Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.10. Leegheid, leegte (suññata)

inleiding     De wereld     de zes interne en externe gebieden     de zes soorten van bewustzijn     de zes aanrakingen en de achttien gevoelens     Leeg van blijvendheid     Anatta -  Leeg van een zelf     Juist inzicht    Alleen vertoeven     De leegte van Nibbana    



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Leegheid, leegte (suññata)

Inleiding

        Leegheid of leegte is het leeg zijn, het afwezig zijn van iets. In het Theravada verstaat men onder leegheid dat elk samengesteld object leeg is van een zelfstandig, onveroorzaakt, blijvend iets. En ook Nibbana is leeg en wel leeg van haat en kwaadwil, leeg van een ik, leeg van onwetendheid.

De Boeddha onderwees dat alles leeg is van eigenheid. Er is geen blijvende kern in al wat bestaat.

        In Noord-India in de 6e en 7e eeuw voor Chr. en ook ten tijde van de Boeddha was men van mening dat er in de mens een zelf (atta), een ziel was in de vorm van een klein wezen. Dat wezentje zou in gewone tijden in het hart van de mens wonen. Het zou uit het lichaam ontsnappen in de slaap of trance. Wanneer het dan terugkeert naar het lichaam, komen leven en beweging weer terug. Het zou bij de dood uit het lichaam ontsnappen en dan een eigen eeuwig leven blijven leiden. - Een 'ziel' volgens algemeen geloof was iets dat blijvend was, onveranderlijk, niet beïnvloed door verdriet.[1] - De leer van de Boeddha verwerpt zulke theorieën en verschilt zo van andere religies en levensovertuigingen.

“Deze mensheid is ofwel gehecht aan de visie van zelf-productie of houdt vast aan de visie van productie door een ander. Sommigen begrijpen dit niet en kunnen het niet zien als een stekel. Maar degene die het begrijpt, trekt deze stekel uit. Hij denkt niet: ‘Ik ben het middel,’ hij denkt niet: ‘Een ander is het middel.’

Deze mensheid is bezeten door eigenwaan,

is erdoor geboeid, erdoor vastgebonden.

Wraakzuchtig spreken zij vanwege hun visies

en daarom gaan zij niet over samsâra heen.” 

(ud.6.6)

De Boeddha vertoefde vaak in de bevrijding van leegheid. (suññata[2]). Hiermee is bedoeld bevrijding door inzicht dat alles leeg is van een zelf.

Iemand beschouwt iets als leeg van datgene wat niet aanwezig is, maar wat het overige betreft, zo begrijpt hij datgene wat aanwezig is, op de volgende manier: 'Dit is tegenwoordig.' Dit is zijn echt, onvervormd, zuiver afdalen in de leegheid.”[3] (M.121)

Het commentaar vermeldt dat vertoeven in leegheid (suññatāvihāra) betrekking heeft op de meditatieve bereikingstoestand van de leegheid (suññatāphala-samāpatti), een bereikingstoestand in verbinding met arahantschap, waarin men intreedt wanneer men zich concentreert op het leegheidsaspect van Nibbana.

Hierover heeft de eerwaarde Sariputta eens het volgende uitgelegd.

“Voor het bereiken van de bevrijding van het gemoed zonder kenmerken zijn er twee voorwaarden, namelijk het niet acht slaan op alle kentekenen en het acht slaan op het kentekenvrije element.

Voor het voortduren van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er drie voorwaarden, namelijk het niet acht slaan op alle kentekenen, het acht slaan op het kentekenvrije element en de eerdere vastlegging (van de duur ervan).        

Voor het uitreden uit de kentekenvrije bevrijding van het gemoed zijn er twee voorwaarden, namelijk het acht slaan op alle kentekenen en het niet acht slaan op het kentekenvrije element.

De onmeetbare bevrijding van het gemoed, de bevrijding van het gemoed door nietsheid, de bevrijding van het gemoed door leegheid en de kentekenloze bevrijding van het gemoed,[4] – enerzijds zijn dat verschillende toestanden met verschillende kentekenen, anderzijds zijn ze één, alleen met verschillende kentekenen.

