Facetten van het Boeddhisme


naar Index


1.2. Van conceptie tot de Verlichting

Inleiding       1. Conceptie       2. Geboorte       3. De ziener Asita       4. In de tempel       5. Naamgeving en toekomstvoorspelling       6. Van jeugd tot volwassenheid
      6.1. De zwaan       6.2. Contemplatie       6.3. Huwelijk       7. De hemelboden      8. Het voornemen om het Doodloze te gaan zoeken      9. Het onedele en het edele streven      10. Het gaan uit het huis in de huisloze staat      11. De leraren      12. De ontmoeting met koning  Bimbisara      13. De plek voor innerlijke vooruitgang      14. Gedachten over angst en vrees      15. Vorming, ontwikkeling van lichaam en geest      16. De drie gelijkenissen van het stuk hout      17. De ascetische oefeningen      18. De verzoeking door Mara      19. Het opgeven van de zelfkwelling      20. De vijf droombeelden      21. De aanbieding van rijstekoek      22. De meditatieve verdiepingen      23. De gelofte en de strijd tegen Mara      24. Afhankelijk ontstaan (I)      25. De drie soorten weten (tevijja)      26. Triomf      Geraadpleegde bronnen

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


Van conceptie tot de Verlichting

Inleiding

        De verhalen die handelen voor, over en na de geboorte van Siddhattha Gotama, en ook andere gebeurtenissen uit zijn leven, zeker tot aan de Verlichting, worden door meerderen als legenden beschouwd. Onder legende verstaat men een niet op historische gronden maar op volksoverlevering berustend verhaal. Vaak geeft zo'n overlevering op symbolische wijze iets weer. Wij moeten dan ook niet alles letterlijk nemen. Niet alles moet als historisch waar gebeurd verhaal beschouwd worden. Eveneens zijn hier opgenomen gebeurtenissen die voor de Bodhisatta Vipassin verhaald zijn. Zij moeten ook van toepassing zijn voor de Bodhisatta Gotama. Want alle Bodhisattas bereiken de Verlichting op gelijke wijze.

1. Conceptie

        Bezonnen, vol bewust verdween de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden en bezonnen, vol bewust daalde hij af in het moederlichaam. Dat is zo de gebruikelijke manier.[1]

        Toen de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden verdween en in het moederlichaam afdaalde, verscheen er in de wereld met haar goden, haar Maras, haar Brahmas, met haar menigte boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen, een onmetelijk verheven glans die de goddelijke pracht van de goden overtrof. En ook in die onpeilbare wereldtussenruimten[2] van chaos, somberheid en volslagen duisternis, waar zelfs deze machtige zon en maan met hun licht niet schijnen, - ook daar verscheen een onmetelijk verheven glans die de pracht van de goden overtrof. En de wezens die daar wedergeboren waren, beseften in die glans: “Er zijn hier, zo schijnt het, ook andere wezens ontstaan.”[3]

        En dit systeem van de 10.000 werelden sidderde, trilde en beefde. Dat is zo de gebruikelijke manier.[4]

        Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, omgaven hem aan de vier hemelse richtingen[5] ter bescherming vier jonge godheden[6] met de gedachte: “Moge deze Bodhisatta of diens moeder niet door een mens of door een niet-menselijk wezen of door iets anders schade toegebracht worden.” Dat is zo de gebruikelijke manier.[7]

Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, was zijn moeder van een natuurlijke deugdzaamheid. Zij onthield zich van het beroven van leven, onthield zich van het nemen wat niet is gegeven, onthield zich van zinnelijke begeerte, onthield zich van verkeerd taalgebruik, onthield zich van alle geestrijke drank, van alle bedwelmende en zwak makende dingen. Dat is zo de gebruikelijke manier.[8]

        Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, ontstonden er bij zijn moeder geen gedachten aan mannen; er ontstonden geen gedachten die iets met zinnelijkheid te maken hadden. En ontoegankelijk was zijn moeder toen voor elke mannelijke hartstocht. Dat is zo de gebruikelijke manier.

        Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, werd zijn moeder deelachtig aan de vijf zinnelijke genietingen; zij was met de vijf zinnelijke genietingen begiftigd.[9] Dat is zo de gebruikelijke manier.

Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, kreeg zijn moeder niet de een of andere ziekte; zij was toen gezond, vrij van lichamelijke plagen. En zijn moeder werd de Bodhisatta gewaar zoals hij binnen in haar lichaam was, van alle ledematen voorzien, met ontwikkelde zinsorganen. Juist zoals wanneer er een edelsteen is, een diamant, stralend, van volmaakte hoedanigheid, en daaromheen is een draad gewikkeld, een blauwe, gele, rode, witte of kleurloze. Die edelsteen wordt dan door iemand in de hand genomen en beschouwd. En die denkt dan: “Dit hier is een edelsteen, met acht hoeken, goed bewerkt, doorzichtig, helder, van alle kenmerken voorzien.” Evenzo ook werd de moeder van de Bodhisatta hem gewaar binnen in haar schoot, met al zijn ledematen, zonder gebreken. Dat is zo de gebruikelijke manier.[10]

        

        Volgens een legende droomde koningin Māyā na de conceptie dat een witte olifant met zes slagtanden in haar schoot was gekomen. De koning liet deze droom uitleggen door brahmanen. Zij zeiden dat deze droom betekende dat zij een zoon zou baren met bijzondere kentekenen.[11] Het kind zou volgens hen een groot man worden met buitengewone vermogens.[12] 

2. Geboorte

        Precies tien maan-maanden[13] na die droom verwachtte koningin Māhā Māyā haar kind. Het was in die tijd de gewoonte dat een aanstaande moeder naar het huis van haar ouders ging om daar haar kind ter wereld te brengen. Ook koningin Māhā Māyā begaf zich op weg naar haar ouders te Devadaha. De afstand van Kapilavatthu, de residentie van de koning, naar Devadaha is iets meer dan 60 km. Ongeveer halverwege rustte zij uit in het park te Lumbini. En daar, onder een bloeiende sala-boom, op de dag van volle maan in mei (Vesakha) werd de Boeddha van dit tijdperk geboren.[14] Volgens de Theravada-traditie was het in het jaar 623 voor Christus.[15]

        Zoals andere vrouwen baren, als zij negen of tien maanmaanden de vrucht in het lichaam hebben gehad, zó baarde de moeder van de Bodhisatta hem niet. Maar zij baarde nadat zij de Bodhisatta precies tien maan-maanden in het lichaam had gehad. Dat is zo de gebruikelijke manier.

        Zoals andere vrouwen zittend of liggend baren, zó baarde de moeder van de Bodhisatta niet. Enkel staande baarde zij de Bodhisatta. Dat is zo de gebruikelijke manier. Met één hand hield zij zich daarbij vast aan een tak van een bloeiende sala-boom.

        Toen de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten trad, ontvingen eerst de godheden hem en daarna pas de mensen. Dat is zo de gebruikelijke manier.

        En toen hij uit het moederlichaam naar buiten trad, kwam hij daarbij niet in aanraking met de grond. Vier goden namen hem op en plaatsten hem voor zijn moeder met de woorden: “Weest verblijd, Meesteres. Een geweldig iemand is U als zoon geboren!” Dat is zo de gebruikelijke manier.

        Toen de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten trad, trad hij heel rein naar buiten, onbesmet door vruchtwater, onbezoedeld door slijm, onbevlekt door bloed, onbesmet door wat voor onreinheid ook. Maar hij trad zuiver en rein naar buiten. Juist zoals wanneer een juweel van een edelsteen op Benaresdoek[16] gelegd wordt, noch het Benaresdoek door het juweel verontreinigd wordt noch het juweel door het Benaresdoek, - en om welke reden? - vanwege de reinheid van beide. Evenzo trad ook de Bodhisatta, toen hij uit het moederlichaam naar buiten trad, heel rein naar buiten, geheel onbesmet. Dat is zo de gebruikelijke manier.

        Toen de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten trad, verschenen er twee hemelse waterstromen: de ene met koud en de andere met warm water.[17] Hieruit maakte men voor de Bodhisatta en voor zijn moeder het badwater gereed. Dat is zo de gebruikelijke manier.

        Onmiddellijk na de geboorte schreed de Bodhisatta, met de voetjes rechtop stappend, het gelaat naar het noorden gewend, met zeven lange schreden voorwaarts, terwijl een witte parasol[18] boven hem werd gehouden. Hij blikte naar alle richtingen en sprak de machtige woorden: “De voortreffelijkste ben ik van deze wereld; de eerste ben ik van deze wereld; de hoogste ben ik van deze wereld. Dit is de laatste geboorte. Een verder bestaan is er voor mij niet.” Dat is zo de gebruikelijke manier.[19]

        Na de geboorte van haar zoontje keerde koningin Māhā Māyā terug naar Kapilavatthu. In het hele land was er grote vreugde over de geboorte van de prins.[20]

3. De ziener Asita

        Toen de Bodhisatta geboren werd, jubelde de hemelse schare van de Drieëndertig goden met aan het hoofd Sakka.[21] Die goden waren vol vreugde; zij droegen heldere gewaden, zwaaiden met doeken en luid spraken zij lof. Blijgestemd waren zij en opgetogen. Vanaf zijn dagelijkse verblijfplaats zag de ziener Asita[22] hen. Hij betoonde zijn achting voor de goden en sprak: “Waarom is de godenschare zo bovenmate verheugd? Waarom wiegt gij u heen en weer en waarom zwaait u met doeken? Toen het tot een strijd met de Asuren[23] kwam, waarbij de goden de overwinning behaalden en de Asuren het onderspit dolven, zelfs toen was er niet zo'n opgetogenheid als nu. Welk wonder zien de goden, over welk wonder verheugden zij zich? Zij roepen, zingen en maken muziek. Zij klappen in de handen en maken een rondedans. Deze vraag stel ik tot u die op de top van de berg Meru woont. U achtenswaardigen, lost mijn onzekerheid weldra op.”

        De goden spraken hierop: “Hij die de Verlichting zal vinden, hij - kostbaar kleinood zonder weerga - is in de menselijke wereld ontstaan, tot geluk en heil ervan. In een dorp van de Sakyas, in het district van Lumbini is hij geboren. Daarover zijn wij blij; daarover zijn wij bovenmate verheugd. Hij die van alle wezens de beste is, de hoogste mens, de machtigste der mannen, de beste van alle mensen, hij zal in het zogenoemde Zienerbos[24] het wiel der leer ronddraaien, machtig roepend als een leeuw, de sterke heerser van de dieren.”

        Asita vernam deze woorden en begaf zich snel naar de woonplaats van Suddhodana.[25] Hij ging er neerzitten en sprak aldus tot de Sakyas: “Waar is de knaap? Ook ik ben er begerig naar hem te zien.” Daarop toonden de Sakyas aan Asita de knaap die glansde als goud dat volledig gezuiverd is in de smeltkroes, in schoonheid stralend, van uitgelezen glans. Hij zag de knaap, schitterend als een vlam, gelijk aan de heer der sterren die aan de hemel zwerft, stralend als de wolkenvrije zon in de herfst. Toen kreeg Asita een zalig gevoel en werd vol van verrukking. Met veel inspanning werd een geweldig wijd baldakijn door de goden gedragen. En op gouden stokken zwaaiden waaiers heen en weer. Maar men zag niet degenen die parasol en waaiers droegen. De vlechtendrager, de ziener met bijnaam Kanhasiri, zag het kind. Zoals een gouden sieraad op een rood kleed, zo lag de baby daar. En aan het hoofd werd de witte parasol gehouden. Met opgetogen gemoed nam hij het kind in zijn armen en onderzocht de edelste van de Sakyas. En hij, meester in de wetenschap der kenmerken, liet met verheugd hart het volgende weerklinken: “Dit is de Onvergelijkbare, de hoogste der mensen.” Maar hij dacht aan zijn eigen sterven, werd treurig en zijn tranen stroomden. Toen zij de wijze zagen wenen, vroegen de Sakyas aan hem: “Er zal toch geen gevaar voor de knaap ontstaan?”

        De ziener zag dat de Sakyas bedroefd waren en sprak toen: “Niets onheilvols zie ik voor de knaap. Er dreigt geen enkel gevaar voor het kind. Hij is geen gering mens; weest maar opgewekt van harte. Deze knaap zal de hoogte van de Verlichting verwerkelijken. Hij, kenner van de hoogste reinheid, zal het wiel der leer draaien tot zegen voor veel mensen, uit mededogen. Zijn heilige levenswandel zal zich ver uitstrekken. Mijn levensrest echter duurt niet lang, intussen komt de dood. Ik zal de leer van de zo onvergelijkbaar Verhevene niet vernemen. Daarom ben ik bedroefd. Ik ben vol leed omdat ik zo slecht begunstigd ben.”[26]

        Nadat hij de Sakyas veel vreugde had bereid, verliet de asceet het paleis. En hij ging op weg naar zijn jongere zuster. Asita zag namelijk in dat de zoon van zijn zuster, de brahmanen-jongeling Nalaka, rijkelijk met een schat aan goede werken was voorzien, een schat die hij in vroegere levens had verworven. Asita ondervond medelijden met de knaap want hij dacht: “Als hij enkel op eigen kracht is aangewezen, zou hij, als hij is opgegroeid, tot traagheid vervallen.” Door dit mededogen bewogen, ging hij naar het huis van zijn zuster en vroeg: “Waar is Nalaka?” – “Hij speelt buiten, heer.” – “Dan roep hem.”

        Omdat hij wist dat hem nog slechts een korte levensspanne was gegeven, leidde hij zijn neefje tot de leer van de zo onvergelijkbaar Verhevene. Onverwijld gaf hij toen namelijk aan de knaap de wijding van asceet, leerde hem zijn plichten, vermaande hem en onderwees hem als volgt: “Als je van anderen hebt vernomen dat een Boeddha, iemand die de Verlichting vond, de hoogste leer verkondigt, dan moet je naar hem toegaan. Onderzoek zijn leer; en leidt bij zo’n Verhevene de reine levenswandel.”[27]

4. In de tempel

        Volgens een legende werd de baby na de geboorte naar de tempel gebracht, zoals toen gebruikelijk was. Het kind zei toen dat de hele godenwereld en ook zon en maan voor hem neerbogen en hem vereerden bij de geboorte. “Ik ben de hoogste van allen. Toch wil ik mij aan het gebruik aanpassen en naar de tempel gaan.” Het kind ging toen met zijn vader naar de tempel. Daar verhieven de beelden van de goden en van de zon en maan zich van hun plaatsen en vielen voor de voeten van het kind neer. De godheden toonden zich in hun ware gedaante en zeiden: “U bent de hoogste van allen.”[28]

5. Naamgeving en toekomstvoorspelling

        Op de vijfde dag na de geboorte van de prins ontbood de koning acht wijze mannen om een naam voor het kind te kiezen en om iets over de toekomst van de koninklijke baby te vertellen. De prins werd Siddhattha genaamd. Dit betekent “Iemand die zijn doel heeft bereikt”. De wijze brahmanen wensten de koning geluk: “Proficiat, koning, een groot man is u geboren. Deze prins is namelijk met de 32 kenmerken van een groot mens begiftigd.”[29] En zeven van hen staken twee vingers omhoog en zeiden verder: “Hem staan twee wegen open. Als hij het huiselijke leven verkiest, wordt hij een wereldbeheersende koning die de wet handhaaft, rijk aan overwinningen, in wiens rijk veiligheid heerst, die met de zeven juwelen begiftigd is. Hij heeft dan de volgende zeven juwelen: een juweel van een heerschappij, een juweel van een olifant, een juweel van een ros, een juweel van een edelsteen, een juweel van een echtgenote, een juweel van burgerij en een juweel van een adviseur. Vele zonen zal hij hebben, heldhaftige, met sterke ledematen, die vreemde legers verpletteren. Hij zal dan deze aarde tot aan de grens van de wereldzee zonder stok, zonder staal, in rechtvaardigheid overwinnend bewonen. Als hij evenwel uit het huis in de huisloze staat gaat, wordt hij een Volmaakt Ontwaakte, iemand die de kringloop van bestaan heeft afgeworpen.” Zo spraken zeven van hen.

