Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.1. Wijdingsprocedures, 

adviezen voor nieuwe monniken 

en Pali formules in het klooster


1. Voorbereidende plichten vóór de wijding     1.1. Het vragen van vergiffenis aan degenen  die ons behoed hebben     1.2. Procedure van de wijding     2. De wijdingsprocedure, Ukasa stijl        3. De wijdingsprocedure, Esaham stijl         4. Basis-vinaya voor monniken     5. Voorbereidende plichten voor een nieuwe bhikkhu     6. Overwegingen



De wijding, adviezen voor nieuwe monniken en Pali formules in het klooster


Voorwoord


In “De Sangha” is geschreven over de wijdingen in Thailand. Hier zijn twee procedures van wijding uitvoerig beschreven.


1. Voorbereidende plichten vóór de wijding


1.1. Het vragen van vergiffenis aan degenen die ons behoed hebben.


Ukāsa, allen van ons die heden hier bijeengekomen zijn, buigen ten afscheid voor moeder en vader, broers en zussen, en voor allen van de Boeddhistische gemeenschap hier, zodat wij de wijding mogen ontvangen.

Gedurende de onmeetbare aeonen die wij zijn geboren en herboren in deze kringloop van bestaan, indien wij daarin jegens u een overtreding hebben begaan, - met of zonder uw weten, met of zonder opzet, welke wij ons wel of niet kunnen herinneren, - gedurende onnoemelijke levensspannen of in dit tegenwoordige leven: mogen allen die hier aanwezig zijn, ons onze overtredingen vergeven, zodat wij zuiver mogen zijn bij de wijding en smetteloos in ons monnikenleven bij ons streven naar Nibbâna in dit leven.


1.2. Algemene procedure van de wijding


De wijdeling moet zijn hoofdhaar, baard en wenkbrauwen afscheren en de nagels van zijn vingers en tenen knippen. Netjes gekleed moet hij drie keer in een processie om de wijdingshal heen lopen, met de rechter schouder ernaar toe gewend. Zijn handen houdt hij in het gebaar van gebed, met tussen de handpalmen een boeket dat bestaat uit drie lotusbloemen, drie geurstokjes en een kaars die alle samengebonden zijn. De wijdeling heeft drie van zulke ruikers nodig in de loop van zijn wijding: (1) bij het rondgaan; (2) om eer te betonen aan het Boeddha-beeld in de wijdingshal; en (3) om op het deksel van de nap te plaatsen wanneer ondergeschiktheid (nissaya) gevraagd wordt. Tijdens de eerste rondgang om de wijdingshal heen moet de wijdeling mediteren over de deugden van de Boeddha; bij de tweede rondgang moet hij nadenken over de deugden van de Dhamma; en bij de derde rondgang moet hij de deugden van de Sangha overwegen.

Tijdens de processie moet de wijdeling zonder assistentie lopen uit eerbied voor het Boeddhabeeld in de hal, welk beeld de Boeddha's eigen getuigenis is bij de ceremonie. Ook mag hij niet om de wijdingshal heen gaan gezeten op een paard, op een olifant, in een draagstoel, of op de schouders van anderen.


2. De wijdingsprocedure (ukāsa stijl)


2.1. Eerbetoon aan het wijdings-terrein en de hal


Na de derde rondgang steekt de wijdeling de kaars en de geurstokjes aan bij de hoofdingang naar het wijdingsterrein, buigt drie keer en gaat dan staan om eer te betonen aan het wijdingsterrein, met de woorden:


Ukāsa vandāmi bhante

sabbam aparādham khamatha me bhante

mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

sāminā katam puññam mayham

databbam sādhu sādhu anumodāmi.


(kniel neer)


Sabbam aparādham khamatha me bhante


(buig een keer)


Ukāsa dvārattayena katam

sabbam aparādham khamatha me bhante


(buig een keer en ga dan staan)


Vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

Sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


(kniel neer en buig drie keer)


De ouders (of oudere familieleden) nemen dan de hand van de wijdeling vast en leiden hem de wijdingshal binnen. De wijdeling betoont eer voor het Boeddhabeeld in de wijdingshal door het aansteken van kaarsen en geurstokjes op dezelfde manier als bij het binnenkomen van het wijdingsterrein.


2.2. Het vragen van Pabbajjā (het uit het huis gaan)


De wijdeling neemt dan plaats op de grond, aan het uiterste einde van de kloostergemeenschap. Daar krijgt hij zijn drie gewaden van zijn ouders (of van oudere verwanten of van gelovige leden van de Boeddhistische gemeenschap die begunstigers bij de wijding zijn). De wijdeling buigt drie keer, knielt en strekt zijn armen (met de handpalmen nog steeds in een gebaar van gebed) naar zijn ouders. Hij neemt de drie gewaden op zijn armen, gaat omhoog tot op het kloosterterras, en gaat dan op zijn knieën tot de plaats waar de instructeur zit. Met de rechter zijde naar hem toegewend, neemt de wijdeling de drie gewaden op en biedt die aan zijn instructeur aan, waarna hij drie keer een buiging maakt. De instructeur geeft die gewaden weer aan de wijdeling terug. Deze blijft nederig voor hem staan (met de voeten tegen elkaar en het hoofd lichtjes gebogen) met de handen in een gebaar van gebed, en reciteert de volgende woorden:


Ukāsa vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


Ukāsa kāruññam katvā

Pabbajam detha me bhante


(kniel neer)


Aham bhante, pabbajjam yācāmi.

Dutiyampi aham bhante, pabbajjam yācāmi.

Tatiyampi aham bhante, pabbajjam yācāmi.


Sabbadukkha nissarananibāna sacchikaranatthāya

Imam kāsāvam gahetvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


Sabbadukkha nissarananibbāna sacchikaranatthāya

Imam kāsāvam gahetvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


Sabbadukkha nissarananibbāna sacchikaranatthāya

Imam kāsāvam gahetvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


De instructeur neemt de gewaden van de wijdeling aan welke laatste verder gaat met de woorden:


Sabbadukkha nissarananibbāna sacchikaranatthāya

Etam kāsāvam datvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


(buig een keer)


Sabbadukkha nissarananibbāna sacchikaranatthāya

Etam kāsāvam datvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


(buig een keer)


Sabbadukkha nissārananibbāna sacchikaranatthāya

Etam kāsāvam datvā

Pabbājetha mam bhante anukampam upādāya


(buig een keer)


2.3. Instructie: basis objecten van meditatie

(mulakammatthāna)


De wijdeling zit neer met zijn benen naast zich gevouwen. De instructeur plaatst het stel gewaden voor zich en onderricht de wijdeling over het Drievoudige Juweel, geeft hem de raad vertrouwen erin te ontwikkelen als zijn toevlucht, en hij herinnert hem aan het doel en de voordelen van de wijding. Daarna onderwijst hij de wijdeling in de vijf basisobjecten van meditatie (hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden en huid). Na de betekenis ervan uitgelegd te hebben en het doel van het overwegen ervan, reciteert hij ze in opwaartse en tegengestelde volgorde. De wijdeling herhaalt ze woord voor woord als volgt:


Kesā lomā nakhā dantā taco

Taco dantā nakhā lomā kesā


Na de instructies over meditatie moet de wijdeling neerknielen en de instructeur toestaan om van de bundel gewaden het schoudergewaad (amsa) te nemen en het over het hoofd van de wijdeling te trekken. De wijdeling moet dan zijn onderarmen naar de instructeur uitstrekken teneinde de overige gewaden te ontvangen. Hij moet dan op zijn knieën rugwaarts uit de gemeenschap gaan, opstaan en naar de plek gaan die voor het omkleden gereed gemaakt is.


2.4. Het nemen van de toevlucht en van de tien regels van discipline


Wanneer hij de gewaden heeft aangedaan, gaat hij naar een andere plek op het wijdingsterras waar de leraar (ācāriya) zit. De wijdeling biedt hem een dienblad vol gaven aan, maakt drie keer een vijfvoudige buiging voor hem, en vraagt dan de Toevluchten en de tien regels van discipline met de volgende woorden:


ukāsa vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


Ukāsa Kāruññam katvā

Tisaranena saha sīlāni detha me bhante


(kniel neer)


Aham bhante saranasīlam yācāmi.

Dutiyampi aham bhante saranasīlam yācāmi.

Tatiyampi aham bhante saranasīlam yācāmi.


Na dit verzoek begint de leraar (ācāriya) met eerbetoon aan het Drievoudige Juweel hetwelk door de wijdeling herhaald wordt.


Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa


De leraar (ācāriya) zegt ofwel "evam vadehi" ofwel "yamaham vadāmi tam vadehi". De wijdeling geeft ten antwoord: "āma bhante".

De leraar geeft dan de Toevluchten en de wijdeling herhaalt ze na hem, vers na vers:


Buddham saranam gacchāmi

Dhammam saranam gacchāmi

Sangham saranam gacchāmi


Dutiyampi Buddham saranam gacchāmi

Dutiyampi Dhammam saranam gacchāmi

Dutiyampi Sangham saranam gacchāmi


Tatiyampi Buddham saranam gacchāmi

Tatiyampi Dhammam saranam gacchāmi

Tatiyampi Sangham saranam gacchāmi.


De leraar (ācāriya) gaat naar het Drievoudige Juweel en zegt dan: "Tisaranagamanam nitthitam" (je hebt nu je toevlucht genomen tot het Drievoudige Juweel) en de wijdeling moet dan antwoorden: "āma bhante". Hij moet dan na de leraar de tien regels van discipline opzeggen, vers na vers, als volgt:


1. Pānātipātā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

2. Adinnādānā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

3. Abrahmacariyā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

4..Musāvādā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

5. Surāmerayamajjapamādatthānā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

6. Vikāla-bhojāna veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

7. Nacca-gīta-vādita-visūka-dassanā veramanī sikkhā-

padam samādiyāmi.