En op welke manier zijn het verschillende toestanden met verschillende kenmerken? - Iemand doordringt een hemelrichting met een hart dat gevuld is met metta, liefdevolle vriendelijkheid, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelrichting, en ook opwaarts en neerwaarts, in alle richtingen. En hij vertoeft erin tot allen evenveel metta als tot zichzelf. De hele wereld doordringt hij met een gemoed dat vol metta is, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Hij doordringt alle hemelrichtingen met een hart dat gevuld is met medeleven, en ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen. Hij heeft evenveel medeleven tot anderen als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat gevuld is met medeleven, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Hij doordringt de ene hemelrichting met een hart dat gevuld is met medevreugde, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat gevuld is met medevreugde, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

 Hij doordringt de ene hemelrichting met een hart dat gevuld is met gelijkmoedigheid, en evenzo de tweede, derde en vierde hemelrichting. En ook naar boven en naar beneden, in alle richtingen, tot allen evenveel als tot zichzelf. Hij doordringt de hele wereld met een hart dat gevuld is met gelijkmoedigheid, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandschap en zonder kwaadwil.

Dit wordt de onmetelijke bevrijding van het hart genoemd.        

De bevrijding van het hart door nietsheid is als volgt. Met het volledig overwinnen van het gebied van bewustzijnsoneindigheid, waarbij iemand zich voor de geest haalt 'daar is niets', treedt hij binnen in het gebied van de nietsheid en hij vertoeft erin.

De bevrijding van het gemoed door leegheid is als volgt. Iemand overweegt: 'dit is leeg van een zelf of van iets dat tot een zelf behoort.'

De kentekenloze bevrijding van het hart is als volgt. Onder niet acht slaan op alle kentekenen treedt een bhikkhu binnen in de kentekenloze concentratie van het hart en hij vertoeft erin.

 Op die manier zijn dat verschillende toestanden met verschillende kenmerken.

En op welke manier zijn deze toestanden één, alleen met verschillende kenmerken? - Begeerte legt maatstaven op, haat legt maatstaven op, onwetendheid legt maatstaven op. In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn deze maatstaven opgeheven, aan de wortel afgesneden, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

Van alle soorten van de onmetelijke bevrijding van het hart wordt de onwrikbare bevrijding van het hart als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan. Van alle soorten van de bevrijding van het hart door nietsheid wordt op de onwrikbare bevrijding van het hart de nadruk gelegd. Die onwrikbare bevrijding van het hart is leeg van begeerte, leeg van haat, leeg van onwetendheid.

Begeerte schept kenmerken, haat schept kenmerken, onwetendheid schept kenmerken.[5] In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.

Van alle soorten van de kentekenvrije bevrijding van het gemoed wordt de onwrikbare bevrijding van het gemoed als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het gemoed evenwel is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

Op die manier zijn die toestanden één, alleen met verschillende kenmerken.” (M.43)

De wereld

        Eens vroeg de eerwaarde Ananda aan de Verhevene:

"Heer, men zegt 'wereld'. In hoeverre nu zegt men 'wereld'?"

        "Ananda, wat er aan dingen zijn die verwelken, die worden in de Orde van de edelen 'wereld' genoemd. En de dingen die verwelken zijn: de zes interne en externe gebieden, de zes soorten van het bewustzijn, de zes aanrakingen, de achttien gevoelens. Ananda, deze dingen van verwelken worden in de Orde van de edelen 'wereld' genoemd".

"Heer, men zegt 'leeg is de wereld'. Maar in hoeverre wordt er gezegd dat de wereld leeg is?"

"Ananda, wat er leeg is van ik en tot het ik behorende, daarvan wordt gezegd: 'Leeg is de wereld'.  Leeg van ik of van tot het ik behorende zijn: de zes interne en externe gebieden, de zes soorten van het bewustzijn, de zes aanrakingen, de achttien gevoelens. Dat is leeg van ik en tot het ik behorend." (S.35.84-85)

de zes interne en externe gebieden

‘Het oog is niet-zelf, zichtbare objecten zijn niet-zelf;

het oor is niet-zelf; geluiden zijn niet-zelf;

de neus is niet-zelf, geuren zijn niet-zelf;

de tong is niet-zelf, smaken zijn niet-zelf;

het lichaam is niet-zelf, lichamelijke contacten (tastbare objecten) zijn niet-zelf;

de geest is niet-zelf, mentale objecten zijn niet-zelf.

de zes soorten van bewustzijn

De zes soorten van bewustzijn worden veroorzaakt door de zintuigen, zintuiglijk waarneembare objecten en het bewustzijn dat ontstaat ten gevolge van contact van zintuig en object:        

oog, vorm, bewustzijn van het zien;

oor, geluid, bewustzijn van het horen;

neus, geur, bewustzijn van het ruiken;

tong, smaak, bewustzijn van het proeven;

lichaam, aanraakbaar object, bewustzijn van het aanraken;

geest, gedachte, bewustzijn van het denken.

de zes aanrakingen en de achttien gevoelens

        Ten gevolge van de verscheidenheid der elementen ontstaat de verscheidenheid der contacten, aanrakingen. En ten gevolge van de verscheidenheid der contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens.

