Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.6. Contemplatie over de dood

inleiding     1. Drie soorten overmoed     2. Contemplatie over de dood I.     3. Contemplatie over de dood II.     4. Contemplatie over de dood III.      5. Angst voor de dood     6. Angst voor de dood II.     7. Salla Sutta - de stekel      Bronnen


Contemplatie over de dood



Inleiding


De dood wordt algemeen beschouwd als een onderwerp waarover men weinig of niet nadenkt. Maar de Boeddha Gotama heeft denken over de dood aanbevolen als een heilzame overweging. Hij noemde denken over de dood één van de tien meditaties die naar het Doodloze voeren.


Juist denken over de dood geeft vrede en kalmte zowel voor degene die sterft als voor de nabestaanden. Ook is wedergeboorte in een gelukkige sfeer van bestaan het gevolg van een juist overwegen van de dood. Er kan zelfs de Doodloze staat (Nibbāna) mee worden bereikt.


De contemplatie over de dood behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

Contemplatie over de dood, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoog loon en zegen; ze mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61; A.V.71; A.V.303; A.VII.45; A.IX.16; A.IX.93; A.X.56; A.X.217-219)


Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van de dood, diens geest deinst terug voor de levenslust, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII.45)


1. Drie soorten overmoed


De Bodhisatta leefde in zijn jeugd zonder zorgen, in weelde. Maar toch kwamen de volgende gedachten bij hem op.

Waarlijk, de onwetende wereldling, zelf aan ouderdom onderworpen, zonder aan ouderdom te kunnen ontsnappen, is bedroefd, geschokt en hij heeft een afkeer wanneer hij een bejaarde ziet; zichzelf echter negeert hij, op zichzelf slaat hij geen acht. Maar ook ik ben immers onderhevig aan ouderdom, kan de ouderdom niet ontgaan. Als ik nu, die aan ouderdom onderworpen ben, die de ouderdom niet kan ontgaan, bij het zien van een bejaarde bedroefd en geschokt zou zijn, en een afkeer had, dan zou dat niet juist zijn voor mij.' Monniken, terwijl ik zo dacht, verdween bij mij alle jeugdige overmoed (yobbana-mada, ārogya-mada, jīvita-mada; zie A.V, 57).

Voorwaar, de onwetende wereldling, zelf aan de ziekte onderworpen, zonder de ziekte te kunnen ontgaan, is bedroefd, geschokt en walgt wanneer hij een zieke ziet; zichzelf echter negeert hij, zichzelf laat hij buiten beschouwing. Maar ook ik ben immers aan de ziekte onderworpen, kan de ziekte niet ontgaan. Als ik nu, die aan de ziekte onderhevig ben, die de ziekte niet kan ontgaan, bij het zien van een zieke bedroefd zou zijn, geschokt zou zijn en zou walgen, dan zou dat niet goed zijn voor mij.' Terwijl ik zo dacht, verdween bij mij elke overmoed wat betreft gezondheid.

Voorwaar, de onwetende wereldling, zelf aan de dood onderworpen, zonder te kunnen ontsnappen aan de dood, is bedroefd, ontzet en met afschuw vervuld wanneer hij een gestorvene ziet; zichzelf echter negeert hij, zichzelf laat hij daarbij buiten beschouwing. Maar ook ik ben immers onderworpen aan de dood, kan de dood niet ontlopen. Als ik nu, die onderhevig ben aan de dood, die de dood niet kan ontlopen, bij de aanblik van een dode bedroefd zou zijn, ontzet was en zou walgen, dan zou dat niet juist van mij. ' Monniken, terwijl ik zo dacht, verdween bij mij elke overmoed wat leven betreft. (A.III.39a =AN.III.4.11)

2. Contemplatie over de dood I.


Eens vertoefde de Verhevene in het bakstenen huis nabij Nātika. Daar wendde hij zich tot de monniken met de volgende woorden:

"De contemplatie over de dood, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoge beloning en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze.

Monniken, beoefenen jullie wel de contemplatie over de dood?"

