Facetten van het Boeddhisme


naar Index

Op pelgrimstocht in India en Nepal
4.2. Sravasti (Savatthi)


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.




Śrāvastī (Sāvatthi)   

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk


Van Sarnath vertrokken wij heel vroeg in de ochtend naar Sravasti. De afstand is ongeveer 250 km. Wij hadden er met de auto een hele dag voor nodig. Hier en daar waren de wegen erg beschadigd door hevige regenval en overstromingen.

        Onderweg kwamen wij langs veel boerendorpjes. Het moet er in de tijd van de Boeddha ook ongeveer zo hebben uitgezien.

        De route naar Savatthi is door de Boeddha meermalen

afgelegd.

‘s Avonds laat kwamen wij te Sravasti aan. Wij logeerden er in het Thaise klooster dat in 1982 gebouwd werd.

Wij bezichtigden eerst het Jetavana-klooster. Daarna werden de ruïnes van de huizen van Anathapindika en van de ouders van Angulimala bezocht, en ook de Mankula-heuvel.

onderweg

even pauze in een wegrestaurant


Sravasti (Savatthi)

De oude stad Sāvatthi dankt de naam aan het feit dat ze eens de verblijfplaats was van de ziener Sāvattha. Tegenwoordig is ze een verzameling van ruïnes, genaamd Sahet Maheth, in Uttar Pradesh, India. Sahet is de plaats van het beroemde Jetavana-klooster; Maheth ligt er ongeveer 500 meter vandaan. Daar lag de oude stad Sāvatthi. Ze wordt thans Śrāvastī genoemd. De ligging ervan is ongeveer 18 km ten westen van Balrampur, aan de weg vanaf die plaats naar Bahraich. Ten tijde van de Boeddha was ze de hoofdstad van het koninkrijk van Kosala;[1] de koning ervan heette Pasenadi.

Ten tijde van de Boeddha waren in Sāvatthi veel volgelingen van de Jain-sekte. Ook koning Pasenadi was een aanhanger ervan. Maar hij volgde het voorbeeld van zijn zoon, prins Jeta, en werd een trouwe volgeling van de Boeddha. Te Śrāvastī is nog een ruïne van een Jain tempel te zien.

ruïne van Jain tempel

Sudatta, een rijk koopman uit Sāvatthi, was buitengewoon vrijgevig. Daarom werd hij bekend als Anāthapindika. Deze naam betekent: de voeder van de armen. Anāthapindika werd een volgeling van de Boeddha en bereikte al het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti). Hij kocht voor een grote som geld het park van prins Jeta. Deze prins was vol bewondering ervoor dat Anāthapindika zoveel geld besteedde om het park te kopen. Toen deze niet genoeg geld bij zich had en nog meer wilde laten halen, schonk de prins een deel van zijn park aan de Boeddha. En hij liet er een tempel bouwen.

delen van de tempel geschonken door prins Jeta

Anāthapindika liet in het park een groot klooster bouwen, het Jetavana-klooster. Dat klooster bestond uit tempels, kamers, open terrassen, wachtruimtes, badkamers, toiletten, wandelpaden, bronnen, vijvers, paviljoenen en een ziekenhal.

In een deel van dit kloostercomplex woonden de monniken die zich meer toelegden op meditatie, zoals de eerwaarde Arahant Sariputta en de eerwaarde Arahant Maha Moggallāna. In dat gedeelte zijn kluizen, tempels en kleine stoepas te zien.

De eerwaarde abt van het Thaise klooster leidde ons in 1984 rond. Hier het gedeelte waar de Arahants woonden

kleine stoepas

deel van tempel

kloostercel

De Bodhi-boom die er door Anathapindika persoonlijk is geplant, zou er nog staan. Deze boom is een stek van de oorspronkelijke Maha Bodhi boom te Bodh-Gayā. Die stek werd door de eerwaarde Ānanda naar Sāvatthi gebracht. Deze boom in het Jetavana-klooster heet daarom de Ānanda Bodhi boom. Hij is de oudste historische boom ter wereld. Want de originele Maha Bodhi boom bestaat niet meer. Rondom de Ānanda Bodhi boom is nu een hekwerk gezet.

Ananda Bodhi boom,

1987

Ananda Bodhi boom, 2004

1987.

Onderweg van de Anana Bodhi boom naar de residentie van de Boeddha.

2004.

Onderweg van de Anana Bodhi boom naar de residentie van de Boeddha.

1987.

verblijfplaats van de eerwaarde Ananda,

met waterput

Centraal gelegen is het meest gewijde gebouw van dit complex. Het is de Chandhakuti, de persoonlijke residentie van de Boeddha. Het was een gebouw van twee verdiepingen. Oorspronkelijk zou het zeven verdiepingen hoog zijn geweest.[2] Per ongeluk brandde het af en het werd tot twee verdiepingen gereduceerd.

