Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.4. Saddha, vertrouwen en eerbetoon

Inleiding      1. Denken aan de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha      2. Vertrouwen en deugd      3. Stromen van verdienste      4. Het beste gezelschap      5. Toevluchtname en denken aan  het Drievoudige Juweel      6. Vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en  Ariyasangha      7. Zonder angst en blaam      8. Zelfvertrouwen      9. Lof aan de Boeddha - Het enige wezen      10. Lof aan de Boeddha, de Volmaakte      11. De koning van de wet      12. Onovertroffen      13. De Volmaakte, de Verhevene      14. De tien krachten van een Tathagata      15. Bovennatuurlijke krachten      16. Ratana sutta - De Juweel toespraak      17. Eerbetoon door koning Pasenadi      18. De vijf krachten van de Volmaakte      19. Hoogste zegen      20. De zegen van vertrouwen      21. De zegeningen van de leertoespraak      22. Zeven voorwerpen van eerbied      23. Bespiegeling over deugd      24. Bespiegeling over vrijgevigheid       25. Bespiegeling over godheden      26. Overdracht van verdiensten      27. Door vertrouwen bevrijd      28. Maha-jayamangala gatha      29. De acht verzen over heilzame  overwinningen      30. Jayaparitta - de victorie bescherming      31. Cullamangalacakkavala - De kleine  sfeer van zegeningen      32. Goede wensen  


Saddhā (vertrouwen)


Inleiding

Een andere methode van meditatie bestaat uit vertrouwen (saddhā). Dit is vertrouwen hebben in de Boeddha, in zijn leer en in de Orde van de heilige monniken, de Ariyasangha.

Ook door vertrouwen kan men het hoogste heil verwerven. Door vertrouwen en devote meditatie worden de gedachten gericht op één punt. Het denken is goed wanneer wij de gedachten vestigen op de Boeddha, op zijn leer of de gemeenschap van de monniken. Ook kan men dagelijks aandachtig een stukje lezen over de Boeddha of zijn leer, of een bepaald facet van de leer overdenken. Dit behoort eveneens tot saddhā.


Saddhā, devote meditatie, vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met wijsheid. Saddhā voert tot een kalme, rustige geest. En daardoor kan het hoogste geluk bereikt worden.


Wie vertrouwen heeft in de Verlichting van de Verhevene, dat strekt hem tot heil en zegen voor het hiernamaals. (A.VIII.54)


De Boeddhist(e) heeft vertrouwen indien hij of zij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte (M.53) of in de Drie Juwelen door zijn/haar toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha te nemen. Dat vertrouwen moet dan gemotiveerd zijn door en gegrond in begrip. Ook wordt aan de Boeddhist(e) gevraagd om het object van zijn/haar vertrouwen te onderzoeken en te testen (M.47).

Het vermogen van vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met het vermogen van wijsheid. Door begrip en wijsheid wordt vertrouwen een innerlijke zekerheid en een vaste overtuiging die gebaseerd is op eigen ervaring. Geloof is het zaad genoemd van alle heilvolle toestanden (Sn. vers 77). Want het inspireert de geest met zelfvertrouwen en vastberadenheid om de stroom van samsāra (het steeds weer geboren worden en sterven) over te steken.

Saddhā, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste.1 Ook is vertrouwen een van de vijf geestelijke eigenschappen2 en één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.3


Vertrouwen is het zaaigoed

en ascese is de regen;

wijsheid is juk en ploeg.

Schaamte is de dissel

en de geest is de verbinding;

oplettendheid is ploegschaar en drijfstok.

(Sn.vers 77).


Volgens het commentaar op bovenstaand vers is de betekenis ervan als volgt. Het zaad hecht zich beneden vast door middel van de wortels en laat een kiem ontstaan naar boven. Zo is het ook met vertrouwen. Van onderen staat het vast als wortel van deugdzaamheid; naar boven laat het de kiem van geestelijke rust en inzicht ontstaan.


Als men geneigd is tot piekeren, tot bezorgdheid, dan is een denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde een grote hulp. Het gemoed wordt stil, en met een stil en vredig gemoed ziet men de dingen anders dan voorheen. De slang die vrees inboezemde, wordt met kalme geest gezien voor wat ze werkelijk is: een gewoon touw waarvoor men geen angst hoeft te hebben. Het reciteren van (Pali-)teksten of het denken aan het Drievoudige Juweel heeft dus ook een geruststellende functie.


1. Denken aan de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha


Denken aan het Drievoudige Juweel behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het brengt kalmte van geest. Want de Gezegende is vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van illusie. Daarom is hij niet meer geneigd tot angst, vrees, bezorgdheid en gejaagdheid. En om die reden straalt er een grote rust uit van de Boeddha, van zijn leer en van zijn heilige volgelingen. (zie: S.XI.3)

Het principe is eigenlijk heel eenvoudig. Er kunnen geen twee gedachten tegelijkertijd bestaan. Twee of meer gedachten kunnen niet op eenzelfde moment bij iemand verschijnen. Er ontstaat steeds maar één gedachte. Door nu onze gedachten te richten tot de verheven Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen kunnen gedurende die tijd geen andere en nadelige gedachten onze geest beïnvloeden. Een zekere mate van stilheid van geest kan men dus bereiken door te denken aan het Drievoudige Juweel.


"Als u de Boeddha voor uw geest roept,

zal er helemaal geen vrees voor u zijn.

En als u niet aan de Boeddha denkt,

denk dan aan de leer die goed verkondigd is

en die naar Nibbāna voert.

En als u niet aan de leer denkt,

denk dan aan de Orde, dat prachtige veld

van verdienste voor allen.

Diegenen die de verheven Boeddha,

de edele leer en de Ariyasangha

zich voor de geest roepen,

zal geen angst noch vrees doen beven.” (S.XI.3)


2. Vertrouwen en deugd


Alwie in de Volmaakte vertrouwen heeft

dat onwankelbaar en goed gevestigd is,

alwie deugd bezit die goed is,

die de Edelen behaagt

en door hen aanbevolen wordt;


Alwie vertrouwen heeft in de Orde

en inzicht heeft dat oprecht is en waar:

"Die is niet arm," zo zegt men.

"Niet leeg is zijn leven en het is niet verspild."


Daarom moeten de wijzen zich wijden

aan vertrouwen, deugd en zelfvertrouwen

in helder inzicht in de leer,

waarbij zij zich bezinnen op de boodschap

van de Boeddha. (S. LV. 51)


3. Stromen van verdienste

Er zijn meerdere stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Drie van die stromen zijn:


De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.


Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.


Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste. (A.VIII.39)


4. Het beste gezelschap


Eens stelde een godheid aan de Verhevene deze vraag:

“Wat is het beste gezelschap voor een mens?

Wat geeft hem onderricht?

En waarvan geniet een sterveling

als hij bevrijd is van al het lijden?”


De Boeddha gaf ten antwoord:

“Vertrouwen is het beste gezelschap voor de mens.

Wijsheid geeft hem onderricht.

En wanneer een sterveling van Nibbāna geniet,

is hij van al het lijden bevrijd.” (S. I,6,9)



5. Toevluchtname en denken aan het Drievoudige Juweel


Vertrouwen in de Boeddha, in zijn leer en in de gemeenschap van de heiligen wordt uitgedrukt door de toevluchtname en door – net als bij kalmte – te denken aan het Drievoudige Juweel.

Toevluchtname4


Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha;

ik neem mijn toevlucht tot zijn leer;

ik neem mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.5

Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;

nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;

nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.

Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;

nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;

nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.


6. Vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha


Denken aan het Drievoudige Juweel


‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’



‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’



‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen6 – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’


7. Zonder angst en blaam


De Volmaakte is van zuiver gedrag in daden, van zuiver gedrag in woorden, van zuiver gedrag in gedachten en van zuivere levenswijze. Bij hem is geen slecht gedrag in daden, woorden of gedachten en geen onjuiste levenswijze. In deze vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen.

De Volmaakte heeft de leer juist verkondigd. Niemand kan hem terecht voorwerpen maken dat hij de leer niet juist verkondigd zou hebben, zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Verhevene rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

Aan de discipelen heeft hij het pad dat naar Nibbana voert, juist onderwezen. Wanneer zij dit pad begaan krijgen zij na opdroging van de neigingen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Niemand kan de Volmaakte terecht voorwerpen maken dat hij dat pad niet juist zou hebben onderwezen, zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Verhevene rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

Na opdroging van de neigingen hebben vele honderden van zijn discipelen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkregen, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Niemand kan de Volmaakte terecht voorwerpen maken dat dit niet zo is, zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Verhevene rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

In deze drie dingen is hij onberispelijk. [A.VII.55]



8. Zelfvertrouwen


Ook heeft de Verhevene vier soorten van zelfzekerheid, vertrouwen:

Hij is er zeker van dat hij volledig verlicht is.

Hij is er zeker van dat de neigingen vernietigd zijn, dat onwetendheid is opgedroogd.

Hij is er zeker van dat de door hem genoemde hindernissen in staat zijn iemand die erin verstrikt is, te hinderen.

Hij is er zeker van dat wanneer hij aan iemand de Dhamma onderwijst, en wanneer die persoon de Dhamma dan in praktijk brengt, ze hem naar de volledige vernietiging van dukkha voert.

Een Tathāgata heeft deze vier soorten van zelfzekerheid en daarom maakt hij aanspraak op de hoogste plaats als leider van de kudde. (M.12) (A.IV.8)



9. Lof aan de Boeddha – Het enige wezen


Er is één wezen dat in de wereld verschijnt en dat veel mensen tot heil en zegen strekt, uit medelijden met de wereld, tot heil en zegen en welzijn voor goden en mensen. Dat ene wezen is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat zelden in de wereld geboren wordt. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat in de wereld verschijnt en er als een wonderbaarlijk mens ontstaat. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Het heengaan van één wezen vervult velen met droefenis. Het is het heengaan van de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Er is één wezen dat in de wereld ontstaat zonder weerga, zonder een tweede, zonder een metgezel, zonder iemand die hem gelijk is, helemaal onvergelijkbaar. Het is de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte.

Bij het verschijnen van één wezen openbaart zich het grote oog [van de wereld], openbaart zich grote helderheid, groot licht. De zes onovertreffelijke goede dingen openbaren zich,7 de vier analytische soorten weten worden verwerkelijkt,8 de veelsoortige en verschillende elementen worden begrepen,9 de vrucht van weten en bevrijding wordt verwerkelijkt. Verwerkelijkt worden de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet wederkeer en van heiligheid. Het is bij het verschijnen van de Volmaakte, heilige, volmaakt ontwaakte. (A.I.22)


10. Lof aan de Boeddha, de Volmaakte – Loka sutta

De Volmaakte (tathāgata) heeft de wereld volledig doorschouwd, en de Volmaakte is van de wereld bevrijd. De oorzaak van het bestaan van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en die oorzaak van het bestaan van de wereld heeft de Volmaakte overwonnen. De uitdoving van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en de uitdoving van de wereld is door de Volmaakte verwerkelijkt. Het pad dat voert naar de uitdoving van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en hij heeft dat pad ontplooid.


Wat in de wereld met haar goede en slechte geesten, haar Brahma-goden, de scharen van asceten en priesters, goden en mensen, gezien, gehoord, gevoeld, ingezien,10 bereikt is, waarnaar gestreefd wordt, wat in de geest overwogen wordt, dat heeft de Volmaakte volledig doorschouwd. Juist daarom heet hij de Volmaakte.


Wat vanaf die nacht waarin de Volmaakte de hoogste Verlichting verkreeg, tot die nacht waarin hij uitdooft in het Nibbāna dat van elke rest van bestaan vrij is, wat hij gedurende die tijd zegt, verklaart, uitlegt, dat alles is precies zo en niet anders. Juist daarom heet hij de Volmaakte.


Zoals de Volmaakte spreekt, zo handelt hij; en zoals hij handelt, zo spreekt hij. Zo is hij dus iemand die spreekt zoals hij handelt en die handelt zoals hij spreekt. Juist daarom heet hij de Volmaakte.


In de wereld met haar goede en slechte geesten, haar Brahma-goden, de scharen van asceten en priesters, goden en mensen, daar is hij de Overwinnaar, de onoverwonnene, de ziener, de machtige. Juist daarom heet hij de Volmaakte.


De wereld heeft hij doorschouwd,

en alles erin, zoals het werkelijk is.

Van de hele wereld ontbonden

zo schiep hij geen nieuwe binding.11

Als een alles-overwinnaar, sterk en wijs,

die elke boei van bestaan helemaal brak,

ondervond hij de hoogste vrede, het Nibbāna,

het oord dat vrij is van vrees en nood.

Leeg van de neigingen is hij, een Ontwaakte,

vrij van twijfel en geheel onverstoord.

Hij maakte een einde aan de binding van daden,12

de steun van bestaan brak hij helemaal in twee.

Heerlijk verheven, een Ontwaakte,

Hij, onvergelijkbaar, aan een leeuw gelijk,

verkondigde aan de wereld met haar goden

het heilige hoge rijk van de waarheid.13

De mensen en de goden

die tot de Ontwaakte hun toevlucht namen,

komen daarom, om hem te vereren,

Hem, de hoge Meester in weten.

(zij brengen hem eer door te denken)

'De beste is hij van de bedwongenen,

de uitgedoofde vorst van de uitgedoofden,

de allerhoogste van de bevrijden.'

Ook zo brengen zij verering aan Hem,

de hoge Meester in weten:

(door te denken:)

'In de wereld met haar goden

is er niemand die aan u gelijk is.' [A.IV.23]



11. De koning van de wet


De Volkomene, de Heilige, volmaakt Verlichte, steunt op de wet.14 De wet eert hij, waardeert hij, huldigt hij. En met de wet als leidraad geeft hij rechtvaardige bijstand, steun en bescherming aan het handelen in daden, woorden en gedachten, waarbij hij onderwijst: 'Een dergelijk handelen in daden, woorden en gedachten moet men oefenen; een dergelijk handelen in daden, woorden en gedachten moet men niet oefenen.'


De Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte, de rechtvaardige koning der wet, hij bestuurt, op de wet gesteund, het hoogste rijk van de waarheid juist met behulp van de wet. En dit rijk kan geen asceet of priester, geen hemels wezen, god of duivel, noch iemand anders in de wereld te gronde richten.” (A.III.14) (Zie ook A.V.133)



12. Onovertroffen


Zes dingen zijn onovertroffen: 1) Het zien van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste zien. 2) Het horen van de Dhamma van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste horen. 3) Vertrouwen in de Tathāgata of zijn discipelen is het edelste vertrouwen. 4) De hoogste deugd leren, de hoogste geest ontwikkelen, hoogste wijsheid is het edelste leren. 5) Dienstverlening aan de Tathāgata of zijn discipelen is de edelste dienst. 6) Het overwegen van de deugdzaamheden van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste overwegen. (A.VI.30)



13. De Volmaakte, de Verhevene

"Monniken, asceet is een aanduiding voor de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte.

