Facetten van het Boeddhisme


naar Index


2.3. De drie aspecten van het leven

Inleiding     1. Dukkha (onvoldaanheid)     2. Anicca (vergankelijkheid, niet-blijvendheid)     3. Anatta (niet-zelf)     



De drie aspecten van het leven


Inleiding

    De Boeddha onderwees dat alle veroorzaakte verschijnselen zonder een "zelf" zijn. Dat was toen en is ook nu nog steeds heel tegengesteld aan wat de gangbare gedachtengang is. Er is geen ziel die van het ene leven verhuist naar een ander leven.

    Ook onderwees de Boeddha dat alles wat samengesteld is, veranderlijk en vergankelijk is. Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden, blijft eeuwig bestaan. Het bestaan is maar tijdelijk. Ook de hoogste god zal eens van het goddelijk leven afscheid moeten nemen.

    Omdat alles verandert en vergaat, ontstaat er frustratie. Dat komt omdat men zich eraan hecht, omdat men iets wel of niet wil hebben.

    Deze drie aspecten of kenmerken van het leven zijn door de Boeddha in vele toespraken behandeld en uitgelegd. Hij sprak met geleerden en koningen, maar ook met bedelaars en niet zo heel snuggere mensen. En soms begrepen de minder bedeelden zijn leer eerder dan de geleerde mensen.

    Die drie aspecten zijn: dukkhā (onvoldaanheid), aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid) en anattā (niet-zelf).

1. Dukkhā (onvoldaanheid)

    De Boeddha leerde dat alles wat in het bestaan is getreden, onderhevig is aan dukkhā, d.w.z. dat alles hier onvoldaan is, onafgewerkt, onvolmaakt. En daardoor is het een bron van lijden, leed, frustratie.

    Voorbeeld: als wij iets smakelijks eten of naar een mooi landschap kijken, dan genieten wij ervan. Maar het eten raakt op, en wij willen nog langer genieten van de lekkere smaak. En dat kan niet, tenzij we iets nieuws kopen. En dan vinden wij het jammer dat het genot maar zo kort was. En wij kunnen niet blijven kijken naar het mooie landschap. Zelfs als wij op dezelfde plaats konden blijven staan, dan wordt het toch avond en nacht. Of er wordt iets op gebouwd of men vindt er grondstoffen die ontgonnen moeten worden. En dan verandert ook het aanzicht van het landschap. Omdat de verandering niet aanvaard wordt, volgt frustratie, leed. Zo is datgene wat eerst voor een aangenaam gevoel zorgde, daarna een oorzaak voor lijden. En dat komt omdat alles hier onvolmaakt is en omdat wij ons eraan hechten.

2. Aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid, niet-blijvendheid, onbestendigheid)

    Een tweede aspect van het leven is aniccā. Het is het feit dat alles in dit leven constant verandert. Niets blijft gelijk.1 Ook dit is een oorzaak voor leed, frustratie. Meestal willen wij dat een bepaalde situatie zo blijft als ze is, dat ze niet meer verandert. Wie jong is, wil niet graag oud en gebrekkig worden. Wie sterk is, wil dat graag blijven. Maar door ziekte kan ook de sterke mens heel zwak worden.

    Wij worden geboren, worden ouder en sterven. Tijdens dat hele proces hebben er onafgebroken veranderingen plaats. En wij kunnen er niet voor zorgen dat iets ongewijzigd blijft. Als wij dat wel willen, dan is dat alleen maar een bron van frustratie, leed, dukkhā.

3. Anattā (niet-zelf)

    Een ander aspect van het leven is de leer van anattā, niet-zelf. Met deze leer wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in de conventionele zin geloochend. Maar wel wordt ontkend dat er een blijvende wezenskern ten grondslag ligt aan een zich voortdurend veranderend lichamelijk-geestelijk proces. 

   

    De Boeddha zei niet dat er geen "zelf"is; maar hij zei ook niet dat er wel een “zelf” is. Hij benadrukte wel dat alles wat veroorzaakt is, dat alles wat samengesteld is, niet "mijn zelf" is. Die leer van anatta, niet-zelf, is niet gemakkelijk in te zien. Er is geen “ik” die denkt of ziet of hoort etc.; er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.


    Er is geen zelf, geen "ik". Van de meeste dingen kunnen wij dit wel aannemen. De boom is ontstaan, heeft geen zelfstandige kern. Het huis waarin we wonen, is gebouwd uit losse elementen, is zonder zelf, zonder blijvende kerk. Atomen (letterlijk: ondeelbare deeltjes) bestaan weer uit onderdelen die nog verder geanalyseerd kunnen worden. Maar de mens zelf beweert dat hij een vaste kern heeft, een blijvend iets (in andere religies "ziel" genaamd). Maar volgens de leer van de Boeddha is ook de mens zonder een dergelijke blijvende vaste kern.

    Ons lichaam is ontstaan. Het is gegroeid uit een eicel en een zaadcel, gevoed met bloed, melk, brood, aardappelen, soep, enz. Eerst was het lichaam klein, nu is het groter en sterker; later wordt het weer zwak. En na de dood blijft er alleen een hoopje as over als wij het laten cremeren. Zijn wij gelijk aan het lichaam? Of behoort het lichaam ons toe? Neen toch! Wij hebben er (bijna) niets over te vertellen. Als het lichaam een bijvende kern had, zou die altijd gelijk blijven. Maar dat is niet zo. En als het lichaam ons toebehoorde, konden wij er over bevelen. Ook dat kunnen wij niet. Als wij ziek zijn, kunnen wij het lichaam niet bevelen weer gezond te worden. Neen, het lichaam is niet van ons, het is zonder vaste kern, het is oorzakelijk ontstaan.

    En ook de gevoelens en emoties die bij iemand opkomen, zijn niet zelf; zij hebben geen vaste kern. Zij ontstaan door bepaalde omstandigheden en verdwijnen daarna weer.
    

    Geen enkel verschijnsel hier is een zelfstandige, op zichzelf bestaande eenheid. Alles is aan oorzaken gebonden. Alles is op de een of andere manier veroorzaakt door meerdere dingen of omstandigheden. Zo kan water zich uiten als damp, sneeuw of ijs, al naar gelang de omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld muziek van een cassetterecorder veroorzaakt. De muziek is niet zelfstandig, zit niet in de cassette en ook niet in de recorder noch in de elektriciteit die de recorder in beweging zet. Maar door diverse oorzaken wordt geluid geproduceerd. Er is geen zelfstandig iets.


    De overweging van de onpersoonlijkheid, van leegheid, is de bevrijding door inzicht dat alles leeg is van een zelf of ik. Meditatie over leegheid is erg belangrijk en kan iemand voeren naar Ontwaking, naar het doodloze, naar Nibbana.

naar boven  of naar 2. De leer