Na deze woorden gaf een van de monniken aan de Verhevene ten antwoord: "Heer, ik beoefen de contemplatie over de dood."

"Hoe dan, monnik, beoefen je de contemplatie over de dood?"

"Ik denk dan, Heer: 'Dat het mij toch vergund is om nog een dag en een nacht te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.' Op deze manier, Heer, beoefen ik de contemplatie over de dood."

Iemand anders van de monniken echter sprak tot de Verhevene: "Ook ik, Heer, beoefen de contemplatie over de dood." - "Hoe dan, monnik, beoefen jij ze?"

"Heer, dan denk ik: 'Dat het mij toch vergund is om nog deze dag te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overdenken. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.’"

(En andere monniken antwoordden:) 'Dat het mij toch vergund is om nog een halve dag te blijven leven - nog zolang als een aalmoezenmaaltijd duurt - nog zolang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - nog zolang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen rijst duurt - nog zolang als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. - Dat het mij toch vergund mag zijn om nog te blijven leven gedurende de tijdspanne die tussen een inademing en een uitademing ligt of tussen een uitademing en een inademing. Ik wil nog graag de instructie van de Verhevene overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken!"

Na deze woorden sprak de Verhevene als volgt tot de monniken:

"Monniken, degenen die de contemplatie over de dood beoefenen door te denken: 'Dat het mij toch vergund is om één dag en één nacht te blijven leven - nog één dag - een halve dag - zolang als een aalmoezenmaaltijd duurt - zolang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - zolang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken!' - van deze monniken, monniken, zegt men dat zij achteloos leven op een langzame manier de contemplatie over de dood beoefenen, om de opdroging van de neigingen te bereiken.

Maar van die monnik die de contemplatie over de dood beoefent waarbij hij denkt: 'Dat het mij toch vergund is om zolang te blijven leven als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.'

Of hij denkt: ‘Dat het mij toch vergund is om nog in leven te blijven gedurende de tijdspanne die ligt tussen inademen en uitademen, of tussen uitademen en inademen. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.'

Van een degelijke monnik zegt men, monniken, dat hij in volle ernst leeft en ijverig de contemplatie over de dood beoefent om de opdroging van de neigingen te bereiken.

Daarom, monniken, moeten jullie ernaar streven: 'Vol ernst willen wij leven en ijverig de contemplatie over de dood beoefenen, om de opdroging van de neigingen te bereiken.' Dat, monniken, moet jullie streven zijn." (A.VIII.73)


3. Contemplatie over de dood. II


In het bakstenen huis bij Nātika.
"De contemplatie over de dood, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengt een hoge beloning en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. Op welke manier echter ontplooid en beoefend, brengt de contemplatie over de dood hoge beloning en zegen en mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze?
Monniken, wanneer de dag ten einde loopt en het nacht wordt - of wanneer de nacht wijkt en de dag aanbreekt, dan denkt de monnik bij zichzelf: 'Waarlijk, er bestaan voor mij veel mogelijkheden om te sterven: een slang zou me kunnen bijten, of een schorpioen of duizendpoot zou me kunnen steken, en daardoor zou ik om het leven kunnen komen. Maar dat zou voor mij een hindernis zijn. Ik zou eens kunnen struikelen en vallen, of het gegeten voedsel zou me slecht kunnen bekomen, of gal, slijm of stekende gassen zouden opgewekt worden, of mensen of duivels zouden mij kunnen aanvallen. En daardoor zou ik om het leven kunnen komen. Maar dat zou een hindernis voor mij zijn.'
Monniken, dan moet de monnik bij zich aldus overwegen: "Bevinden zich in mij nog onoverwonnen, slechte, onheilzame eigenschappen die mij tot schade kunnen strekken wanneer ik vannacht - op de dag van vandaag zou sterven?" Monniken, wanneer dan de monnik bij zijn contemplatie merkt dat in hem nog onoverwonnen slechte, onheilzame eigenschappen zijn te vinden die hem, wanneer hij stierf, tot nadeel zouden kunnen strekken, dan moet die monnik uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid tonen om deze slechte, onheilzame eigenschappen te overwinnen.
Monniken, juist zoals iemand, wiens kleding of haren in brand staan, om ze te blussen uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid toont, evenzo, monniken, moet die monnik uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, volharding, opmerkzaamheid en mentale helderheid tonen om deze slechte, onheilzame eigenschappen te overwinnen.
Monniken, wanneer evenwel de monnik bij zijn contemplatie merkt dat in hem geen onoverwonnen slechte, onheilzame eigenschappen meer te vinden zijn, dan kan die monnik in gelukzalige vreugde vertoeven, in het goede zich oefenende overdag en 's nachts.
De contemplatie over de dood, monniken, aldus ontplooid en vaak beoefend, brengt hoge beloning en zegen en mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze." (A.VIII.74)