Priester, meester in weten, arts, Onbevlekte, Smetteloze, een Kenner, Bevrijde, - monniken, dat zijn aanduidingen voor de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte.

Wat een asceet ook bereikt,

een priester die volbracht heeft

wat een kundige in weten,

een arts het hoogste vindt,


wat een smetteloze mens

verwerft, zuiver en onbevlekt,

wat een kenner, wat een bevrijde daar

als hoogste kan verwerven,


daarom heb ik overwonnen en ben bevrijd,

de boei van anderen maak ik nu los,

een Verhevene, volledig zelfbedwongen,

heb de strijd gestreden en ben bevrijd.

[A.VIII.85]




14. De tien krachten van een Tathāgata


"De Tathāgata heeft de tien krachten15 van een Tathāgata, en omdat hij die bezit, maakt hij in de bijeenkomsten aanspraak op de hoogste plaats, laat zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten horen, en zet hij het wiel van de Dhamma16 in beweging. Die tien krachten zijn:

(1) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.17

(2) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het resultaat van de daden die in het verleden, heden en toekomst verricht zijn; hij onderkent dat resultaat elk naar reden en oorzaak.

(3) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wegen die naar alle bestemmingsoorden voeren. Hij onderkent overeenkomstig de werkelijkheid elke afloop [van de daden].18

(4) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wereld met haar vele en verschillende elementen.19

(5) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe de levende wezens verschillende neigingen hebben.20

(6) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de aanleg van andere levende wezens, andere personen. Hij onderkent de hogere of mindere vaardigheden van de andere wezens, van de andere personen.21

(7) De Tathāgata onderkent overeenkomstig de werkelijkheid bij de meditatieve verdiepingen, bij de bevrijdingen (vimokkha), bij de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden de droefheid ervan, de zuiverheid ervan en het zich eruit verheffen.22

(8) De Tathāgata herinnert zich aan talrijke vroegere werdergeboorten, met de specifieke kenmerken en eigenschappen ervan, d.w.z. aan één geboorte, twee geboorten, drie geboorten, vier geboorten, vijf geboorten, tien geboorten, twintig geboorten, dertig geboorten, veertig geboorten, vijftig geboorten, honderd geboorten, duizend geboorten, honderdduizend geboorten, veel aeonen waarin het universum zich samentrok, veel aeonen waarin het universum zich uitbreidde, veel aeonen waarin waarin het universum zich samentrok en uitbreidde. "Daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heegegaan was, verscheen ik ergens anders weer. Ook daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heegegaan was, verscheen ik hier weer."

(9) Met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, ziet de Tathāgata hoe de wezens sterven en weer verschijnen, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden: 'Die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest slecht hebben gedragen, die de edelen gesmaad hebben, die verkeerde visies hadden en die dat in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood wedergeboren in omstandigheden die door ontberingen bestempeld zijn, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Maar die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest goed gedragen hebben, die de edelen niet gesmaad hebben, die juiste visies hadden en die dat in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood op een gelukkige plaats van bestemming wedergeboren, ja zelfs in de hemelse wereld.' Zo ziet hij met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden verder gaan.

(10) De Tathāgata heeft door opdroging van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, heeft ze zelf ingezien en verwerkelijkt.

De Tathāgata heeft deze tien krachten. En daarom maakt hij in de bijeenkomsten aanspraak op de hoogste plaats, laat hij zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten horen, en zet hij het wiel van de Dhamma in beweging. (M.12; A.X.21) [Vergelijk ook A.VI.64]



15. Bovennatuurlijke krachten


Ook verheugt de Verhevene zich over de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten, namelijk van één vermenigvuldigt hij zich; en daarna wordt hij weer een; hij verschijnt en verdwijnt; hij gaat ongehinderd door een muur, een omheining, een berg, alsof hij zich door de vrije ruimte beweegt; hij duikt in de grond en weer eruit alsof het water was; hij loopt over het water zonder te zinken alsof het aarde was; hij reist in de lotuszit door de ruimte als een vogel; met de hand raakt hij maan en zon aan die zo krachtig en machtig zijn; hij heeft lichamelijke beheersing die zelfs tot de wereld van Brahmâ reikt.'

'Met het hemelse oor dat gezuiverd is en dat het menselijke oor overtreft, hoort die Verhevene beide soorten van geluiden, de hemelse en de menselijke, de geluiden die veraf zijn net zo als de geluiden die nabij zijn.'

'De Volmaakte kent het gemoed van anderen. Hij omvat het hart van andere wezens, andere personen met zijn eigen hart. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door begeerte als door begeerte beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door begeerte beïnvloed is, als niet door begeerte beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door haat als door haat beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door haat beïnvloed is, als niet door haat beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door onwetendheid als door onwetendheid beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door onwetendheid beïnvloed is, als niet door onwetendheid beïnvloed. Hij begrijpt een geest die samengetrokken is als samengetrokken. En hij begrijpt een geest die afgeleid is, als afgeleid. Hij begrijpt een verheven geest als verheven; en een niet verheven geest als niet verheven. Hij begrijpt een overtrefbare geest als overtrefbaar; en een onovertrefbare geest als onovertrefbaar. Hij begrijpt een geconcentreerde geest als geconcentreerd; en een ongeconcentreerde geest als ongeconcentreerd. Hij begrijpt een bevrijde geest als bevrijd; en een onbevrijde geest als onbevrijd.' (M.12)



16. Ratana sutta – De Juweel-toespraak

Inleiding

In het vijfde jaar na de Verlichting ontstond er hongersnood in de stad Vesāli. Ten gevolge daarvan stierven eerst de arme mensen. De stank van hun lichamen trok een groot aantal geesten aan. Aangetast door die boze geesten stierf een nog groter aantal mensen. Zó groot was de stank van de lijken dat de inwoners ingewandsziekten kregen. Er waren toen dus drie plagen: de plaag van hongersnood, de plaag van boze geesten en de plaag van ziekte.

De inwoners van Vesāli nodigden toen de Boeddha, die te Varanasi vertoefde, uit om hun te komen helpen door zijn bovennatuurlijke krachten. En de Verhevene ging met een groot gevolg naar Vesāli.

Sakka, de koning van de goden, kwam in gezelschap van een groep godheden eveneens naar Vesāli. En door het samenkomen van zulke machtige goden sloegen de boze geesten voor het grootste deel op de vlucht.

In de avond stond de Leraar bij de poort van de stad en sprak tot de ouderling Ānanda: “Ānanda, ontvang van mij deze Juweel-toespraak en reciteer ze als bescherming binnen de drie muren van de stad Vesāli, terwijl je met de Liccavi-prinsen de ronde doet in de stad.”

De ouderling ontving de Juweel-toespraak uit de mond van de Leraar, nam water in de stenen nap van de Meester en ging naar de stad. Daar nam hij zijn plaats in aan de poort. Toen hij daar stond, mediteerde hij over alle verdiensten van de Boeddha, te beginnen met diens verheven besluit. Vervolgens beschouwde hij de tien volmaaktheden van de Tathāgata; de vijf grote opofferingen; de drie verdienstelijke daden ten behoeve van de wereld, ten behoeve van zijn verwanten en omwille van de Verlichting; zijn bereiken van alwetendheid en de negen bovenzinnelijke voorwaarden.

