Facetten van het Boeddhisme


naar Index

2.4. Kamma-vipaka
wilsacties en de gevolgen ervan

Ten geleide     1. Kamma – vipaka : wilsactie en moreel resultaat     2. Het ontstaan van wilsacties en het opdrogen van wilsacties     2.1. Het slechte ruïneert zichzelf     3. Waarom is er een verschil onder de mensen     3.1. Kamma bepaalt de geboorte     3.2. De leerrede over de verschoppeling     4. Twee soorten resultaat     4.1. Zelf is men verantwoordelijk     4.2. Doen en niet-doen     5. Licht en duisternis     6. Donkere daden en heldere daden     6.1. De vrucht van kwaad is bitter     6.2. Het kwaad verteert de boosdoener     6.3. Geef boosheid op     6.4. Corrupte monniken lijden     7. De weg naar de hel     7.1. Boosdoeners lijden hier en hierna     7.2. De boosdoener klaagt hier en hierna     7.3. Kwelling van een arahant     8. De weg naar de hemel     8.1. De weg naar de hemel (II)     8.2. De weg naar de hemel (III)     8.3. Gelukkig is de weldoener hier en hierna     8.4. Verdiensten verwelkomen de deugdzame     9. Vijf systemen van wetten     10. Zes wortels van wilsacties     11. Heeft elke wilsactie eenzelfde moreel resultaat?     12. Onderscheid in wilsacties naar sterkte van resultaat     13. Vier soorten wilsacties     13.1. Begrip van de leer     13.2. Aan de vrucht kent men kwaad of goed     14. Waar is wilsactie opgeborgen?     15. Verkeerde meningen over wilsacties en de gevolgen ervan     15.1. Een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht     16. Onderverdeling naar tijd van resultaat     17. Onderverdeling naar functie     18. Te vermijden en uit te oefenen     18.1. Een slecht gerichte geest is de ergste vijand     18.2. Men is niet van zichzelf     18.3. Wees waakzaam     18.4. Kwelling van onschuldigen is als stof tegen de wind in     18.5. Geen kwade bedoeling     19.Geen fatalisme     20. Zegeningen van mettā, karunā, muditā en upekkhā     21. Wedergeboorte     22. Vijf gewenste dingen     23. Arahants en kamma     23.1. De blinde arahant     23.2. Zelfoverwinning     Geraadpleegde bronnen


Ten geleide

 

      Over de redenen waarom men in een bepaalde toestand, in een bepaalde sfeer van bestaan geraakt, bestaan meerdere meningen. In het volgende is de Boeddhistische leer daarover volgens de Theravāda-traditie uiteengelegd. Daarom zijn hier de Pāli termen gebruikt en niet de gangbare Sanskriet woorden.


      De wet van wilsacties en morele gevolgen, kamma-vipāka,1 is door de Boeddha ontdekt. Deze wet regelt het verschijnen van iemand in een bepaalde sfeer van bestaan. Ten gevolge van eigen daden is men in een bepaalde toestand gekomen.

 

       Volgens A. Bodde kan de mens alleen als mens herboren worden, reïncarneren, en niet als dier. Ook is volgens hem niets goddelijks in de mens. De mens is geschapen, is een deel van de schepping, maar niet een deel van de Schepper. Ook beweert A. Bodde dat er een collectief karma is (met collectief resultaat). Als voorbeeld noemt hij Nazi-Duitsland dat collectief het negatieve karma zou moeten verwerken door goede daden (o.a. gaven aan onderontwikkelde gebieden, gaven aan misdeelde kinderen e.d.). Hij gaat uit van een ziel die van het ene leven naar het andere leven “verhuist”. Die ziel kan ook zonder lichaam ergens bestaan (in een soort wachtruimte). De menswording zou volgens hem niet via evolutie zijn gegaan, maar door zielsverhuizing van een menselijke ziel in een aap. De aap kreeg zo een menselijke aard.2

      Zijn opvattingen zijn niet boeddhistisch. Het is een synthese van hindoe-opvattingen en christelijke theorieën.

      Wat de Boeddha onderwees over kamma (Skrt. karma), wordt in het volgende uiteengezet.

 

1. Kamma – vipaka : wilsactie en moreel resultaat


      Alvorens uit te weiden over de leer van de Boeddha over wilsacties en de gevolgen ervan, zal eerst een korte omschrijving worden gegeven van het begrip kamma en van kamma-resultaat. Kamma betekent: wilsactie hetzij in daad, woord of gedachte. Het is actie en niet het resultaat ervan. Het resultaat van een wilsactie heet vipāka. Vaak wordt gesproken over de leer van kamma of over de wet van kamma. Maar juister is: de leer van kamma-vipāka, of de wet van wilsactie en morele gevolgen.

      Deze wet van oorzaak en gevolg is neutraal. Het is degene die de wet toepast die deze wet ten goede of ten kwade gebruikt. Ook geld is neutraal. Toch zegt men vaak dat geld de wortel is van alle kwaad. Hierbij vergeet men dat geld ook voor goede doeleinden gebruikt kan worden. Het is de gebruiker van geld die het ten goede of ten kwade kan besteden. Het is de mens die aan iets een bepaalde inhoud geeft. Alles is leeg, dat wil zeggen: alles is zonder eigen inhoud, zonder bijbedoelingen, zonder bijbetekenis. Het is juist de mens die alles vult met zijn eigen mening en zodoende een neutraal iets goed of slecht noemt.

 

      Zoals vermeld is kamma wilsactie. Lieden die in hun slaap wandelen bijvoorbeeld, verrichten dan geen kamma. Daden tijdens de slaap hebben geen morele gevolgen. Zij kunnen natuurlijk wel fysieke gevolgen hebben. De wil moet absoluut bij de daad betrokken zijn. Dan pas spreekt men van kamma. Om vreemde woorden zoveel mogelijk te vermijden, zullen kammas, d.w.z. wilsactiviteiten in daad, woord of gedachten, worden aangeduid met de woorden 'wilsacties', 'gedrag' of 'gedragingen'. De gevolgen van wilsacties zullen worden omschreven met 'morele gevolgen'.

 

      Vele gevolgen ontspringen uit meerdere oorzaken. Er is niet één oorzaak en er is niet één gevolg. Zo kan een enkel zaad uitgroeien tot een grote boom. De boom draagt vruchten die zaad leveren. De zaden zijn weer de oorzaak van vele andere bomen die alle nieuwe zaden kunnen leveren. Maar het zaad alleen kan geen boom voortbrengen. Het heeft weer de hulp nodig van andere omstandigheden, zoals bodemgesteldheid, water, zon e.d. Ook mag het zaad niet vernietigd worden. Eén oorzaak van iets komt niet voor. Alles is aan meerdere voorwaarden gebonden. Zoals een doek uit vele draden is geweven, zo is alles verweven met elkaar.

      En zoals met het zaad, zo is het ook met wilsactie en de morele gevolgen. De daad is geconditioneerd, is aan voorwaarden gebonden. Zij is wel steeds een gevolg van willen maar het willen is weer afhankelijk van andere omstandigheden. Er komt pas een einde aan het willen wanneer het doel bereikt is.



2. Het ontstaan van wilsacties en het opdrogen van wilsacties


“Er zijn drie oorzaken voor het ontstaan van wilsacties (kamma), namelijk begeerte, haat en onwetendheid.

Wilsacties die uit begeerte, uit haat, of uit onwetendheid gedaan werden, door begeerte, haat of onwetendheid ontstaan, dergelijke wilsacties zijn onheilzaam, hebben lijden tot resultaat, voeren tot het ontstaan van nieuwe wilsacties en niet tot het opdrogen van wilsacties (kamma-nirodhâya).”

“Drie andere oorzaken voor het ontstaan van wilsacties zijn er, namelijk begeerteloosheid, haatloosheid, niet-onwetendheid.

Wilsacties die uit begeerteloosheid, uit haatloosheid, of uit niet-onwetendheid gedaan werden, die daaruit zijn ontsprongen, met die eigenschappen als oorzaak, dergelijke wilsacties zijn heilzaam, onberispelijk, hebben geluk als resultaat, voeren naar het opdrogen van wilsacties en niet naar het ontstaan van nieuwe wilsacties. (A.III.112)


Drie andere oorzaken zijn er voor het ontstaan van wilsacties, namelijk: op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken, ontstaat begeerte. En hoe ontstaat die begeerte? – Men overweegt in de geest vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken; men denkt erover na. Terwijl men zo overweegt, ontstaat in iemand de begeerte. Met begeerte is men aan die dingen geboeid; want de smet van de geest door hevig verlangen noem ik een boei. Zo ontstaat de begeerte op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken.” (A.III.113)


“Drie andere oorzaken van ontstaan van wilsacties zijn er, namelijk: op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken, ontstaat geen begeerte. En hoe ontstaat dan geen begeerte? – Men ziet het toekomstige resultaat in van vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken. Wanneer men dat resultaat kent, vermijdt men ze. Terwijl men ze vermijdt en de geest ervan afwendt, onderkent men ze en doordringt ze wijs. Zo ontstaat op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige dingen die verlangen opwekken, geen begeerte.” (A.III.113)



2.1. Het slechte ruïneert zichzelf

Een jonge monnik leed aan indigestie en stierf met een sterk gevoel van gehechtheid aan zijn nieuwe gewaad. Ten gevolge daarvan werd hij wedergeboren als een insect. De Boeddha sprak toen over de slechte gevolgen van begeerte.

“Net zoals roest in ijzer ontstaat en het ijzer wegvreet waaruit het ontstaan is, juist zo voeren de eigen daden de overtreder naar staten van ellende.” [Dhp. 240 (XVIII.3)]



3. Waarom is er een verschil onder de mensen?

 

      Bij meerdere gelegenheden werd aan de Boeddha gevraagd waarom er onder de mensen zo'n verschil bestaat. “De een heeft een hoge positie en de ander een lage, de een leeft lang en de ander kort; er zijn zieke en gezonde mensen, mooie en lelijke, rijke en arme. Wat is de reden daarvoor? En waarom worden sommigen na de dood in een lagere wereld wedergeboren, in een ongelukkige sfeer, in een hel? En waarom worden anderen na de dood wedergeboren in een gelukkige sfeer, in een hemel?”

 

      Het antwoord van de Verhevene luidde: “Wezens zijn eigenaren van hun kammas, erfgenamen van hun kammas; zij hebben kammas als hun verwekker, als familielid en als hun tehuis. Door kammas wordt onderscheid gemaakt in hoog en laag. Vanwege een niet deugdzame en onjuiste levenswandel verschijnt men in een lagere sfeer; vanwege een deugdzame en juiste levenswandel verschijnt men in een hogere sfeer.”3

 

      Omdat dit korte antwoord niet begrepen werd, gaf de Boeddha een verdere uitleg: “Iemand verricht slechte dingen in daden, woorden en gedachten. En hij doet geen goede dingen in daden, woorden en gedachten. Als gevolg daarvan wordt hij in een lagere sfeer wedergeboren.

      Iemand verricht goede dingen in daden, woorden en gedachten. En hij doet geen slechte dingen in daden, woorden en gedachten. Als gevolg daarvan wordt hij in een hogere sfeer wedergeboren.”4

 

      En elders zei de Boeddha: “Een man of vrouw doodt levende wezens, is moordzuchtig, wreed; hij of zij gebruikt graag geweld, is meedogenloos ten opzichte van alle levende wezens. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende, in een ongelukkige toestand, in de hel. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een staat van ellende geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een kort leven beschoren.

      Dit is de weg die voert naar een kort leven, namelijk het doden van levende wezens, moordzucht, wreedheid, geweld en meedogenloosheid ten opzichte van alle levende wezens.

 

      Maar alwie het doden van levende wezens heeft opgegeven, wie afziet van doden en wreedheid, wie zorgzaam is en barmhartig, wie vol mededogen let op het welzijn van alle levende wezens, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een hemelse wereld geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een lang leven beschoren.

      Dit is de weg die voert naar een lang leven, namelijk het afzien van doden, het opgeven van wreedheid, zorgzaam en barmhartig zijn, en vol mededogen letten op het welzijn van alle levende wezens.

 

      Een man of vrouw brengt anderen letsel toe, doet andere levende wezens pijn met de hand, met stokken of met messen. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon vaak ziek.

      Dit is de weg die voert naar ziekte, namelijk anderen letsel toebrengen en anderen pijn doen.

 

      Maar wie andere wezens geen letsel toebrengt, wie anderen geen pijn doet met de hand, met stokken of met messen, die persoon verschijnt ten gevolge van zulke wilsacties na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon gezond.

      Dit is de weg die voert naar gezondheid, namelijk ervan afzien anderen pijn te doen, ervan afzien andere levende wezens letsel toe te brengen.

 

      Een man of vrouw wordt vlug boos, wordt vlug kwaad. Zelfs als een kleinigheid is gezegd, is die persoon woedend, boos, kwaadgezind. Hij of zij toont een slecht humeur, haat en knorrigheid. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon lelijk.

