Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.3. Contemplaties voor rust, kalmte (samatha bhavana)

Inleiding     Stilheid, kalmte     Vijf overwegingen voor iedereen     Contemplatie over de dood     De vier edele waarheden     Oorzakelijk ontstaan     De tien contemplaties     1. Contemplatie over niet bestendigheid     2. Contemplatie over niet-zelf     3. Contemplatie over de onzuiverheid van het lichaam     4. Contemplatie over nadeel (gevaar)     5. Contemplatie over het opgeven     6. Contemplatie over onthechting     7. Contemplatie over beëindiging     8. Contemplatie over afkeer van de hele wereld     9. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen     10. Oplettendheid bij het in- en uitademen     De methode van concentratie bij het ademhalen     Uitwissing     Overweging van de tien paramis (volmaaktheden)     Gevaren bij contemplatie    



Contemplaties voor rust, kalmte (samatha bhavana)


Inleiding


    Rust, kalmte kan verkregen worden door concentratie op één punt. Als de geest op één punt gericht is, zwerft ze niet meer rond. Wanneer de geest kalm is, wordt ze krachtig. En ze ziet dan de dingen zoals ze werkelijk zijn. De geest kan iemand ziek maken; maar ze kan ook iemand gezond laten blijven. Iemand met een optimistische geest heeft meer kans om beter te worden dan een patiënt die (over)bezorgd is en ongelukkig.

    Juiste concentratie verdrijft verlangens die de geest verstoren en brengt zuiverheid en kalmte van geest. Iemand die concentratie wil beoefenen, moet deugdzaam zijn. Want door deugdzaamheid wordt het geestelijke leven gevoed. Men moet een speciaal onderwerp voor concentratie nemen en dat met oplettendheid in de geest houden. Dan moet men de geest op dat onderwerp richten en ze niet laten rondzwerven. Men moet niet over het onderwerp denken, maar eraan denken. Vanzelfsprekend zal de geest rondzwerven, van de hak op de tak springen. Een hond wordt aan de lijn gehouden om te vermijden dat hij te ver weg loopt. Soms snuffelt de hond en blijft even op een plek staan. Maar door de lijn gehinderd moet hij meelopen met de baas. Een gedresseerde hond blijft kort bij de baas lopen. Op commando gaat hij liggen of staat weer op. Evenzo is de geest: de lijn is oplettendheid en de baas is het gekozen onderwerp van concentratie. Als de geest telkens teruggebracht wordt naar het onderwerp van concentratie, zal men geleidelijk de geest bedwingen en er meester over worden. Concentratie is een noodzakelijke basis voor inzicht en wel door de geest te zuiveren van de mentale hindernissen.



Stilheid, kalmte


        “Zoals in het midden van de zee

        geen golf opkomt, maar alles stil is,

        zo zij men bestendig, stil.

        Zo zij men zonder beweging van wens.

        Moge er in de monnik

        geen enkele opwelling over iets ontstaan.”

       (Sn.IV.14, vers 920)



    Diep beneden in de zee, waar de zee werkelijk diep is, 500, 1000, 2000 meter onder de oppervlakte, is alles stil. Daar zijn geen orkanen, geen stormen. Daar is niets van de drukte en gejaagdheid waardoor de oppervlakte-wateren en zandbanken geteisterd worden.

    Evenzo is het met mensen die de uiteindelijke bevrijding bereikt hebben. Nooit meer is er voor deze heiligen de drukte en opwinding, het verlangen en de angst, de koortsachtige zinloze activiteit van de wereldling.

    De Boeddha adviseerde in bovenstaand vers aan alle monniken om stil, zonder wens te zijn. Dit advies geldt ook voor leken. Hoewel de wereldling de uiteindelijke vrede nog niet heeft bereikt, kan hij of zij door een ijverige ontwikkeling van kalmte als het ware een schaduw van die stilheid ondervinden.


    Waarom moeten wij kalmte ontwikkelen? Het antwoord is eenvoudig. Als men zelf in beweging is, is het moeilijk om de beweging in de omgeving te beoordelen. Als men in een bewegend voertuig zit, schijnt een ander voertuig dat met dezelfde snelheid in dezelfde richting beweegt, stil te staan. Een voorwerp dat in feite stil is, zoals een boom, schijnt te bewegen. De indrukken van iemand op zijn omgeving worden geconditioneerd door die omgeving. En evenzo is het met de geest. Als de geest rusteloos en gejaagd is, is het moeilijk om de diepe eeuwige waarheden te verwerkelijken. Dingen die in feite veranderen, worden als blijvend aanvaard. En dingen die in feite blijvend zijn, zoals de waarheid van vergankelijkheid (anicca), leed, onvoldaanheid (dukkha) en het zijn zonder ego, zonder kern, zonder zelf (anattā), worden helemaal niet gezien. De geest blijft zich haastig bezighouden met veranderende verschijnselen, zó druk en in beslag genomen dat zij niet in staat is om helder of diep of waarheidsgetrouw te zien.

    Daarom adviseerde de Boeddha stilheid. Het hele systeem van meditatie voor kalmte (samatha bhavana), zoals door de Boeddha onderwezen, heeft dit ene object in ogenschouw. Als de geest van alle zinnelijke gedachten gezuiverd is en op een onderwerp van concentratie is gericht, dan wordt ze volkomen stil. Ze wordt dan ook zeer krachtig, zó krachtig dat prestaties als levitatie, helderziendheid, helderhorendheid, gedachten lezen, herinnering aan vroegere levens enz. mogelijk worden. Maar dat zijn zuiver bijproducten van meditatie voor kalmte. Het enige object van zo'n meditatie is stilheid die voert tot diep, helder, waar inzicht.