        Kondañña echter, de jongste maar meest wijze van hen, bekeek de prins aandachtig en stak toen één vinger omhoog. En hij zei: “Koning, voor deze prins is er uitsluitend één weg: op zekere dag zal hij op zoek gaan naar de waarheid en hij zal een Volmaakt Verlicht Wezen worden, een Boeddha.”[30]

6. Van jeugd tot volwassenheid

        Koningin Māhā Māyā, de moeder van de prins, stierf op de zevende dag na de geboorte van haar kind. Dat is zo de gebruikelijke manier. Zij werd in de Tusita-hemel wedergeboren.

        Haar zuster, Pajāpatī Gotamī, zorgde toen voor de prinselijke baby en voedde hem op als ware hij haar eigen zoon.[31]

        Toen de prins opgroeide, kreeg hij samen met de kinderen van adellijke families les in burgerlijke en krijgskunsten.[32] Hij was de wijste en stelde veel vragen aan zijn leraren. Nooit misdroeg hij zich. Hij hield van iedereen en iedereen hield van hem. Hij was een vriend van allen; hij was ook vriendelijk jegens dieren en hij deed ze nooit kwaad.[33]

        De prins was zeer fijngevoelig. Enkel voor zijn genot waren vijvers vol lotusbloemen aangelegd in het huis van zijn vader. Blauwe lotusbloemen in de ene, witte in een andere en rode lotusbloemen in een derde vijver. Hij gebruikte alleen sandelhout dat van Banaras[34] afkomstig was. Zijn tulband, onderkleren en mantel waren allemaal gemaakt van Banaras-doek. Een witte parasol werd dag en nacht boven hem gehouden, zodat noch koude noch hitte, noch stof of zand of dauw hem ongemak veroorzaakten.[35]

Hij had drie paleizen: een voor de winter, een voor de zomer en een voor het regenseizoen. In het regenpaleis werd hij vermaakt door alleen maar vrouwelijke minstrelen. Tijdens de vier maanden van de regentijd ging hij nooit omlaag naar het onderste deel van het paleis.[36] In de huizen van andere mensen werden aan het dienstpersoneel maaltijden gegeven van gebroken rijst met linzensoep. Maar in het huis van zijn vader werd witte rijst en vlees aan hen gegeven.[37]

6.1. De zwaan

        Prins Siddhattha was erg vriendelijk jegens mensen, dieren en andere levende wezens. Op zekere dag liep hij in de bossen met zijn neefje Devadatta. Plotseling zag Devadatta die een boog en pijlen bij zich had, een zwaan opvliegen en hij schoot ernaar. Zijn pijl raakte de zwaan die omlaag viel. Beide jongens liepen op een holletje om de zwaan te krijgen. Prins Siddhattha kon vlugger lopen dan zijn neefje en hij kwam dan ook als eerste bij de zwaan aan. Gelukkig leefde ze nog. Dus trok hij heel voorzichtig de pijl uit de vleugel. Uit koele bladeren maakte hij een sapje, deed dat op de wonde om het bloed te stelpen en met zijn zachte hand aaide hij de zwaan die erg van streek was. Toen kwam Devadatta en eiste de zwaan op. Natuurlijk weigerde prins Siddhattha hem die te geven. Devadatta werd erg kwaad en riep uit: “Geef mij mijn vogel, ik heb die ook neergeschoten.”

        “Nee, ik ben niet van plan ze aan jou te geven. Als je ze had gedood, zou ze van jou zijn geweest. Maar nu ze alleen gewond is en nog leeft, behoort de zwaan mij toe. Want ik redde haar leven.” Zo redeneerde Siddhattha.

        Devadatta was het er niet mee eens. Toen stelde Siddhattha voor om het gerechtshof van wijze mannen te vragen aan wie de zwaan nu eigenlijk toebehoorde. Hiermee ging Devadatta akkoord en beiden gingen naar het gerechtshof en legden de zaak uit. De wijze mannen zeiden: “Een leven behoort beslist toe aan hem die het tracht te redden; een leven kan niet toebehoren aan iemand die het enkel tracht te vernietigen. De gewonde zwaan behoort terecht toe aan Siddhattha.”[38]

6.2. Contemplatie

        Hoewel hij tot aan de volwassenheid werd opgevoed temidden van een overvloed van materiële weelde, liet zijn vader het Siddhattha niet ontbreken aan die opvoeding die bij een prins paste. In menige tak van wetenschap werd hij bedreven en hij overtrof erin alle anderen. Desniettegenstaande beoefende de prins vanaf zijn jeugd vaak serieuze contemplatie.[39]

        Het was in die tijd de gewoonte dat de koning bij de opening van het zaaiseizoen het ploegen van de eerste voren verrichtte opdat de velden vruchtbaar zouden zijn. En terwijl Siddhattha op jeugdige leeftijd naar zijn vader keek bij het ceremoniële ploegen op de velden, ging hij alleen zitten en mediteerde. Hij had een glimp van een andere wereld en van hogere dingen. En hij vergat dit echt nooit.[40]

        Siddhattha zag toen hoe landbouwers zichzelf en de ossen afbeulden. Uit de door de ploegschaar opengebroken aarde kwamen wormen en insecten aan de oppervlakte. Vogels volgden de ploeg en vochten onder elkaar voor de vetste wormen en de grootste insecten. En een roofvogel stortte zich op de vogels en sloeg zijn klauwen in zijn prooi.[41] Levende wezens werden opgegeten door levende wezens. Het geheel was in het klein wat er ook in het hele universum gebeurt. De hele aarde is één groot slagveld en een grote begraafplaats. Pijn en leed en bloedvergieten; geboorte, verval en dood. En de prins werd door een intens medelijden met alle leven op aarde overweldigd.[42]

6.3. Huwelijk

        Toen de prins opgroeide, was het zijn vaders vurige wens dat Siddhattha zou trouwen, een gezin zou stichten en zijn waardige opvolger zou worden. Want vaak herinnerde hij zich met vrees de voorspelling van de wijze Kondañña en hij was bang dat de prins op zekere dag het leven in huis zou opgeven en voor het huisloze leven van een asceet zou verruilen.[43]

        Een legende vertelt over het huwelijk van de Bodhisatta het volgende. De koning kreeg van de brahmanen de raad de prins te laten trouwen. De prins zei dat hij een meisje wilde trouwen dat de volgende deugden bezat:

Ze moet lieftallig en jeugdig zijn, maar niet trots op haar schoonheid.

Ze moet liefdevol voor mij zorgen zoals een moeder of zuster.

Ze moet vreugde vinden in het geven en aan asceten en brahmanen ijverig gaven schenken.

Ze moet niet verwaand zijn; zonder fouten. Ze moet niet van de goede deugdzaamheid afwijken; niet naar een andere man verlangen. Ze moet niet lichtzinnig zijn.

Ze moet bescheiden zijn; waarheidsgetrouw.

Ze moet niet lui zijn en oplettendheid beoefenen.

Ze moet bedreven zijn in de regels van de liefdeskunsten zoals een hoer.

        De brahmanen vonden in Kapilavatthu één meisje dat aan die eisen voldeed. Zij was Gopa,[44] de dochter van Dandapani. Zij toonde zich bereid met de prins te trouwen.

        De koning liet de mooiste meisjes van  Kapilavatthu komen onder wie ook Gopa. Allen kregen van de prins een sieraad. De keuze viel op Gopa, met wie de prins later trouwde.[45]

        Volgens de Theravāda-traditie huwde de prins zoals toen gebruikelijk was op jeugdige leeftijd - hij was 16 jaar - en wel met zijn nicht Yasodharā. Zij was de enige dochter van koning Suppabuddha en koningin Pamita van de stam van de Koliyas. De prinses had dezelfde leeftijd als de prins. Zij was zeer mooi en charmant en blonk uit door haar bescheidenheid en goede opvoeding.[46]

        Zijn vader voorzag hem van de grootst mogelijke weelde. Het ontbrak de prins aan niets en hij leefde temidden van zang en dans, in luxe en plezier en hij had geen weet van enig verdriet. Toch waren alle pogingen van de koning om de prins wereldsgezind en tot een gevangene van de zintuigen te maken, van geen enkel nut. Het streven van koning Suddhodana om de ellende en het leed van deze wereld uit het blikveld van zijn zoon te houden, vergrootte alleen maar de nieuwsgierigheid van de prins en zijn resoluut zoeken naar waarheid en Verlichting.[47]

7. De hemelboden

        Na verloop van tijd sprak de prins, de Bodhisatta, tot zijn koetsier: “Laat allerlei mooie wagens gereed maken. Wij willen graag met ons gevolg naar de parken rijden om de omgeving te bezien.” En de koetsier deed wat hem opgedragen was. De Bodhisatta reed toen naar buiten. De godheden van de Zuivere Verblijven veroorzaakten dat hij op zijn route naar de parken een man zag, verouderd, geknikt als de gevel van een dak. Gekromd, op een stok steunend en bevend ging hij voorwaarts, erbarmelijk, zoals een grijsaard eigen is.

        “Wat is er met die mens gaande?” vroeg de prins aan de koetsier. “Zijn hoofdhaar is niet zoals bij anderen en zijn lichaam is niet zoals bij anderen.”- “Heer, dat is een grijsaard, zoals dat heet. Hij zal niet lang meer te leven hebben.” – “Ben ook ik aan ouderdom onderhevig? Zal ook ik oud worden?”- “Ook u en wij allen zijn aan ouderdom onderhevig.” – “Dan is het voor vandaag genoeg met de rit naar de parken. Rij maar naar het paleis terug.” – “Ja, Heer.”

        In het paleis teruggekeerd, piekerde de prins, smartelijk terneergesla­gen: “Beroerd, waarlijk, moet geboorte zijn, omdat immers na geboorte de ouderdom verschijnen moet.”[48]

        Koning Suddhodana liet de koetsier roepen en vroeg of de prins zich had verheugd. En de koetsier vertelde wat er gebeurd was. Bij de koning kwam toen de gedachte op: “Moge de prins toch niet de heerschappij afwijzen. Moge hij toch niet uit het huis in de huisloze staat gaan.” En de koning liet de prins nog meer met de genietingen van de vijf zintuigen omgeven.[49]

        En terwijl hij zo’n macht en zo’n geluk had, dacht de prins verder: “Wanneer een niet-onderwezen gewoon man die onderhevig is aan ouderdom, die niet buiten bereik van ouderdom is, iemand anders ziet die oud is, dan is hij geschokt, terneergeslagen en is er afkerig van. Want hij vergeet dat hij zelf geen uitzondering is. Maar ook ik ben onderhevig aan ouderdom, ben niet buiten bereik van ouderdom. En daarom kan het niet passend voor mij zijn om geschokt, terneergeslagen en afkerig te zijn bij het zien van iemand anders die oud is.” Toen hij dit overwoog, verliet de ijdelheid van de jeugd hem geheel en al.[50]

        

        Na verloop van tijd sprak de prins, de Bodhisatta, weer tot zijn koetsier: “Laat allerlei mooie wagens gereed maken. Wij willen graag naar de parken rijden om de omgeving te bezien.” En de koetsier deed wat hem opgedragen was. De Bodhisatta reed toen naar buiten. De godheden van de Zuivere Verblijven veroorzaakten dat hij op zijn route naar de parken een mens zag, ziek, lijdende, zwaar ziek, in zijn eigen drek en urine liggend, door anderen behoedzaam opgericht, door anderen bediend.

        “Wat is er met die mens gaande?” vroeg de prins aan de koetsier. “Zijn ogen zijn niet zoals bij anderen en zijn stem is niet zoals bij anderen.” – “Heer, dat is een zieke, zoals dat heet. Misschien kan hij zich van deze ziekte weer herstellen.” – “Ben ook ik aan ziekte onderhevig? Zal ook ik ziek worden?” – “Ook u en wij allen zijn aan ziekte onderhevig.” – “Dan is het voor vandaag genoeg met de rit naar de parken. Rij maar naar het paleis terug.” – “Ja, Heer.”

        In het paleis teruggekeerd, piekerde de prins, smartelijk terneergesla­gen: “Beroerd, waarlijk, moet geboorte zijn, omdat immers na geboorte ouderdom en ziekte verschijnen moet.”[51]

        

        Koning Suddhodana liet de koetsier roepen en vroeg of de prins zich had verheugd. En de koetsier vertelde wat er gebeurd was. Bij de koning kwam toen de gedachte op: “Moge de prins toch niet de heerschappij afwijzen. Moge hij toch niet uit het huis in de huisloze staat gaan.” En de koning liet de prins nog meer met de genietingen van de vijf zintuigen omgeven.[52]

        

        Maar de prins dacht verder: “Wanneer een niet-onderwezen gewoon man die onderhevig is aan ziekte, die niet buiten bereik van ziekte is, iemand anders ziet die ziek is, dan is hij geschokt, terneergeslagen en is er afkerig van. Want hij vergeet dat hij zelf geen uitzondering is. Maar ook ik ben onderhevig aan ziekte, ben niet buiten bereik van ziekte. En daarom kan het niet passend voor mij zijn om geschokt, terneergeslagen en afkerig te zijn bij het zien van iemand anders die ziek is.” Toen hij dit overwoog, verliet de ijdelheid van de gezondheid hem geheel en al.[53]

        Na verloop van tijd sprak de prins, de Bodhisatta, weer tot zijn koetsier: “Laat allerlei mooie wagens gereed maken. Wij willen graag naar de parken rijden om de omgeving te bezien.” En de koetsier deed wat hem opgedragen was. De Bodhisatta reed toen naar buiten. De godheden van de Zuivere Verblijven veroorzaakten dat hij op zijn route naar de parken een hoop mensen bijeen zag staan, in donkere kleren, in een erbarmelijke toestand. “Waarom is deze hoop mensen bijeen gekomen in donkere kleren, in zo’n erbarmelijke toestand?” – “Heer, daar is iemand gestorven, zoals dat heet.” – “Leidt de wagen naar de gestorvene heen.” – “Ja, Heer.”

