline, en minder bhikkhus worden thuis in het uiteindelijke inzicht. De leraar maakt de regel van discipline niet eerder bekend voordat bepaalde dingen die de basis voor neigingen zijn, hier in de Sangha openbaar worden. Hij maakt die regel van discipline dan bekend om die dingen die de basis zijn voor neigingen, af te weren.

        De dingen die de basis voor de neigingen zijn, worden niet eerder in de Sangha openbaar voordat de Sangha grootte, het hoogtepunt van wereldlijk gewin, het hoogtepunt van roem, het hoogtepunt van geleerdheid, het hoogtepunt van aanzien heeft bereikt. Wanneer de Sangha grootte, het hoogtepunt van wereldlijk gewin, het hoogtepunt van roem, het hoogtepunt van geleerdheid, het hoogtepunt van aanzien heeft bereikt, dan worden de dingen openbaar die de basis voor neigingen zijn; en dan maakt de leraar de regel van discipline voor zijn discipelen bekend om die dingen die de basis voor neigingen zijn, af te weren.

De gelijkenis van het jonge volbloed veulen.

        Stel een goede paardentemmer krijgt een goed volbloed veulen. Eerst went hij het veulen eraan het toom te dragen. Het veulen streeft dan tegen; maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling. Daarna wordt het veulen eraan gewend om het tuig te dragen. Ook daar streeft het eerst tegen; maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling. Daarna went de temmer het veulen eraan om stapvoets te gaan, in een kring te lopen, om te steigeren, te galopperen, voorwaarts te stormen. Hij went het aan de koninklijke eigenschappen, het koninklijke erfgoed, de hoogste snelheid, de hoogste tederheid. Bij al die dingen streeft het veulen eerst tegen, maar door steeds weer herhalen en gestage oefening wordt het vriendelijk bij iedere handeling.

        Wanneer het veulen vredig is geworden, wordt het door de temmer beloond; hij wrijft het af en aait het. Als het veulen bovenstaande eigenschappen heeft, dan is het een koning waardig, dan is het waard om in de dienst van een koning te staan.

        Evenzo, wanneer een bhikkhu tien eigenschappen heeft, dan is hij geschenken waard, dan is hij gastvrijheid waard, dan is hij een onovertrefbaar veld van verdienste voor de wereld. Die tien eigenschappen zijn: juiste visie van degene die niet meer onderwezen hoeft te worden [= van een arahant]; juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie, juist weten en juiste bevrijding van degene die niet meer onderwezen hoeft te worden.

        Met die eigenschappen is hij een veld van verdienste voor de wereld."

        De eerwaarde Bhaddāli was verheugd over de woorden van de Verhevene.

M.66. (M.VII.6) Latukikopama sutta

        Gelijkenis van de kwartel. Leerrede tot de monnik Udāyi m.b.t. het navolgen van regels en voorschriften. Wanneer de vijf krachten (balas), namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht, goed zijn ontwikkeld, kunnen ook strenge regels met gemak nagevolgd worden. Het is belangrijk alle boeien en elk hechten te overwinnen hoe onnozel ze ook lijken.

        Vier soorten personen: degene die het hechten niet verwijdert; degene die het hechten overwint; degene die af en toe nog aan iets hecht maar dat snel verwijdert; degene die het hechten helemaal vernietigd heeft.

        Het genot van de zintuigen is onedel. Dat moet men niet uitoefenen, moet men niet ontplooien; men moet er bang voor zijn. Het geluk van de jhanas moet men koesteren, ontplooien; men moet het oefenen, men moet er niet bang voor zijn.

M.66. (M.VII.6) Vier soorten personen

        In de stad Apana, in het land van de Anguttarapiers. Na de maaltijd ging de Verhevene in een park aan de voet van een boom neerzitten.

        De eerwaarde Udayin ging na het rondgaan voor aalmoezen met zijn maaltijd ook naar dat park en ging er aan de voet van een boom neerzitten. Terwijl hij alleen in meditatie vertoefde, kwam de volgende gedachte bij hem op: 'De Verhevene heeft veel pijnlijke toestanden van ons genomen. De Verhevene heeft ons veel heilzame toestanden gebracht.'

        's Avonds verhief de eerwaarde Udayin zich uit de meditatie, ging naar de Verhevene toe en vertelde hem welke gedachten bij hem waren ontstaan. “Vroeger aten wij 's avonds, 's morgens en overdag, buiten de juiste tijd. Toen maakte de Verhevene de regel niet meer te eten buiten de juiste tijd. Ik was toen van mijn stuk gebracht en bedroefd omdat gezinshoofden buiten de juiste tijd maaltijden gereed maken. Uit respect voor de Verhevene en uit angst om iets verkeerds te doen gaf ik toen het eten buiten de juiste tijd op.

        Eerwaarde Heer, soms gingen bhikkhus in donkere nacht rond voor aalmoezen. Zij liepen dan in een kuil met afval, in een afwaterkanaal, in een struik met dorens, of vielen over een slapende koe. Ze kwamen dieven tegen of werden door vrouwen seksueel verleid. Eens werd ik aangezien voor een demon. Eerwaarde Heer, toen ik mij dat herinnerde, dacht ik eraan hoeveel pijnlijke en onheilzame toestanden de Verhevene van ons genomen heeft en hoeveel heilzame toestanden de Verhevene ons gebracht heeft."

        De Boeddha: "Evenzo zijn er verkeerd geleide mensen die, wanneer ik hun zeg dat ze iets moeten opgeven, denken dat het maar een kleinigheid is, een onbetekenende zaak; dat ik te veel verlang. En zij geven dat niet op en zijn onhoffelijk jegens mij en ook jegens hun medemonniken die willen oefenen. Voor hen wordt die zaak een sterke strik, een zware last.

        Er zijn bepaalde mannen die, wanneer ik hun zeg dat zij iets moeten opgeven, zeggen dat het maar een kleinigheid is; en toch geven zij dat op en zij zijn niet onhoffelijk jegens mij noch jegens de monniken die willen oefenen. Nadat zij dat hebben opgegeven, leven zij onbezwaard, gelaten, leven van de gaven van anderen, met een hart, heel onbezorgd. Voor hen wordt die zaak een zwakke strik.

        Er zijn vier soorten van personen in de wereld, namelijk:

        1. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Hij laat ze toe, overwint ze niet, verwijdert en vernietigt ze niet. Zo'n persoon is geboeid.

        2. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Hij laat ze niet toe, overwint ze, verwijdert en vernietigt ze. Zo'n persoon is niet geboeid.

        3. Iemand gaat de weg naar het overwinnen van inbezitname, tot ontzegging van inbezitname. Wanneer hij die weg gaat, krijgt hij af en toe door leemten in de oplettendheid herinneringen en plannen die met inbezitname verbonden zijn. Zijn oplettendheid kan langzaam bij het ontstaan zijn, maar hij overwint de herinneringen en plannen snel, verwijdert en vernietigt ze. Ook zo'n persoon noem ik geboeid.

        4. Iemand ziet in dat inbezitname de wortel is van lijden, en hij ontdoet zich van inbezitname. Hij is met de vernietiging van inbezitname bevrijd.[7] Zo'n persoon noem ik ongeboeid.

        Er zijn vijf strengen van zinnelijk genot. Vormen die met het oog waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Geluiden die met het oor waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Geuren die met de neus waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Smaken die met de tong waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan. Aanrakingsobjecten die met het lichaam waarneembaar zijn, zijn gewenst, aangenaam en sympathiek. Ze zijn verbonden met zinnelijke begeerlijkheid en doen begeerte ontstaan.

        Dat zijn de vijf strengen van zinnelijk genot. Het geluk dat in afhankelijkheid van deze vijf strengen ontstaat, noemt men het geluk van het zinnelijk genot – een smerig, gewoonlijk en onedel geluk. Dat soort van geluk moet men niet beoefenen, moet men niet ontplooien; men moet er bang voor zijn.

        Afgescheiden van zinsgenot treedt een bhikkhu binnen in de eerste jhana. Hij vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid die uit afzondering is ontstaan. Dan treedt hij binnen in de tweede jhana. Hij vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid die uit concentratie is ontstaan. Dan treedt hij binnen in de derde jhana. Hij vertoeft erin. Dan treedt hij binnen in de vierde jhana en vertoeft erin.

        Dit noemt men de gelukzaligheid van ontzegging, van afzondering, van de Verlichting. Dit soort geluk moet men koesteren, ontplooien; men moet het oefenen, men moet er niet bang voor zijn.

        Een bhikkhu treedt binnen in de eerste jhana en vertoeft erin met verrukking en gelukzaligheid. Dit behoort tot beroering. De begin- en aanhoudende toewending van de geest die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, loswoelen behoort.

        Een bhikkhu treedt met het stillen van de begin- en aanhoudende toewending van de geest binnen in de tweede jhana en vertoeft erin. Dit behoort ook tot beroering, loswoelen. De verrukking en gelukzaligheid die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, het loswoelen behoort.

        Een bhikkhu treedt met het verbleken van de verrukking, in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust, vol lichamelijk beleefde gelukzaligheid, binnen in de derde jhana en vertoeft erin. Ook dit behoort tot beroering, loswoelen. De gelijkmoedigheid en de gelukzaligheid die daarin nog niet beëindigd zijn, dat is wat tot de beroering, het loswoelen behoort.

        Een bhikkhu treedt met het overwinnen van geluk en pijn en van vreugde en verdriet binnen in de vierde jhana en vertoeft erin. Dit behoort tot niet-beroering, niet loswoelen.[8]

        Het intreden in de eerste jhana is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de tweede jhana overtreft de eerste jhana, maar is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de derde jhana overtreft de tweede jhana, maar dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de vierde jhana overtreft de derde jhana, maar dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de vormloze sfeer van „ruimte is oneindig“ overtreft de vierde jhana. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de sfeer van „bewustzijn is oneindig“ overtreft de sfeer van oneindige ruimte. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de sfeer van „er is niets“ overtreft de sfeer van oneindig bewustzijn. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overtreft de sfeer van niets is er. Maar ook dat is niet genoeg. Men moet dat overwinnen, overtreffen.

        Het intreden in de sfeer van beëindiging van waarneming en gevoel[9] overtreft de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming.

        Udāyin, zie jij ergens een boei, klein of groot, over de overwinning ervan ik niet spreek?" - "Neen, Heer."

        De eerwaarde Udayin was verheugd over de woorden van de Verhevene.

M.67. (M.VII.7) Cātumā sutta

        Te Cātuma. Leerrede tot de discipelen van de eerwaarden Sariputta en Mahā Moggallāna. Die discipelen (500) maakten veel lawaai. De Verhevene weigerde daarom eerst hen toe te spreken. Maar later onderwees hij hun over de gevaren in een leven als monnik, zoals kwaadwil jegens degenen die hen onderrichten en leiden; ontevredenheid met oefenregels zoals het gebruik van maaltijden of omgang met vrouwen; en zintuiglijke genietingen. En daarom uit de Orde treden.

M.68. (M.VII.8) Nalakapāna sutta

        

        Te Nalakapāna in het land Kosala. Veel welbekende mannen uit goede familie waren uit vertrouwen in de Orde ingetreden, o.a. de eerwaarden Anuruddha, Nandiya, Kimbila, Bhagu, Kundadhāna, Revata en Ānanda. De Boeddha vroeg of zij zich verheugden in het heilige leven. Deze vraag werd door de eerwaarde Anuruddha bevestigend beantwoord.

        De Boeddha: "Het is goed dat jullie vreugde vinden in het heilige leven. Jullie zijn nog jong, in de bloei van jullie leven. Jullie hadden de genietingen van de zintuigen kunnen navolgen. Jullie werden niet gedwongen om in de Orde in te treden. Maar uit vertrouwen om aan het lijden een einde te maken, daarom zijn jullie ingetreden."

        De eerwaarde Anuruddha bevestigde dit.

        De Boeddha: "Wat moet door jullie gedaan worden? Zolang men de vervoering en gelukzaligheid die van zinsgenoegens afgescheiden zijn, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, nog niet bereikt heeft, of iets nog vrediger dan dat, zolang dringt hebzucht in de geest binnen en blijft daar. Ook kwaadwil, traagheid en matheid, rusteloosheid en gewetensonrust, twijfel, ontevredenheid, lusteloosheid dringen binnen en blijven daar.

        Maar wanneer men de vervoering en gelukzaligheid die van de zinsgenoegens afgescheiden zijn, verkregen heeft, of iets nog vrediger dan dat, dan dringen hebzucht en de andere smetten van de geest niet binnen en blijven er niet.

        De Tathagata heeft de neigingen overwonnen, heeft ze met wortel en al vernietigd. Hij spreekt over de bestemmingen van gestorven personen (monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen), niet om lof en bewondering te krijgen, maar om enthousiasme en vertrouwen op te wekken bij zijn volgelingen. Dat strekt lang tot hun heil en geluk."

M.69. (M.VII.9) Gulissāni sutta

        Te Rājagaha. Leerrede door de eerwaarde Sāriputta tot de monnik Gulissāni (Goliyāni) over 18 dhammas die een in het bos levende monnik moet navolgen.

M.69 (M.VII.9) Wat een in het bos levende monnik moet navolgen

        Te Rājagaha. Gulissāni was een bos-monnik met geen goed gedrag die om bepaalde redenen naar het klooster was gekomen. Met betrekking tot hem sprak de Eerwaarde Sāriputta een leerrede tot de monniken over 18 dhammas die een in het bos levende monnik moet navolgen.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij vol respect en eerbied zijn tegenover zijn medemonniken. Als hij dat niet doet, kan men van hem zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij zich op passende manier gedragen wat zitgelegenheden betreft. Hij moet zo gaan zitten dat hij oudere monniken niet lastig valt en dat hij nieuwe monniken de zitplaats niet weigert. Als hij dat niet doet, kan men van hem zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt, omdat hij niet weet wat tot een goede omgang behoort.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet te vroeg naar het dorp gaan of laat overdag terugkeren. Als hij dat wel doet, kan men van hem zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

         Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet vóór de maaltijd of na de maaltijd naar gezinnen gaan. Als hij dat wel doet, kan men van hem zeggen dat hij in het bos zich eraan gewend heeft om op de verkeerde tijd naar gezinnen te gaan.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet hoogmoedig en ijdel zijn. Is hij dat wel, kan men van hem zeggen dat hij in het bos over het algemeen hoogmoedig en ijdel zal zijn. Daarom moet een bos-monnik niet hoogmoedig en ijdel zijn.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij niet kletsen en niet veel praten. Doet hij dat toch, dan kan men van hem zeggen dat hij in het bos niet veel bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

        Wanneer een bos-monnik naar de Sangha komt en er vertoeft, moet hij gemakkelijk te verbeteren zijn en met goede vrienden omgaan. Als hij moeilijk te verbeteren is en met slechte vrienden omgang heeft, kan men van hem zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij zich zo gedraagt.

         Een bos-monnik moet de deuren van de zintuigen beschermen.

        Een bos-monnik moet matig zijn bij het eten.

        Een bos-monnik moet zich wijden aan waakzaamheid.

        Een bos-monnik moet energiek zijn en niet lui.

        Een bos-monnik moet in de waakzaamheid verankerd zijn. Hij moet niet onoplettend zijn.

        Een bos-monnik moet geconcentreerd zijn.

        Een bos-monnik moet wijs zijn.

        Doet hij dat alles niet dan kan men van hem zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij zich gedraagt zoals het hem uitkomt.

        Een bos-monnik moet zich wijden aan de hogere Dhamma en de hogere discipline. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, zal men zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft.

        Een bos-monnik moet zich wijden aan die meditatieve verdiepingen die vol vrede en vormloos zijn en die vormen transcenderen. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, kan men zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft.

        Een bos-monnik moet zich wijden aan de bovenmenselijke toestanden. Want er kunnen vragen over gesteld worden. Als hij dan geen bevredigend antwoord kan geven, kan men zeggen dat hij in het bos niets bereikt heeft omdat hij het doel van het huisloze leven niet kent.

        Na deze woorden vroeg de eerwaarde Maha Moggallana aan de eerwaarde Sariputta of dat alles alleen voor een bos-monnik gold of ook voor een stadsmonnik.

        De eerwaarde Sariputta zei dat deze dingen zowel door een bos-monnik als voor een stadsmonnik uitgeoefend moeten worden.

