Facetten van het Boeddhisme


naar Index

Op pelgrimstocht in India en Nepal
4.10. Buddha Gaya (Senanigama)


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Als laatste van de pelgrimstocht was Bodh-Gaya (Buddhagaya) gekozen. Deze plaats is het hoogtepunt; er is zoveel te zien dat wij er vijf dagen bleven logeren in een van de Thaise kloosters.


Buddha-Gayā (Senānigāma)

        Buddha-Gayā (ook: Bodh-Gayā) is de plaats waar prins Siddhattha Gotama na jarenlange ascese de volmaakte Verlichting bereikte onder een vijgenboom (ficus religiosa). De plaats heette vroeger Senānigāma. Ze ligt circa 15 km van de stad Gayā vandaan, in de deelstaat Bihar, India, aan de oever van de rivier Lilajan.[1] In de nabijheid ervan ligt het dorpje Urel. Dit is het vroegere Uruvela.

het dorpje Urel

        Op zijn zoektocht naar de onvergelijkbare innerlijke vrede was de Bodhisatta o.a. te Rajagaha gekomen, waar hij koning Bimbisara ontmoette. Vandaar ging hij verder naar Senānigāma, nabij Uruvela. Daar zag hij een prachtige plek met bomen en een helder stromende rivier. Ter plaatse liet hij zich neer. Weldra voegden vijf andere asceten zich bij hem. Vele jaren kwelde de Bodhisatta zich in strenge ascetische oefeningen. Tenslotte was hij een levend geraamte: per dag at hij nog slechts een holle handvol rijst.

        Hij besefte dat ascese niet de juiste weg was en hij herinnerde zich hoe hij mediteerde in zijn jeugd. En hij besefte dat meditatie en concentratie de juiste weg naar de Ontwaking was. Hij besloot nog eens het pad van concentratie uit te proberen, de concentratie bereikt door oplettendheid bij het ademhalen en geleid door geordende beschouwingen.

        Hij nam weer vast voedsel tot zich. En daarom meenden de vijf andere asceten dat hij zijn streven had opgegeven. Teleurgesteld gingen zij van hem weg. Niet ver van die plek is een heuveltje waaronder de ruïnes van het huis van Sujātā. Zij bood aan de Verhevene vóór diens Verlichting rijstebrij aan. De boom waar zij deze gave aanbood, is niet ver van haar huis. De Gezegende liep met de rijstebrij iets verder tot aan de oever van de rivier. Daar at hij de rijstebrij aan de voet van een andere boom.

boom waar Sujata eten aanbood  en  boom waar het eten genuttigd werd

 

opgraving huis van Sujata , 2004

opgraving 2004 huis van Sujata

Buddhagaya en omgeving

        Na het nuttigen van de rijstebrij stak de Verhevene de rivier over. Van een grassnijder kreeg hij nog een bundel gras om erop te zitten. Daarna ging hij verder naar de Maha Bodhi boom. Met gekruiste benen ging hij aan de voet ervan neerzitten met de gelofte niet eerder op te staan totdat Boeddhaschap bereikt was.

Maha Bodhi boom  

en omheining van Asoka

Maha Bodhi boom,

erachter de  Maha Bodhi tempel

        

        In de avond vóór zijn Verlichting werd zijn huid buitengewoon helder en stralend. En in de loop van de avond en nacht van de volle maan in mei begreep hij de drie soorten weten: (1) Hij herinnerde zich op veelvuldige wijze aan vroegere vormen van bestaan. (2) Hij zag hoe de wezens verdwijnen en weer ontstaan overeenkomstig hun daden. Hij zag toen dus de wet van morele oorzaken en morele gevolgen (kamma-vipaka). (3) Verder ontstond het directe inzicht van het verdwijnen van de smetten, het inzicht van de vier edele waarheden en het inzicht van het pad naar de bevrijding van lijden. Hij wist absoluut zeker dat de opgave volbracht was.

        Op 35-jarige leeftijd had Siddhattha de onvergelijkbare innerlijke vrede, het Doodloze, Nibbāna, gevonden. En hij werd de Boeddha van dit tijdperk.