        En de prins zag de dode, de gestorvene. En hij sprak: “Waarom heet hij een gestorvene?” – “Heer, niet meer zullen moeder of vader of de andere bloedverwanten hem zien; en ook zal hij niet meer moeder of vader of de andere bloedverwanten zien.” – “Ben ook ik aan het sterven onderhevig, zal ook ik sterven? Zullen ook mij de koning en de koningin en de andere bloedverwanten niet meer zien; en zal ook ik de koning en de koningin en de andere bloedverwanten niet meer zien?” – “Heer, ook u en wij allen zijn aan het sterven onderhevig; wij allen zullen sterven en ouders en bloedverwanten niet meer zien noch door hen gezien worden.” – “Dan is het voor vandaag genoeg met de rit naar de parken. Rij maar naar het paleis terug.” – “Ja, Heer.”

        In het paleis teruggekeerd, piekerde de prins, smartelijk terneergesla­gen: “Beroerd, waarlijk, moet geboorte zijn, omdat immers na geboorte ouderdom, ziekte en het sterven verschijnen moet.”[54]

        Koning Suddhodana liet de koetsier roepen en vroeg of de prins zich had verheugd. En de koetsier vertelde wat er gebeurd was. Bij de koning kwam toen de gedachte op: “Moge de prins toch niet de heerschappij afwijzen. Moge hij toch niet uit het huis in de huisloze staat gaan.” En de koning liet de prins nog meer met de genietingen van de vijf zintuigen omgeven.[55]

        Maar de prins dacht: “Wanneer een niet-onderwezen gewoon man die onderhevig is aan de dood, die niet buiten bereik van de dood is, iemand anders ziet die dood is, dan is hij geschokt, terneergeslagen en is er afkerig van. Want hij vergeet dat hij zelf geen uitzondering is. Maar ook ik ben onderhevig aan de dood, ben niet buiten bereik van de dood. En daarom kan het niet passend voor mij zijn om geschokt, terneergeslagen en afkerig te zijn bij het zien van iemand anders die dood is.” Toen hij dit overwoog, verliet de ijdelheid van het leven hem geheel en al.[56]

        Na verloop van tijd sprak de prins, de Bodhisatta, weer tot zijn koetsier: “Laat allerlei mooie wagens gereed maken. Wij willen graag naar de parken rijden om de omgeving te bezien.” En de koetsier deed wat hem opgedragen was. De Bodhisatta reed toen naar buiten. De godheden van de Zuivere Verblijven veroorzaakten dat hij op zijn route naar de parken een man zag, kaalgeschoren, een pelgrim, met het vaalgele gewaad bekleed. “Wat is er met die man gaande? Zijn hoofd is niet zoals bij anderen en zijn gewaden zijn niet zoals bij anderen.” – “Heer, dat is een pelgrim, zoals dat heet. Tot heil leidt hij zijn levenswandel in de leer, tot heil is de juiste levenswandel, tot heil zijn goede handelingen, tot heil zijn verdienstelijke werken, tot heil is het niet-benaderen,[57] tot heil is het mededogen met de wezens.” – “Dat is inderdaad juist, koetsier, tot heil is het pelgrim-zijn. Leidt de wagen naar die pelgrim heen.” – “Ja, Heer.”

        En de prins sprak tot de pelgrim aldus: “Mijn beste, wat is er met u gaande?” En de pelgrim gaf hetzelfde antwoord als de koetsier.[58]

8. Het voornemen om het Doodloze te gaan zoeken

        Prins Siddhattha wekte een verlangen op naar het heengaan uit de wereld met de woorden: “Goed, waarlijk, is het heengaan,” en hij ging verder naar de parken. Daar bracht hij de rest van de dag door aan de rand van de lotusvijver die getooid en vereerd was door de godheid Vissakama. ΄s Avonds kwam deze godheid in de gedaante van een dienaar en deelde de Bodhisatta het nieuws van de geboorte van zijn zoontje mede.[59] De prins besefte de kracht van vaderlijke genegenheid voor een zoon en zei: “Een band (rāhula) is er voor mij ontstaan. Maar ik zal deze band met de wereld afsnijden voordat hij sterk wordt.” En hij keerde naar het paleis terug.[60]

        Onderweg kwam hij zijn nicht Kisāgotamī tegen. Zij was de dochter van zijn tante van vaders kant. Bij het zien van de prins die er nu nog stralender en edeler uitzag dan voorheen, sprak zij het vers: “Gelukkig, waarlijk, is de moeder, gelukkig, waarlijk, is de vader, gelukkig, waarlijk, zijn de ouders die zo'n zoon hebben; gelukkig, waarlijk, is de vrouw die een echtgenoot heeft zoals deze.”[61]

        Toen hij dit vers had gehoord, dacht de prins: “Zij heeft dit vers van geluk en vreugde uitgesproken.” Hierop nam hij zijn parelsnoer dat 100.000 goudstukken waard was, van zijn nek af en liet het haar brengen. Vervolgens ging hij zijn paleis binnen.[62]

        Siddhattha besefte dat hij nu niet gemakkelijk huis en echtgenote kon verlaten. Maar hij had geen verlangen ernaar om het luxueuze leven als hoofd van een gezin te leiden. Ook verlangde hij er niet naar om een groot man te worden door anderen te doden in de oorlog. Nu er een zoon geboren was, zag Siddhattha dat het zoeken naar het einde van lijden en het vinden van het geneesmiddel de grootste gave was die hij aan zijn echtgenote en kind en aan de gehele wereld kon geven. Zijn gemoed was vastbesloten en hij gaf alle weelde, troon en heerschappij en geluk met vrouw en kind op om op zoek te gaan naar het Doodloze. Want toen hij in dit bestaan het lijden inzag, vatte hij het besluit om het edele na te streven, om te gaan zoeken naar de onvergelijkbare innerlijke vrede.[63] De volgende overweging was namelijk bij hem opgekomen:

9. Het onedele en het edele streven

        "Er zijn twee soorten van streven: het onedele en het edele streven. Wat nu is het onedele streven? - Het onedele streven bestaat hierin: iemand die zelf aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is, zoekt datgene wat aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is.

        En wat noemt men: onderhevig aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid? – Vrouw en kind, knecht en maagd, schaap en geit, haan en varken, olifant en rund, hengst en merrie, goud en zilver,[64] dat alles is aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig. Waarlijk, deze voorwerpen van hechten zijn aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig. Hier verstrikt, begoocheld, meegesleept, zoekt zo iemand die zelf aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is, juist datgene wat aan geboorte, ziekte, ouderdom, sterven, leed en onreinheid onderhevig is. Dit is het onedele streven.[65]

        Wat nu is het edele streven? - Het edele streven bestaat hierin: iemand die zelf aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is, die in dit bestaan dat aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is, het lijden onderkent, hij zoekt de geboortevrije, ouderdomvrije, ziektevrije, doodvrije, leedvrije, onreinheidvrije, onvergelijkbare innerlijke vrede, het uitdoven, Nibbāna. Dit is het edele streven.”[66]

        En de gedachte kwam bij de prins op: “Waarom toch streef ik naar het onedele? Zou ik niet liever naar het edele streven, zou ik niet op zoek gaan naar de geboortevrije, ouderdomvrije, ziektevrije, doodvrije, leedvrije, onreinheidvrije, onvergelijkbare innerlijke vrede, het uitdoven, Nibbāna?”[67]

        En bij Siddhattha, toen nog niet volledig ontwaakt, maar tot de volmaakte Verlichting neigende, kwam ook de volgende gedachte op: “Gebonden is het huiselijke leven, een weg van onreinheid. Het verlaten van het huiselijke leven is als het gaan in het open veld. Het is niet gemakkelijk bij een leven in huis om het enig volmaakte, enig heldere reinheidsleven, dat zo blank als een oester is, te leiden. Zou ik niet liever haar en baard laten afscheren, de donkergele gewaden aantrekken en uit het huis in de huisloze staat gaan?”[68]

10. Het gaan uit het huis in de huisloze staat

        Niet lang na deze gedachten verliet de prins, met een laatste blik op zijn slapende vrouw en baby, het paleis en besteeg zijn paard Khanthaka. Met zijn trouwe koetsier Channa begaf hij zich op weg naar de stadsparken.[69]

        Toen hij de poort van de stad naderde, zei Māra[70] die in de buurt stond, tot hem: “Siddhattha, keert op uw weg terug. Op de zevende dag vanaf nu zal het magische wiel van een universeel heerser bij u gemanifesteerd worden.”[71]

        Het Grote Wezen antwoordde: “Ook ik weet dat, Māra. Maar ik verlang het niet.” – “Met welk doel gaat u dan weg voor de grote verzaking?” – “Opdat ik alwetendheid moge verkrijgen.” – “Welnu dan, als u vanaf vandaag een lustvolle of kwaadwillende of wrede gedachte koestert, weet ik wat te doen in uw geval.” En sedert die tijd achtervolgde Māra zeven jaar lang het Grote Wezen en wachtte zijn gelegenheid af.[72]

        

        Toen de prins in de stadsparken was aangekomen, liet hij er hoofdhaar en baard afscheren. En hij verwisselde zijn rijke prinselijke kleren voor het gele gewaad van een pelgrim. Zijn koetsier Channa zond hij terug naar het paleis. En op 29-jarige leeftijd, in de bloei van zijn leven, verliet Siddhattha tegen de wens van zijn ouders het leven als gezinshoofd en begon het huisloze leven van asceet. Zo ging hij op weg om de moeilijkste ontdekkingsreis te maken die door mensen ooit ondernomen is. Op de dag van volle maan in juli (Asalhā) ging hij op zoek naar het antwoord op de vraag: “Wat is goed?” Hij ging aldus op zoek naar de onvergelijkbare weg die naar de hoogste vrede leidt.[73]

        Het was zijn diep mededogen dat hem ertoe bracht de tocht te gaan, een tocht die zou eindigen in volmaakte Ontwaking (sammā sambodhi).[74]

11. De leraren

        Als eerste begaf hij zich naar Alāra Kālāma. Bij hem leerde hij binnen niet al te lange tijd zoveel dat hij diens leer van buiten kende en daarna ook uit eigen ervaring begreep. Alāra Kālāma stelde de Bodhisatta toen op het niveau van de leraar en eerde hem zodoende met de hoogste eer. Maar de Bodhisatta begreep dat die leer niet leidde naar afkeer, niet naar begeerteloosheid, niet naar beëindiging, niet naar kalmte en vrede en niet naar inzicht. Hij begreep dat ze niet leidde naar de hoogste wijsheid, niet naar uitdoving. Zij leidde slechts tot het weer opduiken in de sfeer van niets-is-er.[75]

        Daarom wendde hij zich van die leer af en begaf zich - nog steeds op zoek naar het antwoord op de vraag: “Wat is goed?”, op zoek naar de hoogste vrede - op weg naar Uddaka Rāmaputta. Bij hem leerde hij binnen niet al te lange tijd diens leer van buiten. Hij begreep ze in details en verwerkelijkte ze ook in eigen persoon, uit eigen ervaring. En de Bodhisatta bereikte de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. En ook Uddaka stelde hem op het niveau van de leraar en eerde hem zodoende met de hoogste eer. Die leer echter leidde niet naar afkeer, niet naar begeerteloosheid, niet naar beëindiging, niet naar kalmte en vrede, niet naar direct inzicht, niet naar de hoogste wijsheid, niet naar uitdoving. Ze leidde slechts tot het weer opduiken in de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming.

        Daarom wendde de Bodhisatta zich van die leer af en begaf zich - nog steeds op zoek naar het antwoord op de vraag: “Wat is goed?”, op zoek naar de hoogste vrede - op weg naar het land van de Magadhas.[76]

12. De ontmoeting met koning Bimbisāra

        Naar Rajagaha ging de Bodhisatta, naar Giribbaja[77] in Magadha. Daar ging hij rond om bedelspijs[78] te vragen, hij die de tekenen van grootte droeg.[79] Koning Bimbisāra stond op het terras van het paleis en zag de Bodhisatta. Toen hij diens verheven kentekenen had gezien, liet hij de volgende woorden weerklinken: “Gij heren, let goed op hem; hij is vol bevalligheid, met grote gestalte, rein. Een edel karakter siert hem; slechts zover als een juk lang is, laat hij zijn blik rondgaan. Zijn gang is oplettend, met neergeslagen ogen. Deze hier is niet als iemand uit een lagere stam. Laten de koningsboden zich haasten om na te gaan waarheen de monnik gaat.”

        De koningsboden werden uitgezonden en zij volgden de schreden van de Bodhisatta. “Waarheen wel zou de monnik gaan, waar zou zijn verblijfplaats kunnen zijn?” Van huis tot huis ging hij om bedelspijs te vergaren, de deuren van zijn zintuigen goed bewaakt. Hij ging bezonnen, vol oplettendheid, en weldra werd zijn nap gevuld. Na het vergaren van bedelspijs verliet de wijze de stad. Hij begaf zich op weg naar de berg Pandava[80] met de gedachte: “Daar zal ik wel een verblijf vinden.”

        De boden zagen hoe hij daar verblijf nam en zij bleven in de buurt. Eén bode ging terug en berichtte: “Grote koning, deze monnik vertoeft ten oosten van de berg Pandava als een machtige tijger, als een leeuw in de bergkloof.”

        De riddervorst reed na deze boodschap haastig op zijn pronkwagen naar de rots Pandava. Hij reed zover als er een rijbaan was. Vervolgens steeg hij van de wagen af, begaf zich te voet naar de wijze en ging naast hem zitten. Toen groette de koning hoffelijk en vriendelijk. En nadat de groet beantwoord was, sprak hij: “U bent wel nog jong en teer, een jongeling in de bloei van zijn jeugd, begiftigd met verheven schoonheid. U bent gelijk aan een edelgeboren ridder die een statig leger doet stralen en die aan het hoofd staat van de schare helden. Ik zal u rijkdommen geven, geniet daarvan.[81] En zegt me nu van welke stam u bent.”