    Leken zijn in hun dagelijkse leven gehandicapt wanneer het tot meditatie komt. Het zijn niet zozeer de feitelijke plichten van de leek die moeilijkheden veroorzaken, hoewel deze een groot deel van zijn of haar leven in beslag nemen. Maar de ergste belemmering is zorg, bezorgdheid, piekeren. Wij neigen ertoe te piekeren over wat wij gedaan hebben, over wat wij aan het doen zijn en over wat wij van plan zijn te doen. Wij neigen ertoe te piekeren over wat gebeurt en wat mogelijk zal gebeuren. Dit piekeren, deze zorg is volgens de Boeddha zinloos en dwaas. Het niet-kalme gemoed schept angst, vrees, zorg, overbezorgdheid. Maar de kalme geest ziet de dingen in hun ware proporties. En dat is dan ook het doel van meditatie voor kalmte: om via een rustig en kalm gemoed te komen tot inzicht van de waarheid.


Vijf overwegingen voor iedereen


    Een rustig gemoed krijgt men door het vaak overwegen van de volgende vijf onderwerpen. Zij zijn door de Boeddha aanbevolen voor zowel mannelijke en vrouwelijke leken als monniken en nonnen. Die vijf overwegingen zijn:


'Het is zeker dat ik oud word; ik kan het proces van veroudering niet ontgaan.

Het is zeker dat ik ziek word; ik kan ziekte niet ontgaan.

Het is zeker dat ik zal sterven; ik kan de dood niet ontgaan.

Bij alle dingen die dierbaar en geliefd zijn, zal er verandering komen en er zal scheiding van komen.

Ik ben de eigenaar van mijn wilsacties en de erfgenaam ervan; mijn daden zijn de moederschoot waaruit ik ontsproot; wilsacties zijn mijn familie en mijn bescherming. Welke daden ik ook zal doen, goede of slechte, ik zal de erfgenaam ervan zijn.'


    Om welke goede reden moeten mannen en vrouwen, leken en monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker oud worden en dat zij het proces van veroudering niet kunnen ontgaan?

    Als men jong is, is men trots op de jeugd. Verdwaasd door die jeugdige overmoed leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ouderdom zeker is, zal de jeugdige overmoed of helemaal verdwijnen of verzwakken.

    Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het ouder worden.


    En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker ziek worden en dat zij ziekte niet kunnen ontgaan?

    Als men gezond is, is men trots op de gezondheid. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ziekte zeker is, zal de hoogmoed vanwege de goede gezondheid of helemaal verdwijnen of verzwakken.

    Om deze goede reden moet men vaak nadenken over ziekte.


    En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker zullen sterven en dat zij de dood niet kunnen ontgaan?

    Als men vol leven is, is men trots op het leven. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat de dood zeker is, zal de hoogmoed vanwege vol leven te zijn of helemaal verdwijnen of verzwakken.

    Om deze goede reden moet men vaak nadenken over de dood.


    En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen?

    Men heeft een krachtig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is. Verdwaasd door verlangen leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over het feit van verandering en scheiding, zal het krachtige verlangen naar wie of wat dierbaar en geliefd is of helemaal verdwijnen of verzwakken.

    Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen.


    En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij eigenaren en erfgenamen zijn van hun wilsacties, dat de daden de moederschoot zijn waaruit zij ontsproten zijn, dat wilsacties hun familie en hun bescherming zijn, en dat wat voor daden zij ook zullen doen, goede of slechte, zij er de erfgenamen van zijn?

    Er zijn mensen die een slecht leven leiden in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over zijn verantwoordelijkheid van eigen daden, zal zo'n slecht gedrag of helemaal verdwijnen of verzwakken.

    Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men verantwoordelijk is voor eigen daden.


    De edele volgeling overweegt aldus: 'Ik ben niet de enige die met zekerheid oud en ziek zal worden en zal sterven. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, zij allen zijn onderhevig aan veroudering, ziekte en dood.'

    Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen.


    Verder overweegt de edele volgeling aldus: 'Ik ben niet de enige voor wie er verandering is bij wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de verantwoordelijke eigenaar en erfgenaam is van zijn daden. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, voor allen van hen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is. En zij allen zijn eigenaren en erfgenamen van hun daden.'

    Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen."


    “Van wezens die onderhevig zijn aan ouderdom, ziekte en dood, heeft de wereldling een afkeer. Maar liever moet hij of zij denken:

    'Als ik weerzin voel ten opzichte van wezens met een dergelijke aard, dan is dat niet juist voor mij want ik ben van dezelfde aard. Terwijl ik met zulke gedachten vertoef en weet heb van Nibbāna's onbezwaarde staat, zal ik die drievoudige trots bij gezondheid en jeugd en overdaad van leven helemaal verslaan. Met het oog gericht op Nibbāna ontstond vurige ijver in mij: Nu kan ik nooit voor zinsverlangens zwichten. Een niet-meer-wederkerende zal ik worden. Het heilige leven is nu mijn hoogste doel.'


Contemplatie over de dood


    De contemplatie over de dood behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

    Bij het overwegen van de dood moet men beginnen bij het nadenken over de dood van een neutraal iemand. Daarbij ontstaan geen emoties. Bij het beschouwen van de eigen dood kan ontzetting of angst ontstaan. Bij het overwegen van de dood van een geliefd mens kan verdriet ontstaan. En door het nadenken over de dood van een vijandige persoon kan vreugde ontstaan. Die gevoelens belemmeren een juist beschouwen van de dood.


    De overweging is aldus: “Eens komt de dood; de levenskracht zal ophouden.”

    Als men vaak op juiste wijze nadenkt over de dood, brengt dat grote vrucht en grote zegen. Dit overdenken voert naar en eindigt in het Doodloze. Daarom moet men de contemplatie over de dood ontwikkelen.

    Wij moeten ons oefenen met de volgende gedachten: “Vlijtig zullen wij leven, en om de smetten te vernietigen zullen wij het overdenken van de dood vurig cultiveren.

    Er kunnen veel oorzaken zijn voor mijn dood. Door een ongeval of ziekte zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij. Of ik kan struikelen en vallen. Of het gegeten voedsel kan ziekte veroorzaken. Of ik kan op andere manieren ziek worden. Mensen of niet-menselijke wezens kunnen mij aanvallen. En daardoor zou ik kunnen sterven. Dat is dan een hindernis voor mij.”


