Facetten van het Boeddhisme


naar Index


1.6. Het laatste jaar. 
4. Te Vesali en Beluva.  5. Van Vesali naar Kusinara

Inleidend gedeelte       
1. Te Rajagaha      
2. Te Nalanda en te Pātaligama    

3. Van Pātaligama naar Vesali  
 
  

4. Te Vesali en Beluva
    4.1. Oplettendheid en helder begrip     4.2.  Ambapali en de Licchavis     4.3.  De ziekte te Beluva     4.4.  Weest uzelf tot toevlucht     4.5.  Leeg     4.6.  Aankondiging van het definitieve uitdoven     4.7. Het verzoek van Mara     4.8. De Verhevene ziet af van het leven     4.9. De acht oorzaken voor aardbevingen     4.10. De acht soorten bijeenkomsten     4.11. Acht velden van meesterschap     4.12. De acht bevrijdingen     4.13. Hernieuwde aankondiging van het definitieve uitdoven     4.14. Het verzoek van Ānanda     4.15. De laatste aansporingen te Vesāli     4.16.  De ouderlingen Attadattha en Thissa     4.17. De laatste blik op Vesāli    
5. Van Vesali naar Kusinara
    5.1. De vier hoofdindelingen van de leer     5.2. De vier grote steunpunten     5.3. De laatste maaltijd van de Verhevene     5.4. De vier soorten van asceten     5.5. De goudsmid Cunda wordt in de leer onderwezen     5.6. De Verhevene wordt opnieuw ziek     5.7. De zuivering van het water     5.8. Pukkusa, de Malla     5.9. Het helder stralen van de huid van de Verhevene     5.10. Hoe de goudsmid Cunda van verwijten te ontbinden    

6. Te Kusinara   
7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan      
8. Definitieve heengaan, crematie en de verdeling van de relieken
   

 


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


HET LAATSTE JAAR

4. Te Vesali en Beluva

4.1. Oplettendheid en helder begrip

        Toen de Verhevene te Nādikā had vertoefd zolang als het hem behaagde, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Vesāli gaan.”[1] – “Jawel, Heer.”

        En de Verhevene nam zijn verblijf te Vesāli samen met een grote gemeenschap van monniken. En hij vertoefde er in het bosje van Ambapāli.[2]

        Daar richtte de Verhevene zich tot de monniken met de woorden: “Monniken, oplettend moeten jullie leven, met helder begrip;[3] aldus spoor ik jullie aan. En hoe, monniken, leeft een monnik oplettend? Hij doet dat wanneer hij verblijft bij het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En ook leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van gevoelens bij gevoelens, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. Eveneens leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van de geest bij de geest, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En hij leeft ook oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van geestelijke objecten bij de geestelijke objecten, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen.

        En hoe, monniken, heeft een monnik helder begrip? Wanneer hij volledig bewust blijft van zijn komen en gaan, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn vooruit en zijwaarts kijken, en van zijn buigen en strekken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van het dragen van zijn gewaden en van het dragen van zijn nap, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn eten en drinken, van zijn kauwen en slikken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn ontlasten en urineren, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn gaan, staan, zitten, neerliggen, slapen gaan of wakker blijven, van zijn spreken of zwijgen, dan heeft hij helder begrip.

        Oplettend moeten jullie leven, monniken, met helder begrip; aldus spoor ik jullie aan.”[4] 

4.2. Ambapāli en de Licchavis

        Toen kwam het Ambapāli, de courtisane, ter ore dat de Verhevene te Vesāli was aangekomen en in haar mango-park vertoefde. En zij liet een groot aantal schitterende wagens klaarmaken. Zij besteeg zelf één ervan en reed, vergezeld van de rest, vanuit Vesāli naar haar park. Aldus ging zij zover als de wagen kon gaan, steeg toen uit en ging te voet verder naar de Verhevene. Zij begroette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. En de Verhevene onderrichtte de courtisane Ambapāli in de leer. Hij wekte haar op, stichtte en verblijdde haar.

        Daarna sprak de courtisane Ambapāli tot de Verhevene: “Heer, moge het de Verhevene behagen om mijn uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen, samen met de gemeenschap van de monniken.” En zwijgend stemde de Verhevene toe.

        Zeker van de toestemming van de Verhevene stond toen de courtisane Ambapāli van haar zitplaats op, groette de Verhevene vol eerbied en vertrok met haar rechter zijde naar hem toegewend.

        Toen kwam het de Licchavis van Vesāli ter ore dat de Verhevene te Vesāli was aangekomen en in het park van Ambapāli vertoefde. Ook zij lieten een groot aantal schitterende wagens klaarmaken. Elk van hen besteeg er een en vanuit Vesāli reden zij naar buiten. Nu waren sommigen van die Licchavis in het blauw, met de kleren en sieraden allemaal in het blauw, terwijl anderen in het geel waren, in het rood of in het wit, met de kleren en sieraden allemaal respectievelijk in het geel, rood of wit.

        En het geschiedde dat de courtisane Ambapāli de jonge Licchavis tegenkwam, as tegen as, wiel tegen wiel en juk tegen juk. Daarop riepen de Licchavis uit: “Waarom rijd je op deze wijze tegen ons, Ambapāli?” – “Heren, de Verhevene is zojuist door mij uitgenodigd voor de maaltijd van morgen, samen met de gemeenschap van de monniken.” – “Ambapāli, geef die maaltijd over aan ons voor 100.000 muntstukken.”

        Maar zij gaf ten antwoord: “Heren, zelfs indien jullie mij Vesāli zouden geven samen met het schatplichtige land ervan, dan zou ik toch een maaltijd van een dergelijk belang niet opgeven.” Toen knipten de Licchavis met hun vingers in ergernis, met de woorden: “Ziet, vrienden, wij zijn door dit mango-meisje verslagen. Wij zijn volkomen overtroffen door dit mango-meisje.”

        Zij vervolgden hun weg naar het park van Ambapāli. En de Verhevene zag de Licchavis in de verte aankomen. Toen sprak hij tot de monniken: “Laten diegenen van jullie, monniken, die nog nooit de Drieëndertig goden aanschouwd hebben, naar de groep van de Licchavis kijken. Want zij zijn te vergelijken met de groep van de Drieëndertig goden.”[5]

        Toen reden de Licchavis hun wagens zover als hun wagens konden gaan, waarna zij uitstapten. Zij naderden de Verhevene te voet, groetten hem vol eerbied en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene onderrichtte de Licchavis in de leer, wekte hen op, stichtte en verblijdde hen.

        Vervolgens zeiden de Licchavis tot de Verhevene: “Heer, moge het de Verhevene behagen om onze uitnodiging aan te nemen voor de maaltijd van morgen, samen met de gemeenschap van monniken.” – “Licchavis, de uitnodiging voor de maaltijd van morgen is door mij reeds aangenomen van de courtisane Ambapāli.”

        Toen knipten de Licchavis met hun vingers in ergernis, met de woorden: “Ziet, vrienden, wij zijn door dit mango-meisje verslagen; wij zijn volkomen overtroffen door dit mango-meisje.” Toch waren zij tevreden met de woorden van de Verhevene en zij verheugden zich erover. Zij stonden van hun zitplaatsen op, groetten hem vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend.

        Nadat de nacht was voorbijgegaan, had Ambapāli uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen, in haar park klaargemaakt en deelde dit aan de Verhevene mede met de woorden: “Het is tijd, Heer; de maaltijd is gereed.” Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam nap en oppergewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Ambapāli. Daar ging hij op de voor hem klaargemaakte zitplaats neerzitten. En Ambapāli zelf bediende de gemeenschap van monniken met aan het hoofd de Boeddha, en zij diende hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen.

        Toen de Verhevene zijn maaltijd had beëindigd en zijn hand van zijn nap had verwijderd, nam zij een lage zitplaats, ging aan een kant zitten en zei tot de Verhevene: “Heer, dit park hier bied ik aan de gemeenschap van monniken aan met aan het hoofd de Boeddha.” De Verhevene nam het park aan. Vervolgens onderrichtte hij Ambapāli in de leer, en na haar te hebben opgewekt, gesticht en verblijd, stond hij van zijn zitplaats op en vertrok.

        En ook te Vesāli, in het park van Ambapāli, gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”[6] 

4.3. De ziekte te Beluva

        Toen de Gezegende in het park van Ambapāli had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar de plaats Beluva[7] gaan.” – “Jawel, Heer.”

        Toen begaf zich de Verhevene samen met een grote menigte monniken naar de plaats Beluva waar hij zijn intrek nam. Daar zei de Verhevene tot de monniken: “Gaat, monniken, en brengt de regentijd door in de omtrek van Vesāli op die plaatsen waar jullie welkom zijn, bij vrienden of bekenden. Ik evenwel zal hier in Beluva de regentijd doorbrengen.” – “Ja, Heer,” zeiden de monniken en aldus geschiedde.[8]

        Nadat de Verhevene het regenseizoen begonnen was, overviel hem daar een zware ziekte. Hevige, levensgevaarlijke pijnen kwamen op. Die verdroeg de Verhevene zonder klachten, maar volbewust, bezonnen, met onverstoord gemoed.[9]

        Sakka vernam dat de Verhevene aan dysenterie leed. Persoonlijk kwam de koning van de goden toen naar de Boeddha om hem te verzorgen. De Verhevene zei tot Sakka dat hij zich geen zorgen over zijn gezondheid hoefde te maken omdat er veel monniken bij hem waren. Maar Sakka drong erop aan om de Verhevene te verzorgen totdat hij helemaal beter was. De monniken waren verbaasd en vol ontzag dat Sakka zelf voor de Boeddha zorgde. Toen hij hun opmerkingen hoorde, zei de Boeddha dat er niets verbazingwekkends was in Sakka’s toewijding voor hem. In zijn vorige leven had Sakka eens de gelegenheid om naar de leer van de Boeddha te luisteren en hij verwerkelijkte toen de Dhamma.[10] Na zijn dood werd hij als de tegenwoordige Sakka herboren. En dat gebeurde allemaal omdat hij naar de leer geluisterd had. “Waarlijk, monniken, het is goed edele personen te zien; het is een genot met hen samen te leven.”[11] 

        Toen kwam bij de Verhevene de gedachte op: “Het zou voor mij niet passend zijn als ik volledig zou uitdoven zonder gesproken te hebben tot hen die mij dienden, zonder van de gemeenschap van de monniken afscheid genomen te hebben. Zou ik niet deze ziekte door wilsinspanning onderdrukken en met inspanning van de levenskracht blijven leven?”[12] En aldus deed hij. Zo kwam deze ziekte bij de Verhevene weer tot rust.[13]

4.4. Weest uzelf tot toevlucht

        Daar nu, helemaal niet lang nadat de Verhevene van zijn ziekte was genezen, ging hij uit het verblijf naar buiten en ging op een voor hem gereed gemaakte zitplaats achter het huis zitten. Toen begaf zich de eerwaarde Ānanda naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied en ging naast hem zitten. En Ānanda zei: “Gelukkig is het voor mij, Heer, om de Verhevene weer in welbevinden te zien. Gelukkig is het voor mij, Heer, om de Verhevene hersteld te zien. Waarlijk, Heer, mijn lichaam was helemaal slap als een kruipplant, ik had de beheersing over mij verloren en ik kon niets duidelijk herkennen,[14] ten gevolge van de ziekte van de Verhevene. Nochtans ademde ik iets op bij de gedachte: ‘De Verhevene zal niet eerder volledig uitdoven voordat hij met inachtneming van de gemeenschap van de monniken enige regelingen heeft getroffen.’”

        “Wat dan, Ānanda, verwacht de gemeenschap van de monniken van mij? Ik heb de leer getoond zonder onderscheid te maken tussen een inwendig en een uitwendig leerstelsel; de leer die ik heb verkondigd, heeft geen geheime en openbare versies. Onder de eigenschappen van de Volmaakte bestaat niet zoiets als de gesloten vuist van de leraar. Ānanda, wie zo dacht: ‘Ik zal de gemeenschap van de monniken leiden,’ of ‘Op mij moet zich de gemeenschap van de monniken steunen,’ die zou wel rekening houden met de gemeenschap van de monniken en enige regelingen treffen. Maar de Volmaakte denkt niet zo. Ānanda, waarom zou de Volmaakte rekening houden met de gemeenschap van de monniken en enige regelingen treffen? Ānanda, ik ben thans afgemat en oud, bejaard, aan het levensdoel aangekomen, grijs geworden. Tachtig jaren heb ik voltooid. Evenals een versleten kruik slechts door kunstmatige middelen in stand kan worden gehouden, evenzo kan ook het lichaam van de Volmaakte om zo te zeggen alleen maar door kunstmatige middelen in stand worden gehouden. Ānanda, enkel wanneer de Volmaakte door niet-ingaan op alle onderscheiden,[15] door ophouden van de afzonderlijke waarnemingen,[16] de verdieping van de geest bereikt die vrij van onderscheid is,[17] en wanneer hij erin vertoeft, alleen dan, Ānanda, komt het lichaam van de Volmaakte tot welbevinden.

