Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.2. (4-6) Majjhima nikaya  IV-VI (M.31-60)


   M.IV. Mahāyamaka-vagga (M.31-40)       M.V. Cūlayamaka-vagga (M.41-50)       M.VI. Gahapati-vagga (M.51-60)

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Majjhima Nikāya

Vagga IV-VI (M.31-60)

M.IV. Mahāyamaka-vagga (M.31-40) (M.IV. 1-10)

M.31 (MN.IV.1)

M.32 (MN.IV.2)

M.33 (MN.IV.3)

M.34 (MN.IV.4)

M.35 (MN.IV.5)

M.36 (MN.IV.6)

M.37 (MN.IV.7)

M.38 (MN.IV.8)

M.39 (MN.IV.9)

M.40 (MN.IV.10)

        Over diverse monniken. De elf slechte en goede eigenschappen van een veehoeder. Uitleg onder welke voorwaarden de leer zal groeien en onder welke ze zal afnemen. De leer zal toenemen wanneer een monnik bekwaam is in elf factoren. De volgelingen van leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid zullen niet goed eindigen. De aard van de vijf khandhas. Kamma. Hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. De manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen. Bij wedergeboorte verhuist geen enkele factor van het ene naar het andere lichaam. Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda). De plichten van een monnik, te beginnen bij het vermijden van slechte daden, beheersing in lichamelijke en geestelijke daden, meditatie, het bereiken van de vier jhānas t/m Nibbāna. De eigenschappen van een echte monnik.[1]


M.31. (M.IV.1) Cūlagosinga sutta

        Te Nadika. De monniken Anuruddha, Nandiya en Kimila verblijven in het Gosinga salabos. De Boeddha zoekt hen op en prijst hen voor hun goede manier van leven, in eendracht en harmonie. Zij vertellen hem wat zij hebben bereikt. Wanneer zij maar willen, kunnen zij in de jhanas intreden. En de neigingen zijn geheel en al vernietigd.[2]

        Daarna wordt de Boeddha opgezocht door de godheid Digho die de Boeddha en de drie monniken eert. Dat eren dringt door tot omhoog in de wereld van de goden.

(Zie ook M.128)

M.32. (M.IV.2) Mahāgosinga sutta

        De belangrijkste discipelen van de Boeddha, zoals de eerwaarden Sāriputta, Maha Moggallāna en anderen, waren bijeengekomen in het Gosinga-salabos. Daar spraken zij over de Dhamma. De eerwaarde Sāriputta vroeg er aan de Boeddha wie dit bos het meeste zou tooien en de schoonheid ervan zou vergroten. De eerwaarden Revata, Anuruddha, Mahā Kassapa, Mahā Moggallāna, Sāriputta en de Boeddha zelf gaven een antwoord, ieder op zijn eigen manier. Tenslotte gaf de Boeddha zijn goedkeuring aan wat was gezegd. Maar hij voegde eraan toe: “Dit bos zou nog veel meer in grootheid toenemen door de aanwezigheid van een monnik die hier kon zitten met het vaste voornemen niet eerder op te staan totdat hij de uiteindelijke bevrijding van het kwade had verwerkelijkt.”[3]

 

M.33. (M.IV.3) Mahāgopālaka sutta - Factoren tot groei in de leer

        Te Sāvatthi. De Boeddha legt er uit onder welke voorwaarden een monnik in de leer zal groeien. De gelijkenis van de koeherder. Wanneer die elf goede eigenschappen heeft om zijn vee te hoeden, is er voorspoed voor hem. Evenzo zal een monnik in de leer tot groei komen wanneer hij bekwaam is in elf factoren.

        Die elf factoren zijn: 1) weten dat vorm bestaat uit de vier grote elementen; 2) weten dat het kenmerk van een dwaas en dat van een wijze zijn handelen is; 3) overwinning en verwijdering van slechte onheilzame gedachten; 4) zich niet hechten aan vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten; waken over de zintuigen; 5) onderricht van de leer aan anderen; 6) vaak geleerde monniken bezoeken die de leer goed kunnen uitleggen en hun in geval van twijfel nadere uitleg vragen; 7) zich verheugen wanneer de leer verkondigd wordt; 8) kennis van het edele achtvoudige pad; 9) het begrijpen van de vier pijlers van oplettendheid; 10) de maat weten bij het nemen van gewaden, eten, rustplaats en medicijnen wanneer men uitgenodigd wordt; 11) het brengen van hoogachting aan oudere monniken. In handelingen, taal en gedachten beoefent hij metta jegens hen, zowel in het openbaar als privé.

        Wanneer een bhikkhu deze eigenschappen heeft, is hij in staat tot groei in de leer.[4]

M.34. (M.IV.4) Cūlagopālaka sutta

        Gelijkenis van de onbekwame koeherder die zijn kudde vee op een verkeerde plaats de rivier laat oversteken en ze zo tot de dood leidt. Op gelijke wijze zijn de volgelingen van de leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid. Zij zullen niet goed eindigen.[5]

        Verder de gelijkenis van de bekwame koeherder die zijn kudde vee op een goede plaats de rivier laat oversteken. Zij komen allemaal veilig aan de andere oever. Op gelijke wijze gaat het met de volgelingen van de Boeddha. Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken. Besproken worden de niveaus van heiligheid.

M.34. (M.IV.4) De korte gelijkenis van de koeienherder

 

        Eens vertoefde de Verhevene in het land Vajji, bij Ukkācelā, aan de oever van de Ganges. Hij sprak er de monniken toe.

        De bhikkhus die met de vernietiging van de neigingen Arahants zijn geworden, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die de boeien van het worden vernietigd hebben en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd zijn, – zij zijn veilig aan de andere oever aangekomen waarbij zij de stroom van Mara trotseerden.

        De bhikkhus die met de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan (in de reine sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana zullen verkrijgen, zonder van die wereld terug te keren, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien en met de vermindering van begeerte, haat en onwetendheid eenmaal wederkerenden zijn geworden, die nog één keer in deze wereld terugkeren om aan het lijden een einde te maken, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien in de stroom getredenen zijn geworden, die niet langer aan het verderf onderhevig zijn, die zeker zijn (van de weg) die het Ontwaken tegemoet gaan , – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die de leer navolgen, die vertrouwen hebben, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken.

M.35. (M.IV.5) Cūlasaccaka sutta

        Klein gesprek tussen de Boeddha en de Jain Niganthaputta Saccaka en wel over de aard van de vijf khandhas. Saccaka was een zwervende asceet en een groot redenaar. Vol trots zei hij dat niemand hem kon overwinnen in redeneren. Hij ging ook naar de Boeddha en probeerde hem aan te vallen. De Jain beweerde dat iemand een zelf heeft en dat dit zelf de vruchten van goede en slechte daden krijgt. De Boeddha weerlegde deze theorie. Hij toonde aan dat alles vergankelijk is en dat er geen zelf is.

De Jain Saccaka vroeg:

“Op welke manier leidt meester Gotama zijn leerlingen op? En op welke manier wordt de instructie van meester Gotama normaal aan zijn leerlingen gegeven?'"

“Op deze manier, Aggivessana, leid ik mijn leerlingen op en op deze manier wordt mijn instructie normaal aan mijn leerlingen gegeven: 'Bhikkhus, vorm is vergankelijk, gevoel is vergankelijk, waarneming is vergankelijk, formaties zijn vergankelijk, bewustzijn is vergankelijk. Bhikkhus, vorm is niet-zelf, gevoel is niet-zelf, waarneming is niet-zelf, formaties zijn niet-zelf, bewustzijn is niet-zelf. Alle verschijnselen zijn vergankelijk; alle dingen zijn niet-zelf. Op deze manier leid ik mijn leerlingen op en op deze manier wordt mijn instructie normaal aan mijn leerlingen gegeven."

De Jain Saccaka beweerde daarop dat iemand vorm als zelf heeft. En ook heeft iemand gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn als zelf.

De Boeddha weerlegde dit:

“Vorm is niet het zelf. Men heeft er geen macht over zodat men kan zeggen: ‘Mijn vorm moet zo zijn; mijn vorm moet niet zo zijn, moet anders zijn.’

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. Ze zijn niet het zelf. Men heeft er geen macht over zodat men kan zeggen: ‘Mijn gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn moeten zo zijn; mijn gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn moeten niet zo zijn, moeten anders zijn.’

Vorm is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, is onvoldaan, niet tevreden stellend, leed brengend. Daarvan kan men niet zeggen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. Die zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, is onvoldaan, niet tevreden stellend, leed brengend. Daarvan kan men niet zeggen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’

Wanneer men aan dukkha gehecht is, zich aan dukkha vasthoudt en wanneer men datgene wat dukkha is, zo beschouwt: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’, dan kan men dukkha niet zelf volledig doorzien.  

Daarom moet men niet gehecht zijn aan dukkha, moet zich niet aan dukkha vasthouden en daarom moet men datgene wat dukkha is, niet zo beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’”

        De Jain Saccaka bevestigde dat hij in het debat door de Boeddha was overwonnen. En hij stelde een andere vraag.

“Op welke manier is een leerling van de monnik Gotama iemand die zijn instructies opvolgt, die zijn raad volgt, die de twijfel achter zich heeft gelaten, die vrij van verwarring is geworden, die zelfvertrouwen heeft verkregen en in de leer van de leraar onafhankelijk van anderen is geworden?"

De Boeddha gaf ten antwoord:

"Welke soort van vorm ook, hetzij in het verleden, in de toekomst of thans, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of dichtbij - een leerling van mij beschouwt elke vorm met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn.

Op die manier is een leerling van de monnik Gotama iemand die de instructies opvolgt, die mijn raad volgt, die de twijfel achter zich heeft gelaten, die vrij van verwarring is geworden, die zelfvertrouwen heeft verkregen en in de leer van de leraar onafhankelijk van anderen is geworden.”

        Vraag van Saccaka:

"Meester Gotama, op welke manier is een bhikkhu een arahant met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de banden van het worden heeft verwoest en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is?"

De Boeddha:

"Welke soort van vorm ook, hetzij in het verleden, in de toekomst of thans, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of dichtbij - een bhikkhu heeft elke vorm met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;' en door niet-hechten is hij bevrijd.

Evenzo met alle soorten van gevoel, alle soorten van waarneming, alle soorten van geestelijke formaties, alle soorten van bewustzijn - een bhikkhu heeft elke soort ervan met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij , dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;'en door niet-hechten is hij bevrijd.

Op deze manier is een bhikkhu een arahant met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de banden van het worden heeft verwoest en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is.

Wanneer de geest van een bhikkhu zo bevrijd is, dan heeft hij drie onovertroffen eigenschappen: onovertroffen visie, onovertroffen uitoefening van de weg en onovertroffen bevrijding. Wanneer een bhikkhu zo bevrijd is, dan eert, respecteert, hoogacht en vereert hij de Tathāgata steeds nog zo: "De Verhevene is verlicht en onderwijst de Dhamma omwille van de Verlichting. De Verhevene heeft zichzelf bedwongen en onderwijst de Dhamma omwille van de zelfbeteugeling. De Verhevene is in vrede en onderwijst de Dhamma omwille van de vrede. De Verhevene is naar de overkant gegaan en onderwijst de Dhamma omwille van het naar de overkant gaan. De Verhevene heeft nibbana bereikt en onderwijst de Dhamma omwille van het bereiken van nibbana."

Na deze woorden gaf Saccaka, de zoon van Nigaṇṭha ten antwoord: "Meester Gotama, wij waren vermetel en onbeleefd toen we dachten dat wij Meester Gotama in het debat konden aanvallen.

Moge de Gezegende, samen met Sangha van de bhikkhus, ermee instemmen de maaltijd van morgen van mij aan te nemen. " De Verhevene stemde zwijgend in.

Toen Saccaka, de zoon van Nigaṇṭha, wist dat de Verhevene had ingestemd, richtte hij zich tot de Licchaviers: "Luister naar mij, Licchaviers. De monnik Gotama werd door mij uitgenodigd voor de maaltijd van morgen, samen met de Sangha van de bhikkhus. Jullie kunnen alles brengen waarvan jullie denken dat passend voor hem is."

Toen de nacht voorbij was, brachten de Licchaviers 500 ceremonie-schotels vol melkrijst als maaltijd. Vervolgens liet Saccaka verschillende voortreffelijke gerechten in zijn eigen park klaar maken en liet de Verhevene de tijd aankondigen: "Het is tijd, Meester Gotama, de maaltijd is klaargemaakt."

Daarna, toen het ochtend was, kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn kom en buitengewaad en ging met de Sangha van de bhikkhus naar Saccaka en nam plaats op de voorbereide zitplaats. Toen bediende Saccaka, de zoon van Nigaṇṭha persoonlijk de Sangha van de bhikkhus onder leiding van de Boeddha en gaf hen te eten met de verschillende voortreffelijke gerechten. Nadat de Verhevene had gegeten en zijn hand van de kom had weggehaald, ging Saccaka op een lagere zitplaats zitten, ging aan de zijkant zitten en zei tegen de Verhevene: "Meester Gotama, mogen de verdiensten en de voortreffelijke verdienstelijke vruchten van deze daad van geven aan het geluk van de gevers ten goede komen."

“Saccaka, wat daar ook uit ontstaat, wanneer aan iemand zoals jij gegeven wordt - iemand die niet vrij is van begeerte, niet vrij van haat, niet vrij van verblinding - dat zal de gevers ten goede komen. En wat daaruit ook ontstaat, wanneer aan iemand zoals ik wordt gegeven - iemand die vrij is van hebzucht, vrij van haat, vrij van verblinding - dat zal jou ten goede komen."

M.36 (M.IV.6) Mahāsaccaka sutta – Verblinde en niet-verblinde levenswijze

        Te Vesali. Groot gesprek tussen de Jain Saccaka en de Boeddha over meditatie. De Boeddha onderwees Saccaka hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. Hij vertelde hem ook over zijn ervaringen (ascetische oefeningen) in het begin van zijn zoektocht naar de bevrijding en hoe hij de volmaakte Verlichting bereikt had.

        Verder onderwees de Boeddha Saccaka als volgt:

        "Ik weet nu weliswaar: Als ik aan een veelhoofdige vergadering de leer heb getoond, dan denkt beslist ieder van mij dat ik speciaal voor hem de leer verkondig. Maar dat mag niet zo gezien worden in aanmerking nemende dat de Volmaakte ook ter onderrichting van anderen de leer toont. En aan het einde van zo'n toespraak vestig ik bij zo iemand, wanneer tekenen van verdieping (diepgrondigheid) aanwezig zijn, de geest door er persoonlijk op in te gaan. Ik breng hem tot rust, maak hem geconcentreerd, wek hem op. Dat is een gewoonte waarbij ik steeds ben gebleven."

         Saccaka: "Dat is het passende voor heer Gotama, de heilige, volledig Ontwaakte. Staat heer Gotama echter toe dat hij overdag slaapt? "

        De Boeddha: "Ik sta toe dat ik in de laatste maand van het hete seizoen - na de maaltijd, als ik ben teruggekeerd van het aalmoezen vergaren, nadat ik het oppergewaad vier maal gevouwen en in orde heb gemaakt, op de rechter zijde liggend, nadenkend, bezonnen, - mij aan de slaap overgeef."

        "Heer Gotama, volgens sommige boetelingen en brahmanen is dit een verblinde levenswijze."

        "Niet in zoverre is men verblind of niet verblind; maar luister aandachtig hoe men wel of niet verblind is. Ik zal het je uitleggen."

        "Ja, Heer."

        De Verhevene sprak aldus: "Bij alwie de neigingen – de besmettende, die tot wedergeboorte leiden, die smartelijk zijn en die in leed rijpen, die verder tot geboorte, ouderdom en sterven leiden – niet zijn opgegeven, die persoon noem ik verblind. Door het niet opgeven van de neigingen is men verblind.

        Maar bij alwie de neigingen – de besmettende, die tot wedergeboorte leiden, die smartelijk zijn en die in leed rijpen, die verder tot geboorte, ouderdom en sterven leiden – zijn opgegeven, die persoon noem ik niet verblind. Door het opgeven van de neigingen is men niet verblind.

        Bij de Volmaakte evenwel zijn de neigingen opgegeven, met wortel en al verwoest, aan een uit de grond getrokken palmira-palmboom gelijk gemaakt, tot niet meer zijn gebracht, voortaan niet meer in staat om te ontstaan. Zoals een onthoofde palmboom niet in staat is tot verdere groei, evenzo zijn ook bij de Volmaakte de neigingen opgegeven, met wortel en al verwoest."

        

        Saccaka zei dat de Boeddha alles heel goed had uitgelegd. Hij betuigde eer aan de Boeddha en nam afscheid.

M.37. (M.IV.7) Cūlatanhāsankhaya sutta

        Te Savatthi. Sakka, de koning van de goden, vroeg aan de Boeddha op welke manier iemand door de vernietiging van begeerte bevrijd is. Het antwoord van de Verhevene luidde: "Wanneer iemand vernomen heeft dat niets waard is zich eraan te hechten, onderkent hij alle dingen direct. Daardoor doorschouwt hij alle dingen; daardoor beoefent hij het beschouwen van de vergankelijkheid van gevoel, hetzij aangenaam of onaangenaam of neutraal. Hij beschouwt de ontzegging, het loslaten, het beëindigen. Hij hecht aan niets in de wereld. Daardoor is hij niet opgewonden. In eigen persoon verkrijgt hij Nibbana.“

        De eerwaarde Mahā Moggalāna vroeg zich af of Sakka alles goed begrepen had. Hij ging naar de hemelse sfeer waar hij devoot ontvangen wordt door Sakka. Deze leidde hem rond in zijn nieuwe paleis dat gebouwd was na de overwinning over de demonen. Bij de rondleiding was Sakka vervuld van trots. Mahā Moggallāna merkte dit. Om Sakka te helpen vrij te worden van deze ijdelheid gebruikte hij zijn bovennatuurlijke kracht. Met een kleine druk van zijn dikke teen bracht hij het hele paleis tot wankelen. Uit bewondering en devotie bracht Sakka eer aan de ouderling. Nederig luisterde hij naar diens preek over de manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen.         

        De Eerwaarde Maha Moggallana merkte dat Sakka begrepen had wat de Boeddha hem had onderwezen. En tevreden keerde hij naar Savatthi terug.

M.38. (M.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta

        Te Savatthi. De monnik Sāti had het verkeerde inzicht dat na de dood het bewustzijn van iemand uit het lichaam komt en verhuist naar een ander lichaam waar die persoon dan geboren wordt. De Boeddha legde hem uit dat geen enkele factor verhuist van het ene naar het andere lichaam. Het bewustzijn ontstaat door oorzaken. Zonder oorzaken kan bewustzijn niet ontstaan. In afhankelijkheid van oog en vorm ontstaat zienbewustzijn. In afhankelijkheid van oor en geluid ontstaat hoorbewustzijn. In afhankelijkheid van neus en geur ontstaat ruikbewustzijn. In afhankelijkheid van tong en smaak ontstaat smaakbewustzijn. In afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject ontstaat lichaambewustzijn. In afhankelijkheid van geest en geestobject ontstaat geestbewustzijn.

        Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda).

[Zoals de eerwaarde Nagasena opmerkte: "De appel zit niet in de boom. Maar door oorzaken verschijnt hij als aan de voorwaarden voldaan wordt."]

M.38. (M.IV.8) Oorzakelijk ontstaan

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster.