Daarna betrad Ānanda de stad en ging gedurende de drie nachtwaken rond binnen de drie muren van de stad. Hierbij reciteerde hij de Juweel-toespraak als bescherming.


Op het moment dat de eerwaarde Ānanda de woorden: “Wat er bestaat” (vers drie) uitsprak en het water omhoog sprenkelde, viel het op de boze geesten. Vanaf de derde strofe rezen druppels water die op zilveren bolletjes leken, omhoog in de lucht en vielen op de zieke mensen. Onmiddellijk was de ziekte van hen genezen. De boze geesten werden door de druppels geraakt en probeerden te ontsnappen. Hoewel er zeer veel deuren waren, was er voor hen niet genoeg plaats om door de deuropeningen te ontsnappen. Daarom braken zij de muur af en zo ontkwamen zij.

De bevolking van Vesāli maakte de raadszaal met alle soorten van parfums welriekend, richtte een baldakijn op en maakte een zitplaats voor de Boeddha gereed. De Leraar ging er neerzitten en de gemeenschap van de monniken en de gastheren van de Liccavi-prinsen zaten in een kring om hem heen. En Sakka, de koning van de goden, stond – omgeven door een groep goden – op een passende plaats.


De ouderling Ānanda ging door de hele stad en keerde terug met een grote menigte mensen die van hun ziekte genezen waren. Hij begroette de Meester en ging zitten. Wederom reciteerde de Leraar de Juweel-toespraak. Op het einde ervan verkregen zeer veel levende wezens begrip van de leer. Aldus reciteerde hij op dezelfde manier op de volgende dag en gedurende zeven dagen daarna dezelfde toespraak. En toen hij zag dat alle plagen geluwd waren, nam hij afscheid en vertrok vanuit Vesāli.



De Juweel-toespraak ( Sn. verzen 222-238)


“De wezens die hier samen zijn gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

mogen zij allen blij zijn en welgemoed

en mogen zij opmerkzaam luisteren

naar het woord van de leer.”


“Daarom luistert goed, gij wezens allemaal,

betoont u goedgezind jegens het geslacht der mensen

die overdag en ’s nachts u vrome gaven brengen.

Moogt u hen daarom vol toewijding beschermen.”


“Wat er bestaat aan schatten, hier en in gindse wereld,

welk kostbaar juweel zich in de hemel ook bevindt,

geen kan zich met de Volmaakte vergelijken.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Beëindiging en verzaking,

kostbare bevrijding van de dood,

bereikt door de Wijze der Sakyas, innerlijk bedaard,

niet bestaat er iets dat aan zo’n leer gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Die als zuiverheid geprezen wordt

door de hoogste Boeddha,

die men als concentratie met directe vrucht aanduidt,

niet vindt men iets dat aan zo’n concentratie gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Acht verheven mensen

die door de Edelen geprezen worden,

die ook bekend zijn als viervoudig mensenpaar,

zij, volgelingen van de Volkomene, zijn gaven waard.

Rijke vrucht brengt de gave die hen aangeboden wordt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Die zich met sterke geest helemaal wijdden,

vrij van lusten, aan de instelling van Gotama,

die het doel bereikten, in het Doodloze doken,

zij genieten de bevrijding, om niet verkregen.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Zoals de paal van de stadspoort

stevig staat in de grond,

door winden van elke richting onbewogen,

hieraan gelijk verkondig ik de edele mens

die de viervoudige edele waarheid

met wijsheid aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Zij die deze waarheid die zo goed verkondigd is,

met diepe wijsheid helder begrijpen,

al is hun vooruitgang ook zeer langzaam,

een achtste bestaan is er voor hen niet meer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Gemeenschappelijk komen met bereikt inzicht

drie dingen tot verdwijnen:

het geloof aan persoonlijkheid en twijfel

en elk hechten aan regels en rituelen.

Aan de viervoudige lagere werelden

is hij dan ontkomen, niet meer in staat

om de zes grote euveldaden te begaan.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“En al maakt men ook vaak nog fouten

in daden, woorden of in gedachten ook,

hij of zij is niet in staat om zulks te verhelen.

Dit is een onmogelijkheid, zo zegt men,

voor iemand die het verheven oord aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Zoals bloesemtoppen in het dichte bos,

in het zomerseizoen, in de eerste zomermaand,

daaraan gelijk onderwees hij tot het ware heil

de beste leer, naar Nibbāna voerend.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Als beste die het beste kent,

het beste geeft, het beste brengt,

hij, zonder weerga, onderwees de beste leer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Boeddha;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


“Vernietigd is het oude en niets nieuws ontstaat.

Het hart is vrij van toekomstig bestaan.

Vernietigd zijn de kiemen

en geen verlangen groeit er meer.

Zo doven wijzen uit, zoals deze lamp hier.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”


Sakka, de koning van de goden, reciteerde hierna nog de volgende verzen:


Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Boeddha die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

hem willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.


Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Leer die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.


Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Orde die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

(Sn II.1, verzen 222-238)



17. Eerbetoon door koning Pasenadi


Koning Pasenadi bracht eens, na een veldslag, in het Jetavana klooster eer aan de Boeddha. De Verhevene vroeg hem waarom de koning zo'n hoogste eerbied bewees. De koning zei:

"Eerwaarde, uit dankbaarheid en erkentelijkheid bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding. Want Eerwaarde, de Verhevene gaat rond tot heil en zegen voor veel mensen. En velen heeft hij in de leer van het heilige pad gevestigd, namelijk in het goede en heilzame. Om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene rein van deugden; hij is van rijpe zedelijkheid, van edele heilbrengende deugdzaamheid, is met heilbrengende deugdzaamheid voorzien. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder bewoont de Verhevene al lang als bos-eremiet eenzame afgelegen huisvestingen in het bos. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene tevreden met alles wat hij ook maar ontvangt aan gewaad, aalmoezenspijs, woonplek en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene offergaven waard, gastgeschenken waar, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is hij in de wereld het beste veld voor verdienstelijke daden. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder, wat er voor gesprekken zijn die de ontsluiting van de geest bevorderen, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, eenzaamheid, afzondering, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken vallen de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite ten deel. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder verkrijgt de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite de vier meditatieve verdiepingen, de verheven geestelijke, die momenteel welzijn verschaffen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder herinnert de Verhevene zich aan menigvuldige vroegere vormen van bestaan. [Zie verder bij: De tien krachten van een Tathagata, nr. 8]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder ziet de Verhevene met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, hoe de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. En hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden. [Zie verder bij: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 9]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder heeft de Verhevene door opdroging van de neigingen nog in dit leven zich de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid eigen gemaakt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. [Vergelijk: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 10]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding. (A.X.30) (vgl. M.89)



18. De vijf krachten van de Volmaakte - . Ananussuta Sutta


De Boeddha heeft het directe inzicht verkregen, de uiteindelijke Volmaaktheid.

Vijf krachten bezit de Volmaakte. Hij heeft daarin de hoogste plaats en heeft het rijk van de heiligheid gesticht. (brahmacakkam-pavatteti). Die vijf krachten zijn:

De kracht van vertrouwen;

De kracht van schaamte;

De kracht van morele vrees;

De kracht van willen, en

De kracht van wijsheid.