8. Mālāgandha vilepana dhārana-mandana vibhūsanat-

thānā veramanī sikkhāpadam samādiyāmi.

9. Uccāsayanamahāsayāna veramanī sikkhāpadam samādiyamī.

10. Jātarūparajatapatiggahānā veramanī sikkhāpadam

samādiyāmi.


De leraar (ācāriya) zegt dan:


Imāni dasasikkhāpadāni samādiyāmi

Imani dasasikkhāpadāni samādiyāmi

Imani dasasikkhāpadāni samādiyāmi


De nieuwe novice buigt drie keer, gaat rechtop staan en zegt de volgende verzen op:


Vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

Sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


2.5. Het vragen van ondergeschiktheid (nissaya)


De novice krijgt de nap van zijn behoeder en draagt ze naar de instructeur. Hij knielt neer voor de instructeur, zet de nap aan zijn rechter zijde en biedt hem het boeket aan dat op het deksel van de nap ligt. Hierna buigt hij weer drie keer. Geknield zegt hij, met zijn handen in de añjali-houding, het volgende op:


Ukāsa vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

Sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


Ukāsa kāruññam katvā

nissayam detha me bhante


(kniel neer)


Aham bhante nissayam yācāmi.

Dutiyampi aham bhante nissayam yācāmi.

Tatiyampi aham bhante nissayam yācāmi.


Upajjhāyo me bhante hoti.

Upajjhāyo me bhante hoti.

Upajjhāyo me bhante hoti.


De instructeur reciteert – De novice antwoordt:


Patirūpam - sādhu bhante

Opāyikam - sādhu bhante

Pāsādikena sampādehi - sādhu bhante


De wijdeling zegt het volgende drie keer op:


Ajjataggedāni thero mayham bhāro, ahampi therassa bhāro


(maak een buiging en ga dan staan)


Vandāmi bhante

Sabbam aparādham khamatha me bhante

Mayā katam puññam sāminā anumoditabbam

sāminā katam puññam mayham

Dātabbam sādhu sādhu anumodāmi.


(kniel neer en buig drie keer)


2.6. Onderzoek van de nap en de gewaden


De instructeur deelt hem nu zijn eigen naam mede en de Pali-naam van de novice. Deze laatste zegt: "āma bhante", en gaat verder met het goedkeuren van zijn benodigdheden met de woorden "āma bhante", als volgt:


De instructeur reciteert – De novice antwoordt:


Ayante patto - āma bhante

(Dit is je bedelnap) - (Ja, Eerwaarde heer).


Ayam sanghāti - āma bhante

(Dit is je oppergewaad) - (Ja, Eerwaarde heer).


Ayam uttarāsango - āma bhante

(Dit is je buitengewaad) - (Ja, Eerwaarde heer).


Ayam antaravāsako - āma bhante

(Dit is je ondergewaad) - (Ja, Eerwaarde heer).


De instructeur zal dan de riem van de nap over het hoofd van de novice doen en hem verzoeken zich terug te trekken naar een plek buiten de gemeenschap, met de woorden: "gaccha amumhi okāse titthāhi."


2.7. Ondervraging buiten de Sangha


De novice moet zijn handen in het añjali-gebaar houden en (op zijn knieën) een korte afstand teruggaan voordat hij naar de gereedgemaakte plek gaat nabij de voorkant van de tempel. Die plek is gemerkt door een speciaal stuk stof (bedoeld als de plek waar de "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" staan). De wijdeling moet gaan staan met zijn gelaat naar de bijeengekomen monniken, met de handen samengevoegd in het gebaar van añjali. Door de novice moet er zorg voor gedragen worden dat hij om de stof heen loopt en er niet op stapt. De "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" zullen de gemeenschap inlichten over het onderzoek van de novice en dan naar de plek gaan waar de novice staat. Zij vragen hem dan of er belemmerende omstandigheden zijn. De novice moet de vragen als volgt beantwoorden:


Vraag - Antwoord


kuttham? - Natthi bhante

gandho? - Natthi bhante

kilāso? - Natthi bhante

soso? - Natthi bhante

apamāro? - Natthi bhante

manussosi? - āma bhante

purisosi? - āma bhante

bhujissosi? - āma bhante

ananosi? - āma bhante

nasi rājabhato? - āma bhante

anuññātosi mātāpitūhi? - āma bhante

paripunnavīsativassosi? - āma bhante

paripunnante pattacīvaram? - āma bhante

kinnāmosi? – āma bhante [...*] nāma

ko nāma te upajjhāyo? – Upajjhāyo me bhante āyasmā [...**] nāma.

_____

*] voeg de nieuwe Pali-naam van de monnik toe.

**] voeg de Pali-naam van de instructeur toe.


2.8. Het meedelen aan de Sangha van het onderzoek van de wijdeling


De "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" gaan dan naar de gemeenschap terug en roepen de wijdeling in de gemeenschap, met de woorden "ākacchāhi" (of "ākacchāthā" indien er meerdere wijdelingen zijn).

2.9. Het vragen van de volle wijding (upasampadā)


Wanneer de leraren (ācāriyas) klaar zijn met reciteren, komt de wijdeling (zonder te stappen op of over de stof waarop de ācāriyas staan) nader tot de gemeenschap en werpt zichzelf drie keer ter aarde voor de instructeur. Tijdens het ter aarde vallen houdt de ācāriya of een monnik die het dichtst bij hem is de riem van de nap vast om te voorkomen dat die nap voorover valt. Hierna knielt de wijdeling neer en vraagt met de volgende woorden om gewijd te worden:


Sanghambhante upasampadam yācāmi ullumpatu mam

bhante sangho, anukampam upādāya.

Dutiyampi bhante sangham upasampadam yācāmi ullumpatu mam bhante sangho, anukampam upādāya.

Tatiyampi bhante sangham upasampadam yācāmi ullumpatu mam bhante sangho, anukampam upādāya.


(buig drie keer)


2.10. Ondervraging van de wijdeling binnen de Sangha


De instructeur deelt dan aan de Sangha zijn bevindingen mede en de hele gemeenschap antwoordt met “sādhu”. De novice gaat dan naar de gemeenschap tot bij de instructeur. De "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" zullen de novice dan weer ondervragen betreffende belemmerende omstandigheden en de wijdeling moet dan op dezelfde manier antwoorden als voorheen (zie sub 7).


2.11. Het voorstel en de drie aankondigingen


Na het verloop van de ondervraging reciteert de instructeur drie keer het voorstel tot aanname van de novice als monnik. De novice moet zijn nap aan zijn linker hand plaatsen en gaan zitten met zijn benen aan één kant en zijn handen opgeheven in het gebaar van

añjali. Hij luistert tot het einde van de gebeurtenissen waarna hij antwoordt met de woorden "āma bhante" en neerknielt om drie keer een buiging te maken. De nieuwe monnik gaat dan naar rechts en neemt er de gaven in ontvangst om ze aan de "Anusāvanācariya" aan te bieden, waarna hij drie keer een buiging maakt. De nieuwe monnik gaat dan met zijn voeten aan een kant tegenover de instructeur zitten, gereed om water uit te gieten voor de overgave van verdienste.

Wanneer de instructeur of een andere oudere monnik in de gemeenschap begint met het geven van de zegeningen, met de woorden "yathā vārivahā ..", dan moet de nieuwe monnik beginnen met het uitgieten van water in de kom tot aan de woorden "mani jotiraso yathā", waar de overigen van de gemeenschap dan overnemen met de woorden "Sabbitiyo ..". De nieuwe monnik moet dan het laatste water uitgieten en zijn handen in het gebaar van añjali houden. Wanneer de zegening voorbij is, moet de nieuwe monnik antwoorden met het woord "sādhū".

De nieuwe monnik betoont dan eer aan zijn instructeur en aan de gemeenschap door drie keer een buiging te maken. Hierna betoont hij eer aan het Boeddha-beeld in de wijdingshal door nog eens drie keer te buigen. Dit is het einde van de wijdingsceremonie en de nieuwe monnik neemt dan gaven aan van de aanwezige begunstigers.


3. De wijdings-procedure (esaham stijl)


3.1. Het vragen van Pabbajjā (het uit het huis gaan)


De wijdeling neemt dan plaats op de grond, aan het uiterste einde van de kloostergemeenschap. Daar krijgt hij zijn drie gewaden van zijn ouders (of van oudere verwanten of van gelovige leden van de Boeddhistische gemeenschap die begunstigers bij de wijding zijn). De wijdeling buigt drie keer, knielt en strekt zijn armen (met de handpalmen nog steeds in een gebaar van gebed) naar zijn ouders. Hij neemt de drie gewaden op zijn armen, gaat omhoog tot op het kloosterterras, en gaat dan op zijn knieën tot de plaats waar de instructeur zit. Met de rechter zijde naar hem toegewend, neemt de wijdeling de drie gewaden op en biedt die aan zijn instructeur aan, waarna hij drie keer een buiging maakt. De instructeur geeft die gewaden weer aan de wijdeling terug. Deze blijft nederig voor hem staan (met de voeten tegen elkaar en het hoofd lichtjes gebogen) met de handen in een gebaar van gebed, en reciteert er het volgende.


Esāham bhante suciraparinibbutampi tam bhagavantam

saranam gacchāmi dhammañca bhikkhusanghañca labheyyāyam bhante tassa bhagavato dhammavinaye pabbajjam labheyyam upasampadam.3


Dutiyampāham bhante suciraparinibbutampi tam bhagavantam saranam gacchāmi dhammañca bhikkhusanghañca labheyyāyam bhante tassa bhagavato dhammavinaye pabbajjam labheyyam upasampadam.4


Tatiyampāham bhante suciraparinibbutampi tam bhaga-

vantam saranam gacchāi dhammañca bhikkhusanghañca

labheyyāyam bhante tassa bhagavato dhammavinaye

pabbajjam labheyyam upasampadam.5


Aham bhante, pabbajjam yācāmi. Imāni kāsāyāni

vatthāni gahetvā, pabbājetha mam bhante anukampam

upādāya.