      Dit is de weg die voert naar lelijkheid, namelijk boosheid, woede, een slecht humeur, haat en knorrigheid.

 

      Maar wie niet vlug boos is, wie niet vlug kwaad wordt, wie niet om een kleinigheid woedend, boos, kwaadgezind is, wie geen slecht humeur, haat of knorrigheid toont, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon mooi.

      Dit is de weg die voert naar schoonheid, namelijk niet boos worden, niet kwaad worden, geen slecht humeur hebben en geen haat of knorrigheid tonen.

 

      Een man of vrouw is jaloers; hij of zij benijdt de winst van anderen, de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen. En hij of zij misgunt anderen dat. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon onbeduidend, zonder invloed.

      Dit is de weg die voert naar onbeduidendheid, namelijk jaloersheid, nijd, afgunst.

 

      Maar wie niet jaloers is, wie de winst van anderen niet benijdt en ook niet de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen; en wie anderen dat niet misgunt, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon invloedrijk.

      Dit is de weg die voert naar invloed, namelijk niet jaloers zijn, geen afgunst hebben.

 

      Een man of vrouw geeft geen voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht aan monniken of goden. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon arm.

      Dit is de weg die voert naar armoede, namelijk het niet geven van voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht aan monniken of goden.

 

      Maar wie voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht geeft aan monniken en goden, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon rijk.

      Dit is de weg die voert naar rijkdom, namelijk het geven van voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht aan monniken en goden.

 

      Een man of vrouw is verstokt en hoogmoedig; men brengt geen eer aan wie eer betoond moet worden, men staat niet op voor wie men moet opstaan, men geeft geen zitplaats aan wie een zitplaats aangeboden moet worden, men gaat niet opzij voor wie men opzij moet gaan, men aanbidt niet degene die aanbeden moet worden, men toont geen respect en geen hoogachting jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van lage afkomst.

      Dit is de weg die voert naar lage afkomst, namelijk verstoktheid en hoogmoed.

 

      Maar wie niet verstokt en niet hoogmoedig is; wanneer men eer brengt aan wie eer betoond moet worden; wanneer men opstaat voor wie men moet opstaan; wanneer men een zitplaats geeft aan wie een zitplaats aangeboden moet worden; wanneer men opzij gaat voor wie men opzij moet gaan; wanneer men degene aanbidt die aanbeden moet worden; wanneer men respect en hoogachting toont jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van hoge afkomst.

      Dit is de weg die voert naar hoge afkomst, namelijk niet verstokt en niet hoogmoedig zijn.

 

      Een man of vrouw bezoekt een monnik of godheid en vraagt dan niet: “Wat is heilzaam en wat is onheilzaam? Wat moet gecultiveerd worden en wat niet? Welke daden hebben nadelige gevolgen? Of welke daden voeren naar geluk en welzijn?” Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon dom.

      Dit is de weg die voert naar domheid, namelijk het nalaten van vragen stellen.5

 

      Maar wie een monnik of godheid bezoekt en dan wel vraagt: ‘Wat is heilzaam en wat is onheilzaam? Wat moet gecultiveerd worden en wat niet? Welke daden hebben nadelige gevolgen? Of welke daden voeren naar geluk en welzijn?’ ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon wijs.

      Dit is de weg die voert naar wijsheid, namelijk het stellen van vragen aan monnik of godheid.

 

      De weg die naar een kort leven voert, maakt dus dat mensen kort leven. De weg die naar een lang leven voert, maakt dat mensen lang leven. De weg die naar ziekte voert, maakt dat mensen ziek zijn. De weg die naar gezondheid voert, maakt dat mensen gezond zijn. De weg die naar lelijkheid voert, maakt dat mensen lelijk zijn. De weg die naar schoonheid voert, maakt dat mensen mooi zijn. De weg die naar onbeduidendheid voert, maakt dat mensen onbeduidend zijn. De weg die naar invloed voert, maakt dat mensen invloedrijk zijn. De weg die naar armoede voert, maakt dat mensen arm zijn. De weg die naar rijkdom voert, maakt dat mensen rijk zijn. De weg die naar lage afkomst voert, maakt dat mensen van lage afkomst zijn. De weg die naar hoge afkomst voert, maakt dat mensen van hoge afkomst zijn. De weg die naar domheid voert, maakt dat mensen dom zijn. De weg die naar wijsheid voert, maakt dat mensen wijs zijn.

     

      Wezens zijn eigenaren van hun wilsacties, erfgenamen van hun wilsacties; zij hebben wilsacties als hun verwekker, als familielid en als hun tehuis. Door wilsacties wordt onderscheid gemaakt in hoog en laag.”6

 

      Zo luidde de uiteenzetting van de Boeddha over wilsacties (kammas) en de gevolgen ervan (kamma-vipāka).

 


    Bij een andere gelegenheid zei de Verhevene:

Een visser die op de vissen wacht met slechte bedoeling, kan niet tot rijkdom komen. Evenzo is het met een slachter van runderen, schapen, varkens, met een vogelvanger, of met een jager die zijn geschoten wild verkoopt. Ook zij kunnen daardoor niet tot rijkdom komen. En wel omdat hun bedoeling slecht is.

Met iemand die een mens met slechte bedoeling opwacht om hem te doden, is het nog erger. Dat strekt hem lang tot onheil en lijden.Na de dood komt hij in de lagere wereld, of een lijdensweg, in de afgronden van bestaan, in de hel.” (A.VI.18).



Wie slecht handelt t.o.v. zijn ouders, een Volmaakte en een discipel van een Volmaakte, die persoon schaadt zijn karakter. Hij wordt door wijzen berispt en hij verschaft zich grote schuld.

Wie juist handelt t.o.v. zijn ouders, een Volmaakte en een discipel van een Volmaakte, die persoon houdt zijn karakter onbeschadigd en onbeïnvloed. Hij wordt door de wijzen niet berispt en hij verschaft zich veel goeds. (A.IV.4)


3.1. Kamma bepaalt de geboorte

Dagelijks placht een monnik die een arahant was het huis te bezoeken van een edelsteenslijper wiens vrouw aalmoezen voor de monnik klaarmaakte. Op een dag was de steenslijper niet aanwezig en een vogel at in bijzijn van die monnik een robijn. De steenslijper vond de robijn niet. Hij vroeg aan de monnik of die de robijn had. Deze ontkende. De steenslijper verdacht de monnik echter en meedogenloos kwelde hij hem. Bloed kwam uit het lichaam van de monnik. De vogel kwam het bloed drinken. De steenslijper sloeg de vogel dood. De monnik vertelde toen wat er gebeurd was. De steenslijper opende de maag van de vogel, vond de edelsteen en smeekte om vergiffenis. Op verzoek van de monniken legde de Boeddha uit dat wilsacties de geboorte bepalen. De steenslijper werd na zijn dood wedergeboren in de hel. De arahant ging heen in Nibbana.

“Sommigen worden geboren in een moederschoot. Mensen die kwaad doen worden geboren in staten van ellende. Degenen met goed gedrag gaan naar gelukzalige staten. Degenen zonder smetten gaan heen in Nibbana.” [Dhp. 126 (IX.10)]


3.2. De leerrede over de verschoppeling (Vasala Sutta)


    Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthī in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. De Verhevene had zich ’s-morgens aangekleed, nam nap en (opper)gewaad en begaf zich naar Sāvatthī om er voedsel te vergaren. In het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja brandde toen het offervuur: een offergave werd gebracht. De Verhevene die te Sāvatthī van huis tot huis ging op zijn ronde voor voedsel, kwam zo ook bij het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja. Deze zag de Verhevene van verre naderbij komen en riep hem toe: “Jij daar, kale, blijf daar. Ellendige asceet, blijf daar. Jij ellendige verschoppeling, blijf staan!” Na deze woorden sprak de Verhevene tot de brahmaan Aggika-Bhāradvāja: “Brahmaan, ken jij dan de verschoppeling of de dingen die iemand tot een verschoppeling maken?” - “Heer Gotama, ik ken de verschoppeling niet, noch de dingen die iemand tot verschoppeling maken. Het zou goed zijn als de Heer Gotama mij deze zaak zó toonde dat ik de verschoppeling leer kennen of de dingen die iemand tot verschoppeling maken.” - “Brahmaan, dan luister, let goed op. Ik zal spreken.” - “Jawel, Heer,” gaf de brahmaan Aggika-Bhāradvāja ten antwoord.

      De Verhevene sprak aldus:

    “Iemand die toornig is, vol haat, boosaardig, een lasteraar, met slechte bedoelingen, huichelachtig, ken hem als verschoppeling.

    Iemand die hier levende wezens, hetzij dieren of vogels, letsel toebrengt, wie voor levende wezens geen medelijden heeft, ken hem als verschoppeling.
    Wie dorpen en steden belegert en verwoest, wie beruchtigd is als tiran, ken hem als verschoppeling.

    Wie, hetzij in het dorp of in het bos, door diefstal neemt wat niet gegeven is, ken hem als verschoppeling.

    Wie schulden maakt en na aanmaning dan loochent met de woorden: 'Ik ben je niets schuldig', ken hem als verschoppeling.

      Wie een kleinigheid begeert en dan iemand overvalt op de weg, hem doodt en de kleinigheid neemt, ken hem als verschoppeling.

    Wie voor eigen heil, voor dat van anderen of omwille van geld valse getuigenis aflegt, wanneer hij als getuige gevraagd is, ken hem als verschoppeling.
    Wie met vrouwen van verwanten of van vrienden echtbreuk pleegt, met geweld of met haar toestemming, ken hem als verschoppeling.

    Wie zijn ouders, wanneer zij oud en bejaard zijn, niet ondersteunt hoewel hij daartoe in staat is, ken hem als verschoppeling.

    Wie zijn moeder of vader, broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling.

    Wie het onheilzame aanbeveelt wanneer hem naar het heilzame gevraagd wordt, wie onduidelijke raad geeft, ken hem als verschoppeling.

    Wie een slechte daad begaat en dan wenst: 'Dat men het niet van mij te weten komt,' wie in het geheim kwaad doet, ken hem als verschoppeling.

    Wie bij een ander op bezoek gaat en er de maaltijd nuttigt, maar de gast niet eert door hem, wanneer hij een tegenbezoek brengt, een maal aan te bieden, ken hem als verschoppeling.

    Wie een priester of asceet, wanneer het tijd is voor het eten, met woorden krenkt en hem niets geeft, ken hem als verschoppeling.

    Wie vol verblinding vertelt wat niet gebeurd is, omdat hij naar gering voordeel verlangt, ken hem als verschoppeling.

    Wie zichzelf roemt en anderen geringschat, wie zich door een dergelijke hoogmoed zelf vernederd heeft, ken hem als verschoppeling.

    Wie twistziek is, gierig en vol slechte wensen, hebzuchtig en vol valsheid, zonder schaamte en onbescheiden, ken hem als verschoppeling.

    Wie smalend spreekt over de Boeddha of zijn discipel, hetzij monnik of leek, ken hem als verschoppeling.

    Maar wie zich als heilige uitgeeft zonder heilige te zijn, wie aldus een dief is in de wereld inclusief Brahmā, ken hem als de laagste verschoppeling.
    Zij zijn het die 'verschoppeling' heten; Ik heb ze u nu verkondigd.

    Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.

 

    Ook hieruit is het te begrijpen; Ik geef u een voorbeeld. Sopaka was de zoon van een verschoppeling, een Candāla, die als Mātanga algemeen bekend was. Deze Mātanga had de hoogste roem bereikt welke zeer moeilijk te verkrijgen is. Veel edelen en ook brahmanen kwamen bij hem hun opwachting maken. Hij had de weg van de goden beklommen, het smetteloze hoge pad. Na begeerte en zingenot te hebben opgegeven, is hij naar de Brahma-wereld gegaan. Zijn afkomst hield hem niet ervan af in de Brahma-wereld herboren te worden.


    Er zijn brahmanen, geboren in een familie van geleerden, die met de Vedas goed vertrouwd zijn. Ook hen kan men vaak met slecht gedrag zien. In dit leven reeds worden zij berispt, en in het volgende gaan zij naar de lagere wereld. Hun afkomst hield hen niet af van die lagere weg of van berisping.

    Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.” (Sn.I.7 = vv 116-142)



4. Twee soorten resultaat


Voor iemand met verborgen handelingswijze is een van beide resultaten te verwachten: hel of dierenwereld. Voor iemand met open handelingswijze is een van beide resultaten te verwachten: godenwereld of mensenwereld. Voor iemand met verkeerde opvatting is een van beide resultaten te verwachten: hel of dierrijk.

Voor iemand met juist inzicht is een van beide resultaten te verwachten: godenwereld of mensenwereld. In de hel of in het dierenrijk komt de zedenloze. In de godenwereld of in de wereld van de mensen komt degene met reine zeden. (A.II.27-30)


Er zijn vier slechte wegen, namelijk de weg van begeerte, van haat, van angst en van onwetendheid. Wie uit begeerte, haat, angst en illusie van het juiste pad afwijkt, diens aanzien wordt kleiner.