En hoe ontstaat dat alles?

Ten gevolge van het oog ontstaat het contact van het oog (zien). Ten gevolge van het contact van het oog ontstaat het gevoel dat door het contact van het oog veroorzaakt is.

Ten gevolge van het oor ontstaat het contact van het oor (horen). Ten gevolge van het contact van het oor ontstaat het gevoel dat door het contact van het oor veroorzaakt is.

Ten gevolge van de neus ontstaat het contact van de neus (ruiken). Ten gevolge van het contact van de neus ontstaat het gevoel dat door het contact van de neus veroorzaakt is.

Ten gevolge van de tong ontstaat het contact van de tong (proeven). Ten gevolge van het contact van de tong ontstaat het gevoel dat door het contact van de tong veroorzaakt is.

Ten gevolge van het lichaam ontstaat het contact van het lichaam (aanraken). Ten gevolge van het contact van het lichaam ontstaat het gevoel dat door het contact van het lichaam (aanraken) veroorzaakt is.

Ten gevolge van de geest ontstaat het contact van de geest (denken). Ten gevolge van het contact van de geest ontstaat het gevoel dat door het contact van de geest veroorzaakt is.

        Deze zes soorten van gevoel kunnen aangenaam, onaangenaam of neutraal zijn. Zo zijn er in totaal 18 soorten van gevoel.

Leeg van blijvendheid

De mens bestaat uit afzonderlijke elementen, zonder enige blijvende kern. Men kan als volgt overwegen: de mens heeft een hoofd, een romp, nek, armen en benen. Of men overweegt dat de mens gelijk is aan een zak van huid, gevuld met vlees en beenderen, ingewanden, spieren, pezen, bloed, tranen, e.d.[6]

Of men beziet de mens als bestaande uit lichaam en geest, uit de elementen aarde, water, vuur, lucht, ruimte en bewustzijn (gewaarwording).

Nergens zal men daar een blijvend iets ontdekken. De mens is niet alleen leeg van een zelf, maar ook leeg van blijvendheid.

Anatta - leeg van een zelf

“De wereld is leeg in zoverre ze leeg is van een zelf (attā) en leeg van wat toebehoort aan een zelf. De zintuigen zijn leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf. Zintuiglijk waarneembare objecten zijn leeg van een zelf, en ook contact van de zintuigen met waarneembare objecten is leeg van een zelf. Dat alles is leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf. En wat er ook voor prettige, frustrerende of neutrale gevoelens ontstaan met betrekking tot de zintuigen en tot de coördinerende geest, ook die zijn leeg van een zelf en van wat toebehoort aan een zelf.” (S.IV.54).

Met leegheid wordt bedoeld de waarheid van anatta, niet-zelf. Dit is niet mijn zelf, en dat is niet mijn zelf. Dit behoort mij niet toe, en dat behoort mij niet toe. Dit ben ik niet, en dat ben ik niet. Nergens is hier een blijvende kern te vinden. En wat niet blijvend is, daarvan kan men niet zeggen dat “ik” dat ben.

De zintuigen zijn veroorzaakt, zijn niet zelf, zijn leeg van een blijvende kern.

De zintuiglijke objecten zijn veroorzaakt, zijn niet zelf, zijn leeg van een eigen blijvende kern.

Het bewustzijn (de gewaarwording) is veroorzaakt (door contact van zintuig met object),  het is niet zelf, is leeg van een blijvende kern.

Het lichaam is ontstaan, is niet zelf.

De geest is ontstaan, is niet zelf.

Wat de oorzaak is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Hoe zou dan de lichamelijkheid - die ontstaan is door iets dat zonder een vaste kern, zonder ik is, - een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn?

Wat de oorzaak is voor het ontstaan van gevoel, dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Hoe zou dan het gevoel - dat ontstaan is door iets dat zonder een vaste kern, zonder een ik is, - een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn?

Wat de oorzaak is voor het ontstaan van de waarneming, ook dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Hoe zou dan de waarneming - die ontstaan is door iets dat zonder een vaste kern, zonder een ik is, - een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn?