    En verder moeten wij dan overwegen: “Heb ik slechte en onheilzame eigenschappen welke nog niet verworpen zijn en welke een hindernis zullen zijn indien ik ’s nachts of overdag zou sterven?”

    Als wij beseffen dat wij nog slechte, onheilzame eigenschappen hebben, dan moeten wij ons met oplettendheid en helder begrip inspannen om die eigenschappen te verwijderen. Maar als wij bij het overwegen beseffen dat wij geen slechte en onheilzame eigenschappen hebben welke een hindernis voor ons zouden kunnen zijn bij de dood, dan mogen wij blij en vol vreugde zijn. Dag en nacht moeten wij ons oefenen in al wat heilzaam is.


    Oplettendheid over de dood is: het zich herinneren aan het sterven, denken aan de dood. Dood is hier de onderbreking van het leven. Denk aldus:

    "Dood zal er plaats hebben, de levensmogelijkheid zal onderbroken worden."


    Denk niet aan de dood van dierbaren of van vijanden of aan eigen dood. Het eerste bezorgt leed, het tweede vreugde en het derde angst. Maar in eerste instantie moet men denken aan reeds overledenen: “Dood zal er plaats hebben.”

    Maar iemand die meer wil oefenen, kan het als volgt doen:

    “De dood komt als een moordenaar; hij komt met de conceptie en neemt het leven. Vanaf de dag dat wij zijn ontvangen in de moederschoot, vanaf die dag gaan wij steeds verder, onophoudelijk, en terugkeer is niet meer mogelijk.”1

    “Met de conceptie beginnen wij te sterven; de dood is inherent aan het leven.”

    “Dood zal er komen, voor mooi en lelijk, voor arm en rijk. Dood zal er komen voor ieder van ons.”


    “Zoals de machtige rotsen van het gebergte omhoog reiken tot aan de hemel en het land overal neerdrukken, evenzo drukken ouderdom en dood de wezens neer in de wereld. Niemand laten zij ongemoeid, geestelijken noch militairen, werkgevers noch werknemers. Zowel armen als rijken en machtigen worden door de dood verpletterd.”

    “Dagen en nachten ijlen voorbij; het leven verdwijnt snel. Evenals het water in een poel, zo droogt het leven van sterfelijken op.”

    “Zelfs zulke hoge wezens die alles overleggen, die ontwaakt zijn door de kracht van eigen weten en in wie alle waan verdween; die alleen gaan, alleen vertoeven, zoals de neushoorn in de eenzaamheid, zelfs zij ontkomen niet aan de dood. Als zoiets voor hen geldt, dan toch ook voor mij!”


    “Dit leven is machteloos; want het is o.a. gebonden aan in- en uitademen, aan hitte en koude, en aan voedsel. Als de ademhaling stopt, eindigt het leven. Wie door overmatige hitte of koude wordt bevangen, bij hem of haar verdwijnt het leven. En wie lange tijd geen voedsel gebruikt, gaat dood.”



De vier edele waarheden


    Een overdenken van de leer, van de vier edele waarheden behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het geeft een vredig gemoed.

    De vier Edele Waarheden zijn als volgt:

1.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van lijden, onvoldaanheid.

2.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het ontstaan van lijden.

3.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het beëindigen van lijden.

4.      Het is de verkondiging van de Edele Waarheid van het pad dat voert naar het beëindigen van lijden. (M.141; D.22)


    Zolang de Volmaakte niet in de wereld verschijnt, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte, zolang worden ook geen groot licht en geen grote glans openbaar. Zolang heerst er duisternis. De vier edele waarheden worden dan niet getoond, niet uitgelegd, niet onthuld, worden dan niet verkondigd.

    Maar wanneer de Volmaakte in de wereld verschijnt, de Heilige, volmaakt Ontwaakte, dan worden ook een groot licht en een grote glans openbaar. Er heerst dan geen duisternis meer. De vier edele waarheden worden dan getoond, uitgelegd, onthuld, worden dan verkondigd. (S.56.38)


    Onwetend is degene die het lijden niet kent, die het ontstaan ervan niet kent, die de opheffing ervan niet kent, en die het pad naar de opheffing ervan niet kent. Wetend is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan. (S.56.17-18)


    Omdat de vier edele waarheden niet begrepen werden, daarom is deze lange kringloop van bestaan doorlopen, zowel door de Boeddha als door ons. (S.56.21)


    Wie de vier edele waarheden niet inziet, die kan geen einde maken aan geboorte en ouderdom. Maar wie de vier edele waarheden inziet, die kan een einde maken aan geboorte en dood. (S.56.22; S.56.41)


    De edele waarheid van lijden is te doorzien; de edele waarheid van het ontstaan van lijden moet overwonnen worden; de edele waarheid van de opheffing van lijden moet verwerkelijkt worden; de edele waarheid van het pad dat voert naar de opheffing van lijden moet ontplooid worden. (S.56.29)


[Zie verder: De vier edele waarheden en het achtvoudige pad.]


Oorzakelijk of afhankelijk ontstaan


    Vóór en na de Verlichting dacht de Boeddha na over oorzakelijk ontstaan.

    "Waarlijk, deze wereld is tot een toestand van lijden vervallen. Men wordt geboren, men wordt ouder, men sterft, men verdwijnt en men duikt weer op. Een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven kent men niet. Wanneer zal een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven gevonden worden?" En bij de Bodhisatta kwam de gedachte op: "Bij de aanwezigheid waarvan is ook ouderdom en sterven aanwezig? In afhankelijkheid waarvan is ouderdom en sterven aanwezig?" En hij kwam in grondig overleg, in wijsheid, tot het volgende inzicht:


     "Als geboorte aanwezig is, is ouderdom en sterven aanwezig; in afhankelijkheid van geboorte is ouderdom en sterven aanwezig.

     Afhankelijk waarvan is geboorte aanwezig? - Als worden aanwezig is, is geboorte aanwezig; in afhankelijkheid van worden is geboorte aanwezig.