Er zijn vier goede wegen, namelijk de weg van onbaatzuchtigheid, van haatloosheid, van niet verblind zijn en van vreesloosheid. Wie vrij van begeerte, vrij van haat, vrij van angst en vrij van waan niet van het juiste pad afwijkt, diens aanzien neemt toe. (A.IV.17-19)


Er zijn vier soorten van personen: Degene (arm of rijk) die zich slecht gedraagt, wordt in een lagere sfeer van bestaan wedergeboren. Degene (arm of rijk), die zich goed gedraagt, wordt in een hogere sfeer wedergeboren, in de hemel. (S.3.21)


4.1. Zelf is men verantwoordelijk

Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en hij gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek en vluchtte weg. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelfverantwoordelijkheid.

“Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamand een harde edelsteen slijpt.” [Dhp. 161 (XII.5)]


Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens. (S.3.20; zie ook S.3.22)



4.2. Doen en niet-doen


Eens vroeg een brahmaan aan de Verhevene welke leer hij verkondigde. Het antwoord luidde: “Ik leer het doen en het niet-doen.

Het niet doen onderwijs ik, want ik onderwijs het niet doen van slechte daden in handelingen, woorden en gedachten, en ook het niet doen van de veelvuldige kwade, onheilzame dingen.

Het doen onderwijs ik, want ik onderwijs het doen van edele daden in handelingen, woorden en gedachten, en eveneens het doen van de veelvuldige heilzame dingen.” (A.II.35).



5. Licht en duisternis


Vier soorten mensen zijn er in de wereld, namelijk iemand die van duisternis naar duisternis zich haast; iemand die van duisternis naar licht zich haast; iemand die van licht naar duisternis zich haast; iemand die van licht naar licht zich haast.

Wie haast zich van duisternis naar duisternis? – Iemand wordt in een lage kaste wedergeboren, onder de verschoppelingen of in de lagere kasten van bijvoorbeeld mandenvlechters en schoonmakers. Hij wordt wedergeboren in een familie die arm is, die gebrek heeft aan eten en drinken, die met moeite zich in leven kan houden. Daarbij is hij lelijk en onaanzienlijk, of hij is kreupel, ziek, blind, of lam. Hij heeft geen deel aan goed eten en drinken, aan voertuig, bloemen, parfums, slaapplaats, woning en verlichting. En hij voert een slechte levenswandel in daden, woorden en gedachten. Vanwege dat slechte gedrag komt hij na de dood in een lagere wereld, in de afgronden van bestaan, in de hel.

Wie haast zich van duisternis naar licht? – Iemand wordt in een lage kaste wedergeboren, onder de verschoppelingen of in de lagere kasten van bijvoorbeeld mandenvlechters en schoonmakers. Hij wordt wedergeboren in een familie die arm is, die gebrek heeft aan eten en drinken, die met moeite zich in leven kan houden. Daarbij is hij lelijk en onaanzienlijk, of hij is kreupel, ziek, blind, of lam. Hij heeft geen deel aan goed eten en drinken, aan voertuig, bloemen, parfums, slaapplaats, woning en verlichting. Maar hij voert een goede levenswandel in daden, woorden en gedachten. Vanwege dat goede gedrag komt hij na de dood in een goede sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.

Wie haast zich van licht naar duisternis? – Iemand wordt in een voorname familie wedergeboren, in een machtige familie van adel of in een machtige brahmanenfamilie. Of hij wordt wedergeboren in een machtige burgerfamilie, een rijke, met veel goederen, heel vermogend. Hij ziet er goed uit, met een imponerende figuur, begiftigd met schoonheid. Hij heeft eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, parfums, bed en verlichting. Maar hij voert een slechte levenswandel in daden, woorden en gedachten. Vanwege dat slechte gedrag komt hij na de dood in de lagere sferen van bestaan, in de hel.

Wie haast zich van licht naar licht? – Iemand wordt in een voorname familie wedergeboren, in een machtige familie van adel of in een machtige brahmanenfamilie. Of hij wordt wedergeboren in een machtige burgerfamilie, een rijke, met veel goederen, heel vermogend. Hij ziet er goed uit, met een imponerende figuur, begiftigd met schoonheid. Hij heeft eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, parfums, bed en verlichting. Vanwege dat goed gedrag komt hij na de dood in een goede sfeer van bestaan, in een hemelse wereld. (A.IV.85)


Kortom: als men een slechte levenswandel voert in daden, woorden en gedachten, vanwege dat slechte gedrag komt men na de dood in een lagere wereld, in de afgronden van bestaan, in de hel.

Als men een goede levenswandel voert in daden, woorden en gedachten, vanwege dat goede gedrag komt men na de dood in een goede sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.


Een andere leerrede over gedrag met donker resultaat en met licht resultaat is de volgende.


6. Donkere daden en heldere daden


Te Haliddavasana in het land Koliya. Twee naakte asceten, Punna en Seniya, gedroegen zich als dieren. De een deed een os na; de ander een hond. Gevraagd werd aan de Boeddha waar zij wedergeboren zouden worden. De Verhevene gaf de volgende antwoorden.

Iemand die als een hond leeft, wordt na de dood wedergeboren in het gezelschap van honden. En als hij van mening was dat hij door deze ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in het gezelschap van honden wedergeboren worden of in de hel.

Iemand die als een os leeft, verschijnt na de dood in het gezelschap van ossen. En als hij van mening was dat hij door die ascese in een hemelse wereld wedergeboren zou worden, dan is dat een verkeerde mening. Hij kan dan na de dood in de dierenwereld wedergeboren worden of in de hel.

Seniya en Punna, de naakte asceten, sprongen op en begonnen te huilen omdat zij die hondenoefening en ossenoefening lang in praktijk hadden gebracht. Zij vroegen aan de Boeddha hen in de Dhamma te onderwijzen zodat zij hun honden- en ossenoefening konden opgeven.

De Boeddha sprak toen met hen over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan.

1) donkere daad met donker resultaat;

2) heldere daad met helder resultaat;

3) donkere/heldere daad met donker/helder resultaat;

4) noch donkere noch heldere daad met noch donker noch zwart resultaat. Die daad voert naar vernietiging van handelen.


(1) Wat is donkere daad met donker resultaat? – Men verricht een leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna wordt men wedergeboren in een leed brengende wereld.7 Daar komt men in contact met leed brengende dingen. Men heeft leed brengende gevoelens, uiterst pijnlijk, zoals in het geval van wezens in de hel. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere daad met donker resultaat.

(2) Wat is heldere daad met helder resultaat? - Men verricht een niet leed brengende daad met lichaam, taal of geest. Daarna verschijnt men na de dood in een niet leed brengende wereld. Daar komt men in contact met niet leed brengende dingen. Daardoor heeft men niet leed brengende gevoelens, uiterst aangenaam, zoals in het geval van de goden met stralende heerlijkheid. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men heldere daad met helder resultaat.

(3) Wat is donkere en heldere daad met donker en helder resultaat? - Men verricht een daad met lichaam, taal of geest welke daad zowel leed als niet leed brengt.8 Daarna verschijnt men na de dood in wereld die zowel leed als niet leed brengt. Daar komt men in contact met dingen die zowel leed als niet leed brengen. Daardoor heeft men gevoelens die zowel leed als niet leed brengen, geluk en pijn gemengd, zoals in het geval van de mensen en enige wezens in de lagere werelden. Zo gebeurt de wedergeboorte van iemand op grond van de daden die men verricht heeft. De wezens zijn de erfgenamen van hun daden. Dit noemt men donkere en heldere daad met donker en helder resultaat.

(4) En wat is een daad die noch donker noch helder is, met noch donker noch helder resultaat, welke daad naar de vernietiging van handelen voert? 9 - De wil om de daden sub 1, 2 en 3 te overwinnen, dat is een daad die niet donker noch helder is, die geen donker en geen helder resultaat heeft; dat is een handeling die voert naar de vernietiging van handelen.

Dit zijn de vier soorten van handelen.

Punna en Seniya zeiden : „Geweldig heer, de Dhamma is op veelvuldige manier duidelijk uitgelegd.“ Zij namen hun toevlucht tot de Verhevene en zijn leer en de Sangha. Punna werd een lekenvolgeling van de Boeddha. En Seniya werd in de Orde ingewijd. Na niet lange tijd werd hij een volmaakte heilige. [Kukkuravatika sutta, M.57. (M.VI.7)]


6.1. De vrucht van kwaad is bitter


Suppabuddha, een melaatse vernam de leer en werd een in de stroom getredene (Sotapanna). Sakka de koning van de goden wilde het vertrouwen van de melaatse in de Boeddha, Dhamma en Sangha testen. Hij bood enorme rijkdom aan als de melaatse de Boeddha, Dhamma en Sangha ontkende. Maar Suppabuddha zei dat hij niet arm was; hij bezat immers de zeven attributen van een edele: vertrouwen, deugdzaamheid, schaamte om kwaad te doen, vrees om verkeerd te doen, leergierigheid, edelmoedigheid en wijsheid.

Toen Suppabuddha terugkeerde werd hij door een koe aangevallen en gedood. De Boeddha legde uit dat Suppabuddha in zijn vroegere leven op een Paccekabuddha had gespuwd en daarom melaats was geworden. En hij had in een vroeger leven een courtizane gedood en daarom was hij nu gedood.

“Dwazen met weinig verstand lopen heen en weer met het zelf als hun eigen vijand. Zij doen slechte daden waarvan het resultaat bitter is.” [Dhp. 66 (V.7)]


6.2. Het kwaad verteert de boosdoener

De volmaakte heilige Moggallana zag een peta in de gedaante van een grote slang, helemaal in brand. De Boeddha vertelde dat dit was vanwege de kwade daden van die peta. In de tijd van de Boeddha Kassapa was die peta een dief en wreed mens die herhaaldelijk het huis van een rijke man in brand stak. Ook stak hij het klooster in brand dat die rijke man aan de Sangha geschonken had.

“Als een dwaas verkeerde daden verricht, beseft hij niet de kwade aard ervan. Door zijn eigen daden wordt de domme man gekweld, zoals iemand die verbrand wordt.” [Dhp. 136 (X.6)]


6.3. Geef boosheid op

De zuster van de Eerwaarde Anuruddha leed aan een huidziekte. Op advies van haar Eerwaarde broer liet zij een zaal bouwen waar de mensen bijeen konden komen en verdienstelijke daden konden verrichten. Kort erna werd zij weer beter. De Boeddha legde uit dat haar huidziekte te wijten was aan jaloersheid en boosheid. Eens was zij de hoofdkoningin van Banaras. Zij was toen erg jaloers op de favoriete danseres van de koning. Zij liet jeukpoeder in het bed en tussen de lakens van de danseres strooien en ook over de danseres. Zo vernederde zij haar. En de Boeddha sprak het vers:

“Men moet boosheid opgeven. Men moet hoogmoed opgeven. Men moet alle boeien overwinnen. Hecht niet aan geest en lichaam en wees aldus vrij van leed.” [Dhp. 221 (XVII.1)]


6.4. Corrupte monniken lijden

De Eerwaarde Moggallana zag vijf petas die leken op een skelet, geheel in brand. De Boeddha legde uit dat die petas in een vroeger leven monniken waren geweest met een slechte levenswijze.

“Velen met een geel gewaad hebben een slecht karakter en zijn onbeheerst in gedachten, woorden en daden. Kwaaddoeners worden ten gevolge van hun slechte daden wedergeboren in een staat van ellende.” [Dhp. 307 (XXII.2)]


7. De weg naar de hel


Degene die onheilzame, verwijtbare, onjuiste, en onreine handelingen verricht in daden, in woorden en in gedachten, gaat naar de hel.

Op die manier ondergraaft en benadeelt men zijn karakter. Men is te berispen, wordt door wijzen afgekeurd, en men verschaft zich grote schuld.(A.III.147-154)


Wie drie eigenschappen heeft, gaat naar de hel.

Wie zelf doodt, anderen daartoe aanspoort en het toestaat; wie zelf steelt, seksueel verkeerd handelt, roddelt, ruwe taal gebruikt, veel kletst, hebzuchtig is, een verkeerde opvatting heeft, wie anderen daartoe

aanspoort en het toestaat: wie deze eigenschappen heeft, die gaat naar de hel. (A.III.164-183; A.IV.81-82)


Drie soorten mensen komen in de lagere werelden en de hel, indien zij het volgende niet opgeven.

* Degene die onkuis leeft maar zich als kuis levende uitgeeft.

* Degene die een discipel die rein en kuis het zuivere reinheidsleven voert, ten onrechte van onkuisheid beschuldigt.

* Degene die de zinnelijke genietingen vervalt, in het geloof en de mening dat niets kwaads te vinden is in de zinnelijkheid.

Als zij deze drie dingen niet ontzeggen, gaan zij naar de lagere werelden en naar de hel. (A.III.114)


Vanwege deugdloze en onjuiste levenswandel (vanwege deugdloos en onjuist gedrag) verschijnen enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel. (A.II.16)


Als men vier eigenschappen heeft, gaat men de weg naar de hel.