        De monnik Sati had de verkeerde mening dat hetzelfde bewustzijn de kringloop van wedergeboorten doorloopt, en niet een ander bewustzijn.[6] Zijn medemonniken zeiden hem dat de Boeddha had onderwezen dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen bewustzijn. Maar de monnik Sati was niet van zijn verkeerde mening af te brengen. De monniken gingen daarom naar de Verhevene toe en vertelden hem over de verkeerde mening van de monnik Sati.

        De Boeddha liet die monnik halen en vroeg hem: “Wat is volgens jou dat bewustzijn?“ - “Het is dat wat spreekt en voelt en wat hier en daar de resultaten van goede en slechte daden ondervindt,“ antwoordde Sati.

        De Boeddha: “In veel leerreden heb ik uitgelegd dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen ontstaan van bewustzijn.”

        

        “Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat.[7] Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als zienbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als hoorbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als ruikbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als smaakbewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als lichaambewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geestbewustzijn.”

        “Monniken, zien jullie dat dit ontstaan is?” - “Jawel, Eerwaarde Heer.” - “Zien jullie dat het ontstaan ervan afhankelijk is van voedsel?” - “Ja, Eerwaarde Heer.” - “Zien jullie dat het ontstane onderworpen is aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt?”- “Ja, Eerwaarde Heer.”

        “Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand onzeker is wat betreft het bovenstaande?” - “Jawel, Eerwaarde Heer.”

        “Monniken, de twijfel is verdreven wanneer iemand met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid helder ziet: 'Dit is ontstaan; het ontstaan ervan is afhankelijk van voedsel; het ontstane is onderworpen aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt.'

        Hecht nergens aan. De leer is als een vlot dat dient om naar de andere oever te komen, niet om het vast te houden.

        Er zijn vier soorten voedsel tot onderhoud van de levende wezens die al in het bestaan getreden zijn en tot steun van degenen die op het punt staan te ontstaan.

        Die vier soorten voedsel zijn: fysieke spijzen, grove en fijne; contact; geestelijk willen; bewustzijn.

        Wat hebben deze vier soorten voedsel als oorsprong, waaruit zijn ze ontstaan? – Ze hebben begeerte als oorsprong, ze zijn uit begeerte ontstaan.

        Begeerte is ontstaan uit gevoel. Gevoel is ontstaan uit contact. Contact is ontstaan uit bereik van de zes zintuigen. Het bereik van de zes zintuigen is ontstaan uit naam en vorm. Naam en vorm heeft bewustzijn als oorsprong, is ontstaan uit bewustzijn. Bewustzijn heeft de formaties als oorsprong, is ontstaan uit formaties. De formaties hebben onwetendheid als oorsprong, zijn ontstaan uit onwetendheid.

 

        Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed, en wanhoop. Zo is het ontstaan van de hele massa van lijden.

        Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties.

        Als dit is, is dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere, namelijk:

Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn de formaties.

Oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn.

Oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm.

Oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen.

Oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact.

Oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel.

Oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte.

Oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten.

Oorzakelijk ontstaan door hechten is worden.

Oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte.

Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

        Dat is de oorsprong van deze hele massa van lijden.

        Maar met het restloze verbleken en opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties. Met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn. Met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm. Met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen. Met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact. Met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel. Met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte. Met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten. Met het opheffen van hechten is het opheffen van worden. Met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte. Met het opheffen van geboorte houden ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop op.

        Dat is het opheffen van die hele massa van lijden.

        Ouderdom en dood houden op met het ophouden van geboorte; met het opheffen van geboorte is het opheffen van ouderdom en dood.

Geboorte houdt op met het ophouden van worden; met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte.

Worden houdt op met het ophouden van hechten; met het opheffen van hechten is het opheffen van worden.

Hechten houdt op met het ophouden van begeerte; met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten.

Begeerte houdt op met het ophouden van gevoel; met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte.

Gevoel houdt op met het ophouden van contact; met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel.

Contact houdt op met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen; met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact.

Het bereik van de zes zintuigen houdt op met het ophouden van naam en vorm; met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen.

Naam en vorm houdt op met het ophouden van bewustzijn; met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm.

Bewustzijn houdt op met het ophouden van formaties; met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn.

Formaties houden op met het ophouden van onwetendheid; met het opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties.

        Als dit niet is, is dat niet; met het ophouden van het ene houdt het andere op.         

        Met het ophouden van onwetendheid volgt het ophouden van de formaties. Met het ophouden van de formaties volgt het ophouden van bewustzijn. Met het ophouden van bewustzijn volgt het ophouden van naam en vorm. Met het ophouden van naam en vorm volgt het ophouden van het bereik van de zes zintuigen. Met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen volgt het ophouden van contact. Met het ophouden van contact volgt het ophouden van gevoel. Met het ophouden van gevoel volgt het ophouden van begeerte. Met het ophouden van begeerte volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

        Dat is het ophouden van deze hele massa van lijden.

        Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij niet: 'Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?'

        Hij vraagt dan ook niet: 'Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?'

        Hij vraagt dan ook niet: 'Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?'

        Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn

        De ontvangenis van een embryo in een moederschoot vindt plaats wanneer drie dingen samenkomen.

        (1)        Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft maar de moeder niet haar vruchtbare dagen heeft, en het wezen dat wedergeboren moet worden niet aanwezig is, in dat geval is er geen ontvangenis.

        (2)        Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft en de moeder haar vruchtbare dagen heeft, maar het wezen dat wedergeboren moet worden, niet aanwezig is, ook in dat geval is er geen ontvangenis.

        (3)        Maar wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft en de moeder haar vruchtbare dagen heeft, en het wezen dat wedergeboren moet worden aanwezig is, in dat geval vindt er een ontvangenis plaats door het samenkomen van die drie dingen.

        De moeder draagt dan vol zorg het embryo negen of tien [maan]maanden in haar schoot – een zware last. Aan het einde van die periode baart zij het kind. Na de geboorte voedt zij het met haar eigen bloed, want zo wordt de moedermelk genoemd.

        Wanneer het kind opgroeit speelt het. Als het verder opgroeit en meer vaardigheden krijgt, dan geniet de jongeling het bestaan dat met de vijf strengen van zintuiglijk genot voorzien is.

Vormen, met het oog waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Geluiden, met het oor waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Geuren, waarneembaar met de neus, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Smaken, met de tong waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

Aanrakingsobjecten, met het lichaam waarneembaar, zijn gewenst, aangenaam, verbonden met begeerte.

        Wanneer hij met het oog een vorm ziet, is hij begerig ernaar als ze aangenaam is. Hij is afkerig ervan als ze onaangenaam is. Hij leeft zonder gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met begrensd gemoed en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden. Hij is zodanig verwikkeld in voorkeur en afkeer dat hij behagen schept in het gevoel, welk gevoel hij ook steeds mag voelen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het en houdt zich eraan vast. Omdat hij dat doet, verschijnt bij hem zich vermaken. Zich vermaken aan gevoel is hechten. Veroorzaakt door hechten is worden; veroorzaakt door worden is geboorte; veroorzaakt door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is de oorsprong van deze hele massa van lijden.

        Evenzo met oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, lichaam en aanrakingsobject, geest en geestobect.”

        Kortom: Wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, is hij begerig ernaar als het aangenaam is. Hij is afkerig ervan als het onaangenaam is. Hij leeft zonder gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met begrensd gemoed en hij begrijpt niet overeenkomstig de werkelijkheid de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden. Hij is zodanig verwikkeld in voorkeur en afkeer dat hij behagen schept in het zintuiglijk object, welk object hij ook steeds mag waarnemen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het en houdt zich eraan vast. Omdat hij dat doet, verschijnt bij hem zich vermaken. Zich vermaken aan een zintuiglijk object is hechten. Veroorzaakt door hechten is worden; veroorzaakt door worden is geboorte; veroorzaakt door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is de oorsprong van deze hele massa van lijden."

        "Monniken, een Tathāgata verschijnt in de wereld. Hij is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene. Hij onderwijst de leer die goed is in het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst ze met de juiste betekenis en de juiste uitdrukkingswijze; hij onthult een heilig leven dat geheel en al volmaakt en zuiver is.

        Iemand verneemt de leer en krijgt vertrouwen in de Boeddha. Hij neemt de regels van deugdzaamheid op. Hij onthoudt zich van doden; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid. Hij verspreidt geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij eet geen rauw vlees. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

        Een gezinshoofd en de zoon van een gezinshoofd of iemand die tot een ander gezin behoort, verneemt die Dhamma. Daardoor krijgt hij vertrouwen in de Tathāgata. In het bezit van dat vertrouwen overweegt hij: 'Het leven van een gezinshoofd is eng en stoffig. Het leven in de huisloosheid is wijd en open. Wanneer men thuis woont is het niet gemakkelijk om het heilige leven te leiden dat ten zeerste volmaakt en zuiver is. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis wegtrek naar het huisloze leven.' Bij een latere gelegenheid scheert hij hoofdhaar en baard af, trekt het gele gewaad aan en van het leven in huis trekt hij weg naar het huisloze leven. Daarbij geeft hij een klein of een groot vermogen op, een kleine of grotere kring van verwanten.

        Nadat hij zo in de huisloosheid is getrokken en de oefening en levenswijze van de bhikkhus op zich heeft genomen, onthoudt hij zich van doden en kwellen; hij leeft vol mededogen met alle levende wezens. Hij steelt niet; hij neemt niet wat niet is gegeven. Hij geeft onkuis gedrag op, onthoudt zich van geslachtelijk verkeer. Hij liegt niet; hij spreekt de waarheid, is te vertrouwen. Hij verspreidt geen roddelpraatjes; hij bevordert eendracht. Hij onthoudt zich van ruwe taal en van geklets. Hij spreekt over datgene wat goed is, spreekt over de Dhamma en de discipline. Hij spreekt te juister tijd, spreekt woorden die waard zijn onthouden te worden. Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en planten te beschadigen. Hij eet alleen één maaltijd. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren en het bezoek aan theatervoorstellingen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen of parfum en schoonheidscremes te gebruiken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan onbereid voedsel aan te nemen. Hij neemt geen rauw vlees aan. Hij neemt geen vrouwen en meisjes aan. Hij neemt geen slaven en slavinnen aan. Hij neemt geen geiten en schapen aan, geen pluimvee en geen varkens. Hij neemt geen olifanten, runderen, paarden, velden en landerijen aan. Hij onthoudt zich ervan als bode te fungeren en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij gebruikt geen valse gewichten, valse metalen en valse maten. Hij onthoudt zich ervan te bedriegen. Hij onthoudt zich van het toebrengen van letsel, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

        Hij heeft voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen, en met de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Waarheen hij ook gaat, hij neemt alleen dat mee. Juist zoals een vogel alleen met de vleugels als bagage vliegt, evenzo heeft de bhikkhu voldoende aan de kleren die zijn lichaam beschermen en aan de aalmoezen-maaltijd om zijn maag te vullen. Voorzien van deze opeenhoping van edele deugdzaamheid ondervindt hij een zaligheid die onberispelijk is.

        

        Wanneer hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij het zintuig van zien onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt het zintuig van zien, hij houdt zich bezig met het beheersen van dat zintuig.

        Evenzo met het oor (zintuig van horen) en geluid, neus (zintuig van ruiken) en geur, tong (zintuig van proeven) en smaak, lichaam (zintuig van aanraken) en aanrakingsobject, geest (zintuig van denken e.d.) en geestelijk object.

        Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, hecht hij zich niet eraan. Omdat slechte, onheilzame toestanden van de geest – zoals begeerte en droefheid - in hem kunnen binnendringen wanneer hij de zintuigen onbeheerst laat, oefent hij zich in het beheersen ervan. Hij beschermt de zintuigen, hij houdt zich bezig met het beheersen van die zintuigen.

        Omdat hij deze edele beheersing van de zintuigen heeft, ondervindt hij een zaligheid die onbevlekt is.

        Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het komen en bij het gaan. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het toekijken en wegkijken. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het buigen en strekken van de ledematen. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het dragen van het (onder)gewaad, het buitengewaad (de mantel) en de nap. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij de ontlasting en bij het urineren. Hij wordt iemand die helder bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.

        Omdat hij deze opeenhoping van edele deugdzaamheid, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit heldere weten heeft, trekt hij zich terug naar een afgescheiden verblijfplaats: in een bos, aan de voet van een boom, op een berg, in een bergkloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een open veld, op een bundel stro.

        Na terugkeer van de ronde voor aalmoezen, na de maaltijd gaat hij met gekruiste benen en met het lichaam rechtop neerzitten, oplettend en helder bewust. Hij overwint de hebzucht naar wereldlijke dingen en vertoeft met een hart dat vrij is van hebzucht. Hij zuivert zijn geest van hebzucht. Hij overwint kwaadwil en haat en vertoeft met een hart dat vrij is van kwaadwil, dat mededogen ondervindt voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Hij overwint traagheid en starheid en vertoeft met een hart dat vrij is van traagheid en starheid, met lichte geest, oplettend en helder bewust. Hij zuivert zijn geest van traagheid en starheid. Hij overwint rusteloosheid en gewetenswroeging en vertoeft gelijkmoedig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en gewetenswroeging. Hij overwint de twijfel en vertoeft vrij van twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.

        Nadat hij deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, heeft overwonnen, treedt hij geheel afgescheiden van zintuiglijk genot, afgescheiden van onheilzame geestelijke toestanden, in de eerste meditatieve verdieping (jhana) in. Deze gaat gepaard met indrukken, overwegingen en redeneren, is ontstaan uit afzondering en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk.

        Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren verkrijgt hij innerlijke kalmte, geestelijke eenwording. En hij treedt binnen en vertoeft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overwegingen en redeneren, is ontstaan uit concentratie en is vol vreugde en vervoering. En hij vertoeft erin met vervoering en geluk ontstaan uit concentratie.

        Na het afnemen van vervoering en door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon dat gevoel waarvan de heiligen zeggen: 'Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.' Zo treedt hij binnen en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping.

        Na plezier en pijn te hebben opgegeven, en door het verdwijnen van eerdere vervoering en verdriet, treedt hij binnen in de vierde meditatieve verdieping. Op grond van gelijkmoedigheid heeft deze geen angst noch vreugde, is vrij van leed en vrij van geluk; ze is geheel gezuiverd door oplettendheid. En hij vertoeft erin.

        Wanneer hij met het oog een vorm ziet, is hij niet begerig ernaar wanneer ze aangenaam is, en hij is er niet afkerig van als ze onaangenaam is. Hij leeft met gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met onbegrensd hart; en hij begrijpt de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden, overeenkomstig de werkelijkheid.

        Nadat hij voorkeur en afkeer heeft opgegeven, schept hij geen behagen in het gevoel, welk gevoel hij ook steeds mag voelen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het niet en houdt zich niet eraan vast. Omdat hij dat niet doet, houdt bij hem behagen scheppen op. Met het ophouden van behagen scheppen volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt het ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is het ophouden van deze hele massa van dukkha.

        Evenzo met de andere zintuigen – oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, lichaam en aanrakingsobject, geest en geestobject.”

        Kortom, wanneer hij met een zintuig een zintuiglijk object waarneemt, is hij niet begerig ernaar wanneer het aangenaam is, en hij is er niet afkerig van als het onaangenaam is. Hij leeft met gevestigde oplettendheid bij het lichaam, met onbegrensd hart; en hij begrijpt de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, waarbij die slechte, onheilzame toestanden van de geest zonder rest ophouden, overeenkomstig de werkelijkheid.

        “Nadat hij voorkeur en afkeer heeft opgegeven, schept hij geen behagen in het zintuiglijk object, welk object hij ook steeds mag waarnemen, hetzij aangenaam hetzij pijnlijk of neutraal. Hij verwelkomt het niet en houdt zich niet eraan vast. Omdat hij dat niet doet, houdt bij hem behagen scheppen op. Met het ophouden van behagen scheppen volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt het ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, droefheid en wanhoop. Zo is het ophouden van deze hele massa van dukkha.

        Monniken, deze bevrijding door het vernietigen van begeerte moeten jullie in het geheugen onthouden, zoals ze door mij in het kort is uitgelegd. Maar de bhikkhu Sati, de zoon van een visser, is verstrikt geraakt in het geweldige net van het begeren, in de voetangel van begeerte."

        Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de Verhevene.

M.39. (M.IV.9) Mahā Assapura sutta

        Grote toespraak te Assapura, een stadje in het land Anga, over de plichten van een asceet.

        De mensen waren er devoot en hielpen de monniken met gaven. Uit dankbaarheid voor hun gaven en om de devote mensen de mogelijkheid te geven veel verdiensten te verwerven, vroeg de Boeddha aan de monniken dringend zich goed in te spannen bij de training en de praktijk van de Dhamma, steeds een niveau hoger komende, te beginnen bij het vermijden van slechte daden, beheersing in lichamelijke en geestelijke daden, meditatie, het bereiken van de vier jhānas t/m Nibbāna.

        De monnik moet zich oefenen in de dingen die iemand tot een ware monnik maken. Hij moet vervuld zijn van schaamtegevoel en angst om het verkeerde te doen. Zijn gedrag in daden, woorden en denken en zijn levenswijze moet gezuiverd, helder en open zijn, onberispelijk en beheerst; en vanwege een dergelijk gedrag moet hij niet zichzelf prijzen en anderen minachten. De zintuigen moet hij beschermen en zich nergens aan hechten, om te voorkomen dat onheilzame toestanden van de geest binnendringen. Hij moet matig zijn bij het eten. Hij moet oplettend zijn. Vrij van hebzucht naar de wereld moet hij kwaadwil en haat overwinnen. Dan vertoeft hij in de meditatie over liefdevolle vriendelijkheid en mededogen met alle levende wezens. Hij overwint traagheid en luiheid, rusteloosheid en geestelijke onrust; gelijkmoedig vertoeft hij met innerlijke vrede. Hij overwint twijfel.

        Na het overwinnen van die vijf hindernissen treedt hij binnen in de eerste, tweede, derde en vierde meditatieve verdieping. Dan richt hij zijn geest op de herinnering aan vroegere levens. Dan richt hij zijn geest op het sterven en weer verschijnen van wezens overeenkomstig hun wilsacties. Daarna richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Hij begrijpt de neigingen, het ontstaan ervan, de opheffing ervan en de weg naar de opheffing ervan. Zijn geest wordt bevrijd van de neigingen en hij weet dat hij geheel en al bevrijd is. Verder is er niets meer te doen. Zo iemand wordt een ware monnik genoemd, een ware brahmaan, een edele, een arahant.

M.40. (M.IV.10) Cūla Assapura sutta

        Kleine toespraak te Assapura in het land Anga over de plichten van een asceet. De Boeddha vroeg er aan de monniken de namen samana en brāhmana waard te zijn. Samana betekent iemand die zijn hartstochten tot bedaren heeft gebracht. Brāhmana is iemand die zich bevrijd heeft van de smetten, belemmeringen. Een bhikkhu moet zich van die belemmeringen bevrijden.

        Een bhikkhu overwint hebzucht, kwaadwil en toorn. Hij overwint wraakgevoelens, minachting en hoogmoed, jaloersheid, gierigheid, bedrog, slechte wensen, verkeerde visie. Op die manier leeft hij juist.

        Hij ziet dat hij van die slechte, onheilzame toestanden van de geest bevrijd is. Vreugde komt bij hem op en vervoering. Het lichaam wordt stil en hij ondervindt geluk. Zijn geest wordt geconcentreerd.

        Alle richtingen doordringt hij met een geest van liefdevolle vriendelijkheid, van mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid.

        Wie door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht intreedt in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die met de vernietiging van de neigingen vrij van neigingen is, en daarin verblijft, hij is reeds een monnik op grond van de vernietiging van de neigingen.