        “Koning, rechtstreeks aan de helling van de Himālaya leeft in Kosala een volk dat rijkdom bezit en ook kracht. Zij zijn van het geslacht Adicca[82] en hun stam wordt Sakya genoemd. Ik vertrok van deze verwantschap omdat ik geen verlangen koesterde naar de lusten van de zinnen. In die lusten heb ik de ellende gezien en heb verzaking en onthechting als de zekerheid erkend. Nu wil ik mij naar de strijd begeven, daarover verheugt zich mijn gemoed.”[83]

13. De plek voor innerlijke vooruitgang

        Nog steeds op zoek naar het antwoord op de vraag: “Wat is goed?”, op zoek naar de hoogste vrede, ging de Bodhisatta in etappes door het land van de Magadhas. Tenslotte kwam hij aan te Senānigāma nabij Uruvela.[84] Daar zag hij een prachtige plek, een bevallige groep bomen, een helder stromende rivier die goed toegankelijk was. In de nabijheid was een dorp om er bedelspijs te vergaren. Die plek leek hem verrukkelijk en voldoende voor innerlijke vooruitgang. En ter plaatse liet hij zich neer.[85]

        

        Weldra voegden vijf andere asceten zich bij hem. Zij bewonderden zijn vastberaden pogingen. Eén van die asceten was Kondañña, de jonge wijze die bij de geboorte van de prins voorspeld had dat deze een Boeddha zou worden. De andere asceten heetten Bhaddhiya, Vappa, Mahānāma en Asajī. Zij koesterden de hoop dat de boeteling Gotama de waarheid die hij zou ontdekken, aan hen meedeelde.[86] Want er was (en er is nog steeds) het geloof dat zuiverheid verkregen kan worden door zelfkwelling. En de asceet Gotama had besloten te toetsen of dat waar was. Daarom was hij in Senanigama het inspannende gevecht begonnen om zijn lichaam te onderwerpen. Hij hoopte dat zó zijn geest vrij zou komen van de kluisters van het lichaam en in staat zou zijn om de hoogste bevrijding te verkrijgen. In deze ascetische oefeningen was hij zeer ijverig. Hij was o.a. een naakte asceet; hij accepteerde geen vlees of vis; hij vaste op diverse manieren; hij at gras, wortels van bomen en afgevallen vruchten; hij kleedde zich in hennep en boomschors; hij trok hoofdhaar en baard uit; hij bleef steeds staan en weigerde te gaan zitten; hij rustte op een spijkerbed; hij folterde zijn lichaam op velerlei manieren; hij dronk en at eigen urine en uitwerpselen; hij sliep op knekelplaatsen en met de beenderen van doden als kussen; hij sliep in het koude seizoen, bij nachtvorst, buiten in de open lucht en bleef ook overdag in de kou.[87]

14. Gedachten over angst en vrees

        En vóór zijn Ontwaking, toen hij nog een onverlichte Bodhisatta was, dacht hij: “Afgelegen verblijfplaatsen in de jungle, in het bos, zijn moeilijk te verduren, een eenzame plaats is moeilijk te verkrijgen, van afzondering is moeilijk te genieten. Men zou menen dat de jungle een bhikkhu[88] van zijn geest moet beroven indien hij geen concentratie heeft."

        En verder dacht hij: “Stel dat de een of andere monnik of brahmaan onrein is in lichamelijk, mondeling of geestelijk gedrag, of in zijn levenswijze; stel dat hij hebzuchtig is en zeer gevoelig voor lust naar zinnelijke verlangens; of stel dat hij kwaadwillend is of opgewonden en onrustig in de geest; of stel dat hij twijfel koestert en onzeker is; of stel dat hij geneigd is tot zelfverheerlijking en tot het kleineren van anderen, stel dat hij onderhevig is aan angst en vrees; stel dat hij winst, eer en roem verlangt; stel dat hij ijdel is en gebrek heeft aan energie, vergeetachtig is en niet ten volle bewust, ongeconcentreerd en verward in de geest, zonder begrip en een wauwelaar. Wanneer zo'n monnik of brahmaan zich naar een afgelegen verblijfplaats in de jungle, in het bos begeeft, dan roept hij op grond van deze gebreken angst en vrees op, hetgeen voor hem onheilzaam is. Maar ik begeef mij niet als een van hen naar een afgelegen verblijfplaats in de jungle, in het bos. Ik heb geen enkel van deze gebreken. Ik begeef mij naar een afgelegen jungle-verblijfplaats in het bos als een van de edelen die vrij zijn van deze gebreken. Omdat ik in mijzelf deze vrijheid van zulke gebreken zie, vind ik grote troost bij het leven in het bos.”

        En verder dacht hij: “Maar er zijn de speciale heilige nachten van de halve maan op de veertiende en de vijftiende en de kwart-maand op de achtste dag van de maand.[89] Stel dat ik die nachten doorbreng op zulke ontzagwekkende verblijfplaatsen als heiligdommen in boomgaarden, in bossen en bij bomen. Zulke verblijfplaatsen laten de haren te berge rijzen. Zou ik dan wellicht die angst en vrees ondervinden?”

        En later, toen hij op zulke speciale heilige nachten op zulke ontzagwekkende plaatsen verbleef, kwam er een hert naar hem toe, of een pauw brak een tak af, of de wind ritselde door de bladeren. Toen dacht hij: “Nu komt beslist de angst en vrees.” Maar verder overwoog hij: “Waarom blijf ik voortdurend de angst en vrees afwachten? Waarom bedwing ik die angst en vrees niet wanneer hij tot mij komt, terwijl ik in de houding blijf waarin ik dan juist ben?”

        En onder het lopen overviel hem de angst en vrees. Maar hij bleef lopen en ging niet zitten of neerliggen noch bleef hij stilstaan totdat hij die angst en vrees had bedwongen. Tijdens het staan overviel hem de angst en vrees. Maar hij bleef staan en ging niet lopen noch ging hij zitten of neerliggen totdat hij die angst en vrees had bedwongen. Tijdens het zitten overviel hem de angst en vrees. Maar hij bleef zitten en ging niet lopen noch ging hij staan of neerliggen totdat hij die angst en vrees had bedwongen. Tijdens het liggen overviel hem de angst en vrees. Maar hij bleef liggen en ging niet lopen noch ging hij staan of zitten totdat hij die angst en vrees had bedwongen.[90]

15. Vorming, ontwikkeling van lichaam en geest

        En de Bodhisatta overwoog ook het volgende: “Hoe is men niet ontwikkeld wat betreft zowel het lichaam als de geest? - Er ontstaat bij een niet onderwezen wereldlijk mens een aangenaam gevoel.  Die mens, door dat aangename gevoel getroffen, wordt begerig naar het aangename, en hij vervalt tot het begeren van het aangename. Bij hem verdwijnt het aangename gevoel en door het verdwijnen van het aangename gevoel ontstaat een onaangenaam gevoel. Die mens, door dit onaangename gevoel getroffen, jammert, steunt, klaagt, weent en slaat zich op de borst, wordt waanzinnig. Bij hem houdt het aangename gevoel dat bij hem is ontstaan, de geest gevangen ten gevolge van de gebrekkige ontwikkeling van het lichaam. En ook het onaangename gevoel dat bij hem is ontstaan, houdt de geest gevangen ten gevolge van de gebrekkige ontwikkeling van de geest. Bij alwie zo tweezijdig door het ontstane aangename gevoel de geest gevangen wordt gehouden ten gevolge van de gebrekkige ontwikkeling van het lichaam, en bij wie door het ontstane onaangename gevoel de geest gevangen wordt gehouden ten gevolge van de gebrekkige ontwikkeling van de geest, - die persoon is aldus ongevormd, onontwikkeld zowel met betrekking tot het lichaam als met betrekking tot de geest.

        En hoe is iemand ontwikkeld zowel met betrekking tot het lichaam als met betrekking tot de geest? - Er ontstaat bij een goed onderwezen toehoorder van het edele een aangenaam gevoel. Die mens, door dit aangename gevoel getroffen, wordt niet begerig naar het aangename, vervalt niet tot het begeren van het aangename. Bij hem verdwijnt nu dit aangename gevoel en door het verdwijnen van het aangename gevoel ontstaat een onaangenaam gevoel. Die mens, door het onaangename gevoel getroffen, jammert niet, klaagt niet, weent niet en slaat zich niet op de borst, vervalt niet tot waanzin. Bij deze persoon houdt het aangename gevoel dat bij hem is ontstaan, de geest niet gevangen, juist ten gevolge van de ontwikkeling van het lichaam. Het onaangename gevoel dat bij hem is ontstaan, houdt de geest niet gevangen, juist ten gevolge van de ontwikkeling van de geest. Bij alwie zo tweezijdig door het ontstane aangename gevoel de geest niet gevangen wordt gehouden ten gevolge van de ontwikkeling van het lichaam, en bij wie door het ontstane onaangename gevoel de geest niet gevangen wordt gehouden ten gevolge van de ontwikkeling van de geest, die persoon is aldus gevormd, ontwikkeld zowel met betrekking tot het lichaam als met betrekking tot de geest.”

        En verder overwoog de Bodhisatta: “Sinds ik haar en baard heb laten afscheren, de donkergele gewaden heb aangetrokken en uit het huis in de huisloze staat ben gegaan, - dat een ontstaan aangenaam of onaangenaam gevoel mijn geest sedertdien gevangen kon houden, zo'n mogelijkheid is er niet.”[91]

16. De drie gelijkenissen van het stuk hout

        Na deze overweging kwamen drie gelijkenissen spontaan bij de Bodhisatta op, nooit eerder gehoord. “Veronderstel dat er een stuk hout is, vochtig, doordrenkt, in het water geworpen, en er komt een man naderbij met een wrijfhout en hij denkt: ‘Ik zal vuur doen ontstaan, ik zal een vlam laten verschijnen.’ Zou die man vuur kunnen doen ontstaan uit dat vochtige hout? - Neen. - En waarom niet? - Dat hout is immers vochtig, doordrenkt, en het was immers in het water geworpen. Rekening hiermee houdende, zou die man alleen maar de moeite en het ongemak ervan hebben.

        Evenzo is het ook met alle boetelingen en brahmanen die met betrekking tot het lichaam niet ontvreemd aan de lusten leven, en bij wie datgene wat er bij de lusten aan begeerte, zucht, verblinding, dorst, koorts is, innerlijk niet is opgegeven, innerlijk niet tot rust is gekomen. Als deze geachte boetelingen en brahmanen hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, dan zijn zij niet in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking. En ook wanneer die boetelingen en brahmanen niet zulke hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, ook dan zijn zij niet in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking.”[92]

        En als tweede gelijkenis kwam spontaan in zijn gedachten op: “Veronderstel dat er een stuk hout is, vochtig, doordrenkt, ver van het water op droge grond geworpen, en er komt een man naderbij met een wrijfhout en hij denkt: ‘Ik zal vuur doen ontstaan, ik zal een vlam laten verschijnen.’ Zou die man vuur kunnen doen ontstaan uit dat vochtige hout? - Neen. - En waarom niet? - Dat hout is immers vochtig, doordrenkt; wat heeft het dan te betekenen dat het ver van het water op droge grond is geworpen! Rekening hiermee houdende, zou die man alleen maar de moeite en het ongemak ervan hebben.

        Evenzo is het ook met alle boetelingen en brahmanen die met betrekking tot het lichaam niet ontvreemd aan de lusten leven, en bij wie datgene wat er bij de lusten aan begeerte, zucht, verblinding, dorst, koorts is, innerlijk niet is opgegeven, niet volledig tot rust is gekomen. Als deze geachte boetelingen en brahmanen hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, dan zijn zij niet in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking. En ook wanneer die boetelingen en brahmanen niet zulke hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, ook dan zijn zij niet in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking.”[93]

        Verder kwam bij hem spontaan een derde gelijkenis in de gedachten op, nooit eerder gehoord: “Veronderstel dat er een stuk hout is, droog, dor, ver van het water op droge grond geworpen, en er komt een man naderbij met een wrijfhout en hij denkt: ‘Ik zal vuur doen ontstaan, ik zal een vlam laten verschijnen.’ Zou die man vuur kunnen doen ontstaan uit dat stuk hout? - Jazeker. - En waarom? - Dat stuk hout is immers droog, dor, ver van het water op het land geworpen. Evenzo is het ook met alle boetelingen en brahmanen die met betrekking tot het lichaam ontvreemd aan de lusten leven, en bij wie datgene wat er bij de lusten aan begeerte, zucht, verblinding, dorst, koorts is, innerlijk is opgegeven, volledig tot rust is gekomen. Als deze geachte boetelingen en brahmanen hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, dan zijn zij in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking. En ook wanneer die boetelingen en brahmanen niet zulke hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, ook dan zijn zij in staat tot weten, tot inzicht, tot onvergelijkbare ontwaking.”[94]

17. De ascetische oefeningen

        En er ontstond verder bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik niet met de tanden op elkaar en met de tong tegen het verhemelte gedrukt, de geest neerdrukken in strijd en kwelling?” En door denken dwong hij de geest neer in strijd en kwelling. En terwijl hij zich aldus inspande, kwamen stromen zweet uit de okselholten, evenals wanneer een sterke man een zwakkere man bij het hoofd zou grijpen of bij de schouders en hem op de grond dwong in strijd en kwelling.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[95]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik mij niet verder in zelfverdieping met opgeheven ademhaling verdiepen?” En hij hield op met ademhalen en hield mond en neus dicht. En aldus ontstond er in zijn oren een geweldig geruis van de intredende stromingen, juist zoals er van de blaasbalg van de smid een geweldig geruis ontstaat.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[96]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik mij niet verder in zelfverdieping met opgeheven ademhaling verdiepen?” En hij hield op met ademhalen en hield mond, neus en oren dicht. En aldus sloegen geweldige stromingen tegen het schedeldak, juist alsof een krachtige man met de scherpe punt van een zwaard het schedeldak bewerkte.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[97]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik mij niet verder in zelfverdieping met opgeheven ademhaling verdiepen?” En hij hield op met ademhalen en hield mond, neus en oren dicht. En aldus had hij in het hoofd geweldige gewaarwordingen, juist alsof een krachtige man met een sterke riem een ring om het hoofd legde.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[98]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik mij nu niet verder in zelfverdieping met opgeheven ademhaling verdiepen?” En hij hield op met ademhalen en hield mond, neus en oren dicht. En aldus doorsneden geweldige stromingen zijn buik, alsof een bekwaam koeslachter of diens leerling met een scherp slachtmes de buik in stukken sneed.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[99]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik mij nu niet verder in zelfverdieping met opgeheven ademhaling verdiepen?” En hij hield op met ademhalen en hield mond, neus en oren dicht. En aldus voelde hij in het lichaam een geweldige brand, juist alsof hij geheel en al in een kuil met gloeiende kolen was getrokken.