        Daarom, Ānanda, wees een eiland[18] voor jezelf, wees jezelf tot toevlucht; zoek geen andere toevlucht. De leer zij je tot eiland, de leer zij je tot toevlucht; zoek geen andere toevlucht.[19] En hoe, Ānanda, is een monnik zichzelf tot eiland, zichzelf tot toevlucht en hoe zoekt hij geen andere toevlucht? Hoe is de leer hem tot eiland en tot toevlucht en hoe zoekt hij geen andere toevlucht? Daar vertoeft, Ānanda, een monnik bij het lichaam in nauwkeurige beschouwing van het lichaam, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de gevoelens in nauwkeurige beschouwing van de gevoelens, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de geest in nauwkeurige beschouwing van de geest, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de formaties van de geest in nauwkeurige beschouwing van die formaties, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. En zo, Ānanda, is een monnik steeds zichzelf tot eiland, zichzelf tot toevlucht, zoekt hij geen andere toevlucht. Zo is de leer hem tot eiland, zo is de leer hem tot toevlucht, zo zoekt hij geen andere toevlucht. En allen, Ānanda, die thans of na mijn heengaan zichzelf tot eiland en tot toevlucht zijn en geen andere toevlucht zoeken, zij die de leer tot eiland en tot toevlucht hebben en geen andere toevlucht zoeken, - Ānanda, die monniken zullen de hoogsten[20] worden als zij bereidwillig zijn om te streven.”[21] 

        Na de ziekte te Beluva zou de Boeddha volgens het commentaar van Buddhaghosa en volgens andere commentaren via Ukkacela (gelegen aan de weg van Vesāli naar Rājagaha) de plaats Sāvatthi bezocht hebben.[22] Dit staat niet vermeld in de Pāli Canon. Het is ook erg onwaarschijnlijk – gezien de afstand en de toestand van de Boeddha - dat hij van Vesāli naar Sāvatthi ging, de hele route weer terugkeerde naar Vesāli en vandaar naar Kusināra ging.[23]

4.5. Leeg

          In het Mahāparinibbāna sutta is de volgende tekst niet opgenomen. Die tekst moet dateren na het overlijden van de twee hoofddiscipelen.[24] En omdat ze te Ukkacela gesproken is, nabij Vesāli, is ze hier eerder te plaatsen dan de legende over het overlijden van Sāriputta.

        Eens verbleef de Gezegende met een grote schare van monniken in het land van de Vajjis te Ukkacela aan de oever van de Ganges. Het was niet lang nadat de eerwaarden Sāriputta en Maha Moggallāna uiteindelijk nibbāna hadden bereikt. Bij die gelegenheid zat de Gezegende in de open lucht met om zich heen de schare van monniken. Hij overzag de zwijgende schare van monniken en sprak hen als volgt toe: “Nu komt de gemeenschap van monniken mij voor alsof ze leeg was. De gemeenschap is leeg voor mij vanwege het feit dat Sāriputta en Moggallāna nu uiteindelijk nibbāna hebben bereikt. Nergens is een plek waar men kan kijken en zeggen dat Sāriputta en Moggallāna er leven. De Gezegenden in het verleden, volmaakt en geheel verlicht, hadden ieder een paar discipelen gelijk aan Sāriputta en Moggallāna. En ook de Gezegenden in de toekomst zullen een dergelijk paar discipelen hebben. Het is wonderbaarlijk, het is wonderbaar bij de discipelen hoe zij effect geven aan de leer van de Meester en hoe zij zijn advies uitdragen en hoe zij dierbaar zijn aan de gemeenschap en geliefd, geacht en geëerd bij de gemeenschap. Het is wonderbaarlijk, het is prachtig in de Volmaakte dat wanneer een dergelijk paar van discipelen uiteindelijk nibbāna heeft bereikt, hij noch klaagt noch jammert. Hoe kan het zijn dat wat is geboren, ontstaan, gevormd, en aan verval onderhevig, niet tot verval zou komen? Dat is niet mogelijk.”[25]

4.6. Aankondiging van het definitieve uitdoven

        Toen ging de Verhevene in de ochtend, nadat hij zich aangekleed en de bedelnap genomen had, naar Vesāli om bedelspijs te vergaren. Teruggekeerd sprak hij na de maaltijd tot de eerwaarde Ānanda: “Neem de zitmat,[26] Ānanda; ik wil naar het gedenkteken van Cāpāla gaan om daar de dag door te brengen.” – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord, nam de zitmat en volgde de Verhevene stap voor stap. Bij het Cāpāla-gedenkteken aangekomen, ging de Verhevene op de klaargemaakte zitplaats zitten. En ook de eerwaarde Ānanda ging, nadat hij voor de Verhevene vol eerbied een buiging had gemaakt, zitten en wel naast hem. Toen zei de Verhevene: “Ānanda, verrukkelijk is Vesāli, verrukkelijk zijn de gedenktekens van Udena, Gotamaka, Sattambaka, Bahuputta, Sārandada en van Cāpāla.[27]         

        Ānanda, iedereen die de vier wegen naar hogere bekwaamheden ontwikkeld, geoefend, versterkt heeft, ze zich eigen heeft gemaakt, alwie ze als basis heeft en ze perfect beheerst, die zou, als hij dat wenste, de levensspanne[28] kunnen blijven leven of de rest van de levensspanne. Ānanda, de Volmaakte heeft de vier wegen naar de hogere bekwaamheden ontwikkeld, geoefend, versterkt, heeft ze begaan, ze zich eigen gemaakt, heeft ze als basis en beheerst ze perfect. Ānanda, de Volmaakte zou, indien hij dat wenste, de hele levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest ervan.”

         Zelfs toen kon de eerwaarde Ānanda, ondanks het feit dat de Verhevene hem zo’n grote wenk en aanwijzing gaf, niets merken. Hij vroeg de Verhevene niet om de levensspanne te blijven leven of nog de rest ervan, tot heil voor velen, tot zegen voor velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn, heil en zegen voor goden en mensen. Hij merkte niets en vroeg niets omdat zijn geest door Māra bezeten was. En een tweede en een derde keer sprak de Verhevene tot Ānanda als tevoren. En zelfs toen merkte de eerwaarde Ānanda niets en vroeg hij de Verhevene niets. Zijn geest bleef onder de invloed van Māra.[29]         

        Toen zei de Verhevene tot Ānanda: “Ga nu, Ānanda, en handel zoals het je behaagt.” – “Ja, Heer,” zei Ānanda, verhief zich van zijn zitplaats, begroette de Verhevene vol eerbied, liep met de rechter kant naar de Verhevene toegewend om hem heen[30] en liet zich niet ver van hem vandaan aan de voet van een boom neer.

4.7. Het verzoek van Māra

        Spoedig nadat de eerwaarde Ānanda was weggegaan, begaf Māra, de Boze,[31] zich naar de Verhevene. Hij ging terzijde staan en sprak tot de Verhevene aldus: “Heer, moge thans de Verhevene definitief uitdoven; Heer, moge de Gezegende definitief uitdoven. De tijd is thans aangebroken voor het definitieve uitdoven van de Verhevene.[32] De Gezegende heeft immers eens[33] aan mij gezegd: ‘Niet eerder, jij Boze, zal ik definitief uitdoven voordat mijn monniken en nonnen, mijn mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen discipelen zullen zijn die wijs zijn, welopgevoed, vol vertrouwen, wel ervaren, dragers van de leer. Niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij geheel volgens de leer leven, op de juiste manier leven, overeenkomstig de leer handelen; niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij, na het woord van de Meester geleerd te hebben, het kunnen meedelen, tonen, verkondigen, vestigen, openbaar maken, in detail uitleggen en duidelijk maken; niet eerder zal ik definitief uitdoven totdat zij een ontstaan dispuut met het wapen van de leer grondig beëindigd hebben, niet eerder totdat zij de overtuigende en bevrijdende leer kunnen verkondigen.’ En thans, Heer, zijn de monniken en nonnen, de mannelijke en de vrouwelijke lekenvolgelingen van de Verhevene zulke discipelen geworden als voormeld. Heer, moge thans de Verhevene en Gezegende definitief uitdoven. Heer, het is thans tijd voor het definitieve uitdoven van de Verhevene. Want hij heeft ook deze woorden gesproken: ‘Jij Boze, ik zal niet definitief uitdoven zolang niet dit reinheidsleven[34] machtig en bloeiend zal zijn, wijd verbreid, met talrijke en uitgestrekte scharen aanhangers, totdat het onder goden en mensen welbekend is.’ En ook dit, Heer, is nu gebeurd op vermelde manier. Moge daarom de Verhevene thans definitief uitdoven, moge de Gezegende definitief uitdoven. Heer, het is thans tijd voor het definitieve uitdoven van de Verhevene.”

4.8. De Verhevene ziet af van het leven

        Na deze woorden sprak de Verhevene tot Māra, de Boze, aldus: “Verheug je, jij Boze, weldra zal het definitieve uitdoven van de Verhevene plaats hebben. Over drie maanden vanaf nu zal de Volmaakte definitief uitdoven.”[35]

        Daar nu, bij het Cāpāla-gedenkteken zag de Verhevene volbewust en bezonnen af van de verdere vorming van het leven.[36] En toen hij zo ervan had afgezien, ontstond er een grote, verschrikkelijke aardbeving die de haren te berge deed rijzen, en de donderslagen kraakten. De Verhevene zag de betekenis hiervan in en sprak de plechtige woorden:

“Wat leven veroorzaakt, onbegrensd of beperkt,[37]

zijn proces van worden, dit gaf de Wijze op.

Met innerlijke kalmte en vreugde verbrak hij,

als ware het een maliënkolder,

de oorzaak van zijn eigen leven.”[38] 

4.9. De acht oorzaken voor aardbevingen[39]

        Toen kwam bij de eerwaarde Ānanda de gedachte op: “Verwonderlijk waarlijk, wonderbaarlijk waarlijk; dat was een grote, een verschrikkelijk grote, vreselijke aardbeving die de haren te berge deed rijzen, en daarbij kraakten de donderslagen. Wat kan wel de reden en de oorzaak zijn voor het optreden van deze grote aardbeving?” Hij ging naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied, ging terzijde neerzitten en vroeg aan de Verhevene naar de oorzaak en reden van die grote aardbeving. En de Verhevene antwoordde: “Ānanda, er zijn acht oorzaken voor het optreden van een grote aardbeving, namelijk:

  1. Deze grote aarde rust op water. Het water rust op de atmosfeer. De atmosfeer rust op de ruimte. Ānanda, wanneer nu grote atmosferische beroeringen[40] plaats hebben, dan wordt daardoor het water geschud. Het geschokte water schudt de aarde. Dat is de eerste reden.         
  2. Een boeteling of brahmaan kan hogere krachten bezitten, kan met geestelijke macht begiftigd zijn. Of een godheid kan machtig en sterk zijn. Iemand van hen nu die concentratie ontwikkelt over het begrensde aspect van het aarde-element en in onbegrensde mate over het water-element, veroorzaakt aldus dat de aarde schokt en heen en weer schudt. Dat is de tweede reden.         
  3. Als een toekomstige Boeddha uit het gezelschap van de Tusita-goden verdwijnt en volbewust, bezonnen in het moederlichaam afdaalt, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de derde reden.         
  4. Als een toekomstige Boeddha volbewust, bezonnen het moederlichaam verlaat, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de vierde reden.         
  5. Als een Volmaakte in onvergelijkbare hoogste ontwaking volledig ontwaakt, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de vijfde reden.         
  6. Als een Volmaakte het onvergelijkbare wiel der leer in beweging zet, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de zesde reden.         
  7. Als een Volmaakte volledig bewust, bezonnen van de verdere vorming van leven afziet, dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de zevende reden.         
  8. Als een Volmaakte definitief uitdooft in die staat van nibbāna waarin geen element van hechten overblijft,[41] dan siddert deze aarde, trilt, beeft, schokt heen en weer. Dat is de achtste reden.         

        Dit zijn de acht redenen en oorzaken, Ānanda, voor het ontstaan van een grote aardbeving.”[42]

4.10. De acht soorten bijeenkomsten[43]

        En verder sprak de Boeddha: “Er zijn acht soorten bijeenkomsten, Ānanda, namelijk: bijeenkomsten van edelen, bijeenkomsten van brahmanen, bijeenkomsten van gezinshoofden, bijeenkomsten van asceten, bijeenkomsten van de Vier Grote Koningen, bijeenkomsten van de goden van de Drieëndertig, bijeenkomsten van Maras en bijeenkomsten van Brahmas.