Wat de oorzaak is voor het ontstaan van gedachten en ideeën, dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Hoe zouden dan gedachten en ideeën - die ontstaan zijn door iets dat zonder vaste kern is, zonder een ik -  een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn?

Wat de oorzaak is voor het ontstaan van het bewustzijn, dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Hoe zou dan het bewustzijn -  dat ontstaan is door iets dat zonder vaste kern, zonder een ik is, -  een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn?

Ze zijn allemaal zonder vaste kern, zijn niet-ik. En wat de oorzaak is voor het ontstaan ervan, ook dat is zonder vaste kern, is niet-ik. Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, gedachten en ideeën, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder een vaste kern is, zonder een ik, hoe zouden die een vaste kern kunnen hebben, een ik kunnen zijn? (S.XXII.20)

Ze zijn allemaal leeg van een blijvende kern.

Contact van lichaam en/of geest met een object veroorzaakt bewustzijn, gewaarwording.

Wat is de geest? Het is geen zelfstandig iets, maar met die naam wordt bedoeld “het geestelijke”. In de leer van de Boeddha wordt eronder verstaan: Gevoel, waarneming, gewaarwording, denken, gedachten,  aanraken, oplettendheid, besef, bewustzijn, mentaliteit, wil, impressie.

Wat is het lichaam? - Het lichaam is geen zelfstandig iets. Het is “het lichamelijke”. Het is een samengesteld iets, veroorzaakt, niet blijvend. Daarom kan men van het lichaam niet zeggen dat het het zelf is, of een zelf heeft, dat het ons toebehoort, dat wij het lichaam zijn.

Het lichaam bestaat uit elementen, namelijk het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

        Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.”

Wat is het water-element? Het water-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke water-element bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke water-element zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.”

Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.”

Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, inademing en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.”

Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.”

Met het bewustzijn neemt men waar. Men neemt waar: ‘dit is aangenaam,’ men neemt waar: ‘dit is pijnlijk,’ men neemt waar: ‘dit is noch pijnlijk noch aangenaam.’ In afhankelijkheid van contact met een object ontstaat een aangenaam gevoel of een pijnlijk gevoel of een gevoel dat niet aangenaam en niet pijnlijk is. Als het contact verdwijnt, verdwijnt ook het aangename of pijnlijke of neutrale gevoel.

Door zo te analyseren komt men tot de conclusie, tot het inzicht dat het lichaam (evenals de geest) leeg is van eigenheid, leeg van een blijvende vaste kern. Dat is de leegheid, suññata.

Het bewustzijn is als een beeldje in een filmstrook. Door de snelle opeenvolging van de beeldjes ontstaat de indruk dat er een doorlopende voorstelling is, terwijl het in feite alleen een snelle vertoning van afzonderlijke beeldjes is. Zo is er geen blijvend bewustzijn maar zijn er snel op elkaar volgende bewustzijnsmomenten. Door oplettendheid ziet men dat er inderdaad maar één bewustzijnsmoment is, direct gevolgd door een ander bewustzijnsmoment. Oorzakelijk ontstaan is dat alles.

Het oog komt in contact met een zichtbaar object. Door het contact ontstaat gewaarwording, een bewustzijnsmoment. Na het bewust worden van het object ontstaat een gevoel: aangenaam of onaangenaam of neutraal. Er kan begeerte of afkeer ontstaan.

Begeerte en afkeer, aangenaam of onaangenaam, zijn toegevoegde waarden. Zij zijn geen eigendom van het oog, zijn geen eigendom van het object, zijn geen eigendom van het bewustzijn.

Zo is het ook met de andere zintuigen.

Daarom adviseerde de Boeddha om niets toe te voegen. Bij het zien is alleen het zien, bij het horen is alleen het horen, bij het ruiken is alleen het ruiken, bij het proeven is alleen het proeven, bij het aanraken is alleen het aanraken, bij het denken is alleen het denken, bij het zich herinneren is alleen het zich herinneren. Door niets meer toe te voegen verkrijgt men de hoogste vrede.

Niets meer toevoegen, alles zien zoals het werkelijk is, leeg van eigenheid, leeg van een blijvende kern, leeg van een zelf, dat is het doel van de leer van anatta (niet-zelf) en van anicca (vergankelijkheid), is ook het doel van de leer van oorzakelijk ontstaan.

Leeg is de wereld, leeg van een zelf, leeg van een blijvende vaste kern.