        De eigenschappen van een echte monnik zijn: vrees en schaamte betreffende het begaan van kwaad; zuiver te zijn bij lichamelijke, verbale en mentale acties; zuiverheid bij levensonderhoud; beheersing der zinnen; matigheid bij het gebruik van voedsel; wakker en oplettend te zijn; vrij te zijn van de vijf hindernissen; het bereiken van concentratie; in staat te zijn zich eerdere geboortes te herinneren; in staat te zijn de bestemming van andere wezens te kennen; bevrijd te zijn van alle onwetendheid.

M.V. Cūlayamaka-vagga (M.41-50) (M.V. 1-10)

M.41 (MN.V.1)

M.42 (MN.V.2)

M.43 (MN.V.3)

M.44 (MN.V.4)

M.45 (MN.V.5)

M.46 (MN.V.6)

M.47 (MN.V.7)

M.48 (MN.V.8)

M.49 (MN.V.9)

M.50 (MN.V.10)

        De redenen waarom sommigen naar de hemel gaan en anderen naar de hel. Wilsacties en gevolgen. Wie is wijs en wie niet? Wat zijn de juiste betekenissen van de termen vedanā (gevoel), saññā (waarneming) en viññāna (bewustzijn) ? Ontstaan ze samen of afzonderlijk? Wat is juist inzicht? Wat is leven na de dood? Wat is een jhāna (meditatieve verdieping)? Wat is het bereiken van een ophouden van het proces van bewustzijn? En wat is de bevrijding van de geest? De onwetendheid van een statisch inzicht van de werkelijkheid, is gebaseerd op het hechten aan de vijf khandhas, de vijf staten van lichaam en geest. Een opheffen van gehechtheid betekent een opheffen van dat inzicht. Men moet voorzichtig en kritisch zijn bij de keuze van een leraar. De nadelen van twisten en de voordelen van vrede en vriendschap onder elkaar. Weerlegging van de verkeerde visie over eternalisme.[8]


M.41. (M.V.1) Sāleyyaka sutta

        Toespraak tot de brahmanen van Sālā, een dorp in Kosala, over de redenen waarom sommigen naar de hemel gaan en anderen naar de hel. Door een goed gedrag in daden, woorden en gedachten krijgt men zeker een goede bestemming; door een niet goed gedrag in daden, woorden en gedachten krijgt men een slechte bestemming.

        Ook wordt uitgelegd welk gedrag naar de bevrijding van lijden leidt.

M.42. (M.V.2) Verañja(ka) sutta

        

Dezelfde toespraak, nu tot de brahmanen van Verañja.

M.43. (M.V.3) Mahāvedalla sutta

        Te Savatthi. Toespraak van de eerwaarde Sāriputta tot Makākotthita. De volgende vragen worden er behandeld: Wie is wijs en wie niet? Wat zijn de juiste betekenissen van de termen vedanā (gevoel), saññā (waarneming) en viññāna (bewustzijn)? Ontstaan ze samen of afzonderlijk? Wat is juist inzicht? Wat is leven na de dood? Wat is een jhāna (meditatieve verdieping)? Wat is het bereiken van een ophouden van het proces van bewustzijn? En wat is de bevrijding van de geest?

M.43. (M.V.3) De langere reeks van vragen en antwoorden

 

        De Verhevene vertoefde te Savatthi in het Jetavana park van Anathapindika. De eerwaarde Mahâ Kotthita[9] verhief zich uit zijn meditatie en ging naar de eerwaarde Sariputta toe. Hij stelde enkele vragen en de eerwaarde Sariputta gaf antwoord.

(wijsheid)

        Iemand is niet wijs als hij niet begrijpt wat dukkha is, wat de oorsprong ervan is, wat het ophouden ervan is en wat de weg is die leidt naar het ophouden van dukkha.

        Iemand die wijs is begrijpt wat dukkha is, wat de oorsprong ervan is, wat het ophouden ervan is en wat de weg is die leidt naar het ophouden van dukkha.

(bewustzijn)

        Het bewustzijn ervaart; het ervaart 'aangenaam', het ervaart 'pijnlijk', het ervaart 'noch pijnlijk noch aangenaam'.

        Wijsheid en bewustzijn, deze twee toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden, ze zijn niet gescheiden, en het is onmogelijk ze van elkaar te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men begrijpt dat ervaart men, en wat men ervaart, dat begrijpt men.

        Het verschil tussen wijsheid en bewustzijn is dat wijsheid ontplooid moet worden en dat bewustzijn volledig doorschouwd moet worden.

(gevoel)

         Het gevoel voelt; het voelt iets aangenaams, het voelt iets pijnlijks, het voelt iets wat noch aangenaam noch pijnlijk is.

(waarneming)

        Waarneming neemt waar; het neemt blauw waar, en geel, en rood, en wit. Het neemt waar.

        Gevoel, waarneming en bewustzijn, deze toestanden van de geest zijn met elkaar verbonden. Het is niet mogelijk de ene van de andere toestand te scheiden om het verschil ertussen te kunnen beschrijven. Want wat men voelt, dat neemt men waar, en wat men waarneemt dat ervaart men (daar is men zich van bewust).

          Met gezuiverd geest-bewustzijn dat vrij is van de vijf zintuiglijke vermogens, kan het gebied van de ruimte-oneindigheid ontsloten worden: ruimte is oneindig. Het gebied van bewustzijnsoneindigheid kan zo ontsloten worden: bewustzijn is oneindig. Het gebied van nietsheid kan zo ontsloten worden: niets is er.

        Een ontsluitbare toestand begrijpt men met het oog der wijsheid.

        Het doel van wijsheid is direct inzicht met hogere geestelijke kracht; het doel is volledig doorzien;[10] het doel ervan is het overwinnen.

        Er zijn twee voorwaarden voor het ontstaan van juist inzicht, namelijk de uiting van iemand anders en juist overwegen.        

        Juiste visie wordt ondersteund door vijf factoren, wanneer ze de bevrijding van het gemoed als vrucht heeft, wanneer ze de bevrijding door wijsheid[11] als vrucht en nut heeft. Juiste visie wordt ondersteund door deugdzaamheid, leren, uitleg, rust en inzicht.

        Juiste visie die door deze vijf factoren ondersteund wordt, heeft de bevrijding van het gemoed als vrucht en nut, heeft de bevrijding door wijsheid als vrucht en nut.

        Er zijn drie soorten van worden, namelijk worden van de sferen der zinnen, worden van de (fijnstoffelijke) vorm en vormloos worden.

        Het vernieuwen van het worden in de toekomst komt tot stand doordat de wezens die door onwetendheid geremd en door begeerte geboeid zijn, zich vermaken aan het een en ander.

        Met het verdwijnen van de onwetendheid, met het verschijnen van waar weten, en met het ophouden van de begeerte komt de vernieuwing van het worden in de toekomst niet tot stand.

(de jhanas)

        De eerste jhana is als volgt: afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden treedt men binnen in de eerste jhana. Die is begeleid door begin- en aanhoudende toewending van de geest. Ze vertoeft erin, met vervoering en geluk die uit de afgescheidenheid zijn ontstaan.

        De eerste jhana heeft vijf factoren. Wanneer men in de eerste jhana is ingetreden, treden begin-toewending van de geest, aanhoudende toewending van de geest, vervoering, zaligheid en concentratie van de geest op.

        In de eerste jhana zijn vijf factoren overwonnen en vijf factoren zijn erin ingesloten. Als men in de eerste jhana is ingetreden, is zinsbegeerte overwonnen, is kwaadwil overwonnen, zijn traagheid en slapheid overwonnen, zijn rusteloosheid en gewetensonrust overwonnen en is twijfel overwonnen. Dan treden begin-toewending van de geest, aanhoudende toewending van de geest, vreugde, zaligheid en concentratie van de geest op.

        De vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze ervaren niet het veld van een ander zintuig. De zintuigen om te zien, te horen, te ruiken, te proeven en aan te raken, – die vijf zintuigen hebben ieder een eigen veld, een eigen gebied. Ze vinden hulp in de geest, en de geest ondervindt hun velden en gebieden.

        De vijf zintuigen zijn afhankelijk van levenskracht. De levenskracht is afhankelijk van hitte. Hitte is afhankelijk van levenskracht.

        Net zoals bij een brandende olielamp het licht ervan afhankelijk is van de vlam, en de vlam begrepen wordt in afhankelijkheid van het licht, evenzo staat levenskracht in afhankelijkheid van hitte en staat hitte in afhankelijkheid van levenskracht.

        Formaties van het leven zijn er niet tot voelende dingen. Wanneer er formaties van het leven tot voelende dingen waren, dan zou men iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel intreedt, niet meer daaruit zien opduiken. Omdat formaties de ene zaak zijn en tot voelende dingen een andere zaak, kan men iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel intreedt, weer daaruit zien opduiken.

         Wanneer dit lichaam beroofd is van drie toestanden, namelijk levenskracht, hitte en bewustzijn, dan wordt het opgegeven, achtergelaten, dan laat men het liggen, zonder wil als een stuk hout.[12]

        Het verschil tussen iemand die dood is en iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel is ingetreden, is als volgt. Bij iemand die dood is zijn de lichamelijke formaties beëindigd, tot rust gekomen; de spraakformaties zijn beëindigd en tot rust gekomen; de geestelijke formaties zijn beëindigd en tot rust gekomen; zijn levenskracht is uitgeput, zijn hitte is vervluchtigd; en zijn zintuiglijke vermogens zijn volledig vervallen. En bij iemand die is ingetreden in het uitdoven van waarneming en gevoel, hebben de lichamelijke formaties opgehouden en zijn tot rust gekomen, hebben de spraakformaties opgehouden en zijn tot rust gekomen, hebben de geestelijke formaties[13] opgehouden en zijn tot rust gekomen, maar zijn levenskracht is niet uitgeput, zijn hitte is niet vervluchtigd, en zijn zintuiglijke vermogens zijn gereinigd. Dat is het verschil tussen een dode en iemand die in de uitdoving van waarneming en gevoel is ingetreden.

        Voor het bereiken van de noch pijnlijke noch aangename bevrijding van het gemoed zijn er vier voorwaarden, namelijk met het overwinnen van geluk en leed en met het reeds vroegere verdwijnen van vreugde en droefenis, treedt iemand in de vierde jhana in. Op grond van gelijkmoedigheid omvat die noch-pijnlijks noch aangenaams, ze omvat zuiverheid van de oplettendheid. En hij vertoeft erin.

        Voor het bereiken van de bevrijding van het gemoed zonder kenmerken zijn er twee voorwaarden, namelijk het niet acht slaan op alle kentekenen en het acht slaan op het kentekenvrije element.

        Voor het voortduren van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er drie voorwaarden, namelijk het niet acht slaan op alle eigenschappen, het acht slaan op het kentekenvrije element en de eerdere vastlegging (van de duur ervan).

        Voor het uitreden uit de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er twee voorwaarden, namelijk het acht slaan op alle kentekenen en het acht slaan op alle kentekenen en het niet acht slaan op het kentekenvrije element.

        De onmeetbare bevrijding van het gemoed, de bevrijding van het gemoed door nietsheid, de bevrijding van het gemoed door leegheid en de kentekenloze bevrijding van het gemoed,[14] – enerzijds zijn dat verschillende toestanden met verschillende kentekenen, anderzijds zijn ze één, alleen met verschillende kentekenen.

        En op welke manier zijn het verschillende toestanden met verschillende kenmerken? - Iemand doordringt een hemelrichting met een hart dat vervuld is van metta, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelrichting, en ook opwaarts en neerwaarts, in alle richtingen. En hij vertoeft erin tot allen evenveel metta als tot zichzelf. De hele wereld doordringt hij met een gemoed dat vol metta is, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

        Hij doordringt alle hemelrichtingen met een hart dat gevuld is van meegevoel, en ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen. Hij heeft evenveel meegevoel tot anderen als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van meegevoel, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

        Hij doordringt de ene hemelrichting met een hart dat vervuld is van medevreugde, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelsrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van medevreugde, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

        Hij doordringt de ene hemelrichting met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

        Dit wordt de onmetelijke bevrijding van het hart genoemd.

        De bevrijding van het hart door nietsheid is als volgt. Met het volledig overwinnen van het gebied van bewustzijnsoneindigheid, waarbij iemand zich voor de geest haalt 'daar is niets', treedt hij binnen in het gebied van de nietsheid en hij vertoeft erin.

        De bevrijding van het gemoed door leegheid is als volgt. Iemand overweegt: 'dit is leeg van een zelf of van iets dat tot een zelf behoort.'

        De kentekenloze bevrijding van het hart is als volgt. Onder niet acht slaan op alle kentekenen treedt een bhikkhu binnen in de kentekenloze concentratie van het hart en hij vertoeft erin.

        Op die manier zijn dat verschillende toestanden met verschillende kenmerken.

        En op welke manier zijn deze toestanden één, alleen met verschillende kenmerken? - Begeerte legt maatstaven op, haat legt maatstaven op, onwetendheid legt maatstaven op. In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn deze maatstaven opgeheven, aan de wortel afgesneden, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

        Van alle soorten van de onmetelijke bevrijding van het hart wordt de onwrikbare bevrijding van het hart als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

        In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan. Van alle soorten van de bevrijding van het hart door nietsheid wordt op de onwrikbare bevrijding van het hart de nadruk gelegd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat, leeg van onwetendheid.

        Begeerte schept kenmerken, haat schept kenmerken, onwetendheid schept kenmerken.[15] In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

        Van alle soorten van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed wordt de onwrikbare bevrijding van het gemoed als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het gemoed evenwel is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

Op die manier zijn die toestanden één, alleen met verschillende kenmerken.

         Zo sprak de eerwaarde Sāriputta. En de eerwaarde Mahā Kotthita was tevreden en verheugde zich over deze woorden.

        

M.44. (M.V.4) Cūlavedalla sutta

        Toespraak van de non Dhammadinnā tot de lekenvolgeling Visākha. Uitgelegd werden vragen over zelf-identificatie; onwetendheid van de werkelijkheid welke onwetendheid gebaseerd is op het hechten aan de vijf khandhas, de vijf staten van lichaam en geest; opheffing van gehechtheid; doordringing van de ware aard van gevoel; en het bereiken van Nibbana.

        De vijf groepen van bestaan waaraan men hecht worden persoonlijkheid genoemd. De oorzaak van persoonlijkheid is de begeerte die naar wedergeboorte leidt.

        Het beëindigen van de persoonlijkheid is het opgeven van de begeerte. De weg naar het opgeven ervan is het edele achtvoudige pad. De mening van een zelf ontstaat door vorm, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn als een zelf te beschouwen.

        Besproken worden de jhanas. Het tegendeel van onwetendheid is juist weten. Het tegendeel van juist weten is bevrijding. Het tegendeel van bevrijding is Nibbana.

        (Volgens het commentaar was Visakha de vroegere echtgenoot van de non).

        

M.44. (M.V.4) Korte reeks van vragen en antwoorden over persoonlijkheid

        De Verhevene vertoefde te Rajagaha in het bamboepark.

De lekenvolgeling Visâkha ging naar de Bhikkhuni Dhammadinna toe, groette haar eerbiedig en stelde vragen.

        Wat wordt door de Verhevene 'persoonlijkheid' genoemd?[16]

        De vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, die worden persoonlijkheid genoemd, namelijk:

de groep van bestaan van de vorm waaraan men hecht;

de groep van bestaan van het gevoel waaraan men hecht;

de groep van bestaan van de waarneming waaraan men hecht;

de groep van bestaan van de formaties waaraan men hecht;

de groep van bestaan van het bewustzijn waaraan men hecht.

        De leek Visâkha was verheugd over het antwoord, bedankte de Bhikkhuni en stelde een andere vraag.

        Wat wordt door de Verhevene de oorsprong van de persoonlijkheid genoemd?

        Het is het verlangen, de begeerte die naar wedergeboorte leidt, begeleid door passie en behagen scheppen, namelijk:

begeerte naar zinnelijkheid;

begeerte naar bestaan; en

begeerte naar bestaansmogelijkheid.

        Dit wordt door de Verhevene de oorsprong van de persoonlijkheid genoemd.

 

        Wat wordt door de Verhevene het beëindigen van de persoonlijkheid genoemd?

        Het is het verbleken en ophouden zonder resten, het opgeven, verzaken, loslaten en afwijzen van die begeerte.

Dat wordt door de Verhevene het beëindigen van de persoonlijkheid genoemd.

         Wat wordt door de Verhevene de weg genoemd die naar het ophouden van de persoonlijkheid leidt?

        Het is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juiste visie, juiste bedoeling, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.

        Dat hechten is niet hetzelfde als deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, noch is het hechten gescheiden van die vijf groepen van bestaan. Het is het hevig verlangen en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, hetwelk genoemd hechten is.[17]

        De mening van persoonlijkheid ontstaat op de volgende manier. Een niet onderwezen wereldling die geen acht slaat op de edelen en die de leer van hen niet volgt en er niet in geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en die hun leer niet navolgt en er niet in geschoold is, die persoon beschouwt vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt formaties als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid.

        De mening van persoonlijkheid ontstaat niet op de volgende manier. Een goed onderwezen edele volgeling die acht slaat op de edelen en die in hun leer onderwezen is, die acht slaat op oprechte mensen en die in hun leer onderwezen is, die persoon beschouwt vorm niet als zelf of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel niet als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming niet als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt formaties niet als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn niet als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid niet.

        Het edele achtvoudige pad is juist inzicht, juiste bedoeling, juist taalgebruik, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie.

        Dat edele achtvoudige pad is gevormd.

        De drie velden van oefening bevinden zich niet in het edele achtvoudige pad, maar het edele achtvoudige pad bevindt zich in de drie velden van oefening.

        Juist taalgebruik, juist handelen en juiste levenswijze, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van de deugdzaamheid.

        Juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste concentratie, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van de scholing van de geest.

        Juist inzicht, juist denken, - die toestanden bevinden zich in het veld van oefening van wijsheid.

        Concentratie is het op één punt richten van de geest. De basis van concentratie zijn de vier grondslagen van oplettendheid. De vier juiste inspanningen zijn het gereedschap van concentratie. De herhaling, ontwikkeling en oefening van deze vaardigheden is daarbij de ontwikkeling van de concentratie.

        Er zijn drie formaties, namelijk de formatie van het lichaam; de formatie van de taal; en de formatie van de geest.[18]

        De formatie van het lichaam is het in- en uitademen. De formatie van de taal is vorming van gedachten en discursief denken. De formatie van de geest zijn waarneming en gevoel.

         Het in- en uitademen is de formatie van het lichaam omdat ze lichamelijk zijn. Die toestanden zijn nauw met het lichaam verbonden.

        Vorming van gedachten en discursief denken is de formatie van de taal omdat men eerst gedachten vormt en discursief denkt en daarna begint met praten.

        Waarneming en gevoel is de formatie van de geest omdat ze geestelijk zijn. Die toestanden zijn nauw met de geest verbonden.

 

        Wanneer iemand het ophouden van waarneming en gevoel bereikt, dan komt bij hem niet de gedachte: 'ik zal het ophouden van waarneming en gevoel bereiken' of 'ik bereik juist het ophouden van waarneming en gevoel' of 'ik heb het ophouden van waarneming en gevoel bereikt.' Maar zijn geest is reeds zozeer ontwikkeld dat ze hem in die toestand leidt.