        En ik herinner mij, Ānanda, hoe ik bij elke van deze soorten bijeenkomsten, die honderden bedroegen, aanwezig was. En voordat ik ging zitten en met het gesprek of met de discussie begon, liet ik mijn uiterlijk op het hunne lijken, liet ik mijn stem op die van hen lijken.[44] En aldus onderwees ik hen in de leer en wekte hen op, stichtte en verblijdde hen. Terwijl ik zo tot hen sprak, kenden zij mij nochtans niet. En zij vroegen aan elkaar: ‘Wie is degene die tot ons spreekt? Is hij een mens of een god?’

        Na hen de leer onderwezen te hebben en na hen opgewekt, gesticht en verblijd te hebben, verdween ik onmiddellijk. En ook als ik verdwenen was, wisten zij niet wie ik was en zij vroegen: ‘Wie is degene die tot ons spreekt? Is hij een mens of een god?’

        En zo, Ānanda, waren de acht soorten bijeenkomsten.”[45] 

4.11. Acht velden van meesterschap[46]

        En de Gezegende ging verder met de woorden: “Ānanda, er zijn acht velden van meesterschap, namelijk:

        Wanneer men bij het subjectief waarnemen van vormen[47] kleine vormen ziet, mooie of lelijke, buiten zichzelf,[48] en wanneer men ze overmeestert en beseft dat men waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het eerste veld van meesterschap.         

        Wanneer men bij het subjectief waarnemen van vormen grote vormen ziet, mooie of lelijke, buiten zichzelf, en wanneer men ze overmeestert en beseft dat men waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het tweede veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen kleine vormen ziet, mooie of lelijke, buiten zichzelf,[49] en wanneer men ze overmeestert en beseft dat men waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het derde veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen grote vormen ziet, mooie of lelijke, buiten zichzelf, en wanneer men ze overmeestert en beseft dat men waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het vierde veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen buiten zichzelf vormen ziet die blauw zijn, blauw van kleur, of wanneer men een blauwe glans ziet, zoals de bloesem van vlas of zoals fijn neteldoek van Varanasi,[50] dat, aan beide zijden glanzend, blauw is, blauw van kleur, of een blauwe glans heeft, wanneer zo iemand buiten zichzelf vormen ziet die blauw zijn, wanneer hij ze overmeestert en beseft dat hij waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het vijfde veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen buiten zichzelf vormen ziet die geel zijn, geel van kleur, of wanneer men een gele glans ziet, zoals de bloesem van de Kanikara, of zoals fijn neteldoek van Varanasi dat, aan beide zijden glanzend, geel is, geel van kleur, of een gele glans heeft, wanneer zo iemand buiten zichzelf vormen ziet die geel zijn, wanneer hij ze overmeestert en beseft dat hij waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het zesde veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen buiten zichzelf vormen ziet die rood zijn, rood van kleur, of wanneer men een rode glans ziet, zoals de Bhandhujīvaka-bloesem of zoals fijn neteldoek van Varanasi dat, aan beide zijden glanzend, rood is, rood van kleur, of een rode glans heeft, wanneer zo iemand buiten zichzelf vormen ziet die rood zijn, wanneer hij ze overmeestert en beseft dat hij waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het zevende veld van meesterschap.

        Wanneer men bij het niet-subjectief waarnemen van vormen buiten zichzelf vormen ziet die wit zijn, wit van kleur, of wanneer men een witte glans ziet, zoals de ster Osadhī,[51] of zoals fijn neteldoek van Varanasi dat, aan beide zijden glanzend, wit is, wit van kleur, of een witte glans heeft, wanneer zo iemand buiten zichzelf vormen ziet die wit zijn, wanneer hij ze overmeestert en beseft dat hij waarneemt en de vormen kent zoals ze zijn, - dat is het achtste veld van meesterschap.

        Dit, Ānanda, zijn de acht velden van meesterschap.”[52]

4.12. De acht bevrijdingen[53]

        Vervolgens zei de Verhevene: “Ānanda, er zijn acht bevrijdingen, namelijk:

  1. Terwijl men vorm heeft, neemt men vormen waar.[54] Dit is de eerste bevrijding.
  2. Terwijl men niet bewust is van de eigen vorm, neemt men buiten zichzelf vormen waar. Dit is de tweede bevrijding.         
  3. Terwijl men lieflijkheid ondervindt, is men erin verdiept.[55] Dit is de derde bevrijding.         
  4. Door het geheel en al overschrijden van de waarnemingen van materie, door het verdwijnen van de waarnemingen van zintuiglijke reacties, en door geen aandacht te schenken aan waarnemingen van verscheidenheid, wordt men bewust van, komt men aan bij en vertoeft men in de sfeer van oneindige ruimte. Dit is de vierde bevrijding.
  5. Door het geheel en al overschrijden van de sfeer van oneindige ruimte wordt men bewust van, komt men aan bij en vertoeft men in de sfeer van oneindig bewustzijn. Dit is de vijfde bevrijding.
  6. Door het geheel en al overschrijden van de sfeer van oneindig bewustzijn wordt men bewust van, komt men aan bij en vertoeft men in de sfeer van niets-is-er.[56] Dit is de zesde bevrijding.
  7. Door het geheel en al overschrijden van de sfeer van niets-is-er komt men aan bij en vertoeft men in de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming. Dit is de zevende bevrijding.
  8. Door het geheel en al overschrijden van de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming komt men aan bij en vertoeft men in de sfeer van het verdwijnen van waarneming en gevoel. Dit is de achtste bevrijding.

        Dit, Ānanda, zijn de acht bevrijdingen.”[57]

4.13. Hernieuwde aankondiging van het definitieve uitdoven

        En de Verhevene zei verder: “Ānanda, direct nadat ik de volmaakte ontwaking had bereikt, vertoefde ik te Uruvelā aan de oever van de rivier Nerañjarā, aan de voet van de geitenhoeders-vijgenboom.[58] Toen kwam Māra, de Boze, naar mij toe, ging naast mij staan en sprak aldus tot mij: ‘Heer, moge thans de Verhevene definitief uitdoven; moge de Gezegende definitief ophouden te bestaan. Heer, de tijd is thans aangebroken voor het definitieve uitdoven van de Verhevene.’ Op die woorden gaf ik Māra het volgende antwoord: ‘Niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat mijn monniken en nonnen, mijn mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen discipelen zullen zijn geworden die wijs zijn, welopgevoed, vol vertrouwen, wel-ervaren, dragers van de leer. Niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij geheel volgens de leer leven, op de juiste manier leven, overeenkomstig de leer handelen; niet eerder zal ik definitief uitdoven voordat zij, na het woord van de Meester geleerd te hebben, het kunnen meedelen, tonen, verkondigen, vestigen, openbaar maken, in detail uitleggen en duidelijk maken; niet eerder zal ik definitief uitdoven totdat zij, wanneer vijandige opinies ontstaan, in staat zijn die grondig en wel te weerleggen; niet eerder zal ik definitief uitdoven totdat zij de leer die overtuigt en bevrijdt, kunnen verkondigen. Niet eerder zal ik uitdoven, jij Boze, zolang niet dit reinheidsleven[59] machtig en bloeiend is, wijd verbreid, met talrijke en uitgebreide scharen aanhangers, totdat het onder goden en mensen welbekend is geworden.’ En juist nu, Ānanda, bij het Cāpāla-gedenkteken kwam Māra, de Boze, naar mij toe.”

        En de Boeddha vertelde wat Māra bij het Cāpāla-gedenkteken had gevraagd. Ook vertelde hij aan Ānanda zijn antwoord aan Māra. En verder zei hij: “Zo heeft juist nu, Ānanda, bij het Cāpāla-gedenkteken de Volmaakte volbewust en bezonnen afstand gedaan van de wil om verder te leven.”[60]

4.14. Het verzoek van Ānanda

        Na deze woorden zei de eerwaarde Ānanda tot de Verhevene: “Heer, moge de Gezegende de levensspanne blijven bestaan; moge de Verhevene de hele levensspanne blijven bestaan tot heil voor velen, tot zegen voor velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn en tot zegen voor goden en mensen.” – “Genoeg nu, Ānanda, smeek de Volmaakte niet. Het is niet passend, Ānanda, om dat thans aan de Volmaakte te vragen. De tijd om de Volmaakte te verzoeken te blijven leven is nu voorbij.”

         En een tweede en een derde keer herhaalde de eerwaarde Ānanda zijn verzoek. En na de derde keer zei de Verhevene: “Heb jij, Ānanda, vertrouwen in het inzicht van de Volmaakte?” – “Ja, Heer.” – “Waarom dan, Ānanda, dring je thans zo bij de Verhevene aan tot driemaal toe?”

         Toen zei de eerwaarde Ānanda: “Heer, van de Verhevene zelf heb ik het gehoord, heb ik het vernomen: ‘Iedereen die de vier wegen naar de hogere bekwaamheden geoefend, ontwikkeld, versterkt heeft, ze zich eigen heeft gemaakt, ieder die ze als basis heeft en ze goed beheerst, die zou, als hij dat wenste, de levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest van de levensspanne. De Volmaakte heeft die vier wegen naar de hogere bekwaamheden begaan en beheerst ze in alle opzichten. De Volmaakte zou, als hij dat wenste, de hele levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest ervan.’” – “Geloof je dat, Ānanda?” – “Ja, Heer” – “Dan, Ānanda, is het je eigen tekortkoming, je eigen schuld. Want ondanks het feit dat de Volmaakte je zo’n grote wenk, zo’n grote aanwijzing gaf, merkte je niets en heb je de Volmaakte niet verzocht om de levensspanne te blijven bestaan of de rest ervan, tot heil en zegen voor goden en mensen. Ānanda, als jij dat aan de Volmaakte verzocht had, dan had de Volmaakte weliswaar twee keer deze woorden afgewezen, maar bij de derde keer had hij toegestemd. Zo is het je eigen tekortkoming, Ānanda, je eigen schuld.[61]

        Toen ik eens te Rājagaha vertoefde bij de Gierepiek, - en ook op meerdere andere plaatsen aldaar: in het banyan-park, in het Nigrodapark, bij de Roversklif, bij de grot van Sattapanni, op de berg Vebhāra, bij de Zwarte Rots van Isigili, aan de slangenvijver in het Koele Bos, bij het tapoda-bosje, bij het bamboe-bosje op het Eekhoornvoederterrein, in het mangopark van Jīvaka, in het park met de warme bron, en in het hertenpark bij het Kleine Hoekje, - en ook hier te Vesāli, heeft de Verhevene de volgende woorden gesproken: ‘Verrukkelijk, Ānanda, is Rājagaha, verrukkelijk is de Gierepiek, verrukkelijk, Ānanda, zijn die andere plaatsen. Alwie de vier wegen naar de hogere bekwaamheden heeft geoefend, ontwikkeld, versterkt, zich eigen heeft gemaakt, alwie ze als basis heeft, ze ontwikkelt en perfect beheerst, die zou, als hij dat wenste, de hele levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest ervan. Ānanda, de Verhevene heeft dat alles gedaan. Daarom zou de Verhevene, indien hij dat wenste, de hele levensspanne kunnen blijven bestaan of de rest ervan. Maar Ānanda, je was niet in staat - ondanks het feit dat de Verhevene je zulke grote wenk en aanwijzing gaf - om iets te merken en je verzocht de Verhevene niet om te blijven leven. Want als je dat had gedaan, Ānanda, dan zou ik het weliswaar twee keer hebben afgewezen, maar de derde keer zou ik hebben toegestemd. Daarom, Ānanda, is het je eigen fout en je eigen tekortkoming.[62]

        Ānanda, heb ik niet vanaf het begin verkondigd dat er bij alles wat lief en dierbaar is, verandering en scheiding moet zijn?! Hoe zou dat anders mogelijk zijn! Dat iets wat ontstaan, geworden, samengesteld, wat aan ontbinding onderworpen is, niet tot ontbinding zou vervallen, - zoiets is niet mogelijk. En, Ānanda, wat de Volmaakte nu heeft opgegeven, afgewezen, verworpen, waarvan hij afstand heeft gedaan, namelijk zijn wil om te blijven leven, daarover heeft de Volmaakte voor eens en voor altijd de woorden gesproken: ‘In niet lange tijd zal het definitieve uitdoven van de Verhevene plaats hebben. Na drie maanden vanaf nu zal de Verhevene definitief uitdoven.’ Dat de Volmaakte die woorden omwille van het leven weer terugneemt, is onmogelijk.”

        “Kom, Ānanda, laten wij naar de torenhal gaan in het Grote Bos.”[63] – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord.[64]

4.15. De laatste aansporingen te Vesāli

        Toen begaf zich de Verhevene samen met de eerwaarde Ānanda naar de torenhal in het Grote Bos. Daar zei hij tot Ānanda: “Ga nu, Ānanda, en breng alle monniken voor zover zij in de omgeving van Vesāli wonen, in de ontvangsthal bijeen.” – “Ja, Heer,” zei de eerwaarde Ānanda gehoorzaam en deed wat hem verzocht was. Daarna ging hij naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied, ging terzijde staan en zei: “Heer, de gemeenschap van de monniken is bijeen; laat de Verhevene nu handelen zoals het hem belieft.”