Chandhakuti,

de residentie van de Boeddha

Chandhakuti

Chandhakuti

Nabij de Chandakuti was de verblijfplaats van de eerwaarde Ānanda. Ook is er de ziekenhal waar de Boeddha zelf eens een zieke monnik verpleegde die door zijn medemonniken verwaarloosd was. Verder zijn er nog de vertrekken voor de gewone monniken, meditatiezalen en zalen voor de leken.

zaal

ziekenhal

vertrekken voor de monniken

        

In het zesde regenseizoen na zijn Verlichting bracht de Boeddha een eerste bezoek aan het Jetavana-klooster. Sedertdien kwam hij er regelmatig. In totaal bracht hij 25 regentijden door te Sāvatthi, namelijk de 6e, 14e en 21e t/m 43e regentijd. Van deze regenseizoenen werden er 18 doorgebracht in het Jetavana-klooster, en de overige in het klooster Pubbarama. Dit laatste klooster had de vrome Visakha voor de Verhevene laten bouwen. Dit prachtige klooster lag ten noorden van het Jetavana-klooster en ten oosten van de stad Sāvatthi. Een derde klooster te Sāvatthi werd gebouwd als residentie voor de nonnen. Het heette Rājākārāma. Het werd gebouwd door koning Pasenadi. Deze beide kloosters bestaan niet meer. Ook van de hal Mallikārāma, opgericht door koningin Mallikā, is niets meer te zien.

Volgens de traditie verrichtte de Boeddha in het zesde regenseizoen het Tweelingwonder op de Mankula-heuvel nabij het Jetavana-klooster. Stralen van water en vuur kwamen toen uit zijn poriën, in een V-vorm. Ook schiep hij toen een duplicaat van zichzelf. Als de Verhevene liep, dan zat of lag of stond zijn duplicaat. En als de Boeddha zat, dan liep of lag of stond zijn duplicaat.

Op de top van die heuvel zijn twee gedenktekens opgericht; alleen de fundamenten ervan zijn nog over.

Vanaf de Mankula-heuvel zou de Boeddha met drie stappen naar de Himālaya zijn gegaan en vandaar verder naar de Tavatimsa-hemel om er de Abhidhamma aan de goden te verkondigen.[3]

Mankula heuvel

meditatie boven op de Mankula heuvel

In het negende regenseizoen vertoefde de Boeddha te Kosambi, in het park van Ghosita. Onder de monniken was er een twist ontstaan over een onbeduidend voorval. Er vormden zich twee partijen die niet met elkaar verzoend konden worden door de Verhevene. De Boeddha ging toen in etappes naar Parileyyaka. Daar bleef hij zolang het hem behaagde waarna hij verder liep naar Sāvatthi, naar het Jetavana-klooster.

In de tiende regentijd kwam eerst de ene partij vanuit Kosambi naar de Boeddha toe en daarna de andere partij monniken. En pas op het einde van dat seizoen werd te Sāvatthi de twist bijgelegd.

In het twaalfde jaar na de Verlichting werd Rāhula 18 jaar. Hij was nog een novice (sāmanera). De Boeddha vertoefde toen weer in het Jetavana-klooster. Hij onderwees er zijn zoon Rāhula in de leer. Hij sprak tot hem over het kenmerk van niet-zelf. Ook spoorde hij hem aan steeds oplettend te zijn en volmaakte gelijkmoedigheid van geest te ontwikkelen, ongestoord door begeerte of afkeer. Verder gaf de Boeddha aan Rāhula de raad liefdevolle vriendelijkheid (mettā) te beoefenen en mededogen. Tevens werd de raad gegeven om vergankelijkheid te beschouwen.[4]

In het 14e jaar na de Verlichting werd de eerwaarde Rāhula 20 jaar. Hij kreeg toen te Sāvatthi de hogere wijding (upasampadā). De Boeddha sprak tot hem over vergankelijkheid (anicca), onvoldaanheid (dukkha) en niet-zelf (anattā).[5] Door deze toespraak bereikte de eerwaarde Rāhula de volmaakte heiligheid. Op dat moment gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rāhula eens had gevraagd.

In het 20e jaar na de Verlichting werd te Sāvatthi de moordenaar Angulimāla bekeerd. Hij heette eigenlijk Ahimsaka; dit betekent: onschadelijk. In zijn jeugd studeerde hij aan de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Toen hij daar afstudeerde, was het, zoals toen gebruikelijk, zijn plicht om een ere-geschenk aan zijn leermeester te geven. Deze vroeg – op aandringen van jaloerse medestudenten van Ahimsaka - toen duizend menselijke pinken van de rechter hand. Ahimsaka kocht een stel wapens en ging naar het Jālini-bos in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Reizigers sloeg hij dood en nam dan van elk slachtoffer één pink.

Hij reeg de vingers aaneen en droeg ze als een krans om zijn nek. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.

Men begon dat bos te mijden en Angulimāla moest in de buurt van dorpen gaan. Hij viel voorbijgangers aan en sneed de pinken af. De mensen vertelden hun leed aan de koning die bevel gaf Angulimāla gevangen te nemen.