Zonder begrepen en onderzocht te hebben prijst men degene die berispt moet worden.

Zonder begrepen en onderzocht te hebben berispt men degene die te prijzen is.

Zonder begrepen en onderzocht te hebben keurt men goed wat afgekeurd moet worden.

Zonder begrepen en onderzocht te hebben, keurt men af wat goed te keuren is.(A.IV.83)

Vanwege het gedane en vanwege het niet gedane verschijnen enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel.

Iemand verricht slechte handelingen in daden, woorden en gedachten; en hij laat goede handelingen in daden, woorden en gedachten achterwege. Inzoverre verschijnen vanwege het gedane en niet gedane enige wezens na de dood in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in een hel. (A.II.17)


Als iemand twee dingen heeft, dan wordt hij wedergeboren in de hel. Die twee dingen zijn: slecht gedrag en een verkeerd inzicht. (It. 32)

De volgende twee personen zullen naar een staat van ellende gaan, naar de hel als zij hun gedrag niet opgeven. Het is de persoon die voorgeeft een heilig leven te leiden en het is de persoon die iemand anders die het heilige leven in vollledige zuiverheid voert, er vals van beschuldigd dat leven niet te leiden. Degene die iemand vals beschuldigt, gaat naar de hel. En ook degene die de daad die hij deed ontkent. (It. 48)


Er zijn drie soorten wangdrag, namelijk: verkeerd gedrag in daad, woorden en gedachten. Als men slecht gedrag heeft uitgevoerd in daden, woorden en gedachten, en als men geen goede daad heeft gedaan, dan wordt men wedergeboren in de hel. (It. 64)


Drie dingen voeren naar eigen lijden, naar het lijden van anderen en naar het lijden van beiden. Die drie dingen zijn: slecht gedrag in daden, in woorden en in gedachten.

Drie dingen voeren niet naar eigen lijden, noch naar het lijden van anderen en ook niet naar het lijden van beiden. Die drie dingen zijn: goed gedrag in daden, in woorden en in gedachten. (A.III.17)


7.1. Boosdoeners lijden hier en hierna


Een slachter voorzag in zijn levensonderhoud door op wrede manier varkens te slachten. Op het einde van zijn leven leed hij erg veel. Voor zijn dood kroop hij over de grond en uitte geluiden als een varken. Hij leed geestelijk en lichamelijk veel pijn. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een staat van ellende.

“Degene die kwaad doet, treurt hier en later. Hij treurt omdat hij de onzuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.” [Dhp. 15 (1.10)]


7.2. De boosdoener klaagt hier en hierna


De eerwaarde Devadatta probeerde de Boeddha te vermoorden. Later werd Devadatta negen maanden lang ziek. Hij kreeg spijt van zijn boze daden en vroeg zijn discipelen hem naar de Boeddha te brengen. Op weg naar de Boeddha stierf hij onder tragische omstandigheden. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een zeer pijnlijke staat van elende.

“Hier en later lijdt degene die kwaad doet. Hij denk: 'Ik heb kwaad gedaan,' en daarom lijdt hij. Verder lijdt hij omdat hij naar een staat van ellende is gegaan.” [Dhp. 17 (1.12)]


7.3. Kwelling van een arahant

Te wijten aan een slechte daad tegenover zijn ouders in het verre verleden werd de Arahant Moggallana bijna doodgeslagen door bandieten. Hij kon door zijn bovennatuurlijke krachten enigszins herstellen en naar het klooster gaan om eer te bewijzen aan de Boeddha. Daarna ging hij heen in Nibbana. Later werden die bandieten door de koning gevangen genomen en levend verbrand.

“Diegene die met de stok degene kwaad doet die zonder stok en onschuldig is [d.w.z. de arahant], zal spoedig tot een van deze staten komen: Hij zal onderhevig zijn aan hevige pijn, ziekte, lichamelijk letsel, of zelfs ernstige ziekten; of hij zal krankzinnig worden, of onderdrukt worden door de koning, of van iets erg beschuldigd worden, of hij zal zijn familieleden verliezen, of zijn vermogen zal vernietigd worden, of vuur zal zijn huis verbranden. Na de dood zal die onwijze man wedergeboren worden in de hel.” [Dhp. 137-140 (X.9-120]


8. De weg naar de hemel


Degene die heilzame, niet verwijtbare, juiste en zuivere handelingen verricht in daden, in woorden en in gedachten, die verschijnt in een hemelse wereld. Op die manier houdt men zijn karakter onbeschadigd en onbenadeeld, blijft men zonder blaam, wordt men door wijzen niet berispt, en men verschaft zich veel goeds. (A.III.147-154)


Wie de volgende eigenschappen heeft, gaat naar een hemelse wereld. Wie zelf afziet van doden, anderen tot zo’n terughouding aanspoort en het ervan afzien toestaat; wie zelf afziet van stelen, echtbreken, liegen, roddelen, ruwe taal, geklets, hebzucht, hatelijkheid en verkeerde opvatting, wie anderen tot zo’n terughouding aanspoort en het afzzien ervan toestaat: wie deze eigenschappen heeft, die verschijnt in een hemelse wereld. (A.III.164-183; A.IV.81-82)


Vanwege deugdzame en juiste levenswandel verschijnen enige wezens na de dood op een gelukkig spoor, in een hemelse wereld. (A.II.16)


Als men vier eigenschappen heeft, gaat men de weg naar de hemel.

Wanneer men begrepen en onderzocht heeft, berispt men degene die berispt moet worden.

Na begrepen en onderzocht te hebben prijst men degene die te prijzen is.

Na begrepen en onderzocht te hebben keurt men af wat afgekeurd moet worden.

Na begrepen en onderzocht te hebben, keurt men goed wat goed te keuren is.(A.IV.83)


Vanwege het gedane en vanwege het niet gedane verschijnen enige wezens na de dood op een gelukkig pad, in een hemelse wereld.

Iemand verricht een goede handeling in daden, woorden en gedachten, en hij laat slechte handeling in daden, woorden en gedachten achterwege. Inzoverre verschijnen vanwege het gedane en het niet gedane enige wezens na de dood op een gelukkig pad, in een hemelse sfeer. (A.II.17)


Iemand met twee dingen wordt wedergeboren in de hemel. Die twee dingen zijn: goed gedrag en een juist inzicht. (It. 33)


Er zijn drie soorten goed gedrag, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten. Als men slecht gedrag in daden, woorden en gedachten heeft opgegeven, en als men geen slechte daad heeft gedaan, dan zal men na de dood wedergeboren worden in de hemel. (It. 65)


Te Savatthi. Een brahmaan die voor zijn moeder zorgde, ging naar de Boeddha en vroeg of hij zijn plicht deed nu hij voor moeder en vader zorgde.

De Boeddha: "Zeer zeker doe je je plicht, brahmaan. Wie voor vader en moeder zorgt die krijgt veel verdienste. Hij wordt door de wijzen hier geprezen en na de dood gaat hij naar de hemel." (S.7.19)

Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat Sakka vroeger, toen hij een mens was, zeven geloften had aangenomen en vervuld. Daarom werd hij als Sakka, koning der goden, wedergeboren.

Die zeven geloften zijn:

  1. Zolang ik leef zal ik vader en moeder steunen.

  2. Zolang ik leef zal ik de oudsten in de familie hoogachten en vereren. (d.w.z. grootouders, ooms, tantes; eventueel ook nog oudste broer).

  3. Zolang ik leef zal ik vriendelijke, zachtmoedige taal gebruiken.

  4. Zolang ik leef zal ik niet lasteren.

  5. Zolang ik leef zal ik thuis wonen met een geest die vrij is van onreinheden en gierigheid; vrijgevig zal ik zijn, mij over geven verheugend, toegankelijk voor de vragenden, mij verheugend over het verdelen van aalmoezen.

  6. Zolang ik leef zal ik de waarheid spreken.

  7. Zolang ik leef zal ik niet toornig zijn. Als toorn in mij ontstaat zal ik die direct onderdrukken.


  Een goed mens noemen de Tavatimsa goden degene die vader en moeder ondersteunt, die de oudsten in de familie hoog vereert, die zachtmoedig is en vriendelijk spreekt, die lasterpraat vermijdt, die zich inspant om de gierigheid te onderdrukken, en die de toorn overwint. (S.11.11)


8.1. De weg naar de hemel (II)

 

      Eens bezocht de Eerwaarde Maha Moggallāna10 de wereld van de goden (devas). En hij zag dat veel goden er in luxueuze herenhuizen leefden. Hij vroeg hun welke goede daden zij verricht hadden dat zij in de godenwereld herboren waren. Zij gaven hem verschillende antwoorden. Een van hen zei dat hij in de godenwereld herboren was omdat hij steeds de waarheid had gesproken. Een vrouwelijke godheid zei dat zij daar was herboren omdat zij als hulp in de huishouding niet boos was geworden op haar baas. Zij had ook geen kwaadwil jegens hem gekoesterd hoewel hij haar vaak had geslagen en had uitgescholden. Vanwege het feit dat zij zich had beheerst en zonder haat alles had verdragen, was zij in de godenwereld wedergeboren. Weer anderen waren in de godenwereld herboren omdat zij iets dat binnen hun mogelijkheden lag, gegeven hadden voor het welzijn van anderen.

            Bij zijn terugkeer uit de godenwereld vroeg de Eerwaarde Maha Moggallāna aan de Boeddha of het mogelijk was door zulke nietige dingen, zoals het spreken van de waarheid of het geven van kleine bedragen of geringe gaven, zulke grote voordelen te verkrijgen. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Heb je niet zelf met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord wat de goden zeiden? Er mag bij jou geen enkele twijfel over bestaan. Zelfs kleine daden van verdienste voeren iemand beslist naar de wereld van de goden.”

      En verder sprak hij: “Men moet de waarheid spreken. Men moet niet boos worden. Men moet geven zelfs van een karige voorraad aan degene die vraagt. Over deze drie paden kan iemand in de godenwereld komen.” [Dhp.224 (XVII.4)

 

8.2. De weg naar de hemel (III)


Mattha Kundali, de zoon van een gierige miljonair was erg ziek. Zijn vader wilde geen arts laten komen omdat hij dan geld moest uitgeven. De Boeddha zag met zijn goddelijk oog dat de jongen op sterven lag en hij verscheen voor hem. Toen de jongen de Boeddha zag, was hij vol vreugde. Hij stierf met een zuiver hart, vol vertrouwen in de Boeddha. Daarom werd hij wedergeboren in een hemelse sfeer van bestaan.

Vanuit zijn hemelse verblijf zag hij zijn oude vader verdrietig bij zijn graf staan. Hij verscheen voor zijn vader en gaf hem de raad naar de Boeddha te gaan, aalmoezen te geven en naar de preek van de Boeddha te luisteren. De vader deed wat hem was aangeraden. Na de preek vroegen de monniken of iemand wedergeboren kon worden in een hemelse sfeer enkel en alleen door diep vertrouwen te hebben in de Boeddha, zonder de regels van deugdzaamheid te hebben nagevolgd en zonder edelmoedigheid beoefend te hebben. Op verzoek van de Boeddha verscheen Mattha Kundali in zijn hemelse glorie voor de monniken en vertelde dat hij in de Tavatimsa hemel was wedergeboren. Toen waren de monniken overtuigd ervan dat men zo'n glorie kan verkrijgen enkel door vertrouwen in de Boeddha.

Op het einde van de preek besefte de oude man de Dhamma en gaf veel van zijn vermogen ten behoeve van de Dhamma.

“Als de geest goed is, volgen goede sferen van bestaan.” [Dhp.2 (1.2)]


8.3. Gelukkig is de weldoener hier en hierna


Een vrome jongeman leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken de doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken te Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen. Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.

“Hier en later verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.” [Dhp.16 (1.11)]


8.4. Verdiensten verwelkomen de deugdzame

Nandiya, een devote en rijke persoon hoorde de preken van de Boeddha over het voordeel van het bouwen van kloosters voor de bhikkhus. Daarom liet hij te Isipatana het Mahavihara klooster bouwen. Toen het klooster klaar was, bood hij het aan de Boeddha aan. Terstond rees een herenhuis voor Nandia op in de Tavatimsa hemel. Nog voor zijn dood was een plaats in de hemelse wereld voor hem gereed om hem te ontvangen. De Boeddha sprak toen de versen:

“Iemand die lang afwezig was en veilig van verre terugkeert, wordt door zijn verwanten, vrienden en goede kennissen verwelkomd.

Evenzo zullen de goede daden van iemand die goed doet hem ontvangen die van deze wereld naar de volgende is gegaan, zoals verwanten die een dierbare ontvangen bij zijn terugkeer.” [Dhp.219-220 (XV.9)]



9. Vijf systemen van wetten


      Er zijn vijf systemen van wetten die alle verschijnselen en dingen in deze kringloop van bestaan regelen. Het zijn:

1. Het systeem van wetten die temperatuur, seizoenen en andere fysieke gebeurtenissen regelen (bijvoorbeeld natuur- en scheikundewetten, kosmische wetten).