        Levendig was toen weliswaar zijn kracht, oprecht, bereid de oplettendheid, onverward; volledig levendig was toen echter ook zijn lichaam, niet tot rust gekomen. En ook door het zo ontstane onaangename gevoel werd zijn geest niet gevangen gehouden.[100]

        En toen zagen godheden hem en zeiden: “De boeteling Gotama is dood.” Andere godheden zeiden: “De boeteling Gotama is niet dood, maar hij ligt op sterven.” Weer andere godheden zeiden: “De boeteling Gotama is niet dood en ook ligt hij niet op sterven. De boeteling Gotama is een heilige, en zó is nu de toestand van een heilige.”[101]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik niet liever onthouding van voedsel beoefenen?” Toen naderden godheden hem en spraken: “Eerwaarde, beoefent toch niet onthouding van voedsel. Eerwaarde, als u volledige onthouding van voedsel beoefent, zullen wij u hemelse levensessentie door de huidporiën te eten geven. Daardoor blijft u dan leven.” En de gedachte kwam bij hem op: “Al zou ik nu ook volledig vasten tonen en deze godheden zouden mij hemelse levensessentie door de huidporiën te eten geven en ik zou daardoor blijven leven, dan zou dat van mijn kant een leugen zijn.” Hij wees dus die godheden terug met de woorden: “Genoeg, het is niet nodig.”[102]

        En er ontstond bij de Bodhisatta de gedachte: “Zou ik niet liever een klein beetje voedsel tot mij nemen, steeds slechts een holle hand vol, ofwel brij van bonen, brij van wikke ofwel brij van kleine of grote erwten?” En hij nam een heel klein beetje voedsel tot zich, steeds slechts een holle hand vol van voornoemde soorten brij. En aldus slechts een heel klein beetje voedsel gebruikend, werd zijn lichaam uitermate mager.

        Zoals de knobbels bij grassoorten of bij kruipdieren, evenzo werden de gewrichten van zijn ledematen, juist door deze geringe opname van voedsel. Zoals de hoefvlakte van een kameel, evenzo werd zijn zitvlak, juist door deze geringe opname van voedsel. Zoals een geknoopt koord, evenzo werd zijn ruggengraat met haar verheffingen en dalingen, juist door deze geringe opname van voedsel. Zoals bij een vervallen huis de binten her en der naar buiten steken, evenzo stonden zijn ribben naar alle kanten naar buiten, juist door deze geringe opname van voedsel. Zoals bij een diepe bron de sterachtige waterreflexen diepliggend als het ware verdwijnend verschijnen, evenzo verschenen in zijn oogkassen de pupillen diepliggend als het ware verdwijnend, juist door deze geringe opname van voedsel. Zoals een bittere pompoen, ongekookt aangesneden, in wind en gloeiende zon rimpelig en verwelkt wordt, evenzo werd zijn hoofdhuid rimpelig en verwelkt, juist door deze geringe opname van voedsel.

        En hij wilde de huid van zijn buik strelen en hij geraakte tot aan de ruggengraat. De ruggengraat wilde hij strelen en hij geraakte tot aan de huid van de buik. In zoverre waren de huid van de buik en de ruggengraat tot elkaar genaderd, juist door deze geringe opname van voedsel. En hij wilde ontlasting maken en urineren, maar daarbij viel hij naar voren, juist door deze geringe opname van voedsel. En om zich lichamelijk te verfrissen, wreef hij met de hand over zijn ledematen, en toen vielen de haren die aan de wortel rot waren, uit het lichaam, juist door deze geringe opname van voedsel.[103]

        En toentertijd zagen mensen hem en zij spraken aldus: “De boeteling Gotama is blauwzwart.” Enige anderen zeiden: “Hij is niet blauwzwart, maar bruinachtig.” Weer anderen zeiden: “Niet blauwzwart en ook niet bruinachtig maar vaalgrauw is de boeteling Gotama.” Tot zover was zijn zuivere, heldere huidskleur bedorven, juist door deze geringe opname van voedsel.[104]

        En de gedachte kwam bij de Bodhisatta op: “Welke boetelingen of brahmanen ook in vroegere tijden hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervonden hebben, dit is het hoogste. Meer dan dit is niet mogelijk. Welke boetelingen of brahmanen ook in toekomstige tijden hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens zullen ondervinden, dit is het hoogste. Meer dan dit is niet mogelijk. Welke boetelingen of brahmanen ook juist nu hen overkomende smartelijke, scherpe, bittere gevoelens ondervinden, dit is het hoogste. Meer dan dit is niet mogelijk.”

        Door deze bittere moeite bereikte hij echter niet het boven het menselijke uitgaande, de aard van het inzicht dat voldoende is voor het edele streven.[105]

18. De verzoeking door Māra

        Toen de Bodhisatta aan de oever van de rivier Nerañjara vol ijver streed om vrijheid van de last te verkrijgen, op die tijd beoefende hij krachtig bezonnenheid. Toen naderde hem Namucī[106] en sprak medelijdend: “U bent mager en lelijk om aan te zien. U bent reeds dicht bij de dood; in duizend delen bent u reeds ten dode opgeschreven. Uw leven meet slechts één deel. Blijf dus leven, Heer; want het is beter te leven. En levend kunt u verdienste verwerven. Als u het reinheidsleven leidt en ook nog de vuurgave brengt, dan komen heel rijke verdiensten voor u tot rijping. Wat kunt u door de strijd bereiken? Het is zwaar om de weg van de strijd te gaan. Die weg is moeilijk en het is zwaar hem te voltooien.” Zo sprak Māra die nabij de Bodhisatta stond.

        Toen Māra uitgesproken was, zei de Verhevene tot hem: “Jij vriend van de slappelingen en tragen, jij booswicht, als het de bedoeling van je is om mij van de strijd af te houden, weet dan dat je vergeefse moeite doet. Hen toe te spreken voor wie verdienste nog doelmatigheid bezit, kan voor Māra lonend zijn. Maar voor mij is zelfs de geringste verdienste voortaan van geen enkel nut meer. In mij is vertrouwen, energie en ook wijsheid.[107] Aldus ben ik vastbesloten. Waarom spreek je tot mij over leven? De wind hier droogt zelfs de stroom van de rivieren. Hoe zou dan niet in mij die vastbesloten ben, het bloed opdrogen? Maar al droogt ook mijn bloed op, al droogt ook de gal en het slijm, al verslappen ook de spieren, alleen maar in sterkere mate zijn in mij de oplettendheid, de wijsheid en de concentratie gegrondvest. Terwijl ik zo vastbesloten vertoef, ziet mijn geest niet uit naar lusten,[108] al overkomt mij ook de hevigste pijn. Hieraan kun je de reinheid van een wezen zien.[109]

        Je hebt meerdere legers, Namucī Je eerste leger bestaat uit de dingen van de zinnen. Het tweede leger wordt tegenzin-en-onbehagen genoemd. Het derde is de honger en de dorst. Het vierde leger heet begeerte. Starheid en traagheid vormen het vijfde leger. Het zesde is de angst. De twijfel is het zevende en huichelarij is het achtste leger. Gewin en eer, roem en op verkeerde manier verkregen aanzien, het zichzelf hoogachten en roemen en anderen verachten, - dat, Namucī, is je leger, de schare strijders van de duistere macht. Wie zonder heldenmoed is, kan je legerschare niet overwinnen. Maar wie overwon, bereikt geluk. Dit munja-gras[110] draag ik als teken dat ik voor dit leven verachting koester. Want het is beter dat ik in de strijd sterf dan dat ik overwonnen word en verder leef. Weliswaar bestaan er ook asceten en brahmanen, maar zij zijn, verzonken in je leger, helemaal niet zichtbaar. Het pad waarop de deugdzamen gaan, is hen helemaal niet bekend.”[111]

19. Het opgeven van de zelfkwelling

        Nadat Māra deze woorden had gehoord, verwijderde hij zich zonder enig antwoord te geven. Na het vertrek van Māra zag de Bodhisatta in dat hij op de weg van de zelfkwelling geen resultaat bereikte en hij vroeg zich af of er geen andere weg tot Ontwaking was.[112] En er ontstond bij hem de gedachte: “Ik herinner mij bij het veldwerk, bij het ceremoniële ploegen van mijn vader, dat ik in de schaduw van een jambu-boom zat. Ik vertoefde toen in de eerste meditatieve verdieping, vrij geworden van begeerte, vrij geworden van kwade dingen. Die meditatieve verdieping is verbonden met indrukken en overwegingen, is uit eenzaamheid ontstaan en maakt vreugdevol gelukkig. Zou dat niet de weg naar de Ontwaking zijn?” En aansluitend aan deze herinnering kwam het besef: “Dit is de weg naar de Ontwaking.”[113]

        

        Hij besloot nog eens het pad van concentratie uit te proberen, concentratie bereikt door oplettendheid bij het ademhalen. Nu echter leidde die concentratie niet naar uiterste rust, maar werd ze geleid door geordende beschouwingen.[114]

        En er ontstond bij hem de gedachte: “Waarom zou ik bang zijn voor dat geluk, dit geluk vrij van begeerte, dit geluk vrij van ongoede dingen.” En de gedachte kwam bij hem op: “Voor dit geluk ben ik helemaal niet bang.”

        En verder dacht hij: “Beslist is dit geluk niet gemakkelijk te bereiken met een lichaam dat in zo'n grote krachteloosheid is geraakt. Zou ik niet liever vast voedsel tot mij nemen, gekookte rijst en gort?” En hij nam dergelijk vast voedsel tot zich.[115]

        In die tijd waren vijf asceten hem behulpzaam. Eén van hen was Kondañña, de jonge wijze die bij de geboorte van de Bodhisatta voorspeld had dat deze een Boeddha zou worden. De andere asceten waren Bhaddhiya, Vappa, Mahānāma en Asajī. Zij koesterden deze hoop: “De waarheid die de boeteling Gotama zal bereiken, zal hij ons meedelen.” Maar toen hij weer vast voedsel tot zich nam, gingen die vijf asceten teleurgesteld van hem weg. Want zij dachten: “De boeteling Gotama leeft in overvloed, met ongeconcentreerd streven; hij is gericht tot overdaad.”[116]

20. De vijf droombeelden

        Alleen gelaten, ging de Bodhisatta onverdroten verder met zijn zoeken naar het antwoord op de vraag: “Wat is goed?” En in de nacht vóór zijn Ontwaking had hij vijf droombeelden. Zij waren een aankondiging dat hij op het punt stond zijn doel te bereiken.[117]

        Deze enorme aarde vormde zijn grote bed. De Himālaya, de koning van de bergen, had hij als hoofdkussen. Op de oostelijke oceaan rustte zijn linker hand, op de westelijke oceaan lag zijn rechter hand en op de zuidelijke oceaan rustten zijn voeten. Dit was het eerste verheven droombeeld dat hij had.

        Verder groeide een klimplant met naam Tiriya uit zijn navel omhoog tot aan het hemelgewelf. Dit was het tweede verheven droombeeld dat hij had.        Verder kropen witte wormen met zwarte koppen zijn benen omhoog en bedekten die tot aan de knieschijven. Dit was het derde verheven droombeeld dat hij had.

        Verder kwamen vier vogels van verschillende kleuren uit de vier windrichtingen aangevlogen, lieten zich aan zijn voeten neer en werden toen volledig wit. Dit was het vierde verheven droombeeld dat hij had.         Verder liep hij steeds hoger op een hoge berg van uitwerpselen zonder door die uitwerpselen bevlekt te worden. Dit was het vijfde verheven droombeeld dat hij had.

        Het eerste verheven droombeeld toonde hem dat hij de onvergelijkbare, hoogste Verlichting zal verkrijgen.

        Het tweede verheven droombeeld toonde hem dat hij het edele achtvoudige pad zal inzien en het, zover er goden en mensen zijn, duidelijk zal uitleggen.

        Het derde verheven droombeeld toonde hem dat talrijke in het wit geklede leken bij de Volmaakte tijdens zijn leven hun toevlucht zullen nemen.

        Het vierde verheven droombeeld toonde hem dat de mensen van de vier kasten[118]– edellieden, brahmanen, burgers en dienaren – bij het vernemen van de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het leven in huis in de huisloosheid vertrekken en de onvergelijkbare bevrijding zullen verwerkelijken.

        Het vijfde verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, heilige, volmaakt Verlichte rijkelijk voorzien wordt met gewaad, aalmoezenmaaltijd, rustplaats en de benodigde medicijnen en dat hij daarvan gebruikt maakt, zonder eraan te hechten, onverblind en er niet in verstrikt.

        Deze vijf verheven droombeelden had de Bodhisatta kort voor zijn volmaakte Verlichting.[119] 

21. De aanbieding van rijstekoek

        Maar nog was de Bodhisatta niet volledig ontwaakt. Door niemand vergezeld, maar vastbesloten en met volmaakt vertrouwen in zijn eigen zuiverheid en kracht, besloot hij een laatste poging te ondernemen om de waarheid te ontdekken. Terwijl hij in diepe meditatie verzonken was, naderde Sujātā, dochter van een rijk man. Zij wist niet of hij een goddelijk of een menselijk wezen was. En zij bood hem rijstekoek[120] aan met de woorden: “Heer, mogen uw aspiraties bekroond worden met succes.” Dit was de laatste maaltijd vóór zijn volmaakte Verlichting.[121] Het was in de buurtschap van Senani.[122]

22. De meditatieve verdiepingen

        Nadat de Bodhisatta de rijstekoek had genuttigd, ging hij in een lieflijk bos neerzitten. Daar bracht hij de dag door terwijl hij de fasen van meditatieve verdieping in zich opwekte.[123]        

Vrij geworden van begeerte, vrij geworden van kwade dingen, vertoefde hij in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overweging verbonden is, uit eenzaamheid ontstaan, die vreugdevol gelukkig maakt. En het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.

        Door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkreeg hij de innerlijke vrede, de geestelijke onverdeeldheid. En hij vertoefde in het bezit van de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken en overwegingen, die uit zelfverdieping is ontstaan, die vreugdevol gelukkig maakt. En ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.

        Door het vrij worden van begeerte naar vreugde vertoefde hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. Lichamelijk ondervond hij het geluk dat door de edelen genoemd wordt: “Gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend.” Zo vertoefde hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping en ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.