(A.V.11)



19. Hoogste zegen - Cundî Sutta


Eens vertoefde de Verhevene in het bamboebosje nabij Rajagaha. Toen ging de vorstendochter Cundî met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:

“Verhevene, op welke aard van meester, welke aard van leer en welke aard van monnikengemeenschap vertrouwende, welke aard van regels van deugdzaamheid navolgende, verschijnt men na de dood steeds in een gelukkige sfeer van bestaan, nooit in een sfeer vol lijden?”


“Cundî, wat er ook voor wezens bestaan, voetloze, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.


Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde, als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.


Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, d.z.w. de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen. [Tot hen kunnen ook leken behoren.] Deze gemeenschap van volgelingen is offers waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de volgelingen vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.”


“Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeinvloed zijn en die de geestelijke concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar is, vervullen, zij vervullen het hoogste. En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen23 krijgen.”

“Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,

en de hoogste leer kent;

wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,

degene die de grootste eer waard is;

wie vertrouwen heeft in de leer als de hoogste

vredig geluk van onthechting;

wie vertrouwen heeft in de [heilige] Orde als de hoogste,

het beste veld van goede werken;

wie op deze drie vertrouwt,

ook aan de hoogste gaven geeft,

hem verwacht de hoogste zegen,

hoge ouderdom, schoonheid, roem,

geluk en kracht en hoog aanzien.

Een wijze die aan de hoogste geeft,

die toegewijd is aan de hoogste leer,

zal als goddelijk wezen of ook als mens

de hoogste vreugde deelachtig worden."

(A.V.32)


20. De zegen van vertrouwen - Saddha Sutta


Vijf voordelen geniet de edele zoon die vol vertrouwen is,24 namelijk:

Wat er in de wereld bestaat aan goede, edele mensen, zij geven eerst hun vriendschap aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Zij gaan eerst naar degene vol vertrouwen, niet naar degene zonder vertrouwen. Zij ontvangen eerst degene vol vertrouwen, niet degene zonder vertrouwen. Zij onderrichten de leer eerst aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Verder komt degene vol vertrouwen na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld. De edele zoon die vol vertrouwen is, is een toevluchtsoord voor veel mensen, voor monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen. Met de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, die deemoedigheid oefent, die niet koppig is, die mildheid, goedheid, zachtmoedigheid toont, met een dergelijke mens hebben de heiligen graag omgang, de heiligen die vrij zijn van begeerte en haat, vrij van waan en neigingen, het beste veld voor goede daden. Zij leggen hem de leer uit, die alle leed laat uitdrogen, en als hij ze helemaal heeft begrepen, wordt hij reeds hier verlost, vrij van elke neiging. (A.V.38)



21. De zegeningen van de leertoespraak


Eens verbleef de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. De eerwaarde Nandaka onderwees toen juist in de ontvangsthal de monniken met een leergesprek, vermaande ze, bemoedigde ze en moedigde ze aan.

Toen nu de Verhevene 's avonds zich uit de afzondering verheven had, begaf hij zich naar de ontvangsthal. Daar bleef hij aan de deuringang staan om het einde van de leerrede af te wachten. Toen hij merkte dat de leerrede ten einde was, schraapte hij zijn keel en klopte aan de deur. De monniken openden de deur voor de Verhevene waarna hij de hal binnenging en op de hem aangeboden zitplaats ging zitten. Toen sprak hij tot de eerwaarde Nandaka als volgt:

"Nandaka, lang was je leerrede die jou voor de monniken was ingevallen.25 Ja, mijn rug deed pijn toen ik daar bij de deuringang stond en het einde van je toesprak afwachtte."

Na deze wooren sprak de eerwaarde Nandaka met verlegen gelaatsuitdrukking tot de Verhevene:

"Heer, ik wist niet dat de Verhevene aan de deuringang stond; want als ik het had geweten dan was bij mij zeker niet de gedachte opgekomen om zo'n lange leerrede te houden."

De Verhevene zag de verlegen gelaatsuitdrukking van de eerwaarde Nandaka en zei tot hem:

"Goed zo, Nandaka, goed zo. Het betaamt jullie goed, jullie edele volgelingen die vol vertrouwen van thuis in de huisloosheid vertrokken zijn, dat jullie samen zit om over de leer te spreken. Want Nandaka, wanneer jullie samenkomen dan betaamt jullie twee dingen: of een gesprek over de leer of heilig zwijgen.26


Nandaka, wanneer de monnik vol vertrouwen is maar zonder deugdzaamheid, dan is hij juist in dit opzicht nog onvolkomen. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen ook deugdzaamheid bezitten.'

Wanneer hij echter naast het vertrouwen ook nog deugdzaamheid bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.


Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam, maar niet in het bezit is van de innerlijke kalmte van geest, dan is hij in dat opzicht nog onvolmaakt. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezitten.'

Wanneer hij echter naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.


Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam en in het bezit is van innerlijke kalmte van geest, maar niet in het bezit is van het hogere inzicht, dan is hij juist in dat opzicht onvolmaakt.27

Nandaka, wanneer een viervoetig dier een mismaakte voet heeft, dan is het juist met betrekking tot die voet onvolmaakt. Evenzo ook, Nandaka, is de monnik die wel vertrouwen, deugdzaamheid en innerlijke kalmte van geest heeft, maar niet het hogere inzicht bezit, onvolmaakt juist in deze eigenschap.Die eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen, de deugdzaamheid en de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezitten.'

Nandaka, wanneer echter de monnik naast het vertrouwen, de deugdzaamheid, de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezit, dan is hij in dit opzicht volmaakt."


Zo sprak de Verhevene. Na deze woorden verhief hij zich van zijn zitplaats en ging naar zijn cel. Kort daarna wendde de eerwaarde Nandaka zich tot de monniken en zei:

"Broeders, de Verhevene heeft zojuist in vier zinnen het heel volmaakte, zuivere heilige leven uitgelegd, waarna hij opstond en naar zijn cel ging."

[Dan herhaalt Nandaka de boven vermelde uitleg van de Boeddha, en gaat verder met:]

"Broeders, vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt. Die vijf zegeningen zijn:


Broeders, de monnik toont de monniken de leer die in het begin mooi is, in het midden mooi en aan het einde mooi. Hij verkondigt het heilige leven naar de zin en naar de woordelijke inhoud. Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan is hem de Meester lief en dierbaar; de Meester wordt door hem geacht en geëerd. - Broeders, dit is de eerste zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.


Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan voelt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer. - Broeders, dit is de tweede zegening.


Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan doordringt hij wijs de diepzinnige punten in deze leer en hij ziet ze in. - Broeders, dit is de derde zegening.


Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan wordt hij door zijn medebroeders in de Orde des te hoger gewaardeerd, denkende: 'Beslist heeft deze eerwaarde het doel bereikt of zal het bereiken.' - Broeders, dat is de vierde zegening.


Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan zullen diegenen onder de monniken die nog in opleiding zijn, die de bevrijding nog niet hebben bereikt en die naar de onvergelijkbare veiligheid streven, na het vernemen van die leer hun wilskracht inspannen om het nog niet bereikte te bereiken, om het nog niet verworvene te verwerven, om het nog niet verwerkelijkte te verwerkelijken.

Degenen echter onder de monniken die reeds heiligen zijn, neigingsvrije, die het heilige leven voltooid hebben, hun taak hebben volbracht, die de last hebben afgeworpen en hun eigen heil hebben bereikt, die van de boeien van het bestaan bevrijd zijn en in het hoogste weten bevrijd zijn, zij wijden zich na het vernemen van deze leer helemaal aan hun huidig geluk. - Broeders, dit is de vijfde zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.