    Afhankelijk waarvan is worden aanwezig? - Als inbezitname, hechten aanwezig is, is worden aanwezig; in afhankelijkheid van inbezitname, hechten is worden aanwezig.

     Afhankelijk waarvan is inbezitname aanwezig? - Als levensdorst aanwezig is, is inbezitname aanwezig; in afhankelijkheid van levensdorst is inbezitname aanwezig.

     Afhankelijk waarvan is levensdorst aanwezig? - Als gewaarwording aanwezig is, is levensdorst aanwezig; in afhankelijkheid van gewaarwording is levensdorst aanwezig.

     Afhankelijk waarvan is gewaarwording aanwezig? - Als aanraking, contact aanwezig is, is gewaarwording aanwezig; in afhankelijkheid van aanraking is gewaarwording aanwezig.

    Afhankelijk waarvan is aanraking aanwezig? - Als de zes zintuigen aanwezig zijn, is aanraking aanwezig; in afhankelijkheid van de zes zintuigen is aanraking aanwezig.

    Afhankelijk waarvan zijn de zes zintuigen aanwezig? - Als geest-lichamelijkheid aanwezig is, zijn de zes zintuigen aanwezig; in afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid zijn de zes zintuigen aanwezig.

    Afhankelijk waarvan is geest-lichamelijkheid aanwezig? - Als bewustzijn aanwezig is, is geest-lichamelijkheid aanwezig; in afhankelijkheid van bewustzijn is geest-lichamelijkheid aanwezig.

    Afhankelijk waarvan is bewustzijn aanwezig? - Als geest-lichamelijkheid aanwezig is, is bewustzijn aanwezig; in afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid is bewustzijn aanwezig."


    En bij de Bodhisatta kwam de gedachte op: "Dit bewustzijn keert terug uit de geest-lichamelijkheid, verder gaat het niet. In zoverre kan men geboren worden, ouder worden en sterven; in zoverre kan men verdwijnen en weer opduiken, in zoverre namelijk als het volgende ontstaat:

    In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat de aanraking. In afhankelijkheid van de aanraking ontstaat de gewaarwording. In afhankelijkheid van de gewaarwording ontstaat de levensdorst. In afhankelijkheid van de levensdorst ontstaat inbezitname. In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat het worden. In afhankelijkheid van het worden ontstaat de geboorte. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zo is het ontstaan van deze hele massa van lijden. Dat is het ontstaan."


    Zo ging bij de Bodhisatta het oog van de waarheid open over tot dan toe ongehoorde dingen. En ook de kennis, de wijsheid, het weten en het inzicht ging open. En de gedachte kwam bij hem op: "Bij afwezigheid waarvan is er geen ouderdom en sterven; door het beëindigen waarvan houdt ouderdom en sterven op?" En de Bodhisatta kwam in grondig overleg, in wijsheid tot het inzicht:

    "Als geboorte afwezig is, is ouderdom en sterven afwezig; door ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven op.

    Bij afwezigheid waarvan is geboorte afwezig? - Als worden afwezig is, is geboorte afwezig; door ophouden van worden houdt geboorte op.

    Bij afwezigheid waarvan is worden afwezig? - Als inbezitname afwezig is, is worden afwezig; door het ophouden van inbezitname houdt worden op.

    Bij afwezigheid waarvan is inbezitname afwezig? - Als levensdorst afwezig is, is inbezitname afwezig; door het ophouden van levensdorst houdt inbezitname op.

    Bij afwezigheid waarvan is levensdorst afwezig? - Als gewaarwording afwezig is, is levensdorst afwezig; door het ophouden van gewaarwording houdt levensdorst op.

    Bij afwezigheid waarvan is gewaarwording afwezig? - Als aanraking afwezig is, is gewaarwording afwezig; door het ophouden van aanraking houdt gewaarwording op.

    Bij afwezigheid waarvan is aanraking afwezig? - Als de zes zintuigen afwezig zijn, is aanraking afwezig; door het ophouden van de zes zintuigen houdt aanraking op.

    Bij afwezigheid waarvan zijn de zes zintuigen afwezig? -Als geest-lichamelijkheid afwezig is, zijn de zes zintuigen afwezig; door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op.

    Bij afwezigheid waarvan is geest-lichamelijkheid afwezig? - Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig; door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op.

    Bij afwezigheid waarvan is bewustzijn afwezig? - Als geest-lichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig; door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op."


    En bij de Bodhisatta ontstond de gedachte: "Gevonden heb ik deze directe weg naar het hoogste inzicht, namelijk: Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op. Door het ophouden van de zes zintuigen houdt aanraking op. Door het ophouden van aanraking houdt gewaarwording op. Door het ophouden van gewaarwording houdt levensdorst op. Door het ophouden van levensdorst houdt inbezitname op. Door het ophouden van inbezitname houdt worden op. Door het ophouden van worden houdt geboorte op. Door het ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop op. Zo is het ophouden van deze hele massa van lijden. Dat is ophouden."


    Zo ging bij de Bodhisatta het oog van de waarheid open over tot dan toe ongehoorde dingen; en ook de kennis, de wijsheid, het weten en het inzicht ging open.


    Als dit is, volgt dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere en wel aldus:

    Afhankelijk van onwetendheid ontstaan wilsformaties. Afhankelijk van wilsformaties ontstaat bewustzijn dat tot wedergeboorte voert. Afhankelijk van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. Afhankelijk van geest-lichamelijkheid ontstaat de zesvoudige basis [dit is de basis van de zintuigen, namelijk van oog, oor, neus, tong, lichaam en de geest]. Afhankelijk van de zesvoudige basis ontstaat contact. Afhankelijk van contact ontstaat gevoel. Afhankelijk van gevoel ontstaat begeerte. Afhankelijk van begeerte ontstaat inbezitname en hechten. Afhankelijk van hechten ontstaat worden. Afhankelijk van worden ontstaan ouderdom en dood, leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.