        De Verhevene bereikte de Verlichting (Bodhi) onder een vijgenboom. Deze boom wordt daarom Maha-Bodhi-boom genoemd. Aan de voet van die boom is de zogeheten "Zetel der Waarheid". Dit is de plek waar de Verhevene neerzat vóór en tijdens de Verlichting. Het is een gepolijste zandstenen troon, welke wordt toegeschreven aan keizer Asoka. De ontdekker ervan is Sir Cunningham.

Zetel der Waarheid

        Deze "Zetel der Waarheid" werd door devote Boeddhisten vereerd met reukwerken, kaarsen en bloemen. Ook de Maha Bodhi boom werd vereerd en wel met vlaggetjes, linten, reukwerken en doeken. Helaas is dit soort verering door de Maha Bodhi Society thans bijna onmogelijk gemaakt. Beweerd wordt dat de boom ziek is en daarom speciale bescherming nodig heeft.

        Na de Verlichting zat de Boeddha zeven dagen lang neer aan de voet van de Maha-Bodhi-boom. Hij ondervond toen de hoogste zaligheid van de Bevrijding. Op het einde van die zeven dagen overdacht hij de keten van oorzakelijk ontstaan: als dit is, volgt dat; als dit er niet is, kan dat niet volgen. Met het ontstaan van het ene, ontstaat ook het andere. Met het verdwijnen van het ene verdwijnt ook het andere.[2]

        

        Gedurende de tweede week na de Verlichting zat de Boeddha enkele meters van de Bodhi-boom vandaan. Volgens de legende staarde hij toen naar deze boom uit dankbaarheid. Op de plek waar de Verhevene toen neerzat, staat thans een kleine witte tempel, Animisalocana geheten.

De derde week na de Verlichting liep de Verhevene, volgens de overlevering, heen en weer over het Cankamana-pad. Dit is tussen het Animisalocana-tempeltje en de Maha-Bodhi-boom. Ter herinnering is het pad opgehoogd en met stenen lotusbloemen versierd. Gezien vanaf de Maha-Bodhiboom is dit pad aan de linker kant van de Mahabodhi-tempel.

Animisalocana tempel, op voorgrond stoepa uit delen van stoepas

Cankamana-pad

        Aan de voet van de Ajapāla Nigrodha boom zat hij tijdens de vierde week na de Verlichting in het geluk van de Bevrijding. Op deze plek onderwees hij in die week een hooghartige brahmaan: “De ware brahmaan is degene die vrij is van euvele dingen, die niet hoogmoedig is en die zelfbeheerst is.”

        In de buurt van het dorpje Urel ligt het Mucalinda-vijvertje. Hier moet de Mucalinda-boom hebben gestaan waar de Verhevene de vijfde week na de Verlichting vertoefde. Volgens de legende was er zeven dagen lang een grote storm. Hij werd toen door de koninklijke slang Mucalinda beschermd tegen regen en wind. De Boeddha onderwees hem toen: “Bevrijd te zijn van de mening «ik ben» is het grootste geluk van alles.”

   Mucalinda vijver        

        Iets verder staat de Rājāyatana-boom. Hier bleef de Boeddha gedurende de zesde week na de Verlichting zitten in het geluk van de Bevrijding. Op het einde van die week werden hem rijstkoeken met honing aangeboden door twee kooplieden. Zij heetten Tapussa en Bhalluka. Zij kwamen uit de richting van Ukkalā en waren op weg naar Madhyadesa.[3] De Verhevene kon die gave niet aannemen want Volmaakten accepteren niets in hun handen. De godheden bekend als de Vier Grote Koningen boden hem toen vier nappen aan waaruit de Verhevene één nap maakte. Daarin nam hij de gaven aan. De kooplieden namen hun toevlucht tot de Boeddha en tot zijn leer; zij waren zijn eerste lekenvolgelingen.