4. Contemplatie over de dood. III


Bij het overwegen van de dood moet men beginnen bij het nadenken over de dood van een neutraal iemand. Daarbij ontstaan geen emoties. Bij het beschouwen van de eigen dood kan ontzetting of angst ontstaan. Bij het overwegen van de dood van een geliefd mens kan verdriet ontstaan. En door het nadenken over de dood van een vijandige persoon kan vreugde ontstaan. Die gevoelens belemmeren een juist beschouwen van de dood.

De overweging is aldus: “Eens komt de dood; de levenskracht zal ophouden.”


Als men vaak op de juiste wijze nadenkt over de dood, brengt dat grote vrucht en grote zegen. Dit overdenken voert naar en eindigt in het Doodloze. Daarom moet men de contemplatie over de dood ontwikkelen. (zie ook A.I.26)

Wij moeten ons oefenen met de volgende gedachten: “Vlijtig zullen wij leven en om de smetten te vernietigen zullen wij het overdenken van de dood vurig cultiveren.

Er kunnen veel oorzaken zijn voor mijn dood. Door een ongeval of ziekte zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij. Of ik kan struikelen en vallen. Of het gegeten voedsel kan ziekte veroorzaken. Of ik kan op andere manieren ziek worden. Mensen of niet-menselijke wezens kunnen mij aanvallen. En daardoor zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij.”

En verder moeten wij dan overwegen: “Heb ik slechte en onheilzame eigenschappen welke nog niet verworpen zijn en welke een hindernis zullen zijn indien ik ’s nachts of overdag zou sterven?”

Als wij beseffen dat wij nog slechte, onheilzame eigenschappen hebben, dan moeten wij ons met oplettendheid en helder begrip inspannen om die eigenschappen te verwijderen. Maar als wij bij het overwegen beseffen dat wij geen slechte en onheilzame eigenschappen hebben welke een hindernis voor ons zouden kunnen zijn bij de dood, dan mogen wij blij en vol vreugde zijn. Dag en nacht moeten wij ons oefenen in al wat heilzaam is.

Oplettendheid over de dood is: het zich herinneren aan het sterven, denken aan de dood. Dood is hier de onderbreking van het leven. Denk aldus: "Dood zal er plaats hebben, de levensmogelijkheid zal onderbroken worden."

Denk niet aan de dood van dierbaren of van vijanden of aan eigen dood. Het eerste bezorgt leed, het tweede vreugde en het derde angst. Maar in de eerste fase moet men denken aan reeds gestorvenen: “Dood zal er plaats hebben.”

Maar iemand die meer wil oefenen, kan het als volgt doen:

De dood komt als een moordenaar; hij komt met de conceptie en neemt het leven. Vanaf de dag dat wij zijn ontvangen in de moederschoot, vanaf die dag gaan wij steeds verder, onophoudelijk, en terugkeer is niet meer mogelijk.”

Met de conceptie beginnen wij te sterven; de dood is inherent aan het leven.”

Dood zal er komen, voor mooi en lelijk, voor arm en rijk. Dood zal er komen voor ieder van ons.”