M.70. (M.VII.10) Kītāgiri sutta

        In de marktplaats Kītāgiri. Over de voordelen van eten vóór 12:00 uur en het nadeel van eten in de avond. De Boeddha spreekt er over de zevenvoudige indeling van de edele volgelingen: iemand die op twee manieren bevrijd is; iemand die door wijsheid bevrijd is; iemand die rijp is in visie; een lichaamsgetuige; iemand die door vertrouwen bevrijd is; iemand die de Dhamma toegedaan is; iemand die vol vertrouwen is. Hij spreekt ook over het gedrag dat door de monniken moet worden gevolgd.

M.70. (M.VII.10) Onderricht aan de monniken. Zeven soorten personen

        In het land Kasi. De Verhevene liep er rond met een grote groep monniken. Hij onderwees hen aldus.

        "Monniken, ik onthoud me ervan 's nachts te eten. Jullie moeten jullie ook onthouden van 's nachts te eten. Dan zullen jullie vrij zijn van ziekte en onbehagen; jullie zullen dan gezondheid, kracht en een licht leven hebben."

        In etappen kwam de Verhevene aan bij de stad Kitagiri. De bhikkhus met naam Assaji en Punabbasuka waren daar. Een groepje bhikkhus ging naar hen toe en zeiden dat zij zich voortaan onthielden van 's nachts te eten. Zij gaven aan de twee bhikkhus de raad zich eveneens ervan te onthouden 's nachts te eten.

        Maar de bhikkhus Assaji en Punabbasuka zeiden dat zij 's avonds, 's morgens en overdag aten, buiten de juiste tijd. Zo bleven zij vrij van ziekte en leed en genoten gezondheid, kracht en een licht leven. Waarom zouden zij dat eetgedrag opgeven?

        De bhikkhus gingen toen naar de Verhevene en vertelden hem dat zij er niet in geslaagd waren de twee bhikkhus Assaji en Punabbasuka te overtuigen.

        De Verhevene liet toen die twee monniken bij zich komen. En hij vroeg hun of het waar was dat zij het eten buiten de juiste tijd niet opgaven. De twee monniken bevestigden het.

        De Boeddha: "Als iemand een bepaald soort aangenaam gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort aangenaam gevoel op te geven.

        Als iemand een bepaald soort aangenaam gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort aangenaam gevoel in te treden en erin te vertoeven.        

        Als iemand een bepaald soort pijnlijk gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort pijnlijk gevoel op te geven.

        Als iemand een bepaald soort pijnlijk gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort pijnlijk gevoel in te treden en erin te vertoeven.        

        Als iemand een bepaald soort neutraal gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen toe en heilzame toestanden in hem nemen af, dan raad ik aan zo'n soort neutraal gevoel op te geven.

        Als iemand een bepaald soort neutraal gevoel ondervindt en onheilzame toestanden in hem nemen af en heilzame toestanden in hem nemen toe, dan raad ik aan in zo'n soort neutraal gevoel in te treden en erin te vertoeven.[10]        

        Bhikkhus, er zijn bhikkhus die ijverig, met overleg gedaan hebben wat gedaan moet worden; en er zijn bhikkhus die nog niet gedaan hebben wat gedaan moet worden.

        De bhikkhus die Arahants zijn, die de neigingen vernietigd hebben, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die het ware doel hebben bereikt, die de boeien van het worden vernietigd hebben en door inzicht volledig bevrijd zijn, zij hebben hun werk ijverig, met overleg vervuld. Zij zijn niet meer in staat om nalatig te zijn.

        De bhikkhus die in de hogere opleiding staan, wier geest het doel nog niet heeft bereikt, en die nog streven naar de hoogste zekerheid voor het geboeid zijn, zij hebben nog werk te vervullen, ijverig, met overleg. En wel om de volgende redenen. Wanneer die eerwaarden gebruik maken van passende ligplaatsen en omgang hebben met goede spirituele vrienden (kalyāṇamitta), en hun spirituele vermogens in evenwicht houden, dan kunnen zij door eigen ervaring met hogere geestelijke kracht intreden in het hoogste doel van het heilige leven, en daarin vertoeven.

        Monniken, er zijn zeven soorten van personen in de wereld,[11] namelijk:

  1. iemand die op beide soorten bevrijd is;
  2. iemand die door wijsheid bevrijd is;
  3. iemand die rijp is in visie; [die visie zal bereiken]
  4. een lichaamsgetuige;
  5. iemand die door vertrouwen bevrijd is;
  6. iemand die de Dhamma toegewijd is;         
  7. iemand die vol vertrouwen is.

        

        (1) Iemand die op beide soorten bevrijd is, is degene die met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en die daarin vertoeft; zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Hij heeft de taak volbracht.

(2) Iemand die door wijsheid bevrijd is, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en die vormen transcenderen, en hij vertoeft er niet in. Maar zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Hij heeft zijn taak volbracht.[12]

        (3) De lichaamsgetuige is degene die met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en erin vertoeft, en enkele van zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet. - Deze persoon moet nog werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

        (4) Iemand die rijp is in visie is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn [de vormloze jhanas] en die vorm transcenderen, en er niet in vertoeft, maar enige neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; en de leringen die door de Tathagata verkondigd zijn, worden door hem met wijsheid volledig ingezien en doordrongen. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

        (5) Iemand die door vertrouwen bevrijd is, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en hij vertoeft er niet in; maar enige van zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet, en hij heeft zijn vertrouwen in de Tathagata gesteld welk vertrouwen in hem geworteld en verankerd is. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.[13]

        (6) Iemand die de Dhamma volgt, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en er niet in vertoeft, en zijn neigingen zijn nog niet vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; maar met wijsheid heeft hij de leringen die door de Tathagata verkondigd zijn, reflectief voldoende aangenomen. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

        (7) Iemand die vertrouwen volgt, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en er niet in vertoeft, en zijn neigingen zijn nog niet vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; maar hij heeft voldoende vertrouwen in de Tathagata, voldoende liefde voor de Tathagata. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. - Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.[14]

        Monniken, uiteindelijk inzicht wordt niet ineens verkregen. Integendeel, uiteindelijk inzicht wordt door trapsgewijze oefening, door stapsgewijze praktijk, door stapsgewijze vorderingen verkregen. En wel aldus:

        Iemand die vertrouwen heeft (in een leraar), zoekt hem op, bewijst hem eer, luistert oplettend, verneemt de Dhamma, onthoudt de Dhamma; hij onderzoekt de betekenis ervan, neemt die leringen reflectief aan; vlijt komt in hem op, hij gebruikt zijn wil; onderzoekt de Dhamma, hij spant zich in; wanneer hij zich vastbesloten inspant, verwerkelijkt hij met het lichaam[15] de uiteindelijke waarheid en ziet ze waarbij hij ze met wijsheid doordringt.

        [Dan richt de Boeddha zich weer direct tot de de twee Bhikkhus Assaji en Punabbasuka].

        

        "Dat alles was er [bij jullie] niet, Bhikkhus, jullie hebben de weg verloren, zijn op de verkeerde weg.

        Er is een vierdelige uitspraak, en wanneer ze gereciteerd wordt, kan een wijze ze vlug begrijpen.

        Een volgeling vol vertrouwen moet zich aldus gedragen: De Verhevene is de leraar, ik ben een leerling; de Verhevene weet, ik weet niet. De leer van de leraar is voedzaam en verfrissend. Al blijft van mij alleen nog mijn huid, pezen en beenderen over, en drogen vlees en bloed in mijn lichaam op, mijn energie zal niet minder worden zolang ik nog niet bereikt heb wat met mannelijke energie en vasthoudendheid bereikt kan worden. Door een volgeling met vertrouwen kan een van twee vruchten verwacht worden: ofwel uiteindelijk inzicht hier en nu, of, wanneer nog een rest van hechten over is, niet-wederkeer."

        De bhikkhus verheugden zich over de woorden van de Verhevene.

M.VIII. Paribbājaka-vagga (M.71-80) (M.VIII. 1-10)

        

M.71 (MN.VIII.1)

M.72 (MN.VIII.2)

M.73 (MN.VIII.3)

M.74 (MN.VIII.4)

M.75 (MN.VIII.5)

M.76 (MN.VIII.6)

M.77 (MN.VIII.7)

M.78 (MN.VIII.8)

M.79 (MN.VIII.9)

M.80 (MN.VIII.10)

        De Boeddha is volmaakt in drie soorten kennis, namelijk de kennis van het verleden, de kennis van goddelijk zien en de kennis van bevrijding. Over het gedrag van lekenvolgelingen en monniken. Over goede en slechte daden. Contemplatie over het lichaam en contemplatie over gevoel. Over het opgeven van zinnelijke verlangens. Weerlegging van de verkeerde meningen dat er geen bestaan is na de dood, dat er geen resultaat is van goede en slechte daden, dat er geen oorzakelijk ontstaan is, en dat er alleen aggregaten van zeven elementen zijn. De ware oorzaak van de eerbied die aan de Boeddha door zijn volgelingen gebracht werd. Alleen het edele achtvoudige pad leidt naar juist inzicht en juiste bevrijding. Geluk ontsproten uit geestelijke niveaus is hoger dan geluk verkregen door zintuiglijke genietingen.[16]


M.71. (M.VIII.1) Tevijja-Vacchagotta sutta

        Te Savatthi. De Boeddha brengt een bezoek aan de dolende asceet Vacchagotta. De asceet zegt aan de Boeddha dat men beweert dat deze alwetend en alziend is. Hij vraagt of dat waar is. De Boeddha antwoordt dat dit niet waar is.[17] Maar de Verhevene heeft wel het drievoudige weten (tevijja). Hij kan met het hemelse oog zien waar wezens sterven en weer geboren worden in overeenstemming met hun daden. En hij kan door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht intreden in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij van neigingen is, en hij kan erin verblijven.

M.72. (M.VIII.2) Aggi-Vacchagotta sutta

        Te Sāvatthi. De Boeddha spreekt weer met Vacchagotta, deze keer over het gevaar van theorieën opstellen over de wereld en over atta, een zelf. Met de gelijkenis van een uitgedoofd vuur probeert de Boeddha de bestemming uit te leggen van een volmaakte heilige.

        De volmaakte heilige identificeert zich niet met de vijf khandhas en kan ook niet ermee geïdentificeerd worden. Hij is onvindbaar geworden. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, daarmee identificeert de volmaakte heilige zich niet meer.

M.72. (M.VIII.2) Vragen van Vacchagotta

        

         Te Sāvatthi. De asceet Vacchagotta gaat naar de Boeddha en stelt vragen: is de wereld eeuwig of niet; is ziel en lichaam hetzelfde of is de ziel het ene en het lichaam iets anders; bestaat de Boeddha na de dood of niet. De Boeddha zegt dat die vragen niet naar Nibbana leiden.[18] Speculatieve visies zijn door de Verhevene opgegeven. Hij weet de oorsprong en het verdwijnen van vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn. Met de vernietiging, het opheffen van de mening “ik ben” is de Tathagata door niet-hechten bevrijd.

        Met een gelijkenis van een uitgedoofd vuur legt de Boeddha de toestand uit van iemand die bevrijd is.

        De speculatieve mening is door de Verhevene verwijderd. Want de Verhevene heeft gezien: Zo is vorm, de oorsprong ervan en het verdwijnen ervan. Evenzo met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Met de vernietiging, het opgeven van alle voorstellingen, van alle ik-maken, en de eraan ten grondslag liggende neiging van ik-waan, is de Verhevene door niet-hechten bevrijd.

        Vraag: Waar verschijnt de bevrijde dan weer?

        Antwoord: De uitdrukking weer verschijnen is niet passend. Stel dat een vuur brandt. Dan weet je: het vuur brandt. Het vuur brandt in afhankelijkheid van gras en twijgen. Als het vuur uitdooft, dan weet je: dit vuur is uitgedoofd. Als iemand vraagt in welke richting het vuur gegaan is, naar het oosten, westen, noorden of zuiden, dan luidt het antwoord: het vuur brandde in afhankelijkheid van de brandstof van gras en twijgen. Als er geen brandstof meer is, dan dooft het vuur.

        Juist zo is de Verhevene van elk begrip van vorm bevrijd. Op gelijke manier met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn.[19]

        De asceet Vacchagotta werd een lekenvolgeling van de Boeddha.

M.73. (M.VIII.3) Mahā Vacchagotta sutta

        Te Rājagaha. De Boeddha spreekt deze keer met Vacchagotta over het heilzame en het onheilzame. Begeerte, haat, onwetendheid zijn onheilzaam; niet-begeerte, niet-haat en inzicht zijn heilzaam. Doden, stelen, verkeerd gedrag bij zintuiglijk genot, liegen, lasteren, kwaadspreken, ruwe, barse taal, kletsen, hebzucht, verkeerde meningen zijn onheilzaam. Het tegengestelde ervan is heilzaam.

        Wanneer begeerte overwonnen is, aan de wortel afgesneden zodat ze niet meer kan ontstaan, geheel en al vernietigd, dan is men een arahant geworden, met de neigingen vernietigd.

        De Boeddha legt dan uit dat er heel veel volgelingen van hem zijn die de niveaus van heiligheid bereikt hebben, zowel monniken en nonnen als ook mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen.

        Vacchagotta werd in de Orde opgenomen. De Boeddha gaf hem de raad twee dingen te ontwikkelen: rust en inzicht. Hij kon dan de bovennatuurlijke krachten beheersen. Na niet lange tijd bereikte Vacchagotta arahantschap.

        

M.74. (M.VIII.4) Dīghanakha sutta

        Te Rājagaha, op de Gierepiek, in de Sūkarakhata grot. De Boeddha gaf er een leerrede tot de dolende asceet Dīghanakha welke een neef was van de eerwaarde Sāriputta. Als er een meningsverschil is, kan er ruzie ontstaan; en daaruit ontstaat frustratie. Daarom moet men eigen visies overwinnen.

        De Verhevene onderwees verder dat het lichaam samengesteld is uit de vier grote elementen, dat het ontstaan is, vergankelijk is, dat het aan verval onderhevig is. Het moet als een gezwel, als leeg, als niet-zelf beschouwd worden. Zo overwint men de begeerte naar het lichaam.

        Er zijn drie soorten van gevoel, aangenaam, onaangenaam en neutraal gevoel. Elke soort van gevoel is vergankelijk, oorzakelijk ontstaan, aan vernietiging en verdwijnen onderhevig.

        Wanneer een goed onderwezen discipel dat zo ziet, wordt hij ontnuchterd tegenover elk soort van gevoel. Hij wordt dan begeerteloos. Zijn geest is bevrijd. En hij weet dat het heilige leven geleefd is, dat gedaan is wat gedaan moest worden.

        Iemand wiens geest zo bevrijd is, verbindt zich met niemand en maakt geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan.

        De eerwaarde Sāriputta, Dīghanakhas oom, was pas 15 dagen ervoor in de Orde opgenomen. Hij stond achter de Boeddha en wuifde hem met een waaier koelte toe. Hij volgde de toespraak en bereikte vanaf het eerste niveau van heiligheid dat hij al bereikt had, de volledige heiligheid met de viervoudige analytische kennis.

        Op het einde van de toespraak bereikte de asceet Dīghanakha het eerste niveau van heiligheid, stroomintrede. Hij prees de Boeddha en werd een lekenvolgeling.

M.75. (M.VIII.5) Māgandiya sutta

        Te Kammāsadhamma, een marktplaats in het land Kuru. De Verhevene gaf aan Māgandiya, een dolende asceet, de raad de zintuigen te beheersen en de zinnelijke gedachten. Hij vertelde de asceet hoe hij de weelderige paleizen had opgegeven en het geluk vond in de volmaakte heiligheid, welk geluk veel hoger is dan dat van zintuiglijk genot. De asceet gaf zijn verkeerde meningen op en werd een volgeling van de Boeddha.

M.75. (M.VIII.5) Māgandiya sutta. Over zintuiglijk genot

        

        Te Kammāsadhamma, in het land Kuru. Māgandiya, een dolende asceet, zei dat de Boeddha een vernietiger van groei was. De Boeddha zei aan de asceet dat het oog zich verheugt over vormen, dat het oor zich verheugt over geluiden, dat de neus zich verheugt over geuren, dat de tong zich verheugt over smaken, dat het lichaam zich verheugt over aanrakingsobjecten, dat de geest zich verheugt in objecten van de geest. Die zintuigen zijn door de Tathāgata getemd en beheerst. Hij onderwijst hoe men ze kan beheersen. Hij vroeg of de asceet dat bedoelde toen hij zei dat de Boeddha een verwoester van groei is.