        De Verhevene begaf zich nu naar de ontvangsthal en ging er op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En hij zei tot de monniken: “Monniken, de leringen waarvan ik directe kennis heb, heb ik aan jullie getoond. Die moeten jullie goed leren, oefenen, ontplooien en vaak in praktijk brengen, zodat het reinheidsleven gevestigd zal zijn en gedurende een lange tijd kan bestaan, tot heil voor velen, tot zegen voor velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn, tot heil en tot zegen voor goden en mensen. En die leringen zijn:

  1. de vier grondslagen van oplettendheid;         
  2. de vier juiste inspanningen;         
  3. de vier grondslagen voor hogere bekwaamheden;
  4. de vijf geestelijke vermogens;         
  5. de vijf geestelijke krachten;         
  6. de zeven factoren van Verlichting; en         
  7. het edele achtvoudige Pad.         

        Dit, monniken, zijn de leringen waarvan ik directe kennis heb en die ik jullie heb getoond en die jullie goed moeten leren, oefenen, ontplooien en vaak in praktijk brengen, zodat het reinheidsleven gevestigd zal zijn en gedurende een lange tijd kan blijven bestaan, tot heil voor velen, tot zegen voor velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn, tot heil en tot zegen voor goden en mensen.”

         En verder sprak de Verhevene tot de monniken: “Welaan, monniken, ik zeg jullie dit: Al wat samengesteld is, is onderworpen aan verval; streeft daarom ijverig naar de volmaaktheid. Het definitieve uitdoven van de Verhevene is nabij. Na drie maanden vanaf nu zal de Verhevene definitief uitdoven.” Zo sprak de Verhevene. En verder zei de Meester:

“Tot rijpe leeftijd kwam ik nu; kort slechts is dit leven nog.

Ik vertrek en ga van jullie heen; verkregen is mijn eigen toevlucht.

Streef ijverig, wees oplettend en wees zuiver van deugd;

hoedt met vastbeslotenheid jullie denken steeds.

Wie deze leer en Orde onvermoeibaar navolgt,

die zal de kringloop van geboortes te boven gaan

en aan alle lijden een einde maken.”[65]

4.16. De ouderlingen Attadattha en Thissa

        Na de mededeling van de Verhevene dat hij over drie maanden zou heengaan in nibbāna, was een groot aantal van monniken die nog niet de vrucht van bekering bereikt hadden, diep bewogen. Zij verlieten nooit de zijde van de Leraar en fluisterden elkaar toe: “Broeders, wat moeten wij doen?” Maar de ouderling Attadattha dacht bij zichzelf: “De Leraar zegt dat hij over drie maanden vanaf nu in nibbāna zal heengaan. Nu ben ik zelf nog niet bevrijd van de macht van de slechte passies. Daarom zal ik, zolang als de Leraar nog in leven is, uit alle macht streven om volmaakte heiligheid te bereiken.” Dienovereenkomstig ging de ouderling Attadattha niet meer met de monniken om.

        De monniken vroegen hem waarom hij hun gezelschap meed en niet meer met hen praatte. Zij brachten de ouderling Attadattha naar de Leraar en legden de zaak voor. De Leraar vroeg: “Attadattha, waarom handel je zo?” De ouderling antwoordde: “Eerwaarde Heer, u hebt gezegd dat u drie maanden vanaf nu heengaat in nibbāna; en ik heb besloten dat ik, zolang als u nog in leven bent, uit alle macht ernaar zal streven om volmaakte heiligheid te bereiken.”

        De Leraar prees hem voor zijn wijs besluit en zei tot de monniken: “Monniken, alwie mij oprecht liefheeft, moet zijn zoals de ouderling Attadattha. Want waarlijk, zij eren mij niet die mij eren met reukwerken en bloemenkransen. Zij alleen eren mij die de hogere en de lagere wet vervullen. Daarom moeten ook anderen het voorbeeld van ouderling Attadattha volgen.” En hij sprak het vers:

        “Laat men niet zijn eigen heil veronachtzamen

        voor het heil van een ander, hoe belangrijk ook.

        Een mens moet leren wat goed is voor zichzelf

        en zich erop toeleggen met ijver.”[66]

        Ook de ouderling Thissa dacht bij zichzelf: “Als het waar is dat de Verhevene weldra zal heengaan in nibbāna, hoeveel te meer past het mij dan, daar ik nog niet geheel vrij ben van de slechte passies, om volmaakte heiligheid te verkrijgen terwijl de Leraar nog leeft.” Daarom nam hij de vier houdingen aan[67] en bleef alleen. Hij meed het gezelschap van de andere monniken en praatte niet meer met iemand. De monniken zeiden tot hem: “Broeder Thissa, waarom handel je op die manier?” Maar Thissa besteedde geen aandacht aan wat zij zeiden. De monniken meldden het geval aan de Leraar met de woorden: “Eerwaarde Heer, de ouderling Thissa heeft geen genegenheid voor u.” De Leraar liet Thissa roepen en vroeg hem: “Thissa, waarom handel je op deze manier?”

        Toen Thissa het motief vertelde dat hem bezielde, prees de Leraar dit gedrag met de woorden: “Welgedaan, Thissa.” En tot de monniken zei de Leraar toen: “Monniken, hij alleen die als Thissa is, heeft echte genegenheid voor mij. Want hoewel mensen mij met reukwerken en bloemenkransen eren, eren zij mij op die manier niet. Maar zij die de hogere en de lagere wet uitoefenen, zij alleen eren mij waarachtig.” Daarop sprak hij het vers:

        “Als hij het aroma heeft gesmaakt

        van afzondering en van vrede,[68]

        dan wordt hij vrij van angst

        en van smetten eveneens.

        De smaak neemt hij in zich op

        van de vreugde van de Dhamma.”[69]

4.17. De laatste blik op Vesālī

        In de morgen kleedde de Verhevene zich aan, nam oppergewaad en bedelnap en ging naar Vesālī om bedelspijs te vergaren. Toen hij na de maaltijd op de terugweg was, keerde hij zich helemaal om[70] en keek naar Vesālī. En tot de eerwaarde Ānanda zei hij: “Ānanda, dit zal de laatste blik van de Volmaakte op Vesālī zijn. Kom, Ānanda, laten wij naar Bhandagāma gaan.” – “Ja, Heer,” zei de eerwaarde Ānanda tot de Verhevene. Toen ging de Verhevene samen met een grote schare monniken naar Bhandagāma. En aldaar vestigde hij zich.[71] 

5. Van Vesali naar Kusinara

5.1. De vier hoofdindelingen van de leer

        De Verhevene sprak te Bhandagāma de monniken toe met de woorden: “Door het niet verwerkelijken, monniken, door het niet begrijpen van vier dingen is deze lange weg van geboortes en sterven doorlopen en ondergaan zowel door mij als door jullie. Het zijn de volgende vier dingen: (1) edele deugdzaamheid, (2) edele concentratie, (3) edele wijsheid, en (4) edele bevrijding.[72] Maar wanneer deze edele deugdzaamheid, en ook deze edele concentratie, deze edele wijsheid en deze edele bevrijding is begrepen en verwerkelijkt, dan is de begeerte naar bestaan afgesneden. Uitgeput is dan datgene wat leidt naar nieuw bestaan. En er is geen nieuw worden meer.”

        Zo sprak de Verhevene. En daarna zei de Gezegende, de Meester, het volgende: “Deugdzaamheid, concentratie, wijsheid en onvergelijkbare bevrijding, al deze dingen zijn verwerkelijkt door Gotama, de beroemde; hij, de Boeddha, weet ze en hij onderwees de leer aan zijn monniken. Hij, de vernietiger van lijden, de Meester, de Ziener, is in vrede.[73]

        

        En ook toen de Verhevene te Bhandagāma vertoefde, gaf hij aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”

        Toen dan de Verhevene te Bhandagāma had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar Hatthigāma gaan.” – “Jawel, Heer.”

         En de Verhevene nam zijn verblijf te Hatthigāma samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen dan de Verhevene daar naar zijn believen vertoefd had, nam hij zijn verblijf te Ambagāma en daarna te Jambugāma. En in elk van die plaatsen gaf de Verhevene veelvuldig aan de monniken deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”

        En toen de Verhevene in Jambugāma naar zijn believen had vertoefd, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Bhoganagara gaan.” – “Jawel, Heer.”[74]

5.2. De vier grote steunpunten

        Toen begaf zich de Verhevene met een grote schare monniken naar Bhoganagara. Daar woonde hij in het Ānanda-gedenkteken. En hij sprak de monniken toe met de woorden: “Monniken, thans zal ik jullie de vier grote steunpunten tonen. Let goed op en luistert naar wat ik zal zeggen.” – “Ja, Heer,” gaven die monniken aan de Verhevene ten antwoord. En de Verhevene zei:

        “Monniken, een monnik zou aldus kunnen spreken: ‘Uit de mond van de Verhevene heb ik het gehoord en opgenomen: dit is de leer, dit is de discipline, dit is het onderricht van de Leraar.’ Of een monnik zou kunnen zeggen: ‘Op die en die plaats vertoeft een gemeenschap van monniken met oudsten en een leider. Uit de mond van deze gemeenschap heb ik het gehoord, heb ik het opgenomen: dit is de leer, dit is de discipline, dit is het onderricht van de Leraar.’ Of een monnik zou kunnen zeggen: ‘Op die en die plaats vertoeven veel oudere monniken, wel-ervaren, wel-bedreven in de teksten, dragers van de leer, dragers van de wet, dragers van de samenvattingen. Uit de mond van deze oudere monniken heb ik het gehoord, heb ik het opgenomen: dit is de leer, dit is de discipline, dit is het onderricht van de Leraar.’ Of een monnik zou kunnen zeggen: ‘Op die en die plaats woont een enkele oudere monnik, wel-ervaren, wel-bedreven in de teksten, drager van de leer, drager van de wet, drager van de samenvattingen. Uit de mond van deze oudere monnik heb ik het gehoord, heb ik het opgenomen: dit is de leer, dit is de discipline, dit is het onderricht van de Leraar.’ De bewering nu van zo'n monnik of van die gemeenschap van monniken of van die vele oudere monniken of van die enkele oudere monnik mag noch geprezen noch berispt worden. Zonder geprezen en zonder berispt te hebben, moeten jullie die woorden en lettergrepen goed onthouden en toetsen met de leer of opnieuw in ogenschouw nemen in het licht van de discipline. Als zij bij het toetsen met de leer, bij het in ogenschouw nemen in het licht van de discipline, niet op de leerreden betrekking hebben, niet in de discipline zijn aan te tonen, dan moeten jullie tot de gevolgtrekking komen: ‘Waarlijk, dat is géén uitspraak van de Verhevene en dat is een verkeerde opvatting van die monnik of van die gemeenschap van monniken of van die vele oudere monniken of van die enkele oudere monnik.’ En dan, monniken, moeten jullie dat verwerpen. Als het echter bij het toetsen met de leerreden, bij aantoning in de leer-orde wel op de leerteksten betrekking heeft, wel in de discipline is aan te tonen, dan moeten jullie tot de gevolgtrekking komen: ‘Waarlijk, dat is een uitspraak van de Verhevene en dat is een juiste opvatting van die monnik of van die gemeenschap van monniken of van die vele oudere monniken of van die enkele oudere monnik.’ Monniken, deze vier grote steunpunten moeten jullie gedenken en vasthouden.”[76]

         En ook toen de Verhevene te Bhoganagara in het Ānanda-gedenkteken vertoefde, gaf hij aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zo is deugdzaamheid, zo is concentratie en zo is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”[77] 

5.3. De laatste maaltijd van de Verhevene

        Toen nu de Verhevene te Bhoganagara had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar Pāvā gaan.” – “Jawel, Heer.”

        Toen ging de Verhevene samen met een grote schare monniken naar Pāvā. Daar woonde hij in het mango-park van de goudsmid[78] Cunda. Die goudsmid vernam dat de Verhevene in zijn park vertoefde. Daarop ging hij naar de Verhevene toe, begroette hem vol eerbied en ging naast hem zitten. En hij werd door de Verhevene onderwezen, aangespoord, gesticht en verblijd met een gesprek over de leer.

        Daarna zei de goudsmid Cunda tot de Verhevene: “Heer, moge de Verhevene ermee instemmen om samen met de gemeenschap van de monniken morgen van mij de maaltijd aan te nemen.” En de Verhevene stemde toe in stilzwijgen. Toen de goudsmid Cunda de toestemming van de Verhevene had gezien, verhief hij zich van zijn zitplaats, begroette hem vol eerbied en vertrok, met zijn rechterzijde naar de Verhevene toegewend.