Rājāyatana-boom

        Door de rivier ging de Verhevene toen weer naar de Ajapāla Nigrodha boom. Daar bracht hij de zevende week na de Verlichting door. Hij dacht er na over de vijf geestelijke factoren die naar het Doodloze leiden, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Hier ook was het verzoek van Brahma Sahampati om de leer te tonen.

Ajapāla Nigrodha boom

        De Boeddha ging toen naar Isipathana (Sarnath) en verkondigde er de leer aan de vijf asceten die vroeger samen met hem streefden naar het Doodloze. Daarna keerde hij terug naar Uruvela, waar hij de drie asceten met naam Kassapa bekeerde. Zij allen werden in de Orde opgenomen.

        Daarna vertoefde de Verhevene weer aan de voet van de Ajapāla Nigrodha. De dochters van Mara probeerden hem daar te verleiden, in verschillende gedaantes; maar natuurlijk tevergeefs.         

        Thans herinnert een klein (Hindoe-)tempeltje nog aan deze gebeurtenissen.

        Van Uruvela ging de Verhevene naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Er is een heuvel waar de Boeddha veel monniken onderwees met de Vuur-toespraak (Āditta-pariyāya-sutta).[4] Deze toespraak is erg belangrijk. In het kort volgt hier de inhoud ervan. Alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. En wel door het vuur van begeerte, het vuur van afkeer en het vuur van illusie. Door het inzien van de waarheid wendt men zich af van begeerte, afkeer en illusie. En dan sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Dan is men bevrijd. De vuren van begeerte, afkeer en illusie zijn dan definitief uitgedoofd.

blik vanaf Tibetaanse tempel in de richting van Gayāsīsa

        Op verzoek van de eerwaarde Ānanda stemde de Boeddha toe dat een twijgje van de Maha-Bodhi-boom te Bodh-Gayā naar Sāvatthi werd gebracht. Daar werd dat twijgje in het Jetavana-klooster geplant door Anāthapindika.

        Volgens een legende hakte keizer Asoka de oorspronkelijke Maha-Bodhi-boom om en probeerde die in brand te steken. Maar vuur kon de boom niet deren. De keizer bekeerde zich en goot geurige melk over de wortels van de boom. De volgende morgen ontsprong de boom in de vroegere grootte. De koningin werd boos en liet de boom ΄s nachts omhakken. De keizer vond het erg jammer, bad tot de boom en baadde hem in melk. Binnen een paar dagen ontsprong de boom weer. De keizer liet toen een stenen muur die ongeveer 3½ meter hoog was, om de boom bouwen. Aldus de legende.

        In de 3e eeuw voor Chr. werd de zuidelijke tak van de Maha-Bodhi-boom naar Sri Lanka gebracht door de eerwaarde Sanghamitta Theri, Arahant. Zij was de dochter van keizer Asoka. De boom die uit die tak ontsproten is, bloeit er nog steeds te Anuradhapura.

        Koning Śasānka van het koninkrijk van Karnasuvarna hakte de boom weer om en liet hem uitgraven tot aan het grondwater; maar ook hij kon de wortels niet vernietigen. Toen stak hij de wortels in brand en sprenkelde er het sap van suikerriet overheen omdat hij ze helemaal wilde vernielen.         

        Een paar maanden daarna hoorde koning Pūrnavarmā van Magadha, een afstammeling van keizer Asoka, dat de boom omgehakt was. Hij wierp zich toen op de grond neer, nodigde monniken uit en goot de melk van duizenden koeien in de grote kuil. Toen hij dat zes dagen en nachten had gedaan, groeide de boom meer dan drie meter. Uit vrees dat de boom weer omgehakt zou worden, liet hij een stenen muur eromheen bouwen van ongeveer zeven meter hoogte. Ook deze verhalen berusten op legendes.

        De oorspronkelijke Maha-Bodhi-boom bestaat niet meer. Er is omstreeks 1880 een nieuwe boom geplant door Anagarika Dhammapala op de plaats waar zeer waarschijnlijk de oorspronkelijke boom heeft gestaan.