2. Het systeem van wetten die het leven van zaden en planten regelen (bijvoorbeeld biologische wetten).

3. Het systeem van wetten die wilsacties en de gevolgen ervan regelen.

4. Het systeem van wetten die de geest regelen (bijvoorbeeld de wetmatige volgorde van de bewustzijnsfuncties in het proces van kenvermogen; dit systeem van wetten wordt o.a. bestudeerd door psychologen).

5. Het systeem van wetten die bepaalde gebeurtenissen regelen die in verband staan met de leer (zoals bijvoorbeeld de typische gebeurtenissen die plaats hebben in de levens van de Boeddhas).

 

      Voor de mens is vooral erg belangrijk het systeem van wetten die de gevolgen van wilsacties regelen. Elke actie heeft zijn normale fysieke gevolgen. Maar als er geen wilskracht achter zit, heeft zo'n daad geen morele gevolgen in termen van geluk of leed. De wil bepaalt ons leven hier en nu én in de toekomst. De mens is de schepper van zijn eigen wereld, van de wereld waarin hij leeft. Niemand anders is er die ons leven bepaalt tenzij ons eigen willen.

 

        “Waardoor wordt de wereld geleid?

        Waardoor wordt ze meegetrokken?

        Onder welke macht alleen

        zal iedereen komen te staan?

 

        Door de geest11 wordt de wereld geleid.

        Door de geest wordt ze meegetrokken.

        En enkel in de macht van de geest

        zal iedereen komen te staan.”12 (S.I.7.2)

 

En in het Dhammapada wordt gezegd:

 

   “De geest is de voorloper van alle kwade staten,

   de geest is het belangrijkste;

   door de geest worden ze geschapen.

   Als iemand spreekt of handelt met verdorven geest

   zal ten gevolge daarvan hem of haar lijden volgen,

   net zoals het wiel de hoef volgt van de os.”13(Dhp.1)

 

   “De geest is de voorloper van alle goede staten,

   de geest is het belangrijkste;

   door de geest worden ze geschapen.14

   Als iemand spreekt of handelt met zuivere geest

   zal ten gevolge daarvan hem of haar geluk volgen,

   net zoals de schaduw iemand niet verlaat.”15 (Dhp.2)

 

10. Zes wortels van wilsacties

 

      Er zijn zes wortels van wilsacties: drie onheilzame en drie heilzame. De drie onheilzame acties zijn: begeerte, afkeer en illusie. De drie heilzame acties zijn: onzelfzuchtigheid, welwillendheid en juist inzicht.16(Zie A.III.70 en A.IV.39)

      De wilsactie die ontstaat ten gevolge van begeerte, afkeer en illusie zal vruchten dragen ofwel in dit leven, ofwel in een van de volgende levens. De wilsactie die ontstaat ten gevolge van onzelfzuchtigheid, welwillendheid en juist inzicht is – in zoverre begeerte, afkeer en illusie verdwenen zijn – overwonnen, ontworteld, heeft geen nieuw ontstaan meer.17 (A.III.34)


11. Heeft elke wilsactie eenzelfde moreel resultaat?

     

      Heeft nu elke wilsactie voor ieder eenzelfde moreel gevolg? De Boeddha zei hierover: “Als iemand zou zeggen dat een persoon een daad verricht en dienovereenkomstig zal boeten ervoor, als dat zo was, dan zou het nutteloos zijn om een leven in heiligheid te leiden. Er zou dan geen gelegenheid zijn om een einde aan lijden te maken. Maar als iemand zou zeggen dat een persoon een daad verricht en dienovereenkomstig verdient ervoor te lijden, als dat zo was, dan zou een leven in heiligheid nut hebben. Er zou dan wel een gelegenheid zijn om een einde aan lijden te maken.”18 (A.III.101)


      “Iemand heeft een klein vergrijp begaan, en dit brengt hem in de hel. Iemand anders heeft een soortgelijk klein vergrijp begaan, maar dat heeft reeds in dit leven resultaat. En in een toekomstig bestaan is er geen enkele uitwerking meer van die daad.19

      De mens die een klein vergrijp heeft begaan en daardoor in de hel terecht komt, is iemand die geen inzicht heeft in het lichaam, die de deugdzaamheid niet ontplooit, die zijn geest en wijsheid niet ontwikkelt, die beperkt van geest is en die zelfs ten gevolge van kleinigheden te lijden heeft. Zo’n mens kan zelfs door een klein vergrijp in de hel terecht komen.

      En de mens die een soortgelijk klein vergrijp begaat, dat reeds in dit leven resultaat heeft en bij wie in een toekomstig bestaan geen enkele uitwerking meer van die daad zich kenbaar maakt – hij is iemand die het inzicht in het lichaam en de deugdzaamheid heeft ontplooid, die zijn geest en wijsheid heeft ontwikkeld, die niet beperkt van geest is, die een groot karakter heeft, en die niet begrensd is door de hartstochten. Bij zo'n mens heeft die wilsactie reeds in dit leven resultaat. En in een toekomstig bestaan is er geen enkele uitwerking meer van die daad.” 

      “Als iemand zou zeggen dat een persoon een daad verricht en dienovereenkomstig zal boeten ervoor, - als dat zo was, dan zou het nutteloos zijn om een leven in heiligheid te leiden; er zou dan geen gelegenheid zijn om een einde aan lijden te maken. Maar als iemand zou zeggen dat een persoon een daad verricht en dienovereenkomstig verdient ervoor te lijden, - als dat zo was, dan zou een leven in heiligheid nut hebben; er zou dan wel een gelegenheid zijn om een einde aan lijden te maken.”20 (A.III.101)

 

      Met andere woorden, de morele gevolgen van een wilsactie zijn niet steeds en niet voor ieder gelijk. Zij zijn onder andere afhankelijk van de graad waarin wij willen.

      Ook hangt de werking van het resultaat af van de hoeveelheid verdienste die men in de loop van vele levens heeft verworven. Als men veel verdienste heeft en men doet een onheilzame actie, dan kan het onheilzame in het niet vallen tegen de grote verdienste. Die verdienste werkt dan als bescherming. De Boeddha gebruikte hier sprekende voorbeelden: “Als men een hoeveelheid zout in een kopje water doet, dan wordt dat water zout en ondrinkbaar. En wel omdat de hoeveelheid water maar gering is. Als dezelfde hoeveelheid zout in een grote rivier gegooid wordt, dan wordt het water van die rivier niet zout en ondrinkbaar. En waarom niet? - Omdat de hoeveelheid water groot is. Hetzelfde is ook met het volgende. Als iemand een kleine boete moet betalen, is dat bezwaarlijk voor een arm mens, zonder bezittingen. Maar voor een rijk mens is het geen bezwaar. De eerste zal daarom in de gevangenis terecht komen, de laatste zal de boete betalen en verder vrij zijn.”21 (A.III.101)

      Zo kan een wilsactie soms veel en soms weinig resultaat hebben, al naargelang de graad van verdienste.


12. Onderscheid in wilsacties naar sterkte van resultaat

 

      Naar de sterkte van moreel resultaat wordt er onderscheid gemaakt in:

1. zware (ernstige) wilsacties;

2. wilsacties uit gewoonte;

3. wilsacties vlak voor de dood;

4. verzamelde wilsacties (opeenhoping van wilsacties).

 

      Er zijn vijf zware wilsacties met onmiddellijk resultaat. Het zijn: vadermoord, moedermoord, het doden van een Arahant, verwonding van een Boeddha, en het veroorzaken van een schisma in de Orde van de monniken.22 (A.V.129)

      De ernstige wilsacties en die uit gewoonte, hetzij heilzaam, hetzij onheilzaam, dragen eerder vrucht dan de minder ernstige en dan de wilsacties die zelden volvoerd worden.

De wilsactie vlak voor de dood is de heilzame of onheilzame wilsactie die men onmiddellijk voor de dood heeft. Vaak kan het de reflex zijn van een actie die men in het verleden heeft verricht, of een teken ervan. Of het is een teken van het toekomstige bestaan. Deze wilsactie vlak voor de dood veroorzaakt de sfeer waar men wedergeboren wordt. Bij afwezigheid van een ernstige wilsactie, een wilsactie uit gewoonte of een wilsactie vlak voor de dood wordt de wereld waarin men wedergeboren wordt, veroorzaakt door de opeenhoping van wilsacties.23


13. Vier soorten wilsacties

 

      Er zijn vier soorten gedragingen, vier soorten wilsacties:

1. Er is sterk onheilzaam gedrag dat onbekwaam is tot goed resultaat. Het morele gevolg van zo'n gedrag komt vóór het resultaat van zwakke onheilzame gedragingen.

2. Er is heilzaam gedrag dat gevolgd wordt door een onheilzame wilsactie op het moment van de dood. Maar die laatste wilsactie maakt het heilzame gedrag onbekwaam tot onmiddellijk goed resultaat.

3. Er is sterk heilzaam gedrag dat vruchten draagt zelfs vóór veel opgehoopte onheilzame wilsacties.

4. Er zijn onheilzame wilsacties die gevolgd worden door heilzame daden op het ogenblik van de dood. Die laatste heilzame wilsacties dragen als eerste vrucht en zijn bekwaam tot goed resultaat.24

 

      Moreel resultaat heeft de voorwaarden nodig waarin het kan gaan werken. Als de voorwaarden niet voorhanden zijn, kan het moreel resultaat niet te voorschijn komen. Zo zal wedergeboorte in een lage staat van bestaan heilzame resultaten van gewoonte­gedragingen verhinderen of vertragen. En juist zoals er gebeurtenissen zijn die niet veroorzaakt worden door wilsacties, evenzo zijn er ook daden die geen moreel resultaat hebben. Gewoonlijk zijn zulke wilsacties echter zwak en relatief onbelangrijk.25


Hier enkele voorbeelden van heilzaam resultaat dat vóór onheilzaam resultaat komt.


13.1. Begrip van de leer

Tambadatthika voegde zich bij een bende dieven en beging veel misdaden. Later werd hij een beul. Toen hij gepensioneerd was, ging hij naar de rivier en zag er de Eerwaarde Sariputta. Tambadatthika dacht dat hij lang een beul was geweest. Maar nu was het tijd om voedsel te geven aan de monnik. Daarom nodigde hij de Eerwaarde Sariputta uit voor de maaltijd. Na het maal preekte Sariputta de leer. Maar Tambadatthika kon zich niet goed concentreren vanwege zijn vroegere beroep en hij vroeg met preken te stoppen. De Eerwaarde Sariputta vroeg hem toen of hij als beul de misdadigers had gedood uit vrije wil of omdat het hem was opgedragen. Tambadatthika zei dat hij niet wilde doden maar dat het hem door de koning was opgedragen. Sariputta vroeg hem toen wat hij dan voor kwaad had gedaan. Het gemoed van Tambadatthika werd kalmer en hij vroeg aan de Eerwaarde Sariputta verder te gaan met de preek. Na de preek vergezelde hij de Eerwaarde Sariputta een stuk en keerde toen naar huis terug. Onderweg stierf hij ten gevolge van een ongeval.

Hoewel hij tijdens zijn leven veel slechte dingen had gedaan, werd hij wedergeboren in de Tavatimsa hemel omdat hij de leer begreep. De Boeddha legde uit dat zijn goede wedergeboorte te danken was aan het mededogen en het heilzame advies van de Eerwaarde Sariputta. De lengte van de toespraak is niet van belang. Een enkele zin van de Dhamma die juist begrepen wordt, kan veel goeds veroorzaken.

“Beter dan duizend uitspraken met nutteloze woorden is één heilzaam woord bij het horen [of lezen] waarvan men tot vrede komt.” [Dhp.100 (VIII.1)]


13.2. Aan de vrucht kent men kwaad of goed

Anathapindika steunde heel edelmoedig de Sangha en verloor het grootste deel van zijn vermogen. Hij werd bekritiseerd vanwege zijn buitengewone gaven. Hij ignoreerde alle kritiek en bleef doorgaan met zijn edelmoedige daden. De Boeddha waardeerde zijn edelmoedigheid en zei:

“Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.”

“Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.” [Dhp. 119-120 (IX.4)]


14. Waar is wilsactie opgeborgen?

 

      Waar is wilsactie opgeborgen? Deze vraag werd door koning Milinda gesteld aan de Eerwaarde Nagasena. Het antwoord luidde: “Koning, men zegt niet dat wilsactie is opgehoopt in deze stroom van bewustzijn of in een of ander deel van het lichaam. Maar afhankelijk van geest en zaak rust zij en zij manifesteert zich op het geschikte moment. Het is juist zoals met appels; die zijn niet opgeborgen in de appelboom. Maar afhankelijk van de boom ontstaan zij in het daarvoor geschikte seizoen.”26


15. Verkeerde meningen over wilsacties en de gevolgen ervan

 

      Een verkeerde mening over wilsacties is de mening over collectieve, nationale of religieuze wilsacties en collectieve gevolgen ervan. Iets dergelijks bestaat niet. Vaak echter gebeurt het dat mensen samen in een groep eenzelfde soort actie uitvoeren of dezelfde soort gedachten hebben. Zij beïnvloeden elkaar, worden eng met elkaar betrokken. Zo'n massale handel- of denkwijze kan als gevolg hebben dat die personen een of meer levens in elkaars gezelschap vertoeven of dat zij dezelfde ervaringen meemaken. Een 'collectieve wilsactie’ is alleen maar een verzameling van de individuele wilsacties, juist zoals een menigte alleen maar een verzameling is van individuen.27

 

      Door de Verhevene werden drie andere verkeerde meningen over wilsacties genoemd. “Er zijn drie bronnen van verkeerde meningen. Zulke meningen worden opgegeven door wijze mensen. Die drie bronnen van verkeerde meningen zijn gebaseerd op het ontkennen van de wet van wilsacties en morele gevolgen. Die verkeerde meningen zijn de volgende:


1. Er zijn personen die geloven dat alles het resultaat is van daden uit voorgaande levens.

2. Er zijn anderen die geloven dat alles het resultaat is van een schepping door een Opperste Heerser.

3. Er zijn weer anderen die geloven dat alles ontstaat zonder reden of zonder oorzaak.”

 

      “Maar dan zou men, als men een moordenaar, een dief, een echtbreker e.d. wordt, niet verantwoordelijk zijn voor slechte daden, indien dat te wijten was aan vroegere acties, of als dat geschapen was door een Opperste Heerser, of als dat zo maar gebeurde, zonder oorzaak of reden.”28 (A.III.62)

 

      Wanneer een moreel gevolg zal komen, wanneer een daad vrucht zal dragen, is onbekend. Het is als met een kudde runderen in een wei met slechts één uitgang. En er kan maar één rund tegelijkertijd door de opening van die uitgang. Zal een sterk rund als eerste naar buiten komen? Of wordt een zwak rund door de opening naar buiten geduwd in het gedrang van sterke runderen?29

     

      “Waar de wilsactie ook vrucht moge dragen, daar gevoelt het individu het resultaat van die daad, hetzij in dit leven of in het volgende leven of in een toekomstig leven.30 De resultaten van wilsacties zijn ondoorgrondelijk.”31 (A.IV.77)

 

      Omdat de volgorde van morele resultaten niet vaststaat, zijn er meerdere meningen over wilsacties en de resultaten ervan. Soms meent men dat een goede daad gevolgd wordt door een niet goed resultaat. Men spreekt bijvoorbeeld iemand vriendelijk toe en men wordt onvriendelijk beantwoord. Of men is steeds vrijgevig en wordt dan toch bestolen. Men zou dan kunnen menen dat er wilsacties zijn met goede bedoelingen en met een slecht moreel gevolg. Zo'n mening is evenwel verkeerd. Over ons gedrag en de morele gevolgen is er maar één juiste opvatting. Als men onheilzame wilsacties verricht, zal het gevolg ervan onheilzaam zijn. En als men heilzame wilsacties doet, zal het gevolg ervan heilzaam zijn. Maar wanneer het ene resultaat komt en wanneer het andere, dat is niet bekend. Zo kan iemand na zijn dood in een gelukkige bestemming terecht komen, hoewel hij een onheilzame daad heeft gedaan. De reden daarvoor is misschien dat die persoon vóór of na zijn onheilzame daad een heilzame daad verrichtte. Of hij had juist inzicht op het ogenblik van zijn dood. Het resultaat van een wilsactie zal men ondervinden in dit leven, of in het volgende leven, of in een toekomstig bestaan. Hoewel het ene resultaat zich kan dringen vóór het andere, kan men de morele gevolgen niet ontkomen. Zo kan een deugdzaam en goed persoon een lage geboorte krijgen door de kracht van vroegere onheilzame wilsacties. Maar vroeg of laat zullen de goede wilsacties die door hem zijn begaan, vruchten dragen. Zij hoeven maar een kans te krijgen.


15.1. Een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht

De Eerwaarde Moggallana zag eens een peta met een menselijk hoofd en met het lichaam van een slang. De Boeddha legde uit dat er in het verre verleden een Paccekabuddha was geweest. De mensen liepen door een veld naar zijn klooster. De eigenaar van dat veld was bang dat de mensen te veel schade aan het veld toebrachten en daarom stak hij het klooster van de Paccekabuddha in brand. De mensen werden boos en sloegen hem dood. Als gevolg van zijn slechte daad werd hij wedergeboren als een peta in de gedaante van een slang.

“Waarlijk, een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht, juist zoals melk niet direkt kwark wordt. Het smeult en volgt de dwaas als vuur dat bedekt is met as.” [Dhp.71 (V.12)]


16. Onderverdeling naar tijd van resultaat

 

      Met betrekking tot de tijd wanneer moreel resultaat wordt ondervonden, maakt men de volgende onderverdeling:

1. wilsacties met resultaat hier en nu, in dit leven;

2. wilsacties met resultaat in het volgende leven;

3. wilsacties met resultaat in latere levens;

4. wilsacties zonder resultaat.

 

      Wilsacties kunnen eventueel zonder moreel resultaat zijn. Dat is het geval als de omstandigheden ontbreken die nodig zijn voor het plaatshebben van de morele resultaten. Ook kunnen wilsacties zó zwak zijn dat zij door overwicht of tegenwerking van andere wilsacties geen resultaat kunnen verwekken. In dat geval worden zij wilsacties zonder resultaat genoemd. De derde soort wilsacties die vruchten draagt in latere levens, zal steeds moreel resultaat produceren. Waar en wanneer er een mogelijkheid is, zal zo'n wilsactie vrucht dragen, hoelang de ronde van wedergeboortes ook duurt.32


17. Onderverdeling naar functie

 

      Naar functie zijn de wilsacties in vier verschillende soorten te verdelen:

1. voortplantingsgedrag;

2. ondersteunend gedrag;

3. tegenwerkend gedrag;

4. vernietigend gedrag.

 

      Voortplantingsgedrag produceert de vijf groepen van bestaan (lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn) bij de wedergeboorte en gedurende de hele levensstroom.

      Ondersteunend gedrag is zelf zonder moreel resultaat. Het is alleen maar in staat om andere morele resultaten die al bestaan, te ondersteunen.

      Ook tegenwerkend gedrag is zonder eigen resultaat. Het onderdrukt ander (zwakker) moreel resultaat vanwege zijn heilzame of onheilzame kracht. Het vertraagt of verhindert daardoor het ontstaan van dat ander moreel resultaat.

      Vernietigend gedrag zijn wilsacties met zo'n macht dat zij volledig de invloed van zwakker gedrag vernietigen. In de plaats daarvan wordt het onheilzame of heilzame moreel resultaat van de eigen wilsacties gesteld.33

      Een goed voorbeeld van vernietigend gedrag is het verhaal over Angulimala. Hij was een beruchte moordenaar en werd door de Boeddha bekeerd. Later werd hij niet alleen een monnik vol mededogen, maar hij bereikte zelfs het hoogste niveau van heiligheid. Daarna ging hij heen in de staat van Nibbāna. De monniken vroegen hoe het mogelijk was dat zo'n moordenaar een heilige was geworden. En de Verhevene antwoordde: “Alwie zijn kwade daad bedekt met een goede daad, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.”34 (Dhp.173)

 

      Men oogst de vruchten van wilsacties. Maar niet alle morele gevolgen worden ondervonden in deze kringloop van bestaan. Anders zou een bevrijding van ellende, geboorte en dood onmogelijk zijn. Soms kan men de gevolgen van onheilzame wilsacties uitwissen door het doen van krachtige heilzame wilsacties.35


      Het zal wel duidelijk zijn dat ons leven een mengeling is van vreugde en leed als gevolg van heilzame en onheilzame daden. De Verhevene zei hierover:

      “Er is donker gedrag met donker resultaat; er is helder gedrag met helder resultaat; er is donker-en-helder gedrag met donker-en-helder resultaat; en er is gedrag dat noch donker noch helder is, met noch donker noch helder resultaat. Dit laatste voert naar de uitdoving van wilsactiviteiten.


       Wat is donker gedrag met donker resultaat? - Men produceert een wilsactie in daad, woord of gedachte, verbonden met kwelling. Als gevolg daarvan zal men verschijnen in een wereld met kwelling. Als dat gebeurt, wordt men geraakt door kwellende kontakten, d.w.z. pijnlijke aanrakingen met oog, oor, neus, tong, lichaam en geest. Wanneer men daardoor geraakt wordt, heeft men kwellende gevoelens. Die zijn heel pijnlijk zoals in het geval van wezens in de hel. Zo is het verschijnen van een wezen te wijten aan zichzelf; men verschijnt als resultaat van de wilsacties die men heeft verricht. Als men is verschenen, wordt men geraakt door kontakten. Zo zijn wezens erfgenamen van hun wilsacties. Dit heet donker gedrag met donker resultaat.


       Wat is helder gedrag met helder resultaat? - Men produceert een wilsactie in daad, woord of gedachte, niet verbonden met kwelling. Als gevolg daarvan wordt men geraakt door niet-kwellende gevoelens. Die zijn heel plezierig, zoals in het geval van de goden met stralende glorie. Zo is het verschijnen van een wezen te danken aan zichzelf; men verschijnt als resultaat van de wilsacties die men heeft verricht. Als men is verschenen, wordt men geraakt door kontakten. Zo zijn wezens erfgenamen van hun wilsacties. Dit heet helder gedrag met helder resultaat.

 

      Wat is donker-en-helder gedrag met donker-en-helder resultaat? - Men produceert een wilsactie in daad, woord of gedachte, verbonden zowel met kwelling als met niet-kwelling. Als gevolg daarvan zal men verschijnen in een wereld zowel met als zonder kwelling. Als dat gebeurt, wordt men geraakt door zowel kwellende als niet-kwellende kontakten. Wanneer men daardoor geraakt wordt, heeft men kwellende en niet-kwellende gevoelens. Plezier en pijn is er gemengd, zoals in het geval van menselijke wezens en sommige godheden en sommige bewoners van de werelden van ellende. Zo is het verschijnen van een wezen te danken aan zichzelf; men verschijnt als resultaat van de wilsacties die men heeft verricht. Als men is verschenen, wordt men geraakt door kontakten. Zo zijn wezens erfgenamen van hun wilsacties. Dit heet donker-en-helder gedrag met donker-en-helder resultaat.

 

      Wat is noch donker noch helder gedrag met noch donker noch helder resultaat dat voert naar de uitblussing van wilsactiviteiten? - Elk willen in afzien van het soort gedrag dat donker is met donker resultaat, en elk willen in afzien van het soort gedrag dat helder is met helder resultaat, en elk willen in afzien van het soort gedrag dat donker-en-helder is met donker-en-helder resultaat: dit heet noch donker noch helder gedrag met noch donker noch helder resultaat.

 

      Dit zijn de vier soorten wilsacties zoals die door mij zijn verkondigd na zelfverwerkelijking met directe kennis.”36 (A.IV.232-238)

 

18. Te vermijden en uit te oefenen


Eens ging de Eerwaarde Ānanda naar de Verhevene toe, groette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. De Verhevene zei toen aan Ānanda:

“Een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten moet men serieus vermijden. Wie een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten uitoefent, heeft als nadeel het volgende te verwachten:

- Men maakt zichzelf verwijten;

- De wijzen die het merken, berispen iemand;

- Slechte geruchten verspreiden zich;

- Men sterft een onrustige dood;

- Na de dood verschijnt men in een lagere wereld, op het neerwaartse pad, in afgronden van bestaan, in de hel.

Zulke nadelen zijn te verwachten.


Een goed gedrag in daden, woorden en gedachten moet men serieus uitoefenen. Wanneer een goed gedrag in daden, woorden en gedachten serieus nagevolgd wordt, dan zijn de volgende zegeningen te verwachten:

- Men maakt zichzelf geen verwijten;

- De wijzen die het merken, prijzen iemand;

- Een goede faam verspreidt zich;

- Men sterft een rustige dood.

- Na de dood verschijnt men op een gelukkig pad, in een hemelse wereld.

Zulke zegeningen zijn dan te verwachten.” (A.II.18).


18.1. Een slecht gerichte geest is de ergste vijand


Een veehoeder gaf enkele dagen maaltijden aan de Boeddha en zijn monniken. Op de laatste dag na de preek bereikte de veehoeder het eerste niveau van heiligheid. Toen de Verhevene vertrok vergezelde hij hem enige tijd en keerde daarna terug. Op zijn terugweg werd hij gedood door de pijl van een jager. De monniken merkten op dat de veehoeder niet zou zijn gedood door die pijl als de Boeddha hem niet had bezocht. De Boeddha gaf ten antwoord dat die veehoeder onder geen enkele omstandigheden had kunnen ontsnappen aan de dood ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Hij voegde toe dat de met opzet slecht gerichte geest erg vijandig tegen iemand kan zijn.