        Nadat de goudsmid in die nacht in zijn huis uitgelezen vaste en vloeibare spijzen had laten toebereiden en ook een rijkelijke massa varkensragout,[79] deelde hij dit de Verhevene mee met de woorden: “Heer, het is tijd; de maaltijd is klaar.” Daarop maakte de Verhevene zich in de morgen gereed, nam oppergewaad en nap en begaf zich samen met de gemeenschap van de monniken naar het huis van de goudsmid Cunda. Daar aangekomen, ging hij op de gereedgemaakte zitplaats zitten. En vervolgens zei hij tot de goudsmid Cunda: “Wat je daar aan varkensragout hebt laten klaarmaken, bedien mij daarmee; wat je evenwel aan andere vaste en vloeibare spijzen hebt laten klaarmaken, bedien daarmee de gemeenschap van de monniken.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord en deed wat hem verzocht was. Toen sprak de Verhevene tot Cunda: “Wat er aan varkensragout overblijft, Cunda, begraaf dat in een kuil. In de wereld met haar goden, haar Māras en haar Brahmas, in deze generatie met haar boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen zie ik niemand die deze ragout, na hem genoten te hebben, volledig zou kunnen verteren, uitgezonderd alleen de Volmaakte.”[80] – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord. Wat er aan varkensragout overgebleven was, begroef hij in een kuil en daarna begaf hij zich naar de Verhevene. Hij begroette de Verhevene vol eerbied en ging terzijde neerzitten.[81] 

5.4. De vier soorten van asceten

        Tijdens de maaltijd had Cunda gemerkt dat een monnik zich een gouden beker toeëigende. Zonder dit voorval uitdrukkelijk te vermelden, stelde de goudsmid daarom aan de Verhevene de vraag: "Gij Wijze, Hoogste der mensen, zegt mij hoeveel soorten asceten zijn er in de wereld?"

        De Verhevene gaf ten antwoord: "Er zijn niet meer dan vier asceten, namelijk: (1) de Meester van het pad; (2) de verkondiger van het pad; (3) degene die op het pad leeft; en (4) degene die het pad verderft”.

        Cunda vroeg nadere uitleg van deze woorden en de Boeddha zei verder:

        "Degene die vrij is van twijfel en ook van de prikkel (van zelfzucht), die zonder verlangen is en die vreugde schept in Nibbāna,[82] deze persoon wordt door Ontwaakten aangeduid als Meester van het pad. Hij is een leider van deze wereld met haar goden.[83]

        Wie het hoogste[84] als hoogste kent en dat ook verkondigt en de leer juist uitlegt, hij heet een wijze, een vernietiger van twijfel, zonder opwelling van wensen;[85] hij is de Verkondiger van het pad.[86]

        Wie op het spoor leeft van deze leer welke zo goed verkondigd is, wie op het pad leeft, beteugeld en oplettend, wie onberispelijke wegen bewandelt, hem noemt men iemand die op het pad leeft.[87]

        Wie de kleding van deugdzamen aanneemt, zich voordringt, brutaal is, een bederver van gezinnen,[88] een huichelaar, en wie teugelloos en praatziek, vermomd rondloopt, die is een verderver van het pad.

        Als de ervaren, wijze leek[89] die een volgeling is van de Edelen, de aard van deze vier soorten personen heeft doorzien, dan weet hij dat niet allen gelijk zijn aan de laatste. Omdat hij dit inziet, verlaat hem het vertrouwen niet. Hoe ook zou hij de onverdorvene gelijk kunnen stellen aan de verdorvene; hoe de reine aan de onreine?"[90]

5.5. De goudsmid Cunda wordt in de leer onderwezen

        De Verhevene onderwees de goudsmid Cunda in de leer, spoorde hem aan, stichtte en verblijdde hem. De Boeddha sprak tot hem over de vergankelijkheid in deze wereld van bestaan, en over niet-zelf. Rijkdom kan in armoede veranderen en gezondheid in ziekte, Jeugd maakt plaats voor ouderdom, sterkte voor zwakte. Er is geen ware vreugde in de wereld omdat alles leeg is van een zelfstandige, blijvende kern, en omdat alles onderhevig is aan verandering en verval. Ook de wereld van de godheden is van een dergelijke aard. Door het afleggen van begeerte wordt vrede verkregen.

        Vervolgens verhief hij zich van zijn zitplaats en vertrok.[91]

5.6. De Verhevene wordt opnieuw ziek

        Spoedig nadat hij de maaltijd van de goudsmid Cunda had genuttigd, werd de Verhevene door een zware ziekte getroffen met een stroom van bloed en met hevige, levensgevaarlijke pijnen.[92] Maar de Verhevene verdroeg die volbewust, bezonnen, met onverstoord gemoed.

        Toen sprak de Verhevene tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Kusināra gaan.”[93] – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord.[94] 

5.7. De zuivering van het water

        Op zijn route ging de Verhevene van de hoofdweg af en bleef staan aan de voet van een boom. En hij zei tot de eerwaarde Ānanda: “Vouw mijn oppergewaad in vieren, Ānanda, en leg het neer. Ik ben moe en zou graag een poosje gaan zitten.” – “Jawel, Heer,” antwoordde de eerwaarde Ānanda en deed wat hem gevraagd was.

        De Verhevene ging nu op de voor hem klaargemaakte zitplaats zitten en zei tot de eerwaarde Ānanda: “Breng mij wat water , Ānanda. Ik heb dorst en zou graag drinken.” De eerwaarde Ānanda gaf aan de Verhevene ten antwoord: “Maar Heer, juist nu is een groot aantal karren, wel vijfhonderd, overgestoken en het ondiepe water is door de wielen omgewoeld zodat het troebel en bevuild stroomt. De rivier Kakuttha[95] evenwel, Heer, is tamelijk dichtbij en het water ervan is zuiver, aangenaam, koel en helder. Die rivier kan gemakkelijk genaderd worden en is verrukkelijk gelegen. Daar kan de Verhevene zijn dorst lessen en zijn ledematen verfrissen.”

        En voor een tweede keer uitte de Verhevene zijn verzoek. De eerwaarde Ānanda antwoordde hem als tevoren. Voor de derde keer herhaalde de Verhevene zijn verzoek. Toen gaf de eerwaarde Ānanda ten antwoord: “Jawel, Heer.” Hij nam de nap en ging naar de rivier. En het ondiepe water dat omgewoeld was door de wielen zodat het troebel en bevuild stroomde, werd helder, kwam tot rust en werd zuiver en aangenaam toen de eerwaarde Ānanda naderbij kwam. Bij de eerwaarde Ānanda ontstond toen de gedachte: “Wonderbaarlijk, zeer wonderlijk inderdaad is de macht en glorie van de Verhevene.” Hij schepte water in de nap, bracht het naar de Verhevene en zei: “Wonderbaarlijk, zeer wonderlijk inderdaad is de macht en glorie van de Verhevene. Want dit ondiepe water dat omgewoeld was door de wielen zodat het troebel en bevuild stroomde, werd helder en kwam tot rust, werd zuiver en aangenaam, juist toen ik naderde. Laat nu de Verhevene het water drinken; laat de Gezegende drinken!” En de Verhevene dronk het water.[96] 

5.8. Pukkusa, de Malla

        Nu gebeurde het dat een zekere Pukkusa van de stam van de Mallas voorbij kwam op zijn weg van Kusināra naar Pāvā. Hij was een discipel van Ālāra Kālāma. Toen hij de Verhevene aan de voet van een boom zag zitten, ging hij naar hem toe, groette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. En hij zei tot de Verhevene: “Wonderbaarlijk Heer, zeer wonderlijk inderdaad is de staat van vrede waarin zij verblijven die de wereld verlaten hebben. Want eens, Heer, was Ālāra Kālāma op een reis. En hij ging van de hoofdweg af en ging zitten aan de kant van de weg, aan de voet van een boom, om er de hitte van de dag door te brengen. En het geschiedde, Heer, dat een groot aantal karren, wel vijfhonderd, hem één voor één passeerde. En toen, Heer, kwam een zekere man die achter die rij karren aankwam, naar hem toe en zei: ‘Heer, zag u het grote aantal karren dat aan u voorbij ging?’ En Ālāra Kālāma gaf hem ten antwoord: ‘Ik zag ze niet, broeder.’ – ‘Maar, Heer, het lawaai hoorde u zeker?’ – ‘Ik hoorde het niet, broeder.’ Toen vroeg die man hem: ‘Sliep u dan misschien, Heer?’ – ‘Neen, broeder, ik sliep niet.’ – ‘Heer, was u dan bewust?’ – ‘Zo was het, broeder.’ Toen zei die man: ‘Heer, terwijl u bewust en wakker was, zag u toen zelfs niet het grote aantal van karren, wel vijfhonderd, die achter elkaar aan u voorbij gingen, en hoorde u toen ook niet het lawaai? Wel, Heer, uw gewaad is bedekt met het stof ervan!’ En Ālāra Kālāma gaf ten antwoord: ‘Zo is het, broeder.’ En, Heer, bij die man kwam de gedachte op: ‘Wonderbaarlijk, zeer wonderlijk inderdaad is die staat van vrede waarin zij verblijven die vertrokken zijn uit de wereld.’ En er ontstond in hem een groot vertrouwen in Ālāra Kālāma en hij ging zijns weegs.”

        “Welnu, wat denk je, Pukkusa? Wat is moeilijker te doen, moeilijker te ondervinden: dat iemand, terwijl hij bewust en wakker is, een groot aantal van karren, wel vijfhonderd, die hem achter elkaar passeerden, niet ziet noch het lawaai ervan hoort, of dat iemand bewust en wakker, in het midden van een hevige regenbui, terwijl de donderslagen kraakten en de bliksemstralen opflitsten, ze niet ziet noch het lawaai ervan hoort?” – “Heer, wat zijn vijfhonderd karren, ja zelfs 600, 700, 800, 900 of 1000, of zelfs 100.000 karren, vergeleken daarmee!” – “Eens nu, Pukkusa, vertoefde ik te Ātumā en had mijn verblijf in een schuur daar. En op die tijd was er een hevige regenbui met rollende donderslagen en lichtende bliksemflitsen. Twee boeren die broers van elkaar waren, werden dicht bij die schuur gedood, samen met vier ossen. En een grote menigte kwam van Ātumā vandaan naar de plek waar ze gedood waren. Op die tijd nu, Pukkusa, was ik uit de schuur gekomen en wandelde in gedachten op en neer voor de deur. En een zeker iemand van de grote menigte kwam naar mij toe, groette mij vol eerbied en ging terzijde staan. En ik vroeg hem: ‘Broeder, waarom is deze grote menigte samengekomen?’ En hij gaf mij ten antwoord: ‘Heer, juist nu was er een hevige regenbui met rollende donderslagen en lichtende bliksemflitsen. En twee boeren die broers van elkaar waren, werden dichtbij gedood samen met vier ossen. Om die reden is deze grote menigte samengekomen. Maar, Heer, waar was u?’ – ‘Ik was hier, broeder.’ – ‘Maar zag u het niet, Heer?’ – ‘Ik zag het niet, broeder.’ – ‘Maar het lawaai, Heer, dat hoorde u zeker?’ – ‘Ik hoorde het niet, broeder.’ - Toen vroeg die man aan mij: ‘Sliep u dan misschien, Heer?’ – ‘Neen, broeder, ik sliep niet.’ – ‘Was u dan bewust, Heer?’ – ‘Zo was het, broeder.’ - Toen zei die man: ‘Heer, terwijl u bewust en wakker was, in het midden van een hevige regenbui, met krakende donderslagen en flitsende bliksemstralen, nam u het toen niet waar noch hoorde u het?’ En ik gaf hem ten antwoord: ‘Ik zag het niet en hoorde het niet, broeder.’ En toen, Pukkusa, kwam bij die man de gedachte: ‘Wonderbaarlijk is het, zeer wonderlijk inderdaad is die staat van vrede waarin zij verblijven die uit de wereld vertrokken zijn.’ En er ontstond in hem groot vertrouwen in mij en vol eerbied groette hij mij. En met de rechterzijde naar mij toegewend, ging hij zijns weegs.”

        Na deze woorden zei Pukkusa van de stam van de Mallas tot de Gezegende: “Heer, het vertrouwen dat ik had in Ālāra Kālāma, verstrooi ik nu als het ware in de machtige wind. Ik laat het wegdragen als door een machtige stroom. Uitmuntend, Heer, zeer uitmuntend, Heer. Het is alsof iemand iets recht zette dat omver geworpen was of iets onthulde dat verborgen was, of het pad toonde aan iemand die verdwaald was of een lamp in de duisternis oplichtte opdat zij die ogen hebben, mogen zien, - evenzo heeft de Verhevene de leer op menigvuldige manier verkondigd. En zo, Heer, neem ik mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de Leer en tot de gemeenschap van de monniken. Moge de Gezegende mij aannemen als zijn volgeling, als iemand die zijn toevlucht heeft genomen tot aan het levenseinde.”

        Daarna zei Pukkusa van de stam van de Mallas tot een zeker iemand:[97] “Vriend, breng mij onmiddellijk twee stel goudkleurige gewaden, glanzend en gereed om te dragen.” En die man antwoordde: “Jawel, heer.”