Leegheid is een kenmerk van het bestaan. Leegheid is het zien van oorzakelijk ontstaan en van oorzakelijk vergaan; leegheid is het zien van niet-blijvendheid, het vergankelijke van al het samengestelde; leegheid is het zien van anatta, niet-zelf, niets is ons eigendom, niets is een “ik”.[7] 

Juist inzicht

        Eens werd aan de Boeddha gevraagd in hoeverre er juist inzicht is. Het antwoord luidde:

        “Op twee dingen (mogelijkheden) komt deze wereld meestal uit, op zijn en op niet-zijn. Voor degene nu, die de oorsprong van de wereld overeenkomstig de werkelijkheid met juist begrip beschouwt, bestaat er niet zoiets dat in de wereld "niet-zijn" genoemd wordt. En voor degene die de opheffing van de wereld overeenkomstig de werkelijkheid met juist begrip beschouwt, bestaat er niet zoiets dat in de wereld 'zijn' genoemd wordt.

        Door te zoeken, te grijpen en erbij te blijven is deze wereld grotendeels gebonden. Als nu iemand dit zoeken en grijpen, het willen van het denken, het doordringen ervan en het erin verblijven, niet zoekt, niet grijpt, niet de wil ertoe heeft met de gedachte: er is in mij geen ik, - en als hij dan niet eraan twijfelt dat lijden alles is wat ontstaat en dat lijden alles is wat vergaat, en als hij geen bezwaar heeft en ten gevolge van zijn exclusieve vertrouwen al de kennis ervan heeft - in zoverre is er juist inzicht.[8]

         'Alles is', dat is het ene einde. ‘Alles is niet’, dat is het andere einde. Deze twee einden vermijdend, verkondigt in het midden de Tathāgata zijn leer:

         Uit de onwetendheid als oorzaak ontstaan de formaties; uit de formaties als oorzaak ontstaat het bewustzijn etc.[9] Op een dergelijke manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand. Maar uit het restloze verdwijnen en de opheffing van de onwetendheid volgt opheffing van de formaties; uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn, etc. Op een dergelijke manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand." (M.12.15)

Alleen vertoeven

        Wanneer begeerte, haat en onwetendheid volledig uit het gemoed verwijderd zijn, dan vertoeft men alleen. Dat is de leegheid van het gemoed.

“Er zijn door het oog in het bewustzijn tredende vormen, door het oor in het bewustzijn tredende geluiden, door de neus in het bewustzijn tredende geuren, door de tong in het bewustzijn tredende smaken, door het lichaam in het bewustzijn tredende objecten, door de geest in het bewustzijn tredende gedachten. Ze zijn geliefd, aangenaam, bekoorlijk. Wanneer men zich erover verheugt, ze verwelkomt, zich erop steunt, dan ontstaat genoegen bij degene die dat doet. Waar genoegen is, is prikkeling erbij. Met prikkeling erbij is men geboeid. Geboeid met de band van het genoegen vertoeft men met een tweede.

        Iemand die zo vertoeft, kan op afgelegen plekken verblijven, waar geen lawaai is, waar geen mensen komen, plekken die geschikt zijn voor teruggetrokkenheid. Maar ook daar vertoeft hij met een tweede en wel omdat het verlangen zijn tweede is, omdat het verlangen niet is overwonnen. Daarom vertoeft hij met een tweede.

 

        Er zijn door het oog in het bewustzijn tredende vormen, door het oor in het bewustzijn tredende geluiden, door de neus in het bewustzijn tredende geuren, door de tong in het bewustzijn tredende smaken, door het lichaam in het bewustzijn tredende objecten, door de geest in het bewustzijn tredende gedachten. Ze zijn geliefd, aangenaam, bekoorlijk. Wanneer men zich erover niet verheugt, ze niet verwelkomt, zich niet erop steunt, dan wordt bij degene die zich niet verheugt, ze niet verwelkomt, niet erop steunt, genoegen verwijderd. Waar geen genoegen is, is geen prikkeling erbij. Zonder prikkeling erbij is men niet geboeid. Niet geboeid met de band van het genoegen vertoeft men alleen.

        Of men nu in het gezelschap is van monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke volgelingen, koningen of koninklijke ambtenaren, of andersdenkenden, - wanneer men zo vertoeft, dan vertoeft men alleen. En wel omdat zijn tweede, het verlangen door hem is overwonnen. Daarom vertoeft hij alleen. (S.35.63) [10]

Ook het alleen vertoeven is leegheid, namelijk het leeg zijn van begeerte, het leeg zijn van afkeer; het leeg zijn van kwaadwil, het leeg zijn van onwetendheid.