        Door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van de vroegere bevredigingen en zorgen vertoefde hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedloze, gelukloze, die in gelijkmoedigheid en concentratie gezuiverd is. En ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.[124]

23. De gelofte en de strijd tegen Māra

        In de avond betrad de Bodhisatta de omtrek van de boom der Verlichting. Hij ging er in een ononderbroken zit met gekruiste benen neerzitten met de gelofte: “Eerder zullen huid, pezen en beenderen uitdrogen en zullen lichaam, vlees en bloed uitdrogen, maar ik zal deze zit met gekruiste benen niet eerder opgeven voordat Boeddhaschap is bereikt.”[125]

        Toen Māra, de Boze, dit had gezien, zei hij tot zichzelf: “Heden is Siddhattha met een vaste gelofte neer gaan zitten. Heden nog moet ik hem bij het vervullen van zijn gelofte hinderen.” En hij liet een leger ontstaan dat zich uitstrekte vanaf het bereik van de Bodhi-boom tot aan de grensgebieden van de wereld. Zelf besteeg hij de koningsolifant en schiep zichzelf 1000 armen waarmee hij de meest verscheiden soorten wapens opgreep. Toen liet hij veelvuldige soorten regen ontstaan: een regen van stenen, een regen van gloeiende kolen, een regen van zwaarden, enz. Maar voordat al deze stromen regen de Verheven Mens bereikten, veranderden zij in bloemen en vielen onschadelijk neer. Toen sloeg Māra zijn olifant met de machtige drijfstok tegen de slapen, dreef hem in de nabijheid van het Grote Wezen en riep: “Siddhattha, staat op uit uw kruiselingse zit.” Maar de Verheven Mens zei: “Ik zal niet opstaan, Māra.” En in het rond op de strijdmacht van Māra blikkend, sprak hij de volgende woorden:

        “Aan alle kanten zie ik de strijdmacht zich gereed maken. Māra nadert met zijn krijgsvolk. De strijd wil ik met hem aangaan, opdat hij mij niet van mijn plaats verdringt. Het machtige leger dat onoverwonnen is door deze wereld met haar goden, zal ik met de kracht van de wijsheid verpletteren, zoals een ongebrande kruik verpletterd wordt met een steen.”

        En verder sprak hij: “Nadat mijn denken gedwee en mijn oplettendheid goed gevestigd is, zal ik van land tot land rondtrekken en vele volgelingen onderrichten. Die zullen onvermoeibaar en vastbesloten beoefenaars van de leer zijn. Zij zullen tegen je wil, Māra, daarheen gaan waar aan alle lijden een einde komt.”

        Toen Māra deze woorden had vernomen, zei hij: “Bent u dan niet bevreesd nu u zo'n demon ziet als ik ben?” – “Neen, Māra, ik ben niet bang.” – “Hoe komt dat?” – “Omdat ik die zegenrijke volmaaktheden zoals vrijgevigheid enz. heb uitgeoefend.” – “Wie weet dat u zoiets verrichtte?” - “Waarom zou ik jou, Boze, een getuigenis geven? Maar als je het wenst, dan zul je het krijgen. Uit kracht van de gave die ik in gene vorm van bestaan als Vessantara heb gegeven, moge deze grote aarde daarvoor getuige zijn doordat ze in zes maal zeven slagen beeft.”

        Na deze woorden beefde de aarde met een vreselijk lawaai tot omlaag tot het haar begrenzende water. Toen Māra dit hoorde, schrok hij hevig alsof hij door de bliksem was getroffen. En hij vluchtte met zijn legerschare.[126]

24. Afhankelijk ontstaan (I)

        Toen de Bodhisatta weer alleen, in afzondering vertoefde, overlegde hij in de geest het volgende: “Waarlijk, deze wereld is tot een toestand van lijden vervallen. Men wordt geboren, men wordt ouder, men sterft, men verdwijnt en men duikt weer op. Een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven kent men niet. Wanneer zal er een ontkomen aan dit lijden, ouder worden en sterven gevonden worden?” En bij de Bodhisatta kwam de gedachte op:

        “Bij de aanwezigheid waarvan is ook ouderdom en sterven aanwezig? In afhankelijkheid waarvan is ouderdom en sterven aanwezig?” En hij kwam in grondig overleg, in wijsheid, tot het volgende inzicht: “Als geboorte aanwezig is, is ouderdom en sterven aanwezig; in afhankelijkheid van geboorte is ouderdom en sterven aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is geboorte aanwezig? - Als worden aanwezig is, is geboorte aanwezig; in afhankelijkheid van worden is geboorte aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is worden aanwezig? - Als inbezitname, hechten, aanwezig is, is worden aanwezig; in afhankelijkheid van inbezitname, hechten, is worden aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is inbezitname aanwezig? - Als levensdorst aanwezig is, is inbezitname aanwezig; in afhankelijkheid van levensdorst is inbezitname aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is levensdorst aanwezig? - Als gewaarwording aanwezig is, is levensdorst aanwezig; in afhankelijkheid van gewaarwording is levensdorst aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is gewaarwording aanwezig? - Als aanraking aanwezig is, is gewaarwording aanwezig; in afhankelijkheid van aanraking is gewaarwording aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is aanraking aanwezig? - Als de zes zintuigen aanwezig zijn, is aanraking aanwezig; in afhankelijkheid van de zes zintuigen is aanraking aanwezig.

        Afhankelijk waarvan zijn de zes zintuigen aanwezig? - Als geest-lichamelijkheid aanwezig is, zijn de zes zintuigen aanwezig; in afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid zijn de zes zintuigen aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is geest-lichamelijkheid aanwezig? Als bewustzijn aanwezig is, is geest-lichamelijkheid aanwezig; in afhankelijkheid van bewustzijn is geest-lichamelijkheid aanwezig.

        Afhankelijk waarvan is bewustzijn aanwezig? - Als geest-lichamelijkheid aanwezig is, is bewustzijn aanwezig; in afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid is bewustzijn aanwezig.”

        En bij de Bodhisatta kwam de gedachte op: “Dit bewustzijn keert terug uit de geest-lichamelijkheid, verder gaat het niet. In zoverre kan men gebo­ren worden, ouder worden en sterven; in zoverre kan men verdwijnen en weer opduiken, in zoverre namelijk als het volgende ontstaat: In afhanke­lijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking. In afhankelijkheid van aanraking ont­staat de gewaarwording. In afhankelijkheid van de gewaarwording ontstaat de levensdorst. In afhankelijkheid van de levensdorst ontstaat inbezitname. In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat het worden. In afhankelijk­heid van het worden ontstaat de geboorte. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zo is het ontstaan van deze hele massa van lijden. Dat is het ontstaan.”

        

        Zo ging bij de Bodhisatta het oog van de waarheid open over tot dan toe ongehoorde dingen. En ook de kennis, de wijsheid, het weten en het inzicht ging open. En de gedachte kwam bij hem op: “Bij afwezigheid waarvan is er geen ouderdom en sterven; door het beëindigen waarvan houdt ouderdom en sterven op?” En de Bodhisatta kwam in grondig overleg, in wijsheid tot het inzicht:

        “Als geboorte afwezig is, is ouderdom en sterven afwezig; door ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven op.

        Bij afwezigheid waarvan is geboorte afwezig? - Als worden afwezig is, is geboorte afwezig; door ophouden van worden houdt geboorte op.

        Bij afwezigheid waarvan is worden afwezig? - Als inbezitname afwezig is, is worden afwezig; door het ophouden van inbezitname houdt worden op.

        Bij afwezigheid waarvan is inbezitname afwezig? - Als levensdorst afwezig is, is inbezitname afwezig; door het ophouden van levensdorst houdt inbezitname op.

        Bij afwezigheid waarvan is levensdorst afwezig? - Als gewaarwording afwezig is, is levensdorst afwezig; door het ophouden van gewaarwording houdt levensdorst op.

        Bij afwezigheid waarvan is gewaarwording afwezig? - Als aanraking afwezig is, is gewaarwording afwezig; door het ophouden van aanraking houdt gewaarwording op.

        Bij afwezigheid waarvan is aanraking afwezig? - Als de zes zintuigen afwezig zijn, is aanraking afwezig; door het ophouden van de zes zintuigen houdt aanraking op.

        Bij afwezigheid waarvan zijn de zes zintuigen afwezig? - Als geest-lichamelijkheid afwezig is, zijn de zes zintuigen afwezig; door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op.

        Bij afwezigheid waarvan is geest-lichamelijkheid afwezig? - Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig; door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op.

        Bij afwezigheid waarvan is bewustzijn afwezig? - Als geest-lichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig; door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op.”

        En bij de Bodhisatta ontstond de gedachte: “Gevonden heb ik deze directe weg naar het hoogste inzicht, namelijk: Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op. Door het ophouden van de zes zintuigen houdt aanraking op. Door het ophouden van aanraking houdt gewaarwording op. Door het ophouden van gewaarwording houdt levensdorst op. Door het ophouden van levensdorst houdt inbezitname op. Door het ophouden van inbezitname houdt worden op. Door het ophouden van worden houdt geboorte op. Door het ophouden van geboorte houdt ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop op. Zo is het ophouden van deze hele massa van lijden. Dat is ophouden.”

        Zo ging bij de Bodhisatta het oog van de waarheid open over tot dan toe ongehoorde dingen; en ook de kennis, de wijsheid, het weten en het inzicht ging open.

        Na enige tijd vertoefde de Bodhisatta bij het vijfvoudig aangrijpen van de buitenwereld, in direct inzicht in het ontstaan en vergaan ervan. “Zo is lichamelijkheid, zo is het ontstaan van lichamelijkheid, zo is het vergaan van lichamelijkheid. Zo is gewaarwording, zo is het ontstaan van gewaarwording, zo is het vergaan van gewaarwording. Zo is waarneming, zo is het ontstaan van waarneming, zo is het vergaan van waarneming. Zo is het karakter, zo zijn de geneigdheden, zo is het ontstaan van het karakter, van de geneigdheden, zo is het vergaan van het karakter, van de geneigdheden. Zo is bewustzijn, zo is het ontstaan van bewustzijn, zo is het vergaan van bewustzijn."

        En terwijl hij aldus vertoefde bij het vijfvoudig aangrijpen van de buitenwereld, in direct inzicht in het ontstaan en vergaan ervan, werd zijn geest na niet lange tijd zonder hechten vrij van de neigingen.[127]

25. De drie soorten weten (tevijja)

        In de avond vóór zijn Verlichting werd zijn huid buitengewoon helder en stralend. En in de loop van de avond en nacht van de volle maan in mei (Vesakha) begreep de Verheven Mens de drie soorten weten (tevijja) aldus:[128]

        Met geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte hij de geest op het herinneren aan het vroegere bestaan. Op veelvuldige wijze herinnerde hij zich aan het vroegere bestaan, namelijk aan één geboorte, aan twee geboortes, aan drie ... vier ... vijf ... tien ... twintig ... dertig ... veertig ... vijftig ... honderd ... honderdduizend geboortes. Hij herinnerde zich aan meerdere perioden van wereldvergaan, aan meerdere perioden van wereldontstaan, aan meerdere perioden van wereldvergaan-wereldontstaan. “Daar was ik, zo'n naam had ik, zo'n geslacht, zo'n kaste, zo'n levensonderhoud, zo beleefde ik aangename en onaangename dingen, zo was het levenseinde. Vandaar verdwenen, dook ik daar weer op. Daar was ik nu, zo'n naam had ik, zo'n geslacht, zo'n kaste, zo'n levensonderhoud, zo beleefde ik aangename en onaangename dingen, zo was het levenseinde. Vandaar verdwenen, ben ik hier weer opgedoken.”

        Aldus herinnerde hij zich op veelvuldige wijze aan het vroegere oponthoud naar inhoud en plaats. Dit had hij in het eerste deel van de nacht[129] als eerste weten bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen hij daar waakzaam, ijverig, doelbewust vertoefde. En ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.

        

        En met geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte hij de geest op het weten van het verdwijnen en weer verschijnen van de wezens. Met het hemelse oog,[130] het reine, dat menselijke mogelijkheden te boven gaat, zag hij de wezens hoe zij verdwijnen en weer ontstaan, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. Hij herkende de wezens hoe zij overeenkomstig hun daden in het leven treden: “Waarlijk, die geachte wezens zijn in daden met slechte levenswandel behept, zijn in woorden met slechte levenswandel behept, zijn in gedachten met slechte levenswandel behept. Zij zijn beschimpers van de edelen, zijn aanhangers van een verkeerde visie, en zij geraken in de gevolgen van zo'n verkeerde visie. Zij duiken dan bij het verval van het lichaam, na de dood, op een zijweg op, op een onheilzaam spoor, in een gezonken toestand, in een oord van lijden. Deze geachte wezens daarentegen zijn in daden met goede levenswandel behept, zijn in woorden met goede levenswandel behept, zijn in gedachten met goede levenswandel behept. Zij zijn geen beschimpers van de edelen, zijn aanhangers van juiste visies, en zij geraken in de gevolgen van zo'n juiste visie. Zij duiken dan bij het verval van het lichaam, na de dood, op een goed spoor op, in een gelukkige wereld.”

        Aldus zag hij met het hemelse oog, het reine dat menselijke mogelijkheden te boven gaat, de wezens hoe zij verdwijnen en weer ontstaan, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. Hij herkende de wezens hoe zij overeenkomstig hun daden in het leven treden. Dit had hij in het middendeel van de nacht als tweede weten bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen hij daar waakzaam, ijverig, doelbewust vertoefde. En ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.

        En met geconcentreerde geest die gereinigd was, gezuiverd, smetteloos, die vrij was van onreinheid, buigzaam, gedwee, standvastig, onwrikbaar, richtte hij de geest op het weten van het verdwijnen van de smetten.[131]

        “Dit is het lijden," dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is het ontstaan van het lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is het vernietigen van lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is het pad dat leidt naar de vernietiging van lijden,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem.[132]

        “Dit zijn de smetten,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is het ontstaan van de smetten,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is de vernietiging van de smetten,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. “Dit is het pad dat leidt naar de vernietiging van de smetten,” dat directe inzicht overeenkomstig de waarheid ontstond bij hem. Zo erkende hij, zo doorschouwde hij.

        En zijn geest maakte zich los van de neiging tot zinnelijkheid. Zijn geest maakte zich los van de neiging tot worden. Zijn geest maakte zich los van de neiging tot niet-weten. In de bevrijde was het weten van bevrijd te zijn: “Vernietigd is geboorte, voltooid is het reinheidsleven, de opgave is volbracht, hierna is verder niets meer te doen,” zo zag hij onmiddellijk in. Dit had hij in het derde deel van de nacht als derde weten bereikt. Vernietigd was niet-weten, ontstaan was weten; vernietigd was duisternis, ontstaan was licht, toen hij daar waakzaam, ijverig, doelbewust vertoefde. En ook het aldus ontstane aangename gevoel hield zijn geest niet gevangen.[133]

26. Triomf

        En zelf aan geboorte, ouderdom, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig, in dit bestaan dat aan geboorte, ziekte, sterven, leed en onreinheid onderhevig is, het lijden inziende, op zoek naar het geboortevrije, ouderdomvrije, ziektevrije, doodvrije, leedvrije, onreinheidvrije, op zoek naar de onvergelijkbare innerlijke vrede, op zoek naar uitdoving, vond hij de geboortevrije, ouderdomvrije, ziektevrije, doodvrije, leedvrije, onreinheidvrije, onvergelijkbare innerlijke vrede, de uitdoving, Nibbāna.[134]

        Toen de Volmaakte in onvergelijkbare hoogste ontwaking volledig ontwaakte, sidderde deze aarde, trilde, beefde en schokte heen en weer.[135] En het weten, het inzicht ontstond bij hem: “Onwrikbaar is mijn bevrijding, dit is de laatste geboorte, een hernieuwd bestaan is er voor mij niet meer.”[136] En zegevierend sprak hij de volgende woorden:

        “In deze kringloop van wedergeboortes heb ik door menig bestaan rondgezworven, op zoek naar de bouwer van dit huis. Maar ik vond hem niet. Vol leed is het steeds weer geboren te worden.