        De asceet: "Ja, heer Gotama, omdat het zo in onze geschriften staat."

        De Boeddha: "Vroeger heeft iemand zich vergenoegd met vormen die door het oog zichtbaar zijn en die aangenaam zijn, die verbonden zijn met zinsgenot en die begeerte opwekken. Later ziet hij de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan de vormen. Hij kan de begeerte naar vormen overwinnen en zonder verlangen vertoeven met een geest die innerlijke vrede heeft. - Wat zou je tot hem zeggen, Magandiya?" - "Niets, meester Gotama."

        "Vroeger heeft iemand zich vergenoegd met geluiden, met geuren, met smaken, met aanrakingsobjecten, met geestobjecten, die respectievelijk met het oor, met de neus, met de tong, met het lichaam en met de geest waarneembaar zijn en die aangenaam zijn, die verbonden zijn met zinsgenot en die begeerte opwekken. Later ziet hij de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan de geluiden, geuren, smaken, aanrakingsobjecten, geestobjecten. Hij kan de begeerte daarnaar overwinnen en zonder verlangen vertoeven met een geest die innerlijke vrede heeft. - Wat zou je tot hem zeggen, Magandiya?" - "Niets, meester Gotama."

        "Māgandiya, vroeger leefde ik thuis en vergenoegde mij met de vijf strengen van zintuiglijk genot, met vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingsobjecten. Ik had drie paleizen, een voor de regentijd, een voor de winter en een voor de zomer. Later zag ik de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging, het gevaar en het ontkomen aan zinsgenot. Ik overwon en verwijderde de begeerte naar zinsgenot en ik vertoefde zonder verlangen met een geest die innerlijke vrede had.

        Ik zie andere wezens die niet vrij van zinsbegeerte zijn, die door begeerte naar zinsgenot verteerd worden. En ik benijd hen niet. Ook verheug ik me er niet over. En wel omdat er een vreugde is afgezonderd van zinsgenot, afgezonderd van onheilzame geestestoestanden. Die vreugde overtreft hemelse gelukzaligheid. Vanwege die vreugde benijd ik niet wat minder is; en ik vermaak mij er ook niet aan."

        De Verhevene gaf hem de raad zijn zintuigen te beheersen en zijn zinnelijke gedachten. Hij vertelde de asceet hoe hij de weelderige paleizen had opgegeven en het geluk vond in de volmaakte heiligheid, welke geluk veel hoger was dan dat van zintuiglijk genot.

        De Boeddha zei verder: "Het grootste goed is de gezondheid; Nibbana is het grootste geluk; het beste pad is het achtvoudige dat zeker naar het Doodloze leidt."

        De asceet Māgandiya had vertrouwen in de Boeddha, trad in de Orde in en na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.

M.76. (M.VIII.6) Sandaka sutta

        Te Kosambī. Ānanda onderwees er de dolende asceet Sandaka en diens volgelingen. Ānanda weerlegde de verkeerde meningen dat er geen resultaat was van goede en slechte daden, dat er geen bestaan was na de dood, dat vader en moeder niet geëerd moeten worden, dat er geen goddelijke wezens zijn, dat er geen goede en deugdzame monniken en brahmanen zijn die deze wereld en de andere wereld uit eigen ervaring kunnen uitleggen, dat een persoon uit de vier grote elementen bestaat en dat die elementen na de dood terugkeren en dat niets overblijft, dat vrijgevigheid alleen geklets is, dat er geen oorzakelijk ontstaan is, dat alles gevormd is door het lot, dat er zeven lichamen zijn die niet geschapen zijn en die onveranderlijk zijn, dat de ronde van wedergeboorte begrensd is, dat ze niet veranderd kan worden. Die verkeerde meningen ontkennen het leiden van het heilige leven zoals onderwezen door de Boeddha.

        Daarna onderwees de eerwaarde Ananda de asceet in de leer van de Boeddha, van het intreden in de Orde tot aan de volmaakte heiligheid. Sandaka en zijn volgelingen gaven hun verkeerde meningen op en werden volgelingen van de Boeddha.

M.77. (M.VIII.7) Mahāsakuludāyi sutta

        

        Over de vijf redenen waarom de Boeddha geëerd moet worden.[20]

M.77. (M.VIII.7) Deugden op grond waarvan de Boeddha geëerd wordt

        Te Rājagaha. De Verhevene bracht er de regentijd door in een bos en meerdere asceten brachten er de regentijd door in een park. 's Morgens ging de Boeddha op weg naar Rajagaha, maar hij vond het nog te vroeg. Daarom bezocht hij de asceten in het park. De asceet Sakuludāyīn zat er met een grote groep asceten die luid zinloze gesprekken voerden o.a. over koningen, eten, familieleden, vrouwen, steden en dorpen, het ontstaan van de wereld. De asceet zag de Boeddha in de verte aankomen en hij maande zijn volgelingen stil te zijn omdat de Boeddha graag stilte had. Misschien zou hij dan wel een aanhanger van de asceet Sakuludāyīn worden. De Verhevene ging naar de asceet toe die hem uitnodigde te gaan zitten op een gereedgemaakte zitplaats. De Verhevene vroeg waarover zij zoal praatten. De asceet zei dat het een winst was voor de mensen uit Anga en Magadha dat zoveel bekende en beroemde sektenleiders die door velen als heiligen beschouwd werden, naar Rajagaha gekomen waren om er de regentijd door te brengen. Hij vroeg wie van hen door zijn volgelingen geëerd en gerespecteerd werd en hoe zij leven in afhankelijkheid van hun leraar.

        De asceet zei verder dat de volgelingen van andere sekteleiders luid praatten en hun leiders bekritiseerden en onderling ruzie maakten. Maar de volgelingen van de Boeddha luisterden in stilte naar de leraar. Zij eerden en respecteerden hem. En ook degenen die uit de Orde uittraden en weer leek werden, eerden en respecteerden de Boeddha, Dhamma en Sangha.

        Op de vraag van de Boeddha hoeveel deugden de asceet in hem zag, zei deze dat hij vijf deugden zag en wel: (1) De Verhevene eet weinig en beveelt weinig eten aan. (2) De Verhevene is tevreden met elke soort van gewaad en beveelt aan met elke soort van gewaad tevreden te zijn. (3) De Verhevene is tevreden met elke soort van maaltijd en hij beveelt aan met elke soort van maaltijd tevreden te zijn. (4) De Verhevene is tevreden met elke soort van slaapplaats en beveelt aan met elke soort van slaapplaats tevreden te zijn. (5) De Verhevene leeft in afzondering en beveelt aan in afzondering te leven.

        Op grond van deze deugden eren en respecteren zijn discipelen hem en leven zij in afhankelijkheid van hem.

        De Boeddha verwerpt Udāyī’s opsomming. Maar er zijn vijf andere deugden op grond waarvan zijn discipelen hem eren en respecteren en wel:

        "De Verhevene wordt door zijn volgelingen geëerd vanwege zijn hogere deugdzaamheid. Zij hoogachten zijn voortreffelijke weten en schouwen; hij weet waarachtig en ziet waarachtig. Hij onderwijst de Dhamma door hogere geestelijke kracht, met vaste basis, op een overtuigende manier. De Verhevene wordt geëerd vanwege zijn hogere wijsheid. Hij kan met argumenten de leerstellingen van anderen weerleggen. Zijn volgelingen vragen hem over de edele waarheid van dukkha. Die waarheid wordt dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders. Zij vragen ook over de edele waarheid van de oorsprong van dukkha. Zij vragen ook over de edele waarheid van het ophouden van dukkha. En zij vragen over de edele waarheid van de weg die naar het ophouden van dukkha leidt. Die waarheden worden dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg onderwezen tot ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik hun de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier juiste inspanningen, namelijk zich inspannen om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; zich inspannen om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; en zich inspannen om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier krachten, namelijk concentratie van de wil, concentratie van energie, concentratie van bewustzijn, van het gemoed, en concentratie van onderzoek. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke vaardigheden, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht. Deze vaardigheden leiden naar vrede, naar Verlichting. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke krachten, namelijk de geestelijke krachten van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Deze geestelijke krachten leiden naar vrede, naar Verlichting. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de zeven factoren van Verlichting, namelijk oplettendheid (sati); het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya); energie (viriya); enthousiasme, geestvervoering, extase (pīti); kalmte (passaddhi); concentratie (samādhi); en gelijkmoedigheid (upekkha). Deze zeven factoren worden bevorderd door onthechten en leiden naar Nibbāna. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht bevrijdingen. Van vorm vervuld ziet men vormen. Inwendig ziet men geen vorm, uitwendig ziet men vorm. Men is vastbesloten tot het schone. Met volledige overwinning van de waarneming van vorm, met het verdwijnen van de waarneming van uitwerking van de zintuigen, treedt men in het gebied van "ruimte is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "bewustzijn is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "er is niets". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van het beëindigen van waarneming en gevoel. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht overwinningsgebieden.

        1. Inwendig neemt men vorm waar en men ziet uitwendig vormen die begrensd zijn, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        2. Terwijl men innerlijk vorm waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        3. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, begrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        4. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        5. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, blauw, met een blauwe kleur, met een blauw uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        6. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, geel, met een gele kleur, met een geel uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        7. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, rood, met een rode kleur, met een rood uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        8. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, wit, met een witte kleur, met een wit uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."

        Door deze overwinningsgebieden bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de tien kasina-fundamenten.[21] De een neemt het aarde-kasina waar, boven zich, onder zich en overal, ongedeeld en onbegrensd. Een ander neemt het water-kasina waar, of het vuur-kasina, of het wind-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Iemand anders neemt het blauw-kasina waar of het geel-kasina of het rood-kasina, of het wit-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Weer iemand anders neemt het ruimte-kasina waar of het bewustzijn-kasina, ongedeeld en onbegrensd. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

        

        Verder heb ik mijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).

        1. Volledig afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in de eerste jhana. Ze gaat samen met beginconcentratie van de geest en met aanhoudende concentratie ervan, gaat samen met vervoering en zaligheid welke uit de afgescheidenheid is ontstaan. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet door deze vervoering en zaligheid doordrongen is.

        2. Door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest (naar het meditatie-object) treedt iemand binnen in de tweede jhana. Ze bevat innerlijke kalmte en geestelijke eenwording. En men vertoeft erin met vervoering en zaligheid. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet erdoor doordrongen is.

        3. Met het afnemen van vervoering vertoeft men in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En men treedt binnen in de derde jhana die vol lichamelijk ondervonden zaligheid is. Hiervan zeggen de heiligen: 'Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en vol oplettendheid is.' En men verblijft in die derde meditatieve verdieping. Men laat de zaligheid die vrij van vervoering is, het hele lichaam doordringen zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door de gelukzaligheid die vrij van vervoering is.

        4. Met het overwinnen van geluk en pijn, en door het al eerder verdwijnen van vreugde en verdriet, treedt men binnen in de vierde jhana. Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana noch iets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; maar ze heeft de zuiverheid van de oplettendheid. En men vertoeft erin. En men doordringt dit lichaam met een zuiver, helder hart zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door het zuivere, heldere hart.

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd tot het volgende inzicht. "Dit lichaam van mij dat uit materiële vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrij opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Het geestgeschapen lichaam

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men vanuit dit lichaam een ander lichaam schept dat vorm bezit, dat uit de geest is geschapen, met alle ledematen, waaraan geen vaardigheid ontbreekt. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

De soorten van bovennatuurlijke krachten

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten beheerst. Van één wordt hij meervoudig; van meervoudig wordt hij weer een. Hij kan zichtbaar en onzichtbaar worden. Hij kan door muren, omwallingen, bergen zweven als door de lucht. Hij kan op de aarde op- en onderduiken als in het water. Hij kan op het water lopen zonder te zinken, alsof hij op de aarde loopt. Hij kan in lotuszit door de lucht vliegen als een vogel. Hij kan de maan en de zon met de hand aanraken en betasten. Hij kan het lichaam beheersen tot zelfs in de Brahma-wereld. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Het hemelse oor

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe men met het hemelse oor, dat zuiver is en dat boven menselijke grenzen reikt, beide soorten van geluiden kan horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden van verre en die van nabij. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Het gemoed van anderen kennen.

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij het gemoed van anderen kunnen begrijpen nadat zij het met hun eigen hart hebben omvat. Zij weten wie begerig is en wie niet. Zij weten wie haat heeft en wie niet. Zij weten wie onwetend is en wie wetend. Zij weten wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Zij weten wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Zij weten wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Zij weten wie edel is en wie onedel. Zij weten wie rustig is en wie rusteloos. Zij weten wie bevrijd is en wie niet bevrijd is. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Herinnering aan vroegere levens

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij zich aan veel vroegere levens kunnen herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens, aan veel aeonen van wereldvergaan, aan veel aeonen van wereldontstaan, aan veel aeonen van wereldontstaan en wereldvergaan. Zij herinneren zich welke naam zij er hadden, tot welke familie zij behoorden; zij herinneren zich hoe zij eruit zagen, wat hun voedsel was, wat zij er ondervonden aan wel en wee, hoe hun levensspanne was; zij herinneren zich waar zij na de dood wedergeboren werden. Zij herinneren zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

Het hemelse oog

        

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd hoe zij met het hemelse oog, dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, kunnen zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Zij begrijpen hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich in daden, woorden en gedachten slecht heeft gedragen, wie de edelen heeft beschimpt, wie onjuiste visies had, komt na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, ja zelfs in de hel. Maar degenen die zich goed gedragen hebben in daden, woorden en gedachten, die de edelen niet hebben beschimpt, die juiste visies hadden en die visies in hun daden tot uiting lieten komen, zijn na de dood wedergeboren op een gelukkig oord van de bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld." Zo zien zij met het hemelse oog. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

De vernietiging van de neigingen

        Verder heb ik mijn discipelen de weg verkondigd door welke zij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hier en nu intreden en vertoeven in de bevrijding van het hart en de bevrijding door wijsheid. Die bevrijding is met de vernietiging van de neigingen neigingsvrij. - En daardoor bereiken veel van mijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht en vertoeven erin.

        Om deze redenen hoogachten, eren, respecteren en waarderen mijn discipelen mij en leven zij in afhankelijkheid van mij."

        De asceet Udayin was tevreden en gelukkig met de woorden van de Verhevene.

M.78. (M.VIII.8) Samanamandikā sutta

        De dolende asceet Uggahamana beweerde dat iedere asceet en monnik die afzag van verkeerd gedrag in daad, woord en gedachte en van verkeerd levensonderhoud, een volledig volmaakte heilige was. De Boeddha sprak deze bewering tegen met de woorden dat in dat geval zelfs een klein kind dat onschuldig op bed sliep arahantschap kon opeisen. Hij legde toen uit dat alleen het edele achtvoudige pad naar juist inzicht en juiste bevrijding leidt.[22]

M.78. (M.VIII.8) Heilzame en onheilzame gewoonten

        Te Savatthi. De dolende asceet Uggahamana Samanamandikāputta verbleef er met een grote groep asceten. De timmerman Pañcakanga wilde naar Savatthi gaan om de Verhevene te bezoeken. Maar hij vond het nog te vroeg. Daarom ging hij naar het park waar de asceten verbleven. Hij groette de dolende asceet Uggahamana en ging naast hem zitten. De asceet zei toen dat iemand met de volgende vier eigenschappen volmaakt is, het hoogste heeft bereikt en onoverwinnelijk is, namelijk (1) hij verricht geen slechte lichamelijke daden; (2) hij gebruikt geen slechte taal; (3) hij heeft geen slechte bedoelingen; (4) hij verdient zijn levensonderhoud niet op de een of andere slechte manier.

        De timmerman bevestigde die woorden niet en keurde ze ook niet af. Hij stond op, ging naar de Boeddha en vertelde wat er gebeurd was.