De leegheid van nibbana

        Niet alleen de wereld, maar ook Nibbana is leeg.

De mens, het “individu” draagt een last, en die last wordt de mens opgelegd door het verlangen, de begeerte die wedergeboorte produceert, die met lust en hebzucht verbonden is, die hier en daar behagen schept, namelijk de begeerte naar zinnelijkheid, naar bestaan, naar niet-bestaan.

Het afwerpen van de last is de restloze opheffing en vernietiging van die begeerte, de verzaking, vervreemding, verlossing, de vrijheid van hechten.  

Wanneer de begeerte ontworteld is, dan is men stil, helemaal bevrijd. (S.22.22)

Wanneer bij iemand helemaal geen neigingen van ik en mijn opkomen  (...)  dan zegt men van zo iemand dat hij de begeerte heeft doorgesneden, de boeien heeft verbroken en door volledige vernietiging van de onwetendheid aan het lijden een einde heeft gemaakt. (A.3.33)

Het bereiken van Nibbana, het geboorteloze, het doodloze, komt dus vooral door het opgeven van begeerte naar iets en door het opgeven van het omgekeerde, het een afkeer hebben van iets.

Wanneer de begeerte of de haat is opgeheven, dan streeft men niet naar eigen nadeel, noch naar het nadeel van anderen noch naar beider nadeel; men lijdt geen geestelijke pijn en zorgen.

Zo is de leer duidelijk zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend, naar het doel leidende, begrijpelijk voor de wijzen, ieder voor zich.” (A.3.54-55)

 

        Het opdrogen van begeerte, afkeer en onwetendheid, waarvoor is dit een aanduiding? – Het is het Nibbana. Het betekent opdroging van de neigingen, van de driften. (S.45.7)

        De leegheid van Nibbana is dus het leeg zijn van begeerte, leeg zijn van haat en afkeer, leeg zijn van onwetendheid. Het is leeg zijn van gehechtheid, leeg zijn van boosheid, kwaadwil, mentale verontreinigingen. Het is het leeg zijn van verlangens, passies, hartstocht.

Maar behalve het leeg zijn daarvan geldt voor Nibbana ook een aanwezig zijn en wel een aanwezig zijn van begeerteloosheid, haatloosheid en weten, een aanwezig zijn van vreedzaamheid en vrede, een vertoeven boven goed en kwaad uit.



[1] Pali-English Dictionary.

[2] suññatā vr  1. leegte, woestenij; 2. onwerkelijkheid, niet-bestaan; 3. het vrij zijn van alles wat de weg naar nibbāna belemmert.

(Bron: https://www.palikanon.com/diverses/pali-wtb/s_.html#su)

[3] Het verdere verloop van de leerrede toont dat de hoogste verwerkelijking van leegheid tot stand komt met het vernietigen van de neigingen, met het overwinnen van de ik-illusie. Het kwaad zit niet in de concepten zelf. Het gaat er niet om de concepten te vernietigen, maar om het conceptualiseren te begrijpen en te transcenderen.

[4] De bevrijding van het gemoed is een toestand zonder lijden. Deze toestand kan tijdelijk door ontwikkeling van de geest of concentratie bereikt worden. Hij kan permanent bereikt worden door de vernietiging van de neigingen. De noch pijnlijke noch aangename bevrijding van het hart is de vierde jhana; de onmetelijke bevrijding van het hart is de praktijk van de Brahmaviharas, de goddelijke verblijven; de bevrijding van het hart door nietsheid is de derde vormloze meditatieve verdieping. De bevrijdingen van het hart worden 'onwrikbaar' genoemd wanneer ze verbonden zijn met de vernietiging van de neigingen.

[5] En wel juist die kenmerken of kentekenen (nimitta), waarvan men zich bij de oefening van de beheersing van de zintuigen probeert te bevrijden.

[6] zie: Het overdenken van de onzuiverheid van het lichaam.

[7] Meer over anatta, zie eventueel: De drie kenmerken van het leven, niet-zelf.

[8] de Boeddha-discipel, die weet dat er geen ziel is, dat iets vergankelijks ontstaat en vergaat, - die laat zich niet boeien door de objecten, hij heeft het "juiste inzicht" in de essentie van de dingen.

[9] Zie: Oorzakelijk ontstaan, overdenking in directe en omgekeerde volgorde.

[10] vgl. Sn. I.3, verzen 35-75, Khaggavisāna Sutta – De neushoorn

===