Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.14.Gevaren bij contemplaties


 Gevaren bij contemplaties



M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta

 

    De Boeddha onderwijst er vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan. Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet over de nadelen van slechte gedachten nadenken. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

  Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.

*

M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta - Vrees en angst

Te Sāvatthi, in het [Jetavana]park van Anāthapindika. Jānussoni, een brahmaan, bezocht er de Boeddha en zei tot hem: “De monniken hier hebben hun huis verlaten en zijn nu volgelingen van de Verhevene. Maar diep in het woud, op eenzame, afgelegen oorden te leven, is moeilijk. Iemand die zich niet kan beheersen, die geen zelfbeheersing heeft, moet er beslist angstig worden.”

“Zo is het, brahmaan. Ook ik was bang toen ik de volmaakte Verlichting nog niet bereikt had. Maar ik overwoog dat ik zuiver handelde. En mijn welgevallen aan het leven in het woud nam toe.

En ik overwoog dat ik zuivere taal gebruik, dat mijn denken zuiver is, dat ik een zuiver karakter heb. Ik overwoog dat ik niet begerig was, geen hevige wensen had, dat ik geen haat of afkeer had, niet verbitterd was. Ik voelde medelijden. En ik was niet mat en moe. Ik was niet opgewonden, was niet onrustig in de geest. Ik was niet twijfelachtig, had geen onzekere geest. Ik was zeker van mijn zaak. Ik kende geen eigen lof en geen berisping van anderen. Ik was niet hoogmoedig, verachtte anderen niet. Ik kende geen sidderen en geen schromen. Ik verlangde niet naar gaven, eer en aanzien. Ik was bescheiden. Ik was niet gebroken en moedeloos. Ik was standvastig. Mijn gemoed was niet verstoord, niet troebel. Mijn gemoed was helder. Mijn geest was niet rusteloos en verstrooid. Ik was beheerst. Ik was niet dwaas en stompzinnig. Ik was wijs. En mijn welgevallen aan het leven in het woud nam toe.

En ik ging naar grafheuvels in parken, in wouden, onder bomen. Daar vertoefde ik. Ik wilde er de angst en vrees ondervinden. En die angst en vrees kwam toen ik er heen en weer liep, toen ik zat, neerlag, stil stond. En ik overwon die angst en vrees.

Van mij kan men terecht zeggen dat een wezen zonder waan in de wereld is verschenen, tot heil en zegen voor goden en mensen.

Standvastig verdroeg ik het, zonder weifelen, met heldere geest, met het lichaam stil, zonder beweging, met beheerst gemoed, geconcentreerd. Ik vertoefde er in de eerste jhana, die met nadenken en overwegenverbonden is en een zalige blijheid heeft.

Hierna verkreeg ik de eenheid van het gemoed, vrij van nadenken, de tweede jhana, door concentratie ontstaan.

Gelijkmoedig vertoefde ik in bij de rust, helder bewust, en ik ondervond in het lichaam geluk. Dit was de derde jhana.

Na het opgeven van vreugde en lijden, na vernietiging van blijdschap en droefenis, bereikte ik de vierde jhana die vrij is van leed, vrij van vreugde. Ik vertoefde gelijkmoedig, volkomen zuiver.

Het gemoed richtte ik toen op de herinnering aan vroegere vormen van bestaan. Ik herinnerde mij aan veel verschillende vroegere vormen van bestaan, aan 1 leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens. Ik herinnerde mij de tijden van vele wereldontstaan en vele wereldvergaan. Ik herinnerde mij welke naam ik er had, tot welke familie ik behoorde, tot welke stand (kaste) is behoorde, welk beroep ik uitoefende, wat ik er ondervond aan wel en wee, hoe mijn levenseinde was, en waar ik wedergeboren werd. Ik herinnerde mij aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan. Dit weten verkreeg ik in de eerste uren van de nacht.

En ik richtte het gemoed op het verdwijnen en weer verschijnen van wezens. Met het hemelse oog zag ik hoe de wezens wedergeboren worden overeenkomstig hun daden. Dit weten verkreeg ik in de middelste uren van de nacht.

Ik richtte het gemoed op de kenis van de opdroging van waan. Dit is lijden; dit is de ontwikkeling van lijden; dit is de opheffing van lijden; dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.

Dit is onwetendheid. Dit is de ontwikkeling van onwetendheid. Dit is de opheffing van onwetendheid. Dit is het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid.

Met dit inzicht, deze kennis werd mijn gemoed bevrijd van de waan om te wensen, bevrijd van de waan om te bestaan, bevrijd van niet-weten. Het inzicht ontstond: dit is de bevrijding, geboorte is opgedroogd, het ascetendom is voltooid, gedaan is wat gedaan moest worden. Dit weten kreeg ik in de laatste uren van de nacht.

Er zijn, brahmaan, twee redenen waarom ik diep in het woud naar afgelegen oorden ga: 1) mijn eigen welbevinden, en 2) het medelijden met degenen die mij volgen.