        Toen dan de gewaden gebracht waren, bood Pukkusa van de stam van de Mallas die aan de Verhevene aan met de woorden: “Heer, moge de Verhevene die van mij aannemen, uit mededogen.” En de Verhevene zei: “Pukkusa, jij mag mij in één ervan kleden en Ānanda in het andere.” – “Jawel, Heer.” En daarop kleedde hij de Verhevene in het ene en de eerwaarde Ānanda in het andere gewaad.[98]

        Toen werd Pukkusa van de stam van de Mallas door de Verhevene in de leer onderricht, opgewekt, gesticht en verblijd. Daarna stond Pukkusa van zijn zitplaats op, groette de Verhevene vol eerbied en ging, met zijn rechterzijde naar hem toegewend, zijns weegs.[99]

5.9. Het helder stralen van de huid van de Verhevene

        Spoedig nadat Pukkusa van de stam van de Mallas was vertrokken, schikte de eerwaarde Ānanda het stel goudglanzende gewaden over het lichaam van de Verhevene.[100] Maar toen die gewaden zo waren gerangschikt, was het alsof zij wegkwijnden en alsof de glans ervan afnam.

        En de eerwaarde Ānanda zei tot de Verhevene: “Wonderbaarlijk, Heer, zeer wonderlijk inderdaad is het, hoe helder en stralend de huid van de Tathāgata verschijnt. Nu dit stel goudkleurige gewaden, glanzend en gereed om te dragen, gerangschikt is over het lichaam van de Verhevene, is het alsof het verbleekte en de glans ervan afnam.” – “Zo is het, Ānanda. Er zijn twee gelegenheden, Ānanda, waarbij de huid van de Tathāgata buitengewoon helder en stralend verschijnt, namelijk: (1) de avond voordat de Tathāgata volledig verlicht wordt in de onovertroffen hoogste Verlichting, en (2) de avond voordat de Tathāgata tot zijn uiteindelijke heengaan komt in de staat van nibbāna waarin geen enkel element van hechten overblijft. Ānanda, dit zijn de twee gelegenheden waarbij de huid van de Tathāgata uitzonderlijk helder en schitterend verschijnt.[101] En juist nu vandaag, Ānanda, in de laatste wacht van deze nacht,[102] in het sala-bosje van de Mallas, in de buurt van Kusināra, tussen twee salabomen, zal de Tathāgata tot zijn parinibbana komen. Ānanda, kom nu, laten wij naar de rivier Kakutthā gaan.”

        En de eerwaarde Ānanda gaf aan de Verhevene ten antwoord: “Jawel, Heer.”[103] 

5.10. Hoe de goudsmid Cunda van verwijten te ontbinden

        Toen begaf zich de Verhevene naar de rivier Kakutthā, samen met een grote gemeenschap van monniken. Hij ging het water in en baadde en dronk. Toen hij weer uit het water kwam, ging hij naar het mango-bosje en daar sprak hij tot de eerwaarde Cundaka[104]: “Vouw a.u.b. mijn oppergewaad in vieren, Cundaka, en leg het neer. Ik ben moe en zou graag een poosje rusten.”[105] – “Jawel, Heer.” En Cundaka vouwde het gewaad in vieren en legde het neer. De Verhevene ging neerliggen op zijn rechterzijde, in de leeuwenpositie,[106] helder bewust en met in de geest het tijdstip waarop hij weer zou opstaan. En de eerwaarde Cundaka ging recht voor de Verhevene zitten.[107]

        Toen sprak de Verhevene tot Ānanda: “Het zou kunnen zijn dat de een of ander de goudsmid Cunda met het verwijt kwelt: ‘Vriend Cunda, het is voor jou geen verdienste, maar daadwerkelijk een nadeel dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs heeft genuttigd, definitief is uitgedoofd.’ De goudsmid Cunda echter, Ānanda, moet van dat verwijt op de volgende manier ontbonden worden: ‘Vriend, dat strekt je lange tijd tot voordeel, dat strekt je waarlijk tot zegen, dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs had genoten, definitief is uitgedoofd. Want, vriend Cunda, uit de mond van de Verhevene heb ik het gehoord, heb ik het vernomen: ‘Twee aalmoezenspijzen hebben geheel gelijke vrucht, geheel gelijk loon, en de vrucht en zegen ervan is groter dan die van enige andere gave van voedsel. Het zijn (1) de aalmoezenspijs na het genot waarvan de Volmaakte in onvergelijkbare volmaakte Ontwaking tot de hoogste Verlichting komt,[108] en (2) de aalmoezenspijs na het genot waarvan de Volmaakte definitief uitdooft in die staat van nibbāna waarin de elementen van hechten niet meer ontstaan.[109] De eerwaardige goudsmid Cunda heeft met die daad verdiensten opgehoopt die tot lang leven leiden, tot schoonheid, welzijn, aanzien, tot hemelse wedergeboorte en tot macht.’ Op zo’n manier, Ānanda, moet de goudsmid Cunda van dat verwijt ontbonden worden.”[110] En verder uitte de Verhevene toen de plechtige woorden:

        “Voor degene die geeft, nemen verdiensten toe;

in wie zelfbedwongen is, hoopt geen haat zich op.

        Wie bekwaam is in deugd, vermijdt het kwade.

        En door het uitroeien van begeerte en haat

        en van alle illusie komt hij tot vrede.”[111] 


verder naar: 1.6. (6-7)

6. Te Kusinara;

7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan



[1] Vesali lag in noordelijke richting van Pataliputta, het huidige Patna. In Vesali resideerden de Licchavis, die tot de statenbond van de Vajjis behoorden. (Seidenstücker 1920 noot 172)

[2] Het was het mango-park van de courtisane Ambapāli. (An 2003, p. 68-69). 

[3] Volgens Buddhaghosa legde de Boeddha hier speciale nadruk op de meditatie van oplettendheid om de monniken in oplettendheid te vestigen bij het zien van de mooie Ambapāli. (An 2003, p. 69).

[4] D.16. - Meer over oplettendheid, zie De vier grondslagen van oplettendheid.

[5] De bewoners van de Tāvatimsa hemel zijn mooi en gekleed in verschillende kleuren net zoals de Licchavi-edelen. (An 2003, p. 70).

[6] D.16.

[7] Beluva was een dorp aan de voet van een berg nabij en ten zuiden van Vesāli. (An 2003, p. 71). – Ñanamoli (1978, p. 302) schreef: ‘Laten wij naar Beluvagamaka gaan.’         

[8] De Boeddha zou dit gezegd hebben omwille van de monniken dat zij op hun gemak konden leven in de regentijd. In het dorp Beluva was niet genoeg plaats voor hen en er was weinig voedsel. Maar rond Vesāli was genoeg plaats en eten. Volgens Buddhaghosa zond de Boeddha de monniken toen uit mededogen met hen niet ver weg zodat zij bij hem konden zijn bij zijn heengaan in parinibbāna. (An 2003, p. 71).

[9]  D.16.

[10] Dit betekent dat Sakka toen het eerste niveau van heiligheid bereikte.

[11] Dhp 208 (XV:8) met bijbehorend verhaal in: Dhammananda, K. Sri (tr.) The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. 407. Zie ook: Nārada Thera: The Dhammapada: Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo 2522-1978, p. 179-180.

[12] De Boeddha zou toen phala-samāpatti bereikt hebben, een meditatieve sfeer van nibbāna waarin hij een aanzienlijke tijd verbleef. (An 2003, p. 72 noot 7).

[13]  D.16.

[14] Een andere versie is: “Zelfs de leerteksten werden onduidelijk voor mij.” In één van de Chinese versies staat: “Ik kon geen leerteksten reciteren die ik gehoord had.” In alle andere Chinese versies ontbreekt het gedeelte over Ānanda’s verwarring. (An 2003, p. 74 noot 7). Dit wijst erop dat het gedeelte over Ānanda’s verwarring later toegevoegd is.

[15] namelijk alle objecten van vormen, geluiden etc.; of alle ‘tekens’ of ideeën die door begeerte, afkeer en onwetendheid veroorzaakt zijn.

[16] Commentaar: ‘De wereldse gevoelens’.

[17] Commentaar: ‘De concentratie die bereikt wordt tijdens intensieve inzicht-meditatie.

[18] Het Pāli woord dīpa kan zowel ‘eiland’ als ‘lamp’ betekenen. Het commentaar legt het woord uit als eiland. (Ñanamoli 1978, p. 361, noot bij p. 303).

[19] “…wees jezelf tot toevlucht…” Deze uitspraak wil zeggen: De Boeddha is een mens net zoals ieder ander. Hij is door niets anders onderscheiden dan dat hij de rechtstreekse weg gevonden heeft. In het streven naar bevrijding staat ieder op zich. De gemeenschap van de monniken is een gemeenschap van mensen die naar bevrijding streven. Een hiërarchie is er niet nodig. (Schneider 1980, p. 38).

[20] Commentaar: ‘Zij zijn de hoogsten, de meest uitmuntenden. Na elke band van duisternis afgesneden te hebben, zullen die monniken van mij op de uiterste top zijn, in de hoogste rang. Onder hen zullen diegenen het allerhoogste bereiken die graag oefenen. En degenen wier toevlucht de viervoudige grondslag van oplettendheid (satipatthana) is, zullen van hen aan de top staan.’

[21] D.16. - Voor beschouwing van het lichaam etc. zie De vier grondslagen van oplettendheid

[22]  An 2003, p. 80- 81.

[23] Thomas, Edward J. The Life of Buddha as Legend and History.(repr.). London 1969, p. 140-141.

[24] Zie: het overlijden van de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana.

[25] S.XLVII,14 in: Nānamoli 1978, p. 305.

[26] Zitmat: een stuk leer om op te zitten.

[27] Het Cāpāla-gedenkteken was de plaats waar de yakkha met naam Cāpāla vroeger had gewoond. Die plek werd bekend als het Cāpāla-heiligdom of het Cāpāla-gedenkteken. Later werd er een klooster gebouwd voor de Boeddha. Dat klooster werd eveneens Cāpāla-gedenkteken genoemd. Evenzo is het met de andere hier genoemde gedenktekens. (Masefield 1995, Vol. II, p.851-852).

[28] In het Pāli staat kappa. Dahlke vertaalde dit met ‘wereldtijdperk’ (mahākappa). Het commentaar gebruikt kappa niet in de zin van wereldperiode of aeon, maar als āyu-kappa = levensspanne. Commentaar: ‘Hij kan blijven leven en de levensspanne afmaken die op de respectievelijke tijd aan mensen toebehoort.’ Sub-commentaar: ‘De maximum-levensspanne.’ In de Pāli Canon is kappa nooit gebruikt in de betekenis van levensspanne. Gnanarama schreef dat latere volgelingen van de Boeddha er niet mee konden instemmen dat de Verhevene een normale dood stierf. Zij maakten hem tot een superman. Zij legden kappa uit als levensspanne. (Gnanarama 1997, p. 89, 92-93, en 96. Zie ook An 2003, p. 88 noot 4).

[29] De Boeddha zou, indien Ānanda dit had gevraagd, een aeon hebben kunnen blijven leven. De Boeddha was toen al oud en te veronderstellen dat hij met een dergelijke  gesteldheid had kunnen blijven leven, is onjuist. Indien hij inderdaad een aeon had kunnen blijven leven, dan was een verzoek van Ānanda niet nodig geweest. (Gnanarama 1997, p. 84-86). Na het overlijden van de Boeddha wilden zijn discipelen niet accepteren dat hij een natuurlijke dood gestorven was. Zij weigerden aan te nemen dat de Boeddha was heengegaan. (Gnanarama 1997, p. 89). In het Kathavatthu, samengesteld bij het 3e concilie, wordt ontkend dat iemand die de vier paden van psychische krachten heeft ontplooid, een aeon lang kan leven. Niemand kan ouderdom en dood te boven komen. (Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford 1993, 11, 5, p. 258-260). Omdat veel discipelen de dood van de Boeddha niet wilden zien als iets natuurlijks, gaven zij Ānanda de schuld. (Gnanarama 1997, p. 96). In de Chinese toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan (zie: 1.6.7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan) zegt de Boeddha dat zelfs als hij een aeon bleef leven, dit geen voordeel zou zijn omdat de leer compleet was voor iedereen.

[30] Dit was een teken van hoogste eerbied. (Dahlke p. 889 noot 86).

[31] Papina Mara, Mara de Boze: de verpersoonlijking van de natuur die ons allen beheerst omdat ze zo natuurlijk overkomt dat wij allen menen dat wij met onszelf en met de werkelijkheid in eenklank zijn als wij haar volgen. (Dahlke p. 889 noot 87). Mara is ook de dood als uitdrukking van een steeds zichzelf scheppende levenskracht. Waar dood is, is noodzakelijkerwijze ook leven, omdat al het sterven niets meer is dan de uitdrukking van de overgang naar een nieuw leven. (Dahlke p. 885 noot 43).