    Afhankelijk van geboorte is ouderdom en sterven aanwezig. Afhankelijk van worden is geboorte aanwezig. Afhankelijk van inbezitname, hechten, is worden aanwezig. Afhankelijk van levensdorst is inbezitname aanwezig. Afhankelijk van gewaarwording is levensdorst aanwezig. Afhankelijk van aanraking is gewaarwording aanwezig. Afhankelijk van de zes zintuigen is aanraking aanwezig. Afhankelijk van geest-lichamelijkheid zijn de zes zintuigen aanwezig. Afhankelijk van bewustzijn is geest-lichamelijkheid aanwezig. Afhankelijk van geest-lichamelijkheid is bewustzijn aanwezig.


    In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking. In afhankelijkheid van aanraking ontstaat de gewaarwording. In afhankelijkheid van de gewaarwording ontstaat de levensdorst. In afhankelijkheid van de levensdorst ontstaat inbezitname.

    In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat het worden. In afhankelijkheid van het worden ontstaat de geboorte. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zo is het ontstaan van deze hele massa van lijden. Dat is het ontstaan.


    Als dit niet is, volgt dat niet; met het verdwijnen van het ene verdwijnt het andere en wel aldus:

    Met het verdwijnen van onwetendheid verdwijnen wilsformaties. Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn. Met het verdwijnen van bewustzijn verdwijnt geest-lichamelijkheid. Met het verdwijnen van geest-lichamelijkheid verdwijnt de zesvoudige basis. Met het verdwijnen van de zesvoudige basis verdwijnt contact. Met het verdwijnen van contact verdwijnt gevoel. Met het verdwijnen van gevoel verdwijnt begeerte. Met het verdwijnen van begeerte verdwijnt hechten. Met het verdwijnen van hechten verdwijnt worden. Met het verdwijnen van worden verdwijnen ouderdom en dood, leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.


    Als geboorte afwezig is, is ouderdom en sterven afwezig. Als worden afwezig is, is geboorte afwezig. Als inbezitname afwezig is, is worden afwezig. Als levensdorst afwezig is, is inbezitname afwezig. Als gewaarwording afwezig is, is levensdorst afwezig. Als aanraking afwezig is, is gewaarwording afwezig. Als de zes zintuigen afwezig zijn, is aanraking afwezig. Als geest-lichamelijkheid afwezig is, zijn de zes zintuigen afwezig. Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig. Als geest-lichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig.


    Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op. Door het ophouden van de zes zintuigen houdt aanraking op. Door het ophouden van aanraking houdt gewaarwording op. Door het ophouden van gewaarwording houdt levensdorst op. Door het ophouden van levensdorst houdt inbezitname op. Door het ophouden van inbezitname houdt worden op. Door het ophouden van worden houdt geboorte op. Door het ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop op. Zo is het ophouden van deze hele massa van lijden.


    Als dit is, volgt dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere. Als dit niet is, volgt dat niet; met het verdwijnen van het ene verdwijnt het andere, namelijk:

    Afhankelijk van onwetendheid ontstaan wilsformaties. Afhankelijk van wilsformaties ontstaat bewustzijn. Afhankelijk van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. Afhankelijk van geest-lichamelijkheid ontstaat de zesvoudige basis. Afhankelijk van de zesvoudige basis ontstaat contact. Afhankelijk van contact ontstaat gevoel. Afhankelijk van gevoel ontstaat begeerte. Afhankelijk van begeerte ontstaat inbezitname en hechten. Afhankelijk van hechten ontstaat worden. Afhankelijk van worden ontstaan ouderdom en dood, leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.

    Met het geheel en al verdwijnen van onwetendheid verdwijnen wilsformaties. Met het verdwijnen van wilsformaties verdwijnt bewustzijn. Met het verdwijnen van bewustzijn verdwijnt geest-lichamelijkheid. Met het verdwijnen van geest-lichamelijkheid verdwijnt de zesvoudige basis. Met het verdwijnen van de zesvoudige basis verdwijnt contact. Met het verdwijnen van contact verdwijnt gevoel. Met het verdwijnen van gevoel verdwijnt begeerte. Met het verdwijnen van begeerte verdwijnt hechten. Met het verdwijnen van hechten verdwijnt worden. Met het verdwijnen van worden verdwijnen ouderdom en dood, leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.” (Ud.1.1-3)2


[Oorzakelijk ontstaan is uitvoerig behandeld in: Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden]


De tien contemplaties


    Toen de eerwaarde Girimananda erg ziek was, kreeg de eerwaarde Ananda van de Boeddha de volgende tien contemplaties. Die zou hij bij het ziekbed opzeggen. Na het horen ervan zou de ziekte van de eerwaarde Girimananda verdwijnen.

    Nadat hij die tien contemplaties van de Gezegende geleerd had, bezocht de eerwaarde Ānanda de eerwaarde Girimānanda en zei hem de tien contemplaties op. Toen de eerwaarde Girimānanda ze had vernomen, was zijn ziekte onmiddellijk genezen. Hij herstelde en zo verdween de ziekte van de eerwaarde Girimānanda. (A.X.60)


Die tien contemplaties zijn:

1) Contemplatie over niet-bestendigheid.

2) Contemplatie over niet-zelf.

3) Contemplatie over walgelijkheid, over de onzuivrheid van het lichaam.

4) Contemplatie over nadeel (gevaar).

5) Contemplatie over het opgeven (het afzien).

6) Contemplatie over onthechting (zich afzonderen).

7) Contemplatie over beëindiging.

8) Contemplatie over afkeer van de hele wereld.

9) Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen.

10) Oplettendheid bij het in- en uitademen.