        Bouwer van dit huis,[137] je bent nu gezien; je zult dit huis niet meer opbouwen. Al je daksparren[138] zijn gebroken, je nok is verbrijzeld.[139] Mijn geest heeft het onvoorwaardelijke, heeft het niet-veroorzaakte bereikt;[140] verkregen is het einde van begeerte.”[141]

        Aldus verkreeg Siddhattha Gotama op een andere dag van volle maan in mei, op 35-jarige leeftijd, de hoogste Verlichting door de vier edele waarheden in hun volheid te begrijpen.[142] En hij werd de Boeddha, de grote heelmeester die de ziektes van de mensen kan genezen. Na een zwerftocht van 100.000 aeonen had hij het gebied van het Doodloze bereikt.[143]


Geraadpleegde bronnen

Burlingame, Eugene Watson (tr.) 'Life of the Buddha,' Buddhist Legends, London 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).

Burlingame, Eugene Watson (tr.) 'The Buddha spurns the Daughters of Mâra,' Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 1b (Vol. 30, p. 33-35).

Conze, Edward: Der Buddhismus : Wesen und Entwicklung. (6., unveränd. Aufl.) Stuttgart (etc) : Kohlhammer, 1977. (Urban-Taschenbücher Bd. 5). orig. titel: Buddhism, its Essence and Development.

Jayawickrama, N.A. (ed. and tr.): The Chronicle of the Thupa and the Thupavamsa. London : PTS, 1971.

Khantipalo, Phra (comp.): The Splendour of Enlightenment: A Life of the Buddha. Compiled by Phra Khantipalo. Vol. I. Bangkok 2533/1990.

Masefield, Peter (transl.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ), by Dhammapâla. Transl. from the Pâli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford : PTS, 1995.

Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy : BPS, 1961. The Wheel No. 4.

Ñânamoli Thera: Three Cardinal Discourses of the Buddha. 1. The First Sermon; 2. The Sermon on Not-Self; 3. The Fire Sermon. With Introduction and Notes. Transl. by Ñânamoli Thera. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 17 (1st. ed. 1960).

Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.). Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo : BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. Bd. 1. Übers. von Karl Eugen Neumann. (3. Aufl.) München: Piper, 1922.

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Rhys Davids, T.W.: The Questions of King Milinda. 2 Parts. Transl. from Pâli by T.W. Rhys Davids. (repr.) Delhi (etc): Motilal Banarsidass, 1982. (Sacred Books of the East, Vol. 35). Part I, 1st. publ. Oxford 1890. Part II, 1st publ. Oxford 1894.

Siridhamma, Rev.: The Life of the Buddha. Part I. Kuala Lumpur: BMS, s.a. (Buddhist Student Series, No. 1).

Takakusu, J.: A Life of the Buddha. by J. Takakusu; transl. & annot. by Kosho Yamamoto. Tokyo : Numata, 1964.

Waldschmidt, Ernst: Die Legende vom Leben des Buddha : In Auszügen aus den heiligen Texten. Aus dem Sanskrit, Pali u. Chinesischen übers. u. eingef. von Ernst Waldschmidt. Berlin : Wegweiser-Verlag, [1929].

(Volksverband der Bücherfreunde).

Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).



[1]  D.14, in: Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya.  Kandy 1996, p. 199-221; M.123, in: Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.). Kandy 1978, p. 3-6.

[2]  wereldtussenruimten: Volgens Boeddhistische opvatting is er een oneindig aantal werelden. Elk ervan heeft een eigen zon. Ze zijn in groepen van drie geordend. De driehoekige ruimte in het centrum van elke groep wordt opgevuld door de hellewereld en wordt door geen zon beschenen. Ze is eeuwig in duisternis. (Dutoit, Julius (Übers.): Das Leben des Buddha. Eine Zusammenstellung alter Berichte aus den kanonischen Schriften der südlichen Buddhisten. Leipzig 1906, noot 1 pag. 1).

[3]  D.14; M.123.

[4]  D.14; M.123.

[5]  Noorden, zuiden, oosten en westen.

[6]  Jonge godheden: letterlijk: godenzonen. Goden worden spontaan geboren, zij hebben dus geen ouders. Er zijn dan ook geen zonen. Daarom is hier gekozen voor de omschrijving: “jonge godheden”.

[7]  D.14; M.123.

[8]  Deze grote deugdzaamheid wijst erop dat de vijf regels van goed gedrag (pañca sīla) al bestonden vóór de tijd van de Boeddha Gotama. - Deze vijf regels zijn een deel van het oude pad dat door de Boeddhas van weleer is betreden. (Rhys Davids, T.W. (Transl.): The Questions of King Milinda. (repr.) Delhi 1982, Part I, p. xxxix).

[9]  De vijf zinnelijke genietingen: de genietingen van het oog, het oor, de neus, de tong en het lichaam; m.a.w. alles wat zij zag, hoorde, rook, proefde en aanraakte, was haar aangenaam, daar genoot zij van, daar schepte zij behagen in.

[10]  D.14 ; M.123.

[11]  Waldschmidt, Ernst (übers.): Die Legende vom Leben des Buddha. Berlin 1929, p.34-36); Khantipalo, Phra (comp.): The Splendour of Enlightenment: A Life of the Buddha. Bangkok 2533/1990, Vol. I p. 71.

[12]  Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy 1961 (The Wheel No. 4).

[13] maan-maand = maand volgens de maankalender = ca. 29,5 dagen. (Grotefend, H. (Entw.): Taschenbuch der Zeitrechnung des deutschen Mittelalters und der Neuzeit.  (10. erw. Aufl.). Hannover 1960, pag. 1-2).

[14]  Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970, The Wheel No. 5ab; Piyadassi Thera: The Four Sacred Shrines. Kandy 1961, Bodhi Leaves No. B 8; Siridhamma, Rev.: The Life of the Buddha. Part I. Kuala Lumpur: BMS, s.a. (Buddhist Student Series, No. 1).

[15]  Het verhaal over conceptie en geboorte is in een leerrede door de Boeddha verteld aan de Eerwaarde Ānanda die toen met een menigte monniken te Savatthi in het Jetavana-klooster verbleef. Meerdere monniken spraken erover hoe de macht en kracht van de Volmaakte hem in staat stelden kennis te hebben van vroegere verlichte wezens, hoe hun geboorte was, hoe hun namen waren, afkomst, concentratie, begrip en manier van bevrijding. Tijdens hun gesprek kwam de Boeddha binnen en sprak toen de betreffende leerrede (M.123). - Volgens de overlevering van het noordelijke Boeddhisme werd de Boeddha geboren in 566 v.C., op de 8e dag van de 4e maand. (Takakusu, J.: A Life of the Buddha. Tokyo 1964, p. 8).

[16]  Benaresdoek = zeer fijn geweven doek . Stoffen van de beste kwaliteit werden toen geweven in Varanasi (= Benares).

[17]  Dutoit (1906, p. 4) vertaalde: “… er verschenen twee regenwolken in de lucht, de ene met koud en de andere met warm water. En daarmee vervulden zij de plicht van het water jegens de Bodhisatta en zijn moeder.” - Toen de Bodhisatta geboren werd, maakten de twee slangenkoningen Nanda en Upananda dat er twee waterstromen kwamen, een warme en een koude. Daarin baadden zij de Bodhisatta. (Waldschmidt 1929, p.43).

[18]  De witte parasol is een teken van heerschappij.

[19]  D.14; M.123. - In M.123 zijn deze feiten door de Eerwaarde Ānanda aangegeven als wonderbaarlijke en prachtige eigenschappen van de Gezegende. De Boeddha noemde daarop zelf nog de volgende wonderbaarlijke en prachtige eigenschappen van een Verhevene: (a) De         gevoelens van plezier, pijn of gelijkmoedigheid van een Volmaakte zijn hem bekend wanneer ze ontstaan, wanneer ze aanwezig zijn en wanneer ze verdwijnen. En evenzo is het met zijn gewaarwordingen en gedachten.

[20]  Siridhamma, Part I.

[21]  De hemelse schare der 33 Goden = Tavatimsa deva. - Sakka heet ook wel: Indra.

[22]  Asita betekent: de donkere, de zwarte. Hij kreeg die naam vanwege zijn donkere huidskleur.

[23]  Asuren = demonen.

[24]  Zienerbos = Isipatana. Thans heet deze plaats: Sarnath.

[25]  Suddhodana: de vader van de Boeddha.

[26]  Sn.679-695, in: Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta: Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977, p. 154-156.

[27]  Sn.695-696 plus commentaar, in: Nyanaponika 1977, p. 156 en 298.

[28]  Waldschmidt 1929, p. 59-61.

[29]  Voor de 32 kenmerken van een Groot Man, zie: Lakkhana Sutta (D.30). Zie ook: De Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme: De 32 kentekenen.

[30]  Piyadassi Thera 1970; D.14; Khantipalo 1990, p. 77-78. – Volgens Khantipalo waren de namen van de acht brahmanen: Rāma, Dhaja, Lakkhana, Manti, Kondañña, Bhoja, Suyāma en Sudatta.

[31]  D.14; M.123 ; Maurice 1961; Piyadassi Thera 1970.

[32]  Waldschmidt 1929, p. 62-63.

[33]  Siridhamma, Part I.

[34]  Banaras, andere naam voor Varanasi.

[35]  A.III.38.

[36]  De herenhuizen in die tijd hadden zeven verdiepingen. Ook de paleizen zullen evenveel of nog meer verdiepingen hebben gehad.

[37]  A.III.38 ; D.14 ; Piyadassi 1970.

[38]  Siridhamma, Part I; Waldschmidt 1929, p. 72; Khantipalo 1990, p. 88-89.

[39]  Maurice 1961; Piyadassi 1970.

[40]  Maurice 1961; Siridhamma, Part I.

[41]  Dit is vermeld door Piyadassi Thera (1961). Er is een andere versie, namelijk: "Hij zag een hagedis uit een spleet in de aarde kruipen. Die hagedis ving mieren met z'n tong en at ze op. Kort daarna naderde een slang, doodde de hagedis door zijn kop af te bijten en at hem op. Juist op dat moment kwam een havik uit de lucht neerdalen, greep de slang en at ze op." (Siridhamma, Part I).

[42]  Piyadassi 1961. - Volgens het Nidānakatha, een Pāli tekst, is de eerste meditatie in de vroege jeugd van de prins, bij gelegenheid van een ploeg-ceremonie. Volgens het Lalitavistara is de Boeddha al half volwassen en bereikt hij bij een uitstapje onder een boom de vier meditatieve verdiepingen. De Mūlasarvāstivādin leggen de eerste meditatie nog later. Volgens hen is de Bodhisatta dan ca 29 jaar oud en heeft dan al de vier hemelboden ontmoet. (Waldschmidt 1929, p.10 en p. 91). – Khantipalo (1990 p. 86-87) vermeldt de legende dat de schaduw van de boom waaronder Siddhattha zat, gelijk bleef, terwijl die van andere bomen met de zon mee draaide.

[43]  Piyadassi 1970; Maurice 1961.

[44] In het Lalitavistara heet de vrouw van Sidhattha in het algemeen Gopa. Maar ook komt er de naam Yasodhara voor. Bij de Mūlasarvāstivādin zijn zij twee verschillende vrouwen met wie de prins na elkaar trouwde. (Waldschmidt 1929, p.10).

[45]  Waldschmidt 1929, p. 75-80.

[46]  Piyadassi 1970; Maurice 1961; Conze, Edward: Der Buddhismus: Wesen und Entwicklung. (6., unveränd. Aufl.) Stuttgart 1977, p.38.         

[47]  Piyadassi 1970; Khantipalo 1990, p. 89-91.

[48]  D.14; Conze 1977, pag. 39.

[49]  D.14.

[50]  A.III.38.

[51]  D.14.

[52]  D.14.

[53]  A.III.38.

[54]  D.14.

[55] D.14

[56]  A.III.38.

[57]  Over niet-benaderen, zie ‘Naderen’.

[58]  D.14.

[59]  Over Rahula, de zoon van de Boeddha, zijn er grote verschillen in de teksten. Het Lalitavistara kent Rahula niet noch een zoon van de Boeddha. - Volgens de Mūlasarvāstivādin wordt de zoon pas geboren ná de Verlichting. Gopa moet dan echtbreuk hebben gepleegd. (Waldschmidt, Ernst (übers.): Die Legende vom Leben des Buddha. Berlin 1929, p. 10-11).

[60]  Jayawickrama, N.A. (ed. and tr.): The Chronicle of the Thupa and the Thupavamsa.  London 1971, p. 24; Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970. The Wheel No. 5ab; Burlingame, Eugene Watson (tr.) 'Life of the Buddha,' Buddhist Legends, London 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).

[61]  Jayawickrama 1971, p.24; Siridhamma, Rev.: The Life of the Buddha. Part I. Kuala Lumpur s.a.; Takakusu, J.: A Life of the Buddha. Tokyo 1964; Burlingame 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).

[62]  Jayawickrama 1971, p. 24.

[63]  Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy 1961, The Wheel No. 4; M.26; A.I.46, 38.

[64]  kortom: familie, personeel en eigendom.

[65]  M.26

[66]  M.26

[67]  M.26

[68]  M.36 ; zie ook: Sn.406.

[69]  Maurice 1961. Vergelijk ook M.26 en M.36. – Een andere versie staat in het Thupavamsa:                 

        Toen hij op de prinselijke divan lag, zag hij de wanordelijke toestand van de dansmeisjes die door slaap overweldigd waren. Met Channa als metgezel ging hij, met de godheden van de 10.000 wereldsystemen als zijn gevolg, naar de grote verzaking toe. Hij reisde drie koninkrijken door in de tijd die er die dag nog over was en bereikte de andere oever van de rivier Anomā. Daar steeg hij van zijn paard af. En op de zandige oever die leek op een hoop parels, overhandigde hij zijn ornamenten en het paard Khanthaka aan Channa. En hij zei: “Channa, ga jij terug en neem deze ornamenten en Khanthaka mee.” Toen nam hij zijn zwaard in zijn rechterhand, hield de knot boven op zijn hoofd met het diadeem erin met de linkerhand vast en sneed ze af, wierp ze in de lucht omhoog en zei: “Indien ik een verlicht iemand zal worden, laat ze dan in de hemel blijven; indien ik het niet zal worden, laat ze dan op de grond vallen.” Het diadeem rees samen met de knot waaraan het was bevestigd, tot een hoogte van een mijl in de lucht omhoog en bleef daar. Hierop ontving Sakka, de koning van de godheden, ze in een mand van waardevol metaal (=goud) welke mand een mijl in omvang was. Hierna nam Sakka haar in de hemelse wereld en richtte op de top van de berg Sumeru de Cūlāmani Cetiya op. Deze cetiya is drie mijl hoog en is gebouwd van saffier. (Jayawickrama 1971, p. 25-26; Burlingame 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).        