        De Boeddha zei daarop dat volgens de bewering van de asceet een jonge baby het hoogste bereikt had, een volmaakte heilige was. Immers, een baby heeft nog geen voorstelling van lichaam; hoe kan hij dan een slechte daad verrichten. Een baby heeft geen voorstelling van taal; hoe kan hij dan slechte taal gebruiken. Een baby heeft geen voorstelling van bedoeling; hoe kan hij dan slechte bedoelingen hebben. Een baby heeft geen voorstelling van levensonderhoud; hoe kan hij dan zijn levensonderhoud op een slechte manier verdienen.

        Iemand die bovengenoemde vier eigenschappen bezit, is geen volmaakte heilige, maar behoort tot dezelfde categorie als een baby.

        Maar iemand die de volgende tien eigenschappen bezit, is volmaakt in het heilzame; die heeft het hoogste bereikt, die is onoverwinnelijk.[23]

        Eerst moet het zo begrepen worden: dit zijn onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen; onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen ontstaan hierin; onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen worden hier zonder rest opgeheven. Iemand die op deze manier oefent, oefent zich in de weg naar het opheffen van onheilzame gewoonten en onheilzame bedoelingen.

        Verder moet het zo begrepen worden: dit zijn heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen; heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen ontstaan hierin; heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen worden hier zonder rest opgeheven. Iemand die op deze manier oefent, oefent zich in de weg naar het opheffen van heilzame gewoonten en heilzame bedoelingen.

        Onheilzame gewoonten zijn: onheilzame lichamelijke daden, onheilzame daden in taal, en slechte levenswijze. Die onheilzame gewoonten ontspringen in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, is er geest die beïnvloed is door begeerte, door haat en door onwetendheid. Onheilzame gewoonten ontstaat daarin.

        Onheilzame gewoonten worden zonder rest opgeheven door het volgende. Men overwint verkeerd lichamelijk gedrag en men ontplooit goed lichamelijk gedrag. Men overwint verkeerd gedrag wat het taalgebruik betreft, en men ontplooit goed gedrag wat het taalgebruik betreft. Men overwint verkeerd geestelijk gedrag en men ontplooit goed geestelijk gedrag. Men overwint verkeerde levenswijze en verwerft zijn levensonderhoud door juiste levenswijze. Op die manier worden onheilzame gewoonten zonder rest opgeheven.[24]

        En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van onheilzame gewoonten? Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

        Iemand die zo oefent, oefent zich op de weg naar de opheffing van onheilzame gewoonten.

        Wat zijn heilzame gewoonten? - Dat zijn heilzame daden in lichaam en taalgebruik, en de zuivering van de levenswijze.

        Hoe ontstaan die heilzame gewoonten? Ze ontstaan in de geest. Hoewel de geest veelvuldig is, van verschillende aard en met verschillende aspecten, bestaat er geest die niet beïnvloed is door begeerte, niet door haat en niet door onwetendheid.

        Waar worden die heilzame gewoonten zonder rest opgeheven? – Men is deugdzaam, maar men identificeert zich niet met die deugdzaamheid. Men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarin die heilzame gewoonten zonder rest opgeheven worden.[25]

        En hoe oefent men zich in de weg naar de opheffing van heilzame gewoonten? - Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

        Wat zijn onheilzame bedoelingen? Het is de bedoeling van zinsverlangen, de bedoeling van kwaadwil en de bedoeling van wreedheid. Die onheilzame bedoelingen ontstaan in de geest. Er is waarneming van zinsverlangen, waarneming van kwaadwil en waarneming van wreedheid. Daaruit ontstaan onheilzame bedoelingen.

        Waar worden die onheilzame bedoelingen zonder rest opgeheven? - Men treedt, afgescheiden van zinsverlangen, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden, binnen in de eerste jhana.[26]

        Hoe oefent men zich in de weg naar opheffing van onheilzame bedoelingen? – Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

        Wat zijn heilzame bedoelingen? - Het zijn de bedoelingen van ontzegging, van niet-kwaadwil en van niet-wreedheid. Die bedoelingen ontstaan in de waarneming. Waarneming is veelvuldig, van verschillende aard en met verschillende aspecten. Maar er is waarneming van ontzegging, van niet-kwaadwil en van niet-wreedheid. Daaruit ontstaan heilzame bedoelingen.

        Waar worden die heilzame bedoelingen zonder rest opgeheven? – Men treedt binnen en vertoeft in de tweede jhana.[27]

        En hoe oefent men zich in de weg naar het opheffen van heilzame bedoelingen? - Men spant zich in om nog niet ontstane slechte, onheilzame toestanden van de geest niet te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane slechte, onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen. Men spant zich in om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan. Men spant zich in om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te behouden, te laten groeien, toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

        Welke tien eigenschappen moet men bezitten om als verwerkelijkt in het heilzame te gelden, als volmaakt in het heilzame, als iemand die het hoogste heeft bereikt, als iemand die onoverwinnelijk is?

        Men bezit juist inzicht, juiste bedoeling (juist denken), juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest, en juiste bevrijding. En dat alles op het niveau van iemand die de training ten einde heeft gebracht.

        Als men die tien eigenschappen heeft, is men volmaakt in het heilzame, onoverwinnelijk. Men heeft dan het hoogste bereikt."

        De timmerman verheugde zich over de woorden van de Boeddha.

M.79. (M.VIII.9) Cūlasakuludāyi sutta

        Te Rājagaha. De dolende asceet Sakuludāyī stelde aan de Boeddha veel vragen over atta en sīla. De Boeddha legde hem de praktijk van de leer uit, te beginnen met de regel van niet-doden en eindigende met de verwerkelijking van Nibbāna.[28]

M.79. (M.VIII.9) De praktijk van de leer

        

        Te Rājagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. De dolende asceet Sakuludāyī verbleef er toen in een park samen met veel andere asceten. In de morgen ging de Boeddha op weg naar Rajagaha voor aalmoezen. Maar hij vond het nog te vroeg en ging daarom naar het park waar de dolende asceet Sakuludāyī verbleef. De asceet groette de Boeddha en nodigde hem uit te gaan zitten. Toen de Boeddha op de voor hem gereedgemaakte zitplaats was gaan zitten, zei de asceet dat Nigantha Nātaputta beweerde alwetend en alziend te zijn. Dag en nacht, wakend en slapend, onafgebroken zou hij wetend en ziende zijn. Maar toen de asceet hem vragen over het verleden stelde, maakte Nataputta uitvluchten, leidde het gesprek op iets anders en toonde woede en bitterheid. De asceet dacht toen dat de Verhevene in deze dingen ervaren was.

        De Boeddha: “Als iemand zich aan veel levens kon herinneren, tot vele aeonen terug, met details, dan zou hij mij iets over het verleden kunnen vragen, of ik zou hem iets over het verleden kunnen vragen. Hij zou mij dan tevreden kunnen stellen met zijn antwoord, of ik zou hem tevreden kunnen stellen met mijn antwoord.

        Als iemand met het hemelse oog ziet hoe de wezens sterven en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties, dan zou hij mij iets over de toekomst kunnen vragen of ik zou hem iets over de toekomst kunnen vragen. Hij zou mij dan tevreden kunnen stellen met zijn antwoord, of ik zou hem tevreden kunnen stellen met mijn antwoord.

        Maar laat verleden en toekomst. Ik zal je de Dhamma leren. Als dit is, bestaat dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere. Als dat niet is, is dat niet; met het beëindigen van het ene eindigt het andere."

        De asceet zei dat hij zich niet eens kon herinneren aan wat hij in dit leven had meegemaakt. Hoe kon hij zich dan aan vele vroegere levens herinneren, met de details? En hij kon nog niet eens een slik-kabouter zien. Hoe kon hij dan met het hemelse oog de wezens zien sterven en weer geboren worden in overeenkomst met hun wilsacties? Maar wat de Verhevene zei over oorzakelijk ontstaan, dat was de asceet helemaal niet duidelijk. De asceet zei daarom dat in zijn eigen leer onderwezen werd wat de volmaakte glans was. Hij kon echter niet duidelijk maken wat precies ermee bedoeld werd. De Boeddha zei daarop dat hij was als iemand die beweerde het mooiste meisje van het land lief te hebben, maar die haar niet gezien had, van haar niet wist tot welke kaste zij behoorde, wie haar ouders waren, of zij groot of klein was, die niet wist waar zij woonde. Wat die man beweerde was onzin. De asceet bevestigde dit. De Boeddha zei dat de asceet op dezelfde manier beweerde dat die glans volkomen was, onovertroffen, maar dat hij niet wist waar die glans was.

        De asceet zei toen dat het zelf stralend is als een edelsteen en dat het onveranderd na de dood verder leeft.

        De Boeddha toonde toen dat de glans van de edelsteen in de nacht overtroffen wordt door een gloeiwormpje, de glans van het gloeiwormpje weer door een olielamp, die weer door een groot kampvuur, dat kampvuur wordt in de morgen weer overtroffen door de morgenster, die ster wordt 's nachts weer overtroffen door de volle maan, en de maan wordt overdag weer overtroffen door de zon. En er waren goden die stralender waren dan de zon.

        De asceet zei dat de Boeddha de discussie tot een einde had gebracht. Gevraagd over de eigen leer en de glans bleek de asceet dom te zijn.

        De Boeddha vroeg of er een volledig aangename wereld was en of er een weg was om die wereld te verwerkelijken. De asceet zei dat in zijn leer onderwezen werd dat er een volledig aangename wereld was en een weg om die wereld te verwerkelijken. Die weg is: niet doden, niet nemen wat niet gegeven is, geen verkeerd seksueel gedrag, niet liegen.

        De Boeddha: “Als hij zich aan die regels houdt, ondervindt zijn zelf dan geluk of ook leed?

        De asceet: “Het zelf ondervindt dan zowel geluk als leed.”

        De Boeddha: “Komt de verwerkelijking van een volledig aangename wereld dan tot stand doordat men een weg volgt die bestaat uit een mengeling van geluk en leed?”

        De asceet zei dat de Boeddha de discussie tot een einde had gebracht. Meer had zijn leraar niet onderwezen.

        De Boeddha onderwees de asceet Udayin toen in de Dhamma. “Er is een volledig aangename wereld; er is een weg om die wereld te verwerkelijken. Men treedt binnen in de eerste, tweede en derde jhana.”

        De asceet: “Dat is niet de weg; dat is al de volledig aangename wereld.”[29]

        De Boeddha: “Neen, ze is dan nog niet verwerkelijkt. Met het overwinnen van geluk en leed treedt men binnen in de 4e jhana. Men vertoeft bij die goden die in een volledig aangename wereld verschenen zijn en men kan met hen praten. Dan is een volledig aangename wereld verwerkelijkt.”

        De asceet vroeg of de bhikkhus omwille van die volledig aangename wereld het heilige leven leidden.

        De Boeddha: “De bhikkhus leiden het heilige leven niet omwille van de volledig aangename wereld. Er zijn andere toestanden die hoger en verhevener zijn. Voor het verwerkelijken daarvan leiden zij het heilige leven.

        Een Tathagata verschijnt in de wereld, een heilige, een volmaakt Verlichte, volmaakt in juist weten en verheven in gedrag, volmaakt, kenner van de werelden, onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, leraar van goden en mensen, een Ontwaakte, een Verhevene. Hij legt deze wereld uit met haar Maras en Brahmas, hij legt aan deze generatie met haar monniken en brahmanen, met haar prinsen en het volk uit wat hij met hogere geestelijke kracht zelf heeft verwerkelijkt. Hij onderwijst de Dhamma die goed is aan het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst die Dhamma met de juiste betekenis en de juiste manier van uitdrukken, hij onthult een heilig leven dat geheel volkomen en zuiver is.

        Een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd verneemt die Dhamma. Wanneer hij de leer verneemt, krijgt hij vertrouwen in de Tathagata. En dan overweegt hij aldus: 'Het leven van een gezinshoofd is eng en stoffig. Het leven zonder huis is wijd en open. Als men thuis woont, is het niet gemakkelijk om het heilige leven te leiden dat ten zeerste volmaakt en zuiver is, als een gepolijste mossel. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek naar een leven zonder huis.' Bij een latere gelegenheid doet hij dat, waarbij hij een klein of groot vermogen, een kleine of grote kring van verwanten opgeeft.

        Hij neemt de oefening en levenswijze op zich van de bhikkhus. Hij onthoudt zich van doden; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid. Hij verspreidt geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan ongekookt voedsel aan te nemen. Hij eet geen ruw vlees. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

        Hij heeft voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen, en met de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Waarheen hij ook gaat, hij neemt alleen dat mee. Juist zoals een vogel alleen met de vleugels als bagage vliegt, evenzo heeft de bhikkhu voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen en aan de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Voorzien van deze opeenhoping van edele deugdzaamheid ondervindt hij een zaligheid die onberispelijk is.

        Wanneer hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij het zintuig van zien onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt het zintuig van zien, hij houdt zich bezig met het beheersen van dat zintuig.

        Evenzo met het oor (zintuig van horen) en geluid, neus (zintuig van ruiken) en geur, tong (zintuig van proeven) en smaak, lichaam (zintuig van aanraken) en aanrakingsobject, geest (zintuig van denken e.d.) en geestelijk object.

        Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij de zintuigen onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt de zintuigen, hij houdt zich bezig met het beheersen van die zintuigen.

        Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het komen en bij het gaan. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het dragen van het (onder)gewaad, het buitengewaad en de nap. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij de ontlasting en bij het urineren. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

        Omdat hij deze opeenhoping van edele deugdzaamheid, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit heldere weten heeft, trekt hij zich terug naar een afgescheiden verblijfplaats: in een bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een bergkloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een open veld, op een bundel stro.

        Na terugkeer van de ronde voor aalmoezen, na de maaltijd gaat hij met gekruiste benen en met het lichaam rechtop neerzitten, oplettend en helder bewust. Hij overwint de hebzucht naar wereldlijke dingen en vertoeft met een hart dat vrij is van hebzucht. Hij zuivert zijn geest van hebzucht. Hij overwint kwaadwil en haat en vertoeft met een hart dat vrij is van kwaadwil, dat mededogen ondervindt voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Hij overwint traagheid en starheid en vertoeft met een hart dat vrij is van traagheid en starheid, met lichte geest, oplettend en helder bewust. Hij zuivert zijn geest van traagheid en starheid. Hij overwint rusteloosheid en gewetenswroeging en vertoeft gelijkmoedig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging. Hij overwint de twijfel en vertoeft vrij van twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.

        Nadat hij deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, heeft overwonnen, treedt hij geheel afgescheiden van zintuiglijk genot, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, in de eerste meditatieve verdieping (jhana) in.

        Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk. Udāyin, deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Verder, door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt hij innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En hij treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk ontstaan uit concentratie. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Verder, na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt hij binnen en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Verder, na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt hij binnen in de vierde meditatieve verdieping. Op grond van gelijkmoedigheid heeft deze geen angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door oplettendheid. En hij vertoeft erin. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van de herinnering aan vroegere levens. Hij herinnert zich veel levens met veel details. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van het sterven en weer verschijnen van wezens. Hij ziet met het hemelse oog de wezens sterven en weer verschijnen overeenkomstig hun wilsacties. Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, vrij van onvolkomenheden, gedwee, bruikbaar, vast en onwrikbaar, richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid wat lijden is, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, wat de weg is die naar het beëindigen ervan leidt.

        Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid wat de neigingen zijn, wat de oorsprong ervan is, wat het beëindigen ervan is, en wat de weg is die naar het beëindigen ervan leidt.

        Wanneer hij zo weet en ziet, is zijn geest bevrijd van de neiging van de zinnen, van de neiging van worden en van de neiging van onwetendheid. Het weten is er dat hij bevrijd is. Hij begrijpt: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden. Verder is er niets meer te doen." Udāyin, ook deze toestand is hoger en verhevener; om die toestand te verwerkelijken leiden bhikkhus het heilige leven onder mij.

        Udāyin, dit zijn hogere en verhevenere toestanden omwille waarvan bhikkhus het heilige leven onder mij leiden."[30]

        Na deze woorden zei de asceet Sakuludāyin aan de Verhevene dat deze de leer heel helder en duidelijk had uitgelegd. De asceet nam zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha van de bhikkhus. Hij wilde graag in de Orde opgenomen worden.