1. Contemplatie over niet-bestendigheid


    Bij contemplatie over niet-bestendigheid gaat men naar een rustige plek en men overweegt er aldus: ‘Materie (vorm) is niet bestendig; gevoel of gewaarwording is niet bestendig; waarneming is niet bestendig; geestelijke formaties zijn niet bestendig; bewustzijn is niet bestendig.’ (A.X.60)


[Meer over niet-bestendigheid, zie: De drie aspecten van het leven, 2. anicca]



2. Contemplatie over niet-zelf


    Bij contemplatie over niet-zelf gaat men naar een rustige plek en men overweegt er aldus: ‘Het oog is niet-zelf, zichtbare objecten zijn niet-zelf; het oor is niet-zelf; geluiden zijn niet-zelf; de neus is niet-zelf, geuren zijn niet-zelf; de tong is niet-zelf, smaken zijn niet-zelf; het lichaam is niet-zelf, lichamelijke kontakten (tastbare objecten) zijn niet-zelf; de geest is niet-zelf, mentale objecten zijn niet-zelf.’ Aldus blijft men niet-zelf beschouwen in deze inwendige en uitwendige grondslagen. (A.X.60)

[Meer over niet-zelf, zie: De drie aspecten van het leven, 3. anatta.]



3. Contemplatie over de onzuiverheid van het lichaam


    De contemplatie over de onzuiverheid, de walgelijkheid van het lichaam behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)


    Bij de contemplatie over walgelijkheid, onzuiverheid van het lichaam beschouwt men dit lichaam van top tot teen, vanaf de voetzolen opwaarts, vanaf de punten van het hoofdhaar neerwaarts. Men beschouwt dit lichaam dat met huid overgoten is, zoals het vol is van vele soorten onzuiverheden. Men overweegt aldus:


    “Dit lichaam is begrensd binnen de huid en is vol van menigerlei onzuiverheden, van top tot teen. Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, beenderen, merg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusslijm, gewrichtsvloeistof, urine [en de hersenen].” (Khp.III; D.II.293; M.I.57; (A.X.60).


    Ofwel: er zijn in en aan dit lichaam: vaste elementen, vloeibare elementen, gasvormige elementen, hitte-element, (ruimte-element), geestelijke factoren en bewustzijn.


    Door beenderen en spieren verbonden, met vlees en weefsel bevuild, en bedekt door de huid, maar niet zoals het werkelijk is, zo schijnt het lichaam. De dwaas acht het mooi; zijn onwetendheid misleidt hem. De huid is slechts de verpakking van het walgelijke.


    Mijn lichaam is bedekt met een huid, gevuld met veel onzuiverheden. Het is een voorbijgaande combinatie van elementen, voedsel voor wormen, een skelet.

    Het lichaam is als een zak van huid, gevuld met vlees en beenderen.


(voor mannen:)

    Als men vrouwen ziet, denk dan: "Spoedig zal ook dat lichaam vergaan. Mogen belichaamde wezens zich bewust worden van hun waanzin, zodat niet langer tevergeefs het lichaam versleten wordt en afsterft. Moge haar en mijn kamma geleidelijk tot rust komen."


(voor vrouwen:)

    Als men mannen ziet, denk dan: "Spoedig zal ook dat lichaam vergaan. Mogen belichaamde wezens zich bewust worden van hun waanzin, zodat niet langer tevergeefs het lichaam versleten wordt en afsterft. Moge zijn en mijn kamma geleidelijk tot rust komen."



4. Contemplatie over nadeel (gevaar)


    Bij contemplatie over nadeel (gevaar) overweegt men aldus: “Talrijk zijn de kwalen, talrijk zijn de nadelen (gevaren) van dit lichaam. Want in dit lichaam ontstaan verscheidene ziektes, zoals oogziekte, oorziekte, neusziekte, tongziekte, lichaamsziekte, hoofdpijn, de bof,3 mondziekte, tandpijn, hoest, astma, verkoudheid, brandend maagzuur, koorts, maagkwalen, flauwte, dysenterie, gezwel, koliek, melaatsheid, steenpuist, klierziekte, tuberculose, vallende ziekte, ringworm, jeuk, huiduitslag, roos op het hoofd, puistjes, oververzadigdheid, suikerziekte, aambeien, kanker, etterkanaal (fistel), en ziektes ontstaan uit gal, uit slijm, uit winden, uit conflicten van de lichaamsvochten, uit weersveranderingen, uit ongunstige omstandigheden (onjuist gedrag), ziektes ontstaan door opzet van anderen, ziektes ontstaan uit resultaten van wilsacties, en verder koude, hitte, honger, dorst, uitwerpsels en urine.” (A.X.60)



5. Contemplatie over het opgeven


    Bij contemplatie over opgeven (vernietiging van de smetten) staat men geen gedachte van zinsverlangen toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen gedachte van kwaadwil toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen gedachte van wreedheid toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen euvele, onheilzame gemoedstoestanden toe die in iemand van tijd tot tijd ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. (A.X.60)



6. Contemplatie over onthechting


    Bij contemplatie over onthechting overweegt men aldus: “Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, onthechting, Nibbāna.” (A.X.60)



7. Contemplatie over beëindiging


Contemplatie over beëindiging is aldus: men gaat naar een vredige plek en overweegt er aldus: “Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle samengestelde dingen, het opgeven van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, beëindiging, Nibbāna.” (A.X.60)


    Deze contemplatie behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)



8. Contemplatie over afkeer van de hele wereld

    Contemplatie over afkeer van de hele wereld bestaat hierin: men geeft de betrokkenheid met deze wereld op. Men geeft het hechten aan deze wereld op. Men geeft geestelijke vooroordelen, verkeerde meningen en verborgen neigingen betreffende deze wereld op. En doordat men er niet naar verlangt maar ze opgeeft, daardoor wordt men onthecht (vrij). (A.X.60)



9. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen

    Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen bestaat hierin: men is teleurgesteld en misselijk van alle samengestelde geestelijke dingen, men is ze beu. (A.X.60)



10. Oplettendheid bij het in- en uitademen


    Door de concentratie op de ademhaling wordt rust, kalmte verkregen. De adem wordt daarbij niet op een speciale manier langer of korter ingehouden. Maar de ademhaling is het punt waarop de aandacht steeds weer gevestigd wordt. Het is als een paal waaraan een geit gebonden is. De geit wil steeds weglopen, maar het touw belet het haar. Steeds weer keert zij naar de paal terug, totdat zij het nutteloze van het weglopen inziet. Zij blijft dan rustig liggen naast de paal of zij blijft in de buurt ervan grazen. Evenzo moet de aandacht steeds weer teruggebracht worden tot de ademhaling. Of wij nu kort of snel in- en uitademen, of wij langzaam in- en uitademen, wij letten er gewoon op, zonder de natuurlijke ademhaling te verstoren. En als de gedachten afdwalen, dan moet de oplettendheid die gedachten weer terugbrengen naar de ademhaling.