Zoals de machtige rotsen van het gebergte omhoog reiken tot aan de hemel en het land overal neerdrukken, evenzo drukken ouderdom en dood de wezens neer in de wereld. Niemand laten zij ongemoeid, geestelijken noch militairen, werkgevers noch werknemers. Zowel armen als rijken en machtigen worden door de dood verpletterd.”


Dagen en nachten ijlen voorbij; het leven verdwijnt snel. Evenals het water in een poel, zo droogt het leven van sterfelijken op.”


Zelfs zulke hoge wezens die alles overleggen, die ontwaakt zijn door de kracht van eigen weten en in wie alle waan verdween; die alleen gaan, alleen vertoeven, zoals de neushoorn in de eenzaamheid, zelfs zij ontkomen niet aan de dood. Als zoiets voor de volmaakte heiligen geldt, dan toch ook voor mij.”


Dit leven is machteloos; want het is o.a. gebonden aan in- en uitademen, aan hitte en koude, en aan voedsel. Als de ademhaling stopt, eindigt het leven. Wie door overmatige hitte of koude wordt bevangen, bij hem of haar verdwijnt het leven. En wie lange tijd geen voedsel gebruikt, gaat dood.”


5. Angst voor de dood. I.


Vrees voor de dood hoeft er alleen te zijn voor degenen die geen deugdzaam leven hebben geleid. Maar wie een deugdzaam leven leidt, wie niemand kwaad doet en wie anderen behulpzaam is, wie in overeenstemming met de leer leeft en steeds de leer voor ogen heeft, hij of zij legt zonder twijfel de basis voor een gelukkige toekomst. De Dhamma beschermt degene die in overeenstemming ermee leeft. Wie goed doet, verheugt zich in beide werelden: in deze en in de volgende.


Alwie geen helder idee heeft over de dood en niet weet dat dood bestaat in de oplossing van de vijf groeperingen van bestaan, die denkt dat een persoon of een wezen sterft en overgaat naar een nieuw lichaam.

6. Angst voor de dood. II.



Eens ging Jānussoni, de brahmaan, naar de plaats waar de Gezegende vertoefde. Daar aangekomen wisselde hij vriendelijke begroetingen uit met de Gezegende en na hoffelijke en beleefde woorden te hebben uitgewisseld, ging hij terzijde zitten. Terzijde zittend sprak Jānussoni, de brahmaan, tot de Gezegende als volgt:

"Dat is wat ik beweer, Heer Gotama, dat is mijn mening: er is niemand onder de stervelingen die niet voor de dood angstig en bang wordt.

"Brahmaan, er zijn stervelingen die angstig en bang worden voor de dood. En brahmaan, er zijn stervelingen die niet angstig en bang worden voor de dood.

Wie evenwel, brahmaan, onder de stervelingen wordt angstig en bang voor de dood?



Brahmaan, iemand is bij de zinnelijke genoegens niet vrij van hebzucht en vurig verlangen, niet vrij van genegenheid en dorst, niet vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, mijn geliefde zinnelijke genoegens zullen verdwijnen! Ach, de geliefde zinnelijke genoegens zal ik verliezen." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood angstig en bang.

Verder, brahmaan: iemand is bij het lichaam niet vrij is van hebzucht en vurig verlangen, niet vrij van genegenheid en dorst, niet vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, mijn geliefde lichaam zal verdwijnen! Ach, het geliefde lichaam zal ik verliezen." En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Ook een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood angstig en bang.

Verder, brahmaan: iemand heeft verzuimd om edele, heilzame werken te doen die de angst van de wezens bannen, en hij heeft slechte dingen gedaan, heeft onbeschofte en gemene daden verricht. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, verzuimd heb ik edele, heilzame werken te doen die de angst van de wezens bannen, en ik heb slechte dingen gedaan, onbeschofte en gemene daden! Welk spoor van bestaan bestemd is voor degenen die het doen van edele, heilzame werken die de angst van de wezens bannen, hebben verzuimd en slechte dingen, onbeschofte en gemene daden hebben verricht, juist zo'n spoor van bestaan zal ik na de dood gaan! " En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat huilend op zijn borst, wordt wanhopig. Ook een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood bang en angstig.