Dutiyampi aham bhante, pabbajjam yācāmi. Imāni

kāsāyāni vatthāni gahetvā, pabbājetha mam bhante

anukampam upādāya.


Tatiyampi aham bhante, pabbajjam yācāmi. Imāni

kāsāyāni vatthāni gahetvā, pabbājetha mam bhante

anukampam upādāya.


De instructeur neemt daarna de gewaden van de wijdeling aan.


3.2. Instructie: basis objecten van meditatie (mulakammatthāna)


De instructeur plaatst het stel gewaden voor zich en onderricht de wijdeling over het Drievoudige Juweel, geeft hem de raad vertrouwen erin te ontwikkelen als zijn toevlucht, en hij herinnert hem aan het doel en de voordelen van de wijding. Daarna onderwijst hij de wijdeling in de vijf basisobjecten van meditatie (hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden en huid). Na de betekenis ervan uitgelegd te hebben en het doel van het overwegen ervan, reciteert hij ze in opwaartse en tegengestelde volgorde. De wijdeling herhaalt ze woord voor woord als volgt:


Kesā lomā nakhā dantā taco

Taco dantā nakhā lomā kesā


Na de instructies over meditatie moet de wijdeling neerknielen en de instructeur toestaan om van de bundel gewaden het schoudergewaad (amsa) te nemen en het over het hoofd van de wijdeling te trekken. De wijdeling moet dan zijn onderarmen naar de instructeur uitstrekken teneinde de overige gewaden te ontvangen. Hij moet dan op zijn knieën rugwaarts uit de gemeenschap gaan, opstaan en naar de plek gaan die voor het omkleden gereed gemaakt is.


3.3. Het nemen van de toevlucht en van de tien regels van discipline


Wanneer hij de gewaden heeft aangedaan, gaat hij naar een andere plek op het wijdingsterras waar de leraar (ācāriya) zit. De wijdeling biedt hem een dienblad vol gaven aan, maakt drie keer een vijfvoudige buiging voor hem en vraagt dan de Toevluchten en de tien regels van discipline met de volgende woorden:


Aham bhante saranasīlam yācāmi.

Dutiyampi aham bhante saranasīlam yācāmi.

Tatiyampi aham bhante saranasīlam yācāmi.


Na dit verzoek zal de leraar (ācāriya) de Toevluchten en voorschriften geven, te beginnen met eerbetoon aan het Drievoudige Juweel hetwelk door de wijdeling herhaald wordt.


Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa


De leraar (ācāriya) zegt dan ofwel “evam vadehi” ofwel “yamaham vadāmi tam vadehi” (= herhaal het volgende na mij). De wijdeling geeft ten antwoord: “āma bhante” (= Jawel, heer) en herhaalt de volgende verzen van de Toevluchtname:


Buddham saranam gacchāmi

Dhammam saranam gacchāmi

Sangham saranam gacchāmi


Dutiyampi Buddham saranam gacchāmi

Dutiyampi Dhammam saranam gacchāmi

Dutiyampi Sangham saranam gacchāmi


Tatiyampi Buddham saranam gacchāmi

Tatiyampi Dhammam saranam gacchāmi

Tatiyampi Sangham saranam gacchāmi


De leraar (ācāriya) gaat naar het Drievoudige Juweel en zegt dan: “Tisaranagamanam nitthitam” (= je hebt nu je toevlucht genomen tot het Drievoudige Juweel). En de wijdeling moet dan antwoorden: “āma bhante”. De leraar zegt hem nu dat de wijding als novice is voltooid. Omdat hij nu een novice is, moet hij de tien regels van een novice leren en oefenen. Hij moet ze na de leraar opzeggen, regel na regel, als volgt:


1. Pānātipātā veramanī.

2. Adinnādānā veramanī.

3. Abrahmacariyā veramanī.

4. Musāvādā veramanī.

5. Surāmerayamajjapamādatthānā veramanī.

6. Vikāla-bhojāna veramanī.

7. Nacca-gīta-vādita-visūka-dassanā veramanī.

8. Mālāgandha vilepana dhārana-mandana vibhūsanatthānā veramanī.

9. Uccāsayanamahāsayāna veramanī.

10. Jātarūparajatapatiggahānā veramanī.


Imāni dasasikkhāpadāni samādiyāmi

Imāni dasasikkhāpadāni samādiyāmi

Imāni dasasikkhāpadāni samādiyāmi


(Buig drie keer)


3.4. Het vragen van ondergeschiktheid (nissaya)


De novice krijgt de nap van zijn behoeder en draagt ze naar de instructeur. Hij knielt neer voor de instructeur, zet de nap aan zijn linker zijde en biedt hem een dienblad vol geschenken aan. Hierna buigt hij weer drie keer. Geknield zegt hij, met zijn handen in de añjali-houding, het volgende op:


Aham bhante nissayam yācāmi.

Dutiyampi aham bhante nissayam yācāmi.

Tatiyampi aham bhante nissayam yācāmi.


Upajjhāyo me bhante hoti.

Upajjhāyo me bhante hoti.

Upajjhāyo me bhante hoti.


Vraag - Antwoord:


patirūpam - sādhu bhante

opāyikam - sādhu bhante

pāsādikena sampādehi - sādhu bhante


De wijdeling zegt het volgende drie keer op:


Ajjataggedāni thero mayham bhāro, ahampi therassa bhāro


(maak drie keer een buiging)


Nu zegt de instructeur hem zijn eigen naam en de Pali-naam van de novice. De wijdeling geeft ten antwoord: "āma bhante" en gaat verder met het goedkeuren van zijn benodigdheden met de woorden "āma bhante", als volgt:


3.5. Onderzoek van de nap en de gewaden


Vraag - Antwoord:


ayante patto - āma bhante

(Dit is je bedelnap) - (Ja, Eerwaarde heer).


ayam sanghāti - āma bhante

(Dit is je oppergewaad) - (Ja, Eerwaarde heer).


ayam uttarāsango - āma bhante

ayam antaravāsako - (Ja, Eerwaarde heer).


ayam antaravāsako - āma bhante

(Dit is je ondergewaad) - (Ja, Eerwaarde heer).


De instructeur zal dan de riem van de nap over het hoofd van de novice doen en hem verzoeken zich terug te trekken naar een plek buiten de gemeenschap, met de woorden: "gaccha amumhi okāse titthāhi."


De wijdeling moet zijn handen in het "añjali"-gebaar houden en (op zijn knieën) een korte afstand teruggaan voordat hij naar de gereedgemaakte plek gaat nabij de voorkant van de tempel. Die plek is gemerkt door een speciaal stuk stof (bedoeld als de plek waar de "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" staan). De wijdeling moet gaan staan met zijn gelaat naar de bijeengekomen monniken, met de handen samengevoegd in het gebaar van añjali. Door de wijdeling moet er zorg voor gedragen worden dat hij om de stof heen loopt en er niet op stapt. De "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" zullen de gemeenschap inlichten over het onderzoek van de wijdeling en dan naar de plek gaan waar de wijdeling staat. Zij vragen hem dan of er belemmerende omstandigheden zijn. De wijdeling moet de vragen als volgt beantwoorden:


3.6. Ondervraging buiten de Sangha


Vraag - Antwoord


kuttham? - natthi bhante

gandho? - natthi bhante

kilāso? - natthi bhante

soso? - natthi bhante

apamāro? - natthi bhante

manussosi? - āma bhante

purisosi? - āma bhante

bhujissosi? - āma bhante

ananosi? - āma bhante

nasi rājabhato? - āma bhante

anuññātosi mātāpitūhi? - āma bhante

paripunnavīsativassosi? - āma bhante

paripunnante pattacīvaram? - āma bhante

kinnāmosi? - āma bhante (...*) nāma

ko nāma te upajjhāyo? - Upajjhāyo me bhante āyasmā (...**) nama.

_____

* voeg de nieuwe Pali-naam van de monnik toe.

** voeg de Pali-naam van de instructeur toe.


3.7. Het meedelen aan de Sangha van het onderzoek van de wijdeling


De "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" gaan dan naar de gemeenschap terug en roepen de wijdeling in de gemeenschap, met de woorden “ākacchāhi" (of “ākacchāthā" indien er meerdere wijdelingen zijn).


3.8. Het vragen van de volle wijding (upasampadā)


Dan komt de wijdeling (zonder te stappen op of over de stof waarop de ācāriyas staan) nader tot de gemeenschap en werpt zichzelf drie keer ter aarde voor de instructeur. Tijdens het ter aarde vallen houdt de ācāriya of een monnik die het dichtst bij hem is de riem van de nap vast om te voorkomen dat die nap voorover valt. Hierna knielt de wijdeling neer en vraagt met de volgende woorden om gewijd te worden:


Sanghambhante upasampadam yācāmi ullumpatu mam bhante sangho, anukampam upādāya.

Dutiyampi bhante sangham upasampadam yācāmi ullumpatu mam bhante sangho, anukampam upādāya.

Tatiyampi bhante sangham upasampadam yācāmi ullumpatu mam bhante sangho, anukampam upādāya.


(buig drie keer)



3.9. Ondervraging van de wijdeling binnen de Sangha


De instructeur deelt dan aan de Sangha zijn bevindingen mede en de hele gemeenschap antwoordt met “sādhu”. De wijdeling gaat dan naar de gemeenschap tot bij de "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya". De "Karmavācācāriya" zal de wijdeling dan weer ondervragen betreffende belemmerende omstandigheden en de wijdeling moet dan op dezelfde manier antwoorden als voorheen (zie sub 6). Elke wijdeling moet om beurten antwoord geven.