        De groep asceten die bij Sakuludāyin behoorden, zeiden toen tot hem: "Meester Udāyin, leidt toch niet het heilige leven onder de monnik Gotama. Leef niet als een leerling nadat je al een leraar bent geworden. Als je dat doet dan is dat alsof een watervat een kleine beker werd."

        Zo werd de rondtrekkende asceet Sakuludāyin eraan gehinderd om het heilige leven onder de Verhevene te leiden.[31]

M.80. (M.VIII.10) Vekhanassa sutta

        Een herhaling van een deel van het voorgaande sutta, met een toevoeging over de vijf zintuigen.

        Te Sāvatthi. Gesprek van de Boeddha met de dolende asceet Vekhanasa. Geluk ontsproten uit geestelijke niveaus is hoger dan geluk verkregen door zintuiglijke genietingen. De Verhevene gaf ook de verzekering dat ieder die zijn instructies serieus opvolgde, de zaligheid van geestelijke niveaus zou genieten.

M.IX. Rāja-vagga (M.81-90) (M.IX. 1-10)

M.81 (MN.IX.1)

M.82 (MN.IX.2)

M.83 (MN.IX.3)

M.84 (MN.IX.4)

M.85 (MN.IX.5)

M.86 (MN.IX.6)

M.87 (MN.IX.7)

M.88 (MN.IX.8)

M.89 (MN.IX.9)

M.90 (MN.IX.10)

        Over het vroegere leven van de Boeddha als Jotipāla ten tijde van de Boeddha Kassapa. De leer van vergankelijkheid, anicca. Het verhaal van het vroegere leven van de Boeddha als koning Makhādeva. De ware brahmaan. Men is edel niet door geboorte, maar door deugdzaamheid. Als men een verkeerde daad verricht, wordt men wedergeboren in staten van ellende. En als men goede daden verricht, wordt men wedergeboren in een gelukkige sfeer. Als men vertrouwen heeft, een goede gezondheid, integriteit, ijver en voldoende intelligentie om de verschijnselen van ontstaan en vergaan te begrijpen, en als men de Tathāgata als leraar en gids heeft, dan kan men volmaakte heiligheid bereiken binnen zeven jaren, onder gunstige omstandigheden zelfs in een halve dag. Het verhaal over de bekering van de rover-moordenaar Angulimāla. Koning Pasenadi wordt tot de leer van de Boeddha bekeerd. Over goede en slechte daden, woorden en gedachten. Koning Pasenadi geeft een lofspraak over de Boeddha en prijst diens deugden. De goden en Brahmā. Vier klassen van personen en hun bestemming na de dood.[32]


M.81. (M.IX.1) Ghatīkāra sutta.

        De Boeddha reisde rond in het land Kosala. Hij vertelde aan Ānanda over zijn vorige leven ten tijde van de Boeddha Kassapa als Jotipāla.

        Chatikāra de pottenbakker was toen erg devoot. Hij zorgde voor zijn blinde ouders en tegelijkertijd zorgde hij voor de Boeddha Kassapa met de hoogste eerbied. Ghatikāra dwong zijn vriend Jotipāla ook naar de Boeddha Kassapa te gaan en hem eer te betonen. Jotipāla vernam er de leer, verliet het huiselijke leven en werd in de Orde van de Boeddha Kassapa opgenomen. Jotipāla was de tegenwoordige Boeddha Gotama.

 

M.82. (M.IX.2) Ratthapāla sutta

        

        Het verhaal over Ratthapāla, wiens ouders tevergeefs probeerden hem ervan af te houden in de Sangha in te treden.        

Ratthapāla, de enige zoon van een rijke brahmaan in de plaats Thullakoṭṭhita in het land Kuru, kreeg van zijn ouders met moeite toestemming om in de Orde van de Boeddha in te treden.[33] Zij vroegen hem wel om hen te komen bezoeken nadat hij tot monnik was gewijd. Na de wijding streefde hij met ijver en bereikte in korte tijd (na 12 jaren) arahantschap. Toen ging hij met toestemming van de Verhevene op weg om zijn ouders te bezoeken.

In etappes kwam hij in Thullakotthita, zijn vroegere woonplaats aan. Hij ging er wonen in het park van de koning. In de morgen ging hij met zijn nap naar  Thullakotthita en ging er van huis tot huis rond voor aalmoezen. Zo kwam hij aan bij het huis van zijn vader. Bij het zien van de kaalhoofdige monnik dacht de vader eraan dat door het toedoen van een dergelijke monnik zijn zoon het huis had verlaten. En de eerwaarde Ratthapāla kreeg bij het huis van zijn vader geen aalmoezen; hij kreeg alleen scheldwoorden.

Een slavin van een van zijn verwanten wilde toen oude rijstebrij weggooien. De eerwaarde Ratthapāla zei toen dat zij die rijstebrij in zijn nap kon gieten. Toen zij dat deed, herkende zij de karakteristieke kenmerken van zijn handen, voeten en zijn stem. Zij ging naar zijn moeder en vertelde dat haar zoon was aangekomen. - “Beste, als dat waar is, dan ben jij geen slavin meer.” - Toen ging de moeder van de eerwaarde Ratthapāla naar haar man en zei dat zijn zoon was aangekomen.

Juist op die tijd at de eerwaarde Ratthapāla de oude rijstebrij bij de muur van een bepaald gebouw. Zijn vader ging naar hem toe en zei dat hij toch een eigen huis had waar hij naartoe kon gaan.        

Het antwoord van de eerwaarde Ratthapāla luidde dat hij geen huis had; hij was immers vertrokken in de huisloosheid. Ook zei hij dat hij naar zijn vaders huis was gegaan maar er geen aalmoezen had gekregen, alleen scheldwoorden.

De vader vroeg aan Ratthapāla om mee naar huis te gaan, maar deze zei dat hij de maaltijd voor die dag had beëindigd. Hij nam wel de uitnodiging van zijn vader aan om de dag erna te komen eten in zijn vaders huis.

De vader van de eerwaarde Ratthapāla ging toen naar huis en liet er veel gouden munten en goudstaven bijeen brengen en met matten bedekken. En aan zijn vroegere schoondochters vroeg hij dat zij zich mooi moesten maken, zoals Ratthapāla haar het liefste vond.

In de vroege ochtend werden verschillende voortreffelijke gerechten klaargemaakt en aan de eerwaarde Ratthapāla werd meegedeeld dat de maaltijd klaar was. Deze ging toen met zijn nap en mantel naar het huis van zijn vader en ging er op de voor hem gereed gemaakte zitplaats zitten. Zijn vader probeerde hem toen ertoe te brengen om het heilige leven op te geven door hem de rijkdom te tonen en door zijn vroegere vrouwen te laten komen. Natuurlijk tevergeefs.

De eerwaarde Ratthapāla zei toen aan zijn vader: “Gezinshoofd, als er een maaltijd is dan geef ze; pest ons niet.” - “Dan eet, lieve Ratthapāla, de maaltijd is gereed.”

De vader bediende de eerwaarde Ratthapāla eigenhandig en gaf hem verschillende voortreffelijke gerechten. Na de maaltijd stond de eerwaarde Ratthapāla op en sprak deze verzen:

“Zie hier, een poppetje, mooi getooid,

een lichaam, opgebouwd uit wonden,

dat ziek is, oorzaak voor zorgen,

waarin er niets aan zekerheid bestaat.

Zie de figuur, mooi getooid,

met sieraden en oorringen behangen,

een skelet, alleen in de huid gehuld,

door zijn kleren mooi gemaakt.

De voeten met henna geverfd,

en poeder in het gezicht gesmeerd,

betovert het wellicht narren, maar niet degene

die de oever aan de overkant zoekt.

Het haar is achtvoudig gevlochten,

de ogen met kleuren volgesmeerd

betoveren wellicht narren, maar niet degene

die de oever aan de andere kant zoekt.

Een goed getooid, smerig lichaam,

gelijk aan een pas geverfde pot,

betovert wellicht narren, maar niet degene

die de oever aan de andere kant zoekt.

De jager stelde vallen op,

maar het wild sprong er niet in;

het lokaas aten wij en gaan,

voor de jager blijft nu alleen geweeklaag.”

        Na deze verzen vertrok de eerwaarde Ratthapāla, ging naar het park van de koning en ging aan de voet van een boom zitten om er de dag door te brengen.

De koning wilde toen naar dat park gaan en gaf aan zijn boswachter opdracht om het op te ruimen. De boswachter zag de eerwaarde Ratthapāla zitten, ging naar de koning en zei dat het park opgeruimd was. Maar Ratthapāla, de zoon van de leidende familie in Thullakotthita, welke familie door de koning zeer geacht werd, zat er aan de voet van een boom om er de dag door te brengen.

De koning besloot toen om naar de eerwaarde Ratthapāla te gaan en hem eer te bewijzen. Hij liet een aantal koetsen klaar maken, besteeg zelf één ervan en reed in begeleiding van de andere koetsen naar het park om de eerwaarde Ratthapāla te bezoeken. Na de gebruikelijke hoffelijke en vriendelijke woorden van begroeting ging hij terzijde staan en zei: “Meester Ratthapāla, hier is een olifantendeken, ga er a.u.b. op zitten.” - “Grote koning, dat is niet nodig, ga zitten; ik zit op mijn eigen mat.”

De koning ging op de voor hem gereed gemaakte zitplaats zitten en zei:

“Meester Ratthapāla, er zijn vier soorten van verlies. Sommige mensen scheren hun hoofdharen en baard af, omdat zij deze vier soorten van verlies hebben meegemaakt. Zij trekken het gele gewaad aan en gaan van het leven in huis naar het huisloze leven. Die vier soorten van verlies zijn: verlies door het ouder worden, verlies door ziekte, verlies van rijkdom en verlies van familieleden.

Meester Ratthapāla, het verlies door ouder worden bestaat hierin. Iemand is oud, bejaard geworden, gebogen onder de last van de jaren, in gevorderde leeftijd, in het laatste deel van zijn leven.  

Hij overweegt zo: ‘Ik ben oud, ... in het laatste deel van mijn leven. Het is voor mij niet meer gemakkelijk om nieuwe rijkdom te verwerven of om reeds verworven rijkdom te vermeerderen. Stel dat ik mijn hoofdharen en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek in de huisloosheid.’ Hij doet dat omdat hij het verlies door het ouder worden heeft meegemaakt. Dit wordt verlies door ouderdom genoemd.

Maar meester Ratthapāla is nu nog jong, een jonge man met zwart haar, gezegend met jeugdigheid, in de bloei van zijn leven. Meester Ratthapāla heeft geen enkel verlies door het ouder worden meegemaakt. Wat weet hij of wat heeft hij gezien of gehoord dat hij van het leven in huis vertrokken is in de huisloosheid?

En meester Ratthapāla, wat is verlies door ziekte? Iemand is in ellende, lijdende en heel ziek. Hij overweegt zo: ‘Ik ben in ellende, lijdende en heel ziek. Het is voor mij niet meer gemakkelijk om nieuwe rijkdom te verwerven of om reeds verworven rijkdom te vermeerderen. Stel dat ik mijn hoofdharen en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek in de huisloosheid.’ Hij doet dat omdat hij het verlies door ziekte heeft meegemaakt. Dit wordt verlies door genoemd.

Maar meester Ratthapāla is nu vrij van ziekte en van ellende; hij heeft een goede spijsvertering die niet te koud noch te warm is, maar in het midden. Meester Ratthapāla heeft geen enkel verlies door ziekte meegemaakt. Wat weet hij of wat heeft hij gezien of gehoord dat hij van het leven in huis vertrokken is in de huisloosheid?

En meester Ratthapāla, wat is verlies van rijkdom? Iemand is rijk, met een groot vermogen, met een groot bezit. Geleidelijk aan verdwijnt zijn rijkdom. Hij overweegt zo: ‘Vroeger was ik rijk, met een groot vermogen, met een groot bezit. Geleidelijk aan is mijn rijkdom verdwenen. Het is voor mij niet meer gemakkelijk om nieuwe rijkdom te verwerven of om reeds verworven rijkdom te vermeerderen. Stel dat ik mijn hoofdharen en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek in de huisloosheid.’ Hij doet dat omdat hij het verlies van rijkdom  heeft meegemaakt. Dit wordt verlies van rijkdom genoemd.

Maar meester Ratthapāla is de zoon van de leidende familie hier in Thullakoṭṭhita. Meester Ratthapāla heeft geen enkel verlies van rijkdom meegemaakt. Wat weet hij of wat heeft hij gezien of gehoord dat hij van het leven in huis vertrokken is in de huisloosheid?

En meester Ratthapāla, wat is verlies van familieleden? Iemand heeft veel vrienden en kameraden, verwanten en familieleden. Geleidelijk aan neemt het aantal familieleden af. Hij overweegt: ‘Vroeger had ik veel vrienden en kameraden, verwanten en familieleden. Geleidelijk aan zijn zij verdwenen. Het is voor mij niet meer gemakkelijk om nieuwe rijkdom te verwerven of om reeds verworven rijkdom te vermeerderen. Stel dat ik mijn hoofdharen en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis vertrek in de huisloosheid.’ Hij doet dat omdat hij het verlies van familieleden heeft meegemaakt. Dit wordt verlies van familieleden genoemd.

Maar meester Ratthapāla heeft veel vrienden en kameraden, verwanten en familieleden hier in Thullakotthita. Meester Ratthapāla heeft geen enkel verlies van familieleden meegemaakt. Wat weet hij of wat heeft hij gezien of gehoord dat hij van het leven in huis vertrokken is in de huisloosheid?

Meester Ratthapāla, dit zijn de vier soorten van verlies. Sommige mensen scheren hun hoofdharen en baard af, trekken het gele gewaad aan en vertrekken in de huisloosheid, omdat zij die deze vier soorten van verlies hebben meegemaakt. Meester Ratthapāla heeft geen enkel van deze verliezen meegemaakt. Wat weet hij of wat heeft hij gezien of gehoord dat hij van het leven in huis vertrokken is in de huisloosheid?”

“Grote koning, er zijn vier samenvattingen van de Dhamma die door de Verhevene, die weet en ziet, die heilig en volledig verlicht is, onderwezen zijn. Toen ik ze wist, zag en hoorde, vertrok ik van het leven in huis naar de huisloosheid. Die vier samenvattingen zijn als volgt.

“Het leven in elke wereld is niet blijvend, het wordt weggevaagd.” Dit is de eerste samenvatting van de Dhamma die door de Verhevene is onderwezen.

“Het leven in elke wereld is zonder bescherming en zonder beschermer.” Dit is de tweede samenvatting van de Dhamma die door de Verhevene is onderwezen.

“Het leven in elke wereld heeft niets van werkelijk eigen bezit; men moet alles achterlaten en verder gaan.” Dit is de derde samenvatting van de Dhamma die door de Verhevene is onderwezen.

“Het leven in elke wereld is onvolledig, onbevredigend, onderworpen aan begeerte.” Dit is de vierde samenvatting van de Dhamma die door de Verhevene is onderwezen.

Toen ik dit wist, zag en hoorde, vertrok ik van het leven in huis naar de huisloosheid. Grote koning, dit zijn de vier samenvattingen van de Dhamma die door de Verhevene is onderwezen.”

“Meester Ratthapāla zei dat het leven in elke wereld niet blijvend is, dat het wordt weggevaagd. Hoe moet men de betekenis van deze uitspraak verstaan?”

“Grote koning, wat meent u?  Toen u twintig of vijfentwintig jaar oud was, was u bedreven in het rijden van olifanten, bedreven in het rijden van paarden, bedreven in wagenmennen, bedreven in boogschieten, bedreven in zwaardvechten, met sterke dijen en armen, krachtig, in staat veel te presteren in de veldslag.”

“Meester Ratthapāla, dat is allemaal waar. Soms vraag ik me af of ik toen wel bovennatuurlijke krachten had. Ik zie niemand die wat kracht betreft mijn gelijke was.”

“Grote koning, wat meent u? Hebt u nu nog precies zulke sterke dijen en armen, bent u nog precies zo krachtig en in staat om veel te presteren in de veldslag?”

“Nee, meester Ratthapāla, nu ben ik oud, bejaard, gebogen onder de last van de jaren, op gevorderde leeftijd, in het laatste deel van mijn leven. Ik ben tachtig jaar geworden. Soms meen ik mijn voet hierheen te zetten en daarbij zette ik hem ergens anders heen.”