Broeders, deze vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt." (A.IX.4)



22. Zeven voorwerpen van eerbied


Toen de eerwaarde Sariputta eens eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam in zijn geest deze gedachte op: "Waarop kan de monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien?" En de eerwaarde Sariputta zei tot zichzelf: "Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien." Verder dacht de eerwaarde Sariputta toen: "Deze dingen zijn bij mij weliswaar rein en zuiver, maar wanneer ik de Verhevene over deze dingen zou berichten, dan zullen zij nog reiner en zuiverder worden."

's Avonds verhief zich de eerwaarde Sariputta uit zijn afzondering, ging naar de Verhevene toe en deelde hem zijn gedachten mee.

De Verhevene zei: "Goed zo, Sariputta, goed zo. Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien."

Na deze woorden sprak de eerwaarde Sariputta tot de Verhevene als volgt: "Heer, van wat de Verhevene hier in het kort heeft gezegd, begrijp ik de uitvoerige zin als volgt:


Heer, dat een monnik die de Meester niet eert, de leer zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester niet eert, die eert ook de leer niet.

Heer, dat een monnik die de Meester en de leer niet eert, de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer niet eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken niet.

Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken niet eert, die eert ook de geestelijke oefening niet.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening niet eert, die eert ook de geestelijke concentratie niet.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest niet eert, die eert ook de ijver niet.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver niet eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid niet.


Heer, dat evenwel een monnik die de Meester eert, de leer niet zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester eert, die eert ook de leer.

Dat een monnik die de Meester en de leer eert, niet de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken.

Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken eert, die eert ook de geestelijke oefening.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening eert, die eert ook de concentratie van de geest.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest eert, die eert ook de ijver.

Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid.

Heer, op deze manier begrijp ik de uitvoerige zin van datgene wat de Verhevene in het kot heeft gezegd."


"Goed zo, Sariputta, goed zo. Je begrijpt juist de uitvoerige zin van datgene wat ik in het kort heb uitgelegd. Sariputta, dat namelijk moet men als de uitvoerige zin ervan beschouwen." (A.VII.66)



23. Bespiegeling over deugd

De bespiegeling over deugd behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)


Deze bespiegeling heeft twaalf voordelen: Men eert de Leraar; men acht de Leer; men acht de Ariyasangha; men acht de regels van goed gedrag; men acht offergaven; men wordt oplettend; men ziet gevaar in de kleinste fout; men hoedt zichzelf; men beschermt anderen; men heeft geen vrees in deze wereld, en ook niet in de andere wereld; men geniet de vele voordelen die ontstaan uit het navolgen van de regels.28


De procedure is aldus:

Men gaat naar een rustige plek en houdt de geest ongestoord. En men overweegt: 'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed;29 ze bevordert geestelijke concentratie.' (A.III.71)

Wanneer deugd zuiver is, wordt ze de basis van alle goede staten.30

Een andere manier van overwegen:

'Deugd is de zegen van het gescheiden zijn van tegenspoed. Deze kaste is eer waard. De schat van deugd is zeker. De voordelen ervan zijn al onderwezen.'31



24. Bespiegeling over vrijgevigheid


Deze bespiegeling behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)


Wat is meesterschap in vrijgevigheid? - Daar leeft de edele zoon thuis met een hart dat vrij is van de ondeugd van gierigheid; hij is vrijgevig en geeft met open handen; hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven. (A.VIII.54)


Vrijgevigheid betekent dat men van zijn rijkdom aan anderen geeft met de wens dat zij er voordeel van hebben, en ook om het geluk te verkrijgen dat erin bestaat anderen wel te doen.

Men vertoeft gelijkmoedig bij de bespiegeling over vrijgevigheid. Niet-begeren is de nadere oorzaak ervan.


Iemand die deze bespiegeling oefent, krijgt tien voordelen: hij krijgt zegen door vrijgevigheid; hij wordt begeerteloos door vrijgevigheid; hij is geen vrek; hij denkt aan anderen; hij wordt dierbaar aan anderen; hij heeft geen angst in het gezelschap van anderen; hij heeft veel vreugde, krijgt een medelevende geest, het gaat hem goed na de dood en hij nadert Nibbāna.32


Procedure:


Men gaat naar een rustige plek en houdt de geest ongestoord. En men overweegt aldus:


'Door dingen op te geven heb ik anderen wel gedaan. Daardoor heb ik veel verdiensten verworven. Door het vuil van begeerte worden anderen naar dingen getrokken. Maar ik leef met een geest zonder begeerte, met een gemoed dat zuiver is. Steeds geef ik en verheug me in het geven aan anderen. Steeds deel ik uit.'


Vanwege deze overweging is zijn gemoed steeds ongestoord. En zo vernietigt hij de hindernissen, doet de meditatieve verdiepingen (jhâna) ontstaan en verkrijgt begin-concentratie.33



25. Bespiegeling over godheden


Iemand die de herinnering aan godheden wil ontwikkelen, moet de speciale eigenschappen van vast vertrouwen en onwrikbare deugdzaamheid bezitten.34 Hij of zij moet zich afzonderen en de eigen speciale eigenschappen van vast vertrouwen en onwrikbare deugdzaamheid zich te binnen brengen, met godheden als getuigen. En dit gaat als volgt:


“Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook in mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook in mij aanwezig.” (A.III.287; A.III.71)


“Bij de herinnering aan de goden is de geest van de edele volgeling niet geobsedeerd door begeerte of haat of waan; zijn geest heeft bij die gelegenheid oprechtheid, geïnspireerd door goden.” (A.III.287).


En wanneer men toegewijd is aan deze herinnering aan godheden, dan wordt men zeer geliefd bij godheden. Men wordt vereerd door hemelse wezens. Men krijgt zelfs groter vertrouwen, heeft meer geluk en vreugde. Deugd, vrijgevigheid en wijsheid nemen toe. Men kan verkrijgen wat hemelse wezens verlangen en waaraan zij toegewijd zijn. Men is gelukkig bij de voorvreugde over de beloning van verdienste. Het gaat hem goed. Hierdoor is hij in staat om deugdzaamheid uit te oefenen en de bespiegeling over deugd.

En indien men niet verder komt op het pad van heiligheid, dan is men in ieder geval bestemd voor een gelukkige sfeer.


Op deze manier oefent men en men heeft daarbij vertrouwen. Daardoor is de geest ongestoord. Zo vernietigt men de hindernissen, men laat de meditatie-factoren ontstaan en men bereikt begin-meditatie.


Waarom denkt men na over de verdienste van goden en niet over die van mensen? - De verdienste van de goden is zeer verheven. Zij zijn in verheven sferen geboren en zijn met een uitstekende geest begiftigd. Zij hebben het goed.35


Eens sprak de Boeddha het volgende vers:


"Waar een wijs mens ook moge verblijven,

laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,

die vol zelfbeheersing het goede leven voeren.

En wanneer hij aan deze waardige personen gaven heeft geschonken,

deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.

En aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer

en zijn hem goedgunstig gezind,

juist zoals een moeder is jegens haar eigen, haar enige zoon.

En degene die aldus door de goden geliefd is

en hun gunst geniet, ziet steeds geluk.”



26. Overdracht van verdiensten


Mogen hemelse en aardse wezens,

Devas en Nagas van grote macht,

delen in deze verdiensten van ons;

mogen zij lang de leer beschermen.


Mogen hemelse en aardse wezens,

Devas en Nagas van grote macht,

delen in deze verdiensten van ons;

mogen zij lang mij en anderen beschermen.