3.10. Het voorstel en de drie aankondigingen


Na het verloop van de ondervraging reciteert de instructeur drie keer het voorstel tot aanname van de wijdeling als monnik. De woorden “evametam dhārayāmi” geven het einde aan van de aanmaningen en tevens het punt waarop de wijdeling ten volle is aangenomen als een monnik.

De nieuwe monnik moet zijn nap aan zijn linker hand plaatsen en gaan zitten met zijn benen aan een kant en zijn handen opgeheven in het gebaar van añjali. Hij luistert tot het einde van de gebeurtenissen waarna hij antwoordt met de woorden “āma bhante” en neerknielt om drie keer een buiging te maken. De nieuwe monnik moet dan een dienblad met gaven van zijn leken-begunstigers ontvangen en die gaven dan aan de instructeur, de "Karmavācācāriya" en de "Anusāvanācariya" aanbieden. De nieuwe monnik maakt dan drie keer een buiging. Hij moet dan zijn zitkleedje en zijn nap nemen en ermee naar een vastgestelde plek buiten de gemeenschap gaan teneinde de gaven aan te nemen die door verwanten, begunstigers en vrienden gereed zijn gemaakt. Van vrouwen moeten gaven aangenomen worden door de gaven te laten plaatsen op het zitkleedje; van mannen direkt uit hun handen. Na het ontvangen van de gaven moet de nieuwe monnik teruggaan naar de gemeenschap gereed om water uit te gieten voor de overgave van verdienste.

Wanneer de instructeur of een andere oudere monnik in de gemeenschap begint met het geven van de zegeningen, met de woorden “yathā vārivahā ..”, dan moet de nieuwe monnik beginnen met het uitgieten van water in de kom tot aan de woorden “mani joti-raso yathā”, waar de overigen van de gemeenschap dan overnemen met de woorden “sabbitiyo ..”. De nieuwe monnik moet dan het laatste water uitgieten en zijn handen in het gebaar van añjali houden. Wanneer de zegening voorbij is, moet de nieuwe monnik antwoorden met het woord “sādhu”.

De nieuwe monnik betoont dan eer aan zijn instructeur en aan de gemeenschap door drie keer een buiging te maken. Hierna betoont hij eer aan het Drievoudige Juweel door nog eens drie keer te buigen. Dit is het einde van de wijdingsceremonie.


-=-


4. BASIS-VINAYA VOOR MONNIKEN


Het Vinaya-pitaka, het boek van de discipline, gaat hoofdzakelijk over regels die betrekking hebben op de Sangha of de Orde van de monniken. De schematische onderverdeling ervan is als volgt:

1. pâtimokkha (regels voor monniken);

2. regels voor nonnen;

3. de groepen over speciale aspecten van leven van de Sangha, zoals wijding, hoe zich te kleden, medicijnen e.d.


De regels voor monniken in het Pâtimokkha omvatten:

a) de 4 pârâjika;

b) de 13 sanghâdisesa;

c) de 2 aniyata;

d) de 30 nissaggiya pâcittiya;

e) de 92 pâcittiya;

f) de 4 pâtidesanîya;

g) de 75 sekhiyavatta.


Buiten het Pâtimokkha zijn er nog zeven andere regels voor monniken, namelijk de zeven adhikaranasamatha. Zo zijn er in totaal 227 regels voor monniken.


Er zijn zeven soorten overtredingen (âpatti), namelijk:

1) pârâjika (nederlagen),

2) sanghâdisesa (disciplinaire overtredingen),

3) thullaccaya (zware overtredingen),

4) pâcittiya (overtredingen van boetedoening),

5) pâtidesanîya (overtredingen die beleden moeten worden),

6) dukkata (overtredingen van verkeerd handelen),

7) dubbhâsita (overtredingen van verkeerd taalgebruik).


Elke bhikkhu moet zich aanpassen aan de regels en tradities van het Vinaya. De overtreding van een van die regels van oefening heet een "âpatti". Er zijn twee groepen overtredingen: ongeneeslijke (atekicchâ) en geneeslijke (satekicchâ). De eerste groep heeft betrekking op de klasse met naam "pârâjika" (nederlagen).

Een bhikkhu die een van de vier pârâjika-overtredingen begaat, wordt uit de status van monnik gezet. Hij moet de gemeenschap verlaten door het gewaad af te leggen en tot het leven als leek terug te keren. Elke poging om opnieuw ingewijd te worden is automatisch ongeldig.

Geneeslijke overtredingen kunnen in twee soorten verdeeld worden:

zware (garukâpatti) en lichte (lahukâpatti). Er is slechts één klasse van zware geneeslijke overtredingen, namelijk de dertien sanghâdisesa, welke een begin- en vervolgsamenkomst van de Sangha met zich meebrengen. Een monnik die een overtreding begaat van de sanghâdisesa, moet onder discipline blijven teneinde van de overtreding gezuiverd te worden. Hij moet een proeftijd ondergaan waarna, indien de Sangha overtuigd is van iemands berouw, een samenkomst van niet minder dan 20 bhikkhus bijeen wordt geroepen en de overtreder weer zuiver wordt verklaard en in zijn oorspronkelijke status wordt hersteld.

De overige overtredingen behoren tot de lichte geneeslijke overtredingen. Als een monnik een van die andere overtredingen heeft begaan, moet hij zijn fout bekennen aan de Sangha of aan een groep van twee of drie monniken, of aan een andere monnik, teneinde zichzelf van de overtreding te zuiveren.


Vier pârâjika -De vier nederlagen


1. Een bhikkhu die met opzet seksuele omgang heeft, zelfs met een vrouwelijk dier, heeft een nederlaag geleden.

2. Een bhikkhu die, met de opzet om te stelen, op de manier van een dief, neemt wat niet is gegeven, iets wat meer waard is dan één baht, heeft een nederlaag geleden.

3. Een bhikkhu die met opzet een menselijk wezen van het leven berooft, of die iemand anders laat doden, of die de schoonheid van de dood prijst, of die met succes iemand anders overhaalt om te sterven, heeft een nederlaag geleden.

4. Een bhikkhu die prat gaat op hogere geestelijke staten, welke hij in werkelijkheid niet heeft, heeft een nederlaag geleden.


Dertien sanghâdisesa -13 Punten m.b.t. samenkomst van de Sangha


1. Een bhikkhu die met opzet zijn zaad loost, moet onder discipline van de Sangha blijven.

2. Een bhikkhu die met lustvolle of bedorven gedachten in lichamelijk contact komt met een vrouw, moet onder discipline van de Sangha blijven.

3. Een bhikkhu die met lustvolle of bedorven gedachten tot een vrouw spreekt met ontuchtige, wulpse woorden, moet onder discipline van de Sangha blijven.

4. Een bhikkhu die met lustvolle of bedorven gedachten, met woorden een vrouw verleidt tot seksuele omgang met hem, moet onder discipline van de Sangha blijven.

5. Een bhikkhu die als huwelijksbemiddelaar handelt tussen een man en een vrouw, moet onder discipline van de Sangha blijven.

6. Een bhikkhu die, voor zichzelf van leem of cement een hut bouwt of heeft gebouwd op een bezet terrein zonder vergunning, of op een plek die de voorgeschreven omvang (12x7 ellen) overschrijdt, of die gebouwd is zonder dat ze eerst door andere bhikkhus goedgekeurd is, moet onder discipline van de Sangha blijven.

7. Een bhikkhu mag op een terrein dat eigendom is van zijn sponsor, voor zichzelf van leem of cement een hut bouwen groter dan de voorgeschreven omvang, maar als ze niet eerst door andere bhikkhus goedgekeurd is, moet hij onder discipline van de Sangha blijven.

8. Een bhikkhu die boos is op een andere bhikkhu en uit wrok probeert hem uit de Sangha te laten verwijderen door een valse, directe beschuldiging, moet onder discipline van de Sangha blijven.

9. Een bhikkhu die boos is op een andere monnik en uit wrok probeert hem uit de Sangha te laten verwijderen door middel van een voorwendsel of list, moet onder discipline van de Sangha blijven.

10. Als een bhikkhu de Sangha blijft benadelen en een schisma veroorzaakt, en wanneer andere bhikkhus hem verbieden dat te doen en hij niet naar hen luistert, dan moet een Sangha de "kamma-vâcâ" (aankondiging) reciteren om hem ertoe te brengen die gedragswijze op te geven. Indien hij ze niet opgeeft, moet hij onder discipline van de Sangha blijven.

11. Als een bhikkhu het gedrag navolgt van een monnik die de Sangha benadeelt en een schisma veroorzaakt, en wanneer andere bhikkhus hem verbieden dat te doen en hij niet naar hen luistert, dan moet een Sangha de "kammavaca" (aankondiging} reciteren om hem ertoe te brengen die gedragswijze op te geven. Indien hij ze niet opgeeft, moet hij onder discipline van de Sangha

blijven.

12. Indien een bhikkhu moeilijk te corrigeren en te onderrichten is en wanneer hij niet naar andere bhikkhus luistert die hem waarschuwen, dan moet een Sangha de "kammavaca" (aankondiging) reciteren om hem ertoe te brengen die gedragswijze op te geven. Indien hij ze niet opgeeft, moet hij onder discipline van de Sangha blijven.

13. Indien een bhikkhu gezinnen bederft, - m.a.w. indien hij vleit en flikflooit bij leken - en andere bhikkhus verdrijven hem uit hun klooster, en hij dan op zijn beurt hen becritiseert, en indien een andere bhikkhu hem dan zegt dat hij dat niet moet doen, en wanneer hij dan niet luistert, dan moet een Sangha de "kammavaca" (aankondiging) reciteren om hem ertoe te brengen die gedragswijze op te geven. Indien hij ze niet opgeeft, moet hij onder discipline van de Sangha blijven.