Verder, brahmaan: iemand is een twijfelaar, een weifelend mens, niet tot duidelijkheid gekomen in goede leer. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ach, ik ben een twijfelaar, een weifelend mens, niet tot duidelijkheid gekomen in de goede leer!" En hij jammert en kreunt en klaagt, slaat wenend op zijn borst, wordt wanhopig. Ook zo'n sterveling, brahmaan, wordt voor de dood angstig en bang.

Deze vier stervelingen, brahmaan, worden voor de dood angstig en bang.



Maar welke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood niet angstig en bang?

Brahmaan, iemand is bij de genoegens van de zintuigen vrij van hebzucht en vurig verlangen, vrij van genegenheid en dorst, vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij daarbij niet: "Ach, mijn geliefde genoegens van de zintuigen zullen verdwijnen! Ach, ik zal de geliefde zinnelijke genoegens verliezen! " En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wendend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Zo'n sterveling, brahmaan, wordt voor de dood niet angstig en bang.

Verder, brahmaan: iemand is bij het lichaam vrij van hebzucht en vurig verlangen, vrij van genegenheid en dorst, vrij van koortsig verlangen en begeerte. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij daarbij niet: "Ach, mijn geliefde lichaam zal verdwijnen! Ach, ik zal ik het geliefde lichaam verliezen." En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wenend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Ook zo'n sterveling, brahmaan, wordt voor de dood niet angstig en bang.

Verder, brahmaan: iemand heeft geen slechte dingen gedaan, heeft geen onbeschofte en gemene daden verricht, maar hij heeft edele, heilzame werken verricht die de angst van de wezens bannen. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Geen slechte dingen heb ik gedaan, ik heb geen onbeschofte en gemene daden verricht, maar ik heb edele, heilzame werken gedaan die de angst van de wezens bannen. Welk spoor van bestaan bestemd is voor degenen die geen slechte dingen doen, geen onbeschofte en gemene daden verrichten, die veeleer edele, heilzame werken verrichten die de angst van de wezens bannen, juist zo'n spoor van bestaan zal ik na de dood gaan! "En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet huilend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Ook een dergelijke sterveling, brahmaan, wordt voor de dood niet bang en angstig.

Verder, brahmaan: iemand is geen twijfelaar, geen weifelend mens, is tot duidelijkheid gekomen in de goede leer. Hij wordt nu door een ernstige ziekte getroffen. Getroffen door een ernstige ziekte denkt hij als volgt: "Ik ben geen twijfelaar, geen weifelend mens, ik ben tot duidelijkheid gekomen in de goede leer!" En hij jammert niet, kreunt niet, klaagt niet, slaat niet wenend op zijn borst, wordt niet wanhopig. Ook zo'n sterveling, brahmaan, wordt voor de dood niet angstig en bang.



Deze vier stervelingen, brahmaan, worden voor de dood niet angstig en bang."



Na deze leerrede nam de brahmaan zijn toevlucht tot de Boeddha, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. Hij werd een lekenvolgeling van de Verhevene. (A.IV.184).

7. Salla Sutta - De stekel

(Sn. III.8. (verzen 574-593)


574. Onbestembaar, onherkenbaar is voor stervelingen hun leven. Moeizaam is het, kort van duur, eng verbonden is het met lijden.1

575. Waarlijk, er is geen middel waardoor geborenen niet sterven. Na de ouderdom volgt het sterven, want dat is de aard van levende wezens.

576. Zoals er bij rijpe vruchten voortdurend angst is dat zij afvallen, zo zijn ook de als sterfelijk geborenen in voortdurende angst voor de dood.

577. Zoals de aarden potten, gevormd door de hand van de pottenbakker, allemaal eindigen in uiteenvallen, zo ook is het leven bij stervelingen.

578. Jonge en volwassen mensen, dwazen en ook wijze mensen, zij allen komen in de macht van de dood, allen hebben de dood als hun einde.

579. Wanneer zij door de dood zijn overwonnen en van hier naar de andere wereld gaan, dan beschermt de vader zijn zoon niet, noch geven verwanten bescherming aan de andere verwanten.