Mogen alle wezens delen in deze verdiensten

die wij aldus hebben verworven.

Moge het grotelijks bijdragen tot hun geluk.

Mogen mijn gestorven verwanten

deelhebben aan deze verdiensten;

mogen zij allen gelukkig zijn.


27. Door vertrouwen bevrijd


Door vertrouwen kan men de bevrijding bereiken. Hierover is het volgende gezegd:


Iemand die vertrouwen volgt, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en die er niet in vertoeft. Zijn neigingen zijn nog niet vernietigd. Maar hij heeft voldoende vertrouwen in de Tathagata, voldoende liefde voor de Tathagata. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.

Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende verblijfplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.36 (M.70)



28. Maha-jayamangala gatha


De grote barmhartige Heer

heeft voor het welzijn van alle levende wezens

alle volmaaktheden uitgeoefend

en hoogste Verlichting bereikt.

Moge door deze ware woorden

er heerlijke overwinning voor mij zijn.


Hij die het geluk van de Sakyas vergrootte,

was zegevierend aan de voet van de Bodhi-boom.

Moge er evenzo overwinning voor mij zijn

en moge ik steeds gezegend zijn.


Ik vereer het juweel van de Boeddha,

hoogste balsem en het beste

dat steeds heilzaam is voor goden en mensen.

Mogen door die glorie van de Boeddha

veilig alle hindernissen en leed ophouden.


Ik vereer het juweel van de Leer,

hoogste balsem en het beste

dat de hitte afkoelt.

Mogen door de macht van die Leer

veilig alle hindernissen en angsten ophouden.


Ik vereer het juweel van de Orde,

hoogste balsem en het beste

dat offergaven waard is en gastvrijheid.

Mogen door de macht van die Orde

al mijn hindernissen verdwijnen;

mogen al mijn ziektes genezen.


Wat voor verscheidene kostbare juwelen

er ook in dit universum zijn,

er is geen juweel gelijk aan de Boeddha.

Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.


Wat voor verscheidene kostbare juwelen

er ook in dit universum zijn,

er is geen juweel gelijk aan de Leer.

Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.


Wat voor verscheidene kostbare juwelen

er ook in dit universum zijn,

er is geen juweel gelijk aan de Orde.

Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.


Er is geen andere toevlucht voor mij.

De Boeddha is mijn weergaloze toevlucht.

Moge door deze ware woorden

er heerlijke overwinning voor mij zijn.


Er is geen andere toevlucht voor mij.

De Leer is mijn weergaloze toevlucht.

Moge door deze ware woorden

er heerlijke overwinning voor mij zijn.


Er is geen andere toevlucht voor mij.

De Orde is mijn weergaloze toevlucht.

Moge door deze ware woorden

er heerlijke overwinning voor mij zijn.

Moge alle onheil afgeweerd worden,

mogen alle kwalen genezen,

moge geen gevaar mij overkomen,

moge ik lang in vrede leven.

Mogen alle zegeningen tot mij komen,

mogen alle goden mij beschermen.

Moge door de macht van alle Boeddhas

er steeds geluk voor mij zijn.


Mogen alle zegeningen tot mij komen,

mogen alle goden mij beschermen.

Moge door de macht van de hele Leer

er steeds geluk voor mij zijn.


Mogen alle zegeningen tot mij komen,

mogen alle goden mij beschermen.

Moge door de macht van alle Boeddhas

er steeds geluk voor mij zijn.


Mogen alle zegeningen tot mij komen,

mogen alle goden mij beschermen.

Moge door de macht van alle edele discipelen

er steeds geluk voor mij zijn.


Moge door de macht van deze bescherming

geen onheil komen door sterren,

demonen, boze geesten en slechte planeten.

Mogen mijn moeilijkheden teniet gaan.

Moge er regen zijn op de juiste tijd.

Moge er een rijke oogst zijn.

Moge de wereld tevreden zijn.

Moge het bestuur rechtschapen zijn.

Door de macht van alle machtige Boeddhas,

Pacceka-Boeddhas en alle heiligen

verzeker ik mijn bescherming

op elke manier.



29. De acht verzen over heilzame overwinningen


Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Māra de Boze schiep een vorm met duizend handen, met in elke hand een wapen, en toen kwam hij op zijn olifant Grīmekhala samen met zijn leger. De Heer der wijzen overwon hem door het geven van Dhamma. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


Erger dan Māra die de hele nacht oorlog voerde, was de schrikaanjagendheid van de demon Ālavaka die ongeduldig en agressief was. De Heer der wijzen overwon hem door zelfbeheersing en verdraagzaamheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


De edele olifant Nālāgiri werd krankzinnig en angstaanjagend als een bosbrand, een werpwapen of een bliksemstraal. De Heer der wijzen overwon hem door het sprenkelen van het water van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


De zeer wrede rover Angulimāla liep met opgeheven zwaard in zijn hand drie mijlen toen hij de Boeddha achtervolgde. De Heer der wijzen overwon hem door het ontwikkelen van zijn geestelijke krachten. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


Ciñcā veinsde zwangerschap door een stuk hout aan haar buik te bevestigen. Zij klaagde de Boeddha luid aan bij het volk. De Heer der wijzen overwon haar met zachtheid en eerbaarheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


Saccaka wiens woorden gewoonlijk verre van waar waren, verkondigde zijn theorieën geheel verblind door de vlag van oneerlijkheid. De Heer der wijzen overwon hem met het helder stralende licht van wijsheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


De machtige slang Nandopananda die een afwijkende leer aanhing, werd getemd door de ouderling Moggallāna, de zoon van de Boeddha. De Heer der wijzen overwon die slang door zijn instructie aan Moggallana om geestelijke krachten te tonen. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


Misleid door zijn eigen bovennatuurlijke geestelijke krachten was de Brahma-god Bakā in de greep van verkeerde meningen, zoals in de greep van een slang die zich stevig om de armen geslingerd heeft. De Heer der wijzen overwon hem door het toedienen van het elixir van inzicht. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.


Dit zijn de acht verzen van de heilzame overwinningen van de Boeddha. Een wijs en vlijtig persoon zou die verzen elke dag moeten reciteren en in herinnering brengen. Zo zal men de vele soorten gevaren en obstakels te boven komen en de hoogste zegen van bevrijding bereiken.



30. Jayaparitta - De victorie bescherming


De barmhartige Heer heeft de volmaaktheden vervuld voor het heil van alle levende wezens, en hij heeft de uiteindelijke Verlichting bereikt. Moge deze waarheid mij victorie en zegeningen brengen.


Hij was zegevierend aan de voet van de Bodhi-boom en hij was de bron van vreugde voor de Sakyas. Moge ik aldus zegevierend zijn; moge ik de zegen van overwinning behalen.


Onverslagen zat hij op de verheven heilige zetel der Waarheid, kreeg er de wijding van alle Boeddhas en verheugde zich in het hoogste doel.


Steeds wanneer ik iets goeds doe en de heiligen eer, dan is dat als gunstige sterren, gunstige zegeningen, een goede morgen, een gunstig offer, een goed ogenblik, een gunstig moment.


Verdienstelijke lichamelijke wilsactie is heilzaam. Verdienstelijke verbale wilsactie is heilzaam. Verdienstelijke mentale wilsactie is heilzaam. De verdienstelijke wens is eveneens heilzaam. Steeds wanneer ik verdienstelijke daden verricht, word ik door zulke daden gezegend.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van de gehele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van de Ariya-Sangha gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.