5. VOORBEREIDENDE PLICHTEN VOOR EEN NIEUWE BHIKKHU


5.1. Bindukappa – Het kenmerken van de gewaden


Voordat een bhikkhu een nieuw gewaad gaat gebruiken, moet hij het van een kenmerk voorzien, gewoonlijk in een van de hoeken ervan, met een stip die niet groter is dan een wandluis en niet kleiner dan de iris in het oog van een pauw. Deze stip kan blauw(groen), zwart of bruin zijn. Het doel ervan is zowel de attractiviteit van het gewaad te bederven als het als zijn eigen te kenmerken. Er wordt een overtreding van de pacittiya-soort gemaakt indien een bhikkhu een gewaad gebruikt dat niet op deze manier gekenmerkt is. Het is daarom de plicht van de instructeur, leermeester (acariya) of een andere bhikkhu om de nieuw gewijde bhikkhu te onderrichten dit onmiddellijk na de wijding te doen. Een pen of ander merkinstrument kan voor dit doel gebruikt worden, terwijl de eigenaar van het gewaad ofwel hardop of in stilte moet zeggen:


Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa


Daarna moet hij het volgende herhalen:


Imam bindukappam karoni

Dutiyam pi imam bindukappam karoni

Tatiyam pi imam bindukappam karoni


Als het gewaad eens is gekenmerkt, hoeft dit niet meer herhaald te worden, ook niet als het kenmerk door wassen verdwenen is. De tegenwoordige praktijk is om elk gewaad met drie stippen te kenmerken, terwijl men bovenstaande formule reciteert bij het maken van elke stip. Initialen of de naam kunnen toegevoegd worden als verder middel voor identificatie.


5.2. Adhittāna- Het vaststellen voor gebruik


Er zijn twee groepen van benodigdheden welke een monnik kan gebruiken: (1) de benodigdheden die zijn eigen bezittingen zijn, en (2) accessoires die hij leent voor tijdelijk gebruik, en die dus niet tot zijn bezit behoren.

Tot de persoonlijke bezittingen behoren de acht benodigdheden (atthaparikhâra) welke aan een monnik gegeven worden bij zijn wijding. Al zulke persoonlijke bezittingen moeten formeel opgevorderd worden wanneer zij pas verkregen zijn, en wel door de daad van "het vaststellen voor gebruik", voordat zij gebruikt kunnen worden. Indien men ermee ophoudt ze te gebruiken, dienen zij formeel onteigend te worden door de daad van "het opgeven". Deze nauwgezette procedure beperkt het aantal bezittingen dat een monnik in één keer kan hebben.

De monnik moet onfeilbare zorg dragen voor zijn eigen persoonlijke bezittingen. Want als hij gescheiden wordt van zijn eigen gewaden (bij dageraad), is dat een overtreding die gestraft wordt door verlies van dat gewaad aan een andere monnik voordat de overtreding beleden en vergeven is.


Accessoires zijn, behalve door de lengte van tijd waarvoor zij "geleend" kunnen worden, ook beperkt door regels. Indien benodigdheden langer dan tien dagen in bezit gehouden worden en dan niet met een andere bhikkhu (of novice) gedeeld zijn, dan moeten zij weer verbeurd worden aan een andere monnik voordat de overtreding beleden is en vergeven kan worden.

Persoonlijke bezittingen zijn formeel vastgesteld voor gebruik door het reciteren van een Pali-formule. De formule voor het vaststellen van het sanghati volgt hier:


1. sanghâti - het (dubbeldikke) buitengewaad


Imam sanghâtim adhitthâmi

Dutiyam pi imam sanghâtim adhitthâmi

Tatiyam pi imam sanghâtim adhitthâmi.


Tot de andere rekwisieten die voor gebruik vastgesteld moeten worden, behoren de volgende zes categorieën. Vervang dan het woord ”sanghatim” in bovenstaande formule met onderstaande woorden:


2. uttarâsankam - oppergewaad,

3. antaravâsakam - ondergewaad

4. pattam - nap

5. parikkhâracolam - andere kleine kledingstukken zoals ondergoed

6. vassikasâtikam - badkleding tijdens de regentijd


Er kan slechts één exemplaar van buitengewaad, oppergewaad en ondergewaad op deze manier opgevorderd worden. De categorieën 1-5 kunnen voor gebruik vastgesteld worden op elke tijd, terwijl nummer 6 alleen gebruikt mag worden tijdens de vier maanden van de regen-periode. Alle andere stukken stof die twee of meer in aantal zijn, moeten op de volgende manier opgevorderd worden:


Imâni parikkhâracolâni adhitthâmi

imâni parikkhâracolâni adhitthâmi

imâni parikkhâracolâni adhitthâmi



5.3. Paccuddharana - Het opgeven van gebruik


Wanneer een van de voorwerpen behorende tot de groepen 1-5 teruggeplaatst moet worden, dan moet het artikel dat reeds vastgesteld is, eerst van gebruik ontheven worden. De Pali-formules voor dit doel zijn bijna gelijk aan die welke gebruikt worden bij het vaststellen van het artikel. Alleen het woord "aditthhâmi" (ik stel vast) is dan gewijzigd in "paccudharâmi" (ik geef op).


Voorbeeld:


Sanghâti -het (dubbeldikke) buitengewaad


Imam sanghâtim paccudharâmi

Dutiyam pi imam sanghâtim paccudharâmi

Tatiyam pi imam sanghâtim paccudharâmi.



5.4. Vikappa - Het delen van extra-eigenaarschap


Met uitzondering van vastgestelde stukken stof wordt elk stuk stof, groter dan 4x8 inches (ca 10x20 cm), dat tot een gewaad samengesteld kan worden, een extra stuk stof (atireka-cîvaram) genoemd. Zoals boven vermeld, mag een extra stuk stof (of nap) door een bhikkhu niet langer dan tien dagen in bezit gehouden worden. Indien men een dergelijk deel wil houden zonder het voor een verdere periode te gebruiken, dan kan men het recht van eigendom delen. Dit heet "vikappa". Eigendomsrecht kan gedeeld worden met een novice; maar het is gebruikelijker dat het gedeeld wordt met een andere bhikkhu.

De daad van het delen van eigendomsrecht kan op meerdere manieren gebeuren. Zo worden de volgende formules gebruikt. (Wanneer de mede-eigenaar ouder is dan de bhikkhu die spreekt, moet het voornaamwoord "tuyham" gewijzigd worden in "âyasmato").


1a) voor een enkel stuk stof of gewaad dat binnen bereik is wanneer de mede-eigenaar jonger is dan de bhikkhu die spreekt:


Imâm cîvaram tuyham vikappemi

dutiyam pi imam cîvaram tuyham vikappemi

tatiyam pi imam cîvaram tuyham vikappemi.


1b) Voor een enkel stuk stof of gewaad dat binnen bereik is wanneer de mede-eigenaar ouder is dan de bhikkhu die spreekt:


Imam cîvaram âyasmato vikappemi

dutiyam pi imam cîvaram âyasmato vikappemi

tatiyam pi imam cîvaram âyasmato vikappemi.


2a) Bij meer dan één stuk stof of gewaad wanneer de mede-eigenaar jonger is dan de bhikkhu die spreekt:


Imâni cîvarâni tuyham vikappemi

dutiyam pi imâni cîvarâni tuyham vikappemi

tatiyam pi imâni cîvarâni tuyham vikappemi.


2b) Bij meer dan één stuk stof of gewaad wanneer de mede-eigenaar ouder is dan de bhikkhu die spreekt:


Imâni cîvarâni âyasmato vikappemi

dutiyam pi imâni cîvarâni âyasmato vikappemi

tatiyam pi imâni cîvarâni âyasmato vikappemi.


3a) Indien het artikel dat gedeeld moet worden, buiten bereik is wanneer de mede-eigenaar jonger is dan de bhikkhu die spreekt:


etam cîvaram tuyham vikappemi

dutiyam pi etam cîvaram tuyham vikappemi

tatiyam pi etam cîvaram tuyham vikappemi.


3b) Indien het artikel dat gedeeld moet worden, buiten bereik is wanneer de mede-eigenaar ouder is dan de bhikkhu die spreekt:


etam cîvaram âyasmato vikappemi

dutiyam pi etam cîvaram âyasmato vikappemi

tatiyam pi etam cîvaram âyasmato vikappemi.


4a) Bij meer dan één stuk stof of gewaad wanneer de mede-eigenaar jonger is dan de bhikkhu die spreekt:


etâni cîvarâni tuyham vikappemi

dutiyam pi etâni cîvarâni tuyham vikappemi

tatiyam pi etâni cîvarâni tuyham vikappemi.


4b) Bij meer dan één stuk stof of gewaad wanneer de mede-eigenaar ouder is dan de bhikkhu die spreekt:


etâni cîvarâni âyasmato vikappemi

dutiyam pi etâni cîvarâni âyasmato vikappemi

tatiyam pi etâni cîvarâni âyasmato vikappemi.


Indien gewaden reeds gedeeld zijn door "vikappa", maar als één monnik ze nodig heeft om te dragen, dan moeten de woorden van "het onderbreken van delen" gebruikt worden, als volgt:


Voor een oudere monnik die één gewaad deelt:


imam cîvaram maybam santakam paribbuñja vâ visajjehi vâ yathâ pajjayam va karohi.


Voor een jongere monnik die één gewaad deelt:


imam cîvaram maybam santakam paribbuñjatha vâ visajjetha vâ yathâ pajjayam vâ karotha.


De betekenis is dezelfde als in bovenstaande formule; het verschil is alleen dat het voornaamwoord meer respect inhoudt.


Voor een oudere monnik die meer dan één gewaad deelt:


imâni cîvarâni mayham santakâni paribbuñja vâ visajjehi vâ yathâ pajjayam va karohi.


Voor een jongere monnik die meer dan één gewaad deelt:


imâni cîvarâni mayham santakâni paribbuñjatha vâ

visajjetha vâ yathâ pajjayam vâ karotha.