        Wanneer iemand het ophouden van waarneming en gevoel bereikt, houdt eerst de formatie van spreken op, dan de formatie van het lichaam, en dan de formatie van de geest.[19]

        Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uittreedt, dan komt bij hem niet de gedachte 'ik zal uit deze toestand uittreden' of 'ik treedt nu uit die toestand uit' of 'ik ben uit die toestand uitgetreden.' Maar zijn geest is al zodanig ontwikkeld dat ze hem naar die toestand leidt.

        Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uittreedt, stijgt eerst de formatie van de geest op, dan de formatie van het lichaam, en dan de formatie van het praten.

        Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel uitgetreden is, raken hem drie soorten van contact aan, namelijk leegheid contact, kentekenloos contact, wensloos contact.[20]

        Wanneer iemand uit de toestand van het ophouden van waarneming en gevoel is uitgetreden, dan richt zijn geest zich op afgescheidenheid, neigt zich naar afgescheidenheid, streeft naar afgescheidenheid.

        Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, pijnlijk gevoel, noch aangenaam noch pijnlijk gevoel.

        Wat lichamelijk of geestelijk als aangenaam en prettig ondervonden wordt, dat is aangenaam gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk als pijnlijk en onaangenaam ondervonden wordt, dat is pijnlijk gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk noch als aangenaam noch als onaangenaam ondervonden wordt, dat is noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.

        Aangenaam gevoel is aangenaam wanneer het voortduurt, en het is pijnlijk wanneer het verandert. Pijnlijk gevoel is pijnlijk wanneer het voortduurt, en het is aangenaam wanneer het verandert. Noch pijnlijk noch aangenaam gevoel is aangenaam wanneer men er weet van heeft, en het is pijnlijk wanneer men niet ervan weet.

        De neiging tot begeerte ligt ten grondslag aan het aangename gevoel. De neiging tot afkeer ligt ten grondslag aan het pijnlijke gevoel. De neiging tot onwetendheid ligt ten grondslag aan het noch pijnlijke noch aangename gevoel.

        De neiging tot begeerte ligt niet aan ieder aangenaam gevoel ten grondslag. De neiging tot afkeer ligt niet aan ieder pijnlijk gevoel ten grondslag. De neiging tot onwetendheid ligt niet aan ieder noch pijnlijk noch aangenaam gevoel ten grondslag.

        De neiging tot begeerte moet overwonnen worden wat betreft aangenaam gevoel. De neiging tot afkeer moet overwonnen worden wat betreft pijnlijk gevoel. De neiging tot onwetendheid moet overwonnen worden wat betreft noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.

        De neiging tot begeerte is niet te overwinnen wat betreft elk aangenaam gevoel. De neiging tot afkeer is niet te overwinnen wat betreft elk pijnlijk gevoel. De neiging tot onwetendheid is niet te overwinnen wat betreft elk noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.

        Volledig afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in de eerste jhana. Ze gaat samen met begin- en voortdurende concentratie van de geest, met vreugde en zaligheid. Ze is ontstaan uit de afgescheidenheid. Daarmee verlaat hij de begeerte en bij hem ligt geen neiging tot begeerte ten grondslag.

        Iemand overweegt als volgt: 'Wanneer zal ik dat gebied betreden en erin vertoeven, dat gebied dat de edelen nu betreden, waarin zij vertoeven?' Bij iemand die op die manier verlangen naar de hoogste bevrijding ontwikkelt, stijgt droefheid op veroorzaakt door dat verlangen. Daarmee verlaat hij de afkeer en bij hem ligt geen neiging tot afkeer ten grondslag.

        Met het overwinnen van geluk en pijn en het reeds eerdere verdwijnen van vreugde en verdriet treedt iemand in de vierde jhana binnen. Op grond van gelijkmoedigheid heeft die noch iets pijnlijks noch iets aangenaams. En hij vertoeft erin. Daarmee verlaat hij de onwetendheid en bij hem ligt geen neiging tot onwetendheid ten grondslag.

        Het tegendeel van aangenaam gevoel is pijnlijk gevoel. Het tegendeel van pijnlijk gevoel is aangenaam gevoel. Het tegendeel van noch pijnlijk noch aangenaam gevoel is onwetendheid. Het tegendeel van onwetendheid is juist weten. Het tegendeel van juist weten is bevrijding. Het tegendeel van bevrijding is Nibbana. Nibbana is het toppunt van het heilige leven; het heilige leven eindigt in Nibbana."

        

        De leek Visâkha verheugde zich over de woorden van de non Dhammadinna, nam eerbiedig afscheid van haar en ging naar de Verhevene toe. Daar vertelde hij zijn gesprek met de non Dhammadinna. De Verhevene keurde de woorden van de non goed en prees haar grote wijsheid.

M.45. (M.V.5) Cūladhammasamādāna sutta

        

        In dit en in het volgende sutta legt de Boeddha vier manieren van gedrag uit die prettige of onprettige gevolgen hebben in het heden en in de toekomst.

M.45. (M.V.5) Korte toespraak over het hebben van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er de monniken toe. Er zijn vier manieren om dingen te doen, namelijk:

1. Men doet dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

2. Men doet dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

3. Men doet dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.

4. Men doet dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.

        (1) Dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen: Er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er niets nadeligs is in het genot van de zintuigen. Zij maken er een gewoonte van in zin-genot te zwelgen, en vinden verstrooiing bij rondtrekkende vrouwen,[21] die haar haren in een knot gebonden dragen. Zij beweren het volgende: „Welke toekomstige verschrikkingen zien die goede monniken en brahmanen in het zin-genot wanneer zij praten over het overwinnen ervan en het volledige doorzien van het zin-genot beschrijven? Aangenaam is de aanraking van de tedere, zachte, donzige arm van deze rondtrekkende vrouwen.“ Zo wennen zij eraan in zin-genot te zwelgen. En tengevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens. Zij zeggen dan: 'Dit zijn de toekomstige angsten die de goede monniken en brahmanen in zinsgenot zagen, toen zij spraken over het overwinnen ervan en het volledige doorschouwen van zin-genot beschreven. Want op grond van zin-genot, ten gevolge van zin-genot ondervinden wij nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.'

        Monniken, stel dat in de laatste maand van het warme seizoen een vruchtscheut van de Maluva-klimplant openbarstte en een zaadje ervan aan de voet van een salaboom neerviel. Een deva die in die boom huisde, werd daarop bang, verontrust en hij sprong op van schrik. De vrienden en kameraden, naaste en verre familieleden – tuindevas, parkdevas, boomdevas en devas die geneeskrachtige kruiden, gras en machtige bomen bewonen[22] – kwamen bijeen en stelden de deva gerust met de woorden: „Wees niet bang, vereerde, heb geen angst. Misschien zal het zaadje van die klimplant door een pauw of een wild dier opgegeten worden of een bosbrand zal het verbranden, of bosarbeiders dragen het weg, of witte mieren eten het op. Of het is misschien niet vruchtbaar.“

        Maar dat alles gebeurde niet en het zaadje was wel degelijk vruchtbaar. Toen werd het door de neerslag van een regenwolk vochtig en ontkiemde. En de tedere, zachte, donzige rank van de klimplant wikkelde zich om die sala-boom heen. De deva die in de boom woonde, dacht toen: 'Welke toekomstige verschrikkingen zagen mijn vrienden en familieleden in het zaadje van de Maluva-klimplant dat zij samenkwamen en mij op een dergelijke manier gerust stelden? De aanraking van de tedere, zachte, donzige rank is aangenaam.' Toen omhulde die klimplant de sala-boom helemaal en kloofde de hoofdtakken van de boom. Toen zag de deva die in de boom woonde in welke de verschrikkingen waren die de vrienden en familieleden in het zaadje zagen. 'Wegens dat zaadje ondervind ik nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.

        Op dezelfde manier is het met monniken en brahmanen die onderrichten dat er niets nadeligs is in het genot van de zintuigen. Zij maken een gewoonte van zinsgenot, wennen eraan, zwelgen in zinsgenot en tengevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens.

        Op die manier verricht men dingen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

        (2) Dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen: Iemand loopt maar rond, zeden en gewoonten verwerpend. Hij likt zijn handen af, komt niet als erom gevraagd wordt, blijft niet staan als erom gevraagd wordt. Hij neemt geen eten aan dat hem gebracht wordt of dat voor hem wordt gereed gemaakt. Hij neemt geen uitnodiging aan om te komen eten. Hij ontvangt niets uit een pot, niets uit een schotel, niets dat over de drempel, een staf, een stamper aangereikt wordt. Hij ontvangt niets van twee die samen eten, van een zwangere, van een vrouw die borstvoeding geeft, van een vrouw die bij een man ligt, van een plaats waar de verdeling van eten is aangekondigd. Hij ontvangt niets waar een hond wacht, waar vliegen zoemen. Hij neemt geen vis of vlees aan, hij drinkt geen brandewijn, wijn of gefermenteerde brouwsels. Hij houdt zich aan één huishouden, één hap; hij houdt zich aan twee huishoudens, twee happen; hij houdt zich aan drie huishoudens, drie happen; hij houdt zich aan vier huishoudens, vier happen; hij houdt zich aan vijf huishoudens, vijf happen; hij houdt zich aan zes huishoudens, zes happen; hij houdt zich aan zeven huishoudens, zeven happen. Hij leeft van een volle lepel per dag, van twee volle lepels per dag, van drie volle lepels per dag, van vier volle lepels per dag, van vijf volle lepels per dag, van zes volle lepels per dag, van zeven volle lepels per dag. Hij neemt eenmaal per dag eten tot zich; hij neemt alle twee dagen eten tot zich; hij neemt alle drie dagen eten tot zich; hij neemt alle vier dagen eten tot zich; hij neemt alle vijf dagen eten tot zich; hij neemt alle zes dagen eten tot zich; hij neemt alle zeven dagen eten tot zich; en zo verder to eenmaal alle twee weken. Zo houdt hij zich bezig met de praktijk om eten slechts in vastgestelde afstanden tot zich te nemen. Hij eet loof of gierst of wilde rijst of spanen van schors, of mos of het kaf van rijs, of afval van rijst of sesam-meel, of gras of koemest. Hij leeft van wortels en vruchten uit het bos, hij voedt zich met afgevallen fruit. Hij kleedt zich in hennep, in hennep bevattende stof, in lijkgewaden, in lompen uit de afval, in boomschors, in antilopenvel, in vodden van antilopenvel, in weefsels van kusa-gras, in weefsels van boomschors, in weefsels van houtspanen, in wol van mensenhaar, in wol uit dierenhaar, in uilenvleugels. Hij is iemand die zich de haren en de baard uittrekt, die de praktijk van het haren en baard uittrekken uitoefent. Hij is iemand die steeds blijft staan en zitgelegenheden verwerpt. Hij is iemand die steeds op de grond hurkt. Hij is iemand die een mat uit dorens gebruikt; hij maakt een mat uit dorens tot zijn bed. Hij beoefent de praktijk om driemaal per dag, ook 's avonds, in het water te staan.

        Op die manier houdt hij zich op veelvuldige manier bezig met de uitoefening van de praktijk waarbij hij het lichaam kwelt en doodt. Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Dat noemt men de manier om dingen te doen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als pijn vruchten dragen.

        (3) Dingen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen: Iemand heeft van nature een sterke begeerte in zich en ondervindt voortdurend pijn en droefheid, die uit de begeerte ontstaan. Van nature heeft hij sterke haat in zich en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid die uit haat ontstaan. Hij heeft van nature een sterke onwetendheid en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid die uit onwetendheid ontstaan. In pijn en droefheid, wenend met een gezicht dat door tranen overstroomd is, leidt hij desondanks het volmaakte en reine heilige leven. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dat is de manier om dingen te doen die nu pijnlijk zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.

        (4) Dingen te doen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen. Iemand heeft van nature niet sterke begeerten in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit begeerte ontstaan. Hij heeft van nature niet sterke haat in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit haat ontstaan. Hij heeft van nature niet sterke onwetendheid in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid die uit onwetendheid ontstaan. Helemaal afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden treedt hij binnen in de eerste jhana, die met aanvankelijke en blijvende toewending van de geest begeleid is, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit afgescheidenheid ontstaan is. Met het stil worden van die eerste jhana treedt hij binnen in de tweede jhana, die innerlijke rust en eenheid van de geest inhoudt, zonder aanvankelijke en blijvende toewending van de geest, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit concentratie is ontstaan. Met het verbleken van de vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, met lichamelijk beleefde gelukzaligheid, treedt hij binnen in de derde jhana waarvan de edelen zeggen: 'Gelukzalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,' en hij vertoeft erin. Met het overwinnen van geluk en pijn en het al eerder verdwijnen van vreugde en droefheid treedt hij binnen in de vierde jhana. Deze heeft op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich maar wel zuiverheid van de oplettendheid, en hij vertoeft erin. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dat is de manier om dingen te doen die nu aangenaam zijn en die in de toekomst als geluk vruchten dragen.

        Dit zijn de vier manieren om dingen te doen."

 

        Dat is wat de Verhevene zei. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.

M.46. (M.V.6) Mahādhammasamādāna sutta

        Lange toespraak over het tot rijping komen van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst.

        Wie doet wat niet gedaan moet worden, die ondervindt onaangename dingen. Bij degene die doet wat gedaan moet worden, nemen onaangename dingen af en nemen aangename dingen toe.

        Er zijn vier soorten hoe men een leven kan leiden: (1) Men kan nu aangenaam leven maar onaangenaam later. (2) Men kan nu onaangenaam leven en ook later. (3) Men kan nu onaangenaam leven en aangenaam later. Dit is het leven van iemand die de Dhamma beoefent met moeite. (4) En men kan nu en ook later aangenaam leven. Dit is het leven van degene die de Dhamma beoefent met toewijding en ijver.

M.46. (M.V.6) Vier soorten hoe men een leven kan leiden

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er de monniken toe met een leerrede over het tot rijping komen van een aangenaam of onaangenaam leven nu en in de toekomst.

        In de meeste gevallen hebben levende wezens deze wens, dit verlangen, namelijk dat toch onwelkome, ongewenste, onaangename dingen zullen afnemen en welkome, aangename dingen zullen toenemen. Hoewel levende wezens deze wens hebben, nemen ongewenste, onaangename dingen voor hen toe, en gewenste, aangename dingen nemen af. De oorzaken hiervan zijn als volgt.

        

        Een niet onderwezen wereldling die de edelen niet opvolgt en die in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die oprechte mensen niet navolgt en in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die persoon weet niet welke dingen wel en welke dingen niet beoefend moeten worden.[23] Omdat hij dat niet weet, beoefent hij dingen die niet beoefend moeten worden en beoefent hij geen dingen die wel beoefend moeten worden. Hij volgt dingen na die niet nagevolgd moeten worden, en hij volgt geen dingen na die wel nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste en aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die onverstandig is.

        

        De goed onderwezen edele leerling, die de edelen navolgt en die in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die oprechte mensen navolgt en in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die persoon weet welke dingen wel en welke dingen niet beoefend moeten worden. Omdat hij dat weet, beoefent hij dingen die beoefend moeten worden en beoefent hij geen dingen die niet beoefend moeten worden. Hij volgt dingen na die nagevolgd moeten worden, en hij volgt geen dingen na die niet nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste en aangename dingen nemen toe. Dat is te verwachten voor iemand die verstandig is.

        Er zijn vier soorten om dingen te doen, namelijk

1. de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt;

2. de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt;

3. de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt;

4. de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.

(De onwetende)

        Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat die soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat die in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

        Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen toe, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

        Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

        Een onwetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, niet kent, begrijpt niet in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze soort niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt een onverstandige.

(De wetende)

        Een wetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenstemming met de waarheid dat die soort om dingen te doen nu pijnlijk is en dat die in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort niet en vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

        Een wetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als pijn vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort niet en vermijdt ze. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

        Een wetende die de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenkomst met de waarheid dat die soort om dingen te verrichten nu pijnlijk is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

        Een wetende die de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, kent, begrijpt in overeenstemming met de waarheid dat deze soort om dingen te doen nu aangenaam is en dat ze in de toekomst als geluk vruchten draagt. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wetende deze soort en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt een verstandige.

(De vier soorten)

        (1) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt?

        Wel, iemand doodt vol pijn en droefheid levende wezens en hij ondervindt pijn en droefheid die het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het nemen van wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid oefent hij verkeerd gedrag uit bij zin-genot en hij ondervindt pijn en droefheid die het verkeerde gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt pijn en droefheid die het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt pijn en droefheid die hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt pijn en droefheid die het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid kletst hij en hij ondervindt pijn en droefheid die het kletsen tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid is hij hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die hebzucht tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid is zijn geest vol kwaadwil en hij ondervindt pijn en droefheid die kwaadwil tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt pijn en droefheid die verkeerde visie tot voorwaarde hebben.

        Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.

        (2) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt?

        Wel, vol geluk en vreugde doodt iemand levende wezens en hij ondervindt geluk en vreugde die het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt geluk en vreugde die het nemen van wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde oefent hij verkeerd gedrag uit bij zin-genot en hij ondervindt geluk en vreugde die het verkeerde gedrag bij zin-genot tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt geluk en vreugde die het spreken van de onwaarheid tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt geluk en vreugde die hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt geluk en vreugde die het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde kletst hij en hij ondervindt geluk en vreugde die het kletsen tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde is hij hebzuchtig en hij ondervindt geluk en vreugde die hebzucht tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde is zijn geest vol kwaadwil en hij ondervindt geluk en vreugde die kwaadwil tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt geluk en vreugde die verkeerde visie tot voorwaarde hebben.

        Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.

        (3) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt?

        Wel, vol pijn en droefheid onthoudt iemand zich ervan levende wezens te doden en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zin-genot en hij ondervindt pijn en droefheid die zich onthouden van verkeerd gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van kletsen tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die afwezigheid van hebzucht tot voorwaarde hebben.

        Vol pijn en droefheid heeft hij geen kwaadwil en hij ondervindt pijn en droefheid die het hebben van geen kwaadwil tot voorwaarde hebben.        

        Vol pijn en droefheid heeft hij juiste visie en hij ondervindt pijn en droefheid die juiste visie tot voorwaarde hebben.

        Na de dood verschijnt hij op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.        

        (4) Wat nu is de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt?

        Wel, vol geluk en vreugde onthoudt iemand zich ervan levende wezens te doden en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het doden van levende wezens tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zin-genot en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van verkeerd gedrag bij zin-genot als voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van hatelijk spreken tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt geluk en vreugde die het zich onthouden van kletsen tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt geluk en vreugde die afwezigheid van hebzucht tot voorwaarde hebben.

        Vol geluk en vreugde heeft hij geen kwaadwil en hij ondervindt geluk en vreugde die het hebben van geen kwaadwil tot voorwaarde hebben.        

        Vol geluk en vreugde heeft hij juiste visie en hij ondervindt geluk en vreugde die juiste visie tot voorwaarde hebben.

        Na de dood verschijnt hij op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.[24]

 

(De gelijkenissen)

        Stel dat er een bittere pompoen is gemengd met vergif. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die geluk wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat die pompoen met vergif gemengd is en dat hij ervan kan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen en dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder te overleggen drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de geur en de smaak ervan niet en hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.

        Stel dat er een bronzen kopje is vol met een drank die een goede kleur, een goede smaak en goede geur heeft. Maar er zit vergif in. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die geluk wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat de drank in het bronzen kopje een goede kleur, goede smaak en goede geur heeft, maar dat de drank met vergif gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen maar dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder te overleggen drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de geur en de smaak ervan maar hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn vruchten draagt.