“Grote koning, wat dit betreft zei de Verhevene dat het leven in elke wereld niet blijvend is, dat het wordt weggevaagd.”

“Meester Ratthapāla, het is wonderbaarlijk hoe goed dit door de Verhevene is uitgedrukt. Het leven in elke wereld is inderdaad niet blijvend, het wordt weggevaagd.”

“Meester Ratthapāla, aan dit hof zijn olifanten-troepen en bereden krijgers en wagen-strijdkrachten en soldaten te voet. Zij dienen om elke bedreiging voor ons te onderwerpen. Nu zei meester Ratthapāla dat het leven in elke wereld zonder bescherming is en zonder beschermer. Hoe moet men de betekenis van die uitspraak verstaan?”

“Grote koning, wat meent u? Hebt u het een chronische kwaal?”

“Meester Ratthapāla, ik heb chronische darmgassen. Soms staan mijn vrienden en metgezellen, mijn verwanten en familieleden rondom mij en denken dat ik op sterven lig.”

“Grote koning, wat meent u? Kunt u uw vrienden en metgezellen, uw verwanten en familieleden bevelen dat zij dat pijnlijke gevoel met u delen, zodat u minder pijn moge ondervinden? Of moet u die pijn voor u alleen voelen?”

“Ik kan dat niet bevelen; ik moet die pijn alleen voelen.”

“Grote koning, wat dit betreft zei de Verhevene dat het leven in elke wereld zonder bescherming is en zonder beschermer.”

“Meester Ratthapāla, het is wonderbaarlijk hoe goed dit door de Verhevene is uitgedrukt. Het leven in elke wereld is inderdaad zonder bescherming en zonder beschermer.”

“Meester Ratthapāla, aan dit hof zijn gouden munten en goudstaven in overvloed die in kluizen en schatkamers bewaard worden. Nu zei meester Ratthapāla dat het leven in elke wereld niets heeft van werkelijk eigen bezit; dat men  alles moet achterlaten en verder gaan. Hoet men de betekenis van deze uitspraak verstaan?”

“Grote koning, nu vermaakt u zich, verzorgd en uitgerust met de vijf strengen van zintuiglijke genoegens. Maar zult u in staat zijn om van het toekomstige leven te verlangen dat u zich precies zo vermaakt, dat u er verzorgd en uitgerust bent met dezelfde vijf strengen van zintuiglijke genoegens? Of zullen anderen dit bezit overnemen terwijl u overeenkomstig uw eigen handelingen verder moet gaan?”

“Meester Ratthapāla, dat kan ik van het toekomstige leven niet verlangen; integendeel, anderen zullen deze bezittingen overnemen terwijl ik overeenkomstig mijn eigen handelingen verder moet gaan.”

“Grote koning, wat dit betreft zei de Verhevene dat het leven in elke wereld  niets heeft van werkelijk eigen bezit; dat men  alles moet achterlaten en verder moet gaan.”

“Meester Ratthapāla, het is wonderbaarlijk hoe goed dit door de Verhevene is uitgedrukt. Het leven in elke wereld heeft inderdaad niets van werkelijk eigen bezit; men  moet alles achterlaten en verder gaan.”

“Nu zei meester Ratthapāla dat het leven in elke wereld onvolledig is, onbevredigend, onderworpen aan begeerte. Hoe moet men de betekenis van deze uitspraak verstaan?”

“Grote koning, wat meent u? Heerst u over het rijke land Kuru?”

“Ja, meester Ratthapāla, zo is het.”

“Wat meent u, grote koning? Stel dat een betrouwbare man uit het oosten kwam een u zei: ‘Grote koning, neem er kennis van dat ik uit het oosten ben gekomen; daar zag ik een groot land, machtig en rijk, dicht bevolkt. Daar zijn talrijke olifanten-troepen en bereden krijgers en wagen-strijdkrachten en soldaten te voet. Daar is een overvloed aan ivoor, er zijn rijkelijk gouden munten en goudstaven, zowel bewerkt als onbewerkt, en talrijke vrouwen om te trouwen. Met uw tegenwoordige strijdmacht kunt u dat land veroveren. Verover het toch, grote koning.’ Wat zou u in dat geval doen?”

“Meester Ratthapāla, wij zouden het veroveren en erover heersen.”

“Grote koning, wat meent u? Stel dat een betrouwbare man uit het westen kwam en u zei dat er een groot land was [gelijk aan het land in het oosten]. ‘Verover het toch, grote koning.’ Wat zou u doen?”

“Meester Ratthapāla, wij zouden het eveneens veroveren en erover heersen.”

“Grote koning, wat meent u? Stel dat een betrouwbare man uit het noorden kwam en u zei dat er een groot land was [gelijk aan het land in het oosten]. ‘Verover het toch, grote koning.’ Wat zou u doen?”

“Meester Ratthapāla, wij zouden het eveneens veroveren en erover heersen.”

“Grote koning, wat meent u? Stel dat een betrouwbare man uit het zuiden kwam en u zei dat er een groot land was [gelijk aan het land in het oosten]. ‘Verover het toch, grote koning.’ Wat zou u doen?”

“Meester Ratthapāla, wij zouden het eveneens veroveren en erover heersen.”

“Grote koning, wat dit betreft zei de Verhevene dat het leven in elke wereld onvolledig is, onbevredigend, onderworpen aan begeerte.”

“Meester Ratthapāla, het is wonderbaarlijk hoe goed dit door de Verhevene is uitgedrukt. Het leven in elke wereld is inderdaad onvolledig, onbevredigend, onderworpen aan begeerte .”

“Grote koning, toen ik dat wist, zag en hoorde, vertrok ik van het leven in huis naar de huisloosheid.”

Dit is wat de eerwaarde Ratthapāla zei. En na deze woorden zei hij nog:

“Ik zie op de wereld rijke mannen die door onwetendheid toch niets van hun rijkdom geven. Vol hebzucht potten zij hun goed verborgen rijkdom op. Zij willen nog meer vermaak voor de zintuigen.

Een koning die de aarde al heeft veroverd, en over het land regeert tot aan de rand van de zee, hij is niet tevreden met deze oever hier en verlangt ook naar de verre zee-oever.

Niet alleen van een koning, meestal ook van andere mensen is de begeerte niet tot rust gekomen.Met onvervulde voornemens ontmoetten zij de dood, verlaten dit lichaam. De hebzucht blijft steeds onbevredigd in de wereld.

Zijn verwanten klagen, rukken hun haar uit; zij schreeuwen: ‘Ach, de liefste is nu dood.’ Het lichaam draagt men goed in een laken verborgen naar de brandstapel en men verbrandt het daar.

Gekleed in een doek laat men de rijkdom hier. Men pookt hem met stangen terwijl hij daar brandt. Bij zijn dood kan geen verwant of vriend hem toevlucht bieden, hulp geven of bescherming.

En terwijl erfgenamen zijn rijkdom nemen, moet dat wezen verder gaan in overeenkomst met zijn daden. En wanneer hij sterft kan niets en niemand met hem gaan; niet kind noch vrouw, noch rijkdom, koninklijk goed.

Een lang leven wordt niet verworven door bezit, en ook heeft geen welvaart hier het ouder worden verbannen. Dit leven is kort, zoals elke wijze zegt. Het kent de eeuwigheid niet, alleen verandering.

De adem van de dood wordt op gelijke wijze door arm en rijk gevoeld. De dwaas voelt hem en ook de wijze. De nar is daarbij zwak, door dwaasheid geplaagd; maar een wijze beefde nooit bij de dood.

Beter dan elk bezit hier is wijsheid, want alleen door wijsheid wordt het laatste doel bereikt. Door verblinding verrichten mensen slechte daden, en het een na het andere leven wordt het doel gemist.

Zoals iemand in de moederschoot gaat en naar de volgende wereld, vernieuwt hij steeds de gevolgen van de geboorte; iemand anders zonder wijsheid die op hem vertrouwt, gaat eveneens in de moederschoot en naar de volgende wereld.

Zoals een rover die op heterdaad betrapt is, voor zijn slechte daad lijden wordt opgelegd, zo wordt de mens na de dood, in de volgende wereld lijden opgelegd voor al zijn slechte daden.

De veelvuldige zintuiglijke vreugden zijn zoet, verrukkelijk. Op velerlei manieren storen zij de geest.Toen ik de gevaren in de zintuiglijke boeien zag, koos ik het leven in de huisloosheid.

Zoals vruchten van de boom vallen, zo vallen ook aan het einde van dit lichaam beide, jong en oud. Koning omdat ik dit had gezien, vertrok ik: het is beslist veel beter een monnik te zijn.”

M.83. (M.IX.3) Makhādeva sutta

        Het verhaal van het vroegere leven van de Boeddha als koning Maghādeva.

        In het koninklijke mango-park te Mithulā. De Boeddha vertelde aan Ānanda over de edele traditie die door de oprechte koning Maghadeva was begonnen. Toen diens haar grijs begon te worden, gaf hij het huiselijke leven op en gaf de troon en zijn gebied aan zijn oudste zoon. Deze traditie ging vele generaties lang over van koning tot zoon, duizenden jaren lang, tot aan de regering van koning Nimi. Deze koning had een zoon met naam Kalārajanaka. Deze zoon ging niet vanuit het huiselijke leven in het huisloze leven. Hij maakte zo een einde aan de traditie.

        De Boeddha zei dat hij koning Maghadeva was geweest. Die traditie leidde niet naar kalmte, niet naar hogere kennis. Ze leidde alleen naar de sfeer van Brahmā. Maar als Boeddha onderwees hij nu de edele praktijk die leidde naar de opheffing van gehechtheid, naar het verdwijnen van dukkha. Ze leidt naar kalmte en hogere kennis, doordringend inzicht en de verwerkelijking van Nibbāna. De Verhevene spoorde toen aan: “Ānanda, ga verder met het volgen van deze goede praktijk. Laat jij niet de persoon zijn met wie mijn traditie eindigt.”

M.84. (M.IX.4) Madhura sutta

        Te Madhura. Na het overlijden van de Boeddha gaf de eerwaarde Kaccāna aan koning Avantiputta een leerrede over de ware brahmaan en de ware betekenis van kaste.

        De eerwaarde Mahākaccāna legde aan de koning uit dat men edel was niet door geboorte, maar door deugdzaamheid. Of men nu brahmaan was, Khattiya, Vessa of Sudda, als men een verkeerde daad deed, zou men wedergeboren worden in staten van ellende. En als men goede daden verrichtte, zou men wedergeboren worden in een gelukkige sfeer. Na deze leerrede nam de koning, die voordien een ander geloof had, zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha.

M.84. (M.IX.4) Over de ware brahmaan en de ware betekenis van kaste

        Te Madhura in het Gunda-bosje. De Eerwaarde Mahā Kaccāna sprak er met koning Avantiputta van Madhurā over kaste. De koning zei: „De brahmanen zeggen dat alleen zij de hoogste kaste zijn, dat zij een heldere huidskleur hebben, dat zij rein zijn, dat zij afstammelingen zijn van Brahma, uit zijn mond geboren, door hem geschapen, en dat andere kasten van lagere stand zijn, een donkere huidskleur hebben, niet rein zijn.“

De Eerwaarde Mahā Kaccāna zei dat dit maar gepraat was, dat het niet overeenkomstig de waarheid was. Als een edelman rijk aan bezittingen is, veel graan, zilver of goud heeft, dan zullen er andere edellieden zijn die hem dienen en die hem proberen te vleien. En ook brahmanen, handelaars en arbeiders zullen dat doen.

Evenzo is het als een brahmaan of een handelaar of een arbeider rijk aan bezittingen is, veel graan, zilver of goud heeft; er zullen dan andere mensen zijn die hem dienen en die hem proberen te vleien.

De Eerwaarde Mahā Kaccāna vroeg toen of er in dat geval verschil was tussen de vier kasten. De koning antwoordde dat zij dan geheel gelijk zijn. Hij kende dan geen onderscheid tussen de kasten.

De Eerwaarde Mahā Kaccāna zei dat dit een voorbeeld was dat de bewering van de brahmanen maar gepraat was. En hij gaf andere voorbeelden.

Koning, stel dat een edelman levende wezens zou doden, dat hij zou stelen, een verkeerd gedrag had bij zinsgenot, (zich seksueel verkeerd gedroeg), dat hij zou liegen, hatelijke en ruwe taal zou gebruiken, dat hij kletspraatjes zou houden, hebzuchtig zou zijn, dat hij een geest vol kwaadwil had, en een verkeerde mening had. Zou hij dan na de dood wedergeboren worden in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel? – De koning zei dat die persoon dan op een ongelukkige bestemming wedergeboren zou worden, zo had hij van arahants geleerd.

“Evenzo is het met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Koning, zijn in die gevallen de kasten gelijk of niet?“ – “In dat geval zijn de kasten geheel gelijk.“

“Stel dat een edelman zich onthoudt van doden, van stelen, van verkeerd gedrag bij zinsgenot, zich ervan onthoudt te liegen, hatelijke en grove taal te gebruiken en kletspraatjes te houden; stel dat hij niet hebzuchtig is, dat hij een geest heeft zonder kwaadwil en dat hij juiste visie heeft. Zou hij na de dood op een gelukkige bestemming wedergeboren worden?“

“Als een edelman zich op die manier gedraagt, zal hij op een gelukkige bestemming wedergeboren worden, ja zelfs in de hemelse wereld.“

“Evenzo is het met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Koning, zijn in die gevallen de kasten gelijk of niet?“ – “In dat geval zijn de kasten geheel gelijk.“

        “Koning, stel dat een edelman in huizen zou inbreken, goederen plunderde, mensen overviel, de vrouw van een ander verleidde. Als hij zou worden vastgenomen en u hem moest bestraffen, wat zou u dan doen?“ - “Eerwaarde Kaccana, wij zouden hem laten terechtstellen of een geldboete opleggen of wij zouden hem verbannen. Wij zouden hem straffen zoals hij het verdient. Zijn vroegere status van edelman heeft hij dan verloren en hij wordt dan alleen als rover beschouwd.“

        “Koning, stel dat een brahmaan, een handelaar of een arbeider zich op een dergelijk manier zou gedragen.“ – “Wij zouden op dezelfde manier handelen. Die mensen zouden hun status van brahmaan of van handelaar of van arbeider verliezen en zij zouden alleen als rover beschouwd worden.“

        “Koning, zijn in die gevallen de vier kasten gelijk of niet?“ - “Eerwaarde Kaccana, dan zijn ze geheel gelijk.“        

        “Koning, stel dat een edelman hoofdhaar en baard afscheert, het gele gewaad aantrekt en van huis uit in het huisloze leven vertrekt. Hij onthoudt zich ervan levende wezens te doden. Hij onthoudt zich ervan te nemen wat niet is gegeven, onthoudt zich van liegen. Hij eet niet `s nachts en eet alleen een keer overdag. Hij leeft celibatair, eerbaar en hij heeft een goed karakter. Hoe zou u hem behandelen?“

        “Eerwaarde Kaccana, wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of we zouden hem vragen gewaden, eten, een slaapplaats en medicijn aan te nemen. Of wij zouden voor een rechtmatige bescherming voor hem zorgen. Zijn vroegere status van edelman heeft hij dan verloren en hij wordt eenvoudig als monnik beschouwd.

        En evenzo met een brahmaan, een handelaar en een arbeider. Zij zouden dan alleen als monnik beschouwd worden.“

        “Koning, zijn in die gevallen de vier kasten gelijk of niet?“ - “Eerwaarde Kaccana, dan zijn ze geheel gelijk.“        

        Koning Avantiputta van Madhurā prees de Eerwaarde Mahā Kaccāna en zei dat hij de leer op veelvuldige manier had uitgelegd. De koning wilde zijn toevlucht nemen tot de Eerwaarde Maha Kaccana, tot de Dhamma en tot de Sangha. Hij wilde een lekenvolgeling van de Eerwaarde Maha Kaccana worden. De Eerwaarde Maha Kaccana zei aan de koning dat deze zijn toevlucht moest nemen tot de Verhevene, en dat de Verhevene heengegaan was in het definitieve Nibbana.

        En de koning nam zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha.

        

M.85. (M.IX.5) Bodhirājakumāra sutta

        Het verhaal van de Boeddha over zijn opgeven van de wereld en zijn Verlichting (als in M.60 en M.70).