5.5. Verlies van een persoonlijk gewaad


Wanneer de overtreding beleden wordt dat een persoonlijk gewaad 's nachts van een bhikkhu gescheiden is zonder toestemming, dan worden de volgende woorden gebruikt, voor een enkel gewaad:


idam me bbante cîvaram rattivippavattbam aññatara

bhikkbusammatiyâ nissaggiyam imâham âyasmato nissajjâmi.



5.6. Verlies van een extra gewaad


Wanneer de overtreding beleden wordt dat een extra gewaad waarvan het eigendomsrecht niet gedeeld is, langer dan tien dagen in bezit gehouden is, dan worden de volgende woorden gebruikt:


a) voor een enkel gewaad, als de monnik die het gewaad verbeurt, jonger is dan de ontvanger:


Idam me bhante cîvaram dasâhâtikkantam nissaggiyam

imâham âyasmato nissajjâmi.


b) voor een enkel gewaad, als de monnik die het gewaad verbeurt, ouder is dan de ontvanger:


Idam me avuso cîvaram dasâhâtikkantam nissaggiyam

imâham âyasmato nissajjâmi.


c) voor twee of meer gewaden, als de monnik die het gewaad verbeurt, jonger is dan de ontvanger:


Imâni me bhante cîvarâni dasâhâtikkantam nissaggiyâni imâraham âyasmato nissajjâmi.


d) voor twee of meer gewaden, als de monnik die het gewaad verbeurt, ouder is dan de ontvanger:


Imâni me avuso cîvarâni dasâhâtikkantam nissaggiyâni

imâraham âyasmato nissajjâmi.



5.7. Het teruggeven van een gewaad aan een andere monnik


Nadat de bhikkhu zijn overtreding beleden heeft of het verbeurde gewaad een persoonlijk gewaad is of een extra gewaad, moet het na de bekentenis aan hem worden teruggegeven met de volgende woorden:


Imam bhante cîvaram âyasmato dammi.


N.B.

1) Als de monnik die het gewaad geeft, ouder is dan degene die het ontvangt, moet het woord "bhante" gewijzigd worden in "avuso".

2) Als twee gewaden teruggegeven worden, moet het woord "cîvaram" gewijzigd worden in "dvicîvaram".

3) Als drie gewaden teruggegeven worden, moet het woord "cîvaram" gewijzigd worden in “ticīvaram”.



5.8. Belijdenis van kleinere overtredingen


Het is de plicht van een bhikkhu dagelijks kleinere overtredingen te belijden aan een mede-bhikkhu. Dit kan zuiverheid van kleinere overtredingen teweeg brengen of zuiverheid van persoonlijke zwakte welke geen schending van het kloostergedrag kan vormen.

Een bhikkhu die een lichte overtreding wenst te belijden, moet zijn gewaad over zijn linker schouder schikken (met de rechter schouder ontbloot), naar een andere bhikkhu gaan en voor hem neerknielen. Met zijn handen gevouwen in het gebaar van respect, maakt hij dan zijn wens kenbaar om de overtreding te belijden. Indien hij zich de overtreding duidelijk kan herinneren, moet hij ze eerst aan de andere bhikkhu in z'n eigen taal vertellen. Hierdoor wordt verhinderd dat bhikkhus die dezelfde overtreding hebben, samen belijden. Hierna gaat hij verder met het opzeggen van de traditionele Pali-teksten voor belijdenis.



De formule voor het belijden van lichte overtredingen staat een redelijk aantal van verscheidenheid toe. Het is afhankelijk ervan of één overtreding beleden wordt of dat meer dan één van een speciale klasse samen beleden worden. Ook hangt het ervan af of de overtredingen te doen hebben met één of meer regels. Toch is de algemene vorm van belijdenis de enige die het eerst geleerd wordt door nieuwe monniken. Want ze wordt op elke Uposatha-dag gebruikt om zich te zuiveren van elke overtreding welke men weet of niet weet, alvorens te luisteren naar het reciteren van het Patimokkha. Het is een bhikkhu toegestaan om het aantal overtredingen welke hij heeft begaan, te overdrijven, en om zich schuldig te bekennen aan een overtreding waarvan hij zich niet bewust is. Daarom kan de algemene vorm eveneens bij andere gelegenheden gebruikt worden, wanneer enkel een of meer overtredingen beleden worden.


āpattidesanā

junior: sabbā tā āpattiyo ārocemi (3x)

sabbā garulahukā āpattiyo ārocemi (3x)

aham bhante sambahulā nānāvatthukāyo apāttiyo āpajjim tā tumhamule patidesemi.


Bij deze belijd ik al mijn overtredingen. (3x)

Bij deze belijd ik al mijn overtredingen zowel ernstige als geringe (3x)

Eerwaarde heer, bij deze belijd ik mijn overtredingen in uw bijzijn.


Senior: passasi āvuso tā apattiyo.

Jongere monnik, kun je je overtredingen niet zien?


junior: ukasa āma bhante passāmi.

Oudere bhikkhu, toont ze mij a.u.b., want ik kan ze niet zien.


senior: āyatim āvuso samvareyyāsi.

Jongere bhikkhu, gij moet voortaan beteugeld zijn.


junior: sādhu sutthu bhante samvarissāmi.

dutiyampi sādhu sutthu bhante samvarissāmi.

tatiyampi sādhu sutthu bhante samvarissāmi.


Oudere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.

Nogmaals, oudere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.

Nogmaals en nogmaals, oudere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.


junior: na punevam karissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

senior: sādhu. (goed zo).

junior: na punevam bhāsissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

senior: sādhu. (goed zo).

junior: na punevam cintayissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

senior: sādhu. (goed zo).


[De ceremonie wordt dan herhaald met een wisseling van de rollen tussen de jongere en oudere bhikkhus]


senior: sabbā tā āpattiyo ārocemi (3x)

sabbā garulahukā āpattiyo ārocemi (3x)

aham āvuso sambahulā nānāvatthukāyo āpattiyo apajjim tā tumha mule patidesemi.


Bij deze belijd ik al mijn overtredingen. (3x)

Bij deze belijd ik al mijn overtredingen zowel ernstige als geringe (3x)

Jongere bhikkhu, bij deze belijd ik mijn overtredingen in uw bijzijn.

junior: ukāsa passatha bhante tā āpattiyo.

Oudere bhikkhu, kunt gij uw overtredingen niet zien?

senior: āma avuso passāmi.

Jongere bhikkhu, toont ze mij a.u.b., want ik kan ze niet zien.

junior: āyatim bhante samvareyyātha.

Oudere bhikkhu, gij moet voortaan beteugeld zijn.

senior: sādhu sutthu āvuso samvarissāmi.

dutiyampi sādhu sutthu āvuso samvarissāmi.

tatiyampi sādhu sutthu āvuso samvarissāmi.

Jongere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.

Nogmaals, jongere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.

Nogmaals en nogmaals, jongere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.


Senior: na punevam karissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

junior: sādhu. (goed zo).

senior: na punevam bhāsissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

junior: sādhu. (goed zo).

senior: na punevam cintayissāmi.

Ik zal dit nooit meer doen

junior: sādhu. (goed zo).


5.9. Woorden om vergiffenis te vragen (gebruikt om respect te tonen jegens oudere monniken)


In de leer van de Boeddha wordt het als juist beschouwd dat, wanneer men zich ervan bewust is dat men iets verkeerds jegens iemand anders heeft gedaan, men vergiffenis moet vragen aan de persoon die verkeerd behandeld is. Wanneer de laatste dan om vergeving is gevraagd, moet deze geen wrok koesteren jegens de eerste, maar hem of haar vergeven. Onder bhikkhus in de begintijd van het Boeddhisme was de beste gelegenheid om vergiffenis te vragen en te geven, wanneer zij in de regenperiode bijeen kwamen. Het is aldus gebruikelijk geworden voor jongere bhikkhus om hun oudere monniken om vergeving te vragen op de eerste dag van het regenseizoen of spoedig erna, afhankelijk ervan of zij in hetzelfde klooster of in verschillende kloosters verblijven.

De procedure voor het vragen van vergiffenis begint met het aanbieden van kaarsen, geurstokjes of bloemen. Het vragen van vergiffenis gaat als volgt:


Junior:

there pamādena dvattayena katam sabbam aparādham khamatha me bhante.


Schenkt mij vergiffenis, Eerwaarde Heer, voor alwat ik jegens U door de drie deuren (van lichaam, taalgebruik en gedachten) heb gedaan uit onachtzaamheid.


Senior: aham khamāmi tayāpi me khamitabbam.

Ik vergeef je; jij moet ook mij vergeven.


Junior: ukāsa khamāmi bhante.

Ik vergeef u, Eerwaarde heer.


(In sommige kloosters wordt eerst drie keer het volgende vers gereciteerd:

Nama tassa bhagavata arahata sammāsambuddhassa.

Daarna wordt het dienblad met offergaven opgenomen en hooggehouden door de oudste bhikkhu in de groep, terwijl allen reciteren:

There pamādena .. (etc).


Elk aantal bhikkhus kan vergiffenis vragen als groep. Enkele woorden zijn dan gewijzigd:


Junioren: There pamādena, dvattayena katam sabbam aparādham khamatha no bhante.

Schenkt ons vergiffenis, Eerwaarde Heer, voor alwat wij jegens U door de drie deuren (van lichaam, taalgebruik en gedachten) hebben gedaan uit onachtzaamheid.


Senior: aham khamāmi tumhehipi me khamitabbam.

Ik vergeef jullie; gij moet ook mij vergeven.


Junioren: Ukāsa khamāma bhante.

Wij vergeven u, Eerwaarde heer.


Het woord "There" is een term van respect voor bhikkhus die ouder zijn dan menzelf. Het kan bij gelegenheid vervangen worden door de volgende woorden:

Dutiyampi sādhu sutthu bhante samvarissāmi

Voor een tweede keer, oudere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.