        Stel dat er gegiste urine is gemengd met verschillende medicijnen. Iemand die aan geelzucht lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat de gegiste urine met verschillende medicijnen is gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen maar dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon overlegt en drinkt ervan; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de geur en de smaak ervan niet, maar daarna wordt hij gezond. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.

        Stel dat er een mengsel is van yogurt, honing, botervet en melasse. Iemand die aan dysenterie lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat het een mengsel is van yogurt, honing, botervet en melasse. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen en dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon overlegt en drinkt ervan; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de geur en de smaak ervan en daarna wordt hij gezond. – Op dezelfde manier is het met de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt.

        Juist zoals de zon in de herfst, in de laatste maand van de regentijd, wanneer de hemel helder en zonder wolken is, zich verheft boven de aarde en met haar licht, haar stralen, haar glans elke duisternis in de ruimte verdrijft, evenzo verdringt de soort om dingen te doen die nu aangenaam is en die in de toekomst als geluk vruchten draagt, met haar licht, haar stralen, haar glans elke andere leer van gewone monniken en brahmanen.

        Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.

M.47. (M.V.7) Vimañsaka sutta

        Over de juiste methode van onderzoek. Men moet geen blind vertrouwen hebben in de leraar. Men moet voorzichtig en kritisch zijn bij de keuze van een leraar. Als men na grondig onderzoek vertrouwen heeft in de Boeddha, is dat vertrouwen vast verankerd, omdat het gebaseerd is op redenen.

M.48. (M.V.8) Kosambiya sutta

        Er was een twist ontstaan onder de monniken te Kosambi. De Boeddha preekte toen over nadelen van twisten en de voordelen van vrede en vriendschap onder elkaar. Men moet metta beoefenen in daden, woorden en gedachten jegens de medemonniken. De monnik deelt alles met zijn medemonniken. Hij is deugdzaam en heeft juiste visies. Hij moet overwegen welke belemmeringen hij nog heeft en die dan verwijderen. Hij moet overwegen hoe hij de innerlijke vrede verkrijgt. Hij moet overwegen of hij het karakter heeft van iemand die juist inzicht heeft. Hij moet zich oefenen in hogere deugdzaamheid, hogere ontwikkeling van de geest en hogere wijsheid. Hij moet overwegen of hij de kracht heeft van iemand met juist inzicht. Die kracht bestaat erin dat hij aandacht schenkt aan de leer van de Verhevene, zich ermee bezighoudt, er goed naar luistert. En hij krijgt inspiratie in de betekenis ervan en krijgt vreugde verbonden met de Dhamma.

        Deze eigenschappen heeft iemand die in de stroom is getreden (het eerste niveau van heiligheid).

M.49. (M.V.9) Brahmanimantanika sutta

        In de Brahmā-hemel had Brahmā Baka, de hoogste god, de verkeerde mening dat de hemelse wereld waarover hij heerste, eeuwig was. Hij dacht dat hij steeds bleef bestaan. De Boeddha legde hem uit dat de Verhevene een hogere geestelijke macht had en dat hij meer wist dan de Brahma Baka. De Boeddha wist namelijk dat het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, oneindig is en helder stralend. De Boeddha kon door zijn diep begrip van de aard van het niet-indicatieve bewustzijn van een arahant Baka bedwingen; weldra werd Baka vredig en gedwee.

        Dat niet-indicatieve bewustzijn determineert niets als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar.

M.50. (M.V.10) Māratajjaniya sutta

        In het land Bhagga bij Sumsumāragira. De eerwaarde Mahā Moggallāna liep buiten op en neer. Mara kwam in zijn maag en veroorzaakte er een geluid. Mahā Moggallāna wist dat Mara dit geluid maakte. (Een andere versie zegt dat Mara een zwaar gevoel veroorzaakte in Moggallanas maagstreek). Hij sprak toen met Māra over een van zijn vroegere levens ten tijde van de Boeddha Kakusandha. Mara was toen Moggalāna’s neef en Mahā Moggallāna was toen Dūsi Māra, nam bezit van het volk en werkte de Boeddha Kakusandha en diens Orde erg tegen. Tengevolge daarvan was Moggallāna wedergeboren in de hel en had er lange tijd kwellingen te verduren. En nu was hij een volmaakte heilige met grote magische krachten.

        

         Verder sprak de eerwaarde Maha Moggallana over de vier Brahma-viharas, liefdevolle vriendelijkheid, medeleven, medevreugde en gelijkmoedigheid, eigenschappen die naastenliefde, respect en vrede bevorderen.

M.VI. Gahapati-vagga (M.51-60) (M.VI. 1-10)

M.51 (MN.VI.1)

M.52 (MN.VI.2)

M.53 (MN.VI.3)

M.54 (MN.VI.4)

M.55 (MN.VI.5)

M.56 (MN.VI.6)

M.57 (MN.VI.7)

M.58 (MN.VI.8)

M.59 (MN.VI.9)

M.60 (MN.VI.10)

        De vier typen mensen die zich met meditatie bezig houden. Elf dhammas leiden naar Nibbāna, o.a. de vier jhānas en de vier Brahma-vihāra-oefeningen. De discipel moet het pad van sīla, samādhi en wijsheid volgen. De ware betekenis van afzondering van de wereld. Het eten van vlees. De wil of de mentale daad is het belangrijkste. Zes manieren waarop woorden geuit kunnen worden: woorden die waar zijn, heilzaam maar niet prettig voor anderen; en woorden die waar zijn, heilzaam en prettig voor anderen. Uitleg van de verschillende soorten van gevoel (vedāna). De nadelen van verkeerde meningen en de voordelen van juiste visies.[25]


 

M.51. (M.VI.1) Kandaraka sutta

        Te Campā. Kandaraka, een zwervende asceet, en Pessa, zoon van een olifantenrijder, verwonderden zich over de stilte die de grote samenkomst van monniken handhaafde, zelfs geen kuchje of niezen. De Boeddha gaf de uitleg dat hun stilte eraan te danken was dat zij zich volmaakt geoefend hadden in samādhi en in de vier grondslagen van oplettendheid.

        De Verhevene gaf ook een verslag van de vier typen mensen: degenen die zichzelf kwellen, degenen die andere kwellen, degenen die zichzelf en anderen kwellen, en degenen die niet kwellen en een heilig leven leiden.

M.51. (M.VI.1) Vier soorten mensen

        Te Campa, aan de oever van het meer Gaggara. De Verhevene sprak er aldus:

        “Er zijn vier soorten mensen in de wereld, namelijk 1) iemand die zichzelf kwelt; 2) iemand die anderen kwelt; 3) iemand die zowel zichzelf als anderen kwelt; 4) iemand die noch zichzelf noch anderen kwelt.

(1) Degene die zichzelf kwelt is degene die een van de soorten (pijnlijke, onaangename) ascese beoefent.

(2) Degene die anderen kwelt is degene die een slachter is van (o.a.) zwijnen en schapen; een vogelvanger, een stroper, een jager, een visser, rover, beul, kerkermeester, of degene die een ander gruwelijk beroep uitoefent.

(3) Degene die zowel zichzelf als anderen kwelt is een koning, een heerser, of een hogepriester. Hij heeft een nieuw herenhuis laten bouwen. En met afgeschoren haar en baard, met een ruw vel omgord, het lichaam met boterolie bestreken, de rug met een hertengewei krabbend, betreedt hij het herenhuis, begeleid door de eerste echtgenote en door de opperpriester.

        Daar neemt hij op het erf plaats. Hij laat een koe met kalf kwellen, laat stieren, vaarzen, geiten, schapen doden omwille van een offer. Hij laat bomen vellen, laat gras maaien. En zijn knechten en soldaten gaan aan het werk, uit angst, met tranen in de ogen.        

(4) Degene die noch zichzelf noch anderen kwelt is reeds tijdens zijn leven uitgeblust, uitgedoofd, koel geworden. Hij voelt zich behaaglijk, heilig geworden in z'n gemoed.

        Daar verschijnt de Volmaakte in de wereld, de heilige, de volledig Ontwaakte, met volmaakte kennis en volmaakt gedrag. Hij is welkom, kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn, de leraar van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene. Hij toont deze wereld met haar boze en haar heilige geesten, met de schare boetelingen en priesters, goden en mensen, nadat hij ze zelf begrepen en doordrongen heeft. Hij verkondigt de leer waarvan het begin goed is, waarvan het midden goed is en waarvan het einde goed is, de leer die getrouw is naar de zin en naar het woord. Hij maakt het volkomen reine ascetendom openbaar.

        Deze leer wordt door een gezinshoofd vernomen, of door een zoon van een gezinshoofd, of door iemand die in een andere stand is wedergeboren. Nadat hij deze leer heeft gehoord, vat hij vertrouwen op in de Volmaakte. Vervuld van dit vertrouwen denkt en overlegt hij aldus: “Een gevangenis is het leven in huis, een plaats vol onreinheid; de vrije hemel is het leven als pelgrim. Als men thuis blijft kan men niet goed het geheel reine ascetendom punt voor punt vervullen. Zou ik niet haar en baard afscheren en uit het huis in het huisloze leven gaan?” Zo geeft hij dan later een klein of een groot bezit op; heeft een grote of kleine kring van verwanten en vrienden verlaten. En met een vaal gewaad is hij, met afgeschoren haar en baard, weggegaan in het huisloze leven. Hij is nu een pelgrim geworden en heeft de Orde-plichten van de monnik op zich genomen:

1. Levende wezens te doden heeft hij verworpen; het doden van levende wezens is hem verre; zonder stok of zwaard, vol gevoel, vol deelname koestert hij voor alle levende wezens medelijden.

2. Het nemen van wat niet is gegeven heeft hij verworpen. Van het nemen wat niet is gegeven houdt hij zich verre. Alleen wat gegeven is neemt hij aan. Het gegevene wacht hij af. Hij is niet diefachtig gezind. Hij is rein geworden in het hart.

3. De onkuisheid heeft hij verworpen. Hij leeft kuis. Verre trekt hij heen, zonder paring die algemeen gebruikelijk is.

4. Leugens heeft hij verworpen. Van leugens houdt hij zich verre. Hij spreekt de waarheid. Hij is de waarheid trouw. Standvastig, vertrouwen waard, geen huichelaar en vleier der wereld is hij.

5. Het overbrengen (van praatjes) heeft hij verworpen. Van overbrengen (van praatjes) houdt hij zich verre. Wat hij hier heeft gehoord, vertelt hij elders niet verder om genen te scheiden. En wat hij elders heeft gehoord, vertelt hij hier niet verder om dezen te scheiden. Zo verenigt hij gescheidenen, verbindt verbondenen. Eendracht maakt hem blij, eendracht verheugt hem, eendracht maakt hem gelukkig; hij spreekt alleen woorden die eendracht bevorderen.

6. Barse woorden heeft hij verworpen; van barse woorden houdt hij zich verre. Woorden die vrij zijn van schimpen, woorden die het oor welgevallig zijn, lieflijk, tot het hart gaande, hoffelijk, velen verheugend, velen verheffend, zulke woorden spreekt hij.

7. Babbelen en kletsen heeft hij verworpen. Van babbelen en kletsen houdt hij zich verre. Hij spreekt te juister tijd, overeenkomstig de feiten, bedacht op de zin ervan, getrouw aan de leer en de Orde. Zijn toespraak is rijk aan inhoud, soms met gelijkenissen getooid, helder en beslist, passend bij het onderwerp.

8. Het aanleggen van zaadgoed en beplantingen heeft hij verworpen.

9. Éénmaal per dag gebruikt hij de maaltijd; 's nachts is hij nuchter. Het ligt hem verre om te onjuister tijd te eten.

10. Van dans, gezang, spel, tentoonstellingen [film, toneel e.d.] houdt hij zich verre.

11. Kransen, parfum, zalven, sieraden, tooi wijst hij af.

12. Hoge, prachtige ligplaatsen [bedden] versmaadt hij.

13. Goud en zilver [en geld] neemt hij niet aan.

14. Niet toebereide gewassen neemt hij niet aan.

15. Niet toebereid vlees neemt hij niet aan.

16. Vrouwen en meisjes neemt hij niet aan. Dienaren en dienaressen neemt hij niet aan. Geiten en schapen neemt hij niet aan. Kippen en varkens neemt hij niet aan. Huis en veld(en) neemt hij niet aan. Boodschappen, zendingen, opdrachten voert hij niet uit. Van kopen en verkopen houdt hij zich verre. Van verkeerde maat en gewicht houdt hij zich verre. Van de hellende wegen van omkoperij, misleiding, gemeenheid houdt hij zich verre. Van vechtpartijen, kloppartijen, roven, plunderen en dwingelandij houdt hij zich verre. Hij is tevreden met het gewaad dat zijn lichaam bedekt, is tevreden met het aalmoes dat zijn leven verlengt. Waarheen hij ook zijn pelgrimstocht leidt, daarheen pelgrimeert hij, slechts met het gewaad en de bedelnap voorzien. Zoals wanneer een gevleugelde vogel enkel met de last van zijn veren vliegt, evenzo is de monnik tevreden met het gewaad dat zijn lichaam bedekt, met het aalmoes dat zijn leven verlengt. Waarheen hij ook rondtrekt, slechts daarmee voorzien trekt hij rond.

        Door het vervullen van deze heilige regels van de deugdzaamheid ondervindt hij een innerlijk smetteloos geluk.

        Als hij nu met het oog een vorm ziet, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt oog vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het oog, hij waakt ijverig over het oog.

        Als hij nu met het oor een geluid hoort, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt oor vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het oor, hij waakt ijverig over het oor.

        Als hij nu met de neus een geur ruikt, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte neus vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de neus, hij waakt ijverig over de neus.

        Als hij nu met de tong een smaak proeft, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte tong vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de tong, hij waakt ijverig over de tong.

        Als hij nu met het lichaam een aanraking voelt, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakt lichaam vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt het lichaam, hij waakt ijverig over het lichaam.

        Als hij nu met de geest een gedachte onderkent, dan wordt hij niet door het algehele voorkomen noch door een detail ervan geboeid. Omdat begeerte en afkeer, kwade en slechte gedachten weldra diegene overweldigen die met een onbewaakte geest vertoeft, beoefent hij ijverig deze waakzaamheid. Hij hoedt de geest, hij waakt ijverig over de geest.

        Door de vervulling van deze heilige beteugeling der zinnen ondervindt hij een innerlijk onbezoedeld geluk. Helder bewust komt en gaat hij. Helder bewust kijkt hij heen en weer. Helder bewust beweegt hij zich. Helder bewust draagt hij het gewaad van de Orde en de bedelnap. Helder bewust eet en drinkt hij, kauwt en proeft hij. Helder bewust ontledigt hij zich van urine en faeces. Helder bewust gaat hij, staat hij en zit hij. Helder bewust slaapt hij in, wordt weer wakker, spreekt en zwijgt hij.

        Trouw aan deze heilige regels van deugdzaamheid, trouw aan deze heilige beteugeling der zinnen, trouw aan dit heilige heldere inzicht, zoekt hij een afgelegen rustplaats op, een bos, de voet van een boom, een berggrot, een bergkloof, een begraafplaats, het midden van een bos, een ligplaats van stro in het open veld. Na de maaltijd, als hij van de aalmoezen-tocht is teruggekeerd, gaat hij met gekruiste benen neerzitten, het lichaam rechtop. En hij ontwikkelt het inzicht.

        Wereldlijke begeerten heeft hij verworpen en hij vertoeft met een begeerteloos gemoed. Van begeerte zuivert hij zijn hart.

        Kwaadwil heeft hij verworpen; hij vertoeft zonder haat. Vol medeleven en mededogen jegens alle levende wezens zuivert hij zijn hart van kwaadwil.

        Traagheid en starheid heeft hij verworpen; hij is vrij van traagheid en starheid. Het licht liefhebbend, vol inzicht, helder bewust zuivert hij zijn hart van traagheid en starheid.

        Hoogmoedige wrevel heeft hij verworpen; hij is vrij van hoogmoed. Met een gemoed dat innerlijk tot rust is gekomen zuivert hij zijn hart van hoogmoedige wrevel.

        Het twijfelen heeft hij verworpen; aan de onzekerheid is hij ontkomen. Hij twijfelt niet aan het goede. Van twijfelen zuivert hij zijn hart.

        Deze vijf belemmeringen heeft hij nu opgegeven. Hij heeft de besmettingen van het gemoed leren kennen, de verlammende. Ver van begeerte, ver van onheilzame dingen leeft hij in overdenkende, uit rust geboren zalige vreugde, in de sfeer van de eerste meditatieve verdieping.

        Daarna bereikt hij de innerlijke stilte van een zee, de eenheid van het gemoed die van overwegen en nadenken vrij is, de zalige vreugde die geboren is in concentratie: de tweede meditatieve verdieping.

        Verder vertoeft hij gelijkmoedig in vreugdige rust, vol inzicht helder bewust. Hij ondervindt in zijn lichaam een geluk waarvan de heiligen zeggen: "De gelijkmoedige, vol inzicht, leeft gelukkig." Zo bereikt hij de derde meditatieve verdieping.

        Vervolgens, na verwerping van vreugde en leed, na vernietiging van het vroegere blij zijn en bedroefd zijn, bereikt hij de vierde meditatieve verdieping die op grond van gelijkmoedigheid zonder smart en zonder vreugde is, volkomen zuiver, vol inzicht.

        Hij herinnert zich vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog waar mensen wedergeboren worden in overeenstemming met hun wilsacties. Hij begrijpt de vier edele waarheden. Zijn geest is vrij, hij is bevrijd. Hij is uitgedoofd, afgekoeld en hij ondervindt gelukzaligheid omdat hij zelf heilig is geworden.

M.52. (M.VI.2) Atthakanāgara sutta

        Te Atthaka. Het gezinshoofd Dasama wil weten of er een enkele dhamma is die bevrijding en verwerkelijking van Nibbāna kan veroorzaken. De eerwaarde Ānanda legt hem uit dat er elf deuren zijn die naar Nibbāna leiden, namelijk de vier jhānas, de vier Brahma-vihāra-oefeningen, en nog drie vormloze meditatie-sferen. Door het vergankelijke ervan te overwegen, kan men zich van de boeien bevrijden en Nibbāna verwerkelijken.[26]

        (Dit sutta is gelijk aan A.11.17)

M.52. (M.VI.2) Elf deuren die naar Nibbāna leiden

        De eerwaarde Ananda vertoefde eens te Beluvagama nabij Vesali.

        Het gezinshoofd Dasama uit Atthakanāgara nabij Pātaliputta was ook daar vanwege zaken. Hij ging naar enkele monniken in het park van Kukkuna en vroeg waar de eerwaarde Ananda was. De monniken vertelden hem waar de eerwaarde Ananda verbleef. Nadat hij zijn zaken gedaan had, ging het gezinshoofd naar de eerwaarde Ananda toe, groette hem eerbiedig en vroeg of door de Verhevene iets verkondigd was waardoor de onbevrijde geest van iemand bevrijd wordt, als die persoon ijverig en vastbesloten vertoeft, en waardoor de niet vernietigde neigingen vernietigd worden, en waardoor hij de hoogste zekerheid dat hij niet meer geboeid is verkrijgt, een zekerheid die hij voordien niet had.

        De eerwaarde Ananda zei dat de Verhevene zoiets verkondigd had, en wel de jhanas. Bij de eerste jhana overweegt men dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. Wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, is onderhevig aan eindigen.[27] Maar wanneer men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, op grond van die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Bereiken) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen zonder ooit van die sfeer terug te keren.