“Wat voor kwaad een dwaas toebrengt aan een andere dwaas, of een hater aan een andere hater, een slecht gerichte geest kan veel meer kwaad doen.” [Dhp. 42 (III.8)]


18.2. Men is niet van zichzelf


Een rijke maar gierige man was wedergeboren als een afzichtelijke bedelaar. Op zekere dag betrad hij het huis waar hij had gewoond in zijn vroegere leven. Hij werd naar buiten gegooid op een hoop afval. De Boeddha kwam toen voorbij, en vertelde aan de zoon van die bedelaar dat deze zijn eigen gestorven vader was.

“Zonen heb ik, rijkdom heb ik. Aldus meent de dwaas dat hij in zekerheid is. Waarlijk, hij is niet van zichzelf. Hoe kunnen dan zonen en rijkdom van hem zijn?” [Dhp. 62 (V.3)]


18.3. Wees waakzaam

Een prinselijk paar was kinderloos. De Boeddha legde uit dat zij kinderloos waren omdat zij in een vorig leven verkeerd gehandeld hadden. Na een schipbreuk strandden zij op een verlaten eiland. Daar aten zij de eieren van vogels; ook aten zij jonge en oude vogels zonder enig gevoel van wroeging. Zij waren zo zeer bezig met behoud van hun eigen leven dat zij de levens vernietigden van onschuldige vogels en hun jongen. Daarom konden zij nu geen kinderen krijgen.

“Als men zichzelf dierbaar is, moet men zichzelf goed beschermen. Tijdens elk van de drie nachtwaken moet de wijze man waken.” [Dhp. 157 (XII.1)]


18.4. Kwelling van onschuldigen is als stof tegen de wind in

Een jager ging op jacht met zijn honden. Onderweg kwam hij een monnik tegen. De jager dacht dat dit een slecht voorteken was en dat hij nu wel niets zou schieten. Hij kon inderdaad geen dier doden. Op de terugweg zag de jager dezelfde monnik. Hij dacht dat hij niets geschoten had omdat hij die monnik had ontmoet. Hij werd boos en joeg hij zijn honden tegen de monnik. Deze klom in een boom. De jager doorboorde toen de voetzolen van die monnik met zijn pijlen. Die kon van de pijn zijn gewaad niet vasthouden en het viel op de jager en bedekte hem. De honden dachten dat de monnik uit de boom was gevallen en beten de jager dood. De monnik vroeg of hij iets verkeerds had gedaan. De Boeddha zei dat hij niet verantwoordelijk was voor de dood van de jager. Hij legde de slechte resultaten uit die iemand ten deel vallen die een onschuldig persoon kwelt.

“Alwie een onschuldig, zuiver persoon kwelt, op die persoon komt het kwaad terug als stof dat tegen de wind in is gegooid.” [Dhp. 125 (IX.9)]


18.5. Geen kwade bedoeling

De dochter van een rijke man die een in de stroom getredene was, werd verliefd op een jager en ging er met hem vandoor. Zij huwden en zij kreeg meerdere zonen. Hoewel de vrouw een in de stroom getredene was, gaf zij bogen en pijlen aan haar man om ermee te gaan jagen. Toen de Boeddha bij hun huis kwam, vroeg zij dat zij de pijlen en bogen terzijde moesten leggen en eer moesten brengen aan de Verhevene. De Boeddha legde toen de leer aan hen uit. Zij allen begrepen de Dhamma.

De monniken vroegen zich af of zij iets kwaads deed door zo te handelen. De Boeddha legde uit dat sotapannas niet doden en dat haar gedrag onberispelijk was omdat zij dat deed uit gehoorzaamheid aan haar echtgenoot en omdat zij geen kwade bedoeling erbij had.

“Als er geen open wonde is in iemands hand, kan men vergif erin dragen. Vergif heeft geen invloed op iemand die geen wonde heeft. Voor iemand die geen verkeerds doet, is er geen kwaad.” [Dhp. 124 (IX.8)]


19. Geen fatalisme

 

      De leer van wilsactie en moreel resultaat is geen leer van fatalisme. De mens is een product van zijn vroegere daden. En een deel van zijn toekomst is eveneens een gevolg van het verleden. Maar de mens heeft een vrije wil. Dat is heel belangrijk. Met die vrije wil kan hij nu en hier zijn leven en zijn toekomst bepalen. “De wil noem ik actie, want door willen verricht men de daad met het lichaam, door woorden of in gedachten. Er zijn wilsacties die in toestanden van ellende rijpen. Er zijn wilsacties die in de wereld van de mensen rijpen. En er zijn wilsacties die in gelukkige sferen rijpen.”37 (A.VI.63)

 

      “In hoeverre is de leer zichtbaar hier en nu? In hoeverre heeft ze onmiddellijk resultaat en in hoeverre nodigt ze uit tot eigen onderzoek? In hoeverre is ze direct te ervaren door de wijze? - Zij die begerig zijn, vol haat, vol verkeerde inzichten, zij streven naar eigen onheil, naar dat van anderen en naar beider onheil. Zij lijden pijn en leed in de geest. Zij hebben een verkeerde manier van leven in daden, woorden en gedachten. En zij hebben geen weet van het ware voordeel voor zichzelf, voor anderen en voor beiden.

      Maar als begeerte, haat en verkeerde inzichten zijn opgegeven, dan streven zij niet naar eigen onheil, niet naar dat van anderen en niet naar beider onheil. En zij lijden geen pijn en leed in de geest. Zij leiden geen slecht leven en zij begrijpen het ware voordeel voor zichzelf, voor anderen en voor beiden.

      Zo is de leer hier en nu zichtbaar, zo heeft ze onmiddellijke resultaten, zo nodigt ze uit tot eigen onderzoek. En zo is de leer direct te ervaren door de wijze.”38 (A.III.54-55)

 

      “Als iemand zich gedraagt overeenkomstig de leer en oprecht van gedrag is, en wanneer hij of zij dan zou wensen na de dood in de een of andere gelukkige sfeer van bestaan te komen, dan is dat mogelijk. Niet vanwege het wensen, maar omdat hij/zij zich gedraagt overeenkomstig de leer, oprecht.

      Als iemand volgens de leer leeft, oprecht van gedrag, en wanneer hij of zij dan zou wensen de directe kennis te verwerkelijken, wanneer hij/zij wil opgaan in en verblijven in de bevrijding van het hart en de bevrijding door inzicht, dan is dat mogelijk. Niet vanwege het wensen, maar omdat hij/zij zich gedraagt overeenkomstig de leer, oprecht.”39 (M.41)

 

      Velen bidden tot de goden. Kunnen die godheden ons wel helpen? - De goden leven in een andere wereld dan de onze. Maar dat wil niet zeggen dat zij geen hulp kunnen bieden. Ook dieren leven in een andere sfeer van bestaan. Toch kunnen zij ons behulpzaam zijn en wij kunnen de dieren helpen. Juist zoals de mens met dieren om kan gaan, evenzo bestaan er godheden die in staat zijn om met de menselijke wereld contact te hebben.40 En zij kunnen bepaalde gebeurtenissen verhinderen; zij kunnen ons ook behulpzaam zijn. Maar niemand kan de vijf systemen van wetten veranderen, ook een Boeddha niet; dus zeker de godheden niet. Zij kunnen natuurlijk wel voorwaarden scheppen waardoor moreel resultaat vroeger of later tevoorschijn zal komen. Of zij kunnen goede raad geven (in dromen bijvoorbeeld).

     

      Door de Boeddha werd veel nadruk erop gelegd dat wij onszelf moeten helpen. Hulp vragen is goed als wij de situatie niet zelf aankunnen. Maar eigen hulp is beter. Zo leed de Bodhisatta Maha Janaka eens schipbreuk. De anderen begonnen te bidden en lieten hun lot over aan de goden. Maar de Bodhisatta begon te zwemmen en redde zichzelf, terwijl de anderen verdronken.41

     

      Benadrukt moet worden dat niet alles een gevolg is van wilsacties. Daarom mag er geen discriminatie zijn. En ook moet – indien mogelijk - steeds en overal geholpen worden. Dit is duidelijk door de Boeddha onderwezen. Eens sprak hij over de behandeling en verzorging van zieken. Hij beschrijft er drie typen van patiënten:

1. Zij die niet meer genezen, of zij nu goede medicijn en een goede behandeling krijgen of niet.

2. Zij die genezen ongeacht het wel of niet krijgen van medische verzorging.

3. Zij die genezen alleen met een juiste verzorging en goede medische behandeling.42 (A.III.22)

      Omdat wij niet weten tot welk type de zieke behoort, moet iedere zieke goede medicijn en een goede behandeling krijgen.


      Dat de leer van wilsacties en morele gevolgen (kamma – vipāka) geen fatalisme is, maar door eigen gedrag ten goede gewijzigd kan worden, toont de volgende leerrede.


 

20. Zegeningen van mettā, karunā, muditā en upekkhā

 

      Eens richtte de Boeddha zich tot zijn volgelingen met deze leerrede: “Ik verklaar, volgelingen, dat de resultaten van wilsacties die men vaak deed, niet worden uitgewist. De morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hetzij in dit leven, hetzij in het volgende leven of in een toekomstig bestaan. En zolang als de activiteiten die men wilde, uitvoerde en vaak deed, niet zijn ondervonden, net zolang is er geen einde aan onvoldaanheid en lijden.

 

      Maar vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft een edele volgeling met zijn hart vol van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

      Hij weet verder: ‘Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.’

      Als iemand vanaf zijn jeugd liefdevolle vriendelijkheid (mettā) ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: ‘Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.’

      Liefdevolle vriendelijkheid, indien op zo’n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van niet-wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

 

      Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van mededogen (karunā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van mededogen, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

      Hij weet nu: ‘Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.’

      Als iemand vanaf zijn jeugd mededogen ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, mededogen, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: ‘Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.’

      Mededogen, indien op zo’n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van niet-wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

 

      Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van medevreugde (muditā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van medevreugde, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

      Hij weet nu: ‘Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.’

      Als iemand vanaf zijn jeugd medevreugde ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, medevreugde, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: ‘Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.’

      Medevreugde, indien op zo’n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van niet-wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

 

      Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van gelijkmoedigheid (upekkhā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van gelijkmoedigheid, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

      Hij weet nu: ‘Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.’

      Als iemand vanaf zijn jeugd gelijkmoedigheid ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, gelijkmoedigheid, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: ‘Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.’

      Gelijkmoedigheid, indien op zo’n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van niet-wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.”43 (A.X.208)



21. Wedergeboorte


De Eerwaarde Ananda vroeg eens aan de Verhevene: “Heer, in hoeverre is er een bestaan?”

“Ananda, wanneer er geen daad (kamma) was die in de zinnelijke sfeer vruchten draagt, zou er dan wel zinnelijk bestaan zijn?”

“ Neen, heer.”

“Daarmee is dus de daad (kamma) de grond, het bewustzijn het zaad, het begeren de vochtigheid. En het bewustzijn (de wil, het verlangen) van de door onwetendheid geremde en door begeerte verstrikte wezens gaat vastzitten in de lagere sfeer (d.i. in het voorgenoemde zinnelijk bestaan). Zo komt het tot ontstaan van een toekomstige wedergeboorte. Ananda, zo is het bestaan”.


“Ananda, wanneer er geen daad was die in de fijnstoffelijke sfeer vruchten draagt, zou er dan een fijnstoffelijk bestaan zijn?”

“Neen, heer.”

“Daarmee is dus de daad (kamma) de grond, het bewustzijn het zaad, het begeren de vochtigheid. En het bewustzijn (de wil, het verlangen) van de door onwetendheid geremde en door begeerte verstrikte wezens gaat vastzitten in de middelste sfeer.”

 

  “Ananda, wanneer er geen daad was die in de onstoffelijke sfeer vruchten draagt, zou er dan een onstoffelijk bestaan zijn?”

“Neen, heer.”

“Daarmee is dus de daad (kamma) de grond, het bewustzijn het zaad, het begeren de vochtigheid. En het bewustzijn (de wil, het verlangen) van de door onwetendheid geremde en door begeerte verstrikte wezens gaat vastzitten in de hogere sfeer.”


“Ananda, zo komt het tot een wedergeboorte. Zo is bestaan.” (A.III.77-78)

 


22. Vijf gewenste dingen


De Verhevene zei eens tot Anâthapindika:

“Er zijn vijf gewenste, begeerde, aangename dingen, die moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk:1) een lang leven, 2) schoonheid, 3) geluk, 4) eer en 5) hemelse wedergeboorte.

Maar die vijf aangename dingen verkrijgt men niet door gebeden en geloften.


Het is niet passend voor iemand die een lang leven wenst, dat hij daarom smeekt, daaraan behagen vindt of er hevig naar verlangt. Om een lang leven te krijgen moet men het pad volgen dat naar een lang leven voert. Want als men dat pad volgt, zal men een hoge ouderdom bereiken; en men zal een lang leven krijgen, zij het in de hemel of als mens.