[32] Volledige uitdoving (parinibbana) is een synoniem voor nibbāna.

[33] In de achtste week na de Verlichting.

[34] Reinheidsleven: Brahmacariya. De gebruikelijke betekenis ervan is de Boeddhistische manier van leven die niet alleen uit theoretische kennis bestaat maar die in de praktijk verwerkelijkt moet worden. (Dahlke p. 884 noot 17). Met het reine of heilige leven wordt bedoeld het leven van een monnik. Ook de lekenvolgeling(e) die de acht regels onderhoudt, leeft een zuiver en heilig leven. Het hoogste doel van een zuiver leven is de ‘onwrikbare bevrijding van de geest’. (Nyānatiloka: Buddhist Dictionary: Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy 1980, p. 43).

[35] De komst van Mara en diens verzoek aan de Boeddha om direct uit het leven te scheiden, waarna de Boeddha nog drie maanden wil blijven leven, is een latere toevoeging. (Schneider 1980, p. 40).

[36] Verdere vorming van het leven: ayu-sankhara. Hij zag af van de wordingen die tot vorming van een nieuw leven zouden leiden. (Dahlke p. 889 noot 89). Het is opmerkelijk dat de Boeddha besloot zijn leer te onderrichten op uitnodiging van een godheid en dat hij afzag van verder leven door tussenkomst van Māra (de Dood). (Ñanamoli 1978, p. 361, noot bij p. 306). – De Boeddha bleef geen kappa leven want Boeddhas blijven alleen voor zover behoefte eraan is om voor degenen die in staat zijn geleid te worden, een leider en gids te zijn. Hij zag niet af van het leven omdat Māra dat vroeg. (Masefield 1995, Vol. II, p. 858-859).

[37] Letterlijk: de meetbare en onmeetbare oorzaak van leven, d.w.z. de wilsactie die wedergeboorte veroorzaakt in de begrensde zinnelijke sfeer of in de onbegrensde fijnstoffelijke en onstoffelijke sfeer. (Vajira 1964).

[38] Udana VI.1. (Zie: Woodward 1985, p. 78; en: Ireland 1990, p. 89). Rhys Davids merkte op dat dit vers onduidelijk en mogelijk vervalst is. (Gnanarama 1997, p. 154-155. Zie ook An 2003, p. 96 noot 2). - Commentaar: ‘Hij breekt door het hele net van belemmeringen waardoor individueel bestaan omwikkeld is als door een maliënkolder. Hij (ver)breekt de belemmeringen zoals een groot krijger na de strijd zijn wapenrusting breekt.’ (Vajira 1964). Dit verhaal met vers is in D.16 ingevoegd.

[39] Deze acht oorzaken ontbreken in de Tibetaanse versie van deze tekst. De lijst met de oorzaken voor aardbevingen kan terzijde gezet worden als later materiaal om de bovennatuurlijke eigenschappen van de Boeddha naar voren te brengen. (Gnanarama 1997, p. 9-11).

[40] Nyanamoli (1978) vertaalde: ‘..wanneer grote winden waaien..‘ Buddhaghosa gaf commentaar over “grote winden”. Volgens hem is het als volgt te verstaan: ‘Wanneer grote winden waaien, houden zij het water tot een dikte van 960.000 mijlen tegen. Het water valt in de lucht en dan valt de aarde. En de wind neemt bezit van het water en het water stijgt. En dan stijgt ook de aarde. Zo ontstaat dit soort van aardbevingen.’ (An 2003, p. 98).

[41] anupadisesa nibbana dhatu, de staat van uitdoving zonder rest.         

[42]  D.16.

[43] De paragrafen 4.10. t/m 4.12. zijn latere toevoegingen (Schneider 1980, p. 29). De acht bijeenkomsten zouden volgens An (2003, p. 104 noot 8) geïntroduceerd zijn teneinde te tonen dat de Boeddha niet bang en niet verlegen was in tegenwoordigheid van wat voor toehoorders ook.

[44] Dit verslag kan beschouwd worden als oorsprong van de theorie van een lichaam met magische transformatie in de Mahāyāna traditie. (An 2003, p. 103 noot 9). Deze theorie werd ontwikkeld door de Mahāsanghikas. Zij benadrukten dat de Boeddha een transcendent wezen is. De Boeddha Gotama hier op aarde was volgens hen een geestelijk beeld (nirmanakāya) van het lichaam van de Boeddha in de Tusita-hemel.

[45] deel van M.12, ingevoegd in D.16. Zie ook. A.VIII.69.

[46] Deze paragraaf is ingevoegd. (Schneider 1980, p. 29). Zie M.77 en A.VIII.66. - De acht niveaus van meesterschap zijn krachten die verkregen kunnen worden door middel van de kasina-oefeningen. Het zijn middelen om de zinnelijke sfeer te overschrijden. (An 2003, p. 105, noot 1).

[47] Dat is: vormen waarnemend aan het eigen lichaam. Dit heeft betrekking op voorbereidende concentratie.

[48] Dit heeft betrekking op de kasina-nimitta, het na-beeld dat ontstaat met volle concentratie.

[49] Men ‘ontleent’ het ‘teken’ van objecten buiten het lichaam.

[50] Varanasi of Bārānasī (Banaras) was de hoofdstad van het land Kāsi. Ze was rijk en welvarend, bekend vanwege de mooie stoffen.

[51] Wanneer deze ster is opgegaan, worden medicinale kruiden, osadha, verzameld. Daarom heet die ster Osadhī, de ster van helen.

[52]  deel van M.77, ingevoegd in D.16. Zie ook A.VIII.66.

[53] Ook deze paragraaf is later ingevoegd. (Schneider 1980, p. 29). Deze acht bevrijdingen zijn toegevoegd om de vreesloosheid van de Boeddha aan te tonen, aldus Buddhaghosa. (An 2003, p. 109). e verdiepingen.

[54] Dit heeft betrekking op de absorptie van de vorm-sfeer (rupa-jjhana) die verkregen wordt met vorm-objecten van het eigen lichaam.

[55] Commentaar: ‘Hiermee is aangegeven de meditatieve absorptie die verkregen wordt door blauwe (etc.) kasinas van zeer zuivere kleur. Gedurende de absorptie zelf is er weliswaar geen gedachte van lieflijkheid of schoonheid, maar als men een zeer zuiver, mooi kasina als object heeft genomen, voelt men opluchting en wordt men erin verdiept door de lieflijkheid ervan.’

[56] Deze sfeer heet ook wel: de sfeer van leegheid.

[57]  deel van M.77, ingevoegd in D.16.

[58] Geitenhoeders-vijgenboom = Banyan-boom. De Verhevene vertoefde er in de achtste week na de Verlichting.         

[59] reinheidsleven = het heilige leven.

[60] D.16.

[61] De bewering dat de Boeddha een wereldperiode zou kunnen blijven leven, als men hem erom vroeg, - en Ānanda reageerde er niet op – moet een latere toevoeging zijn. De strekking ervan is duidelijk: men wil de Boeddha over de menselijke sfeer heen verheffen. Ook wilde men Ānanda kleineren. Omdat veel discipelen de dood van de Boeddha niet wilden zien als iets natuurlijks, daarom gaven zij Ānanda de schuld. (Schneider 1980, p. 39-40; Gnanarama 1997, p. 84-86).

        Eerder had Mara al gezegd dat de tijd aangebroken was voor de Verhevene om heen te gaan. De Boeddha zei toen dat hij na drie maanden zou heengaan. En Boeddhas vertellen geen leugens; zij houden zich aan hun woord.

[62] Deze paragraaf ontbreekt in alle Chinese versies. (An 2003, p. 110 noot 9). En de laatste zin met de vermelding van Ānanda’s tekortkoming ontbreekt in sommige Chinese versies. (An 2003, p. 111 noot 1). Dat is een aanwijzing dat dit gedeelte later toegevoegd is.

[63] Grote Bos = Mahavāna

[64] D.16.

[65] D.16. - Deze verzen behoren volgens Gnanarama tot de oudste delen van dit sutta. (Gnanarama 1997, p. 155-156).

[66] Burlingame, Eugene Watson (tr.): ‘By righteousness men honor the Buddha,’ Buddhist Legends, London 1979, Book 12, Story 10 (Vol. 29, p. 366); Dhp.166 (XII.10) met bijbehorend verhaal in: Dhammananda 1988, p. 343. Zie ook: Nārada 1978, p. 150-151.

[67] d.w.z. hij was oplettend bij het zitten, staan, lopen en liggen.

[68] vrede: upasama = de zaligheid van nibbāna welke het resultaat is van de onderwerping van de passies.

[69] Burlingame, Eugene Watson (tr.): ‘By righteousness men honor the Buddha,’ Buddhist Legends, London 1979, Book 15, Story 7 (Vol. 30, p. 78); Dhp.205 (XV.7) met bijbehorend verhaal in: Dhammananda 1988, p. 405-406. Zie ook: Nārada 1978, p. 179-180.

[70] Letterlijk: met olifantenblik. Dit betekent dat hij zich geheel omkeerde zoals een olifant moet doen als hij achter zich wil kijken. – Volgens Buddhaghosa waren de wervels van de Boeddha met elkaar verbonden als een ketting. (An 2003, p. 113). Maar het is volgens An ook mogelijk dat de Boeddha zich langzaam omdraaide vanwege zijn zwakte en ouderdom. (An 2003, p. 113 noot 5). Het commentaar van Buddhaghosa is dat de Boeddha te Vesāli omkeek uit medelijden omdat hij wist dat Vesāli drie jaar na zijn overlijden verwoest zou worden. Als de inwoners ervan een gedenkteken oprichtten bij de ingang van de stad en er offergaven brachten, dan zou dat lang tot heil en geluk zijn voor die inwoners. (An 2003, p. 114). De Chinese pelgrim Hsüan Tsang bezocht de ruïnes van Vesali in 637 n.C. Hij zag er een heuvel waarvan vermoed werd dat die een herinnering was aan de laatste blik van de Boeddha op Vesāli. (An 2003, p. 114 noot 4).

[71] D.16.

[72] Deugdzaamheid (sīla), concentratie (samādhi), wijsheid (pañña) en bevrijding (vimutti) zijn de vier dingen waarop de Boeddhistische leer is gebaseerd.

[73] Gnanarama merkte op dat de cursief weergegeven tekst volgens het commentaar woorden zijn van de Boeddha. Maar anders dan de populaire indeling in de drie stappen sīla, samādhi en pañña, wordt als vierde toegevoegd: vimutti. - Deze verzen zijn in het Kathavatthu vermeld m.b.t. het vernietigen van smetten door wereldlingen (Points of Contr. I.5, p. 84).         

[74]  D.16.

[75]

[76] A.IV.180, ingevoegd in D.16. - Een tekst hoeft niet letterlijk in de Pāli Canon vermeld te zijn. Als de algemene strekking ervan maar met de leer of de discipline overeenkomt, dan is ze goed te keuren. (An 2003, p. 117 noot 4). Maar volgens Buddhaghosa is een leerrede die niet tijdens één van de drie eerste concilies gereciteerd en vastgesteld is, te verwerpen. (An 2003, p. 121). Vergelijk D. 29 (D.III.128) in: Walshe, Maurice (tr.) The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy 1996, p. 432.

        “Na mijn heengaan moet de leer jullie hoogste goed zijn. Wat niet in de Sutra is opgenomen of niet in de Vinaya verschijnt, is tegengesteld aan mijn leer en moet niet aangenomen worden. Ook al zeggen velen dat het mijn woorden zijn, indien ze niet voldoen aan voornoemde voorwaarden, dan moeten zij verworpen worden. Ten gevolge van onwetendheid zullen er verkeerde leerstellingen ontstaan. Er zal een anti-leer ontstaan. Daarom moeten jullie de leer testen.” (Johnston, E.H. (tr.): The Buddhacarita or Acts of the Buddha. Part III : Cantos XV to XXVIII, translated from the Tibetan and Chinese Versions. (repr.). Delhi 1984, p.86).         

[77] D.16.

[78] Kammāraputtassa: Volgens het commentaar van Dhammapāla bij Ud.VIII.5 was hij de zoon van een goudsmid, met veel eigendommen. Hij bereikte het eerste niveau van heiligheid toen hij de Verhevene voor de eerste keer zag. Hij liet in zijn mango-tuin een geparfumeerde hut voor de Boeddha bouwen en daarna een klooster met o.a. een toehoordershal, hutten voor de monniken, paviljoenen en looppaden. (Masefield 1995, p. 1024). - Ook volgens Buddhaghosa was Cunda de zoon van een goudsmid. (An 2003, p. 121). Vermoedelijk schonk hij het klooster in zijn mango-tuin aan de Boeddha toen deze door de Mallas was uitgenodigd om hun nieuwe hal in te wijden en hen te onderrichten. (D.33). (An 2003, p. 121 noot 4. Zie eventueel ook: Malalasekera 1974, Vol. I, p. 877).