        Verder treedt men binnen in de tweede jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder treedt men binnen in de derde jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder treedt men binnen in de vierde jhana. Men overweegt die en men begrijpt dat die geproduceerd is en met opzet veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder vertoeft men, terwijl men één windstreek doordringt met een hart dat vervuld is van liefdevolle vriendelijkheid, en evenzo een tweede, derde en vierde windstreek, evenzo naar boven en naar beneden, in alle richtingen en rondom, en tot allen zoals tot zichzelf, onuitputtelijk, verheven, onmeetbaar, zonder vijandschap en zonder kwaadwil. Men overweegt dit en men begrijpt dat die bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid geproduceerd is en veroorzaakt. En wat geproduceerd en veroorzaakt is, is vergankelijk, onderhevig aan eindigen. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder vertoeft men terwijl de windrichtingen doordringt met een hart dat vervuld is van medeleven. En men overweegt dat die geproduceerd zijn en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder vertoeft men met een hart vol medevreugde en doordringt daarmee alle windrichtingen, in alle richtingen. Men overweegt en begrijpt dat die bevrijding van het hart geproduceerd is en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder vertoeft men met een hart dat vervuld is van gelijkmoedigheid en men doordringt daarmee alle windrichtingen en ook opwaarts en neerwaarts en rondom. Men overweegt en begrijpt dat die bevrijding van het hart geproduceerd is en veroorzaakt. En dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        En verder treedt men binnen in de vormloze meditatieve sferen (ruimte is oneindig; bewustzijn is oneindig; niets is er). Men overweegt die vormloze meditatieve sferen en begrijpt dat ze geproduceerd zijn en veroorzaakt. En wat geproduceerd is en veroorzaakt, dat is veranderlijk en vergankelijk. Met dit als basis verkrijgt men de vernietiging van de neigingen. Maar als men de vernietiging van de neigingen niet verkrijgt, dan wordt men op grond van dat verlangen naar de Dhamma, die vervoering over de Dhamma, met de vernietiging van de vijf lagere boeien iemand die ervoor bestemd is spontaan (in de Zuivere Verblijven) wedergeboren te worden en daar Nibbana te verkrijgen, zonder ooit van die wereld terug te keren.

        Het gezinshoofd Dasama verheugde zich over de woorden van de eerwaarde Ananda, en gaf aan de monniken eigenhandig een goede maaltijd, voorzag hen van twee stukken stof en gaf aan de eerwaarde Ananda het drievoudige gewaad en liet voor hem een gebouw oprichten ter waarde van 500 kahapanas.

M.53. (M.VI.3) Sekha sutta

        Te Kapilavatthu. De Boeddha opent er een nieuwe vergaderzaal. Hij vraagt aan Ānanda tot de Sakyas, met aan het hoofd prins Mahānāma, te spreken over de opleiding van de discipel. De eerwaarde Ānanda legt uit dat het pad van sīla (deugdzaamheid), samādhi (ontwikkeling van de geest) en wijsheid gevolgd moet worden door iemand die streeft naar hoger inzicht, met als hoogste de kennis van het verdwijnen van de āsava, de smetten.

        De discipel is gematigd bij het eten, bezit vertrouwen in de Boeddha, heeft schaamtegevoel, en schrikt ervoor terug iets verkeerds te doen. Hij leert veel en herinnert zich het geleerde. Hij is energiek bij het overwinnen van onheilzame geestestoestanden en bij het verkrijgen van heilzame geestestoestanden. Hij is oplettend en wijs; hij bezit wijsheid wat betreft ontstaan en vergaan die edel is en naar volledige vernietiging van lijden leidt. En hij is iemand die naar wens, zonder problemen, binnentreedt in de vier jhanas.

        Iemand die zo streeft wordt genoemd iemand met hoger inzicht, die de weg betreden heeft. Hij is in staat om de Verlichting te bereiken, Nibbana.

        Hij herinnert zich dan vele levens, en ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties.

M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta

        Te Apana. De Boeddha legt aan Potaliya de ware betekenis uit van het opgeven van de wereld.

        Het gezinshoofd Potaliya had wereldlijke zaken achtergelaten teneinde een heilig leven te leiden. Toen de Boeddha hem zag gekleed in gewone dagelijkse kleding, sprak de Boeddha hem aan als “gahapati”, gezinshoofd. Potaliya ergerde zich eraan. De Boeddha legde hem uit dat in de termen van de Vinaya men met iemand die beweerde zich te hebben afgezonderd van de wereld, bedoelde iemand die afzag van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefende en een beheerst gemoed had.

Uitleg:

        Het doden van levende wezens is te overwinnen. Niet nemen wat niet is gegeven is te overwinnen. Liegen is te overwinnen. Lasteren is te overwinnen. Gierigheid, hebzucht is te overwinnen. Uitschelden is te overwinnen. Toorn is te overwinnen. Hoogmoed is te overwinnen.

        Men overweegt aldus: als ik zou doden, stelen, liegen, lasteren, schelden, als ik gierig ben, hebzuchtig, toornig, of hoogmoedig, dan zou ik mij zelf daarvoor verwijten maken. En ook de wijze mensen zouden dat doen. Na de dood zou een ongelukkige sfeer van bestaan te verwachten zijn vanwege die dingen. En zelf zijn die dingen een boei en een hindernis. Terwijl neigingen, ergernis en koorts door het doden van levende wezens of door diefstal, liegen, lasteren, gierigheid, hebzucht, schelden, toorn of hoogmoed kunnen ontstaan, is er geen neiging, geen ergernis en geen koorts in iemand die zich ervan onthoudt.

        Dit is het achterlaten van wereldlijke zaken. Maar het is nog niet volledig.         

        Men moet verder overwegen dat zinsgenot leed brengt. Men moet er niet aan hechten en gelijkmoedigheid gebaseerd op eenheid ontwikkelen. Nadat hij dan bij de hoogste oplettendheid is aangekomen waarvan de reinheid berust op gelijkmoedigheid,[28] herinnert de edele discipel zich aan vele vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties. Dan treedt hij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij is van neigingen. En hij vertoeft erin. Dan is het opgeven van de wereld in de discipline van de edelen volledig.

M.55. (M.VI.5) Jīvaka sutta

        Te Rājagaha. De arts Jīvaka vroeg of het waar was dat de Boeddha het vlees at van dieren die extra voor hem gedood waren. De Boeddha legde uit dat hij een regel voor de monniken had vastgesteld dat zij geen vlees mochten eten wanneer zij zagen of hoorden of een vermoeden hadden dat het dier speciaal voor hen gedood en toebereid was. Verder moet een monnik geen begeerte voor voedsel tonen noch begerig zijn bij het eten. Hij is niet gehecht aan het eten.[29] Hij zou moeten eten met de overweging dat hij het voedsel alleen neemt om het lichaam te onderhouden teneinde het pad naar bevrijding te volgen.

 

M.56. (M.VI.6) Upāli sutta

        Te Nalanda. De bekering van de Jain Upāli.[30] Hij was een belangrijke en vermogende lekenvolgeling van Nigantha Nātaputta.Hij werd door zijn meester naar de Verhevene gestuurd om met hem te discussiëren over kamma. Nigantha beweerde dat lichamelijke en verbale acties meer resultaat hadden. De Boeddha beweerde dat de wil of de mentale daad het belangrijkste was. Upāli werd een lekenvolgeling van de Boeddha. De Boeddha zei hem eerst alles goed te onderzoeken. En Upali zou ook aan de Jain aalmoezen geven. Daarna werd Upali door de Boeddha onderwezen in de leer. En Upali bereikte het eerste niveau van heiligheid. Nigantha Nātaputta ging Upali toen opzoeken om hem terug te winnen. Maar Upali sprak een lofrede over de Boeddha. En Nigantha Nātaputta stierf ter plekke.

M.57. (M.VI.7) Kukkuravatika sutta

        In het land Koliya. De Boeddha sprak er met twee naakte asceten, Punna en Seniya. De een gedroeg zich als een hond en de ander als een koe. De Boeddha toonde aan dat zo'n gedrag niet goed was en sprak over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan: 1) zwarte daad met zwart resultaat; 2) witte daad met wit resultaat; 3) wit/zwarte daad met wit/zwart resultaat; 4) noch witte noch zwarte daad met noch wit noch zwart resultaat. Die daad leidt naar vernietiging van handelen. De wil om de daden sub 1, 2 en 3 te overwinnen, is een daad die niet wit noch zwart is, die geen wit en geen zwart resultaat heeft en die leidt naar de vernietiging van handelen.[31]

        Punna werd een lekenvolgeling en Seniya werd in de Orde ingewijd. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.

M.57. (M.VI.7) Vier soorten daden en resultaten ervan

        Te Haliddavasana in het land Koliya. Twee naakte asceten, Punna en Seniya, gedroegen zich als dieren. De een deed een os na; de ander een hond. Gevraagd werd aan de Boeddha waar zij wedergeboren zouden worden. De Verhevene gaf de volgende antwoorden.

        Iemand die als een hond leeft, wordt na de dood wedergeboren in het gezelschap van honden. En als hij van mening was dat hij door deze ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in het gezelschap van honden wedergeboren worden of in de hel.

        Iemand die als een os leeft, verschijnt na de dood in het gezelschap van ossen. En als hij van mening was dat hij door die ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in de dierenwereld wedergeboren worden of in de hel.

        Seniya en Punna, de naakte asceten, sprongen op en begonnen te huilen omdat zij die honden-oefening en ossen-oefening lang in praktijk hadden gebracht. Zij vroegen aan de Boeddha hen in de Dhamma te onderwijzen zodat zij hun honden- en ossen-oefening konden opgeven.

        De Boeddha sprak toen met hen over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan.

1) donkere daad met donker resultaat;

2) heldere daad met helder resultaat;

3) donkere/heldere daad met donker/helder resultaat;

4) noch donkere noch heldere daad met noch donker noch zwart resultaat. Die daad leidt naar vernietiging van handelen.

        (1) Wat is donkere daad met donker resultaat? – Men verricht een leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna wordt men wedergeboren in een leed brengende wereld.[32] Daar komt men in contact met leed brengende dingen. Men heeft leed brengende gevoelens, uiterst pijnlijk, zoals in het geval van wezens in de hel. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere daad met donker resultaat.

        (2) Wat is heldere daad met helder resultaat? - Men verricht een niet leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna verschijnt men na de dood in een niet leed brengende wereld. Daar komt men in contact met niet leed brengende dingen. Daardoor heeft men niet leed brengende gevoelens, uiterst aangenaam, zoals in het geval van de goden met stralende heerlijkheid. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men heldere daad met helder resultaat.

        (3) Wat is donkere en heldere daad met donker en helder resultaat? - Men verricht een daad met lichaam, taal of geest welke daad zowel leed als niet leed brengt.[33]

Daarna verschijnt men na de dood in wereld die zowel leed als niet leed brengt. Daar komt men in contact met dingen die zowel leed als niet leed brengen. Daardoor heeft men gevoelens die zowel leed als niet leed brengen, geluk en pijn gemengd, zoals in het geval van de mensen en enige wezens in de lagere werelden. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere en heldere daad met donker en helder resultaat.

        (4) En wat is een daad die noch donker noch helder is, met noch donker noch helder resultaat, welke daad naar de vernietiging van handelen leidt? [34] - De wil om de daden sub 1, 2 en 3 te overwinnen, dat is een daad die niet donker noch helder is, die geen donker en geen helder resultaat heeft; dat is een handeling die leidt naar de vernietiging van handelen.

        Dit zijn de vier soorten van handelen.

        Punna en Seniya zeiden : „Geweldig heer, de Dhamma is op veelvuldige manier duidelijk uitgelegd.“ Zij namen hun toevlucht tot de Verhevene en zijn leer en de Sangha. Punna werd een lekenvolgeling van de Boeddha. En Seniya werd in de Orde ingewijd. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige.

M.58. (M.VI.8) Abhayarājakumāra sutta

        Te Rajagaha. De Jain Nigantha Nātaputta stuurt prins Abhaya (Abhayarājakumāra) naar de Boeddha om hem te vragen of hij onaangename woorden had geuit over Devadatta. De Boeddha zei dat hij geen eenduidig antwoord hierover kon geven.

        De Verhevene somde zes manieren op waarop woorden geuit kunnen worden:

1. Woorden die niet waar zijn en niet nuttig en die onaangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

2. Woorden die waar zijn maar niet nuttig, en die onaangenaam zijn voor anderen, zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

3. Woorden die waar zijn en nuttig, maar onaangenaam voor anderen, zulke woorden spreekt de Verhevene op de juiste tijd.

4. Woorden die niet waar zijn maar die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

5. Woorden die waar zijn en niet nuttig, maar die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene niet.

6. Woorden die waar zijn en nuttig, en die aangenaam zijn voor anderen; zulke woorden spreekt de Verhevene op de juiste tijd. En hij doet dat uit mededogen met de wezens.

M.59. (M.VI.9) Bahuvedaniya sutta

        Te Sāvatthi. Uitleg van de verschillende soorten van gevoel (vedāna). Gewoon gevoel, ontstaan uit zinsgenot, wordt als aangenaam beschouwd. Maar de Verhevene legde uit dat het toppunt van geluk is het bereiken van nirodha samāpatti.

M.59. (M.VI.9) Uitleg van de verschillende soorten van gevoel

        Te Sāvatthi. De timmerman Pañcakanga vraagt aan de Eerwaarde Udāyin welke soorten van gevoel de Verhevene heeft uitgelegd. Het antwoord: Aangenaam gevoel; onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam noch onaangenaam is. De timmerman bleef volhouden dat de Verhevene maar twee soorten had uitgelegd, aangenaam en onaangenaam gevoel. Het neutrale gevoel zou door de Boeddha als een vredige en verheven toestand van geluk zijn beschreven. De Eerwaarde Udayin kon de timmerman niet tot andere gedachten brengen. De Eerwaarde Ananda hoorde het gesprek en vertelde aan de Verhevene wat er gebeurd was. Deze zei dat de Eerwaarde Udayin gelijk had, dat hij het goed had uitgelegd. Maar de Boeddha had bij verschillende gelegenheden over gevoel gesproken, en dan eens twee soorten, drie soorten, vijf soorten, achttien, zesendertig, honderd acht soorten van gevoel genoemd. De leer is op verschillende manieren uitgelegd. Er zijn vijf soorten van zin-genot, namelijk zichtbare vormen, hoorbare geluiden, ruikbare geuren, proefbare smaken, aanraakbare objecten. De soorten van gevoel, ontstaan uit zinsgenot, worden als aangenaam en gewenst beschouwd. Ze produceren begeerte. Het geluk dat erdoor ontstaat heet het geluk van zin-genot. Maar er is groter en verhevener geluk, namelijk het binnentreden en vertoeven in de jhanas, met als toppunt van geluk het bereiken van de vormloze meditatie van het ophouden van waarneming en gevoel (nirodha samāpatti).

M.60. (M.VI.10) Āpannaka sutta

        Te Sāla in het land Kosala. De inwoners ervan hadden voordien nog geen leringen van andere sekteleiders aangenomen als die hun dorp bezochten. De Boeddha toonde hun het juiste pad.

        Wie van mening zijn dat verdienstelijke daden geen resultaat hebben, zij vermijden goed gedrag in daad, woord en gedachten. Zij gaan een ongelukkige bestemming tegemoet. Evenzo degenen die van mening zijn dat er geen andere wereld is; evenzo degenen die leren dat er geen oorzakelijkheid is; en degenen die van mening zijn dat er geen vormloze sferen zijn; en ook degenen die menen dat er geen einde is aan het worden.

        Maar wie van het tegendeel overtuigt zijn, van hen is te verwachten dat zij verkeerd gedrag in daad, woord en gedachten zullen vermijden, en dat zij deze drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar en de smetten zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.

        Dan volgt de beschrijving van vier personen, namelijk 1) iemand die zichzelf kwelt; 2) iemand die anderen kwelt; 3) iemand die zichzelf en ook anderen kwelt; 4) iemand die niet zichzelf kwelt noch anderen kwelt. Die persoon is hier en nu vrij van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.

M.60. (M.VI.10) De onbetwistbare leer.

        

        Eens liep de Verhevene door het land Kosala met een grote groep monniken. Zij kwamen aan in het brahmanendorp Sala. De gezinshoofden van dat dorp hadden gehoord dat de Verhevene een volmaakt Ontwaakte was, een kenner van de werelden, die de goede Dhamma onderwees. Het was goed een dergelijke heilige te bezoeken. Daarom gingen de gezinshoofden naar de Boeddha toe, groetten hem eerbiedig en gingen terzijde neerzitten. Zij vroegen aan de Verhevene of hij een leraar had tot wie hij vertrouwen had.

        De Boeddha: "Neen, wij hebben geen leraar tot wie wij vertrouwen hebben. Gezinshoofden, jullie hebben geen leraar gevonden met wie jullie instemmen, die jullie vertrouwen. Mogen jullie daarom deze onbetwistbare leer overnemen en uitoefenen. Want ze strekt lang tot jullie heil en geluk."

(Nihilisme)

        "Er zijn monniken en brahmanen die het volgende onderwijzen en van mening zijn: 'Er zijn geen gaven, er is niets overhandigd of geofferd, er is geen vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is niet deze wereld en niet de andere wereld. Er is geen moeder, geen vader, er zijn geen spontaan geboren wezens. Er zijn geen goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking van hogere geestelijke kracht ervaren hebben en uitleggen.'

        De monniken en brahmanen die bovenstaande mening verkondigen, van hen is te verwachten dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed lichamelijk gedrag, goed gedrag wat betreft taalgebruik, goed geestelijk gedrag. Te verwachten is dat zij de volgende drie onheilzame toestanden overnemen en zullen uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, in taalgebruik en geest. En dat komt omdat zij in onheilzame toestanden niet het gevaar, de vernedering en de smet zien, en omdat zij ook in heilzame toestanden niet de zegen in ontzegging, het aspect van zuivering niet zien.

        Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een verkeerde visie die van mening is dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een verkeerde bedoeling wiens bedoeling berust op de mening dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, praat diegene niet goed die beweert dat er geen andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, spreekt degene die zegt dat er geen andere wereld is, de arahants tegen, die de andere wereld kennen. Omdat er inderdaad een andere wereld is, overtuigt diegene iemand anders van een onware leer, die anderen ervan overtuigt dat er geen andere wereld is. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt, looft hij zichzelf en kleineert hij anderen. Daarmee is die zuivere deugdzaamheid die hij vroeger had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En die verkeerde mening, verkeerde bedoeling, dat verkeerd taalgebruik, die tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een onware leer te overtuigen en zichzelf te prijzen en anderen te kleineren, – deze verschillende slechte, onheilzame toestanden komen zo met een verkeerde mening als oorzaak tot stand.

        Maar een wijze overweegt aldus: 'Als er geen andere wereld is, dan zal zich die goede persoon na de dood voldoende in zekerheid gebracht hebben. Maar als er een andere wereld is, dan zal hij na de dood wedergeboren worden in omstandigheden vol ontberingen, in een ongelukkig oord van bestemming, in verdoemenis, zelfs in de hel.

        Maar nemen we eens aan dat er geen andere wereld is. Die goede persoon zal desondanks hier en nu door de wijzen berispt worden als een niet moreel persoon, als iemand met verkeerde visie, die de leer van het nihilisme vertegenwoordigt. Als er echter een andere wereld is, dan heeft die goede persoon een dubbel slechte worp gedaan omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt, en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in omstandigheden vol ontberingen, in een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat ze alleen in één richting gaat en het heilzame alternatief buiten sluit.