Het is niet passend voor iemand die schoonheid wenst, geluk wenst, eer wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen in schept of er hevig naar verlangt. Om die dingen te verkrijgen moet men het er naar toe voerende pad begaan. Wanneer men dat er naar toe voerende pad begaat, zal men schoonheid, geluk, en eer bereiken. Schoonheid, geluk en eer zal men krijgen, zij het hemelse of menselijke.

Het is niet passend voor iemand die hemelse wedergeboorte wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen in schept of er hevig naar verlangt. Om hemelse wedergeboorte te verkrijgen moet men het er naar toe voerende pad begaan. Wanneer men over dat er naar toe voerende pad gaat, zal men hemelse wedergeboorte bereiken. Een leven in de hemelse

werelden zal hem ten deel vallen.

Wie een lang leven wenst, schoonheid, wie naar eer en roem begeert en ernaar streeft, en ook wie naar hemels geluk en hoge stand streeft, wie voor zich zulke hoge goederen verlangt, hem geven wijzen deze goede raad: men moet zich met ernstig streven oefenen in goede werken en in edele daden. Als men zo als een wijs man serieus streeft, zal men tweevoudig heil voor zich verwerven: in deze wereld en ook in het toekomstige bestaan. Wie zo op zijn heil bedacht is, hem noemt men een wijze man.” (A.V.43)



23. Arahants en kamma

Ook arahants, volmaakte heiligen, ondervinden de gevolgen van hun vroegere verkeerde wilsacties. Maar zij produceren geen nieuw kamma, geen nieuwe wilsacties meer. Er worden wel nog daden verricht, maar zij hebben geen enkele gedachte meer van “ik” of “mijn”. Als volmaakte heiligen zijn zij volledig bevrijd van de mening “ik ben”. De onwetendheid is bij hen volledig opgeheven.


Enkele voorbeelden dat ook arahants kamma-resultaten ondervinden, volgen hier.



23.1. De blinde arahant

Iemand van middelbare leeftijd werd een monnik. Energiek leidde hij een beschouwend leven en bereikte de volmaakte heiligheid. Maar hij werd blind.

Op zekere dag liep hij op en neer en doodde zonder opzet veel insecten. Sommige monniken zagen dat en klaagden bij de Boeddha dat die monnik het vergrijp van doden had begaan. De Boeddha legde uit dat die monnik dat zonder opzet had gedaan en dat hij een arahant was.

De Boeddha vertelde dat die monnik in een vroeger leven een arts was geweest. Hij had toen een oogzalf aan een arme vrouw gegeven. Zij beloofde dat, als zij weer kon zien, zij en haar kinderen als bedienden voor de arts zouden werken. Door de oogzalf kon die vrouw weer zien. Maar zij hield zich niet aan haar belofte. Zij beweerde dat zij nu slechter kon zien dan voorheen. De arts gaf haar daarop een andere zalf waardoor zij blind werd. Als gevolg van die wrede daad werd de arahant blind.

En verder zei de Verhevene: “Als de geest niet goed is, volgt het niet-goede.” [Dhp. 1 (I.1)]


23.2. Zelfoverwinning

Een rijke jongedame werd verliefd op een dief en trouwde met hem. Later nam de dief zijn vrouw naar een rots en wilde haar sieraden stelen en haar doden. Zij smeekte alleen haar sieraden te nemen en haar leven te sparen. De vrouw gaf voor dat zij voor de laatste keer eer aan hem wilde bewijzen, ging achter hem staan en duwde hem naar beneden. Later werd zij een non. Zij ontmoette de Eerwaarde Sariputta, vernam de Dhamma en bereikte volmaakte heiligheid. De monniken praatten erover hoe zij na iemand gedood te hebben een Arahant was geworden na een paar woorden over de Dhamma.

De Boeddha sprak toen over de uitwerking van de woorden van waarheid en het belang van zelfoverwinning.

“Ook al reciteert men 100 verzen met nutteloze woorden, beter is één enkel woord van de Dhamma bij het horen [of lezen] waarvan men tot rust komt.”

“Ook al overwint men een miljoen mensen op het slagveld, toch is diegene de edelste overwinnaar die zichzelf heeft overwonnen.” [Dhp. 102-103 (VIII.3)]


naar boven  of  naar 2. De leer 



Geraadpleegde bronnen

 

Baptist, Egerton C. : The Buddhist Doctrine of Kamma. Colombo, 1978.


Bodhi, Bhikkhu (tr.): The Discourse on the All-Embracing Net of View : The Brahmajāla Sutta and its Commentarial Exegesis. Kandy : BPS, 1978.


Bodde, Albert: Karma en reïncarnatie : Een zoektocht naar liefde en logica in de schepping. Deventer : Ankh-Hermes, 1997.


Dhammapāla, Bhikkhu : Broadcasts on Buddhism. (2nd ed.) - Kandy : BPS, 1969. The Wheel No. 132/134. (1st ed. Colombo: YMBA, 1944).


Dharmasiri, Gunapala : A Buddhist Critique on the Christian Concept of God : A Critique of the Concept of God in Contemporary Christian Theology and Philosophy of Religion from the Point of View of Early Buddhism. Colombo: Lake House Investments, 1974.


Gehman, H.S. (tr.) : Petavatthu : Stories of the Departed. London: PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).


Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples. Angulimala. A Murderer's Road to Sainthood. Kandy : BPS, 1984. The Wheel No. 312.


Horner, I.B. (tr.); assisted by N.A. Jayawickrama: Vimānavatthu : Stories of the Mansions. London: PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part IV).


Ireland, John D. (Transl). The Itivuttaka. The Buddha's Sayings. Kandy: BPS, 1991.


Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.): The Khuddakapātha - Dhammapada - Udāna - Itivuttaka - Suttanipāta (Khuddhakanikāya. Vol. I).  [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).


Khantipalo, Phra: The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhāsakathā). A Life of the Buddha. Compiled by Phra Khantipālo. Bangkok : Mahamakut Radjavidyalaya Press, Vol. II, 2530/1987. (1st ed. 2519/1976).

Kops, Chr.: 'Dante’s goddelijke komedie', in: Roeping 1(1923)5, p. 352 e.v.


Masefield, Peter (tr.); assisted by N.A. Jayawickrama : Elucidation of the Intrinsic meaning so named The Commentary on the Vimāna Stories (Paramattha-dīpanī nāma Vimānavatthu-atthakathā). Oxford: PTS, 1989.


Masefield, Peter. (Transl). The Itivuttaka. Oxford: PTS, 2000. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXVIII).


Ñānamoli Thera (tr.) : The Buddha's Words on Kamma. Four Discourses of the Buddha from the Middle Length Collection. Edited by Khantipālo Bhikkhu. Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 248/249.


Ñânananda, Bhikkhu (Transl.): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 183/185.


Nārada Thera : The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).


Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden: Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).


Nyanatiloka (Übers.) Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage. (Band I.)


Seidenstücker, Karl (Übers). Itivuttaka: Das Buch der Herrnworte. Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers s.a. ]


Story, Francis : Gods and the Universe in Buddhist Perspective. Essays on Buddhist Cosmology and related subjects. Kandy: BPS, 1972. The Wheel No. 180/181.


Story, Francis : 'Action,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 1-9.


Story, Francis : 'Kamma and Causality,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 10-23.


Story, Francis : 'Karma and Freedom,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 99-105.


Story, Francis: 'Collective Karma,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 106-110.


Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).


Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).


Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220.


Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band II. (1913)


Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

naar boven of  naar 2. De leer 


Noten



1 Kamma (karma in Sanskriet) = wilsactie; daad die men bewust doet. Vipāka = moreel resultaat ervan.

2 Bodde, Albert: Karma en reïncarnatie : Een zoektocht naar liefde en logica in de schepping. Deventer : Ankh-Hermes, 1997.

3 A.II.16, in: Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikāya, Köln 1969, Band I, p .63; en: A.II.17 in: Nyanatiloka 1969, Bd.1., p. 63/64.

4 A.II.17, in: Nyanatiloka 1969, Bd.1, p.63/64.

5 Tegenwoordig hoort hier ook bij: het nalaten van het lezen van Boeddhistische geschriften.

6 A.II.17 in: Nyanatiloka 1969, Bd.1, p. 63/64; en: Cūla-kammavibhangha Sutta, in: Ñânamoli Thera (tr.) : The Buddha's Words on Kamma. Four Discourses of the Buddha from the Middle Length Collection. Edited by Khantipâlo Bhikkhu. Kandy 1977, The Wheel No. 248/249.

7 Die drie lagere sferen van bestaan: hel, dierenwereld en wereld van de hongerende geesten (peta).

8 Een enkele wilsactie kan niet tegelijk heilzaam en onheilzaam zijn. Bedoeld is hier een mengeling uit heilzame en onheilzame handelingen waarbij noch het ene noch het andere erg voruitspringt.

9 "Vernietiging van handeling“ heeft betrekking op de toestand van de arahant. Hij verricht wel handelingen met lichaam, taal en geest, maar hij verricht geen karmische handeling die onder invloed staat van begeerte, haat en onwetendheid. Zijn activiteiten hebben geen karmisch resultaat.

10 Deze Eerwaarde was beroemd vanwege zijn grote bovennatuurlijke krachten.

11 Deze bevestiging van de eerste plaats van de geest (citta) is een wezenlijk kenmerk in de leer van de Boeddha. Citta benadrukt hier de impulsieve en emotionele aspecten van de geest, vaak geassocieerd met het woord ‘gedachte’. (noot 20 bij S.I.7.2, in: Ñânananda, Bhikkhu (Transl.): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Kandy 1972. The Wheel No. 183/185, p. 68).

12 S.I.7.2, in: Ñânananda 1972. The Wheel No. 183/185, p. 4-5 en 68.

13 Dhp 1, in: Nārada Thera (tr.): The Dhammapada. Colombo 2522-1978, p.1-4.

14 Zonder geest of bewustzijn ontstaan geen mentale staten. Daarom is de geest de voorloper van alle goede en slechte mentale staten. Cetanā of wil is het belangrijkste van alle mentale staten. (noot bij Dhp.1)

15 Dhp 2, in: Nārada 2522-1978, p.4-6.

16 zie: A.III, 70, in: Nyanatiloka 1969, Bd. 1, p. 178-179; en A.VI, 39, in: Nyanatiloka 1969, Bd.3, p. 195-196.

17 A.III.34, in: Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikāya, Band I, p. 124/126.D.w.z. dan is volmaakte heiligheid bereikt.

18 A.III.101, in: Nyanatiloka 1969, Bd.1, p. 211-214.

19 Idem.

20 Idem.

21 Idem.

22 A.V. 129 in: Nyanatiloka 1969, Bd. 3, p. 90.

23 Zie Story, Francis : ‘Kamma and Causality,’ in: The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 10-23; en: Dhammapāla, Bhikkhu : Broadcasts on Buddhism. (2nd ed.) Kandy 1969, The Wheel No. 132/134.

24 zie: Mahakammavibhangha Sutta, in: Ñânamoli Thera (tr.) :The Buddha's Words on Kamma. Four Discourses of the Buddha from the Middle Length Collection. Kandy 1977. The Wheel No. 248/249.

25 Story 1975, The Wheel No. 221/224, p. 10-23.

26 Baptist, Egerton C. : The Buddhist Doctrine of Kamma. Colombo 1978.

27 Story, Francis : ‘Action,’ in: The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 3.

28 A.III, 62, in: Nyanatiloka 1969, Bd.1, p.156-159. - Zie ook: Dharmasiri, Gunapala: A Buddhist Critique on the Christian Concept of God : A Critique of the Concept of God in Contemporary Christian Theology and Philosophy of Religion from the Point of View of Early Buddhism. Colombo: Lake House Investments, 1974.

29 Baptist 1978.

30 A.III, 34 in: Nyanatiloka 1969, Bd. 1, p. 124-126.

31 A.IV, 77 in: Nyanatiloka 1969, Bd.2, p. 80.

32 zie: A.III, 101 in: Nyanatiloka 1969, Bd. 1, p. 211-214.

33 Story 1975, The Wheel No. 221/224, p. 10-23.

34 Dhp. 173, in Nārada 2522-1978, p. 156-157.

35 Commentaar bij Dhp.173, in Nārada 2522-1978, p. 157.

36 Kukkura-vatika Sutta, in: Ñānamoli 1977, The Wheel No. 248/249, pag.5-12. A.IV.232-238, in: Nyanatiloka 1969, Bd.2, p. 186-187.

37 zie A.VI, 63, in: Nyanatiloka 1969, Bd.3, p. 238-242.

38 A.III, 54-55, in: Nyanatiloka 1969, Bd.1, p. 143-144.

39 M.41, Saleyyaka Sutta, in: Ñānamoli 1977, The Wheel No. 248/249.

40 zie hierover: Story, Francis : Gods and the Universe in Buddhist Perspective. Essays on Buddhist Cosmology and related subjects. Kandy 1972, The Wheel No. 180/181.

41 Baptist 1978.

42 A.III, 22, in: Nyanatiloka 1969, Bd. 1, p. 112-113.

43 A.X, 208, in Nyanatiloka 1969, Bd, V, p. 124-126.


naar boven of  naar 2. De leer