        Te Susumāragira in het land Bhagga. Prins Bodhi beweerde er dat geluk niet verkregen kan worden door geluk, maar alleen door lijden (sukha-dukkha). De Verhevene legde uit dat hij zelf eens ook zo gedacht had. Hij vertelde toen het hele verhaal over zijn opgeven van de wereld, zijn inspanningen met verkeerde praktijken, zijn zoeken naar de waarheid en uiteindelijk de Verlichting. De prins vroeg hoe lang een bhikkhu in dit leven moest streven om arahantschap te bereiken. De Boeddha somde vijf attributen op: als de monnik vertrouwen heeft, een goede gezondheid, integriteit, niet aflatende ijver, en voldoende intelligentie om de verschijnselen van ontstaan en vergaan te begrijpen, en als hij de Tathāgata als leraar en gids heeft, dan kan een bhikkhu volmaakte heiligheid bereiken binnen zeven jaren, onder gunstige omstandigheden zelfs in een halve dag.

 

M.86. (M.IX.6) Angulimāla sutta

        Angulimala (Ahimsaka), een rover-moordenaar, werd  door de Boeddha bekeerd. Hij trad in de Orde in en werd een volmaakte heilige.

Inleiding

        Angulimala was de bijnaam van Ahimsaka. Toen de jonge Ahimsaka opgroeide, stuurde zijn vader hem naar de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Hij werd er door de beste leermeester onderwezen en overtrof alle andere studenten. Hij werd de favoriet van zijn leermeester. Door toedoen van zijn jaloerse medestudenten kreeg die leermeester het waanidee dat Ahimsaka hem wilde verdrijven. Met het vergif van achterdocht in zijn hart trachtte de leermeester toen van Ahimsaka af te komen.

        Nu gebeurde het niet lang daarna dat Ahimsaka zijn studie beëindigde en naar huis terug wilde keren. Het was de plicht van afgestudeerden om aan hun leermeesters een ere-geschenk te geven. De leermeester van Ahimsaka vroeg als ere-geschenk duizend menselijke pinken van de rechterhand. Hij hoopte dat Ahimsaka bij het vergaren van die pinken ofwel gedood ofwel door soldaten van de koning gevangen genomen zou worden.

        Ahimsaka protesteerde eerst, maar stemde uiteindelijk toe. Daarbij dacht hij niet aan de mogelijkheid om dat aantal vingers te verzamelen in de open lijkenvelden in India. Zo groot was toen de neiging in hem om te doden. Die neiging was het gevolg van daden in een eerder leven. Ahimsaka kocht een stel wapens en ging naar het Jālina-bos in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Wanneer reizigers naderden, liep hij vlug naar beneden, sloeg ze dood en nam dan van elk slachtoffer de pink van de rechterhand.

        Aanvankelijk hing hij de vingers aan een boom. Vogels aten het vlees ervan en wierpen de botjes omlaag. Toen Ahimsaka die op de grond zag rotten, reeg hij de vingerkootjes aaneen en droeg ze als een krans. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.

        Weldra begon men dat bos te mijden en Angulimāla moest in de nabijheid van dorpen gaan. Vanuit een hinderlaag viel hij dan voorbijgangers aan en sneed de pinken af. Hij drong zelfs 's nachts huizen binnen en doodde de bewoners, alleen om de vingers af te hakken. Niemand kon zijn grote kracht weerstaan en daarom verlieten de mensen hun dorpen en gingen naar de stad Sāvatthi. Daar vertelden zij hun leed aan de koning die bevel gaf Angulimāla gevangen te nemen.

        Toen de moeder van Angulimāla dit vernam, ging zij helemaal alleen naar de plek waar haar zoon het laatst was gezien. Zij wilde hem waarschuwen, wilde hem overhalen zijn slechte levenswijze op te geven en met haar terug te keren.

        Angulimāla had toen al 999 pinken bijeen en er ontbrak dus nog maar één om het duizendtal vol te maken, het aantal dat zijn leermeester hem had gevraagd. Daarvoor zou hij misschien wel zijn moeder gedood hebben als hij haar op de weg voorbij zag komen. Maar moedermoord is één van de vijf zware vergrijpen die een onafwendbaar slecht resultaat hebben. Zo’n daad leidt tot wedergeboorte in de laagste hellewereld. Zonder het te weten was Angulimāla op het randje van de hel.

        Maar de Boeddha zag dat Angulimala de voorwaarden had om volmaakte heiligheid te bereiken. Daarom trad hij op voordat de moeder verscheen.

De leerrede.

        Te Savatthi. De Verhevene vertoefde er in het Jetavana klooster. In het rijk van koning Pasenadi van Kosala hield zich een misdadiger op, een moordenaar met bloed aan de handen. Zijn naam was Angulimala. Hij was meedogenloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten werden door hem verwoest. Regelmatig bracht hij mensen om; hun vingers droeg hij als halsketting.

        Vroeg in de morgen kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn nap en buitengewaad (mantel) en ging naar Savatthi om aalmoezen te vergaren. Na zijn rondgang en na zijn maaltijd bracht hij zijn slaapplaats in orde, nam zijn nap en buitengewaad en ging op weg over de straat die naar Angulimala leidde. Voorbijkomende koe- en schaapherders en boeren zagen dat en waarschuwden de Verhevene dat hij niet over die straat moest gaan. "Want de moordenaar Angulimala houdt zich daar op. Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over die straat maar toch zijn zij in handen gevallen van Angulimala." Na deze woorden ging de Verhevene zwijgend verder.

        Een tweede en een derde keer waarschuwden de koe- en schaapherders en boeren de Verhevene. Maar toch ging hij zwijgend verder.

        Angulimala zag de Verhevene in de verte aankomen. En hij dacht: "Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over deze straat en toch zijn ze mij in de handen gevallen. En nu komt die monnik daar alleen, zonder begeleiding. Waarom zou ik niet hem van het leven beroven." Toen nam Angulimala zijn zwaard en schild, hing boog en pijlenkoker om en ging de Verhevene achterna.

        De Verhevene liep in normaal tempo, maar door de bovennatuurlijke kracht van de Boeddha kon Angulimāla hem niet inhalen, hoe vlug de moordenaar ook liep.

        Verbaasd vroeg deze zich af hoe dat toch mogelijk was. Vroeger kon hij zelfs een snelle olifant of een snel paard of een snelle koets of een snel hert inhalen en pakken. Maar nu kon hij, hoewel hij zo snel liep als hij kon, die monnik niet inhalen die in normaal tempo ging. Hij bleef staan en riep de Verhevene toe: "Blijf staan, monnik, blijf staan."

        “Ik ben blijven staan, Angulimāla; blijf ook jij staan," zo luidde het antwoord van de Gezegende.

        Toen dacht Angulimāla: “Deze monniken, de zonen van de Sakyas, spreken steeds de waarheid. Maar deze monnik hier gaat verder en zegt toch dat hij is blijven staan. Ik zal hem eens vragen hoe hij dat bedoelt.”

        In versvorm stelde Angulimala toen zijn vraag.

        "Hoewel je gaat, monnik, zeg je dat je stil bent blijven staan. Ik sta stil en toch zeg je dat ik niet stil ben blijven staan. Wat is de betekenis daarvan?"

        Het antwoord van de Boeddha op de vraag van Angulimāla luidde: “Angulimāla, ik ben voor altijd stil blijven staan; ik onthoud me van alle geweld tegenover de wezens. Maar jij hebt geen zelfbeheersing jegens het leven. Daarom ben ik stil blijven staan maar jij niet.”

        Angulimala: "Uiteindelijk is deze monnik, een hoog geachte wijze, in dit grote bos gekomen voor mijn redding. Na jouw woorden die mij de Dhamma leerden, wil ik voor altijd het kwaad nalaten."

        Na deze woorden nam de moordenaar zijn wapens en wierp ze in een afgrond. Daarna betuigde hij zijn verering aan de voeten van de Verhevene en vroeg om de wijding. En met de woorden: “Kom, bhikkhu,” nam de Leraar hem op in de Orde van de monniken.

        [Hij werd in de leer onderwezen en hem werden de gedragsregels van de monnik geleerd].

        Toen ging de Verhevene in etappen naar Sāvatthi terug, met Angulimāla als zijn persoonlijke dienaar. Hij vertoefde er in het Jetavana klooster.

        Grote menigten van mensen kwamen toen samen bij de poorten van het paleis van koning Pasenadi. Zij maakten veel lawaai en riepen dat de koning de moordenaar Angulimala gevangen moest nemen.

        Koning Pasenadi vertrok daarop overdag in zijn koets met een grote troep van zijn cavalerie uit Savatthi. Hij ging naar het Jetavana-klooster. Daar groette hij de Verhevene eerbiedig, betoonde zijn eer en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg wat er gaande was. Werd de koning soms aangevallen door koning Seniya Bimbisara van Magadha of door de Licchaviers van Vesali of door andere vijandig gezinde koningen?

        De koning gaf ten antwoord dat er geen oorlog was. Maar in zijn rijk was een moordenaar met naam Angulimala. Hij zou wel nooit in staat zijn om die man gevangen te nemen.

        De Verhevene: “Grote koning, stel dat u zag dat Angulimāla hoofdhaar en baard had afgeschoren, gekleed was in het gele gewaad, en het thuisloze leven leidde; dat hij zich ervan onthield levende wezens te doden, zich onthield van stelen en van liegen; dat hij 's nachts niet meer at, dat hij slechts op één tijd van de dag at, en dat hij celibatair, deugdzaam en met een goed karakter was. Als u hem zo zou zien, hoe zou u hem dan behandelen?"

        “Eerwaarde Heer, in dat geval zouden wij hem eer betonen, of wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of wij zouden hem vragen gewaden aan te nemen, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijn. Of wij zouden hem een bescherming geven. Maar eerwaarde Heer, hij is een teugelloos mens met een slecht karakter. Hoe kan hij ooit een dergelijke deugdzaamheid en beteugeling hebben?”

        Bij die gelegenheid zat de eerwaarde Angulimala niet van van de Verhevene vandaan. Die strekte zijn rechterarm uit en zei: “Grote koning, deze hier is Angulimāla.”

        Koning Pasenadi werd vreselijk bang, maar de Boeddha zei dat hij niet bevreesd hoefde te zijn.

        Toen de koning weer tot bedaren was gekomen, ging hij naar de Eerwaarde Angulimāla en vroeg: "Eerwaarde heer, bent u werkelijk Angulimala?" - "Ja, grote koning."

        De koning vroeg verder naar de familienaam van Angulimala's ouders. Nadat de koning die namen vernomen had, wilde hij aan Angulimala gewaden geven, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijnen. Maar de eerwaarde Angulimala was toen een bosbewoner, iemand die alleen aalmoezenmaaltijd tot zich neemt, een drager van gewaden gemaakt uit vodden, en hij beperkte zich tot drie gewaden.[34] Hij gaf ten antwoord: "Genoeg, grote koning, mijn drievoudig gewaad is kompleet."

        Koning Pasenadi ging naar de Verhevene terug, bracht hem eer, ging terzijde neerzitten en zei: "Eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk hoe de Verhevene de ongetemden temt, vrede brengt aan degenen zonder vrede, en degenen die nibbana niet bereikt hebben, naar nibbana leidt. Eerwaarde heer, wij zelf konden hem niet met wapens bedwingen; toch heeft de Verhevene hem bedwingen zonder geweld en zonder wapens. Eerwaarde heer, wij nemen nu afscheid. Wij hebben veel te doen.

        "Grote koning, nu is het tijd dat te doen wat je juist vindt."

        Koning Pasenadi van Kosala stond toen van zijn zitplaats op, betoonde eer aan de Verhevene en nam vertrok, met de rechter zijde naar hem toegewend.

Angulimala Paritta - De bescherming van de eerwaarde Angulimāla

        Op een morgen kleedde de eerwaarde Angulimāla zich aan, nam zijn nap en oppergewaad en ging naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Op zijn rondgang zag hij een vrouw die juist onder grote moeilijkheden een kind baarde. Bij het zien hiervan dacht hij: "Hoe zeer de levende wezens lijden; inderdaad, hoe zeer de levende wezens lijden."

        Na zijn rondgang te Savatthi voor bedelspijs en na zijn maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat hij had gezien.

        De Verhevene zei toen aan Angulimāla dat hij naar die vrouw terug moest gaan en het volgende moest zeggen:

        "Sedert ik geboren werd,[35] zuster, ben ik me er niet van bewust opzettelijk enig levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge jij door de betuiging van deze waarheid gezond zijn. Moge je kind gezond zijn."

        Angulimala vroeg toen: "Eerwaarde heer, als ik dat zeg, zal ik dan niet met opzet liegen? Ik heb immers veel levende wezens met opzet van het leven beroofd."

        De Boeddha: "Angulimala, dan ga naar Savatthi en zeg aan die vrouw: 'Zuster, sedert ik met de edele geboorte geboren werd, kan ik me niet eraan herinneren dat ik ooit met opzet een levend wezen van het leven beroofd heb. Moge jij bij deze waarheid gezond zijn en moge je kind gezond zijn."[36]

        De eerwaarde Angulimāla ging toen weer naar de lijdende vrouw en reciteerde bovenstaande betuiging van de waarheid. Toen werden die vrouw en het kind gezond.

        Niet lang daarna, nadat hij alleen leefde, teruggetrokken, behoedzaam, ijverig en vastbesloten, trad de eerwaarde Angulimala hier en nu door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht in het hoogste doel van het heilige leven in, voor welk doel mannen uit goede familie met recht van huis weggaan in de huisloosheid; en hij vertoefde erin. Hij zag direct in: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen." En de eerwaarde Angulimāla werd een van de Arahants, werd een volmaakte heilige.

        Daarna, 's morgens vroeg ging de eerwaarde Angulimala met zijn nap naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Bij die gelegenheid wierp iemand een klomp aarde en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Iemand anders wierp een knuppel en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Weer iemand anders wierp een scherf en trof hem aan het lichaam. Toen ging de eerwaarde Angulimala naar de Verhevene. Bloed stroomde uit zijn gewonde hoofd. De nap was gebroken en het gewaad was gescheurd. De Verhevene zag hem van verre komen en zei tot hem: "Verdraag het, brahmaan, verdraag het. Je ondervindt hier en nu het resultaat van daden waarvoor je anders veel jaren, veel eeuwen, vele duizenden jaren lang in de hel gekweld zou zijn."[37]

        

        Daarna vertoefde de eerwaarde Angulimala alleen, teruggetrokken in de zaligheid van de bevrijding. En hij uitte deze uitroep:[38]

        "Wie eens achteloos leefde, dan nooit meer achteloos is, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken."

        "Wie het vroeger begane kwaad nu omkeert, in plaats daarvan heilzame daden doet, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.”[39]

        "De jeugdige bhikkhu wiens streven nu de leer van de Boeddha geldt, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken."

        "Mogen mijn vijanden Dhamma-toespraken horen, mogen zij zich wijden aan de leer van de Verhevene. Mogen mijn vijanden zorgen voor goede mensen die anderen tot vertrouwen in de Dhamma leiden."

        "Mogen mijn vijanden af en toe luisteren naar de Dhamma die verkondigd wordt door degenen die over toegeeflijkheid praten. Mogen degenen die het loflied van welwillendheid zingen, de Dhamma navolgen en goed handelen."

        "Beslist zouden zij mij dan geen kwaad willen doen, en niet eraan denken anderen kwaad te doen. Mogen zij de beste, hoogste vrede vinden."

        "Leidingbouwers leiden het water, vlechters buigen de pijlschacht recht, timmerlieden geven aan het hout nieuwe vormen. Maar de wijze streeft naar zelfbedwinging."

        "Menigeen hier bedwingt alleen met de stok, sommigen met haken en anderen met zwepen. Ik evenwel werd door iemand beteugeld die geen roede heeft noch andere wapens."

        "'Ongevaarlijk' luidt mijn tegenwoordige naam,[40] hoewel ik eens een gevaarlijk mens was. Mijn tegenwoordige naam verkondigt de waarheid. Ik bezeer geen enkel wezen meer."

        "Eens leefde ik als een gemene misdadiger. Men noemde mij 'Vingerkrans' [Angulimala]. Geweldige vloedgolven hebben mij meegesleurd naar de Boeddha, de leraar tot wie ik mijn toevlucht nam."