    Concentratie op de ademhaling behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

    Oplettend in- en uitademen, ontplooid en ontwikkeld, brengt grote vrucht en grote zegen. Men ontplooit dan de zeven factoren van Verlichting. (S.54.2)


    De concentratie op het in- en uitademen is stil, uitstekend, een vertoeven in smetteloos geluk. De slechte onheilzame dingen die ontstaan, worden terstond tot verdwijnen gebracht en komen tot rust. (S.54.9)


    De Verhevene vertoefde vaak in de concentratie op de ademhaling. Hij noemde het “edel vertoeven”. Deze concentratie, ontplooid en ontwikkeld, voert naar de opheffing van de neigingen.

    En degenen die volmaakte heiligen zijn, hen voert de concentratie op het in- en uitademen al in dit leven tot een gelukkig vertoeven in oplettend helder bewustzijn. (S.54.12)

    Door oplettende in- en uitademing worden de vier pijlers van oplettendheid (satipatthāna) tot volmaaktheid gebracht.

    Door de vier pijlers van oplettendheid worden de zeven factoren van Verlichting (bojjhanga) tot volmaaktheid gebracht.

    En wanneer die zeven factoren van Verlichting ontplooid en ontwikkeld zijn, brengen zij weten en bevrijding tot volmaaktheid. (S.54.13)


    De Verhevene heeft vaak deze oplettendheid bij het ademen beoefend voordat hij de volmaakte Verlichting bereikte. Zijn lichaam en zijn ogen werden toen niet moe. En zonder hechten werd zijn geest van de neigingen bevrijd.

    Wie wenst dat zijn lichaam niet moe wordt noch zijn ogen, en wie zonder hechten verlost wil worden van de neigingen, die moet zijn opmerkzaamheid richten op de concentratie van bedachtzame in- en uitademing.

    Wenst men dat de herinneringen en ideeën waaraan men gewend is overwonnen worden, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men dat men het niet walgelijke als walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men dat men het walgelijke als niet walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men dat men het niet walgelijke en het walgelijke als iets walgelijks waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men dat men het walgelijke en het niet walgelijke als iets niet walgelijks waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men dat men het niet walgelijke en het walgelijke beide achter zich laat en gelijkmoedig vertoeft, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men de vier jhanas te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men de vier vormloze meditatieve verdiepingen te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.

    Wenst men na volledige overwinning van de grens van mogelijke waarneming de opheffing van waarneming en gevoel te bereiken en daarin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.


    Wanneer de concentratie op de ademhaling op die manier ontplooid en ontwikkeld is, en wanneer men dan een aangenaam of een onaangenaam gevoel ondervindt, dan ziet men in dat het onbestendig is, onvoldaan. Men eigent zich dat gevoel niet meer toe.

    Men ziet in dat, wanneer het lichaam uiteenvalt en de levenskracht opgebruikt is, alles wat hier nog als waarneembaar is, koel geworden is hoewel ook zonder voldoening. (S.54.8)


De methode van concentratie bij het ademhalen


    Oplettendheid bij het in- en uitademen gaat als volgt: Men gaat naar een rustige plek en men gaat er met gekruiste benen neerzitten (of op een stoel). Men houdt het lichaam rechtop en de oplettendheid houdt men levendig. En oplettend ademt men in, oplettend ademt men uit.

    Wanneer men lang inademt, weet men: ‘Ik adem lang in’; wanneer men lang uitademt, weet men: ‘Ik adem lang uit.’ Wanneer men kort inademt, weet men: ‘Ik adem kort in;’ wanneer men kort uitademt, weet men: ‘Ik adem kort uit.’

    ‘Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘bewust van het hele ademhalingsproces zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich. (S.54.1)


    Wanneer men diep inademt, weet men: 'ik adem diep in.' Wanneer men diep uitademt, weet men: 'ik adem diep uit.' Wanneer men kort inademt, weet men: 'ik adem kort in.' Wanneer men kort uitademt, weet men: 'ik adem kort uit.' Het lichaam kalmerend zal ik inademen, het lichaam kalmerend zal ik uitademen, zo oefent men.

    Op die tijd waakt men bij het lichaam over het lichaam, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

    Het in- en uitademen wordt genoemd het lichaam veranderen. (S.54.10)


    ‘Vervoering ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘vervoering ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘Zaligheid ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘zaligheid ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich. (S.54.1; S.54.10)

    Op zo'n tijd waakt men bij de gevoelens over de gevoelens, oplettend en helder bewust. De gevoelens veranderen wordt dat genoemd. (S.54.10)


    ‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    'De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    'De geest ondervindend4 zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘De geest buitengewoon blij makend,5 zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest buitengewoon blij makend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘De geest concentrerend,6 zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest concentrerend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘De geest bevrijdend [van de hindernissen], zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘de geest bevrijdend, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich. (S.54.1;S.54.10)


    Op zo'n tijd oefent men zich: 'het bewustzijn ondervindend zal ik inademen; het bewustzijn ondervindend zal ik uitademen; het bewustzijn opwekkend zal ik in- en uitademen; het bewustzijn bevrijdend zal ik in- en uitademen.' Zo oefent men.

    Op zo'n tijd waakt men bij het bewustzijn over het bewustzijn, helder bewust. (S.54.10)


    Iemand die onachtzaam is, die niet helder bewust is, kan de concentratie op het in- en uitademen niet ontplooien. Daarom waakt men bij de geest over de geest, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend. (S.54.10)


    ‘Nadenkend over niet-blijvendheid, vergankelijkheid7 zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘Nadenkend over onthechting, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over onthechting, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘Nadenkend over beëindiging, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over beëindiging, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich.