Maha Bodhi tempel

Boeddhabeeld in de Maha Bodhi tempel

        In de derde eeuw voor Chr. liet keizer Asoka, zoals boven vermeld, rond de Bodhi-boom een stenen muur aanbrengen. Ernaast liet hij een kleine tempel bouwen. De grote tempel die hier later is opgericht, heet de Mahabodhi tempel. Het onderste gedeelte ervan zou keizer Asoka hebben laten bouwen. Het bovenste deel (vanaf de eerste verdieping) moet zijn gebouwd tussen 400 en 630 na Chr. De tempel werd voorzien van beeldhouwwerken in de Pāla-Sena periode (750-1200).

        Binnen in de Mahabodhi tempel is een beeld dat de Bodhisatta voorstelt op het tijdstip dat hij de aarde als getuige aanroept door met zijn rechterhand de grond aan te raken.

        Mooie Boeddhabeeldjes staan binnen en buiten in de nissen van het onderste deel van deze tempel. Ook is er een beeldje van de toekomstige Boeddha Metteyya.

Boeddhabeelden in nissen binnen nabij de trap 

Beelden in nissen aan buitenkant van de Maha Bodhi tempel

Beelden in nissen aan buitenkant van de Maha Bodhi tempel

Beeld van de a.s. Boeddha Metteyya

        In de buurt van de Mahabodhi tempel staat een klein vierkant tempeltje ter ere van de Verheven Kassapa. Hij was de volmaakt Ontwaakte vóór de Boeddha Gotama. De Boeddha Kassapa leefde 20.000 jaren in deze gelukkige aeon.

tempeltje ter ere van de Boeddha Kassapa

        In latere tijden, na het binnendringen van de Islam in India, werd veel verwoest. Wat na de "beeldenstorm" nog over was, is uit het hele land bijeengebracht rond de Mahabodhi tempel. Er moeten meer dan 100.000 stoepas zijn geweest. De stoepas rond de Mahabodhi tempel zijn er dus niet oorspronkelijk gebouwd. En van brokstukken heeft men nieuwe stoepas samengesteld.

        Op een afstand van ongeveer 9 km van Bodh-Gayā en 5 km van de stad Gayā vandaan rijzen enkele rotsen omhoog. In één ervan is een grot. Beweerd wordt dat de Bodhisatta daar in ascese geleefd heeft. Die plek komt echter niet overeen met wat in de Pāli Canon staat. De grot ligt circa 3 tot 4 km van de rivier en ongeveer 9 km van Uruvela vandaan. Volgens de Pāli Canon vestigde de Bodhisatta zich bij een groep bomen aan een rivier, te Senānigāma, nabij Uruvela. Daar voegden de vijf asceten zich bij hem en daar bleef hij ook, volgens de Pāli-overlevering. Maar hoe dan ook, die grot wordt algemeen als een gewijde plek beschouwd. Ernaast is een Tibetaanse tempel gebouwd.        

te voet naar de grot van ascese (1984)

(tegenwoordig is er een weg aangelegd)

ingang van grot van ascese

 meditatie in de grot

        

        In 1957 heeft de regering van India de Boeddhisten van verschillende landen uitgenodigd om in Buddha-Gayā een tempel te bouwen ter herinnering aan het 25OO-jarig bestaan van het Boeddhisme. Het gevolg ervan is dat men er thans meerdere tempels kan bezichtigen, o.a. uit Bhutan, China, Japan, Thailand en Tibet. Ook is er een groot Japans Boeddhabeeld opgericht.


naar 4.11. Ellora en Ajanta


[1]  De vroegere naam ervan is Nerañjara.

[2] zie: Oorzakelijk ontstaan

[3]  Ukkala = deel van Orissa. Madhyadesa = het middenland, het land tussen de Himālayas en de Vinhyas. Het wordt ten oosten begrensd door Prayāga (= Allahabad) en ten westen door Vinasana (in Rajastan). De oostelijke grens ervan strekte zich uit tot de grens van Bangladesh en omsloot Magadha en Anga (in de deelstaat Bihar).

[4]   S. XXXV. 28.

...