        "En ofschoon eens bloed aan mijn handen kleefde, noemde men mij 'Vingerkrans'. Zie welke toevlucht ik heb gevonden: de boei van het worden is nu vernietigd."

        "Hoewel ik menige slechte daad heb begaan die naar wedergeboorte in de lagere sferen leidt, heeft mij hier toch het resultaat ervan achterhaald. Zo eet ik nu onbezwaard door schulden."[41]

        "Dwazen zijn zij en helemaal zonder verstand die zich zelf aan de onachtzaamheid geven. Maar degenen vol wijsheid waken over de behoedzaamheid, en behandelen haar als hun waardevolste schat."

        "Open niet de poorten voor de onachtzaamheid, en streef niet naar zintuiglijk genot. Mediteer liever, helemaal vervuld van behoedzaamheid, om hier en nu volmaakt geluk te verkrijgen."

        "De keuze die ik maakte, heet ze dus welkom; laat ze zo staan, die keuze was niet slecht. Ik ben tot de beste en hoogste gekomen van alle Dhammas die aan de mensen bekend zijn."

        "De keuze die ik maakte, heet ze dus welkom; laat ze zo staan, die keuze was niet slecht. Ik heb het drievoudige weten verworven, alles voltooid wat de Boeddha onderwijst."

M.87. (M.IX.7) Piyajātika sutta

       De Verhevene vertoefde in de zesde regentijd voor het eerst te Sāvatthi. Daar hoorde hij dat de innig geliefde enige zoon van een inwoner van die plaats gestorven was. De vader van de gestorvene ging naar de Boeddha die tot hem zei: “Gezinshoofd, uw vermogens schijnen te zijn als van iemand die buiten zinnen is; uw vermogens schijnen niet normaal te zijn.” - "Heer, hoe kunnen die normaal zijn nu mijn innig geliefde enige zoon dood is. Sedert zijn dood heb ik geen gedachte meer gekoesterd aan mijn werk of aan mijn maaltijden. Ik blijf maar naar de knekelplaats gaan en blijf maar roepen naar mijn enig kind.” – “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefde personen die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.” – “Wie kan nu zoiets denken, Heer? Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.”

        Het gezinshoofd keurde de woorden van de Verhevene af en had een andere mening. Hij stond op en ging weg. Bij die gelegenheid nu waren enkele spelers niet ver van de Verhevene aan het dobbelen. Het gezinshoofd ging naar hen toe en vertelde wat er gebeurd was. Zij gaven hem gelijk met de woorden: “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.” Het gezinshoofd was het met de dobbelaars eens en ging zijns weegs.

        Dit verhaal bereikte uiteindelijk het koninklijke paleis. Koning Pasenadi zei aan de koningin: “Mallika, wat is de bedoeling van de woorden van de monnik Gotama?” – “Heer, als de Gezegende iets heeft gezegd, dan is dat ook zo.”

        Koning Pasenadi, die toen nog een aanhanger van andere asceten was, zei daarop: “U spreekt als een volgelinge van de monnik Gotama. Ga maar weg, Mallika.”

        Koningin Mallika vroeg aan de brahmaan Nalijangha om naar de Verhevene te gaan en hem in haar naam eer te betonen. Ook moest hij vragen of de Verhevene had gezegd dat innig geliefde personen verdriet brengen. Het antwoord moest hij dan aan de koningin vertellen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid.”

        De brahmaan deed wat hem was gevraagd. De Gezegende gaf ten antwoord: “Inderdaad, zo is het; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.”

        De Boeddha haalde toen veel voorbeelden aan, zoals onder andere het volgende: “Eens was hier in Savatthi een vrouw wier moeder stierf. Op grond daarvan raakte zij haar verstand kwijt en liep waanzinnig door de straten. En overal vroeg zij of iemand haar moeder had gezien.” En de Verhevene vertelde verder: “Hieruit kan begrepen worden hoe innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop.”

        Nalijangha keerde naar de koningin terug en vertelde haar wat de Boeddha had gezegd. Daarop ging zij naar koning Pasenadi en vroeg: “Heer, wat is uw mening? Is uw dochter, prinses Vajiri, u dierbaar?” – “Jazeker, Mallika, zij is mij dierbaar.” – “Heer, wat denkt u dan; indien er een verandering plaats had bij prinses Vajiri, zou dat dan verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop?” – “Ja, elke verandering bij haar zou een verandering in mijn leven betekenen. Hoe zouden dan verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop niet in mij ontstaan?” – “Heer, juist met betrekking hierop heeft de Gezegende, die weet en ziet, die volmaakt en geheel ontwaakt is, gezegd: ‘Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.’”

        Hierna vertelde de koningin nog enkele andere voorbeelden. De koning zei daarop: “Mallika, het is wonderbaarlijk, het is prachtig hoe ver de Gezegende iets doordringt en met begrip ziet.” En koning Pasenadi stond van zijn zetel op, schikte zijn oppergewaad over een schouder en hief zijn handen omhoog met de palmen ervan in de richting van de Verhevene. En hij sprak drie keer: “Eer aan de Gezegende, de Volmaakte, de geheel Ontwaakte.”

M.88. (M.IX.8) Bāhitikā sutta

        Te Sāvatthi, aan de oever van de rivier Aciravatī. Koning Pasenadi stelt aan Ānanda een vraag over gedrag. Ānanda beantwoordt de vraag. Onheilzame daden, woorden en gedachten zijn afkeurenswaardig. Heilzame daden, woorden en gedachten zijn prijzenswaardig. Koning Pasenadi was blij met de leerrede. Hij gaf Ānanda een gewaad gemaakt van stof uit het land Bāhiti.

M.89. (M.IX.9) Dhammacetiya sutta

        Te Medalumpa in het land van de Sakyas. Koning Pasenadi van Kosala bezocht er de Boeddha. Bij het binnengaan in het park knielde hij in verering neer met zijn voorhoofd tot aan de voeten van de Boeddha. Op de vraag waarom de koning zo'n extreme nederigheid en zo’n respect voor het lichaam van de Boeddha toonde, gaf de koning een lofspraak over de Boeddha en prees de deugden van de Boeddha, Dhamma en Sangha. ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht. Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene. Van goed en plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende.'[42]

        De Verhevene zei aan de monniken dat zij die woorden van de koning van buiten moesten leren en vaak moesten reciteren als eer aan de Dhamma.

M.90. (M.IX.10) Kannakatthala sutta

        Te Uruttā. De Boeddha geeft er antwoorden aan koning Pasenadi van Kosala over alwetendheid, over goden, het kaste-systeem met de vier klassen van personen en hun bestemming na de dood, over Sabbattuta Ñāna, en over de grote Brahmā.         

        De factoren die nodig zijn voor de bevrijding kunnen door iedereen bereikt worden, ongeacht ras of kaste. Het leven van hooggeplaatste personen kan hindernissen hebben die de ontwikkeling van die factoren belemmeren.


[1] U Ko Lay 1985, p. 58-60; Webb 1975, p. 13-14.

[2] De vijf lagere boeien leiden naar geboorte in de zinnelijke sferen. De vernietiging ervan komt tot stand bij het bereiken van het derde niveau van heiligheid, de niet-wederkeer, en leidt naar geboorte in de Zuivere Verblijven.

[3] Inzicht gebaseerd op kalmte van geest; zelfs in deze verheven toestanden van de geest worden de kenmerken van het bestaan onderkend.         

[4] Wanneer de vormloze verdiepingen als basis voor inzicht dienen, is vorm als object van beschouwing niet meer aanwezig.

[5] De bevrijding is in beide gevallen dezelfde. De manier waarop ze verkregen wordt, verschilt onderling, al naar gelang concentratie of wijsheid de overheersende vaardigheid is. In beide gevallen zijn zowel concentratie als wijsheid hoog ontwikkeld aanwezig.         

[6] Volgens de Pātimokkha-regels mogen de bhikkhus alleen in de tijd tussen zonsopgang en middageten. [Zij eten meestal een klein ontbijt en dan rond 11 uur een middagmaal]. De praktijk om slechts één keer per dag te eten, is een toegevoegde oefening.

[7] In sommige Vipassana-tradities wordt heel veel waarde gehecht aan oplettendheid, zodat men de indruk kan krijgen dat oplettendheid het centrale thema van de leer van de Boeddha is. Maar de Boeddha toont hier duidelijk dat niet oplettendheid maar wijsheid de sleutelpositie inneemt. De boeien worden niet verwijderd door oplettendheid maar door het doordringen van de vier edele waarheden.

[8] De vierde verdieping en ook de vormloze verdiepingen worden op de voorgrond geplaatst omdat deze meditatieve toestanden al een hoge mate aan verzaking veronderstellen. In het volgende zal men evenwel zien dat de Boeddha ervoor waarschuwt om zich op de lauweren van elk concentratieniveau uit te rusten.

[9] Het beëindigen van waarneming en gevoel is geen verdere meditatieve verdieping, maar komt tot stand door de combinatie van kalmte van geest en bovennatuurlijk inzicht. Voorwaarde is minimaal de vernietiging van de vijf lagere boeien, dus niet meer wederkeer.         

[10] Het feit of een gevoel aangenaam, pijnlijk of neutraal is, zegt niets over karmische gevolgen van de daad die met dat gevoel verbonden is. In M.137 wordt uitvoerig uitgelegd dat gevoelens die een toename van het heilzame met zich meebrengen, berusten op inzicht. Gevoelens die een toename van het onheilzame met zich meebrengen, berusten op het vasthechten aan zinnelijke objecten.

[11] Bij de volgende zevenvoudige indelen van edelen (heiligen) staat hun geestelijke vaardigheid op de voorgrond, minder de classificatie naar aantal van afgelegde boeien, zoals het geval is bij de viervoudige resp. de achtvoudige indeling.

[12] Iemand die op beide manieren bevrijd is, is een arahant die bevrijding verkregen heeft op de basis van een vormloze verdieping, resp. een arahant die de vormloze verdiepingen kan uitoefenen. Iemand die door wijsheid bevrijd is, is een arahant in het algemeen.         

[13] De drie laatstgenoemde individuen zijn niet meer wederkerenden; bij hen is de neiging van de zinnen vernietigd, de neiging tot worden heeft alleen nog betrekking op worden van fijnstoffelijke vorm of vormloos worden; de neiging van onwetendheid is nog aanwezig. Bij de lichaamsgetuige staat de vaardigheid van concentratie voorop, bij iemand die rijp is in visie staat de vaardigheid van wijsheid voorop, bij de door vertrouwen bevrijde staat het vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Sangha voorop. Andere interpretaties brengen deze begrippen in betrekking op alle edelen vanaf stroomintrede: de bij hen vernietigde neiging is de neiging van visie die in enkele leerreden genoemd wordt.

[14] Degene die de Dhamma volgt en degene die vertrouwen volgt zijn ertoe bestemd om in de stroom in te treden. Bij hen staat wijsheid, resp. vertrouwen op de voorgrond.         

[15] Het commentaar heeft een eenvoudige uitleg: 'met het geestelijke lichaam.' Misschien is ook de omschrijving 'in dit leven' toelaatbaar.

[16] U Ko Lay 1985, p. 60-63; Webb 1975, p. 14-15.

[17] In M.90 zegt de Boeddha dat het mogelijk is alles te weten en te zien, maar niet alles ineens. In A.IV.24 zegt hij dat hij alles kent wat zichtbaar, hoorbaar, voelbaar en waarneembaar is. [Hij kent ervan dat alles zonder zelf is, dat het vergankelijk is, oorzakelijk ontstaan].

[18] Deze vragen gaan uit van een zelf, een ik.

[19] De Tathāgata identificeert zich niet met de vijf khandhas en kan ook niet ermee geïdentificeerd worden, hij is „niet vindbaar“.

[20] Webb 1975, p. 15; U Ko Lay 1985, p. 62.

[21] Het kasina is een meditatie-object dat vooral geschikt is voor de meditatie voor kalmte. De oefenende gaat uit van een uiterlijk object, bijvoorbeeld een gekleurde schijf, en ontwikkelt een geestelijk beeld ervan. Bij het naderen tot die verdiepingen verandert dat innerlijk beeld tot een zogenaamd teken (nimitta), dat onafhankelijk van de verbeelding als een uiterlijk object schijnt te bestaan, maar aan helderheid en zuiverheid het 'echte' gekleurde object overtreft. De kleuren-kasinas zijn wellicht de eenvoudigste vorm van deze manier van mediteren. De iets moeilijker kasinas nemen de elementen als object. Bij het aarde-kasina bijvoorbeeld wordt gemediteerd over een omgrensd gebied van vastheid (niet over de kleur van aarde). De moeilijkste kasinas zijn ruimte en bewustzijn. De kasina-meditatie geldt als voorwaarde voor de ontplooiing van bovennatuurlijke vaardigheden. Het kasina kan ook gebruikt worden om inzicht te verkrijgen. 

[22] U Ko Lay 1985, p. 63.

[23] Die is een arahant.

[24] 'Zonder rest' wijst erop dat het bovennatuurlijke niveau van stroomintrede is bedoeld, en niet alleen tijdelijk deugdzaam gedrag op grond van terughoudendheid.

[25] De arahant heeft deugdzaam gedrag, maar hij identificeert zich niet ermee, het is niet 'zijn' deugdzaamheid. Omdat dit gedrag geen karmische vrucht meer veroorzaakt, kan het ook niet als 'heilzaam' aangeduid worden.

[26] Commentaar: de eerste jhana in verbinding met het bereiken van niet meer wederkeer. Bij het bereiken van niet meer wederkeer wordt zinsbegeerte en kwaadwil vernietigd zodat genoemde onheilzame bedoelingen niet meer kunnen ontstaan.

[27] Commentaar: de tweede jhana in verbinding met het bereiken van arahantschap.

[28] U Ko Lay 1985, p. 63.

[29] Commentaar: In het verleden kregen de volgelingen van deze sekte door middel van kasina-meditatie de derde jhana en werden wedergeboren in de hemel van schitterende glorie. Na verloop van tijd ging deze praktijk verloren en de asceten leerden deze hemelse wereld alleen van horen zeggen kennen, en beschouwden onjuist het navolgen van de genoemde vijf regels van deugdzaamheid als de weg erheen. Zij kenden niets hogers dan de derde jhana.

[30] Arahantschap is ook mogelijk zonder wereldlijke bovennatuurlijke vaardigheden. 'Het kennen van verleden en het zien van de toekomst' heeft dus niet betrekking op deze vaardigheden maar op de zekerheid dat de neigingen vernietigd zijn en dat daarom geen karmisch handelen meer plaats vindt dat oorzaak voor toekomstige geboorte zou kunnen zijn.

[31] Volgens het commentaar had hij ten tijde van de Boeddha Kassapa een andere monnik ervan overtuigd om de Orde te verlaten; en dit was nu het karmische resultaat ervan. Maar de beide lange leerreden van de Boeddha zouden later hun uitwerking tonen: ten tijde van keizer Asoka kreeg hij als bhikkhu Assagutta de volmaakte heiligheid.

[32] Webb 1975, p. 15-16; U Ko Lay 1985, p. 63-67.

[33] De Boeddha noemde hem als eerste onder degenen die uit vertrouwen in de huisloosheid vertrokken waren.

[34] de Eerwaarde Angulimāla had drie van de ascetische oefeningen (dhutanga) op zich genomen.

[35] d.w.z. sedert Angulimāla het eerste niveau van heiligheid bereikt had.

[36] Deze paritta wordt in Boeddhistische landen door vrouwen in verwachting als bescherming gereciteerd.

[37] Dit bleef hem door zijn arahantschap bespaard.

[38] Deze verzen bevinden zich ook in het Theragāthā, en gedeeltelijk in het Dhammapada.

[39] Vergelijk Dhp.173.

[40] ‘Ongevaarlijk’ is de betekenis van 'Ahimsaka', zijn vroegere naam. Uit dit vers kan men opmaken dat hij als Arahant - en misschien al eerder - de naam Angulimala gewijzigd had in Ahimsaka.

[41] Men zegt dat bhikkhus, die nog geen arahants zijn, hun aalmoezen als erfgenamen van de Boeddha eten. De Arahants eten 'schuldenvrij' omdat zij zelf tot hoogste veld van verdienste zijn geworden.

[42]  Vergelijk A.X.30

.