    ‘Nadenkend over het opgeven, zal ik inademen,’ aldus oefent men zich; ‘nadenkend over het opgeven, zal ik uitademen,’ aldus oefent men zich. (S.54.1;S.54.10)


    Op zo'n tijd waakt men bij de verschijnselen over de verschijnselen, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van werelds verlangen en droefenis.

    Men heeft wijs gemerkt hoe begeerte en droefenis overwonnen worden, en men is in evenwicht.

    Op die manier worden de slechte, onheilzame dingen verminderd door iemand die bij het lichaam waakt over het lichaam, die bij de gevoelens waakt over de gevoelens, die bij het bewustzijn waakt over het bewustzijn, die bij de objecten van de geest waakt over de objecten van de geest. (S.54.10)


    Dit heet oplettendheid bij het in- en uitademen. (S.54.1; S.54.10; (A.X.60)


Uitwissing


    Een kalm gemoed kan men ook krijgen door de overweging over uitwissing.


    Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster. Daar gaf hij aan de eerwaarde Cunda het volgende onderricht:

    "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in een van de vier meditatieve verdiepingen en dat hij dan denkt: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven op z'n gemak hier en nu.'

    "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in de meditatieve verdieping van oneindige ruimte, oneindig bewustzijn, de sfeer van nietsheid of de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. Hij kan dan denken: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven in vrede.'

    Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden:

    Anderen kunnen kwaad doen, maar ik zal argeloos worden en geen kwaad doen.

    Anderen kunnen levende wezens doden, maar ik zal afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

    Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar ik zal afzien van het nemen wat niet is gegeven.

    Anderen kunnen onkuis leven, maar ik zal kuis leven.

    Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar ik zal afzien van valse getuigenis en van liegen.

    Anderen kunnen lasteren, maar ik zal afzien van lasterpraat.

    Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar ik zal afzien van het gebruik van ruwe taal.

    Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar ik zal afzien van geroddel.

    Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar ik zal niet hebzuchtig zijn.

    Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar ik zal geen gedachten van kwaadwil hebben.

    Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar ik zal juiste visies hebben.

    Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar ik zal juiste bedoelingen hebben.

    Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar ik zal juiste taal gebruiken.

    Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar ik zal juiste daden verrichten.

    Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar ik zal een juist levensonderhoud hebben.

    Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar ik zal juiste inspanning doen.

    Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar ik zal juiste oplettendheid hebben.

    Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar ik zal juiste concentratie hebben

    Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar ik zal juiste kennis en juist weten hebben.

    Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar ik zal juiste bevrijding hebben.

    Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar ik zal vrij zijn van traagheid en starheid.

    Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar ik zal niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

    Anderen kunnen twijfelen, maar ik zal vrij zijn van twijfel.

    Anderen kunnen boos zijn, maar ik zal niet boos zijn.

    Anderen kunnen vijandig zijn, maar ik zal niet vijandig zijn.

    Anderen kunnen kleineren en verachten, maar ik zal niet kleineren en niet verachten.

    Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar ik zal niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

    Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar ik zal niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

    Anderen kunnen jaloers zijn, maar ik zal niet jaloers zijn.

    Anderen kunnen bedriegen, maar ik zal niet bedriegen.

    Anderen kunnen huichelaars zijn, maar ik zal geen huichelaar zijn.

    Anderen kunnen koppig zijn, maar ik zal niet koppig zijn en niet verstokt.

    Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar ik zal niet hoogmoedig zijn.

    Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar ik zal gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

    Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar ik zal edele vrienden hebben.

    Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar ik zal oplettend en achtzaam zijn.

    Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar ik zal betrouwbaar zijn.

    Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar ik zal vol schaamte zijn.

    Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar ik zal gewetensvol zijn.

    Anderen kunnen zonder leren zijn, maar ik zal veel leren.

    Anderen kunnen lui zijn, maar ik zal energiek zijn.

    Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar ik zal gevestigd zijn in oplettendheid.

    Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar ik zal begiftigd zijn met wijsheid.

    Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar ik zal geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, ik zal daar niet vast aan houden en zal het met gemak verwerpen.

    Zó moet geoefend worden. (M.8)8


    Kortom, anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar ik zal vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Zó moet geoefend worden.



Overweging van de tien paramis (volmaaktheden)


1.   Moge ik vrijgevig, edelmoedig en behulpzaam zijn.

2.   Moge ik zuiver, deugdzaam en wel-gedisciplineerd zijn.

3.   Moge ik niet egoïstisch en hebzuchtig zijn, maar onzelfzuchtig en opofferend.

4.   Moge ik wijs zijn en moge ik in staat zijn om het voordeel van mijn kennis aan anderen te geven.

5.   Moge ik ijverig, energiek en volhardend zijn.

6.   Moge ik geduldig en verdraagzaam zijn; moge ik in staat zijn om het verkeerde van anderen te dragen en te verduren.

7.   Moge ik eerlijk en waarheidsgetrouw zijn.

8.   Moge ik standvastig en vastbesloten zijn.

9.   Moge ik welwillend, mededogend en vriendelijk zijn.

10. Moge ik nederig, kalm, rustig, onverstoorbaar en vredig zijn.


Moge ik dienen om volmaakt te worden; moge ik volmaakt worden om te dienen.



Gevaren bij contemplatie

Vitakkasanthāna sutta (M.20)


    De Boeddha onderwijst er vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan.

    Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet over de nadelen van slechte gedachten nadenken. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

    Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.


1 Path of Pur. p. 247.

2 Ud.1.1, 1.2 en 1.3, in: Ireland, John (tr.): The Udāna: Inspired Utterances of the Buddha. Kandy 1990, p. 11-13.

3 de bof = ontsteking van de oorspeekselklier.

4 Volgens de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).

5 Zowel door samatha (kalmte) als ook door vipassana (inzicht).

6 Namelijk op de ademhaling.

7 Van lichaam, gevoel, waarneming, wilsformaties en bewustzijn.

8 The Discours on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8, in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy 1964, Wheel Publication 61/62, p. 30-42.