        Nu zijn er monniken en brahmanen die het tegendeel daarvan onderwijzen: 'Er zijn gaven, er is iets overhandigd of geofferd, er is vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is deze wereld en de andere wereld. Er is moeder en vader, er zijn spontaan geboren wezens. Er zijn goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking van hogere geestelijke kracht ervaren hebben en uitleggen.'         

        De monniken en brahmanen die bovenstaande mening verkondigen, van hen is te verwachten dat zij de volgende drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, taal en geest, en dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag met lichaam, taal en geest. De reden hiervoor is dat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.

        Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene een juiste visie die van mening is dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, heeft diegene juiste bedoeling wiens bedoeling berust op de visie dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, praat diegene goed die beweert dat er een andere wereld is. Omdat er inderdaad een andere wereld is, spreekt degene die zegt dat er een andere wereld is, de arahants die de andere wereld kennen, niet tegen. Omdat er inderdaad een andere wereld is, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die iemand anders ervan overtuigt dat er een andere wereld is. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij niet zichzelf en kleineert hij anderen niet. Op die manier is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En deze juiste visie, die juiste bedoeling, juist taalgebruik, geen tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, – deze verschillende heilzame toestanden komen op die manier met juiste bedoeling als oorzaak tot stand.

        Verder overweegt een wijze aldus: 'Als er een andere wereld is, dan zal die goede persoon na de dood in een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemel wedergeboren worden.'

        Stel nu dat er geen andere wereld is. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen als een deugdzaam mens geprezen, als iemand met juiste visie die de lering van het positieve[35] vertegenwoordigt.

        En als er een andere wereld is, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan, omdat hij door de wijzen hier en nu geprezen wordt, en omdat hij na de dood in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemelse wereld verschijnt.

        Hij heeft die onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit."

(Niet-handelen)

        "Er zijn monniken en brahmanen die het volgende leren: 'Als men handelt of anderen tot een handeling aanzet, als men iemand mismaakt of anderen daartoe aanzet, als men foltert of anderen ertoe aanzet, als men iemand anders leed toebrengt of anderen ertoe aanzet om leed toe te brengen, als men iemand onderdrukt of anderen daartoe aanzet, als men iemand bedreigt of anderen daartoe aanzet, als men levende wezens doodt of anderen daartoe aanzet, als men steelt, inbreekt, plundert, echtbreuk pleegt, rooft, de vrouw van iemand anders verleidt, liegt, - dan is geen kwaad door de dader begaan. Als men de levende wezens op deze aarde in kleine stukken zou hakken, dan zou er tengevolge daarvan geen kwaad zijn en geen resultaat van kwaad. Als men geschenken zou overhandigen en anderen ertoe aanzette om geschenken te geven, dan zou er tengevolge daarvan geen verdienste zijn en geen resultaat van verdienste. Op grond van geven, zelfdiscipline, beteugeling, de waarheid spreken, is er geen verdienste en geen resultaat van verdienste.'[36]

        Nu zijn er ook monniken en brahmanen doe deze leer tegenspreken en het tegendeel beweren. 'Als men handelt en anderen tot handelen aanzet, als men mismaakt, foltert, leed toebrengt, of anderen daartoe aanzet, als men iemand onderdrukt, bang maakt, of anderen daartoe aanzet, als men doodt, steelt, inbreekt, plundert, rooft, de vrouw van een ander verleidt, liegt, - dan is kwaad door de daders begaan. Er zijn slechte daden en de gevolgen van slechte daden. En er zijn goede daden en de resultaten van goede daden.'

        

        Wie nu van mening is dat degene die slechte daden doet of laat doen, geen kwaad doet en geen resultaat ervan zal ondervinden, en dat degene die goede daden doet of laat doen, geen verdienstelijke daad doet en geen resultaat ervan zal ondervinden, - van die mensen is te verwachten dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed gedrag met lichaam, taalgebruik en geest, en dat zij drie onheilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag met lichaam, taal en geest. En wel omdat zij in de onheilzame toestanden niet het gevaar, de vernedering en de smet zien, en omdat zij ook in de heilzame toestanden niet de zegen in onthouding, het aspect van zuivering zien.

        Omdat er inderdaad daden zijn, heeft degene die van mening is dat er geen daden zijn, een verkeerde mening. Omdat er inderdaad daden zijn, heeft diegene een verkeerde bedoeling die van mening is dat er geen daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, spreekt diegene verkeerd die beweert dat er geen daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, worden door diegene die van mening is dat er geen daden zijn, de arahants tegengesproken die de leer vertegenwoordigen dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, overtuigt degene die iemand anders ervan overtuigt dat er geen daden zijn, hem van een onware leer. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt prijst hij zichzelf en kleineert hij anderen. Daarmee is die gezuiverde deugdzaamheid die hij eerst had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En deze verkeerde mening, die verkeerde bedoeling, die verkeerde taal, die tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een onware leer te overtuigen, het prijzen van zichzelf en het kleineren van anderen, - deze verschillende onheilzame toestanden komen op die manier met een verkeerde mening als voorwaarde tot stand.

        Maar een wijze overweegt aldus: 'Als er geen daden zijn, dan zal die goede persoon zich na de dood voldoende in zekerheid hebben gebracht. En als er daden zijn, dan zal hij na de dood wedergeboren worden in omstandigheden vol ontberingen, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Maar stel dat er geen daden zijn. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen berispt als iemand zonder moraal, als iemand met verkeerde visie, die de leer van niet-daden vertegenwoordigt. Wanneer er echter daden zijn, dan heeft die goede persoon een dubbel slechte worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in omstandigheden vol ontberingen, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich alleen in één richting uitstrekt en het heilzame alternatief uitsluit.

        Van degenen wier leer en visie is 'Als men slecht handelt of slecht laat handelen, dan is kwaad door de daders begaan. En er zijn onheilzame resultaten van die daden. En als men goed handelt of goed laat handelen, dan is verdienstelijk door de daders begaan. En er zijn verdienstelijke resultaten van die daden.' - Van hen is te verwachten dat zij de volgende drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag in lichaam, taal en geest, en dat zij de volgende drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in lichaam, taal en geest. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in het ontzeggen, het aspect van de zuivering zien.

        Omdat er inderdaad daden zijn, heeft degene die van mening is dat er daden zijn, een juiste visie. Omdat er inderdaad daden zijn, heeft diegene juiste bedoeling wiens bedoeling berust op de visie dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, praat diegene goed die beweert dat er daden zijn. Omdat er inderdaad daden zijn, spreekt degene die zegt dat er daden zijn, de arahants die de andere wereld kennen, niet tegen. Omdat er inderdaad daden zijn, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die iemand anders ervan overtuigt dat er daden zijn. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij niet zichzelf en kleineert hij anderen niet. Op die manier is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En deze juiste visie, die juiste bedoeling, dat juist taalgebruik, geen tegenspraak tegenover de edelen, het streven om anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, – deze verschillende heilzame toestanden komen op die manier met juiste bedoeling als oorzaak tot stand.

        Maar een wijze overweegt zo: 'Wanneer er daden zijn, dan zal die goede persoon na de dood wedergeboren worden op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemel. Maar stel dat er geen daden zijn. Deze goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen geprezen als een deugdzaam persoon, als iemand met juiste visie die de leer van daden vertegenwoordigt. Wanneer er echter daden zijn, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan. En wel omdat hij hier en nu door de wijzen geprezen wordt, en omdat hij na de dood in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemel wedergeboren wordt. Hij heeft deze onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit.

 

(Oorzakelijkheid)

        Er zijn monniken en brahmanen die leren en van mening zijn: 'Er is geen oorzaak of voorwaarde voor het bevlektzijn van de wezens. De wezens zijn zonder oorzaak of voorwaarde bevlekt. Er is geen oorzaak of voorwaarde voor de zuivering van de wezens. De wezens zijn zonder oorzaak of voorwaarde gezuiverd. Er is geen macht, geen energie, geen mannelijke sterkte, geen mannelijke volharding. Alle wezens, alle levende dingen, alle zielen zijn zonder heerschappij, macht en energie. Ze zijn gevormd door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur en zo ondervinden zij geluk en pijn in de zes klassen.'[37]

        Er zijn monniken en brahmanen wier leer de voorgaande leer tegenspreekt. Zij zeggen: 'Er is een oorzaak en voorwaarde voor de bevlektheid van de wezens. De wezens zijn op grond van oorzaak of voorwaarde bevlekt. Er is een oorzaak en voorwaarde voor de zuivering van de wezens. De wezens zijn op grond van oorzaak en voorwaarde gezuiverd. Er is een macht, een energie, een mannelijke sterkte, een mannelijke volharding. Het is niet waar dat alle wezens, alle levende dingen, alle zielen zonder heerschappij, macht en energie zijn; dat ze gevormd zijn door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur en zo geluk en pijn in de zes klassen ondervinden.'

        Van degenen die beweren dat er geen oorzaak en voorwaarde is voor het bevlektzijn van de wezens, dat er geen oorzaak of voorwaarde is voor de zuivering van de wezens, dat er geen macht, geen energie, geen sterkte, geen volharding is, dat de wezens gevormd zijn door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur, - van hen is te verwachten dat zij deze drie heilzame toestanden zullen vermijden, namelijk goed gedrag in daad, woord en gedachten, en dat zij deze drie onheilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk verkeerd gedrag in daad, woord en denken. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de smet niet zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van de zuivering niet zien.

        Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde visie die van mening is dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde bedoeling, die van mening is dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene verkeerde taal die beweert dat er geen oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, spreekt diegene die zegt dat er geen oorzakelijkheid is, de arahants tegen, die de leer van de oorzakelijkheid vertegenwoordigen. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, overtuigt diegene iemand anders van een onware leer die hem ervan overtuigt dat er geen oorzakelijkheid is. En omdat hij iemand anders van een onware leer overtuigt, prijst hij zichzelf en kleineert hij de ander. Daarmee is die deugdzaamheid die hij vroeger had, opgegeven en vervangen door verdorven gedrag. En die verkeerde visie, verkeerde bedoeling, verkeerde taal, tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een onware leer te overtuigen, zelfprijzing en kleinering van anderen, - deze verschillende onheilzame toestanden komen daarmee met verkeerde visie als oorzaak tot stand.

        Een wijze overweegt aldus: 'Als er geen oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon na de dood zich voldoende in zekerheid hebben gebracht. Maar als er oorzakelijkheid is, dan zal hij na de dood in omstandigheden vol ontberingen wedergeboren worden,op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Maar stel dat er geen oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon hier en nu toch door de wijzen berispt worden als een persoon zonder moraal, als iemand met verkeerde visie, die de leer van niet-oorzakelijkheid vertegenwoordigt. Maar als er wel een oorzakelijkheid is, dan heeft die goede mens een dubbel slechte worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu berispt wordt, en omdat hij na de dood in omstandigheden vol ontberingen wedergeboren wordt, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Hij heeft deze onbetwistbare leer verkeerd aangenomen en overgenomen op een dergelijke manier dat zij alleen in één richting zich uitstrekt en het heilzame alternatief uitsluit.'

        Van degenen die van mening zijn: 'Er is een oorzaak en voorwaarde voor het bevlekt zijn van de wezens; er is een oorzaak en voorwaarde voor de zuivering van wezens, er is een macht, een energie, een sterkte, een volharding, de wezens zijn niet gevormd door het noodlot, door de omstandigheden en de natuur,' - van hen is te verwachten dat zij deze drie onheilzame toestanden zullen vermijden, namelijk verkeerd gedrag in daad, woord en gedachten, en dat zij deze drie heilzame toestanden zullen overnemen en uitoefenen, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten. En wel omdat zij in onheilzame toestanden het gevaar, de vernedering en de bevlekking zien, en ook omdat zij in heilzame toestanden de zegen in de ontzegging, het aspect van zuivering zien.

        Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste visie die van mening is dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste bedoeling, die van mening is dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, heeft diegene juiste taal die beweert dat er een oorzakelijkheid is. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, spreekt diegene die zegt dat er oorzakelijkheid is, de arahants niet tegen, die de leer van de oorzakelijkheid vertegenwoordigen. Omdat er inderdaad oorzakelijkheid is, overtuigt diegene iemand anders van een ware leer die hem ervan overtuigt dat er oorzakelijkheid is. En omdat hij iemand anders van een ware leer overtuigt, prijst hij zichzelf niet en kleineert hij anderen niet. Daarmee is dat verdorven gedrag dat hij vroeger had, opgegeven en vervangen door gezuiverde deugdzaamheid. En die juiste visie, juiste bedoeling, juiste taal, niet tegenspraak jegens de edelen, de bedoeling anderen van een ware leer te overtuigen, en het vermijden van zelfprijzing en kleinering van anderen, - deze verschillende heilzame toestanden komen daarmee met juiste visie als oorzaak tot stand.

        Verder overweegt een wijze aldus: 'Als er oorzakelijkheid is, dan zal die goede persoon na de dood wedergeboren worden op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemel. Maar stel dat er geen oorzakelijkheid is. Die goede persoon wordt desondanks hier en nu door de wijzen geprezen als een deugdzaam persoon, als iemand met juiste visie, die de leer van oorzakelijkheid vertegenwoordigt. Wanneer er echter oorzakelijkheid is, dan heeft die goede persoon een dubbel goede worp gedaan, en wel omdat hij door de wijzen hier en nu geprezen wordt en omdat hij na de dood wedergeboren wordt in gelukkige omstandigheden, ja zelfs in de hemel. Hij heeft deze onbetwistbare leer juist aangenomen en overgenomen, op een dergelijke manier dat zij zich in beide richtingen uitstrekt en het onheilzame alternatief uitsluit.'

 

(Vormloze sferen van bestaan)

        Gezinshoofden, er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er met zekerheid geen vormloze sferen van bestaan zijn. Andere monniken en brahmanen onderrichten het tegendeel. Die monniken en brahmanen spreken elkaar tegen.

        Een wijze overweegt aldus: 'Ik weet niet welke leer juist is. Daarom is het niet juist partij te kiezen. Ik zou na de dood terecht kunnen komen bij de goden in de fijnstoffelijke sferen, die uit geest bestaan. Of ik zou na de dood weer verschijnen bij de goden van de vormloze sferen, die uit waarneming bestaan. Het gebruik van wapens, ruzie, hatelijkheden en leugens berust op vorm. Maar vorm bestaat helemaal niet in de vormloze sferen van bestaan.' Na deze overwegingen oefent hij zich in de weg tot ontnuchtering en begeerteloosheid met betrekking tot vorm, tot het ophouden van vorm.

 

(Ophouden van alle worden)

        Gezinshoofden, er zijn monniken en brahmanen die onderrichten dat er met zekerheid geen ophouden van alle worden is. En andere monniken en brahmanen onderrichten het tegendeel ervan.

        Een wijze overweegt daarover aldus: 'Ik weet niet wat juist is. Maar het is mogelijk dat ik na de dood weer verschijn bij de goden van de vormloze sferen die uit waarneming bestaan. Of het is mogelijk dat ik hier en nu nibbana kan bereiken.

        De mening dat er geen ophouden van alle worden is, is dicht bij de begeerte, dicht bij gebondenheid, dicht bij behagen scheppen, vasthouden, hechten. Maar de mening dat er wel een ophouden van alle worden is, is dicht bij niet-begeerte, dicht bij ongebondenheid, dicht bij niet behagen scheppen, dicht bij niet vasthouden, dicht bij niet hechten.' Nadat hij zo heeft overwogen oefent hij zich in de weg tot ontnuchtering en begeerteloosheid wat betreft het worden, tot het ophouden van het worden.

 

(Vier soorten van personen)

        Er zijn vier soorten personen op de wereld. 1) Iemand kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling. 2) Iemand kwelt anderen en volgt de praktijk anderen te kwellen. 3) Iemand kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling en hij volgt ook de praktijk anderen te kwellen. 4) Iemand kwelt zichzelf niet en volgt de praktijk van zelfkwelling niet noch kwelt hij anderen. Daarom is die persoon hier en nu vrij van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.

        (1) Wie kwelt zichzelf en volgt de praktijk van zelfkwelling? - Hij loopt naakt rond, zeden en gebruiken verwerpend, hij likt zijn handen af, komt niet wanneer men erom vraagt, blijft niet staan als men erom vraagt, neemt geen eten aan als het hem gebracht wordt of voor hem wordt klaargemaakt; neemt geen uitnodiging voor een maaltijd aan, hij ontvangt niets uit een pot, niets uit een schotel, niets dat over de drempel, een staf, een stamper aangereikt wordt. Hij ontvangt niets van twee die samen eten, van een zwangere, van een vrouw die borstvoeding geeft, van een vrouw die bij een man ligt, van een plaats waar de verdeling van eten is aangekondigd. Hij ontvangt niets waar een hond wacht, waar vliegen zoemen. Hij neemt geen vis of vlees aan, hij drinkt geen brandewijn, wijn of gefermenteerde brouwsels. Hij houdt zich aan één huishouden, één hap; hij houdt zich aan twee huishoudens, twee happen; hij houdt zich aan drie huishoudens, drie happen; hij houdt zich aan vier huishoudens, vier happen; hij houdt zich aan vijf huishoudens, vijf happen; hij houdt zich aan zes huishoudens, zes happen; hij houdt zich aan zeven huishoudens, zeven happen. Hij leeft van een volle lepel per dag, van twee volle lepels per dag, van drie volle lepels per dag, van vier volle lepels per dag, van vijf volle lepels per dag, van zes volle lepels per dag, van zeven volle lepels per dag. Hij neemt eenmaal per dag eten tot zich; hij neemt alle twee dagen eten tot zich; hij neemt alle drie dagen eten tot zich; hij neemt alle vier dagen eten tot zich; hij neemt alle vijf dagen eten tot zich; hij neemt alle zes dagen eten tot zich; hij neemt alle zeven dagen eten tot zich; en zo verder to eenmaal alle twee weken. Zo houdt hij zich bezig met de praktijk van eten slechts in vastgestelde afstanden tot zich te nemen. Hij eet loof of gierst of wilde rijst of spanen van schors, of mos of het kaf van rijst, of afval van rijst of sesam-meel, of gras of koemest. Hij leeft van wortels en vruchten uit het bos, hij voedt zich met afgevallen fruit. Hij kleedt zich in hennep, in hennep bevattende stof, in lijkgewaden, in lompen uit de afval, in boomschors, in antilopenvel, in vodden van antilopenvel, in weefsels van kusa-gras,[38] in weefsels van boomschors, in weefsels van houtspanen, in wol van mensenhaar, in wol uit dierenhaar, in uilenvleugels. Hij is iemand die zich de haren en de baard uittrekt, die de praktijk van het haren en baard uittrekken uitoefent. Hij is iemand die steeds blijft staan en zitgelegenheden verwerpt. Hij is iemand die steeds op de grond hurkt. Hij is iemand die een mat uit doornen gebruikt; hij maakt een mat uit dorens tot zijn bed. Hij beoefent de praktijk driemaal per dag, ook 's avonds, in het water te staan.

        Op die manier houdt hij zich op veelvuldige manier bezig met de uitoefening van de praktijk waarbij hij het lichaam kwelt en doodt. Dit noemt men de soort van persoon die zichzelf kwelt en die de praktijk van zelfkwelling navolgt.

        (2) Wie kwelt anderen en volgt de praktijk anderen te kwellen? - Iemand is een slachter van schapen, varkens, kippen, een vallenzetter, een jager, een visser, een dief, een beul, een gevangenisbewaarder, of iemand die een ander dergelijk wreed beroep heeft. - Dat noemt men iemand die anderen kwelt en de praktijk volgt anderen te kwellen.