[79] sūkara-maddava. Er zijn meerdere omschrijvingen van deze term mogelijk, zoals: de zachte delen van een varken of zwijn; of: wat door varkens en zwijnen graag gegeten wordt. In het laatste geval moet gedacht worden aan truffels of aan een bepaald soort wortels. Vlees eten is door de Boeddha aan de monniken toegestaan. Zij moeten immers alles aannemen wat hun aangeboden wordt. Maar hij stelde drie voorwaarden: dat niet gezien of gehoord was of dat er geen vermoeden bestond dat het dier speciaal gedood was ten behoeve van de monniken.                 

        Het commentaar bij D.16 zegt: ‘Het is vlees dat al te koop was op een markt, en het is vlees van een varken dat noch te oud noch te jong is.’ (Masefield 1995, p. 1083 noot 174). Dat vlees is, naar het schijnt, zowel zacht als sappig. Ook volgens het commentaar van Dhammapāla bij Ud.VIII,5 is sūkara-maddava zacht sappig zwijnenvlees dat reeds op de markt te koop was. De betekenis is dat het vlees toebereid en zorgvuldig gekookt was. Sommigen echter zeggen dat het niet varkensvlees is, maar de scheuten van bamboe die door zwijnen vertrapt zijn. Anderen zeggen dat het een soort eetbare paddenstoel is die op plekken groeit die door zwijnen vertrapt zijn. Maar weer anderen zeggen dat het een soort alchemistisch elixir is en dat Cunda, na gehoord te hebben dat de Gezegende op die dag het uiteindelijke nibbāna zou bereiken, dacht: “Misschien zal hij na nuttiging ervan langer blijven leven,” en dat hij het daarom aan de Meester gaf uit verlangen om diens levensspanne te verlengen. (Masefield 1995, p. 1025). Anderen zeggen dat sūkara-maddava de naam is van een recept hoe men zacht gekookte rijst bereidt met zuivelproducten. (Ñanamoli 1978, p. 361, noot bij p. 313). De eerwaarde Ñanamoli (1978, p. 313) heeft gekozen voor de vertaling van ‘fijngehakt varkensvlees of pasteivulsel van zwijnenvlees’ omdat die vertaling dicht bij het origineel is: sūkara = varken; maddava = zoet.        

        Ik heb gekozen voor ‘varkensragout’, d.w.z. ragout van varkensvlees. Ragout is een gerecht met stukjes vlees en gekruide saus, waarbij meestal ook paddestoelen (champignons) gebruikt worden.

[80] Dhammapāla en Buddhaghosa noteerden dat naar men zegt goden er voedzame essentie in hadden gedaan. Daarom kon dat voedsel niet door anderen gegeten worden. (Masefield 1995 p. 1025 en An 2003, p. 122). Het commentaar van An is dat aalmoezen die aan de Boeddha geschonken en niet door hem genuttigd zijn, niet door anderen gegeten kunnen worden. (An 2003, p. 122, noot 5). Schneider merkte op dat de maaltijd met varkensvlees later als shockerend werd ondervonden en werd opgehemeld door een krachtvolle godenspijs, of tot paddenstoelengerecht werd vervormd, of zelfs helemaal verzwegen. (Schneider 1980, p. 37).

[81] Ud. VIII.5; ingevoegd in D.16.

[82] Hartmann, Jens-Uwe: ‘Der Buddha über die vier Arten von Asketen: ein Beitrag zum Text des Mahāparinirvāna sūtra,’ in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 189-190) voegde nog toe: wie niet de leiding van anderen nodig heeft.

[83] Volgens het commentaar is hij de verlichte asceet = de Boeddha zelf.

[84] het hoogste = Nibbāna.

[85] Hartmann (1993) voegde er nog aan toe: de wijze die geen leiding van anderen meer nodig heeft.

[86] Volgens het commentaar is hij de smetvrije asceet, de heilige.

[87] Volgens het commentaar: iemand die zich in de eerste drie niveaus van heiligheid bevindt, of iemand die een deugdzame leek is.

[88] Hij is de schijnasceet, de schijnheilige. Volgens het commentaar verderft hij het vertrouwen (in monniken) door zijn gedrag.

[89] Letterlijk staat er: huisbewoner.

[90] Sn.I.5, verzen 83-90 in: Nyanaponika (Übers.) Sutta-Nipâta: Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977, p. 49-50 en 251-252. - Deze tekst is niet te vinden in het Mahāparinibbāna sutta. Het voorkomen van deze tekst in Sutta Nipāta (Cunda sutta) duidt erop dat de tekst oorspronkelijk als een afzonderlijk afgesloten klein werk over vroege Boeddhistische asceten-literatuur overgeleverd is. Pas later moet het in het grotere geheel van het Parinirvānasūtra opgenomen zijn. (Hartmann 1993, p. 131-150).

[91] Uit het Mahāparinirvāna Sūtra, geciteerd in Khantipālo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Vol. 2. Bangkok 2530/1987, p. 353-354.

[92] Buddhaghosa noemde dysenterie als ziekte. (An 2003, p. 123). Dhammapāla geeft in zijn commentaar de volgende uitleg over de ziekte. Toen de Bodhisatta een arts was, genas hij de zoon van een rijke koopman. Maar om nog meer honorarium te krijgen, gaf hij hem verder kruiden die onnodige zuivering veroorzaakten. Ten gevolge van die daad kreeg de Bodhisatta in elk leven een bloederige diarree, juist zoals in zijn laatste leven na het nuttigen van Cunda’s maaltijd. (Masefield 1995, Vol. II p. 635 (sub L). - Geen van de Chinese versies vermeldt de ziekte van de Boeddha als gevolg van Cunda’s maaltijd, behalve één. Daarin wordt Cunda voor zijn maaltijd door de Boeddha geprezen waarna de laatste ziek wordt. De andere versies bevatten de episode van een slechte monnik die een kostbare kom steelt tijdens de maaltijd bij Cunda. [zie § 5.4.] (An 2003, p. 123 noot 2). Omdat de ziekte na de maaltijd in de meeste Chinese versies niet vermeld wordt, is aan te nemen dat door latere volgelingen van de Boeddha dit gedeelte ingevoegd is om de schuld voor die ziekte aan Cunda te geven.         

[93] Commentaar van Dhammapāla: De Boeddha sprak zo met het doel parinibbāna te bereiken op een plek die hij wenste. Maar waarom ging de Verhevene, nadat zo’n ziekte ontstaan was, naar Kusināra? Was het niet mogelijk parinibbāna ergens anders te bereiken? Dat was niet mogelijk. De Boeddha dacht toen: “Als ik naar Kusināra ben gegaan, zal de behoefte ontstaan om het Mahāsudassana sutta (D.17) te onderwijzen. (zie: 6.11. De vroegere glorie van Kusinara). Ik zal dan eveneens in staat zijn om te onderrichten wat ik heb ondervonden in de wereld van de mensen, iets wat gelijk is aan wat is ondervonden in de godenwereld. Ook zal Subhadda daar naar me toekomen en me iets vragen. Hij zal in de Orde intreden en arahantschap bereiken. Als ik parinibbāna ergens anders bereik, zal er grote twist ontstaan over mijn relieken en er zal veel bloed vloeien. Maar als ik parinibbāna bereik in Kusināra, zal de brahmaan Dona aan die twist een einde maken en de relieken verdelen en uitdelen.” Op grond van deze drie redenen ging de Heer met grote inspanning naar Kusināra. (Masefield 1995 II, p. 1028). – De Boeddha zal zeer waarschijnlijk niet zo geredeneerd hebben. Het is aan te nemen dat de vermelding van deze redenen gebaseerd is op kennis van wat er verder in het Mahāparinibbāna sutta genoteerd is.

[94] Ud. VIII.5 in in: Ireland 1990, p. 111; ingevoegd in D.16.

[95] Andere schrijfwijzen voor de naam van deze rivier zijn ook Kakudhā of Kukuttha. (Masefield 1995 II, p. 1087 noot 228).

[96] Ud.VIII.5, ingevoegd in D.16.

[97] Pukkusa reisde dus niet alleen, maar met een gevolg.

[98] Volgens Buddhaghosa dacht de Boeddha toen dat Ānanda het gewaad wel zou aannemen maar het niet zelf zou dragen. Hij zou het wel aan de Boeddha schenken. Wanneer Pukkusa het gewaad aan Ānanda schonk om Ānanda te eren, zou de gemeenschap van de monniken ermee geëerd zijn. Op die manier zou Pukkusa veel verdiensten verwerven. (An 2003, p. 126). Maar Buddhaghosa kon niet weten wat de Boeddha toen dacht.

[99]  D.16.

[100] Buddhaghosa schreef dat de Boeddha zich in één ervan kleedde en zich met het andere bedekte. (An 2003, p. 127). An geeft aan dat bedoeld is dat de Boeddha een gewaad aandeed en daarna het buitengewaad (de mantel) omdeed. (An 2003, p. 127 noot 1). Dat de Boeddha een buitengewaad aanhad, wordt iets later vermeld. Uit de vermelding van dat buitengewaad kan niet worden afgeleid dat de Boeddha twee gewaden aannam.

[101] Het commentaar van Buddhaghosa luidde dat bij twee gelegenheden de godheden van de hele wereld voedzame essentie in het voedsel doen. Dat uitstekende voedsel komt in de maag en veroorzaakt een mooi uiterlijk. (An 2003, p. 127). Beweerd wordt dat de ziekte van de Boeddha daarom niet het gevolg kan zijn van zijn laatste maaltijd. (An 2003, p. 127 noot 6).

[102] De laatste wacht van de nacht: van 02:00 – 06:00 uur.

[103]  D.16.

[104] Naar men zegt was de eerwaarde Ānanda bij de rivier achtergebleven om zijn badkleding uit te wringen. Omdat de eerwaarde Cundaka in de nabijheid was, richtte de Boeddha zich tot hem. (An 2003, p. 128; Masefield 1995 II, p. 1031).

[105] Dhammapāla’s commentaar: De kracht van de Boeddha, welke normaal groter was dan die van duizenden olifanten, was uitgeput. Kusināra was drie gāvutas van Pāvā verwijderd. (Masefield 1995 II, p. 1029). Drie gavutas zijn vermoedelijk ca 11 km. Volgens een andere bron zijn drie gavutas gelijk aan ca 1200 meter.

[106] De liggende positie van de leeuw is het liggen of rusten op de rechter zijde. De Boeddha noemde in A.IV.244 behalve deze nog drie andere posities van iemand in rust, en wel: het rusten van de gestorvene; het rusten van iemand die behagen schept in zinnelijk genot en het rusten van de Volmaakte. De gestorvenen liggen meestal op hun rug. Iemand die behagen schept in zinnelijk genot ligt meestal op de linker zijde. En het rusten van de Volmaakte is het rusten in de 1e, 2e, 3e en 4e meditatieve verdieping. (Nyanatiloka 1969, Bd. II, p. 195). In de commentaren van Dhammapāla en Buddhaghosa worden gestorvenen gelijk gesteld met petas, ongelukkige geesten. En er wordt nog toegevoegd dat ongelukkige geesten meestal op de rug liggen omdat zij geen vlees en bloed hebben, maar alleen beenderen. (An 2003, p. 137-138; Masefield 1995 II, p. 1030).

[107] Cundaka ging er zitten wachten totdat de eerwaarde Ānanda kwam. Toen richtte de Boeddha zich weer tot Ānanda. (An 2003, p. 129; Masefield 1995 II, p. 1031).

[108] Deze aalmoezenspijs werd gegeven door Sujāta, dochter van een zekere Senānī, uit het gehucht Senāni nabij Uruvelā. Vanwege het vervullen van een gelofte zond zij haar dienstmaagd vooruit om een plek bij een Nigrodha boom gereed te maken voor de offergave. De dienstmaagd zag er Gotama en dacht dat hij een boomgod was. Zij ging terug naar Sujātā en vertelde haar het nieuws. Sujātā bracht met grote vreugde de offergave in een gouden nap en bood die aan de Bodhisatta aan. Na het eten van het voedsel werd Gotama verlicht. (Khantipālo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Vol. I. Bangkok 2533/1990, p. 160-163).

[109] Beide gaven hebben gelijke vrucht omdat de Verhevene in beide gevallen de staat van nibbāna bereikte, de eerste keer nibbāna met hechten en de tweede keer nibbāna zonder hechten. (An 2003, p. 130; Masefield 1995 II, p. 1032).

[110] De ziekte die eerder door de Boeddha was onderdrukt, kwam weer op na de maaltijd bij Cunda. Die ziekte was dus niet te wijten aan die maaltijd. Daarom zou de Boeddha gezegd hebben dat Cunda van blaam gezuiverd moest worden. (Masefield 1995 II, p. 914 noot 150).

[111] Ud.VIII,5, in Ireland 1990, p. 110-114, en in: Woodward 1985, p. 99-104; ingevoegd in D.16.