580. Zie deze hier, de toekijkende en klagende verwanten. Ook ieder van hen zal ooit weggeleid worden juist zoals een koe die geslacht gaat worden.

581. Waarlijk, zo is deze wereld geslagen met dood en verval. Daarom klagen wijzen niet omdat zij de aard van de wereld hebben ingezien.

582. Wiens weg jij niet meer waarneemt, niet zijn komen, niet zijn gaan, waarbij men beide einden niet ziet, doelloos is jouw klagen om hem.

583. Als men ergens een voordeel door klagen kon verkrijgen, dan zou ook een verstandige klagen. Maar een dwaas zal zich alleen zelf benadelen.

584. Niet door wenen, niet door klagen vindt men ooit de vrede van de geest. Steeds meer slechts neemt het lijden toe, en het lichaam wordt uitgeput.

585. Alleen zichzelf schade toebrengend wordt hij mager, bleek van kleur. Daarmee helpt hij de dode niet, zijn geklaag is nutteloos.

586. Wanneer de mens verdriet niet opgeeft, zinkt hij steeds dieper in het lijden. Jammerend om de gestorvene wordt hij door smart helemaal overweldigd.

587. Zie ook die andere mensen: de vrucht van hun daden verwachtende, voor de macht van de dood staande, hoe zij hier ervoor beven [van angst].

588. Wat de mensen ook van plan zijn, het komt toch anders. Zo is het ook met deze scheiding. Herken hierin de aard van de wereld.

589. Of het leven van iemand ook honderd jaren of langer duurt, eens zal hij toch van zijn verwanten gescheiden worden. Hij moet het leven hier achterlaten.

590. Laat men daarom naar de heiligen luisteren en laat men droefheid overwinnen. Laat men bij het zien van een gestorvene denken: “Hij is onbereikbaar voor mij. Hij kan niet teruggebracht worden.”

591. Zoals men met water haastig een brandend huis blust, zo ook zal degene die wijs is, verstandig en ervaren, snel, zoals de wind de katoenvlokken wegdrijft, het opgekomen verdriet verjagen,

592. en evenzo geklaag, vurig verlangen en droefenis die in hem komen. Degene die naar eigen geluk zoekt, laat hij de eigen stekel uittrekken.

593. Wie de stekel heeft uitgetrokken zal, niet afhankelijk, de vrede van de geest vinden. Wie alle verdriet heeft overwonnen, wie vrij is van verdriet, wordt bevrijd.

naar boven

_____


1 Commentaar: onbestembaar is het leven omdat men niet aan iemand anders kan zeggen: 'Totdat ik dit heb gedaan, zo lang blijf ik nog in leven. Moge jij niet voor die tijd sterven.'

Onherkenbaar is het leven omdat men niet met zekerheid kan zeggen: 'Zo en zo lang heeft die persoon nog te leven.'

Moeizaam wordt het leven genoemd omdat het aan verschillende voorwaarden is gebonden: aan in- en uitademen, aan de (vier) elementen, aan stoffelijk voedsel, aan lichaamswarmte, aan het bewustzijn.

Van korte duur, (paritta) betekent 'gering'. Vergeleken met het leven van de goden is de levensduur van de mensen als een dauwdruppel op de top van een grashalm. Verder is het leven van de mens ook van korte duur omdat het eigenlijk niet boven een enkel bewustzijnsmoment uit gaat.


    Citaat uit het Maha Niddesa: "Kort, waarlijk is dit leven. - Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur ervan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan
In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.

    Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in één geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet één keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn zij, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer zij zijn ontstaan, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij te voorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.

    Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
Ook aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn is het leven gebonden.
De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan, die ermee verknoopt zijn.
Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.

naar boven


Bronnen

Gunaratna, V.F.: Buddhist Reflections on Death. Kandy: BPS, 1966. The Wheel No. 102/103.

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy: BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.

Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy: BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy: BPS, 2524/1980.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln: DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.

Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy: BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.

naar boven