Tatiyampi sādhu sutthu bhante samvarissāmi.

Voor een derde keer, oudere bhikkhu, voortaan zal ik beteugeld zijn.


Het woord >there< wordt respectievelijk gewijzigd in:

upajjhāye (voor z'n instructeur);

ācariye (voor z'n leermeester);

āyasmante (een algemene term van respect voor een oudere bhikkhu)

mahathere (voor een veel oudere en gerespecteerde bhikkhu).

In sommige kloosters werpen alle bhikkhus, wanneer zij vergiffenis vragen, zich ter aarde neer onmiddellijk na het reciteren ervan. Zij blijven in die houding terwijl de oudere monnik zijn vergiffenis uitspreekt samen met verzen van zegening. Op het einde ervan geven allen, nog steeds ter aarde neergeworpen, ten antwoord: "sādhu bhante." Zelfs wanneer niets verkeerds is gedaan, wordt dit gebruik nog nagevolgd. Wanneer een oudere monnik werkelijk een jongere monnik onrecht heeft aangedaan, dan moet ook hij vergiffenis vragen en zich niet laten voorstaan op het feit dat hij ouder is.


5.10. Woorden bij het afleggen van het gewaad


sikkam paccakkhāmi gihi'ti mam dhāreta. (3x)

Ik geef de training op. U kunt mij weer als een leek beschouwen.



5.11. Pattidānagāthā – Overdracht van verdienste


(Laten wij allen nu de verdienste overdragen)


Mogen alle hemelse wezens die in deze tempel wonen, met de stoepas ervan en andere verblijfplaatsen, gezegend zijn door deze verdienstelijke recitatie, om in vrede in deze tempel te vertoeven. Mogen alle monniken van de heilige Orde, novicen, aalmoezen-gevers en leken van de tempel, en alle dorpelingen, de buitenstaanders, stedelingen, degenen met een hoge rang, en alle levende wezens, - mogen zij allen geïnspireerd worden door de weldadige Dhamma die naar bevrijding voert; mogen alle wezens bevrijd worden van hun lijden.


Moge de leer van alle Boeddhas en van degenen die de Dhamma navolgen, steeds blijven bestaan. Moge de eenheid van de Orde van monniken aan allen heil en geluk brengen. Moge de goede leer ons beschermen en allen die de Dhamma beoefenen. Mogen wij allen voorspoed hebben door het volgen van de leer die door de Boeddha verkondigd is!



5.12. bhojanādānānumodanāgāthā - Verzen van dankzegging bij het aanbieden van voedsel


āyudo balado dhīro, vannado patibhānado

sukhassa dātā medhāvī, sukham so adhigacchati

āyum datvā balam vannam, sukhañca patibhānado

dīghāyu yasavā hoti, yattha yatthūpapajjatī ti.


Moge er voor de wijze een lang leven zijn, kracht, goede geboorte en een goed verstand. Van hem/haar gaat geluk naar anderen, daarom krijgt hij/zij geluk. Bij degene die anderen een lang leven, kracht, goede geboorte en een goed verstand wenst, zal als resultaat ervan eveneens een lang leven, achting, en andere goede dingen toenemen.


6. Overwegingen


6.1. Ovādapātimokkhādipātho – De orderegel tot aansporing (de leer van de Boeddhas)


(Handa mayam buddhassa ovādānusāsanīyo bhanāma se)


(Laten wij allen nu de orderegel tot aansporing reciteren)


Khantā paramam tapo tītikkhā

Nibbānam paramam vadanti buddhā

Na hi pabbajito parūpaghātī

Samano hoti param vihethayanto

Etam buddhānasāsanam.

Sabbapāpassa akaranam

Kusalass'ūpasampadā

Sacittapariyodapanam

Etam buddhānasāsanam.

Anūpavādo anūpaghāto

Patimokkhe ca samvaro

Mattaññutā ca bhattasmim

Pantañ ca sayanāsanam

Adhicitte ca āyogo

Etam buddhānasāsanan'ti.


Geduld en verdraagzaamheid

is de hoogste boete-oefening,

de Boeddhas noemen Nibbana het hoogste.

Geen pelgrim is hij die anderen aangrijpt;

geen boeteling is degene

die iemand anders schade berokkent.


Het nalaten van alle kwaad,

het constant zich moeite doen voor het goede,

de reiniging van de eigen geest:

dat is de leer en het voorschrift

van de Boeddhas.


Zonder te berispen, zonder te strijden,

wel-beschermd door de Orde-regel,

steeds matig bij de maaltijd

en gericht naar afgelegen verblijfplaats

en naar verheven denken:

dat is de leer en het voorschrift

van de Boeddhas.



6.2. Samvegaparikittanapātha


idha tathāgato loke uppanno araham sammāsambuddho,

dhammo ca desito niyyāniko upasamiko parinibbāniko

sambodhagāmī sugatappavedito, mayantam dhammam

sutvā evam jānāma, jātipi dukkhā, jarāpi dukkhā, maranampi dukkham, sokaparidevadukkhadomanassupāyāsāpi dukkhā,

appiyehi sampayogo dukkho, piyehi vippayogo dukkho,

yampiccham na labhati tampi dukkham, sankhittena

pañcupādanakkhandhā dukkhā, seyyathīdam,

rūpūpādānakkhandho, vedanūpādānakkhandho, saññūpādānakkhandho, sankharūpādānakkhandho, viññānūpādānakkhandho,

yesam, pariññāya, dharamāno so bhagavā, evam bahulam sāvake vineti, evam bhāgā ca panassa bhagavato sāvakesu anusāsanī, bahula pavattati,


rupam aniccam, vedanā aniccā,

saññā aniccā, sankhārā aniccā, viññānam aniccam, rūpam anattā, vedanā anattā, saññā anattā, sankhārā anattā, viññānam anattā,

sabbe sankhārā aniccā, sabbe dhammā anattā'ti,

te* [tā]** mayam, otinnāmha jātiyā jarāmaranena, sokehi

paridevehi dukkhehi domanassehi upāyāsehi, dukkhotinnā dukkhaparetā, appevanāmimassa kevalassa

dukkhakkhandhassa antakiriyā paññayethā'ti.


ciraparinibbutampi tam bhagavantam saranam gato* [gatā]** dhammañca (bhikkhu)sanghanca, tassa bhagavato sāsanam, yathāsati yathābalam manasikaroma anupatipajjāma, sā sā no patipatti imassa kevalassa dukkhakkhandhassa antakiriyāya samvattatu.



6.2. Overwegingen bijdragende tot bedaardheid


Geboren in deze wereld is het Grote Wezen, de Heilige en geheel-Verlichte. Door de Wel-Gegane is de Dhamma verkondigd die uit het lijden voert, die bijdraagt tot vrede, die dient tot de volledige uitdoving, die leidt tot Verlichting. Nadat wij aldus die Dhamma gehoord hebben, komen wij te weten:

geboorte is lijden; ouderdom is lijden; dood is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of vanwat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men wenst, is lijden; kortom, de vijf groeperingen van hechten zijn lijden, namelijk:

de groepering van lichamelijke vorm is lijden; de groepering van gevoelens is lijden; de groepering van waarnemingen is lijden; de groepering van geestelijke formaties is lijden; de groepering van bewustzijn is lijden.

Ten einde de aard van deze zintuiglijke groeperingen te verwerkelijken, was de instructie die het vaakst tot de discipelen gericht werd tijdens het leven van de Boeddha als volgt:

Vorm is niet-blijvend; gevoel is niet-blijvend; waarneming is niet-blijvend; geestelijke formatie is niet-blijvend; bewustzijn is niet-blijvend;

vorm is niet-zelf; gevoel is niet-zelf; waarneming is niet-zelf; geestelijke formatie is niet-zelf; bewustzijn is niet-zelf.

Alle samengestelde dingen zijn niet-blijvend; alle verschijnselen zijn niet-zelf.

Wij allen, omringd met geboorte, ouderdom en ook met verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop, overstelpt met lijden, wij allen hebben dit lijden in het vooruitzicht.


(voor monniken)


Hoewel het uiteindelijke Nibbana van de Gezegende, de heilige, de Volmaakt Verlichte, lang geleden was, zijn wij vol vertrouwen vanuit het huiselijke naar het huisloze leven gegaan, en in dat heilige leven van de Verhevene oefenen wij ons. Moge de juiste levenswijze voor monniken welke het heilige leven is, ons naar de uiteindelijke bevrijding van alle lijden voeren.



6.3. Tien overwegingen voor de monnik


1. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat onze levenswijze van leek nu gewijzigd is; wij moeten de manieren en het gedrag aannemen die verwacht worden van een monnik.

2. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat ons leven afhankelijk is van anderen; wij moeten daarom gemakkelijk te ondersteunen zijn.

3. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat er nog veel meer manieren van lichaam en taal zijn die wij moeten verbeteren.

4.Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij onszelf moeten bekritiseren en kritiek van onszelf moeten aannemen, wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

5. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij van degenen die wijs zijn, kritiek moeten aannemen, en dat wij in staat moeten zijn kritiek aan te nemen, wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

6. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij eens gescheiden zullen zijn van allen die ons geliefd zijn en van alles dat ons dierbaar is.

7. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij erfgenaam zijn van onze wilsakties. Als wij goede wilsakties verrichten, zullen er goede resultaten volgen; als wij slechte wilsakties verrichten, zullen er slechte resultaten volgen.

8. Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat dagen en nachten voorbijgaan; hoe brengen wij onze tijd door?

9. Wij monniken moeten steeds weer overdenken of wij wel of niet behagen scheppen in eenzaamheid.

10. Wij monniken moeten steeds weer overdenken of wij al enige deugden hebben vervuld op zulke manier dat ze ons beschermt tegen stamelen, wanneer wij later door medemonniken ernaar gevraagd worden.


6.4. Tien overwegingen voor de goede vriend


1. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij als een goede vriend de manier en het gedrag moeten aannemen die verwacht worden van een goede vriend.

2. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat er nog veel meer manieren van lichaam en taal zijn die wij moeten verbeteren.

3. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen in hoeverre wij ons doel in het leven hebben bereikt om een goede vriend te zijn voor onszelf en voor anderen.

4. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat, hoe groot of klein de obstakels voor onze plicht ook zijn, wij geduldig en flexibel moeten zijn om die obstakels te overwinnen.

5. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij onszelf moeten bekritiseren, dat wij in staat moeten zijn om kritiek van onszelf aan te nemen, wat betreft de reinheid van de voorschriften.

6. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij van degenen die wijs zijn, kritiek moeten aannemen, dat wij in staat moeten zijn kritiek aan te nemen, wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

7. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij gescheiden zullen worden van allen die ons geliefd zijn en van alles dat ons dierbaar is.

8. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij erfgenaam zijn van onze wilsakties. Als wij goede wilsakties verrichten, zullen er goede resultaten volgen; als wij slechte wilsakties verrichten, zullen er slechte resultaten volgen.

9. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat dagen en nachten voorbijgaan; hoe brengen wij onze tijd door?

10. Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen of wij al enige deugden hebben vervuld op zulke manier dat ze ons beschermt tegen stamelen, wanneer wij later door goede vrienden uit ons gezelschap ernaar gevraagd worden.



6.5. Tankhanikapaccavekkhanapātha – Verzen ter overdenking bij het gebruik van de rekwisieten


handa mayam tankhanika paccavekkhanapātham bhanama se


Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking bij het gebruik van de rekwisieten


patisankhā yoniso cīvaram patisevāmi, yāvadeva sītassa patighātaya, unhassa patighātaya, damsamakasavātā-tapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva hirikopina paticchādanattham.

Wijs overwegende draag ik het gewaad alleen om mijzelf te beschermen tegen koude, hitte, horzels, muggen, wind en zon en tegen slangen; en ook draag ik het gewaad als een bestendige bedekking van de schaamte-veroorzakende seksuele organen.


patisankhā yoniso pindapātam patisevāmi, neva davāya na madāya na mandanāya na vibhusanāya, yāvadeva imassa kāyassa thitiyā yāpanāya vihimsuparatiyā brahmacariyānuggahāya, iti purānanca vedanam patihankhāmi navañca vedanam na uppādessāmi, yātrā ca me bhavissati anavajjatā ca phāsuvihāro cāti.


Wijs overwegende gebruik ik het voedsel niet voor het plezier ervan, noch voor de ijdelheid (die ontstaat uit de verkrijgbare lichamelijke kracht), noch om dikker te worden, noch om het lichaam mooier te maken, maar enkel om dit lichaam in stand te houden, om de honger te stillen, om het ongedeerd te houden, en om de uitoefening van het heilige leven mogelijk te maken. Ik gebruik het voedsel ook om de oude gevoelens van honger te vernietigen en om geen nieuwe gevoelens van te veel eten op te wekken. Aldus blijf ik vrij van lichamelijke moeilijkheden en kan ik op mijn gemak leven.


patisankhā yoniso senāsanam patisevāmi, yāvadeva sītassa patighātāya, unhassa patighātāya, damsamakasavātā-tapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva utuparissayavinodanam patisallānārāmattham.


Wijs overwegende maak ik gebruik van verblijfplaatsen alleen om mij te beschermen tegen koude en hitte, horzels en muggen, wind en zon, en tegen slangen, en eveneens als een bestendige bescherming tegen de guurheid van het klimaat, en ook om in afzondering te leven.


patisankhā yoniso gilānapaccayabhesajjaparikkhāram patisevāmi, yāvadeva uppannānam veyyābadhikānam vedanānam patighātāya, abyāpajjhaparamatāyā'ti.

Wijs overwegende maak ik gebruik van steun voor de zieken, namelijk medicijnen en gereedschappen, alleen als een hulp om lichamelijke pijnen die zijn ontstaan, te verminderen, en ook om de grootst mogelijke vrijheid van ziekten te behouden.




6.6. Pubbabhāganamakārapātha


(voor monniken)


Yamamha kho mayam bhagavantam saranam gatā arahantam sammāsambuddham, yam bhagavantam uddissa pabbajitā, yasmim bhagavati brahmacariyam carāma, tammayam bhagavantam sadhammam sasangham, yathāraham āropitehi sakkārehi abhipūjayitvā abhivādanam karimhā, handadāni mayantam bhagavantam vācāya abhigāyitum, pubbabhāganamakārañceva buddhānussatinayañca karoma se.



namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa

namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa




( voor leken)


tam kho pana bhagavantam evam kalyāno kittisaddo abbhuggato. itipo so bhagavā araham sammāsambuddho, vijjācaranasampanno sugato lokavidū, anuttaro purisadamma-sārathi satthā, devamanussānam buddho bhagavā ti.



6.7. - Inleidende huldebetuiging en een denken aan de Boeddha


(voor monniken)


Wij hebben het huiselijke leven verlaten en hebben onze toevlucht genomen tot de Verhevene. Wij hebben het huiselijke leven verlaten wegens de Verhevene die onze leraar is en in wiens Dhamma wij vreugde scheppen. Met deze gaven vereren wij ten hoogste die Verhevene samen met de ware Dhamma en de Orde van zijn discipelen. Waarlijk, laten wij allen een inleidende hulde betuigen aan de Boeddha en laten wij aan hem denken.


Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.


6.8. Atītapaccavekkhanapātha


(Handa mayam atītapaccavekkhanapātham bhanāma se)

(Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking ná het gebruik van de rekwisieten)


ajja mayā apaccavekkhitvā yam cīvaram paribhuttam, tam yāvadeva sītassa patighātāya,

unhassa patighātāya, damsamakasavātātapasirimsapasamphassānam patighātāya,

yāvadeva hirikopinapaticchādanattham.


ajja mayā apaccavekkhitvā yo pindapāto paribhutto, so neva davāya na madāya na mandanāya na vibhūsanāya, yāvadeva imassa kāyassa thitiyā yāpanāya vihimsuparatiyā brahmacariyānuggahāya, iti purānañca vedanam patihankhāmi navānca vedanam na uppādessāmi,

yātrā ca me bhacissati anvajjatā ca phāsuvihāro cāti.


ajja mayā apaccavekkhitvā yam senāsanam paribhuttam, tam yāvadeva sītassa patighātāya,

unhassa patighātāya, damsamakasavātātapasirimsapasamphassānam patighātāya,

yāvadeva utuparissayavinodanam patisallānārāmattham.

ajja mayā apaccavekkhitvā yo gilānapaccayabhesajja-parikkhāro paribhutto, so yāvadeva uppannānam veyyābādhikānam vedanānam patighātāya, abhyāpajjhaparamatāyā ti .


Welk gewaad vandaag ook door mij gedragen is zonder overdenking, het geschiedde alleen om mijzelf te beschermen tegen koude, hitte, horzels, muggen, wind en zon en tegen slangen; en ook als een bestendige bedekking van de schaamteveroorzakende sexuele organen.

Welk voedsel ook door mij gebruikt is zonder overdenking, het geschiedde niet voor het plezier ervan, noch voor de ijdelheid (die ontstaat uit de verkrijgbare lichamelijke kracht), noch om dikker te worden, noch om het lichaam mooier te maken, maar enkel om dit lichaam in stand te houden, om de honger te stillen, om het ongedeerd te houden, en om de uitoefening van het heilige leven mogelijk te maken. Het geschiedde ook om de oude gevoelens van honger te vernietigen en om geen nieuwe gevoelens van te veel eten op te wekken. Aldus zal ik vrij blijven van lichamelijke moeilijkheden en kan ik op mijn gemak leven.

Welke verblijfplaatsen vandaag ook door mij gebruikt zijn zonder overdenking, het geschiedde alleen om mij te beschermen tegen koude en hitte, horzels en muggen, wind en zon, en tegen slangen, en eveneens als een bestendige bescherming tegen de guurheid van het klimaat, en ook om in afzondering te leven.

Welke steun voor de zieken, namelijk medicijnen en gereedschappen, vandaag ook door mij gebruikt is zonder overdenking, het geschiedde alleen als een hulp om lichamelijke pijnen die waren ontstaan, te verminderen, en ook om de grootst mogelijke vrijheid van ziekten te behouden.



6.9. Dhātūpatikūlapaccavekkhanapātha - 

Verzen ter overdenking van de elementen en van walgelijkheid


handa mayam dhātupatikulapaccavekkhanapātham bhanāma se


Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking van de elementen en van walgelijkheid.


yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam, yadidam cīvaram, tadupabhuñjako ca puggalo dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbāni pana imāni cīvarāni ajigucchanīyāni imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyāni jāyanti.


Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel dit gewaad als de persoon die het gebruikt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit hele gewaad is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.


yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam pindapāto, tadupabhuñjako ca puggalo

dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbo panāyam

pindapāto ajigucchanīyo imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyo jāyati.


Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel voedselgaven als de persoon die ze nuttigt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit geheel van voedselgaven is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.


yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam senāsanam, tadupaphuñjako ca puggalo

dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbāni pana imāni

senāsanāni ajigucchanīyāni imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyāni jāyanti.


Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel dit verblijf als de persoon die er leeft. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze hele verblijfplaats is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt ze buitengewoon walgelijk.


yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam gilanapaccayabhesajjaparikkhāro, tadupabhuñjako

ca puggalo dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbo

panāyam gilānapaccayabhesajjaparikkhāro ajigucchanīyo

imam pūtikāyam patvā ativiya jigucchanīyo jāyati.


Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel deze steun voor de zieken, namelijk medicijnen en gereedschappen, als de persoon die ze gebruikt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze hele steun voor de zieken, medicijnen en gereedschappen, zijn nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, worden ze buitengewoon walgelijk.

naar boven