        (3) Wie kwelt zichzelf, volgt de praktijk van zelfkwelling, en kwelt ook anderen, volgt de praktijk anderen te kwellen? - Iemand is een koning of rijke brahmaan. Nadat hij een nieuwe offertempel heeft laten bouwen in het oosten van de stad, en zich hoofdhaar en baard heeft laten afscheren, betreedt hij de tempel samen met zijn hoofdkoningin en met zijn brahmaanse hogepriester. Zelf is hij daarbij in een ruw leer gekleed, zijn lichaam ingesmeerd met botervet en olie. Zij rug is opengekrabd met het gewei van een hert. Hij gaat op de grond liggen die met offergras is bedekt. De koning voedt zich met de melk uit de eerste tepel van een koe met een kalf van gelijke kleur, de hoofdkoningin voedt zich met de melk uit de tweede tepel en de brahmaanse hogepriester voedt zich met de melk uit de derde tepel; de melk uit de vierde tepel gieten ze in het vuur. En het kalf voedt zich met wat over is gebleven. De koning zegt hoeveel stieren als offer gedood moeten worden, hoeveel jonge runderen, hoeveel kalveren, hoeveel geiten en schapen; hij zegt hoeveel bomen als offerpalen geveld moeten worden, hoeveel gras als offergras gemaaid moet worden. En dan bereiden zijn slaven en zijn dienstpersoneel alles voor, wenend, met bange gezichten, uit angst voor straf. - Dat noemt men iemand die zichzelf kwelt en die anderen kwelt.

        (4) Wie is iemand die niet zichzelf kwelt noch anderen? - Hij is iemand die hier en nu vrij is van honger, uitgedoofd en afgekoeld, en hij vertoeft in gelukzaligheid, omdat hij zelf heilig is geworden.

        Daar verschijnt een Tathāgata in de wereld, een Volmaakte, een volledig Verlichte, volmaakt in juist weten en verheven in gedrag, volmaakt, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leraar van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en mensen, een Ontwaakte, een Verhevene. Hij legt deze wereld uit met haar Maras en Brahmas; hij legt aan deze generatie uit wat hij zelf met hogere geestelijke kracht heeft verwerkelijkt. Hij onderwijst de leer die goed is aan het begin, goed in het midden en goed aan het einde. Hij onderwijst ze met de juiste betekenis en de juiste manier van uitdrukking. Hij onthult een heilig leven dat geheel volkomen en rein is.

        Iemand hoort die leer en krijgt vertrouwen in de Tathāgata. In het bezit van dat vertrouwen overweegt hij: 'Het leven in huis is eng en stoffig, terwijl het leven in de huisloosheid ver en open is. Als men thuis woont is het niet gemakkelijk om het heilige leven te leiden dat geheel volkomen en rein is. Stel dat ik hoofdhaar en baard afscheer, het gele gewaad aantrek en van het leven in huis naar het huisloze leven ga.' Bij een latere gelegenheid doet hij wat hij overwoog, waarbij hij een klein of groot vermogen, een kleine of grote kring van verwanten opgeeft.

        Wanneer hij de oefening en levenswijze van de Bhikkhus heeft aangenomen, onthoudt hij zich ervan levende wezens te doden; hij legt stok en wapen terzijde, hij leeft zachtmoedig en vriendelijk met medegevoel voor alle levende wezens. Hij onthoudt zich ervan te nemen wat niet is gegeven; hij neemt alleen wat gegeven werd, wacht alleen af wat gegeven werd; hij steelt niet en vertoeft zo in reinheid. Hij geeft de onkuisheid op, leeft in kuisheid, hij heeft geen geslachtsverkeer, onthoudt zich ervan. Hij onthoudt zich ervan de onwaarheid te zeggen; hij spreekt de waarheid, houdt zich aan de waarheid. Hij is geloofwaardig en men kan hem vertrouwen; hij is iemand die de wereld niet bedriegt. Hij onthoudt zich ervan barse taal te gebruiken. Hij vertelt niet ergens anders wat hij hier heeft gehoord om mensen van elkaar te scheiden; noch vertelt hij hier wat hij elders heeft gehoord om mensen van elkaar te scheiden.

        Hij is iemand die diegenen verenigt die eerst gescheiden waren; hij is iemand die vriendschap bevordert, die van eendracht geniet, die zich over eendracht verheugt. Hij is iemand die woorden gebruikt die eendracht zaaien. Hij onthoudt zich van het gebruik van ruwe woorden; hij uit woorden die zacht zijn, aangenaam en dierbaar, die tot het hart gaan, die hoffelijk zijn, waarnaar velen verlangen, die velen aangenaam zijn. Hij onthoudt zich van kletspraatjes; hij praat op de juiste tijd, zegt wat met de feiten overeenkomt; hij praat over datgene wat goed is, spreekt over de Dhamma en de discipline; te juister tijd zegt hij woorden die waard zijn te worden onthouden, verstandig, gematigd en heilzaam.

        Hij onthoudt zich ervan zaadgoed en platen te beschadigen. Hij oefent zich erin slechts één keer per dag te eten. Hij onthoudt zich ervan 's nachts en buiten de gepaste tijd te eten. Hij onthoudt zich van dansen, zingen, musiceren, en van het bezoek aan theateropvoeringen. Hij onthoudt zich ervan sieraden te dragen, zich met parfum en met cosmetische middelen mooier te maken. Hij onthoudt zich van hoge en brede bedden. Hij onthoudt zich ervan goud en zilver aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan ongekookt graan aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan rauw vlees aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan vrouwen en meisjes aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan slaven en slavinnen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan geiten en schapen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan gevogelte en varkens aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan olifanten, runderen en paarden aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan velden en landerijen aan te nemen. Hij onthoudt zich ervan bodediensten te verrichten en boodschappen over te brengen. Hij onthoudt zich van kopen en verkopen. Hij onthoudt zich ervan valse gewichten, valse metalen en valse maten te gebruiken. Hij onthoudt zich van bedrog en arglist. Hij onthoudt zich van letsel toebrengen, van moorden, boeien, struikroverij, plunderen en geweld.

        Hij heeft genoeg aan de gewaden om zijn lichaam te bedekken, en aan het aalmoezenmaal om zijn maag te vullen; waarheen hij ook gaat hij neemt alleen dat mee. Omdat hij deze edele deugdzaamheid bezit, ondervindt hij in zich een gelukzaligheid die onberispelijk is.

        Als hij met het oog een vorm ziet, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van zien ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van zien. Als hij met het oor een geluid hoort, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van horen ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van horen. Als hij met de neus een geur ruikt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van ruiken ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van ruiken. Als hij met de tong een smaak proeft, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van proeven ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het smaak-zintuig. Als hij met het lichaam een aanrakingsobject voelt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het zintuig van aanraken ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het zintuig van aanraken. Als hij met de geest een geestobject waarneemt, hecht hij zich er niet aan. Omdat slechte onheilzame geestestoestanden van begeerte en verdriet in hem kunnen binnendringen als hij het geest-zintuig ongecontroleerd laat, oefent hij zich in de controle ervan. Hij bewaakt het geest-zintuig.

        Omdat hij deze edele controle van de zintuigen heeft, ondervindt hij in zich een gelukzaligheid die onbezoedeld is.

        Hij wordt iemand die bewust handelt bij gaan, bij het kijken, bij het buigen en strekken van de ledematen, bij het dragen van de gewaden en de nap; hij wordt iemand die bewust handelt bij het eten, drinken, kauwen en proeven; iemand die bewust handelt bij de ontlasting en het urineren; die bewust handelt bij het gaan, staan, zitten, inslapen, ontwaken, bij het praten en zwijgen.

        Omdat hij deze edele deugdzaamheid bezit, deze edele beheersing van de zintuigen en deze edele oplettendheid en dit inzicht, trekt hij zich terug naar een afgelegen verblijfplaats: een bos, de voet van een boom, op een berg, in een kloof, in een grot, op een lijkenplaats, in een jungle, op een vrij veld, op een bundel stro.

        Na terugkeer van zijn ronde voor aalmoezen, na zijn maaltijd, gaat hij met gekruiste benen neerzitten, het lichaam rechtop; met oplettendheid. Doordat hij begeerte naar wereldse dingen overwint, vertoeft hij met een hart dat vrij is van begeerte; hij zuivert zijn geest van begeerte. Doordat hij kwaadwil en haat overwint, vertoeft hij met een geest die vrij is van kwaadwil en haat. Hij ondervindt medegevoel voor het welzijn van alle levende wezens. Hij zuivert zijn geest van kwaadwil en haat. Doordat hij traagheid en matheid overwint, vertoeft hij vrij van traagheid en matheid, met lichte geest, oplettend en met inzicht. Hij zuivert zijn geest van traagheid en matheid. Doordat hij rusteloosheid en overbezorgdheid overwint, vertoeft hij evenwichtig, met een geest die innerlijke vrede heeft. Hij zuivert zijn geest van rusteloosheid en overbezorgdheid. Doordat hij twijfel overwint, vertoeft hij ontkomen aan twijfel, zonder onzekerheid wat betreft heilzame toestanden van de geest. Hij zuivert zijn geest van twijfel.

        Na het overwinnen van deze vijf hindernissen, deze onvolkomenheden van het hart die de wijsheid zwak maken, treedt hij binnen in de eerste, tweede, derde en vierde jhana.

        Wanneer zijn geconcentreerde geest op die manier gezuiverd is, helder, smetteloos, leeg van onvolkomenheid, voegzaam, bruikbaar, vast en onwrikbaar, dan richt hij het weten op de herinnering aan vroegere levens. Hij herinnert zich veel levens, met alle details.

        Daarna richt hij zijn geest op het weten van het sterven en weer verschijnen van de wezens. Hij ziet met het hemelse oog de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Hij begrijpt hoe zij overeenkomstig hun wilsacties wedergeboren worden.

        Daarna richt hij zijn geest op het weten van de vernietiging van de neigingen. Hij begrijpt de vier edele waarheden.

        Wanneer hij aldus weet en ziet, is zijn geest bevrijd van de neigingen van de zinnen, van worden en van onwetendheid. Aldus bevrijd komt het weten dat hij bevrijd is. Hij begrijpt dat geboorte ten einde is gebracht; dat er verder niets meer te doen is.

        Dit is de soort persoon die zichzelf niet kwelt noch anderen kwelt.

        Na deze woorden zeiden de brahmaanse gezinshoofden van Sala dat de Boeddha het op veelvuldige manier had uitgelegd. Zij werden lekenvolgelingen en namen hun toevlucht tot de Verhevene.



[1] U Ko Lay 1985, p. 50-53; Bapat 1958, p. xiv-xvi; Webb 1975, p. 11-12.

[2] U Ko Lay 1985, p. 50; Webb 1975, p. 11.

[3] Bapat 1958, p. xiv-xv; Webb 1975, p. 11.

[4] Dit sutta is identiek met A.XI.18.

[5] U Ko Lay 1985, p. 51-52. Bapat 1958, p. xv; Webb 1975, p. 11.

[6] Bewustzijn is het object waarvan de vergankelijkheid niet direct kan worden gezien. Er bestaat geen bewustzijn dat op zich bestaat.

[7] Een wereldling kan niet direct inzien dat bewustzijn vergankelijk is. In het volgende legt de Boeddha het tegenmiddel uit: inzien dat bewustzijn van zijn essentie uit negatief is – het is altijd bewustzijn van iets – en dus oorzakelijk ontstaan, afhankelijk van vergankelijke factoren, en daarmee zelf vergankelijk en niet-zelf.

[8] Bapat 1958, p. xvii-xvii; Webb 1975, p. 12.

[9]  De eerwaarde Maha Kotthita werd geprezen als eerste onder degenen met analytisch verstand.

[10] Het verschil tussen onmiddellijk inzicht met hogere geestelijke kracht en volledig inzicht bestaat hierin: Onmiddellijk inzicht hebben alle edelen vanaf stroomintrede gemeenschappelijk. Volledig inzicht is het geheel en al doordringen van de vier edele waarheden hetwelk naar de vernietiging van de neigingen, naar arahantschap leidt.

[11] De bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid zijn twee aspecten van arahantschap. - Zie eventueel: Bevrijding van het hart en bevrijding door wijsheid.

[12] De afwezigheid van bewustzijn alleen is niet voldoende om de toestand van dood te beschrijven. Levenskracht en hitte moeten eveneens verdwijnen.

[13] Bedoeld is dat ademhalen, denken, waarneming en gevoel ophouden. (Vgl. M.44)

[14] De bevrijding van het gemoed is een toestand zonder lijden. Deze toestand kan tijdelijk door ontwikkeling van de geest/concentratie bereikt worden. Hij kan permanent bereikt worden door de vernietiging van de neigingen. De noch pijnlijke noch aangename bevrijding van het hart is de vierde jhana; de onmetelijke bevrijding van het hart is de praktijk van de Brahmaviharas, de goddelijke verblijven; de bevrijding van het hart door nietsheid is de derde vormloze meditatieve verdieping. De bevrijdingen van het hart worden 'onwrikbaar' genoemd wanneer ze verbonden zijn met de vernietiging van de neigingen.

[15] En wel juist die kenmerken of kentekenen (nimitta), waarvan men zich bij de oefening van de beheersing van de zintuigen probeert te bevrijden.         

[16] 'Persoonlijkheid' (sakkāya) is de illusie die door hechten aan de groepen van bestaan tot stand komt; niet te verwisselen met 'persoon' (puggala), de individualiteit die ook Verlichten hebben.

[17] Hechten is deel van de vijf groepen van bestaan, dus zelf onderwerp van hechten. De eerwaarde Dhammadinnā maakt hier de kringloop duidelijk die bestaat uit onwetendheid, hechten en dukkha.         

[18] Datgene wat het lichaam, de taal en de geest vormt, niet datgene wat door lichaam, taal en geest gevormd wordt. Ademen is weliswaar een lichamelijke activiteit, maar is niet heilzaam noch onheilzaam. Maar adem is datgene wat het lichaam determineert (o.a. in leven houdt). Denken is geen handeling van taal, maar dat wat de uiting van taal vormt. Waarneming en gevoel zijn geen geestelijk kamma; zij vormen de geest.

        De formatie ademen eindigt op z'n laatst bij de vormloze (lichaamloze) meditatieve verdiepingen. Waarneming en gevoel eindigen in de meditatieve toestand van 'beëindigen van waarneming en gevoel'. Daarom deze volgorde.

[19] 'Denken' eindigt bij de eerste jhana. Vitakkavicāra heeft echter ook de betekenis van 'begin- en aanhoudende toewending tot het meditatie-object' in de eerste jhana. Die toewending eindigt in de tweede jhana.         

[20] Mogelijk met dezelfde betekenis als het onderkennen van de drie eigenschappen van het bestaan: niet-zelf (anattā) resp. leegheid contact, vergankelijkheid (anicca) resp. kentekenloos contact, het onvoldane, niet tevreden stellende (dukkha) resp. wensloos contact.

[21] Er hoeven geen prostituees mee bedoeld te zijn. Met het woord paribbājikā is bedoeld een rondtrekkende spiritueel zoekende. Rondtrekkende vrouwelijke asceet of rondtrekkende non is niet de juiste omschrijving, omdat bedoelde vrouwen met mannen omgang hebben naar het schijnt.

[22] Een interessante toevoeging aan de veelbesproken vraag of planten levende wezens zijn en pijn kunnen voelen. Blijkbaar kan het „zenuwsysteem“ van planten tot woonplaats dienen van fijnstoffelijke wezens. Dit is een mogelijke uitleg waarom volgens Boeddhistische leer planten geen kamma verrichten maar toch op mentale golven reageren.

[23] Voor een gedetailleerde analyse van deze dingen, zie M.114. 

[24] In het eerste geval geeft iemand toe aan zijn neigingen om onheilzame behoeftes (verlangens) te bevredigen, tegen het verzet van zijn verstandelijk inzicht in de noodzaak van ethisch gedrag. In het tweede geval is dat inzicht niet aanwezig. In het derde geval volgt iemand zijn verstandelijk inzicht in de noodzaak van ethisch gedrag, tegen het verzet van zijn neigingen om onheilzame behoeften te bevredigen. In het vierde geval zijn die onheilzame behoeften niet aanwezig.         

[25] U Ko Lay 1985, p. 55-57; Webb 1975, p. 13.

[26] U Ko Lay 1985, p. 55; Webb 1975, p. 13.

[27] Dit is een beschrijving hoe de mediterenden die neigen naar kalmte van geest, eerst concentratie en dan inzicht kunnen uitoefenen. Belangrijk is de combinatie van de in de jhanas bereikte scherpte van geest met aansluitend wijs overwegen. Daarbij moet niet allen het feit beschouwd worden dat de jhana nu voorbij is, maar ook dat zij oorzakelijk ontstaan is door vergankelijke factoren.

        'Geproduceerd' (abhisankhata) of 'op hogere manier gevormd': de ik-vormende dingen zijn in de jhanas subtieler en daarom moeilijker als zodanig te herkennen dan in het zintuiglijk beleven. In veel geestelijke tradities het mystieke beleven in de meditatieve verdiepingen geïdentificeerd met het 'zelf', de 'ziel' of 'tegenwoordigheid van God', of tenminste met een stap in die richting.         

        De oefenende hier heeft echter een wijsheid van dergelijke hoogte dat hij het geluk van de meditatie als dukkha ziet – waarlijk geen gemakkelijke oefening. Hij ziet dat de meditatieve verdiepingen niet eeuwig zijn, dat ze ooit zullen eindigen. En hij ziet ook dat met het beëindigen ervan dukkha in de zin van de vier edele waarheden moet eindigen (nirodhadhamma). Dit beëindigen van dukkha wordt aansluitend verwerkelijkt door de vernietiging van de neigingen.

[28] Meer over gelijkmoedigheid, zie M.137.

[29] U Ko Lay 1985, p.56; Webb 1975, p. 13.

[30] Webb 1975, p. 13.

[31] Zie U Ko Lay 1985, p. 56-57; Webb 1975, p. 13.

[32] De drie lagere sferen van bestaan: hel, dierenwereld en wereld van de hongerende geesten (peta).

[33] Een enkele wilsactie kan niet tegelijk heilzaam en onheilzaam zijn. Bedoeld is hier een mengeling uit heilzame en onheilzame handelingen waarbij noch het ene noch het andere erg op de voorgrond treedt.

[34] "Vernietiging van handeling“ heeft betrekking op de toestand van de arahant. Hij verricht wel handelingen met lichaam, taal en geest, maar hij verricht geen karmische handeling die onder invloed staat van begeerte, haat en onwetendheid. Zijn activiteiten hebben geen karmisch resultaat.

[35] Hiermee is niet filosofisch positivisme bedoeld, maar de bevestiging van de mogelijkheid van een wedergeboorte in een volgend bestaan.

[36] De leer dat er geen resultaat is van daden is een leer van de sekte van de Ajivakas, en wordt toegeschreven aan Pūrana Kassapa. Het gaat hier echter niet om een nihilistisch materialisme, maar om een fatalistische instelling die het toekomstige verloop van de wezens als onveranderlijk beschrijft, ongeacht welke daden zij verrichten.

[37] Een verdere leerstelling van de Ajivakas, de leer van niet-oorzakelijkheid. Deze leerstelling wordt toegeschreven aan Makkhali Gosāla. Ze is eveneens fatalistisch.         

[38] Kusa-gras is gras met kleine weerhaken.

.