De Boeddha overzag met zijn Boeddha-oog de wereld en zag dat Angulimala de volmaakte heiligheid kon bereiken. De Boeddha ging naar Angulimāla toe, bekeerde hem en gaf hem de hogere wijding. Angulimāla werd in de leer en in de gedragsregels voor monniken onderwezen. Hij streefde ijverig en met volharding naar het opperste doel. En hij bereikte de volmaakte heiligheid. De vroegere moordenaar werd een van de Arahants.[6]

        

De ruïnes van het huis van de ouders van Angulimāla zijn nog te zien. En ook de ruïnes van het huis van Anāthapindika. Beide huizen waren zeven verdiepingen hoog, met grote voorraadkamers en schatkamers.

huis van Angulimala

ruïnes van het huis van Anāthapindika. 1987

Benedengedeelte van huis van  Anathapindika. 2004. Hier zou de schatkamer zijn geweest.

        Te Savatthi heeft de Boeddha veel gepreekt, o.a. over de onvermijdelijke dood, en over het verkrijgen van een vredig en kalm gemoed door meditatie over liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Ook gaf hij er de raad om bij angst, vrees of ontzetting te denken aan de Boeddha of aan zijn leer of aan de gemeenschap van de heiligen. Door zo’n denken verdwijnt die angst, vrees of ontzetting. Ook het voor leken belangrijke Maha Mangala Sutta werd er gesproken. Deze leerrede gaat over de grootste zegeningen. Ze zijn een onfeilbare gids in dit leven. Stap voor stap leiden zij naar de bevrijding van onvoldaanheid.[7]

Dat de Boeddha iets tegen vrouwen had, is niet waar. Het moet een latere toevoeging zijn van brahmanen die monnik waren geworden. Brahmanen hadden wel iets tegen vrouwen. De Verhevene respecteerde zowel mannen als vrouwen. De Boeddha heeft zijn standpunt ten opzichte van vrouwen duidelijk kenbaar gemaakt in een toespraak tot koning Pasenadi. Diens vrouw, koningin Mallikā, had een dochter ter wereld gebracht en de koning was niet blij met haar. De Boeddha zei toen o.a. “Sommige vrouwen zijn werkelijk beter dan mannen. Er zijn vrouwen die wijs zijn en deugdzaam en die correct leven.”

In de derde eeuw voor Chr. bracht keizer Asoka een bezoek aan de plaats Sāvatthi. Volgens mededelingen van de Chinese pelgrim Fa Hien die Sāvatthi in het begin van de vijfde eeuw n.C. bezocht, heeft Asoka er twee zuilen opgericht, elk 21 meter hoog. Die zuilen stonden aan de linker en rechter poort van het Jetavana-klooster. Op de top van de ene zuil was een wiel en op de andere een stier. Ook vermeldt deze pelgrim dat door de keizer in de buurt van dit klooster een stoepa was opgericht voor relieken van de Boeddha.

Tevens lokaliseerde hij de ruïnes van de huizen van Sudatta (Anāthapindika) en van de ouders van Angulimāla. Ook beschreef hij een nonnenklooster in de stad Śrāvastī en de ruïnes van het Pubbarama-klooster.

Ten tijde van de Kuśanas (begin Christelijke tijdrekening) werd het Boeddhisme populair en kreeg steun van de koning. Het Jetavana-klooster kwam weer tot leven; er ontwikkelde zich een school van de Sarvāstivādins. Nieuwe stoepas en tempels werden er gebouwd en beelden van de Boeddha werden er opgericht.

Onder de Guptas (320-730 n.C.) was er een herleving van het Brahmanisme. Toch was er een voorspoedige tijd in het Jetavana-klooster.

Ten tijde van koning Hasha (606-647 n.C.) die een vurige Boeddhist was, werd door de Chinese pelgrim Hiuen Tsang een bezoek gebracht aan Śrāvastī. De plaats was een ruïne, maar er woonden nog enkele Boeddhisten en nog meer niet-Boeddhisten.                 

Ook deze pelgrim bemerkte de ruïnes van de huizen van Anāthapindika en van de ouders van Angulimala. Tevens zag hij het nonnenklooster, het Pubbarama-klooster en de twee zuilen van Asoka, en verder een bakstenen tempel met het beeld van de Boeddha en enkele ruïnes van stoepas.

Tot 1863 bleven de ruïnes van Śrāvastī in de vergetelheid. Toen werden zij ontdekt door Sir Alexander Cunningham en geïdentificeerd met Sāvatthi.

Tegenwoordig zijn er meerdere kloosters met gastenverblijven gebouwd. En er is ook een modern nonnenklooster.

overblijfselen van nonnenklooster,

gevonden ten westen van de tempel geschonken door prins Jeta

modern nonnenklooster


naar 4.3. Piprahva (Maha Kapilavatthu)