        De grote Brahma Ghatīkāra was in de tijd van de Boeddha Kassapa een metgezel geweest van de Bodhisatta. En hoewel er gedurende een Boeddha-interval een scheiding tussen hen beiden was geweest, was zijn vriendschap niet verloren gegaan. Deze grote Brahma nu dacht: “Vandaag is mijn metgezel vertrokken naar de grote verzaking. Ik zal naar hem toe gaan en voor hem de acht rekwisieten van een monnik meenemen, namelijk de drie gewaden, de bedelnap, het scheermes, de naald, de gordel en het waterzeef. Dit zijn de acht rekwisieten van een monnik die toegewijd is tot religieuze oefening.” Die rekwisieten bracht Brahma Ghatīkāra en overhandigde ze. Het Grote Wezen kleedde zich in dit gewaad, de banier van Arahantschap, nam de edelste gedaante van een kluizenaar aan en wierp zijn lekengewaden omhoog in de lucht. De Brahma ontving ze en bouwde in de hemel van Brahma de Dussacetiya ervoor. Deze cetiya is 12 mijl hoog, gemaakt van alle waardevolle dingen. (Jayawickrama 1971, p. 25-26; Burlingame 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).

[70]  Māra = de Boze. Hij is geen historisch figuur; hij is enkel een symbool, de personificatie van kwade staten van geest en van ongetemde verlangens. (Rhys Davids, T.W.: The Questions of King Milinda..Part I. (repr.) Delhi 1982, p. xxxiii).

[71]  Het wiel van een universeel heerser, zie het Cakkavattīsihanāda sutta (D.26).

[72]  Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'The Buddha spurns the Daughters of Mâra,'  Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 1b (Vol. 30, p. 33-35).

[73]  Maurice 1961.

[74]  Piyadassi 1970.

[75]  M.26. – Deze sfeer is een meditatieve sfeer. Ze is tijdelijk en niet gelijk aan Nibbāna.         

[76] M.26.

[77]  Giribbaja is een andere aanduiding voor de stad Rajagaha. De betekenis van dit woord is niet zeker. Volgens het commentaar lag Rajagaha temidden van vijf bergen (giri) als een schaapskooi (vaja). En daarom werd die plaats Giribbaja genoemd. – Voor meer gegevens over Rajagaha, zie: Rajgir (Rajagaha)

[78]  Hier is de term ‘bedelspijs’ gebruikt om aan te geven dat de Bodhisatta alleen eten kreeg en geen geld. Tegenwoordig heeft het woord ‘aalmoes’ de vroegere aanduiding van ‘gave in de vorm van een maaltijd’ verloren en heeft meer de betekenis van ‘geldelijke gave aan bedelaar’.

[79]  ‘Hij die de tekenen van grootte droeg’, letterlijk: ‘met de edele kentekenen overstroomd’. Dit heeft betrekking op de traditionele kenmerken van een groot man. Voor die 32 kenmerken, zie: De Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme: De 32 kentekenen.

[80]  Pandava is één van de bergen rond Rajagaha.

[81]  Volgens het Thupavamsa werd hem het koninkrijk van Magadha aangeboden. (Jayawickrama 1971, p. 27)

[82]  Adicca = lid van de zonne-dynastie.

[83]  Sn. 408-424 met commentaar, in: Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta: Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977, p. 102-104 en 283.

[84]  Senanigama is de tegenwoordige plaats Bodh-Gayā in de deelstaat Bihar, India. Uruvela is het dorpje Urel. – Meer gegevens hierover, zie: Buddhagayâ (Senanigama)

[85]  M.26; M.36.

[86]  M.36; Siridhamma, s.a.; Piyadassi 1970.

[87]  M.12; Piyadassi 1970.

[88]  bhikkhu = Boeddhistisch monnik, letterlijk: bedelaar. Maar een monnik bedelt niet; hij wacht af of hij iets krijgt. Krijgt hij iets, dan is het goed. Krijgt hij niets, dan is het ook goed.

[89]  De Uposatha-dagen dateren al van vóór de tijd van de Boeddha.

[90]  M.4.

[91]  M.36.

[92]  M.36.

[93]  M.36.

[94]  M.36.

[95]  M.36.

[96]  M.36.

[97] M.36.

[98]  M.36.

[99]  M.36.

[100] M.36.

[101] M.36.

[102] M.36.

[103] M.36.

[104] M.36.

[105] M.36.

[106] Namucī betekent: ‘degene die niet bevrijdt.’ Hij is de belichaming van Māra, van het bevestigen van bestaan en zó van het steeds weer opnieuw sterven.

[107] Dit zijn drie van de vijf geestelijke bekwaamheden. De twee andere: oplettendheid en concentratie, worden verderop genoemd.

[108] Als andere, gewone mensen door leed of pijn getroffen worden, verlangt hun geest naar geluk en welbehagen. Bij koude verlangt de geest naar warmte, bij warmte naar koelte, bij honger naar voedsel, bij dorst naar water. Maar zó was het niet bij de Bodhisatta die om de Verlichting streed. Bij hem kwam geen enkele gedachte op aan goed eten of een gemakkelijk bed.

[109] Een variatie hierop is in Sn.478 en Sn.875.

[110] De mannen die zich op het slachtveld niet op de vlucht willen begeven, binden munja-gras aan hun hoofd, vaandel of wapen. Zo geven zij aan dat zij niet van plan zijn te vluchten. Want deze grassoort bezit weerhaken en is heel moeilijk van de kleren te verwijderen zonder scheuren.

[111] Sn.III.2, 425-449 plus commentaar, in: Nyanaponika 1977, p. 104-107 en 283-285.

[112] commentaar bij Sn.441, in: Nyanaponika 1977, p. 284.

[113] M.36.

[114] Ñânamoli Thera: Three Cardinal Discourses of the Buddha. 1. The First Sermon; 2. The Sermon on Not-Self; 3. The Fire Sermon. With Introduction and Notes. Transl. by Ñânamoli Thera. (2nd ed.) Kandy 1972, The Wheel No. 17.

[115] M.36.

[116] M.36; Siridhamma, s.a.; Piyadassi 1970.

[117] Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.). Kandy 1978, p. 22.

[118] Bij intrede in de Orde valt ieder verschil in kaste weg. - Vergelijk A.VIII.19 de vierde overeenkomst van de oceaan met de leer van de Boeddha.

[119] A.V.196. - Volgens het commentaar zijn er vier soorten van dromen. (1) De eerste soort ontstaat door prikkeling van gal, slijm of lichaamsgassen. Men droomt dan dat men van een berg valt, door de lucht vliegt, door wilde dieren achtervolgd wordt e.d. (2) De tweede soort bestaat uit herinneringsbeelden van vroegere indrukken. (3) De derde soort wordt veroorzaakt door goede of kwade geesten. (4) De vierde soort bestaat in voortekenen van komende gebeurtenissen, zoals de hier genoemde droombeelden van de Bodhisatta.        

        De beide eerste soorten van dromen zijn volgens het commentaar onechte dromen. De derde soort is soms waar soms niet waar. De vierde soort is steeds waar.         

[120] Rijstekoek, letterlijk: melk-rijst. Deze spijs heet in Sri Lanka ‘kiri-bat’. Het is geen brij maar een koek van rijst en melk.

[121] Het geven van voedsel aan de Bodhisatta door Sujātā had gelijke vrucht als het geven van voedsel door de goudsmid Cunda. (Masefield, Peter (transl.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ), by Dhammapâla. Vol. II. Oxford 1995, p. 1032).         

[122] Jayawickrama 1971, p.27. – Volgens een legende brachten twee meisjes uit het dorp Senaya hem daar rijstpap. (Waldschmidt 1929, p. 142).         

[123] Commentaar bij Sn.441, in: Nyanaponika 1977, p. 284. – Volgens dat commentaar wekte hij de acht jhanas, de acht fasen van meditatieve verdieping, in zich op; volgens M.36 wekte hij alleen de fasen 1 t/m 4 op.

[124] M.36.

[125] In het Thupavamsa staat een andere versie en wel: “Hij zond de gouden beker stroomopwaarts over de rivier Nerañjarā, bracht overdag de uren door in diverse fasen van meditatieve verdieping in het grote bos aan de oevers van de rivier Nerañjarā, en in de avond nam hij de handvol gras aan die hem door Sottiya werd aangeboden. Daarna werd hij met gezang geprezen door de Naga-koning Kala, waarna hij de zetel der Verlichting besteeg. Hij spreidde de bladeren van gras uit en maakte voor zichzelf het vaste voornemen om zijn houding met gekruiste benen niet te onderbreken totdat zijn geest volledig vrij was van smetten, waarbij geen enkele basis van hechten over mocht blijven. Toen ging hij neerzitten, met het gelaat naar het oosten. En juist voordat de zon onderging, streed hij tegen de krachten van Māra. (Jayawickrama 1971, p. 27).

        

        In een andere legende wordt het volgende verhaald: Op weg naar de boom der Verlichting nam de Bodhisatta een bad in de rivier Nerañjarā. Hij was uitgeput en niet meer in staat om op eigen kracht uit de stroom te komen. In die tijd leefde een boomgodheid aan de oever van de rivier. Zij zag hoe uitgeput de Bodhisatta was. Zij kwam met haar bovenlichaam uit de boom te voorschijn en strekte haar hand uit om de Bodhisatta te helpen. Deze vroeg tot welk geslacht zij behoorde. Het antwoord luidde dat zij een vrouw was. “Dan mag ik u niet aanraken,” zei de Bodhisatta. Maar wel kon zij hem een tak aanreiken waaraan hij zich uit de stroom kon trekken. De boomgodheid boog een tak omlaag en het lukte de         Bodhisatta zich uit de rivier te trekken. Daarna kleedde hij zich in zijn gewaad en ging aan de oever van de rivier onder een boom zitten. (Waldschmidt 1929, p. 141-142).

        

        Nog een andere legende verhaalt als volgt: Het lichaam van de Bodhisatta werd na de maaltijd weer krachtig. Hij liep langs de rivier en keek uit naar een geschikte plek. De Bodhisatta zag een berg met bloemen en vruchten. Hij ging naar de top ervan en ging op een platte steen zitten met gekruiste benen. De berg brak toen in stukken uiteen. De goden kwamen naderbij en spraken hem toe met de woorden: “Het is een eeuwige wet dat, wanneer Bodhisattas hun pad voltooien, de kracht van de hele aarde dit niet kan dragen. Daarom is de huidige plek voor de Bodhisatta ongeschikt om de Verlichting te verwerkelijken. De goede daden van de Bodhisatta zijn zó groot dat de berg vanzelf in stukken is gesprongen. Maar aan de andere oever van de rivier, ten oosten van deze berg, is een plek uit diamant. Op die plek hebben alle Boeddhas van vroegere, tegenwoordige en toekomstige tijden het hoogste weten bereikt, bereikten het of zullen het nog bereiken.” Na deze woorden ging de Bodhisatta op weg naar die plek. (Waldschmidt 1929, p. 142-143).

        

        De Bodhisatta overwoog op welke zitplaats de Volmaakten van weleer gingen zitten. En de gedachte kwam in hem op dat zij op een mat van gras zaten. Dit werd bevestigd door 100.000 goden van de Zuivere Verblijven. Toen zag de Bodhisatta de grassnijder Svastika aankomen. Deze had groen, zacht gras gemaaid. De Bodhisatta ging naar hem toe en vroeg: “Vlug, geef mij wat gras, Svastika; vandaag heb ik gras heel hard nodig. Want ik wil Mara en zijn leger verslaan en de Verlichting bereiken. Wanneer je mij wat van je gras schenkt, zul je veel verdiensten verwerven.”        

        Svastika nam een handvol gras en zei: “Wanneer men met hulp van gras de hoogste rang en de Verlichting kan bereiken, dan had ik als eerste die rang en Verlichting moeten bereiken.”                 

        Het antwoord van de Bodhisatta luidde: “De Verlichting bereikt men niet door het zitten op een bundel gas. Maar pas wanneer een wijze beschikt over inzicht, over goede werken en over de passende middelen, pas dan zal hij een overwinnaar worden en zonder hartstochten zijn.”                 

        De Bodhisatta nam een handvol gras en ging naar de boom van Verlichting. Hij ging er zeven keer omheen, spreidde het gras aan de voet van de boom uit en ging er neerzitten. En hij nam het vaste voornemen om niet eerder op te staan voordat de Verlichting bereikt was. (Waldschmidt 1929, p. 146-149).

[126] Sn.III.2, 425-449 plus commentaar, in: Nyanaponika 1977, p. 104-107 en 283-285.

[127] D.14. Vergelijk eventueel S.XII.65.

[128] D.16.

[129] De nacht was verdeeld in drie nachtwaken: de eerste van 18:00 tot 22:00 uur, de tweede van 22:00 tot 02:00 en de derde van 02:00 tot 06:00 uur.         

[130] Het hemelse oog = het vermogen te zien zoals ook de hemelbewoners kunnen zien; helderziendheid.

[131] smetten: asava, letterlijk ‘instromingen’. Vertalingen die vaak voorkomen zijn: gezwellen, bedorvenheden, neigingen. - Er is een lijst van vier smetten, namelijk: a) zinnelijk verlangen, b) verlangen naar bestaan, c) verkeerde visies, d) onwetendheid.

[132] Dit zijn de vier edele waarheden.

[133] M.36; M.I.246-247.

[134] M.26.

[135] D.16.

[136] M.26.

[137] De bouwer is begeerte, een zelf geschapen kracht.

[138] De daksparren zijn de belemmeringen.

[139] De nok is onwetendheid. Het verbrijzelen van de nok door wijsheid heeft als resultaat dat het hele huis vernietigd wordt. En dan is de bouwer beroofd van de middelen om het huis dat niet gewenst is, te bouwen.

[140] Met de vernietiging van het huis bereikt de geest het ongeconditioneerde, onvoorwaardelijke, niet-veroorzaakte, Nibbāna.

[141] Dhp. 153-154 plus noten, in: Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo 2522-1978, p. 140-142.

[142] Takakusu vermeldt dat de Verlichting verkregen werd op 30-jarige leeftijd. Als datum ervan wordt door het noordelijk Boeddhisme 8 december genoemd. (Takakusu 1964 p. 35 en p. 8).

[143] Piyadassi 1970.

naar begin   of  naar  Leven van de Boeddha