31. Cullamangalacakkavāla - De kleinere sfeer van zegeningen


Door de macht van alle Boeddhas, door de macht van alle Dhammas, door de macht van alle Sanghas, door het Boeddha-juweel, door het Dhamma-juweel, door het Sangha-juweel, door de drie Juwelen, door de macht ervan, door de macht van de 84.000 onderdelen van de Dhamma, door de macht van de drie Pitakas, door de macht van de discipelen van de Overwinnaar, - mogen daardoor al onze ziekten, alle gevaren en alle hindernissen voor ons, al ons leed, alle slechte voortekenen en alle onheil voor ons helemaal vernietigd zijn.


Moge lang leven toenemen, moge rijkdom toenemen, moge fortuin toenemen, moge roem toenemen, moge invloed toenemen, moge schoonheid toenemen, moge geluk toenemen, - moge dat alles er steeds zijn.


Mogen onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid door de macht hiervan vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.


Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. Mogen wij oud worden en succes hebben in het leven.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van de hele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.


Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van alle Ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.



32. Goede wensen


Moge alle ongeluk afgeweerd worden,

mogen alle kwalen verdwijnen.

Mogen geen rampen ons overkomen;

mogen wij lang in vrede leven.


Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van alle Boeddhas

mogen wij steeds in veiligheid zijn.


Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van de hele leer

mogen wij steeds in veiligheid zijn.


Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van de hele Orde

mogen wij steeds in veiligheid zijn.


Door de macht van deze paritta

mogen wij vrij zijn van alle gevaren

ontstaan uit schadelijke invloeden van de planeten,

demonen en [boze] geesten.


Moge ons ongeluk verdwijnen.

Mogen door de macht van de Boeddha

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.


Mogen door de macht van de leer

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.


Mogen door de macht van de Orde

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.


Mogen alle wezens die lijden, vrij zijn van lijden.

Mogen alle wezens die bang zijn, vrij zijn van angst.

Mogen alle wezens die verdrietig zijn, vrij zijn van verdriet.

Mogen de regenbuien in het juiste seizoen vallen;

moge er een rijke oogst zijn.

Moge de wereld voorspoedig zijn;

moge het bestuur rechtschapen zijn.



1 Zie puñña-dhārā in: Nyanaponika: Buddhist Dictionary, 4th ed. 1980, p. 180.

2 zie indriya in: Buddhist Dictionary 1980, p. 78.

3 zie dhana, in: Buddhist Dictionary 1980, p. 57.

4 Vin.I.22; zie ook: M.I.24.

5 Met de gemeenschap van de heiligen wordt bedoeld de Ariyasangha, de gemeenschap van degenen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen behoren ook leken.

6 De vier paren van personen, d.w.z. de personen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen kunnen zowel monniken en nonnen, als ook mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen behoren.

7 De zes onovertreffelijke goede dingen (anuttariya) zijn: 1. de aanblik van de Boeddha; 2. de klank van zijn onderwijzende woorden; 3. het verkrijgen van vertrouwen in hem; 4. het door hem verkondigde drievoudige onderricht (in zedelijkheid, concentratie en wijsheid); 5. de aan hem bewezen dienst; 6. de herinnerende overweging over de Boeddha. (zie A.VI.30.)

8 De vier analytische soorten weten (patisambhida): van het ware wezen, van de leer, van de taal, van de slagvaardigheid.

9 De veelvuldige en verschillende elementen (dhatu) zijn de 18 elementen die de basis vormen voor alle geestelijke processen, namelijk: de vijf zinsorganen, de vijf objecten ervan, de overeenkomende vijf soorten bewustzijn; verder het geestelement, het geestobject en het geestbewustzijns-element.

10 Dit is een oude voorboeddhistische indeling van de waarnemingsobjecten, waarbij het ondervondene (muta) betrekking heeft op de objecten van de zintuigen van reuk, smaak en aanraking [lichaam].

11 sabbaloke anūpayo, 'de hele wereld niet meer naderend'.

12 letterlijk: die de opheffing van alle karmische handelen bereikt heeft.

13 brahmacakkam pavattayi.

14 Hier betekent dhamma de wetmatigheid, die zowel de wereld alsook de bevrijding ervan regeert en de inhoud vormt van de Boeddha-leer (dhamma). - Commentaar: "De negenvoudige bovennatuurlijke (lokuttara) Dhamma", die als hoogtepunt van de Boeddha-Dhamma de tweede 'toevlucht' en het tweede 'juweel’ van de Boeddhisten vormt.

15 dasa tathāgata-balāni. - Uitvoerig uitgelegd in het Vibhanga, (Nānavibhanga) van de Abhidhamma en in het commentaar erop.

16 Het wiel van de Dhamma; het in beweging zetten ervan betekent de waarheid te doordringen en te onderwijzen.

17 Voorbeelden voor zulke mogelijkheden en onmogelijkheden zijn genoemd in A.I.25. - Commentaar: Het weten van wat een oorzaak voor het ontstaan van een gebeurtenis kan zijn en wat niet.

18 sabbatthagāmini-patipadam, letterlijk: het overal heen voerende pad. Commentaar: een handelen (patipadā = kamma), dat naar alle paden van bestaan, d.i. wedergeboorten kan voeren. Wanneer onder veel mensen ieder slechts één wezen heeft gedood, dan weet de Volmaakte onfeilbaar dat de gesteldheid van de wil (cetanā) de een naar de hel zal voeren, de ander naar het dierenrijk.

19 Vibhanga-commentaar: De verscheidenheid van de groepen van bestaan (khandha), de grondslagen van de zintuigen (āyatana) en bewustzijnselementen (dhātū).

20 Edele of lage gezindheid, met de neiging naar overeenkomende omgang.

21 Dit heeft betrekking op de sterkte of zwakte van de vijf geestelijke vaardigheden (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht) of van de geestelijke smetten (kilesa), op aanleg van karakter, aanwezige of ontbrekende talenten, etc.

22 vutthānam; het uittreden uit een verdieping om naar een hogere te gaan.

23 Dit heeft volgens het commentaar betrekking op de deugdzaamheid die met de hoge paden en vruchten (van stroomintrede etc) verbonden is. Daarom wordt ze hier als ‘ het hoogste’ omschreven.

24   Hier zijn vooral de edelen en goede mensen bedoeld die een van de vier niveaus van heiligheid bereikt hebben en wier goede karaktereigenschappen daardoor niet meer verloren kunnen gaan.

25 patibhāsi en patibhāseyya behoren niet tot de Sanskrit-wortel bhās, 'spreken'; en ook niet tot bhā, maar tot Skr: bhās, 'schijnen'. Maar patibhāsati en patibhāti hebben dezelfde betekenis, namelijk: schijnen, bij iemand een licht opgaan, invallen, in de geest ontstaan.

26 Evenzo in M. 26.

27 Vgl. A.IV.94.

28 Vimutthimagga p. 152-153

29 Onbeïnvloed, d.w.z. zijn deugdzaamheid is niet door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel beïnvloedt, noch door verkeerde meningen (ditthi).

30 Vimutthimagga p. 152-153.

31 Vimutthimagga p. 152-153.

32 Vimutthimagga p. 153-154.

33 Vimutthimagga, p. 153-154.

34 Deze eigenschappen behoren tot de niveaus van heiligheid.

35 Vimutthimagga, p. 154-155.

36 Degene die vertrouwen volgt zal het eerste niveau van heiligheid bereiken. Bij hem overheerst vertrouwen.